CConstaterende datOldenzaal
Koppel je AI →
Document · PDF

10 Verordening uitvoering Jeugdwet gemeente Oldenzaal 2025 - Bijlage Verordening uitvoering jeugdwet 2025

Gemeenteraad 24 februari 2025, gemeente OldenzaalBij agendapunt: Vaststellen verordening Jeugd12.639 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Verordening uitvoering Jeugdwet 2025

Verordening uitvoering Jeugdwet 2025

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen .................................................................................................. 3 Hoofdstuk 2: Algemene voorzieningen ............................................................................................. 4 Hoofdstuk 3: Individuele voorzieningen ............................................................................................ 4 Hoofdstuk 4: Toegang tot jeugdhulp ................................................................................................. 5 Hoofdstuk 5: Procedure melding, onderzoek, aanvraag en beschikking .......................................... 6 Hoofdstuk 6: Regels voor persoonsgebonden budget ...................................................................... 9 Hoofdstuk 7: Herziening, Intrekking, terugvordering en controle .................................................... 12 Hoofdstuk 8: Verhouding prijs en kwaliteit ...................................................................................... 12 Hoofdstuk 9: Vertrouwenspersoon, klachten en medezeggenschap .............................................. 12 Hoofdstuk 10: Slotbepalingen ......................................................................................................... 13

Toelichting op de Verordening uitvoering Jeugdwet....................................................... 14 Algemeen ........................................................................................................................................ 14 Artikelsgewijs ................................................................................................................................... 16 Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen ................................................................................................ 16 Hoofdstuk 2: Algemene voorzieningen ........................................................................................... 16 Hoofdstuk 3: Individuele voorzieningen .......................................................................................... 17 Hoofdstuk 4: Toegang tot jeugdhulp ............................................................................................... 17 Hoofdstuk 5: Procedure melding, onderzoek, aanvraag en beschikking ........................................ 18 Hoofdstuk 6: Regels voor persoonsgebonden budget .................................................................... 22 Hoofdstuk 7: Herziening, Intrekking, terugvordering en controle ....................................................

24 Hoofdstuk 8: Verhouding prijs en kwaliteit ...................................................................................... 24 Hoofdstuk 9: Vertrouwenspersoon, klachten en medezeggenschap .............................................. 24 Hoofdstuk 10: Slotbepalingen ......................................................................................................... 25

Nr. 1453

De raad van de gemeente Oldenzaal;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 januari 2025, nr. 3/10, reg.nr. INTB-24-6664

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12, 8.1.1. vierde lid en 12.4 tweede lid van de Jeugdwet; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; overwegende dat: de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, de wijze van afstemming met andere voorzieningen, de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, de bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor levering van jeugdhulp en de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

besluit:

vast te stellen de Verordening uitvoering Jeugdwet gemeente Oldenzaal 2025

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, dat toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de aanvrager; b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; c. besluit: Besluit jeugdhulp gemeente Oldenzaal 2025; d. cliënt: de jeugdige en/of zijn ouders als bedoeld in artikel 1.1 van de wet; e. eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) zelf of met behulp van het sociale netwerk om te voorzien in of bij te dragen aan het oplossen van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; f. hulpvraag: behoefte van een cliënt aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet; g. individuele voorziening: op de cliënt toegesneden voorziening als bedoeld in hoofdstuk 3; h. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet; i.

sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige en/of de ouder(s) een sociale relatie hebben, zoals familieleden, vrienden of buren; 3

j. uitvoeringsbesluit: het landelijke Uitvoeringsbesluit Jeugdhulp; k. wet: Jeugdwet. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2: Algemene voorzieningen Artikel 2. Toegang algemene voorziening Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of zijn gezinssysteem. Artikel 3. Beschikbare algemene voorzieningen 1. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn beschikbaar: a. informatie en opvoedadvies; b. Praktijkondersteuners jeugd bij huisartsenpraktijken; c. preventie opvoed- en opgroeiondersteuning individueel; d. preventie opvoed- en opgroeiondersteuning groepsgewijs; e. kortdurende en lichte ambulante ondersteuning. 2. Het college kan de genoemde algemene voorzieningen nader uitwerken in beleidsregels..

Hoofdstuk 3: Individuele voorzieningen Artikel 4. Beschikbare individuele voorzieningen 1. Een individuele voorziening wordt ingezet met als doel om de jeugdige in staat te stellen om: a. Gezond en veilig op te groeien; b. Te groeien naar zelfstandigheid; en; c. Voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. 2. De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. Ambulante jeugdhulp in de vorm van: 1. Begeleiding Individueel; 2. Vaktherapie; 3. Behandeling Individueel; 4. Forensische jeugdhulp – behandeling; 5. Medicatiecontrole; 6. Begeleiding Groep (basis – intensief); 7. Behandeling Groep (basis – intensief); 8. Kinderdagcentrum (KDC)/Orthopedisch dagcentrum (ODC) (basis – intensief); 9. Ernstige Dyslexiezorg; 10. Screening. b. Ambulante alternatieven voor verblijf in de vorm van: 1. Zeer Intensieve Traumabehandeling (ZIT); 2. Flexible Assertive Community Treatment (FACT); 3. Multisysteem Therapie (MST); 4. Crisis Systeem Interventie (CSI). c. Wonen in de vorm van: 1. Pleegzorg; 2. Gezinshuis; 3. Woongroep; 4. Hoogspecialistische kleinschalige woonvoorziening. d. Verblijf in de vorm van: 1. Kamertraining; 4

2. Ouder-kind Groep; 3. Behandelgroep; 4. Driemileuvoorziening; 5. Jeugd GGZ verblijf; 6. JeugdzorgPlus; 7. Deeltijd verblijf/logeren; 8. Extra Verblijfsbegeleiding e. Crisiszorg in de vorm van: 1. Crisisdienst GGZ-jeugd 2. Ambulante crisiszorg; i. Familie First; ii. Ambulante spoedhulp (ASH). 3. Crisisverblijf: i. Crisisverblijf Licht verstandelijke beperkt (LvB); ii. Crisisverblijf Jeugd- en Opvoedhulp (J&O); iii. Crisisverblijf Jeugd GGZ; iv. Crisispleegzorg. f. Jeugdbescherming en jeugdreclassering. g. Advies en Expertise. h. Jeugdhulpvervoer. 3. Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen: a. Doelgroepen; b. Activiteiten; c. Doorlooptijd; d. Intensiteit; e. Kwaliteit; f. Beoogd resultaat; g. Productcode. 4. Het college kan in de individuele voorzieningen nader uitwerken in beleidsregels.

Hoofdstuk 4: Toegang tot jeugdhulp Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, en hanteert hierbij de volgende voorwaarden: a. Er is sprake van een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Het college vergoedt geen jeugdhulp als er verwezen wordt naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder voor zorg in natura, terwijl een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder beschikbaar is om de zorg in natura te bieden; b. De jeugdhulpaanbieder houdt zich aan de afspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt en de regels daarover zijn opgenomen in deze verordening, en met name artikel 10 over het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep; c. De jeugdhulpaanbieder houdt zich aan de door de verwijzer genoemde hulpvraag, individuele voorziening, omvang en duur. Indien dit niet expliciet is in de verwijzing is bepaald, dan geldt het bepaalde in onderdeel b van dit lid; d. Binnen eenzelfde hulpvraag vindt geen dubbele inzet van jeugdhulp plaats. Als er meerdere individuele voorzieningen geboden worden aan de jeugdige en/of het gezinssysteem, dan wordt gekeken naar de samenhang tussen deze individuele voorzieningen. 2.

Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 15. 3. Het college kan in beleidsregels de procedure voor toegang via externe verwijzers nader uitwerken. 5

Artikel 6. Toegang jeugdhulp via gecertificeerde instellingen, rechter, OM of JJI 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. 2. Het college draagt tevens zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) of de selectiefunctionaris van de JJI nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.

Artikel 7. Toegang jeugdhulp via gemeente 1. Een individuele voorziening wordt toegekend door middel van een besluit van het college. 2. Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag als bedoeld in artikel 13 en het onderzoek als bedoeld in artikel 10. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.6 van de wet treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.

Hoofdstuk 5: Procedure melding, onderzoek, aanvraag en beschikking Artikel 8. Melding 1. Een hulpvraag kan door of namens een jeugdige en/of ouder(s) vormvrij worden gemeld bij de gemeente Oldenzaal en/of het Sociaal Plein. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding. 3. In spoedeisende gevallen treft het college na melding onverwijld een tijdelijke voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel 9. Cliëntondersteuning 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van gratis cliëntondersteuning. 2. Het college wijst de jeugdige en/of ouder(s) voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel 10. Onderzoek (Stappenplan) 1. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouder(s) zo spoedig mogelijk de noodzaak voor het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp: Het college doet dit middels het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep: a. stap 1: het college stelt vast wat de hulpvraag is van de jeugdige en/of zijn ouder; b. stap 2: het college stelt vast of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn; c.

stap 3: wanneer het college de problemen en stoornissen heeft vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; d. stap 4: nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, wordt onderzocht of en in hoeverre de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van de ouder en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. In artikel 11 is het onderzoek naar eigen kracht en het probleemoplossend vermogen nader uitgewerkt; e. stap 5: als vaststaat welke hulp de jeugdige nodig heeft en dat ouders en/of het sociaal netwerk hier niet (geheel) in kunnen voorzien, wordt onderzocht of de jeugdige aanspraak kan maken op een algemene of voorliggende voorziening; f. stap 6: slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, verleent het college een voorziening van jeugdhulp. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De hiervoor bedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die 6

2. 3. 4. 5.

6. 7.

stadia aangepaste deskundigheid. Het college zorgt ervoor dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. Het college kan in overleg met jeugdige en/of ouder(s) afzien van een gesprek. Tijdens het gesprek wordt de cliënt in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. De uitkomsten van het onderzoek worden middels een plan aan client verstrekt. Indien uit het onderzoek blijkt, dat een individuele voorziening noodzakelijk is, dan bepaalt het college een kostprijs op basis van de voor de cliënt noodzakelijke hulp, intensiteit en duur om het gewenste resultaat te behalen. Het college kan de ingezette individuele voorziening (tussentijds) evalueren met de jeugdige, het gezinssysteem en/of de jeugdhulpaanbieder of zorgverlener. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 11. Afwegingskader eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht) 1. Een individuele voorziening voor jeugdhulp wordt niet verstrekt als uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en/of de ouders (eventueel met behulp van het sociaal netwerk) op eigen kracht kunnen voorzien in of bijdragen aan het oplossen van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. 2. Bij het beoordelen van de eigen kracht heeft het college, gelet op het bepaalde in artikelen 82 en 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, als uitgangspunt dat de ouders en andere verzorgers en opvoeders te allen tijde verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en opvoeden van de jeugdige en het houden van toezicht. Van hen wordt verwacht dat zij alles doen wat binnen hun mogelijkheden past om ervoor te zorgen dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Deze verantwoordelijkheid geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening of beperking heeft. 3. In tegenstelling tot lid 1 en 2 kan een voorziening aan ouders toegekend worden als zij langdurig 24 uur per dag toezicht en zorg in de nabijheid moeten en kunnen bieden aan een kind dat ouder is dan 8 jaar. 4.

Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten of afgesloten kan worden. 5. Indien de noodzakelijke hulp specialistische zorg betreft, dan wordt dit niet belegd bij ouders of het sociaal netwerk, omwille van de objectiviteit, onafhankelijkheid en deskundigheid die vereist is. Onder specialistische hulp wordt verstaan alle vormen van jeugdhulp met uitzondering van begeleiding individueel (zoals vermeld in artikel 4 lid 2 sub a onder 1 van deze Verordening). 6. Om te bepalen wat de jeugdige en/of ouders (eventueel met behulp van het sociaal netwerk) kunnen oplossen, beoordeelt het college het stappenplan van artikel 10 deze verordening én: a. De voor de jeugdige benodigde hulp, ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; b. De mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders; c. De samenstelling van het gezin en de woonsituatie; d. Het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen, waarbij geen financiële draagkrachtmeting wordt gedaan. e. De mogelijkheid van het sociale netwerk om de jeugdige en de ouders te ondersteunen; f. Het duurzame effect van de eigen mogelijkheden en/of het eigen netwerk; g. Overige relevante omstandigheden die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden. Artikel 12. Advies 1.

Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of een aanvraag is ingediend en/of diens relevante huisgenoten: a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen.

7

b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: a. het een melding of een aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 10 is gevoerd. b. het een melding of een aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden; c. het college dat overigens gewenst vindt. Artikel 13. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een individuele voorziening kan op drie manieren door of namens een cliënt worden ingediend middels: a. een door het college vastgesteld aanvraagformulier; b. een ondertekend plan; c. een emailbericht waarin de aanvrager instemt met de inhoud van het plan en aangeeft de geadviseerde voorziening aan te willen vragen. 2. Als de jeugdhulp betrekking heeft op een ander dan de aanvrager, behoeft de aanvraag de instemming van de cliënt waarop de aanvraag betrekking heeft. 3. Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige: a. die jonger is dan 12 jaren, of; b.

die ouder is dan 12 jaren en niet in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan is niet de instemming van de minderjarige vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger. 4. Heeft de aanvraag betrekking op een minderjarige die de leeftijd van 12 maar nog niet die van 16 jaren heeft bereikt, dan behoeft de aanvraag de instemming van zowel de minderjarige als de wettelijke vertegenwoordiger. Weigert de wettelijke vertegenwoordiger in te stemmen met de aanvraag, dan kan het college toch een besluit nemen als de jeugdhulp voor de minderjarige kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de minderjarige te voorkomen, alsmede indien de minderjarige ook na de weigering van de toestemming de jeugdhulp weloverwogen blijft wensen. 5. De cliënt die een aanvraag indient voor een individuele voorziening, verstrekt het college indien noodzakelijk een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 6. Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een individuele voorziening.

Artikel 14. Criteria voor een individuele voorziening 1. Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet zelf kan verminderen of wegnemen. 2. Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt o.a. aangesloten bij de richtlijnen van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) en de richtlijnen van Hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz.

8

3. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken als: a. op het moment van de melding/aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; b. voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 4. De voorziening als bedoeld in het derde lid kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten vanaf de meldingsdatum en tot uiterlijk de datum waarop een gecontracteerde aanbieder de hulp over kan nemen. 5. Het college weigert een individuele voorziening als: a. client de hulpvraag middels eigen kracht of middels het sociaal netwerk kunnen oplossen; b. er gebruik gemaakt kan worden van een (aanvullende) verzekering die is afgesloten; c. er een algemene voorziening of overige/andere voorziening bestaat; d. de individuele voorziening betrekking heeft op kosten die zijn gemaakt over een periode langer dan de in lid 3 genoemde periode; e. de individuele voorziening aantoonbaar niet effectief is voor de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn (pleeg)ouder. 6. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening. Artikel 15.

Beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke individuele voorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum en duur van de verstrekking; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: a. aan welk resultaat het pgb moet worden besteed; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. de hoogte van het pgb en hoe dit tot stand is gekomen; d. de duur van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Hoofdstuk 6: Regels voor persoonsgebonden budget Artikel 16. Criteria voor pgb 1. Als een jeugdige en/of ouder(s) in aanmerking komt voor een individuele voorziening en deze ondersteuning zelf in wil kopen door middel van een pgb, dan dient men dit verzoek in door middel van een door het college vastgesteld format voor het budgetplan. In dit budgetplan is opgenomen: a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; b. de voorgenomen zorgverlener van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; c. op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd, waarbij de kwaliteitseisen van de zorgverlener van deze verordening zijn opgenomen; d. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; e. de wijze waarop het pgb beheerd en georganiseerd gaat worden door de budgethouder en/of vertegenwoordiger, waarbij rekening gehouden wordt met de kennis en vaardigheden die een budgethouder en/of vertegenwoordiger moet bezitten om een pgb te kunnen beheren. Alle vaardigheden zijn omschreven in deze verordening. 9

2. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp onder de volgende voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 18 én: a. deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het op grond van het in artikel 19 gehanteerde tarief en; b. dat deze persoon heeft aangegeven dat de zorg aan de belanghebbende voor hem niet tot overbelasting leidt en; c. dat tussenpersonen of belangbehartigers niet uit het pgb mogen worden betaald. 3. Het college stelt in het besluit nadere regels vast over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.

Artikel 17. Formele hulp (professional) 1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen: a. personen die werkzaam zijn bij een organisatie die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast staan deze personen ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 2. Als de hulp wordt verleend door een ander persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a, b of c is er sprake van informele hulp. 3. Het college kent een pgb voor formele hulp alleen toe indien de zorgverlener: a. voldoet aan de vereisten van hoofdstuk 4 van de wet en de bepalingen van deze verordening; b. werkt op basis van een plan.

Artikel 18. Informele hulp 1. Het college kent een pgb voor informele hulp alleen toe als:

a.

wordt gemotiveerd waarom de inzet van informele hulp leidt tot een gelijk of beter resultaat dan de inzet van formele hulp; b. de persoon die de informele hulp verleent voldoet aan de minimale kwaliteitseisen die zijn opgenomen in deze verordening; c. de persoon die de informele hulp verleent beschikt over de voor de hulpvraag benodigde competenties, kennis en vaardigheden om verantwoorde hulp te bieden; d. de persoon die de informele hulp verleent geen deel uitmaakt van de complexe problematiek waarvoor de jeugdhulp ingezet wordt; e. er gewerkt wordt op basis van een budgetplan; en f. de ondersteuning aan de jeugdige en/of zijn ouder niet leidt tot overbelasting bij de persoon die de informele hulp verleent. 2. Het college kan ouders en/of het sociaal netwerk een pgb voor informele hulp toekennen voor continue 24 uur zorg in de nabijheid en toezicht als bedoeld in artikel 11 lid 3 van deze verordening. De noodzaak van het continue toezicht op het kind wordt door een onafhankelijk arts vastgesteld. Verder geldt dat een Wlz-indicatie nog niet is verkregen. 3. Het college weigert een pgb voor een informele hulpverlener als de hulp op grond van het afwegingskader in het door het SKJ vastgestelde Kwaliteitskader Jeugd, geboden moet worden door een geregistreerde professional. 4.

Het college weigert een pgb voor behandeling door een persoon die geschaard kan worden onder informele hulp. Onder behandeling wordt verstaan: diagnostiek of een aanpak van een stoornis en bijbehorende problemen op verschillende levensgebieden. De ouder of een ander persoon uit het sociaal netwerk kan door zijn persoonlijke relatie met de jeugdige niet volledig objectief en onafhankelijk handelen. 10

Artikel 19. Hoogte PGB 1. De hoogte van een pgb bedraagt in ieder geval niet meer dan de prijs waarvoor het college deze hulp heeft gecontracteerd en is gebaseerd op de ondersteuningsbehoefte van de cliënt, de intensiteit en de duur van de benodigde ondersteuning. 2. Het college stelt nadere regels ten aanzien van de berekeningswijze van persoonsgebonden budgetten: a. er wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende vormen van hulp en ondersteuning en, voor zover van toepassing, in ieder geval in verband met: • de te bieden deskundigheid en/of; • het vereiste opleidingsniveau en/of; • of er gewerkt wordt volgens toepasselijke professionele of kwaliteitsstandaarden; b. voor een zelfstandig professional geldt dat het persoonsgebonden budget-tarief wordt bepaald op 80% van de voorziening in natura, waarbij rekening is gehouden met het feit dat deze aanbieder geen of lagere overheadkosten heeft dan een professionele organisatie met personeel; 3. Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. 4. De hoogte van het pgb voor formele hulp bedraagt 80% van het tarief voor gecontracteerde jeugdhulp in natura, tenzij op basis van het door de jeugdige en/of zijn ouder ingediende budgetplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 5.

Als het op basis van het vierde lid vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen, en deze ondersteuning niet wordt aangeboden door het gecontracteerde aanbod van jeugdhulp, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. 6. De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het bruto minimumuurloon dat op 1 januari van het betrekking hebbende kalenderjaar geldt én verhoogd wordt met € 1,00, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. 7. De hoogte van het pgb voor informele hulp voor deeltijdverblijf (logeeropvang) bedraagt € 30,00 per etmaal. 8. De tegemoetkoming voor langdurige 24 uur zorg in nabijheid en toezicht voor ouder (als bedoeld in artikelen 11 lid 3 en 18 lid 2) is gemaximeerd tot 9 uur per week ter hoogte van het informele hulp tarief conform het zesde lid. 9. Als aanspraak bestaat op een individuele voorziening jeugdhulpvervoer in de vorm van pgb, dan bedraagt de vergoeding het belastingvrije bedrag per kilometer. 10. Het pgb bevat geen verantwoordingsvrij bedrag. 11. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a. kosten van bemiddeling; b.

kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. 12. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de jeugdige of ouder het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten. 13. Het college legt in de nadere regels de hoogte van de daadwerkelijke tarieven vast.

11

Hoofdstuk 7: Herziening, Intrekking, terugvordering en controle Artikel 20. Herziening, intrekking en terugvordering 1. Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de individuele voorziening of op het pgb is aangewezen; c. de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb, of e. de cliënt de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 2. Als het college een beslissing op grond van het eerste lid heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb. Artikel 21. Controle 1. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. 2. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot deze controle.

Hoofdstuk 8: Verhouding prijs en kwaliteit Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met de algemene en specifieke kwaliteitseisen en voorwaarden opgenomen in de inkoopbestekken van het regionale samenwerkingsverband OZJT/Samen 14.

Hoofdstuk 9: Vertrouwenspersoon, klachten en medezeggenschap Artikel 23. Vertrouwenspersoon Het college wijst cliënten erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 24. Klachtregeling Het college behandelt klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening overeenkomstig de op dat moment geldende procedure van behandeling van klachten binnen de gemeente Oldenzaal. Artikel 25. Inspraak en medezeggenschap 1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Ter uitvoering van lid 1 stelt het college de adviescommissie Participatie vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluit-

12

vorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat de adviescommissie Participatie kan deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 10: Slotbepalingen Artikel 26. Nadere regels en hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening. 3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 27. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening uitvoering Jeugdwet 2019 wordt met ingang van 1 januari 2025 ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening uitvoering Jeugdwet 2019 totdat het college een nieuw besluit heeft genomen of tot uiterlijk 31 december 2025. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening uitvoering Jeugdwet 2019 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van de Verordening uitvoering Jeugdwet 2025, worden afgehandeld krachtens de Verordening uitvoering Jeugdwet 2025. 4. Beslissingen op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening uitvoering Jeugdwet 2019, geschiedt op grond van de Verordening uitvoering Jeugdwet 2019. 5. Van het in lid 3 en 4 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken. Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel 1.

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025, voor zover dat nodig is voor de vaststelling van rechten en plichten. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening uitvoering Jeugdwet gemeente Oldenzaal 2025. Vastgesteld in de openbare vergadering van 24 februari 2025, de plaatsvervangendgriffier,

W. Knobben

de voorzitter,

P. Welman

13

Toelichting op de Verordening uitvoering Jeugdwet Algemeen Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn na de decentralisatie vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.

De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: • over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen; • met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; • over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; • over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of • persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die • worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt derhalve ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet nog andere regels te stellen. In deze verordening is dat onder meer gebeurd door op onderdelen een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van burgers en de gemeente. Maar ook door regels te stellen over de vereiste toestemming van ouders dan wel wettelijk vertegenwoordigers van minderjarigen bij het indienen van een aanvraag (artikel 11). Artikel 8.1.1 lid 4 van de Jeugdwet geeft de gemeenteraad daarnaast nog de bevoegdheid in de verordening vast te leggen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de gemeenteraad op grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.

Toeleiding naar de jeugdhulp De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: • via de gemeente • via de gecertificeerde instellingen, rechter, OM of justitiële jeugdinrichting (JJI) na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

14

Vrij toegankelijke en individuele voorzieningen In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Toegang jeugdhulp via de gemeente Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij de gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt tot stand in overleg met die jeugdige en zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan geeft het college (althans een deskundige namens het college) een besluit af en schakelt de noodzakelijke jeugdhulp in.

Toegang via de huisarts, de jeugdarts of de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk zullen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts vaak niet bepalen welke specifieke vorm van hulp nodig is, maar verwijzen naar een van de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Daarbij dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van zijn contract- of subsidierelatie, en met de regels die daarover zijn neergelegd in deze verordening (over het vrij toegankelijke en niet vrij toegankelijke deel van de voorzieningen). Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Jeugdhulp kan ook worden ingezet op initiatief van een gecertificeerde instelling. Gecertificeerde instellingen voeren de kinderbeschermingsmaatregelen (voogdij en ondertoezichtstelling) en jeugdreclassering uit (artikel 3.2 Jeugdwet).

In het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kan de gecertificeerde instelling bepalen dat jeugdhulp nodig is (artikel 3.5 lid 1 Jeugdwet). Bij jeugdreclassering is het niet alleen de gecertificeerde instelling die deze bevoegdheid heeft, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI), en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die de gecertificeerde instelling nodig acht ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Ook in het kader van de jeugdreclassering moet de gemeente ervoor zorgen dat de jeugdhulp wordt ingezet die de rechter, het openbaar ministerie, de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting of de gecertificeerde instelling nodig acht. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b Jeugdwet). Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking aan welke gecertificeerde instelling de maatregel gaat uitvoeren.

De raad voor de kinderbescherming geeft in zijn verzoekschrift een concreet advies over welke gecertificeerde instelling dat moet zijn. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen.

15

Artikelsgewijs Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen Lid 1 onderdeel a. algemene voorziening: Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is (althans met een beperkte toegangstoets) voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. De wet spreekt in artikel 2.9 onderdeel a van 'overige voorziening'. In de Memorie van Toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever echter over een algemene of vrij toegankelijke voorziening. Ook de praktijk spreekt over algemene dan wel vrij toegankelijke voorzieningen. Omdat dit de meest gangbare term is, is deze overgenomen in de verordening. Lid 1 onderdeel b. andere voorziening: Een andere voorziening is een voorziening die de jeugdige kan ontvangen op grond van een andere wet, bijvoorbeeld de Wmo, de Zorgverzekeringswet (Zvw), of de Wet langdurige zorg (Wllz). Lid 1 onderdeel c. besluit: deze bepaling spreekt voor zich. Lid 1 onderdeel d. cliënt: In de verordening wordt gesproken over "cliënten". Dit betreffen de jeugdige en hun ouders. Zowel het begrip jeugdige als het begrip ouder is gedefinieerd in artikel 1.1 Jeugdwet. Bij de ouder gaat het om de gezaghebbende ouder, de adoptiefouder, de stiefouder of een ander die de jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. Een pleegouder is geen ouder in de zin van de Jeugdwet. Lid 1 onderdeel f.

hulpvraag: De hulpvraag is de behoefte aan jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan jeugdhulp zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 10 van deze verordening is noodzakelijk. Lid 1 onderdeel g. individuele voorziening: Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk, er is toekenning en ook een verleningsbeschikking nodig. Lid 2 Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Dit zou overbodig zijn en bovendien voor verwarring kunnen zorgen als er bijvoorbeeld door een latere wetswijziging een verschil zou ontstaan tussen de omschrijving in de verordening en de wettelijke omschrijving. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als 'jeugdhulp', 'jeugdige', 'ouder' (zie artikel 1.1 van de wet).

Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).

Hoofdstuk 2: Algemene voorzieningen In dit hoofdstuk is beschreven welke algemene voorziening rechtstreeks beschikbaar zijn voor jeugdigen en/of ouders zonder dat hiervoor een indicatie vereist is.

16

Hoofdstuk 3: Individuele voorzieningen In dit hoofdstuk is beschreven welke individuele voorzieningen beschikbaar zijn en met welk doel deze ingezet worden. Dit is een nadere uitwerking van artikel 2.9, onderdeel a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (algemene) voorzieningen. Uit de Memorie van Toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Dit artikel moet daarom een zo compleet mogelijk overzicht bieden van alle algemene en individuele voorzieningen die het college ter beschikking staan. Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp (zie artikel 1.1 van de wet). Een voorziening kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. De te treffen voorziening kan zowel een algemene (vrij toegankelijke) voorziening zijn als een individuele (niet vrij toegankelijke) voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet.

Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. Er worden lokaal, regionaal en landelijk voorzieningen getroffen en (inkoop)afspraken gemaakt en/of contracten afgesloten door gemeenten. Als basis daarvoor dienen het Regionale en het Landelijke Transitie Arrangement. Op landelijke schaal wordt onder meer de inkoop van de onafhankelijke vertrouwenspersoon, de uitwerking van een declaratiesysteem voor Jeugd GGZ, landelijke doventolk voorziening, landelijke kindertelefoon e.d. georganiseerd. Daarnaast wordt op regionaal niveau (Samen 14) samenwerking gezocht in het OZJT (Organisatie voor Zorg en Jeugdhulp in Twente), de crisisinterventie etc.

Hoofdstuk 4: Toegang tot jeugdhulp Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de wet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp bestaat. Dit laatste geldt zowel voor de algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen als de individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de cliënt daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze jeugdhulpaanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, in alle gevallen vast in een beschikking aan de cliënt. Artikel 6.

Toegang jeugdhulp via gecertificeerde instellingen, rechter, OM of JJI Jeugdhulp kan ook worden ingezet op initiatief van een gecertificeerde instelling, in het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (zie artikel 3.5 lid 1 Jeugdwet). Bij jeugdreclassering is het niet alleen de gecertificeerde instelling die deze bevoegdheid heeft, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de justitiële jeugdinrichting (JJI) en de selectiefunctionaris van de JJI. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat de jeugdhulp wordt ingezet die deze partijen no17

dig achten. Hier geldt dus een leveringsplicht van de gemeente (zie artikel 2.4 lid 2 onderdeel b Jeugdwet). De leveringsplicht van het college op dit punt volgt rechtstreeks uit de wet. Desondanks is deze leveringsplicht in de verordening weergegeven, zodat voor de burger inzichtelijk is hoe de toegang kan verlopen. Artikel 7. Toegang jeugdhulp via gemeente Dit artikel regelt de toegang van jeugdhulp via de gemeente. Lid 1 regelt dat een individuele voorziening altijd wordt toegekend op basis van een beschikking. Deze verleningsbeschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de hulpvraag van cliënten en de ingediende aanvraag (lid 2). Lid 3 gaat over toeleiding bij crisissituaties. Lid 4 bepaalt dat de jeugdige en/of zijn ouders die een beroep willen doen op een algemene voorziening hier direct naartoe kunnen. Ze hoeven hiervoor geen aanvraag in te dienen.

Hoofdstuk 5: Procedure melding, onderzoek, aanvraag en beschikking Ten aanzien van de aanvraagprocedure wordt aansluiting gezocht bij de procedure zoals deze in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo) is geregeld. Deze procedure begint met een melding. Vervolgens start het college een onderzoek, waarvan de uitkomsten worden teruggekoppeld naar de jeugdige en/of (ouder(s). Tot slot kan een aanvraag ingediend worden. Op grond van de Awb zal een belanghebbende echter te allen tijde in staat gesteld moeten worden om een aanvraag in te dienen. Voor de praktijk betekent dit dat als een belanghebbende bij zijn melding direct een aanvraag in wil dienen, dat dit altijd mogelijk moet zijn. Hiervoor is dan het door het college vastgesteld formulier beschikbaar. Artikel 8. Melding Een hulpvraag kan door of namens de jeugdige gemeld worden. Van deze melding wordt een ontvangstbevestiging verstuurd. Artikel 9. Cliëntondersteuner De verplichting om een cliëntondersteuner te bieden is neergelegd in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Met name het wijzen op de beschikbare cliëntondersteuning zal een specifieke plek gaan innemen in de procedure. Cliëntondersteuning is gedefinieerd in artikel 1.1.1. van de Wmo, en moet gratis zijn. Artikel 10.

Onderzoek Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Er wordt van uit gegaan dat persoonlijk (mondeling) contact tussen de gemeente en de cliënt plaatsvindt. Voor het onderzoek wordt het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep gevolgd. Deze stappen volgen grotendeels uit de uitspraak van de CRvB 01-05-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477. Een onderzoek moet voldoen aan de zorgvuldigheidseisen die de CRvB in deze uitspraak noemt (CRvB 2-3-2022, ECLI:NL:CRVB:2022:510). Deze zijn beschreven in lid 1. In lid 4 is bepaald dat de uitkomsten van het onderzoek door middel van een plan aan client teruggekoppeld wordt. In dit plan wordt ook aangegeven of een voorziening noodzakelijk geacht wordt en hoe men deze aan kan vragen.

18

Artikel 11. Afwegingskader eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Lid 1 In artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet is de jeugdhulpplicht opgenomen. Het college verstrekt een individuele voorziening aan een jeugdige of een ouder als zij hulp nodig hebben in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Anders gezegd: het college moet beoordelen in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouders met behulp van hun sociale netwerk toereikend zijn om de problemen zelf het hoofd te bieden. De beoordeling hiervan is onderdeel van het onderzoek dat het college doet nadat er een aanvraag voor jeugdhulp is ingediend. Bij het onderzoek hanteert het college het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep. Het college onderzoekt bij welke hulp naar aard en omvang nodig is. En vervolgens of er sprake is van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen om zelf de benodigde hulp en ondersteuning te bieden. Kunnen de jeugdige en ouders dit eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden, dan hoeft het college niet een individuele voorziening te treffen.

Uit de Memorie van Toelichting bij de Jeugdwet volgt dat hierbij een actieve rol van de ouders en de jeugdige past om in eerste instantie te trachten hun problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136). Dat betekent dat het college een individuele voorziening kan weigeren als de jeugdige en ouders, eventueel met behulp van hun sociale netwerk of andere instellingen, kunnen voorzien in of bijdragen aan het oplossen van de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Dit alles lijkt voldoende om een individuele voorziening te kunnen weigeren. Maar voldoende is dat niet: de verordening moet dit – om rechtszekerheid te bieden – wel vermelden (CRvB 1 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, 1096 en 1097). Lid 2 In de aanhef en artikel 2.1 van de Jeugdwet komt naar voren dat het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Er moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, de ouders en het sociale netwerk. Deze verplichting voor ouders komt ook terug in de artikelen 1:82 en 1:247 Burgerlijk Wetboek. Ouders zijn ervoor verantwoordelijk om hun minderjarige kind te verzorgen, op te voeden en toezicht op het kind te houden.

Dat geldt ook wanneer het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Het moet voor ouders en professionals dan ook vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 128 en 135-136). Het college neemt de verantwoordelijkheid van de jeugdige en de ouders zelf als uitgangspunt bij het beoordelen van de eigen kracht. Lid 3 In tegenstelling tot lid 1 en 2 kan specialistische jeugdhulp nooit gevraagd worden van de ouder(s) of het sociaal netwerk. Onder specialistische jeugdhulp wordt hulp verstaan waarvoor specifieke deskundigheid is vereist. Deze hulp vereist dat de hulpverlener objectief en onafhankelijk is, hetgeen een ouder of iemand uit het sociaal netwerk niet is. Onder specialistische hulp worden alle vormen van jeugdhulp verstaan met uitzondering van individuele begeleiding. Lid 4 In het vierde lid is een aantal afwegingsfactoren opgenomen die de beoordeling van de eigen kracht concretiseren. Samen met de voorgaande bepalingen vormt dit de invulling die de gemeenteraad geeft aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen in de Jeugdwet. De factoren a tot en met d sluiten aan bij de uitspraak van 17 juli 2019 van de CRvB (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).

Naast de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige en de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en duur spelen onder meer ook leeftijd, problematiek, beperkingen of stoornissen van de jeugdige een rol. Het kan dan gaan om hoeveel hulp de jeugdige nodig heeft, maar ook om de vraag hoe die hulp in de tijd is verdeeld. Het kan gaan om hulp die direct of op wisselende tijdstippen moet worden geboden. 19

Bij sub b over de mogelijkheden van de ouders wordt meegewogen in hoeverre de ouders voorafgaand aan de aanvraag de hulp al boden en of zij deze hulp kunnen voortzetten. Een andere vraag kan zijn of de aard van de hulp het toelaat dat deze door de ouders wordt geboden (zie ook lid 3). Of dat ouders vanwege het ontbreken van bepaalde deskundigheid of eigen problematiek de hulp niet kunnen bieden. Is er sprake van (dreigende) overbelasting van de ouders, dan wordt eerst onderzocht wat de ouders zelf kunnen doen om de (dreigende) overbelasting op te heffen. Bij sub c over de samenstelling van het gezin en de woonsituatie spelen verschillende factoren een rol om te bepalen wat redelijkerwijs van de jeugdige en de ouders kan worden verwacht. Zijn er bijvoorbeeld meerdere kinderen in het gezin, wat is de leeftijd van de kinderen, hebben meerdere kinderen hulp nodig, wat is de aard en omvang van die hulp en op welke tijden is er hulp nodig? Bij sub d over het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen heeft de CRvB op 26 mei 2021 een uitspraak gedaan (CRvB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1327). Daaruit volgt dat de maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouders, zoals bedoeld in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet, geen ruimte bieden voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15156175/2