10 Verordening uitvoering Jeugdwet gemeente Oldenzaal 2025 - Bijlage Verordening uitvoering jeugdwet 2025
Tekst van het document
Een dergelijke vergaande interpretatie vindt volgens de CRvB geen steun in de tekst en ook niet in de geschiedenis van de totstandkoming van de Jeugdwet. Dat betekent dat het college bij het beoordelen van het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen geen financiële draagkrachtmeting uitvoert. Het college doet op basis van sub e ook onderzoek naar de mogelijkheden van het sociale netwerk. Dit wordt expliciet genoemd in de parlementaire geschiedenis bij de Jeugdwet en jurisprudentie van de CRvB (CRvB 14 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Een relevante vraag is dan ook wat de betrokkenheid van het sociale netwerk was voordat de melding of aanvraag werd ingediend. En kan het sociale netwerk de noodzakelijke hulp bieden of is hiervoor bepaalde deskundigheid vereist? Bij het beoordelen van de eigen kracht speelt ook een rol in hoeverre er gebruik kan worden gemaakt van overige (wettelijke) voorzieningen. Het college onderzoekt of er bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van algemene voorzieningen of overige voorzieningen. Daarnaast wordt onderzocht of een beroep kan worden gedaan op een voorliggende wettelijke voorziening. Denk hierbij aan hulp of zorg vanuit de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg of via onderwijswetgeving.
Als er sprake is van zorg op grond van de Zorgverzekeringswet wordt ook onderzocht of een beroep kan worden gedaan op een aanvullende verzekering (Rechtbank Oost-Brabant 10 november 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:5828). In sub f wordt meegewogen in hoeverre de eigen mogelijkheden tot een duurzaam effect leiden. Er zal een afweging gemaakt moeten worden of het oplossen in eigen kracht leidt tot een mogelijk groter nadelige gevolgen, of dat de hulpvraag adequaat opgelost wordt. Tot slot is in sub f. opgenomen dat ook andere omstandigheden een rol kunnen spelen bij het beoordelen van de eigen kracht. Het is niet mogelijk alle denkbare omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de eigen kracht, in regels te vatten. Daarom is onder f. in algemene zin verwezen naar overige relevante omstandigheden van de jeugdige en de ouders. De term ‘relevante’ vraagt om een inhoudelijke beoordeling van de omstandigheden door het college. Artikel 12. Advies In dit artikel is bepaald dat het college bevoegd is om degene door of namens wie een hulpvraag is gemeld, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening.
Met het oog op het correct en weloverwogen vaststellen van de benodigde voorziening is het tevens mogelijk om een aanbieder te consulteren of diagnostiek te laten verrichten. Artikel 13. Aanvraag Deze bepaling bevat nadere regels over het indienen van de aanvraag. In het eerste tot en met het vierde lid is vastgelegd wie een aanvraag kan indienen; hoe men een aanvraag in kan dienen en wie daarmee moet instemmen. Deze bepalingen zijn afgeleid van zowel het 20
huidige artikel 7 van de Wet op de jeugdzorg als paragraaf 7.3 van de Jeugdwet dat ziet op de vereiste toestemming bij het daadwerkelijk verlenen van jeugdhulp. Achtergrond van deze bepalingen is dat cliënten niet altijd uit zichzelf om hulp vragen, terwijl hulp toch hard nodig kan zijn. Tevens is het college de bevoegdheid gegeven om in een aantal genoemde gevallen zonder (volledige) aanvraag een besluit te nemen (vierde lid). Een aanvraag kan worden gedaan door iedere cliënt. Dit betekent dat de jeugdige, zijn (stief)ouders of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden een aanvraag kunnen doen zowel voor henzelf als voor hun kind. Anderzijds, maar dat is vooral theoretisch, kan een jeugdige ook een aanvraag doen voor hulp aan zijn ouders. In het tweede t/m het vierde lid is bepaald in welke gevallen de aanvraag instemming behoeft van degene op wie de jeugdhulp betrekking heeft als de aanvraag door een ander is ingediend en wanneer hier zo nodig van kan worden afgeweken. Wanneer de aanvraag betrekking heeft op zorg voor een andere cliënt dan de aanvrager, behoeft de aanvraag instemming van de cliënt. Zo kan bijvoorbeeld een vader een aanvraag doen voor opvoedingsondersteuning voor hem en zijn vrouw, om hen te ondersteunen bij de opvoeding van hun kinderen. Aangezien dit hulp is die ook moeder betreft, is haar instemming noodzakelijk.
Wanneer de aanvraag wordt gedaan voor een minderjarige ouder dan twaalf jaren is diens instemming vereist, tenzij hij niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Als de aanvraag wordt gedaan door een minderjarige, die ouder is dan twaalf, maar jonger dan zestien jaren, behoeft de aanvraag instemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger. Wanneer de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen, is het voldoende als één ouder instemt met de aanvraag, tenzij de andere ouder er blijk van geeft de instemming te weigeren. In uitzonderingssituaties kan het college op aanvraag van de minderjarige, die ouder is dan twaalf jaren, zonder de instemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger een indicatiebesluit nemen. Dit is mogelijk als de minderjarige de zorg weloverwogen blijft wensen. Te denken valt aan weggelopen minderjarigen waarbij de ouders weigeren in te stemmen met de aanvraag, maar ook aan situaties waarbij tussen de minderjarige en zijn ouder of verzorger verschil van inzicht bestaat over zorg die noodzakelijk is. Deze bepaling is opgenomen om de rechtspositie van de minderjarige te versterken. Lid 6 regelt tot slot dat het college in het besluit nadere regels zal vastleggen over de aanvraagprocedure. Daarbij moet onder meer gedacht worden aan hoe de aanvraag precies moet worden ingediend en wanneer een aanvraag als compleet wordt beschouwd.
Artikel 14. Criteria voor een individuele voorziening In artikel 2.9 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting alvast een kader gegeven. Belangrijk is dat bij het beoordelen van de problematiek allereerst gekeken wordt in hoeverre het eigen sociale netwerk van de betrokkene ondersteuning kan bieden (lid 1 onderdeel a). Dit is een van de belangrijkste uitgangspunten van de jeugdwet: het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn omgeving (artikel 2.1 onderdeel d Jeugdwet). Hieronder wordt ook verstaan het aanspreken van een vergoeding van een aanvullende (zorg)verzekering die een oplossing kan bieden, dan wel het afsluiten van een deze verzekering in de toekomst. Pas als blijkt dat cliënten er zelf, met hulp van de omgeving, niet of slechts gedeeltelijk uitkomen, moet het college een voorziening treffen. In lid 1 onderdeel b is vastgelegd dat een algemene (vrij toegankelijke) voorziening voorrang heeft boven een individuele voorziening. Met andere woorden: is er een algemene voorziening beschikbaar die tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de cliënt, dan hoeft het college geen individuele voorziening te treffen.
21
Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als cliënten gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (lid 1 onderdeel c). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet (bijv. Wmo of Wlz). Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1.2 Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen. Ten overvloede wordt opgemerkt dat wanneer slechts een gedeelte van de hulpvraag opgelost kan worden door bijv. het eigen netwerk of een andere voorliggende voorziening, het college nog steeds een voorziening zal moeten treffen voor de resterende ondersteuningsbehoefte. Dat volgt uit het gebruik van de zinsnede "voor zover" in de aanhef van deze bepaling. In lid 2 en 3 is bepaald dat er slechts een voorziening voor reeds gemaakte kosten verstrekt kan worden áls op moment van melding of aanvraag nog steeds sprake is van de problematiek en de noodzaak en passendheid van de voorziening alsnog te beoordelen is. Indien het een niet gecontracteerde aanbieder betreft, wordt beoordeeld óf er een passende ZIN-aanbieder beschikbaar is die de hulp kan bieden. Door de ouders ingezette niet gecontracteerde hulp wordt dan tot uiterlijk voortgezet tot de datum waarop de gecontracteerde aanbieder de hulp over kan nemen. In het vierde lid worden een aantal weigeringsgronden genoemd voor het niet verstrekken van een voorziening. Artikel 15.
Beschikking Indien de cliënt een aanvraag bij het college indient of als overeenkomstig artikel 3 lid 2 verwijzing door de arts heeft plaatsgevonden, moet het college een schriftelijke beschikking opstellen. Hiertegen kan de cliënt bezwaar en beroep indienen. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle beschikkingen. Uitzonderingen zijn onder meer beschikkingen die inhouden dat gesloten jeugdhulp nodig is of een door de gecertificeerde instelling genomen besluit tot verlening van jeugdhulp op grond van artikel 3.5 lid 1 van de wet (artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb wordt hiertoe aangepast). De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.
Hoofdstuk 6: Regels voor persoonsgebonden budget Artikel 16. Criteria voor pgb Als de client om een pgb verzoekt, dan moet dit verzoek onderbouwen (en indienen) door middel van het door het college vastgestelde format van budgetplan. In dit plan zijn alle relevante beoordelingsaspecten opgenomen. Het college kan op grond van artikel 8.1.1 van de wet een pgb verstrekken als voldaan is aan de gestelde voorwaarden. Lid 2 is een uitwerking van artikel 8.1.1 lid 3 van de wet dat de gemeenteraad de bevoegdheid geeft te bepalen onder welke voorwaarden de pgb-houder de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
Artikel 17. Formele hulp (professional) In dit artikel zijn de voorwaarden genoemd om aangemerkt te worden als een professional c.q. formele hulp.
22
Artikel 18. Informele hulp In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen wanneer er een pgb voor informele hulp verstrekt kan worden en waar dit aan moet voldoen. Artikel 19. Hoogte PGB In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9 onderdeel c Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. De maximale hoogte van een pgb is begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele voorziening in natura (lid 1). Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening in natura (artikel 8.1.1, vierde lid, onderdeel a, van de wet). De situatie waarin het door de jeugdige of zijn ouders beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. De cliënt kan zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod.
Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen individuele voorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. In het derde lid is bepaald dat het budget binnen 6 maanden na toekenning gebruikt moet worden voor het doel waarvoor het is verstrekt. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan. In het zesde lid is de hoogte van het pgb opgenomen die geldt voor zorgverleners uit het sociale netwerk (informele hulp). Deze is gelijk aan het bruto minimumuurloon + € 1,00 die op 1 januari geldt van het betrekking hebbende kalender jaar. Het wettelijk minimumuurloon wordt met € 1,00 verhoogd, zodat het maximum uurtarief altijd hoger is dan het wettelijk minimumloon. Ook als er in het jaar tussentijds een indexeringsverhoging doorgevoerd is. In het achtste lid is een extra tegemoetkoming opgenomen voor ouders (en of het netwerk) die langdurig 24 uur per dag zorg in de nabijheid en toezicht moeten verlenen aan de jeugdige vanaf 8 jaar 8. Dit betreffen voornamelijk jeugdigen die naar verwachting in aanmerking komen voor een indicatie Wlz, maar deze indicatie nog niet hebben gekregen. Bijvoorbeeld omdat de blijvende zorgbehoefte nog niet duidelijk is en/of er nog een ontwikkeling mogelijk is.
In aanleg wordt alles van de ouder verwacht om de jeugdige gezond en veilig op te laten groeien, ook als er sprake is van een ziekte, stoornis of beperking. Op basis van het afwegingskader eigen kracht kan hier in principe geen voorziening voor verstrekt worden. Voor deze doelgroep wordt echter toch een begunstigende bepaling opgenomen in de vorm van een tegemoetkoming waarmee het gezin zichzelf beschikbaar kan maken en houden door het budget ook te benutten om zichzelf te ontlasten zodat de draagkracht en draaglast in balans blijft. De reden hiervoor is dat deze ouders minder keuzevrijheid hebben en veel meer (bovengebruikelijke)zorg moeten verlenen in relatie tot andere gezinnen. Om dit onevenredige verschil enigszins te beteugelen; én de doorloop naar de Wlz al in gang te zetten, wordt een tegemoetkoming verstrekt als de noodzaak voor de 24-uurs zorg in de nabijheid en toezicht door een onafhankelijk arts is vastgesteld én een Wlz-indicatie nog niet is verkregen. De tegemoetkoming is gemaximeerd tot 9 uur per week x het tarief van het zesde lid. De achterliggende gedachte hiervan is dat (een van de) ouders met kinderen gemiddeld drie dagen per week werken (bron CBS). Daarnaast heeft een jeugdige van 8 jaar of ouder doorgaans een daginvulling op school of een onderwijsalternatief.
De tijd tussen terugkomst van school tot fictieve einde werkdag is 3 uur per dag, en dat maakt dat de bovenwettelijke begunstigende bepaling vastgesteld wordt op 3x3= 9 uur per week. Voor overige voorzieningen is geen informeel tarief vastgesteld, omdat dit gespecialiseerde jeugdhulp betreft dat niet bij het sociaal netwerk belegd wordt (zie artikel 11 lid 3 van deze verordening). 23
Hoofdstuk 7: Herziening, Intrekking, terugvordering en controle Artikel 20. Herziening, intrekking en terugvordering Lid 1 regelt in welke gevallen het college een besluit tot het verlenen van een individuele voorziening kan intrekken of herzien. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Deze bepaling in de verordening breidt dit uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een ‘kan’- bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Intrekking of herziening van een jeugdhulp-voorziening kan leiden tot de conclusie dat ten onrechte of teveel hulp is verstrekt. Lid 2 regelt dat het college in dat geval bevoegd is de geldswaarde van de teveel of ten onrechte verstrekte voorziening en/of pgb terug te vorderen. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang deze bepaling op te nemen in de verordening. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. Artikel 21. Controle Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de wet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht. Essentieel is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van deze wet.
Hoofdstuk 8: Verhouding prijs en kwaliteit Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. De inkoop van zorg vindt voor de gemeente Oldenzaal plaats binnen het regionaal samenwerkingsverband OZJT/Samen14. In de inkoopbestekken die OZJT/Samen14 hanteert zijn specifieke kwaliteitseisen en criteria opgenomen die ook zien op de borging van een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit. In deze bepaling wordt dan ook verwezen naar de eisen die op dit vlak zijn opgenomen in de inkoopbestekken.
Hoofdstuk 9: Vertrouwenspersoon, klachten en medezeggenschap Artikel 23. Vertrouwenspersoon In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. In het 24
landelijke Uitvoeringsbesluit Jeugdwet (AmvB) wordt een nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon. Artikel 24. Klachtregeling Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. In deze verordening is daartoe een algemene bepaling opgenomen om te voorkomen dat als de verordening over klachten wijzigt deze verordening ook aangepast moet worden. Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten cliënten zich richten tot de instelling die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. Artikel 25.
Inspraak en medezeggenschap Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders, worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid. Lid 1 verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als op andere terreinen. De gemeente Oldenzaal wijst in deze verordening de adviescommissie Participatie aan als adviesorgaan dat betrokken wordt bij de voorbereiding en ontwikkeling van het jeugdbeleid. In lid 4 wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Hoofdstuk 10: Slotbepalingen Artikel 26. Nadere regels en hardheidsclausule Lid 1 biedt het college de mogelijkheid in alle niet voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. Lid 3 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of zijn ouders. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken. Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht In dit artikel is het overgangsrecht geregeld. In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden. Omdat dit voor de cliënt nadelige gevolgen kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat de vorige verordening gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de cliënt. 25
Dit moet voorkomen dat de cliënt gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en zijn rechtspositie door het tijdsverloop wordt aangetast. Dezelfde regeling is voor de bezwaarfase opgenomen in het zesde lid opgenomen. Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.
26
27
28