1. Bestemmingsplan Stegerdijk 15, toelichting
Tekst van het document
Met voorgenoemde ontwikkelingen wordt bijgedragen aan de sociale en economische vitaliteit van het landelijk gebied, bijdragen aan het recreatief product, het voorkomen van leegstand en het versterken van de ruimtelijke kwaliteit door het uitvoeren van landschapsmaatregelen. Geconcludeerd wordt dan ook dat voorliggend plan passen is binnen de Omgevingsvisie Ommen. 4.3.2
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en Besluit m.e.r..
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
Volgens de Wgh is een woning aan te merken als geluidsgevoelig object. Vanwege het feit dat voorliggend bestemmingsplan een tweede bedrijfswoning mogelijk maakt is toetsing aan de Wgh noodzakelijk. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in of nabij een zone van een gezoneerd bedrijventerrein. Daarom wordt niet nader op het aspect industrielawaai ingegaan. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid. Railverkeerslawaai In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen spoorwegen. De dichtstbijzijnde spoorweg bevindt zich op circa 2 kilometer vanaf het plangebied. Hiermee ligt het plangebied ruimschoots buiten de wettelijke geluidszone en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai niet noodzakelijk. Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken 1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken 5 of meer rijstroken
Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m
Buitenstedelijk gebied 250 m 400 m 600 m
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
De dichtstbijzijnde weg met een wettelijke geluidszone betreft de Stegerdijk. De afstand tussen het bouwvlak en de as van deze weg bedraagt circa 100 meters. Gezien de lage verkeersintensiteit (de Stegerdijk loopt
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld immers dood en dient uitsluitend voor bestemmingsverkeer) evenals de grote onderlinge afstand tussen de nieuwe bedrijfswoning en de weg, wordt gesteld dat aan de voorkeurswaarde van 48 dB wordt voldaan. 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor dit plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. 5.2.2
Situatie plangebied
Voor de uitbreiding van de wijngaard is geen bodemonderzoek benodigd. Voor de bezoekerscentrum is reeds een vergunning afgegeven. Voor de integratie van de bedrijfswoning in de nieuwbouw zal ten tijde van de omgevingsvergunning voor het bouwen worden bepaald of het uitvoeren van een bodemonderzoek noodzakelijk is. 5.2.4
Conclusie
Gesteld wordt dat het milieuaspect bodem geen hinder vormt voor voorliggend initiatief.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.3
Situatie plangebied
In paragraaf 5.3.1.1 zijn voorbeelden van de lijst met categorieën van gevallen opgenomen, die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met de voorgenoemde categorieën, kan worden aangenomen dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt opgemerkt dat de functie niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
5.4.2.1 Algemeen Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (met de rode ster aangeduid) en de omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron:Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied zich niet bevindt in het invloedsgebied van een risicobron. Aangezien er geen risicobronnen in de nabije omgeving liggen kan nadere toetsing achterwege worden gelaten. Voor het overige blijkt uit de inventarisatie dat het plangebied: • • •
5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Eén en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ als volgt omschreven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.’ De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen , zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Ommen, in de buurtschap Stegeren, waar geen sprake is van sterke menging van functies. Daarom wordt in dit geval uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Beoordeling
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De wijngaard, bedrijfswoning en het bezoekerscentrum kennen geen (relevante) milieubelasting op de omgeving. Deze functies worden dan ook niet nader beschouwd. Het demonstreren van de bosbouwmachines demonstreren aan potentiële klanten van het productie bedrijf aan de Stegerdijk 13 kent wel een externe werking voor wat betreft het aspect geluid. Munsterhuis geluidsadvies heeft hiervoor een akoestisch industrielawaai uitgevoerd om de invloed van het demonstreren te berekenen. Het onderzoek is toegevoegd aan deze toelichting in bijlage 3 van deze toelichting. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van Stegerdijk 15 bedraagt ter plaatse van de nabij gelegen woning maximaal 40 dB(A) in de dagperiode. De normen uit het activiteitenbesluit, de richtwaarde van 45 dB(A) volgens het VNG en de streefwaarde van 40 dB(A) etmaalwaarde uit de Handreiking Industrielawaai voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, worden ter plaatse van de woningen niet overschreden.
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat ten gevolge van Stegerdijk 15 het maximale geluidniveau ter plaatse van de woningen maximaal 61 dB(A) bedraagt in de dagperiode. De grenswaarden uit het activiteitenbesluit en de maximale waarde conform de Handreiking van 70 dB(A) wordt voor het maximale geluidniveau ter plaatse van de woningen niet overschreden. Uit berekeningen blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van het indirecte geluidhinder van beide inrichtingen samen in de dagperiode 38 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Uitsluitend de tweede bedrijfswoning is aan te merken als nieuwe milieugevoelige functie. In de nabijheid zijn enkele agrarische bedrijven gelegen aan de Stegerdijk 12 en 16. Bestemming en adres nabij Anjerstraat
Planologisch toegestane functies
Categorie
Richtafstand
Stegerdijk 12
Agrarisch
3.2
100 meter
175 meter
Stegerdijk 16 (bestaat uit twee bouwvlakken)
Agrarisch
3.2
100 meter
136 meter t.o.v. bouwvlak aan de westzijde van de Stegerdijk
Rustige woonwijk
Afstand tot beoogde locatie woning
200 meter t.o.v. bouwvlak aan de oostzijde van de Stegerdijk.
Gelet op de beoogde situering van de tweede bedrijfswoning wordt aan de richtafstanden voldaan. Daarnaast wordt opgemerkt dat de grootste richtafstand het aspect geur betreft. Voor geur gelden wettelijke vaste afstanden. In paragraaf 5.6 wordt daar nader op ingegaan. Opgemerkt wordt dat de tweede bedrijfswoning onderdeel uitmaakt van de eigen inrichting. De bedrijfswoning hoeft dan ook niet te worden getoetst aan de bedrijfsactiviteiten die binnen de eigen inrichting worden uitgevoerd. 5.5.3
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Geur
5.6.1
Algemeen
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld 5.6.2
Situatie plangebied
Met dit plan wordt een nieuw geurgevoelig object toegestaan, namelijk de tweede bedrijfswoning. In de omgeving van het plangebied bevinden zich uitsluitend grondgebonden veehouderijen. Voor dit soort veehouderijen geldt een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van woningen die gelegen zijn in het buitengebied. Aan deze vaste afstand wordt in alle gevallen voldaan. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.
5.7
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.1
Gebiedsbescherming
Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (Natura 2000) worden aangemerkt als speciale beschermingszones (SBZ’s). 5.7.1.1 Natuur Netwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen buiten het plangebied. De ligging van het plangebied (rode contour) ten opzichte van het plangebied is weergegeven in afbeelding 5.2.
Afbeelding 5.2
Weergave NNN gebied ten opzichte van het plangebied (Bron: Atlas van de leefomgeving)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld Het plangebied is buiten het NNN gelegen. Gezien de aard en omvang van het voornemen en het feit dat NNN geen schaduwbescherming kent, wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN. 5.7.1.2 Natura 2000-gebieden Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Vecht- en Beneden-Reggegebied” is gelegen op een afstand van minimaal 814 meter. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen extra bebouwing mogelijk, slechts nieuwe functies. Deze functies zijn zodanig van aard en beperkte omvang dat dit zal leiden tot een afname van stikstofdepositie ten opzichte van de toegestane agrarische bedrijfsactiviteiten. Het uitvoeren van een AERIUS-berekening wordt om die reden niet noodzakelijk geacht. 5.7.2
Soortenbescherming
Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Gelet op de huidige inrichting van het erf en het feit dat er geen bebouwing wordt gesloopt, bomen worden gekapt of watergangen worden gedempt, wordt het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden niet noodzakelijk geacht. Het terrein is ter plaatse van de nieuwbouw van lage ecologische waarde. 5.7.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor dit plan.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied Zoals op de archeologische verwachtingskaart is te zien op afbeelding 5.3, ligt het plangebied (rode contour) deels binnen een gebied met ‘Gematigde archeologische verwachting’ en deels binnen een gebied met ‘specifieke archeologische verwachting Beekdalen’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld
Afbeelding 5.3 Uitsnede archeologische verwachtingskaart ter plaatse van het plangebied (Bron: Archeologische waarde verwachtingskaart gemeente Ommen)
De beoogde nieuwbouw is reeds vergund, wel maakt voorliggend bestemmingsplan de uitbreiding van een wijngaard mogelijk. Het gebied, waar de wijngaard mogelijk wordt gemaakt, betreft een gebied met een omvang van circa 1,3 ha en is dus groter dan de onderzoeksgrens van 2.500 m2. Voor deze locatie is door ‘Laagland advies’ is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage 4 bij deze toelichting. Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003. Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd. Daarnaast is booronderzoek uitgevoerd. Op basis van het booronderzoek kan het verwachtingsmodel gehandhaafd blijven. Geadviseerd wordt om archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren bij (grootschalige) bodemingrepen dieper dan 45 cm –mv. Indien bodemingrepen tot een diepte van 45 cm –mv beperkt blijven wordt geen nader onderzoek geadviseerd. De aanleg van een wijngaard (aanplant wijnranken en stokken) levert nauwelijks bodemverstoring op, evenmin als de verdere ontwikkeling van de wijnranken.
Dit vormt geen bedreiging voor eventueel aanwezige waarden en geadviseerd wordt dan ook vrijgave ten aanzien van archeologie. Mochten in de toekomst wezenlijke bodemingrepen plaatsvinden (dieper dan 45 cm –mv) dan dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Het vorenstaande is vastgelegd middels een archeologische dubbelbestemming. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Wel heeft er in het verleden een waardevolle boerderij gestaan, met de naam Schöttinck. De locatie van de voormalige boerderij is reeds bebouwd geweest door een ligboxenstal, die reeds rond 2000 gesloopt is. Daarnaast heeft er binnen het plangebied een school gestaan. De school heeft gestaan op de locatie waar het erf wordt ontsloten. Ter nagedachtenis aan de historie van Stegeren en de verdwenen bebouwing staat een monument aan de voorzijde van het plangebied. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.9
Besluit Milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
•
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld 5.9.2
Situatie plangebied
Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is mogelijk sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.rbeoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van slechts één woning en het toevoegen van gebruiksmogelijkheden binnen de agrarische bestemming. Het gaat om een kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een ontwikkeling die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en andere milieugevoelige functies. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Bovendien blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 5 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.9.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld
HOOFDSTUK 6
WATERASPECTEN
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2
Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • • •
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. 6.1.3
Provinciaal beleid
In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 6.1.4
Waterschappen
Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Vechtstromen is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur. Het waterbeheerprogramma gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg). Voor partners en ingezetenen verschaft het programma inzicht in de wijze waarop het waterschap omgaat met het water in het beheergebied. Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2
Watertoetsproces
Bij een ruimtelijke ontwikkeling worden de effecten van deze ontwikkeling per waterthema afgewogen door het uitvoeren van de watertoets, via www.dewatertoets.nl. het Waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘geen belang procedure’ van de watertoets van toepassing is. De toets is toegevoegd aan deze toelichting in bijlage 4. Waterhuishoudkundige aspecten Afvalwater Het planvoornemen brengt geen relevante toename van afvalwater met zich mee. Het afvalwater wordt via het rioolsysteem aangesloten op de bestaande riolering. Hemelwater Het hemelwater zal van de nieuwbouw zal niet worden afgevoerd via het riool, maar worden afgekoppeld. Het hemelwater zal ter plaatse worden geïnfiltreerd. Grondwater Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- of intrekgebied. Oppervlaktewater Het voornemen voorziet niet in de aanleg van nieuw oppervlaktewater. De ontwikkeling leidt niet tot mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen in het kader van het aspect ‘water’. 6.2.3
Advies waterschap
In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft het waterschap een advies uitgebracht. Hierna is betreffend advies verwerkt. Voor bebouwing wordt een aanleghoogte boven T=100, dat is hier 6,66 m + NAP, geadviseerd. Het nieuwe gebouw komt op een locatie waar tot enkele jaren geleden ook bebouwing stond. Daarnaast is in het verleden reeds vergunning verleend voor het bouwen van de beoogde bebouwing, zij het voor een andere functie. Indien het bouwvolume groter wordt dan moet het extra volume onder T=200 (6,76 m + NAP) gecompenseerd worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld De nieuwe wijngaard is hydraulisch veel ruwer dan het bestaande (productie)grasland. Het ligt in een stromingsluwe hoek van het Vechtdal. Door aan de zuidzijde doorstroomoppervlak toe te voegen (indicatie: 100 m2, omdat het daar veel harder stroomt) kan dit gecompenseerd worden. Initiatiefnemer gaat dit samen met het waterschap uitwerken in het kader van de nog aan te vragen Watervergunning die in voorliggend geval benodigd is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
7.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •
bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, oppervlakte, etc.);
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld • • • •
afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels; specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn; afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming. wijzigingsbevoegdheid: onder bepaalde voorwaarden kan de vigerende bestemming worden gewijzigd.
In paragraaf 7.3 wordt de bestemming nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze bestemming is gekozen. 7.2.4
Algemene regels
In dit hoofdstuk worden de algemene regels opgenomen. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
•
• •
•
•
7.2.5
Anti-dubbeltelregel (Artikel 8) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Er worden onder meer regels gesteld ten aanzien van de situering van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Daarnaast zijn onder meer regels gesteld ten aanzien van bestaande maatvoering. Algemene gebruiksregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels ten aanzien van strijdig gebruik beschreven. Algemene afwijkingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels geven burgemeester en wethouders de bevoegdheid om het plan op de in de regels genoemde punten te wijzigen; Overige regels (Artikel 13) In dit artikel wordt de afstemming welstandstoets en afstemming APV beschreven. Daarnaast zijn regels met betrekking tot parkeren, laden en lossen opgenomen. Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld Agrarisch (Artikel 3) Deze bestemming is conform het geldende bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 2013” opgenomen, waarbij rekening is gehouden met het plan “Buitengebied, herziening 2013”. Daarbij is maatwerk geleverd om de beoogde ontwikkelingen zoals beschreven in deze toelichting toe te staan. Zo is bepaald dat ter plaatse van het plangebied een wijngaard is toegestaan, twee bedrijfswoningen aanwezig mogen zijn en bosbouwmachines getest/gedemonstreerd mogen worden als ondergeschikte activiteit. Natuur (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de gronden aangemerkt als ‘natte natuur’. De bestemming is conform het geldende bestemmingsplan “Buitengebied, herziening 2013” opgenomen, waarbij rekening is gehouden met het plan “Buitengebied, herziening 2013”. Waarde – Archeologische verwachting (Artikel 5) De voor 'Waarde - Archeologische verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de verwachte archeologische waarden. Waarde – Rivieroevers met natuurwaarden (Artikel 6) De voor 'Waarde - Rivieroevers met natuurwaarden' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor doeleinden die de natuurwaarden van de rivier borgen.
De bestemming is overgenomen vanuit de bestaande bestemmingen. Waarde – Waterstaatkundige verwachting (Artikel 7) De voor 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen - mede bestemd voor de waterhuishouding, waaronder begrepen de wateraanvoer en -afvoer, de waterberging alsmede dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering. De bestemming is overgenomen vanuit de bestaande bestemmingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten worden verhaald op basis van de legesverordening. Er is een planschadeovereenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld
HOOFDSTUK 9 9.1
Vooroverleg
9.1.1
Het Rijk
INSPRAAK & VOOROVERLEG
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Overijssel
In het kader van het wettelijk vooroverleg is het voorliggende bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Overijssel. De provincie is van mening dat een geringe mate van de Kwaliteitsimpuls groene omgeving (KGO) van toepassing is. De provincie adviseert om aanvullend op het ruimtelijk kwaliteitsplan, ten behoeve van de KGO-balans, de driehoek die op de inrichtingstekening is aangeduid als ‘bestaande natte natuur’ de natuurbestemming te geven. Dit geeft volgens de provincie meer garantie op behoud van de natuurwaarden. Het vorenstaande is verwerkt in voorliggend bestemmingsplan. Het plan is met deze aanpassing in overeenstemming met het provinciaal omgevingsbeleid, wat met zich mee brengt dat de provincie akkoord is met de inhoud van dit plan. 9.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van het wettelijk vooroverleg is het voorliggende bestemmingsplan voorgelegd aan waterschap Vechtstromen. Het waterschap heeft gereageerd en verzocht hun reactie op te nemen in voorliggend bestemmingsplan. De reactie is verwerkt in de waterparagraaf (par. 6.2.3) en daarmee is het waterschap akkoord met de inhoud van dit plan.
9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval wordt er geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.
9.3
Zienswijzen
Het ontwerp heeft van donderdag 14 december 2023 tot en met woensdag 24 januari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een zienswijze ingediend. Na uitgebreid overleg met alle betrokkenen zijn aanpassingen aan de regels overeengekomen. Indiener heeft aangegeven dat de zienswijze daarmee als ingetrokken beschouwd kan worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitsplan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld
Bijlage 2
Woonnotitie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld
Bijlage 3
Akoestisch industrielawaaionderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld
Bijlage 4
Archeologisch onderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
52
“Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Stegerdijk 15, Stegeren” Vastgesteld
Bijlage 5
De watertoets
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
53