06. Bestemmingsplan Herontwikkeling voormalige Mariakerk - 1. Toelichting-ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
4.1.2.4
Gemeentelijk beleid
De gemeenteraad van Oldenzaal heeft op 14 december 2020 het Gemeentelijk Rioleringsplan Oldenzaal 2021-2025 (GRP) vastgesteld. In het GRP zijn de doelen, functionele eisen en maatstaven met betrekking tot de riolering in de gehele gemeente gegeven. Het GRP heeft primair tot doel het gemeentelijk beleid weer te geven ten aanzien van de zorgplichten van de gemeente op het gebied van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast is het de juridische grondslag voor de rioolheffing. De gemeente wil de voordelen ('lusten') van water benutten, maar eerst de nadelen ('lasten') aanpakken. Dat gebeurt door te zorgen voor een goed en duurzaam rioleringssysteem en door wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. Om dit te realiseren wordt er geïnvesteerd in rioolvervanging, aanleg van Blauwe aders, afkoppelen en vervangen van pompen en gemalen. De belangrijkste beleidslijnen zijn de volgende: optimaliseren van de financiering om de rioolheffing zo laag mogelijk te houden; samenwerking met partners zoals het Waterschap Vechtstromen, het Twents Waternet en WBO wonen; toegroeien naar een robuuster rioolstel om ook in de toekomst wateroverlast te voorkomen; voortzetten van afkoppelen van regenwater van de riolering, uiteindelijk tot 40% van het verharde oppervlak.
Hierdoor worden (afval)waterstromen gescheiden, verbetert de kwaliteit van het oppervlaktewater en vermindert de overlast door overstorten; intensivering van de verplichte waterberging bij nieuwbouw, ook bij particulieren. Het is noodzakelijk om op veel plekken regenwater te bergen en waar mogelijk te infiltreren; om de risico's op schade door wateroverlast, droogte en hittestress zo laag mogelijk te houden blijft er een dialoog gaande over klimaatverandering tussen de gemeente en de betrokken partners, om zo in te kunnen spellen op de klimaateffecten.
Multifunctioneel gebruik van de buitenruimte
22
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk
Ondanks dat er veel moet gebeuren om Oldenzaal klimaatbestendig te maken is er maar beperkte ruimte in de stad. Vandaar dat er wordt ingezet op multifunctioneel gebruik van de buitenruimte met De Stadsweide en De Stadstuinen. Bestaand stedelijk gebied is hierbij veranderd; er wordt regenwater vastgehouden en daarna teruggegeven aan de bodem. Hierdoor kan de natuur kan zich ontwikkelen en door een grote variëteit aan groen is er minder last van hittestress op hete zomerdagen. De gemeente Oldenzaal en het waterschap hebben een overeenkomst over het beheer en onderhoud van wateren binnen de bebouwde kom van Oldenzaal. Deze overeenkomst betreft de overdracht van het beheer en onderhoud van de gemeente naar het waterschap van de waterlopen en vijvers die van directe invloed zijn op het bekensysteem. Vijvers en waterpartijen die geen invloed hebben op het bekensysteem blijven in beheer bij de gemeente.
4.1.2.5
Watertoets
Belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
4.1.2.6
Doorwerking van de watertoets
Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Dit houdt in dat vooroverleg met het waterschap noodzakelijk wordt geacht. Voor het volledige watertoetsresultaat wordt verwezen naar Bijlage 2 Watertoets bij deze plantoelichting. Reactie Waterschap P.M.
4.1.3
Akoestiek
4.1.3.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een weg, spoorweg of industrieterrein of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.
4.1.3.2
Doorwerking in het onderhavig plan
Op basis van de Wet geluidhinder wordt een woning gezien als een geluidsgevoelig object, toch hoeft er niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. De rijsnelheid van de wegen rond het plan bedragen namelijk enkel 30 km/uur. Hiermee valt het plan niet binnen de geluidszone van een weg. Nabij het plangebied situeert zich ook geen spoorweg of industrieterrein. Om toch te verzekeren of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Bureau Tideman heeft in oktober 2023 een onderzoek uitgevoerd. Hieronder wordt op de resultaten ingegaan. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar Bijlage 3 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Resultaten onderzoek De geluidbelasting op het plan is bepaald op 37 punten op het plan. De ligging van de waarneempunten is weergegeven in figuur 3-2. De hoogte van de waarneempunten is gekozen op 2.5, 5, en 7.5 meter afhankelijk van het aantal bouwlagen. Gerekend is met een standaard bodemfactor van 0. De invoergegevens van het model zijn opgenomen als bijlage 2. Berekeningen zijn tevens opgenomen als bijlage 3. In figuur 4 is de geluidbelasting op het plan weergegeven waarbij op elk appartement één of meerdere rekenpunten zijn gelegd. De geluidbelasting op het plan als gevolg van al het verkeer over de omliggende wegen zonder aftrek van 5 dB bedraagt maximaal 66 dB op de appartementen.
Na aftrek bedraagt de geluidbelasting 61 dB. De geluidbelasting op het maatgevend object is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor de verdere ontwikkeling
23
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk
van deze locatie dient in de regels van het bestemmingsplan te worden opgenomen dat een binnenwaarde wordt gegarandeerd door het toepassen van voldoende geluidwering van 33 dB.
4.1.3.3
Conclusie
Om een goede woon- en leefklimaat te garanderen dient de gevel te voldoen aan een minimale geluidwering die gelijk is aan de vastgestelde geluidbelasting minus 33 dB. Geconcludeerd wordt dat het aspect akoestiek geen belemmering vormt voor het planvoornemen waarbij in de regels een voorwaardelijke verplichting wordt gemaakt.
4.1.4
Milieuzonering
4.1.4.1
Algemeen
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'.
VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde afstanden zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied.
In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Tabel 1: Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied 1 10 m 2 30 m 3.1 50 m 3.2 100 m 4.1 200 m 4.2 300 m 5.1 500 m 5.2 700 m 5.3 1.000 m 6 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.
24
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk
Interne en externe werking Bij milieuzonering is sprake van een interne en externe werking. Indien door middel van een plan nieuwe functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat de nieuwe functie in het plangebied geen hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving (interne werking). Anderzijds dient te worden aangetoond dat functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkeling die mogelijk worden gemaakt (externe werking).
4.1.4.2
Doorwerking in het onderhavige plan
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende functies. Direct ten zuidwesten en noordwesten van het plangebied zijn woningen gesitueerd. In het verlengde van de woningen aan de noordwestzijde is detailhandel gevestigd in de vorm van een elektronicawinkel en een kringloopwinkel. Ten oosten van het plangebied ligt het winkelcentrum Zuid-Berghuizen met een supermarkt en diverse vormen van detailhandel (bakkerij, slagerij, slijterij). Ten zuiden van het plangebied zijn verschillende vormen van zorg gevestigd, waaronder een huisartsenpraktijk. Vanwege de verscheidenheid aan functies in de directe omgeving van het plangebied kan zij worden aangemerkt als 'gemengd gebied'.
Interne milieuzonering Voorliggend plan maakt de gemengde realisatie van (zorg)woningen, daghoreca, maatschappelijke voorzieningen en commercie mogelijk. Voornaamste reden voor milieuzonering is het winkelcentrum Zuid-Berghuizen. Voor detailhandel zoals hier gesitueerd geldt een richtafstand van 10 meter voor gemengd gebied. In de toekomstige situatie wordt het woongebouw in het zuiden van het plangebied op een afstand groter dan 10 meter van dichtstbijzijnde gedeelte van het winkelcentrum gerealiseerd. Hiermee wordt belet op de interne werking voldaan aan de in de VNG gestelde richtafstanden.
Externe milieuzonering De beoogde functie met de grootste richtafstand is ofwel de praktijkruimten, het kantoor of daghoreca. alle drie de functies hebben een maximale richtafstand van 10 meter. Deze richtafstand wordt niet overschreden. Wanneer binnen het plangebied wordt gekeken bevindt de pastorie, waarbinnen daghoreca is beoogd op circa 6 meter van het dichtstbijzijnde appartement. De functie daghoreca betreft een zeer specifieke functie die niet is opgenomen in de VNG-uitgave Bedrijf en milieuzonering. Hierdoor is gekeken naar een vergelijkbare functie waarbij een café en restaurant een passende vergelijkbare functie betreft. Hierbij is milieucategorie 1 van toepassing met een maximale richtafstand van 10 meter. Aangezien sprake is van gemengd gebied mag de afstand met een milieucategorie worden teruggebracht. Tevens dient te worden opgemerkt dat er sprake is van daghoreca in beperkte bebouwingsomvang. Hierdoor zal naar alle waarschijnlijkheid het aantal personen tegelijkertijd ter plaatse beperkt blijven, waardoor een café dan wel restaurant genuanceerd kan worden. Op het gebied van externe werking veroorzaakt het planvoornemen daarom geen belemmeringen. De met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte functies voorzien niet in toevoegingen welke de reeds aanwezige functies in hun bestaan of bedrijfsvoering belemmeren.
4.1.4.3
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.1.5
Luchtkwaliteit
4.1.5.1
Algemeen
Op 15 november 2010 is de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Stb. 2007, 414) in werking getreden. De overheid wil een verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen en ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De kern van de 'Wet luchtkwaliteit' bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen voor plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Op grond van artikel 5.16 Wm moeten bestuursorganen nagaan of besluiten op grond van de Wro gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit.
Besluit NIBM In de Algemene maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling
25
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk
NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele projecten zijn: 1.500 woningen met een enkele ontsluitingsweg; 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen; kantoren met 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt.
Besluit gevoelige bestemmingen Naast het besluit en regeling NIBM dient getoetst te worden aan het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
4.1.5.2
Doorwerking in het onderhavig plan
De toevoeging van 22 zorgwoningen en 15 appartementen en de functies ter plaatse van de bebouwing aan de Mariakerk is een project dat valt onder de bovengenoemde categorieën van gevallen die conform de Regeling NIBM niet in betekenende mate bijdragen aan de (verslechtering van) de luchtkwaliteit. Daarom wordt geconcludeerd dat het project, zeker in vergelijking met bovenstaande projecten, 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Daarnaast is er geen sprake van een gevoelige bestemming conform het 'Besluit gevoelige bestemmingen' waarvoor nadere regelgeving geldt.
4.1.5.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan.
4.1.6
Externe veiligheid
4.1.6.1
Algemeen
Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met eventueel aanwezige externe risico's die de veiligheid negatief kunnen beïnvloeden. Hiertoe zijn de risico's gekwantificeerd door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde maar een oriënterende waarde die de personendichtheid binnen een invloedsgebied relateert aan een bepaalde maat voor risicoaanvaarding.
4.1.6.2
Doorwerking in het onderhavige plan
Middels de Risicokaart is beoordeeld of er risicobronnen in en rond het plangebied aanwezig zijn. De risicokaart is in dit hoofdstuk weergegeven in figuur 4.1. De Mariakerk is op de kaart aangemerkt als kwetsbaar object 'Publieksgebouw'. Blijkend uit de risicokaart zijn er in de wijde omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes of buisleidingen. De dichtstbijzijnde risicobron is een LPG-station op meer dan 500 meter afstand. De maximale richtafstand voor een LPG station bedraagt, volgens de VNG publicatie 'bedrijven en milieuvoorzieningen' maximaal 30 meter, gelet op de omvang van het desbetreffende tankstation. Het LPG-station ligt op ruimere afstand. Met voorliggend plan wordt tevens geen nieuwe risicobron mogelijk gemaakt. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van de beoogde functies. In figuur 4.1 is een uitsnede van de risicokaart opgenomen. Het plangebied is met een blauwe omlijning aangeduid.
26
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk
Afbeelding: 4.1: Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)
4.1.6.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.1.7
Erfgoed en archeologie
4.1.7.1
Algemeen
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In de Erfgoedwet worden zes wetten en regelingen gebundeld tot één wet die de bescherming van het cultureel erfgoed in Nederland regelt. Deze wet is niet gericht op de bescherming van vermoedelijk archeologische waarden, maar wel op de bescherming van monumenten, vindplaatsen en de vondsten. Uiteindelijk worden onderdelen die de fysieke leefomgeving betreffen (zoals onder andere archeologische waarden), ondergebracht in de Omgevingswet die in op 1 juli 2023 van kracht moet worden. Vanaf het moment van invoering van de Erfgoedwet tot het moment van invoering van de Omgevingswet zijn deze onderdelen ondergebracht in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.
4.1.7.2
Doorwerking in het onderhavige plan
4.1.7.2.1 Erfgoed Oldenzaal heeft een rijke historie wat terug is te zien in het aanwezige erfgoed. Deze historie is onder andere zichtbaar door de aanwezigheid van een groot aantal cultuurhistorisch waardevolle panden, 31 gemeentelijke monumenten en 19 rijksmonumenten.
Cultuurhistorie Het voormalige kerkgebouw aan de Mariastraat 17 is geen Rijks- dan wel gemeentelijk monument maar wel een karakteristiek zichtbaar bouwwerk voor de omgeving. Echter, de gemeente Oldenzaal beschikt over een Cultuur Historische Waardenkaart waarop de kerk en de parochie zijn aangemerkt als van hoge monumentale waarde. Door de Mariakerk te herontwikkelen tot een multifunctioneel gebouw krijgt zij een toekomstperspectief. Dankzij de renovatie van het gebouw en de realisatie van andere functies wordt het mogelijk om het karakteristieke uiterlijk van het gebouw te behouden en verval te voorkomen. In die zin draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan de belevingswaarde van Zuid-Berghuizen. Het kerkgebouw is een bijzonder bouwwerk en zorgt qua bouwvorm en positie voor een afwisseling in de
27
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk
lokale bebouwing.
4.1.7.2.2 Archeologie Ter plaatse van het plangebied ligt geen dubbelbestemming voor de bescherming van archeologische waarden. In het vigerende bestemmingsplan wordt toegelicht dat in en rondom het plangebied geen archeologische opgravingen zijn verricht en dat daardoor ook geen archeologische verwachting is geduid. Dit is door de gemeente Oldenzaal vastgelegd in de Archeologische Beleidsadvieskaart. Voor het gebruik van het perceel voor de maatschappelijke functie van kerkgebouw werden de gronden voor agrarische doeleinden gebruikt. Omdat onderhavig plan voorziet in bodemingrepen met de realisatie van onder andere twee nieuwe hoofdgebouwen kan het zijn dat op archeologisch waardevolle vondsten wordt gestuit. Het is onwaarschijnlijk dat de gronden ter plaatse van het plangebied archeologisch van waarde zijn. Er bestaat echter altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van vondsten bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
4.1.7.3
Conclusie
Met voorliggend plan worden gezien het voorgaande geen archeologische en/ of cultuurhistorische waarden geschaad. Het plan strekt zelfs tot het duurzaam behoud van een beeldbepalend gebouw. De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan.
4.1.8
Ecologie
4.1.8.1
Algemeen
De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
4.1.8.1.1 Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is onder de Wnb vrijwel hetzelfde gebleven. Wel zijn de Beschermde Natuurmonumenten komen te vervallen. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat mogelijk significante effecten naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten vooraf in kaart gebracht en beoordeeld moeten worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. 4.1.8.1.2 Gebiedsbescherming vanuit Provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur, bestaat uit een samenhangend netwerk van gebieden met natuurwaarden. Het natuurnetwerk in de provincie Overijssel maakt hier onderdeel van uit. Binnen dit natuurnetwerk liggen natuurgebieden die vanwege de hoge natuurwaarden (inter)nationale bescherming genieten, waaronder de Nationale Parken en een groot deel van de Natura 2000-gebieden. Naast de bestaande natuurgebieden bestaat het NNN in Overijssel deels uit gebieden die nog omgevormd zullen worden tot natuur. In de Omgevingsverordening is de begrenzing van het NNN (voorheen EHS) vastgelegd. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vastgelegd.
Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. 4.1.8.1.3 Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming, heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet Natuurbescherming vanaf 1 januari 2017 naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming, de door de betreffende provincie gekozen soorten uit het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en met alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn).
28
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk
4.1.8.2
Doorwerking in het onderhavige plan
In opdracht van de initiatiefnemer is door Lycens BV in november 2021 een Ecologische Quickscan uitgevoerd naar de in het plangebied aanwezige ecologische waarden. Het volledige rapport is bijgevoegd in Bijlage 4. Onderstaand worden de resultaten van het onderzoek uiteengezet. 4.1.8.2.1 Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming Gelet op de beoogde bouwwerkzaamheden is door Lycens in november 2023 een stikstofberekening uitgevoerd. De gehele rapportage is als Bijlage 5 Stikstof bjgevoegd. Hieronder wordt op de conclusie van de rapportage ingegaan. Conclusie stikstofrapportage Uit de rekenresultaten van Aerius-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig project in de realisatiefase fase 1 en fase 2 sprake is van stikstofdeposities op de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/j, namelijk 0,01 mol/ha/j. Stikstofemissie afkomstig van onderhavig project heeft mogelijk significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt belemmering voor de realisatie van het bouwplan en de verlening van de ‘omgevingsvergunning, activiteit bouwen’. Er is een voortoets stikstof benodigd om de resultaten nader te bekijken.
4.1.8.2.2 Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Uit het uitgevoerde ecologische onderzoek is gebleken dat met betrekking tot soortenbescherming nader onderzoek vereiste. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied mogelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren en vleermuizen er een vaste (winter)rust- of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Amfibieën bezetten geen vaste voortplantingsplaats in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels, mogelijk licht af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortenbescherming. Vleermuizen Vleermuizen bezetten mogelijk verblijfplaatsen in het kerkgebouw. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd en mogen alleen met een ontheffing beschadigd of vernield worden en vleermuizen mogen alleen verstoord, verwond of gedood worden indien daarvoor een ontheffing is verkregen.
Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen is specifiek vervolgonderzoek vereist. Uit het vervolgonderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten in de bebouwing van het plangebied bezetten. Daarnaast zijn geen baltsende vleermuizen nabij de bebouwing waargenomen. Het volledige onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. Voor de realisatie van onderhavig plan hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd in het kader van vleermuizen. Huismus Het nest van een huismus is jaarrond beschermd en mag alleen met een ontheffing beschadigd of vernield worden. Huismussen mogen alleen verstoord worden indien daarvoor een ontheffing is verkregen. Om nesten van huismussen in het kerkgebouw te kunnen vaststellen, is specifiek vervolgonderzoek vereist. In het nader soortenonderzoek zijn geen huismussen waargenomen binnen het onderzoeksgebied. Het volledige onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. Met de realisatie van onderhavig plan worden geen huismussen verwond of gedood en geen nestplaats beschadigd of vernield. Derhalve is geen ontheffing vereist. Conclusie Soortenbescherming Naar aanleiding van de resultaten van de ecologische quickscan is nader onderzoek uitgevoerd naar de in het plangebied mogelijk aanwezige beschermde soorten.
Op basis van dit onderzoek is gebleken dat onderhavig plan niet leidt tot wettelijke consequenties op het gebied van soortenbescherming.
29
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk
4.1.8.3
Conclusie
Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat voorgenomen ontwikkelingen met betrekking tot functieveranderingen van het plangebied en de nieuwbouw van (zorg)woningen geen negatieve effecten heeft op het gebied van soortenbescherming. Voor de bevindingen voor het aspect gebiedsbescherming wordt verwezen naar Quickscan Ecologsich Onderzoek, Stikstof en Nader soortenonderzoek. Hieruit blijkt dat onderhavig plan resulteert in een beperkte depositie waarbij een voortoets duidelijkheid kan verschaffen. Het aspect ecologie (flora en fauna) vormt, met uitzondering van het aspect Stikstof geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.1.9
Kabels en leidingen
4.1.9.1
Algemeen
In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
4.1.9.2
Onderzoek
Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid ervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevindt zich geen hoogspanningsleiding. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleiding. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden geen straalverbindingen Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van de plandelen worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.
4.1.9.3
Conclusie
In en nabij het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting. Bij eventuele graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen. In dat geval kan middels een KLIC-melding inzicht worden verkregen in de aanwezigheid van dergelijke kabels en leidingen.
4.1.10
MER-toets
4.1.10.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling
30
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk
op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.
is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.
4.1.10.2 Onderzoek 4.1.10.2.1
Drempelwaarden Besluit m.e.r.
In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is mogelijk sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 250.000 bezoekers of meer per jaar, of een oppervlakte van 25 hectare of meer, of 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. Gezien bovengenoemde drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een directe m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een ontwikkeling, behorende bij onderdeel D van de lijst Besluit milieueffectrapportage gelet op de kenmerken van het project, aard en karakter in vergelijking van de waarden uit het Besluit m.e.r.
Gelet op de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere vergelijkbare kleinschalige projecten, de plaats van het project en de kernmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in hoofdstuk 4 opgenomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken.
4.1.10.3 Conclusie Er is geen sprake van een ontwikkeling waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling van toepassing is.
4.2
Verkeer en parkeren
4.2.1
Algemeen
De generatie van verkeer en parkeren kan een belangrijk milieueffect zijn van een initiatief omdat deze effecten een negatieve afwenteling op de directe omgeving kunnen veroorzaken. Derhalve dient beoordeeld te worden of dergelijke afwenteling plaatsvindt en hoe hier eventueel mee om wordt gegaan.
4.2.2
Doorwerking in onderhavig plan
Selectie parkeernormen
31
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk
Ten aanzien van het parkeerbeleid hanteert de gemeente Oldenzaal de 'Nota parkeernormen' (vastgesteld op 28 november 2018). Deze parkeernota heeft als doel een duidelijk kader te verschaffen voor de berekening van de parkeerbehoefte voor nieuwe ruimtelijke plannen en projecten binnen de gemeente Oldenzaal. Voor het bepalen van de parkeernormen en de daaraan gekoppelde wenselijke hoeveelheid parkeerplaatsen past de gemeente Oldenzaal als basis de CROW publicatie 317 'kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie' toe. Hierbij is de 'mate van stedelijkheid' en de gebiedsindeling doorslaggevend. Het plangebied bevindt zich in 'rest bebouwde kom', daarnaast kan dit gebied worden getypeerd als 'matig stedelijk'. De gehele bebouwde kom in de gemeente Oldenzaal is op basis van de parkeernota te typeren als 'matig stedelijk'. Het CROW geeft daarnaast een minimale en een maximale aanbeveling parkeernorm, Oldenzaal hanteert hiervan het gemiddelde. Voor de hoofdgroep wonen zijn de parkeernormen gebaseerd op het totale bruto vloeroppervlak van de woning achter de voordeur, gemeten volgens de meetmethoden van NEN2580. Voor het parkeren zijn categorieën gebruikt afgeleid van de 'Nota parkeernormen'. Deze verschillen van de gehanteerde categorieën bij het berekenen van de verkeersgeneratie.
De nota geeft namelijk geen cijfers voor de verkeersgeneratie waardoor aansluiting is gevonden bij de CROW. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte is in sommige gevallen aansluiting gevonden bij vergelijkbare functies. Dit vanwege het feit dat niet voor iedere functie een een CROW parkeernorm van toepassing is. Hetzelfde geldt voor de verkeersgeneratie. Parkeereis bij functieverandering Voor ruimtelijke ontwikkelingen hanteert de gemeente Oldenzaal de 'Nota parkeernormen'. In de parkeernota staat vermeld dat in uitzonderlijke gevallen maatwerk noodzakelijk kan zijn en/of wenselijk is. Ten aanzien van een functieverandering zoals in dit project vermeld de parkeernota het volgende: Bij functieverandering is het niet mogelijk om de initiatiefnemer verantwoordelijk te stellen voor eventuele parkeertekorten uit het verleden. Daarom wordt bij functieverandering de berekende parkeereis op grond van de nieuwe functie verminderd met de parkeereis van de laatst actieve functie. Het bestaande aantal parkeerplaatsen wordt hier vervolgens bij opgeteld. Voor de omgeving blijft de parkeersituatie dan ongewijzigd. Aanwezigheidsfuncties Wanneer er sprake is van meerdere functies binnen een plangebied bestaat de mogelijkheid dat parkeerplaatsen worden gedeeld gedurende de dag. Dit wordt dan ook dubbelgebruik genoemd waarbij aanwezigheidspercentages van toepassing.
Middels dubbelgebruik kan het dus voorkomen dat een parkeerplaats overdag voor een kantoorfunctie wordt benut en in de avond voor omliggende bewoning. Hierdoor dienen minder parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Gelet op de voorgenomen ontwikkeling is in onderstaand figuur een overzicht wat betreft aanwezigheidspercentages weergegeven.
Tabel 4.1: Aanwezigheidspercentages
Parkeerbehoefte De huidige functie in het plangebied is een religiegebouw met 1004 zitplaatsen. De Nota Parkeernormen geeft geen norm voor een religiegebouw, in dat geval wordt aangesloten bij de landelijke CROW-normering. De pastorie wordt in deze gecategoriseerd als 'voormalige pastorie (maatschappelijke functie)'. Stedelijkheidsklasse: matig stedelijk, rest bebouwde kom Type functie Gem. per eenheid Religiegebouw 0,15 per zitplek Voormalige pastorie 1,4 per 100 m2
Aantal eenheden 1.004 514 m2
Totale behoefte 150,6 7.2 Totaal 158
Tabel 4.2: parkeerbehoefte huidige situatie
32
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1.1
Vooroverleg
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van de herontwikkeling van een kenmerkend gebouw binnen Oldenzaal dan wel de invulling van de gronden is het voornemen gepaard gegaan met verschillende inloopmiddagen, een vragenlijst en buurtparticipaties. Het voorgaande heeft geresulteerd in een aanpassing van het oorspronkelijke schetsontwerp met betrekking tot de parkeersituatie en tot de positie en functionele invulling van het appartementengebouw. In Bijlage 8 Participatie – en communicatieplan is een overzicht weergegeven van het proces
5.1.2
Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. In het kader van onderhavig bestemmingsplan vindt, gezien de vele overleggen met betrokkenen, in het voortraject geen inspraak plaats.
5.1.3
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan zal vanaf ... ter inzage gelegd worden gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kan een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan.
5.1.4
Beroep
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
5.2.1
Kostenverhaal
In het kader van voorliggend plan gaat de gemeente kosten maken welke via een anterieure overeenkomst op de initiatiefnemers worden verhaald. Het kosten verhaal als bedoel in artikel 6.12 Wro is hiermee verzekerd. De overige aspecten als vermeld in artikel 6.12 lid 2 Wro zijn niet van toepassing, waardoor het vaststellen van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
5.2.2
Financiële uitvoerbaarheid
Voorliggend plan wordt volledig bekostigd door de initiatiefnemer(s). Deze beschikken over afdoende middelen om de verbouwing/ functieverandering te realiseren. Op het voorliggende plan is de gemeentelijke legesverordening van toepassing. De financiële uitvoerbaarheid is hierdoor in voldoende mate aangetoond.
35
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk
Hoofdstuk 6
Juridische planbeschrijving
6.1
Opzet van het plan
6.1.1
Inleiding
In de navolgende hoofdstukken van deze toelichting wordt ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische bindende deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In de volgende twee paragrafen wordt de systematiek van planregels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven.
6.1.2
Planmethodiek
6.1.2.1
Algemeen
In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. De benaming van de bestemmingen en de volgorde van de regels, evenals de weergave van de bestemmingen in het plan komen overeen met de SVBP 2012. In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.
6.1.2.2
Inleidende regels
De inleidende regels zijn van algemene aard en bestaan uit de volgende regels: Begrippen (Artikel 1): In dit artikel zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels.
Wijze van meten (Artikel 2): Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakte- en inhoudsmaten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven hoe de betreffende eisen voor wat betreft maatvoering begrepen moeten worden.
6.1.2.3
Bestemmingsregels
In Hoofdstuk 2 zijn de regels voor wat betreft de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, is hier vastgelegd;
36
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk
Afwijken van de bouwregels: op basis van deze regel hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning op ondergeschikte punten af te wijken van de bouwregels binnen een bestemming; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien van toepassing): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat door werken of werkzaamheden (bijvoorbeeld werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd) gronden minder geschikt kunnen worden voor het beoogde gebruik en/of hierdoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarden; Wijzigingsbevoegdheid (indien van toepassing): op basis van deze regel zijn burgemeester en wethouders bevoegd binnen de bestemming aangegeven voorwaarden het plan te wijzigen.
6.1.2.4
Algemene regels
De op het plan van toepassing zijnde algemene regels worden beschreven in Hoofdstuk 3. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de beoordeling van een bouwplan en op die wijze meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd. Artikel 6 Algemene bouwregels In deze regel is aangegeven waar de bouwhoogte, afstanden van de perceelgrensen en het bebouwingspercentage op zijn gebasseerd. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In deze regel is aangegeven wat onder strijdig gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels In deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Artikel 9 Algemene wijzigingsregels In deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
6.1.2.5
Overgangs- en slotregels
In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven onder welke titel het plan bekend staat.
6.2
Wijze van bestemmen
Artikel 3 Gemengd 1 De gronden ter plaatse van de Mariakerk, de parochie en het nieuw te bouwen gebouw, aangrenzend aan de Mariakerk worden bestemd middels de bestemming 'Gemengd 1'. Binnen deze bestemming zijn gemengde functies, 22 zorgwoningen, lichte horeca ter plaatse van de parochie, dienstverlening in de categorie 1 en 2, kantoren in de categorie 1 en 2 en maatschappelijke voorzieningen in de categorie 1 en 2 toegestaan. Ter plaatse van deze bestemming is bouwvlak aanwezig met maatvoering. Hierdoor dient de bouw- en goothoogte te worden vastgelegd. Bebouwing mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Artikel 4 Wonen De gronden aan de zuidzijde van het plangebied worden bestemd middels de bestemming 'Wonen'. Binnen deze bestemming wordt een bouwvlak gerealiseerd met een een maatvoering. Hierbij wordt de bouwhoogte op 13 meter gelegd en de goothoogte op 11 meter en mogen ter plaatse van het bouwvlak 15 appartementen worden gerealiseerd. Hierbij wordt de bebouwing over drie bouwlagen gerealiseerd.Tevens wordt onder het appartementengebouw een garage gerealiseerd ten behoeve van parkeren op eigen terrein.
37
bestemmingsplan herontwikkeling voormalige Mariakerk