8. Kredietaanvraag Glindestraat e.o. - Bestemmingsplan toelichting Glindestraat - supermarkt en omgeving
Tekst van het document
5.2.2.2 Situatie plangebied In voorliggend geval wordt er geen bebouwing voor langdurig menselijk gebruik gerealiseerd. Een bodemonderzoek is dan ook niet benodigd. 5.2.2.3 Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.2.3
Luchtkwaliteit
5.2.3.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In de Wet milieubeheer staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.2.3.2 Situatie plangebied In voorliggend geval worden extra parkeerplaatsen gerealiseerd, wordt de bestaande personeelsparkeerplaats planologisch ingepast en wordt de bestaande overdekte expeditiestraat uitgebreid. Dergelijke functies hebben van zichzelf geen verkeersaantrekkende werking. De parkeerbehoefte van de bestaande supermarkt wordt slechts verplaatst naar het nieuwe parkeerterrein en het laden en lossen zal meer inpandig plaats gaan vinden. Als gevolg van het nieuwe parkeerterrein zal het voor klanten van de Jumbo makkelijker worden een parkeerplek op drukke dagen en tijden te vinden, waardoor de gemiddelde rijtijd afneemt. Daarnaast zal het laden en lossen sneller en efficiënter verlopen.
De verwachting is dan ook dat de het aantal rij-uren van auto’s en vrachtwagens rondom het plangebied afneemt, wat een positief effect op de luchtkwaliteit zal hebben. Het voornemen zorgt dan ook niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het wordt daarnaast niet aangemerkt als gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.2.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 5.2.4
Externe veiligheid
5.2.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp 5.2.4.2 Situatie in en bij het plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de afbeelding 5.5 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en de omgeving weergegeven.
Afbeelding 5.5 Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
In afbeelding 5.5 is een buisleiding weergegeven. Er is geen sprake van een toename van het aantal personen in het plangebied. Bovendien ligt het plangebied buiten de veiligheidsafstand van 70 meter die voor de buisleiding geldt. Een nadere verantwoording van het plaatsgebonden en/of groepsrisico is dan ook niet benodigd. 5.2.4.3 Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat de ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp 5.2.5
Milieuzonering
5.2.5.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven.
Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.2.5.2 Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De woningen rondom de supermarkt worden als gemengd gebied beschouwd. De woningen achter de parkeerplaats worden als rustige woonwijk beschouwd. Bij het gebiedstype ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met één afstandstap worden verlaagd (m.u.v. aspect gevaar), zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. De volgende tabel geeft de richtafstanden voor de verschillende omgevingstypes weer. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp
5.2.5.3 Situatie plangebied Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
Externe werking Algemeen Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Het uitbreiden van een parkeerterrein kan van invloed zijn op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Om de gevolgen van de uitbreiding in kaart te brengen is door Buijvoets Bouw- en geluidsadvisering een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het gehele onderzoek is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. Daarnaast is er door Buijvoets Bouw- en geluidadvisering akoestisch onderzoek verricht naar het planologisch inpassen van de personeelsparkeerplaats. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. In de komende alinea’s worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Akoestisch onderzoek uitbreiding parkeerterrein Langtijdgemiddelde De richtwaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt in de dag- en avondperiode overschreden. Hierbij is al rekening gehouden met een twee meter hoge schutting. Een hogere schutting is stedenbouwkundig onwenselijk. De bovengrens (tevens norm Activiteitenbesluit) wordt niet overschreden.
Met het realiseren van het parkeerterrein zal het parkeren op de openbare weg en dicht bij de woningen minder worden. De geluidsbelasting neemt daarbij af doordat het aantal dichtslaande portieren afneemt. Uitgezonderd rekenpunt 4 (Deken Scholtenstraat 56) en rekenpunt 7 (Dr. Ariënstraat 55-61) liggen de rekenpunten dicht bij de supermarkt en openbaren weg. De twee meter hoge schutting zorgt ervoor dat overdag ruim aan de richtwaarde van 45 dBA kan worden voldaan. In de avondperiode ontstaat bij deze punten een lage belasting, aangezien de parkeerplaatsen dan nauwelijks meer gebruikt worden. Op rustige perioden zijn er parkeerplaatsen dichter bij de supermarkt te vinden waar eerder geparkeerd zal worden. Piekgeluiden De maatgevende piekgeluiden worden in alle rekenpunten, uitgezonderd de punten 4 en 7, veroorzaakt door de bestaande supermarkt. In rekenpunt 4 wordt de VNG-richtwaarde in de avond op 4,5 meter hoogte overschreden. Er kan echter gemotiveerd afgeweken worden tot 65 dBA. Het beperken van de piekgeluiden op 4,5 meter tot 60 dBA is ter plaatse van rekenpunt 4 enkel mogelijk met een ruim 4 meter hoog scherm. Stedenbouwkundig is dit niet wenselijk. De bovengrens van 65dBA wordt in de avond met 1dBA overschreden. Door een scherm van 2,20 meter boven maaiveld te plaatsen, wordt deze overschrijding voorkomen.
In de avond kan de norm bij het uitrijden van een bestelbus uit het magazijn met maximaal 2 dBA in punt 1 (Eschstraat 23) worden overschreden. Door rustig te rijden en het rustig dichtslaan van de portier kan deze overschrijding worden voorkomen. Een andere optie is een maatwerkvoorschrift om een hogere waarde toe te staan. Bespreking
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp Het aantal parkeerplaatsen bij en rondom de supermarkt en naast het plangebied gelegen slagerij is te laag, waardoor er eveneens op de openbare weg, dicht bij de woningen, geparkeerd wordt. De rijtijd op de weg is onnodig hoog doordat klanten moeten zoeken naar een parkeerplaats. De nieuwe parkeerplaatsen maken het mogelijk dat alle klanten binnen de inrichting kunnen parkeren, waardoor de parkeerplaatsen voor de woningen niet langer gebruikt hoeven te worden ten behoeve van de supermarkt. In rekenpunt 3 (Glindestraat 51), dichtbij de openbare weg, blijft de geluidbelasting gelijk. In rekenpunt 5 (Glindestraat 40) neemt de geluidbelasting toe, maar blijft het ruim onder de bovengrens van de VNG. In rekenpunt 4 wordt ruim aan de richtwaarde voldaan. Door een 2 meter 20 hoge schutting te plaatsen wordt eveneens voldaan aan de maximale grenswaarde voor piekgeluiden in de avond voldaan. De ontwikkeling zorgt niet voor een verslechtering van het woon – en leefklimaat van omwonenden Planologisch inpassen personeelsparkeerterrein Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Omdat het een personeelsparkeerplaats betreft met relatief weinig bewegingen kan het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ruim aan de norm (50 dBA etmaal) voldoen, ook wanneer alle bestaande bronnen worden meegenomen.
Piekgeluid Door de korte afstand tot aan de Eschstraat 11 en 19 treden hoge piekgeluiden op van 73 tot 77 dBA. De norm in de dag en avondperiode is 70 respectievelijk 65 dBA waarmee in de maatgevende avond de norm met 11 dBA kan worden overschreden als gevolg van het sluiten van een portier/starten. Deze problematiek is inherent aan situaties met korte afstand tussen gevels en parkerende auto ’s. Maatregelen in de vorm van een geluidscherm hebben wel effect maar op 1,5 m meethoogte en veel minder op 5 m. Langs de erfscheiding met de Eschstraat 11 bevindt zich al een 2 meter hoge dichte schutting. Een langer en nog hoger scherm is niet gewenst. Om de situatie zonder normoverschrijding te legaliseren is een maatwerkvoorschrift volgens het Activiteitenbesluit nodig waarin de hoge piekgeluiden worden toegestaan. De bewoners van Eschstraat 11 en 19 moeten hier mee akkoord gaan. Hiervoor dient een maatwerkvoorschrift te worden aangevraagd bij de gemeente. De procedure voor het opstellen van het maatwerkvoorschrift loopt gelijk op met de procedure van het bestemmingsplan omdat de parkeerplaats alleen mogelijk is met een hogere norm voor piekgeluiden. Omdat de parkeerplaats alleen voor personeel is, is de mogelijke. overlast beperkt. Om dit te waarborgen moet worden vast gelegd dat de parkeerplaats alleen voor personeel van je Jumbo is.
Over het algemeen wordt eventuele hinder vooral ervaren op het terras/tuin. Dat is voor beide woningen aan de achterzijde in de rekenpunten 12 t/m 14. Door voldoende geluidwering van de gevels kunnen de piekgeluiden in de verblijfsruimten van de woningen worden gewaarborgd tot 50 dBA in de maatgevende avondperiode. Dit is ook een voorwaarde voor het maatwerkvoorschrift. Met het opstellen van een maatwerkvoorschrift is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Het te realiseren parkeerterrein is geen milieugevoelig object, waardoor interne werking geen rol speelt. 5.2.5.4 Conclusie Het realiseren van een 2,2 meter hoge schutting is in de regels van het bestemmingsplan geborgd door middel van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting (artikel 3.3.1). Daarnaast wordt er een maatwerkvoorschrift opgesteld ten aanzien van de piekgeluiden. Met deze maatregelen is er vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp
5.3
Water
5.3.1
Vigerend beleid
5.3.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.3.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien va het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen.
De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.3.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied. 5.3.1.4 Beleid waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater.
Deze zijn gericht op: • • •
voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
5.3.1.5 Gemeentelijk beleid In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2026 is het nieuwe beleid, geplande maatregelen en benodigde financiering vastgelegd. De belangrijkste beleidslijnen zijn de volgende: •
onveranderd doorzetten van de ingezette beleidslijnen tijdens GRP 2016-2020.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp •
•
•
5.3.2
afkoppelen van regenwater is geen doel op zich, maar volgt vanuit het aanleggen van Blauwe aders, nieuwe gebiedsontwikkelingen en klimaatbewustzijn bij de Oldenzalers. De basis is gelegd met het behalen van de doelstelling uit 2003 (40% van verhard oppervlak afkoppelen); een intensivering van de verplichte waterberging bij nieuwbouw, ook bij particulieren. Door de ligging op de stuwwal is het noodzakelijk om op veel plekken regenwater te bergen en waar mogelijk te infiltreren in de grond; In onze maatregelen en communicatie houden we steeds meer rekening met de noodzaak om ons aan te passen aan de klimaatverandering. Om de risico’s op schade door wateroverlast, droogte en hittestress zo laag mogelijk te houden blijven we in gesprek met de stad en onze partners. Vanuit de gesprekken volgen mogelijk nieuwe maatregelen tegen de klimaateffecten. Waterparagraaf
5.3.2.1 Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.3.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De uitkomst van de toets is dat de ‘korte procedure’ van toepassing is. In bijlage 4 van deze toelichting is de bijbehorende standaardwaterparagraaf opgenomen. Hemelwater zal op eigen terrein worden geïnfiltreerd door gebruik te maken van infiltratiekratten.
In de regels is het realiseren van voldoende watercompensatie (40 mm) geborgd door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting (artikel 10.2). Het waterschap geeft een positief wateradvies.
5.4
Archeologie & Cultuurhistorie
5.4.1
Archeologie
5.4.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. De gemeente Oldenzaal heeft de archeologische verwachtingswaarden doorvertaald in het vigerend bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp 5.4.1.2 Situatie plangebied De gronden hebben op basis van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart een gematigde archeologische verwachting. Bij een dergelijke archeologische verwachting geldt dat bij bodemverstoringen dieper dan 40 centimeter en groter dan 2.500 m2 archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. In voorliggend geval wordt niet voorzien in bodemverstoringen groter dan 2.500 m2. Archeologisch onderzoek is dan ook niet benodigd. Er is een archeologische dubbelbestemming opgenomen om de mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen. 5.4.2
Cultuurhistorie
5.4.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.4.2.2 Situatie plangebied In en rondom het plangebied zijn geen monumenten of karakteristieke bebouwing aanwezig. Daarnaast heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten (bijv. ontnemen zichtlijnen) op omliggende monumenten en karakteristieke bebouwing. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.4.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat in het kader van dit plan geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.5
Ecologie
5.5.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.5.2
Gebiedsbescherming
5.5.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermd. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen gebieden die zijn beschermd in het kader van de Wnb betreft Natura 2000-gebied “Landgoederen Oldenzaal” op circa 1,4 kilometer afstand. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een toename van het aantal verkeersbewegingen. Zie hiervoor ook paragraaf 5.2.3. Er is dan ook geen sprake van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, waardoor een
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp stikstofberekening niet benodigd is. Daarnaast is er, gezien de tussenliggende ruime afstand tot Natura 2000gebieden, geen sprake van verstoringseffecten zoals geluid, optische verstoring of licht. 5.5.2.2 Nederlands Natuurnetwerk (NNN) Het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van natuur dat onderdeel uitmaakt van het NNN bevindt zich op minimaal 850 meter afstand. Het plangebied ligt buiten het NNN en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat houdt in dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op gronden buiten het plangebied hebben, zoals het NNN. Er is geen nader onderzoek nodig en er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. 5.5.2.3 Groenstructuur Oldenzaal In afbeelding 5.6 is een uitsnede van de groenstructuurkaart Oldenzaal opgenomen.
Afbeelding 5.6: Uitsnede groenstructuurkaart Oldenzaal (Bron: Gemeente Oldenzaal)
Binnen het plangebied bevindt zich de bomenstructuur aan de Deken Scholtenstraat. Het voornemen zorgt niet voor aantasting van deze groenstructuur. Bestaande bomen zullen wel gekapt worden, maar deze worden opnieuw ingeplant, waardoor de groenstructuur behouden blijft. Daarnaast wordt voorzien in een groenere
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp invulling van het plangebied ten opzichte van de huidige situatie. Al met al is het voornemen dan ook in overeenstemming met het gemeentelijke groenbeleid. 5.5.3
Soortenbescherming
5.5.3.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige soorten (flora en fauna). Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Natuurbank Overijssel heeft een ‘Quickscan natuurwaardenonderzoek’ uitgevoerd. Deze is als bijlage 5 bijgevoegd. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. 5.5.3.2 Resultaten quickscan natuurwaardenonderzoek De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Geschikte plekken voor grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vogels of vleermuizen om een vaste rust- of voortplantingsplaats te bezetten, ontbreken in het plangebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de voorkomende diersoorten niet af. De zorgplicht uit de Wnb blijft onverminderd van toepassing. 5.5.4
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.6
Besluit milieueffectrapportage
5.6.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •
•
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.6.2
Situatie plangebied
5.6.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 1,4 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de tussenliggende ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Zie hiervoor ook paragraaf 5.5.2.1. Een passende beoordeling op basis van Afdeling 2.3 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Er is dan ook geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.6.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor de ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Het doorlopen van een m.e.r.-procedure is dan ook niet benodigd. 5.6.3
Conclusie
De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.
5.7
Verkeer en parkeren
5.7.1
Algemeen
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Voor de bepaling van de parkeernorm moeten berekeningen worden uitgevoerd op basis van de nota ‘Parkeernormen 2018’ Oldenzaal. Specifiek voor verkeersgeneratie heeft CROW de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie. 5.7.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval worden er extra parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt de bestaande personeelsparkeerplaats planologisch ingepast. Daarnaast wordt de overdekte expeditiestraat uitgebreid. Een dergelijke ontwikkeling heeft geen verkeersaantrekkende werking, zoals in paragraaf 5.2.3 al is aangegeven. De herinrichting van het gebied zorgt voor een overzichtelijkere verkeerssituatie, waarbij meer oog is voor langzaam verkeer. De auto zal ‘te gast’ zijn. De verkeersveiligheid zal hierdoor verbeteren. Wat betreft parkeren komt de parkeerbehoefte van de vier voormalige huurwoningen te vervallen. In totaal worden er 128 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd en blijven de bestaande 18 parkeerplaatsen voor het personeel van de Jumbo-supermarkt behouden. Hierbij wordt opgemerkt dat het bestemmingsplan 100 m 2 aan dienstverlening mogelijk maakt. Echter, de vierkante meters dienstverlening, kunnen niet gebruikt worden ten behoeve van de supermarkt. Indien er 100 m2 dienstverlening gerealiseerd wordt, kan er 100 m2 minder supermarkt gerealiseerd worden. Daarom is uitgegaan van de maximale invulling van 2.368 m2 supermarkt bvo en is de dienstverlenende functie in de berekening verder achterwege gelaten. De openbare parkeervoorzieningen zullen eveneens gebruikt worden door klanten van Slagerij Kosse, een slagerij met circa
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp 310 m2 bvo. Aangezien er geen parkeernormen voor slagerijen in de gemeentelijke parkeernota zijn opgenomen, wordt aangesloten bij de normen voor een supermarkt. Voor aannemersbedrijf Schasfoort geldt dat hier op eigen terrein geparkeerd wordt. De parkeerbehoefte is in onderstaande tabel weergegeven. Functie Jumbo supermarkt Slagerij Kosse
Functie parkeerbeleid Fullservice supermarkt Fullservice supermarkt
Totaal
Parkeernorm en eenheid 5,6 per 100 m2
Aantal
Parkeerbehoefte
2.368 m2
132,6
5,6 per 100 m2
310
17,4 150
De totale parkeerbehoefte bedraagt afgerond 150 parkeerplaatsen. In totaal worden er 146 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er wordt hiermee bijna volledig in de parkeerbehoefte voorzien. In de huidige situatie zijn er 90 parkeerplaatsen aanwezig, waarmee al sprake is van een aanzienlijk parkeertekort. Een groot deel van dit parkeertekort wordt met de voorgenomen ontwikkeling opgelost. Daarnaast vinden wij het van belang dat de omgeving een hoge mate van kwaliteit krijgt waardoor de berekende parkeervraag niet geheel aan de berekende waarde komt. Er is dan ook sprake van een aanzienlijke verbetering van de parkeersituatie in de omgeving. Het aspect parkeren vormt dan ook geen belemmering.
5.8
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggend geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico van planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten worden verhaald middels de legesverordening, waardoor het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp
HOOFDSTUK 6 6.1
PROCEDURE
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Gezien de beperkte aard en omvang van deze ontwikkeling op de omgeving is afgezien van het ter inzage leggen van een voorontwerpbestemmingsplan. Er heeft een uitgebreid participatietraject plaatsgevonden. In bijlage 7 is het participatieverslag bijgevoegd.
6.2
Vooroverleg
6.2.1
Het Rijk
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 6.2.2
Provincie Overijssel
De Provincie Overijssel beschikt over een lijst met gevallen waarbij vooroverleg niet benodigd is. Wat betreft bestaand stedelijk gebied is vooroverleg niet benodigd voor: ‘Plannen/projectbesluiten voor aanleg van nieuwe en aanpassing van bestaande weg-, water-, parkeer- en groenvoorzieningen, mits deze activiteiten kleinschalig van omvang zijn en niet samenhangen met een planmatige stads- en/of dorpsuitbreiding’ Voorliggend bestemmingsplan betreft hoofdzakelijk de aanleg van een parkeerterrein van kleinschalige omvang, waarbij geen sprake is van een planmatige stads- of dorpsuitbreiding. Vooroverleg met de Provincie Overijssel is dan ook niet benodigd. 6.2.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een positief wateradvies van het waterschap Vechtstromen. Hiervoor wordt verwezen naar de watertoetsprocedure opgenomen in paragraaf 5.3.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp
Bijlage 1
Inrichtingstekening
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp
Bijlage 2
Akoestisch onderzoek industrielawaai uitbreiden parkeerterrein
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp
Bijlage 3
Akoestisch onderzoek industrielawaai personeelsparkeerterrein
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp
Bijlage 4
Standaard waterparagraaf
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
48
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp
Bijlage 5
Quickscan Natuurwaardenonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
49
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp
Bijlage 6
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
50
Bestemmingsplan “Glindestraat – supermarkt en omgeving” Ontwerp
Bijlage 7
Participatieverslag
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
51