1. Toelichting - Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 vastgesteld
Tekst van het document
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
5.1.2.1 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder is alleen van toepassing binnen de van rechtswege aanwezige zone van een weg. Conform de Wet geluidhinder heeft elke weg een zone. Conform art. 74 lid 2 Wgh zijn de onderstaande wegen hiervan uitgezonderd:
Wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt.
De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging in stedelijk of buitenstedelijk gebied. De relevante wegen rond het plangebied zijn gelegen in stedelijk gebied. Hiervoor gelden de volgende zonebreedtes (conform art. 74 lid 1 Wgh): 1. 2.
voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken : 350 meter; voor een weg, bestaande uit één of twee rijstroken : 200 meter.
Deze afstanden worden aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. De beoogde woning ligt binnen de geluidzone van de Kloosterdijk. Deze weg kent echter, onder meer gezien hoofdzakelijk bestemmingsverkeer van deze weg gebruik maakt, een relatief lage verkeersintensiteit. Op basis hiervan kan dan ook worden aangenomen dat, als gevolg van deze weg, aan de voorkeurswaarde wordt voldaan en dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
27
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld 5.1.2.2 Railverkeerslawaai De locatie is niet gelegen binnen geluidszones van spoorverbindingen. Een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai is niet vereist. 5.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van de locatie is geen gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wgh, aanwezig. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai is daarom niet noodzakelijk. Wat betreft de invloed van individuele bedrijvigheid, waaronder het naastgelegen bouwbedrijf, wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering) van deze toelichting. 5.1.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In voorliggend geval zijn, ter plaatse van de gewenste woonfuncties, door Kruse Milieu BV verkennende bodemonderzoeken conform NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd. Hierna wordt kort op de onderzoeksresultaten ingegaan. Voor de volledige rapportages van de Kloosterdijk 40 en 42 wordt verwezen naar respectievelijk bijlage 1 en 2 bij deze toelichting. 5.2.2
Situatie plangebied
5.2.2.1 Verkennend bodemonderzoek Kloosterdijk 40 In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen aangetoond. In de ondergrond en in het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF – A is geen asbest aangetoond. De bodem wordt dan ook geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. 5.2.2.2 Verkennend bodemonderzoek (strook) Kloosterdijk 42 In de bovengrond is een lichte verontreiniging aangetoond. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren. In het mengmonster van de fijne fractie MM FF – A is geen asbest aangetoond. De bodem wordt dan ook geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. 5.2.3
Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
28
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
29
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan weten regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
5.4.2.1 Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot de ontwikkellocatie (rode omlijning) en de omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
30
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
Afbeelding 5.1 Uitsnede Risicokaart (Bron:Risicokaart.nl)
Ten noordwesten ligt op circa 218 meter afstand Camping De Pallergarste, met een zwembad. Hiervoor geldt geen risicoafstand. Daarnaast ligt ten noordoosten op circa 274 meter afstand een aardgasleiding van de Gasunie (N-527-40), met een diameter van 6,26 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Hiervoor geldt een afstand van 40 meter (100% letaliteitsgrens) tot 70 meter (1% letaliteitsgrens), waaraan ruimschoots wordt voldaan. Tot slot bevindt zich eveneens in het noordoosten, op circa 333 meter afstand, Freke autobedrijf V.O.F. Dit betreft een benzineservicestation met een vulpunt, reservoir en een afleveringsinstallatie voor LPG. Hiervoor geldt een uiterste risicoafstand van 150 meter. Ook hieraan wordt ruimschoots voldaan. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • • 5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Eén en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
31
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.’ De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen , zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. De locatie ligt in een gebied waar sprake is van verschillende functies, waaronder woonfuncties, bedrijfsfuncties en sportfuncties. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Beoordeling
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
32
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de gewenste functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Of andersom, of de bestaande functies in de omgeving worden belemmerd in hun bedrijfsvoering als gevolg van de gewenste functie. In de directe omgeving van de ontwikkellocatie bevinden zich verschillende milieubelastende functies. Deze zijn opgenomen in de volgende tabel: Functie en adres Milieucategorie en richtafstand (VNG) Afstand bestemming tot ontwikkellocatie Bouwbedrijf 3.1 (aannemersbedrijf b.o.
> 1.000 m²): 0 meter (aannemersbedrijf met 30 meter (geluid) houtbewerking) 10 meter (stof) Kloosterdijk 36-38 Sportpark Westerpark 3.1 (veldsportcomplex (met verlichting)*): 50 meter Westerweg 41 30 meter (geluid) Bedrijfsfuncties 2: 52 meter Kloosterdijk 48 en 50 10 meter Bedrijfsfuncties 4.1 (metaaloppervlaktebehandelingsbedrijven - stralen): 86 meter (metaalbedrijf) 100 (geluid en stof) Kloosterdijk 60, 62 en 64a 10 (geur en gevaar) Bedrijf (melktechniek Oost 4.1 (machine- en apparatenfabrieken incl. reparatie: p.o. 165 meter B.V.) > 2.000 m²): Kloosterdijk 17 100 (geluid) 10 (geur, stof en gevaar) Uit de tabel blijkt dat niet wordt voldaan aan de maximale richtafstand tot het bouwbedrijf (binnen het plangebied) en het metaalbedrijf. *opgemerkt wordt dat ter plaatse van het sportpark, ondanks dat in de huidige situatie een veldsportcomplex aanwezig is, onder meer een ijsbaan is toegestaan. Hiervoor geldt op basis van de VNG publicatie een richtafstand van maximaal 200 meter voor het aspect geluid (4.2, stadions en open-lucht-ijsbanen). Hieraan wordt in voorliggend geval niet voldaan. Echter is op basis van het geldende bestemmingsplan ‘het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van sporten die veel omgevingslawaai tot gevolg hebben in strijd met het bestemmingsplan’.
Het is daarnaast, gezien de bestaande woonbestemmingen die direct grenzen aan het sportpark (0 meter afstand), eveneens niet aannemelijk dat hier dergelijke functies kunnen worden uitgeoefend.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
33
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld Bouwbedrijf Het bouwbedrijf (/aannemersbedrijf) is gelegen binnen het plangebied (ter plaatse van de te behouden bedrijfsbestemming) en komt, ondanks dat ter plaatse van het bouwbedrijf (/aannemersbedrijf) tevens het bewerken van hout is toegestaan, binnen de VNG publicatie het meest overeen met een aannemersbedrijf (b.o. > 1.000 m²). Het bewerken van hout ter plaatse komt namelijk qua aard en omvang niet overeen met een functie als een houtzagerij, aangezien een houtzagerij vele malen meer milieubelastend voor de omgeving is. Daarnaast zijn de houtbewerkingsactiviteiten enkel inpandig toegestaan. Voor het bouwbedrijf kan dan ook worden uitgegaan van het reeds vermelde aannemersbedrijf. Voor het aannemersbedrijf kan niet aan de richtafstanden wordt voldaan. Echter is de bedrijfsbebouwing enkel binnen het te behouden bouwvlak (huidige bouwvlak, waarvan het deel met de bedrijfswoning komt te vervallen) toegestaan. Deze ligt op minimaal 10 meter van de ontwikkellocatie, waardoor aan de richtafstand voor het aspect stof wordt voldaan. In het kader van het aspect geluid is ter plaatse van de gewenste reguliere woning een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Munsterhuis Geluidsadvies (zie bijlage 3 bij deze toelichting).
Op basis van het akoestisch onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: - Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt ter plaatse van de zonebewakingspunten maximaal 50 dB(A) in de dagperiode. De maatgevende bronnen betreffen de heftruck en de afzuiging van de krullen. - Het maximale geluidniveau bedraagt ter plaatse van de woning 69 dB(A) als gevolg van de heftruck. - De normen uit het activiteitenbesluit worden niet overschreden. Hiervoor is het wel vereist dat twee geluidschermen, zoals opgenomen in het akoestisch rapport, worden opgericht. Dit is in het bestemmingsplan gewaarborgd met een voorwaardelijke verplichting. Daarnaast wordt opgemerkt dat zich grenzend aan het noordwesten van het bouwvlak van het bedrijf reeds een woonbestemming bevindt. De bestaande afstand van het bedrijf tot milieugevoelige functies wordt als gevolg van de ontwikkeling dan ook niet verkleind. Metaalbedrijf Binnen de bedrijfsbestemming voor metaalbedrijven moeten de metaalbewerkingsactiviteiten eveneens inpandig plaatsvinden. Ook voor deze bedrijven geldt dat de bedrijfsbebouwing enkel is toegestaan ter plaatse van het bouwvlak. De afstand van de ontwikkellocatie tot het bouwvlak van deze bedrijven bedraagt 103 meter, waarmee aan de richtafstanden wordt voldaan.
Ten aanzien van de buitenactiviteiten op kortere afstand dan 100 meter, zoals het laden, lossen en parkeren (zonder metaalbakken), geldt dat geen sprake is van een dermate hoge geluidsbelasting. Een afstand van minimaal 86 meter wordt hiervoor voldoende geacht. Daarnaast wordt opgemerkt dat zich op kortere afstand van het bouwvlak van de bedrijfsbestemming reeds woonbestemmingen bevinden. De bestaande afstand van de bedrijfsbestemming tot milieugevoelige functies wordt dan ook niet verkleind. Er is dan ook geen sprake van beperkingen van de bedrijfsmogelijkheden. Conclusie Ter plaatse van de ontwikkellocatie zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd levert deze ontwikkeling omgekeerd geen belemmering op voor de omliggende bedrijven. 5.5.3
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
34
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld 5.6.1
Gebiedsbescherming
Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (Natura 2000) worden aangemerkt als speciale beschermingszones (SBZ’s). 5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. In afbeelding 5.2 is de ligging van de ontwikkellocatie (rode ster) ten opzichte van de Natura 2000 weergegeven (bruine gestreepte deel noordwesten).
Afbeelding 5.2
Ligging van de ontwikkellocatie ten opzichte van de Natura 2000 (Bron: provincie Overijssel)
De ontwikkellocatie ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Vecht- en Beneden-Reggegebied” ligt op een afstand van circa 1,1 kilometer. Om inzicht te krijgen in de te verwachten effecten op Natura 2000-gebied is een Aerius-berekening door BJZ.nu uitgevoerd. Deze is als bijlage 4 bijgevoegd. In de komende alinea worden de belangrijkste resultaten uiteengezet. Voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase is er geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol per hectare per jaar. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.3 is de ligging van de ontwikkellocatie (rode ster) ten opzichte van de NNN (groene deel noordwesten) weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
35
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
Afbeelding 5.3
Ligging van het plangebied ten opzichte van NNN (Bron: provincie Overijssel)
De ontwikkellocatie is gelegen op een afstand van circa 825 meter van het meest nabij gelegen NNN gebied. De gewenste ontwikkeling vindt dan ook niet binnen het NNN plaats en leidt eveneens niet tot aantasting van de wezenlijke waarden. Het NNN vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan. 5.6.2
Soortenbescherming
Alcedo Natuurprojecten heeft een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek kort opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. Op basis van de quickscan wordt ten aanzien van soortenbescherming het volgende geconcludeerd: • Er zijn op de onderzochte locatie geen jaarrond beschermde nesten van vogels aangetroffen; • Het is uit te sluiten dat er vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn; • Vanwege de voorgenomen plannen gaan er geen foerageerplaatsen van vleermuizen verloren; • Vanwege de voorgenomen plannen worden er geen migratiecorridors van vleermuizen doorsneden; • Vanwege de voorgenomen plannen komt mogelijk de gunstige staat van instandhouding in gevaar van bunzing, hermelijn en wezel; • Extra aandacht voor deze soorten is gewenst. Daarnaast wordt het volgende geadviseerd: • Voer de werkzaamheden uit buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli); • Omdat tijdens deze scan gebleken is dat de omgeving van de onderzochte locatie niet rijk is aan soorten als huismus en ongeschikt voor vleermuizen verdient het aanbeveling voor deze soorten voorzieningen aan te brengen in de nieuwbouw. Bij voorkeur door het plaatsen of inbouwen van nestkasten. Zodoende kan de biodiversiteit ter plaatse verder worden vergroot. 5.6.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
36
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied In afbeelding 5.4 is een uitsnede van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart opgenomen, ter hoogte van de ontwikkellocatie (rode cirkel).
Afbeelding 5.4 Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart (Bron: Gemeente Ommen)
De ontwikkellocatie heeft een lage archeologische verwachting. Hier is bij bodemverstoringen dieper dan 50 cm geen archeologische onderzoek noodzakelijk, wanneer het gebied kleiner is dan 1 ha. Daarnaast is binnen het geldende bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen op basis waarvan gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde onder meer toelaatbaar zijn, indien het nieuw te bebouwen oppervlak kleiner is dan 2.500 m² en minder diep steekt dan 50 cm. Deze oppervlakten worden in voorliggend geval niet gehaald, waardoor archeologisch onderzoek niet benodigd is. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
37
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich zowel binnen als in de nabije omgeving van het plangebied geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.7.3
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
38
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschappen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. In de Waterbeheerplannen is aangegeven hoe de waterschappen zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In de plannen zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema’s waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: • • •
voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem. het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
39
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. Op basis van deze toets blijkt de ‘korte procedure’ van toepassing is. Het waterschap Vechtstromen heeft dan ook geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
40
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
41
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld 7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • • • • •
•
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, oppervlakte, etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: de regels die gelden voor het uitvoeren voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden; Wijzigingsbevoegdheid: op welke wijze burgemeester en wethouders de (dubbel)bestemming kunnen wijzigen.
In paragraaf 7.3 wordt de bestemmingen nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze bestemming is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
•
• •
•
•
7.2.5
Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven, waaronder regels ten aanzien van bestaande maatvoering. Algemene gebruiksregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels ten aanzien van strijdig gebruik beschreven. Algemene afwijkingsregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om het plan op de in de regels genoemde punten te wijzigen; Overige regels (Artikel 11) In dit artikel worden onder meer de afstemming welstandstoets en afstemming APV beschreven. Daarnaast zijn regels met betrekking tot parkeren, laden en lossen opgenomen. Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
42
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Bedrijf (Artikel 3) Ter plaatse van het deel van het bedrijfsperceel dat een bedrijfsbestemming behoudt is de geldende bestemming grotendeels overgenomen. Op de verbeelding is het relatieteken komen te vervallen, waardoor het deel van het bouwvlak met één bedrijfswoning eveneens is komen te vervallen, en binnen de regels is deze bedrijfswoning niet langer toegestaan. De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor bedrijven in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten en een aannemersbedrijf met houtbewerking (vanwege de hiervoor opgenomen aanduiding), met dien verstande dat de houtbewerkingactiviteiten inpandig plaatsvinden. De gebouwen zijn enkel binnen het bouwvlak toegestaan en de goot- en bouwhoogte hiervan mag niet meer dan 115% van de bestaande hoogten bedragen. Wonen (Artikel 4) Op de locatie met de gewenste reguliere woning en de strook behorende bij de naastgelegen woning (ontwikkellocatie) is de bestemming 'Wonen' opgenomen.
Gronden met deze bestemming zijn onder meer bestemd voor woningen en aan huis gebonden beroepen. Ook zijn bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, en tuinen en erven toegestaan. De gebouwen mogen de rooilijn niet overschrijden en het aantal woningen per bouwperceel mag niet meer zijn dan het bestaande aantal (Kloosterdijk 42) of één woning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - één woning' (Kloosterdijk 40). Ook zijn onder meer situerings- en maatvoeringseisen voor de gebouwen opgenomen. Het gebruiken van de woning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - één woning' (Kloosterdijk 40) is uitsluitend toegestaan, indien de aangegeven geluidwerende voorzieningen worden getroffen. Dit is geregeld in een voorwaardelijke verplichting, waarvan met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken. Waarde – Archeologische verwachting (Artikel 5) Deze bestemming is in zijn geheel overgenomen uit het geldende bestemmingsplan “Kleine kernen” en geldt ter plaatse van het gehele plangebied. De dubbelbestemming voorziet in het behoud, de bescherming en/ of het herstel van de verwachte archeologische waarden. Bij bouwplannen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,5 meter moet worden aangetoond dat de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig aangetast worden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
43
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Ommen. Hierin wordt het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
44
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
HOOFDSTUK 9 9.1
Vooroverleg
9.1.1
Het Rijk
INSPRAAK & VOOROVERLEG
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
Het plan is ter kennisname voorgelegd aan de provincie. De provincie is akkoord met het plan. 9.1.3
Waterschappen Vechtstromen
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het watertoetsresultaat is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. Op basis van deze toets blijkt de ‘korte procedure’ van toepassing is. Het waterschap Vechtstromen heeft dan ook geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling.
9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval zal geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd. In voorliggend geval zijn de naaste buren op de hoogte gebracht van het voornemen.
9.3
Zienswijzen
Vanaf donderdag 3 december 2020 heeft het ontwerpbestemmingsplan ‘Kleine Kernen, herziening Kloosterdijk 40’ gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode zijn geen zienswijzen binnengekomen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
45
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
46
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
Bijlage 1
Bodemonderzoek Kloosterdijk 40
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
47
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
Bijlage 2
Bodemonderzoek Kloosterdijk 42
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
48
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
49
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
Bijlage 4
Aerius-berekening 2020
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
50
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
Bijlage 5
Quickscan natuurwaardenonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
51
Bestemmingsplan, Kloosterdijk 40 Vastgesteld
Bijlage 6
Watertoetsresultaat
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
52