CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit wijziging omgevingsplan gebied kern Haaren

RAAD 25 juni 2026, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Vaststellen omgevingsplan kern Haaren - aangenomen28.104 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4 De omgevingsvergunning voor het bouwen binnen een beperkingengebied buisleiding - water wordt alleen verleend als: a. het toe te laten bouwwerk geen kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw is; b. het toe te laten bouwwerk de veiligheid van de buisleiding niet schaadt. Burgemeester en wethouders betrekken

31

hierbij het schriftelijk advies van de leidingbeheerder; c. het toe te laten bouwwerk geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de leiding.

Afdeling 5.2 Bouwactiviteiten Paragraaf 5.2.1 Algemeen Artikel 5.13 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken en bevat regels over bouwwerken.

Artikel 5.14 Bouwen ten behoeve van gebruik Bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met: a. een ter plaatse toegestane gebruiksactiviteit als bedoeld in Hoofdstuk 6; b. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van de regels voor gebruik, bedoeld in Hoofdstuk 6; c. een verleende omgevingsvergunning om af te wijken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de tot 1 januari 2024 van kracht zijnde Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 5.15 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde 1 Tenzij elders in hoofdstuk 5 anders is bepaald, bedraagt de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer dan 1 meter.

2 Het bouwen van erf- of terreinafscheidingen is toegestaan als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. de bouwhoogte vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer dan 1 meter bedraagt; b. de bouwhoogte achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer dan 2 meter bedraagt; c. gebouwd wordt op een erf of een terrein waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of terreinafscheiding in functionele verbinding staat.

3 In afwijking van het bepaalde in Artikel 5.15, tweede lid, is het bouwen van erf- of terreinafscheidingen op locaties met de functie bedrijf, detailhandel, maatschappelijk en wonen, toegestaan als wordt voldaan aan: a. de bouwhoogte vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer dan 1 meter bedraagt; b. de bouwhoogte achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw niet meer dan 2,25 meter bedraagt; c. gebouwd wordt op een erf of een terrein waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of terreinafscheiding in functionele verbinding staat.

4 Het bouwen van pergola's is toegestaan als de bouwhoogte niet meer dan 2,75 meter bedraagt.

5

32

Het bouwen van speeltoestellen is toegestaan als de bouwhoogte niet meer dan 3 meter bedraagt.

6 Het bouwen van licht- en overige masten is toegestaan als de bouwhoogte niet meer dan 6 meter bedraagt.

7 Het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op locaties met de functie sport is toegestaan als: a. de bouwhoogte van lichtmasten en ballenvangers niet meer dan 8 meter bedraagt; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde behorende bij de functie sport, zoals tribunes en geluidschermen, niet meer dan 4 meter bedraagt.

Artikel 5.16 Overschrijding bouwgrenzen Het overschrijden van de bouwgrenzen, zoals bepaald in Hoofdstuk 5, door tot gebouwen behorende erkers en serres of andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen is toegestaan voor zover: a. de overschrijding door erkers en serres niet meer dan 2 meter bedraagt; of b. de overschrijding door ondergeschikte onderdelen van gebouwen niet meer dan 1,5 meter bedraagt.

Artikel 5.17 Ondergronds bouwen 1 Ondergronds bouwen is uitsluitend toegestaan voor zover: a. gebouwd wordt onder bebouwd oppervlak; en b. de verticale diepte niet meer dan 3,5 meter bedraagt.

2 Het bouwen van ondergrondse voorzieningen op een locatie met de functie openbaar gebied is uitsluitend toegestaan als: a. de verticale diepte niet meer dan 6 meter bedraagt bij voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; en b. de verticale diepte van overige voorzieningen niet meer dan 3,5 meter bedraagt.

Paragraaf 5.2.2 Agrarische bouwwerken, geen gebouwen zijnde bouwen bij agrarische bedrijven Artikel 5.18 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van agrarische bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij een agrarisch bedrijf, daaronder begrepen sleufsilo's, silo's, windmolens en mestopslagplaten.

Artikel 5.19 Algemene regels 1 Het bouwen van agrarische bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij een agrarisch bedrijf is toegestaan als de bouwhoogte niet meer dan 3 meter bedraagt.

2 Binnen de locatie bouwvlak - agrarisch bedrijf is het bouwen van agrarische bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij

33

een agrarisch bedrijf toegestaan als de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 8 meter.

Paragraaf 5.2.3 Bedrijfswoningen bouwen Artikel 5.20 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een bedrijfswoning.

Artikel 5.21 Aanwijzing vergunningplicht Voor het bouwen van een bedrijfswoning is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 5.22 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning wordt alleen verleend als: a. de bedrijfswoning wordt gebouwd binnen de locatie bedrijfswoning; b. het aantal bedrijfswoningen niet meer bedraagt dan 1 bedrijfswoning c. de inhoud van de bedrijfswoning niet meer bedraagt dan 750 m3; d. de goothoogte niet meer bedraagt dan met de norm maximum goothoogte (bedrijfs)gebouwen is aangegeven; e. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan met de norm maximum bouwhoogte (bedrijfs)gebouwen is aangegeven; f. het bebouwingspercentage van het gezamenlijk bebouwd oppervlak voor gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij bedrijven niet meer bedraagt dan met de norm maximum bebouwingspercentage is aangegeven; g. de afstand van de voorgevel van de bedrijfswoning tot aan de voorgevelrooilijn niet meer bedraagt dan 5 meter.

Paragraaf 5.2.4 Gebouwen en overkappingen bouwen bij bedrijven Artikel 5.23 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van gebouwen en overkappingen bij bedrijven.

Artikel 5.24 Aanwijzing vergunningplicht Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen bij bedrijven is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 5.25 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1 De omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en overkappingen bij bedrijven wordt alleen verleend als: a. gebouwd wordt binnen de locatie bouwvlak - bedrijven; b. de goothoogte niet meer bedraagt dan met de norm maximum goothoogte (bedrijfs)gebouwen is aangegeven; c. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan met de norm maximum bouwhoogte (bedrijfs)gebouwen is aangegeven; d. het bebouwingspercentage van het gezamenlijk bebouwd oppervlakte voor gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde bij bedrijven niet meer bedraagt dan met de norm maximum bebouwingspercentage is aangegeven.

2 Binnen de locatie nutsvoorziening mag, in afwijking van het bepaalde in Artikel 5.25, eerste lid onder d, het bebouwingspercentage 100% bedragen.

34

3 Binnen de locatie afwijkende goothoogte wordt, in aanvulling op het bepaalde in lid 1, de omgevingsvergunning voor het bouwen van bedrijfsgebouwen met een goothoogte van 7,5 meter alleen verleend als het gebouw wordt uitgevoerd met een platte afdekking, tenzij ter plaatse een lagere bouwhoogte is toegestaan.

Paragraaf 5.2.5 Gebouwen en overkappingen bouwen bij een volkstuinencomplex Artikel 5.26 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van gebouwen en overkappingen bij een volkstuinencomplex, zoals beheer- en dienstgebouwen.

Artikel 5.27 Aanwijzing vergunningplicht Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen bij een volkstuinencomplex is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 5.28 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en overkappingen bij een volkstuinencomplex wordt alleen verleend als: a. gebouwd wordt binnen de locatie volkstuin; b. het aantal gebouwen en overkappingen ten behoeve van centrale voorzieningen niet meer bedraagt dan 1 per volkstuinencomplex met een maximum oppervlakte van 75 m2 per gebouw; c. het aantal gebouwen en overkappingen per volkstuin niet meer bedraagt dan 1 met een maximum oppervlakte van 20 m2 per gebouw; d. de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2 meter.

Paragraaf 5.2.6 Gebouwen en overkappingen bouwen bij een begraafplaats Artikel 5.29 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van gebouwen en overkappingen bij een begraafplaats.

Artikel 5.30 Aanwijzing vergunningplicht Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen bij een begraafplaats is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 5.31 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen en overkappingen wordt alleen verleend als: a. gebouwd wordt binnen de locatie begraafplaats; b. de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 40 m2 per begraafplaats bedraagt; c. de goothoogte niet meer dan 2,25 meter bedraagt; d. de bouwhoogte niet meer dan 3,5 meter bedraagt.

Paragraaf 5.2.7 Gebouwen ten behoeve van opslag, stalling en onderhoud bouwen ten behoeve van sportieve doeleinden Artikel 5.32 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van gebouwen ten behoeve van opslag, stalling en onderhoud ten behoeve van sportieve doeleinden.

35

Artikel 5.33 Aanwijzing vergunningplicht Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van opslag, stalling en onderhoud ten behoeve van sportieve doeleinden is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 5.34 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van opslag, stalling en onderhoud ten behoeve van sportieve doeleinden wordt alleen verleend als: a. het gezamenlijke oppervlak van de gebouwen niet meer dan 150 m2 per sportvereniging bedraagt; en b. de bouwhoogte van de gebouwen niet meer dan 3 meter bedraagt.

Paragraaf 5.2.8 Woningen bouwen Artikel 5.35 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van woningen.

Artikel 5.36 Aanwijzing vergunningplicht Voor het bouwen van woningen is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 5.37 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen woningen 1 De omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen wordt alleen verleend als: a. hoofdgebouwen binnen de locatie bouwvlak - wonen worden gebouwd; b. het aantal woningen niet meer bedraagt dan het bestaande aantal woningen, dan wel het aantal aangegeven met de norm maximum aantal wooneenheden; c. de goothoogte niet meer bedraagt dan met de norm maximum goothoogte woning is aangegeven; d. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan met de norm maximum bouwhoogte woning is aangegeven; e. de woning wordt afgedekt met een kap en de dakhelling niet meer dan wel minder bedraagt dan met de norm 'minimum dakhelling' dan wel 'maximum dakhelling' is aangegeven.

2 Binnen de locatie vrijstaand wordt, in aanvulling op het bepaalde in lid 1, de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd; b. de maximale diepte van een vrijstaande woning, gemeten vanuit de voorgevel, niet meer dan 15 meter bedraagt; c. de afstand van een vrijstaande woning tot de voorste bouwperceelgrens niet meer dan 4 meter bedraagt; d. de afstand van een vrijstaande woning tot de zijdelingse bouwperceelgrens aan twee zijden ten minste 3 meter bedraagt; e. de afstand van een vrijstaande woning tot de achterste bouwperceelgrens ten minste 5 meter bedraagt.

3 Binnen de locatie twee-aaneen wordt, in aanvulling op het bepaalde in lid 1, de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de woning vrijstaand of twee-aaneen worden gebouwd;

36

b. de maximale diepte van een vrijstaande woning, gemeten vanuit de voorgevel, niet meer dan 15 meter bedraagt; c. de maximale diepte van een twee-aaneengebouwde woning, gemeten vanuit de voorgevel, niet meer dan 12,5 meter bedraagt; d. de afstand van een vrijstaande woning tot de voorste bouwperceelgrens niet meer dan 4 meter bedraagt; e. de afstand van een twee-aaneengebouwde woning tot de voorste bouwperceelgrens niet meer dan 2 meter bedraagt; f. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens bij een vrijstaande woningen aan twee zijden ten minste 3 meter bedraagt; g. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens is bij een twee-aaneengebouwde woningen aan één zijde ten minste 3 meter bedraagt; h. de afstand van een twee-aaneengebouwde woningen tot de achterste bouwperceelsgrens ten minste 5 meter bedraagt.

4 Binnen de locatie aaneengebouwd wordt, in aanvulling op het bepaalde in lid 1, de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de woning vrijstaand, twee-aaneen of aaneen wordt gebouwd; b. de maximale diepte van een vrijstaande woning, gemeten vanuit de voorgevel, niet meer dan 15 meter bedraagt; c. de maximale diepte van een twee-aaneengebouwde dan wel aaneengebouwde woning, gemeten vanuit de voorgevel, niet meer dan 12,5 meter bedraagt; d. de afstand van een vrijstaande woning tot de voorste bouwperceelgrens niet meer dan 4 meter bedraagt; e. de afstand van een twee-aaneengebouwde dan wel een aaneengebouwde woning tot de voorste bouwperceelgrens niet meer dan 2 meter bedraagt; f. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens van een vrijstaande woning aan twee zijden ten minste 3 meter bedraagt; g. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens van een twee-aaneengebouwde woningen dan wel een aaneegenbouwd woning aan de niet aan-eengebouwde zijde van een hoekwoning ten minste 3 meter bedraagt; h. de afstand van een twee-aaneengebouwde of aaneengebouwde woning dan wel een vrijstaande woning tot de achterste bouwperceelsgrens ten minste 5 meter bedraagt; i. de afstand van de achtergevel van een aaneengebouwde woning tot de achtergevel van een aaneengebouwde woning niet meer dan 2,5 meter bedraagt.

5 Binnen de locatie gestapeld wordt, in aanvulling op het bepaalde in lid 1, de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de woning vrijstaand, twee-aaneen, aaneen of gestapeld wordt gebouwd; b. de maximale diepte van een vrijstaande woning, gemeten vanuit de voorgevel, niet meer dan 15 meter bedraagt; c. de maximale diepte van een twee-aaneengebouwde dan wel aaneengebouwde woning, gemeten vanuit de voorgevel, niet meer dan 12,5 meter bedraagt; d. de afstand van een vrijstaande woning tot de voorste bouwperceelgrens niet meer dan 4 meter bedraagt; e. de afstand van een twee-aaneengebouwde dan wel een aaneengebouwde woning tot de voorste bouwperceelgrens niet meer dan 2 meter bedraagt; f. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens van een vrijstaande woning aan twee zijden ten minste 3 meter bedraagt; g. de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens van een twee-aaneengebouwde dan el aaneengebouwd woning aan de niet aan-eengebouwde zijde van een hoekwoning ten minste 3 meter bedraagt; h. de afstand van een twee-aaneengebouwde of aaneengebouwde woning dan wel een vrijstaande woning tot de achterste bouwperceelsgrens ten minste 5 meter bedraagt; i. de afstand van de achtergevel van een aaneengebouwde woning tot de achtergevel van een aaneengebouwde

37

woning niet meer dan 2,5 meter bedraagt.

6 Binnen de locatie patiowoning wordt, in aanvulling op het bepaalde in lid 1, de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de woning wordt uitgevoerd als patiowoning; b. de diepte van een patiowoning niet meer dan 18 meter bedraagt, gemeten vanaf de voorgevel; c. de afstand tot de voorste bouwperceelgrens van een patiowoning niet meer dan 2 meter bedraagt.

Paragraaf 5.2.9 Bijbehorende bouwwerken bij woningen bouwen Artikel 5.38 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van bijbehorende bouwwerken, niet zijnde de uitbreiding van het hoofdgebouw, bij woningen.

Artikel 5.39 Aanwijzing verbod 1 Het bouwen van bijbehorende bouwwerken binnen de locatie bijbehorende bouwwerken uitgesloten is verboden.

2 Het bouwen van bijbehorende bouwwerken binnen de locatie bebouwingsvrije zone is verboden. Daaronder tevens begrepen het vergunningvrij bouwen als bepaald in Artikel 22.27 en Artikel 22.36.

Artikel 5.40 Uitzondering verbod Het verbod, als bedoeld in Artikel 5.39, tweede lid, is niet van toepassing op: a. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding niet meer dan 2 meter bedraagt; b. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 meter bedraagt.

Artikel 5.41 Algemene bouwregels 1 Het bouwen van bijbehorende bouwwerken is vergunningvrij als: a. gebouwd wordt op ten minste 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan; b. de goothoogte niet meer dan 3,30 meter bedraagt; c. de bouwhoogte niet meer dan 6,60 meter bedraagt.

2 In aanvulling op het bepaalde in lid 1, is het bouwen van bijbehorende bouwwerken vergunningvrij als de gezamenlijke oppervlakte: a. bij een perceel tot en met 200 m2: niet meer dan 50% van het perceel en ten hoogste 60 m2 bedraagt; b. bij een perceel tussen de 200 en 250 m2: niet meer dan 65 m2 bedraagt; c. bij een perceel tussen de 250 en 500 m2: niet meer dan 75 m2 bedraagt; d. bij een perceel groter dan 500 m2: niet meer dan 100 m2 bedraagt.

38

Het gezamenlijke oppervlakte, zoals hiervoor genoemd, geldt uitsluitend voor de gronden die op een grotere afstand van de voorgevel van het hoofdgebouw zijn gelegen dan: a. 15 meter bij vrijstaande woningen; of b. 12,5 meter bij twee-aaneengebouwde dan wel aaneengebouwde woningen.

Artikel 5.42 Aanwijzing vergunningplicht Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning op een hoekperceel tussen het bouwvlak - wonen en de zijdelingse perceelsgrens is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 5.43 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken als bedoeld in Artikel 5.42 wordt alleen verleend als: a. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige en verkeerskundige situatie; b. de afstand van het bijbehorend bouwwerk tot de voorgevel van het hoofdgebouw ten minste 3 meter bedraagt; c. de bouwhoogte niet meer dan 3,30 meter bedraagt; d. de gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan op grond van het bepaalde in Artikel 5.41, tweede lid is toegestaan.

Afdeling 5.3 Bouwen in beperkingengebieden Paragraaf 5.3.1 Bouwen binnen een beperkingengebied buisleiding - brandstof Artikel 5.44 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen binnen een beperkingengebied buisleiding - brandstof.

Artikel 5.45 Aanwijzing vergunningplicht Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeven van de desbetreffende leiding binnen een beperkingengebied buisleiding - brandstof is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 5.46 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen ten behoeve van de desbetreffende leiding wordt alleen verleend als: a. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 30 m2 per bouwwerk; b. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 meter; c. het toe te laten bouwwerk de veiligheid van de buisleiding niet schaadt. Burgemeester en wethouders betrekken hierbij het schriftelijk advies van de leidingbeheerder; d. het toe te laten bouwwerk geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouw en duurzaam functioneren van de leiding.

Paragraaf 5.3.2 Bouwen binnen een beperkingengebied buisleiding - gas Artikel 5.47 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen binnen een beperkingengebied buisleiding - gas.

Artikel 5.48 Aanwijzing vergunningplicht

39

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeven van de desbetreffende leiding binnen een beperkingengebied buisleiding - gas is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 5.49 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de desbetreffende leiding wordt alleen verleend als: a. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 30 m2 per bouwwerk; b. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 meter; c. het toe te laten bouwwerk de veiligheid van de buisleiding niet schaadt. Burgemeester en wethouders betrekken hierbij het schriftelijk advies van de leidingbeheerder; d. het toe te laten bouwwerk geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouw en duurzaam functioneren van de leiding.

Paragraaf 5.3.3 Bouwen binnen een beperkingengebied buisleiding - riool Artikel 5.50 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen binnen een beperkingengebied buisleiding - riool.

Artikel 5.51 Aanwijzing vergunningplicht Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeven van de desbetreffende leiding binnen een beperkingengebied buisleiding - riool is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 5.52 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de desbetreffende leiding wordt alleen verleend als: a. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 30 m2 per bouwwerk; b. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 meter; c. het toe te laten bouwwerk de veiligheid van de buisleiding niet schaadt. Burgemeester en wethouders betrekken hierbij het schriftelijk advies van de leidingbeheerder; d. het toe te laten bouwwerk geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouw en duurzaam functioneren van de leiding.

Paragraaf 5.3.4 Bouwen binnen een beperkingengebied buisleiding - water Artikel 5.53 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen binnen een beperkingengebied buisleiding - water.

Artikel 5.54 Aanwijzing vergunningplicht Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeven van de desbetreffende leiding binnen een beperkingengebied buisleiding - water is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 5.55 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de desbetreffende leiding wordt alleen verleend als:

40

a. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 30 m2 per bouwwerk; b. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 meter; c. het toe te laten bouwwerk de veiligheid van de buisleiding niet schaadt. Burgemeester en wethouders betrekken hierbij het schriftelijk advies van de leidingbeheerder; d. het toe te laten bouwwerk geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouw en duurzaam functioneren van de leiding.

Afdeling 5.4 Bouwen in thematische gebiedsaanwijzingen

41

Hoofdstuk 6 Gebruiksactiviteiten Afdeling 6.1 Algemene bepalingen voor gebruiksactiviteiten Paragraaf 6.1.1 Algemeen Artikel 6.1 Toepassingsbereik De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op het gebruik van gronden en bouwwerken in het besluitgebied eerste wijziging (Haaren).

Paragraaf 6.1.2 Evenementen Paragraaf 6.1.3 Parkeeractiviteiten Artikel 6.2 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aantal parkeerplaatsen voor auto's en fietsen dat bij het gebruik van gronden en bouwwerken gerealiseerd en in stand gehouden moet worden.

Artikel 6.3 Parkeernormen Voor de toepassing van deze paragraaf gelden de parkeernormen volgens de beleidsregel Parkeernormen gemeente Oisterwijk 2024, of haar rechtsopvolger.

Artikel 6.4 Aanwijzing verbod 1 Het verboden om de gebruiksactiviteit van gronden en/of gebouwen te wijzigen in een andere gebruiksactiviteit, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, een en ander volgens de beleidsregel Parkeernormen gemeente Oisterwijk 2024, of haar rechtsopvolger.

2 Binnen de locatie parkeerterrein uitgesloten is het verboden om te parkeren.

Paragraaf 6.1.4 Hobbymatig houden van dieren

Afdeling 6.2 Agrarische gebruiksactiviteiten Paragraaf 6.2.1 Uitoefenen van grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten Artikel 6.5 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitoefenen van agrarische bedrijfsactiviteiten binnen de locatie agrarische bedrijfsactiviteiten.

Artikel 6.6 Algemene regels De gronden en bouwwerken mogen uitsluitend worden gebruikt voor het uitoefenen van grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten, daaronder begrepen: a. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond; b. bollenteelt: de teelt van bollen, al dan niet in samenhang met de teelt van bolbloemen, op open grond; c. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond; d. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee waarbij de productie (nagenoeg) geheel afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel; e. paardenhouderij: het fokken van paarden, het houden, stallen of africhten van paarden ten behoeve van de vlees

42

- en/of melkproductie, handel en/of de gebruiksgerichte paardenhouderij; f. sierteelt: de teelt van siergewassen op open grond al dan niet gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten.

Afdeling 6.3 Bedrijfsmatige gebruiksactiviteiten Paragraaf 6.3.1 Uitoefenen van bedrijfsactiviteiten Artikel 6.7 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten binnen de locatie bedrijfsactiviteiten.

Artikel 6.8 Algemene regels 1 De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor: a. het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2, zoals genoemd in Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten; b. productiegebonden ondergeschikte detailhandel tot 10% van het totale brutovloeroppervlak tot een maximum van 150 m2 verkoopvloeroppervlak per bedrijf; c. ondergeschikte kantoorruimte behorend bij het bedrijf tot 20% van de bedrijfsvloeroppervlakte per bedrijf.

2 In afwijking van Artikel 6.8, eerste lid onder a mogen binnen de locatie bedrijf milieucategorie 2 de gronden en bouwwerken worden gebruikt voor bedrijven tot en met milieucategorie 2, zoals genoemd in Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten met per bedrijf een bouwwerkperceel van minimaal 1.000 m2 en maximaal 3.000 m2.

3 In afwijking van Artikel 6.8, eerste lid onder a mogen binnen de locatie bedrijf milieucategorie 3.1 de gronden en bouwwerken worden gebruikt voor bedrijven tot en met 3.1, zoals genoemd in Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten met per bedrijf een bouwwerkperceel van minimaal 1.000 m2 en maximaal 3.000 m2.

4 Binnen de locatie hovenier mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van een hoveniersbedrijf uit milieucategorie 3.1, zoals genoemd in Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten, inclusief ondergeschikte detailhandel ten behoeve van het hoveniersbedrijf.

5 Binnen de locatie kantoor - 1 mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van zelfstandige kantooractiviteiten.

6 Binnen de locatie kantoor - 2 mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van zelfstandige kantooractiviteiten met een brutovloeroppervlakte van maximaal 100 m2.

7

43

Binnen de locatie nutsvoorziening mogen de gronden en bouwwerken uitsluitend worden gebruikt voor nutsvoorzieningen.

Paragraaf 6.3.2 Uitoefenen van horecabedrijfsactiviteiten Artikel 6.9 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitoefenen van horecabedrijfsactiviteiten binnen de locatie horecabedrijfsactiviteiten.

Artikel 6.10 Algemene regels De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor het uitoefenen van horecabedrijfsactiviteiten tot en met categorie 1c van de Staat van Horeca-activiteiten, zoals genoemd in Bijlage 2 Staat van Horeca-activiteiten.

Paragraaf 6.3.3 Uitoefenen van kantooractiviteiten Artikel 6.11 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitoefenen van kantooractiviteiten binnen de locatie kantooractiviteiten.

Artikel 6.12 Algemene regels De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor de uitoefening van kantooractiviteiten.

Paragraaf 6.3.4 Detailhandelsactiviteiten Artikel 6.13 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op detailhandelsactiviteiten binnen de locatie detailhandelsactiviteiten.

Artikel 6.14 Algemene regels De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor: a. detailhandel; b. inpandige opslag. waarbij geldt dat detailhandel alleen is toegestaan op de begane grond. De verdiepingen zijn aangewezen voor opslag.

Paragraaf 6.3.5 Dienstverleningsactiviteiten Artikel 6.15 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op dienstverleningsactiviteiten binnen de locatie dienstverleningsactiviteiten.

Artikel 6.16 Algemene regels De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor: a. dienstverlening; b. inpandige opslag. waarbij geldt dat dienstverlening alleen is toegestaan op de begane grond. De verdiepingen zijn aangewezen voor inpandige opslag.

44

Afdeling 6.4 Maatschappelijke activiteiten Paragraaf 6.4.1 Uitoefenen van maatschappelijke activiteiten Artikel 6.17 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitoefenen van maatschappelijke activiteiten binnen de locatie maatschappelijke activiteiten.

Artikel 6.18 Algemene regels 1 De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor: a. medische en verzorgende activiteiten; b. sociaal-culturele activiteiten; c. religieuze activiteiten; d. militaire activiteiten; e. educatieve activiteiten, waaronder begrepen kinderopvang; f. openbare dienstverleningsactiviteiten; en g. daarmee vergelijkbare activiteiten.

2 Binnen de locatie begraafplaats mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van een begraafplaats.

3 Binnen de locatie urnenmuur mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van een urnenmuur.

4 Binnen de locatie brandweerkazerne mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van een brandweerkazerne.

5 Binnen de locatie milieustraat mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van een milieustraat.

6 Binnen de locatie gemeentewerf mogen de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van een gemeentewerf.

Afdeling 6.5 Recreatieve activiteiten Paragraaf 6.5.1 Dagrecreatieve doeleinden uitoefenen in de vorm van volkstuinen Artikel 6.19 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitoefenen van dagrecreatieve doeleinden in de vorm van volkstuinen met daarbij behorende voorzieningen, zoals centrale voorzieningen, binnen de locatie volkstuin.

Artikel 6.20 Algemene regels

45

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor: a. dagrecreatieve doeleinden in de vorm van volkstuinen; b. daarbij behorende beheer- en dienstgebouwen.

Afdeling 6.6 Sportactiviteiten Paragraaf 6.6.1 Binnensportactiviteiten uitoefenen Paragraaf 6.6.2 Buitensportactiviteiten uitoefenen Artikel 6.21 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitoefenen van buitensportactiviteiten met daarbij behorende voorzieningen binnen de locatie buitensportactiviteiten.

Artikel 6.22 Algemene regels De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor: a. buitensportactiviteiten; b. het aanbieden van ondersteunende horeca in de vorm van een kantine.

Paragraaf 6.6.3 Manege exploiteren Artikel 6.23 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een manege binnen de locatie manege.

Artikel 6.24 Algemene regels De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor: a. het exploiteren van een manege; b. het aanbieden van ondersteunende horeca in de vorm van een kantine.

Paragraaf 6.6.4 Circusactiviteiten uitoefenen Artikel 6.25 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het uitoefenen van circusactiviteiten binnen de locatie jeugdcircus.

Artikel 6.26 Algemene regels De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor het uitoefenen van circusactiviteiten, daaronder begrepen de repetitie van circusactiviteiten zoals jongleren, dans, (lucht)acrobatiek, clownerie en evenwichtsdisciplines.

Afdeling 6.7 Woonactiviteiten Paragraaf 6.7.1 Wonen in een woning Artikel 6.27 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het wonen binnen de locatie wonen - gebruik.

Artikel 6.28 Algemene regels 1

46

De gronden en bouwwerken mogen worden gebruikt voor wonen, mits: a. in één woning slechts één afzonderlijk huishouden woont; en b. niet gewoond wordt in vrijstaande bijbehorende bouwwerken.

2 Binnen de locatie bedrijfswoning is, in aanvulling op het bepaalde in lid 1, het wonen in de bedrijfswoning toegestaan, mits de woning wordt bewoond door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de hoofdfunctie van het gebouw of terrein noodzakelijk is.

3 Binnen de locatie bovenwoning mogen, in aanvulling op het bepaalde in lid 1, de gronden en bouwwerken worden gebruikt voor het wonen in een bovenwoning, met dien verstande dat uitsluitend op de verdieping maximaal 4 bovenwoningen zijn toegelaten.

4 Binnen de locatie nultredenwoning mogen, in aanvulling op het bepaalde in lid 1, de gronden en bouwwerken uitsluitend worden gebruikt voor nultredenwoning.

5 Binnen de locatie gezinsvervangend tehuis mogen, in aanvulling op het bepaalde in lid 1, de gronden en bouwwerken tevens worden gebruikt voor een gezinsvervangend tehuis, mits het aantal (gezins)kamers maximaal 6 bedraagt.

6 Binnen de locatie waterberging mogen de gronden uitsluitend worden gebruikt voor waterberging.

7 Binnen de locatie parkeergarage mogen, in aanvulling op het bepaalde in lid 1, de gronden tevens worden gebruikt voor ondergronds parkeren.

8 Binnen de locatie parkeren agrarisch mogen, in aanvulling op het bepaalde in lid 1, de gronden worden gebruikt als parkeergelegenheid met inrit ten behoeve van de naastgelegen agrarische bestemming aan de Nemelaerstraat 29 te Haaren.

9 Binnen de locatie 'landschappelijke inpassing' mag in de aangrenzende woningen uitsluitend worden gewoond als: a. de landschappelijke inpassing conform Bijlage 3 Landschappelijke inpassing Kantstraat ong. Haaren of gelijkwaardig is aangelegd; b. de landschappelijk inpassing of gelijkwaardig conform Bijlage 3 Landschappelijke inpassing Kantstraat ong. Haaren in stand wordt gehouden.

Paragraaf 6.7.2 Splitsen van woningen

47

Artikel 6.29 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het splitsen van woningen binnen de locatie voormalige boerderij.

Artikel 6.30 Algemene regels Het splitsen van het bestaande gebouw is toegestaan, mits de uitwendig hoofdvorm van het gebouw, bepaald door goothoogte, bouwhoogte en dakvorm gehandhaafd blijft.

Paragraaf 6.7.3 Uitoefenen van aan-huis-gebonden beroep, dienstverlening en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten Subparagraaf 6.7.3.1 Uitoefenen van aan-huis-gebonden beroep, dienstverlening en kleinschalige bedrijfsactiviteiten in een woning Artikel 6.31 Toepassingsbereik De subparagraaf is van toepassing op het uitoefenen van aan-huis-gebonden beroepen, dienstverlening en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten binnen de locatie wonen - gebruik.

Artikel 6.32 Algemene regels Het uitoefenen van aan-huis-gebonden beroepen, dienstverlening en kleinschalige bedrijfsmatige activiteit in een woning is toegestaan, mits: a. per woning sprake is van één activiteit; b. de activiteit in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt is aan de woning en de woonomgeving; c. de activiteit naar omvang ondergeschikt is aan het wonen en niet meer dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning met een maximum 80 m2 in beslag neemt; d. de activiteit wordt verricht door de bewoner, mogelijk ondersteund door ten hoogste 1 medewerker; e. geen sprake is van een ontoelaatbare publieks- of verkeersaantrekking, mede in verband met eventueel reeds in de directe nabijheid aanwezige beroepsvestigingen; f. is of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor bezoekers; g. er geen detailhandel plaatsvindt, anders dan ten behoeve van ter plaatse vervaardigde of gebruikte goederen; h. de activiteit op geen andere wijze hinder of overlast veroorzaakt; i. de activiteit niet plaatsvindt in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, niet zijnde de uitbreiding van het hoofdgebouw.

Paragraaf 6.7.4 Verstrekken van bed & breakfast Subparagraaf 6.7.4.1 Verstrekken van bed & breakfast in een woning Artikel 6.33 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het verstrekken van bed & breakfast binnen de locatie wonen - gebruik.

Artikel 6.34 Algemene regels 1 Het verstrekken van bed & breakfast in een woning is toegestaan, mits: a. de activiteit in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt is aan de woning en de woonomgeving; b. per woning sprake is van ten hoogste twee eenheden/kamers voor ieder ten hoogste twee personen; c. de activiteit wordt verricht door de bewoner, mogelijk ondersteund door ten hoogste 1 medewerker; d. geen sprake is van een ontoelaatbare publieks- of verkeersaantrekking, mede in verband met eventueel reeds in de directe nabijheid aanwezige andere functies met bijbehorende activiteiten;

48

e. is of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor bezoekers f. de activiteit op geen andere wijze hinder of overlast veroorzaakt; g. geen sprake is van de huisvesting van een tweede huishouden of huisvesting van arbeidsmigranten; h. de activiteit niet plaatsvindt in een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde de uitbreiding van het hoofdgebouw.

Subparagraaf 6.7.4.2 Verstrekken van bed & breakfast in een bijbehorend bouwwerk Artikel 6.35 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het verstrekken van bed & breakfast in een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde de uitbreiding van het hoofdgebouw, binnen de locatie wonen - gebruik.

Artikel 6.36 Algemene regels Binnen de locatie recreatief gebruik bijgebouw is recreatief gebruik van het bijbehorend bouwwerk toegestaan.

Artikel 6.37 Aanwijzing vergunningplicht Voor het verstrekken van bed & breakfast in een bijbehorend bouwwerk, niet zijnde de uitbreiding van het hoofdgebouw is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 6.38 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning voor het verstrekken van bed & breakfast in een bijbehorend bouwwerken wordt alleen verleend als: a. de activiteit in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt is aan de woning en de woonomgeving; b. per woning sprake is van ten hoogste twee eenheden/kamers voor ieder ten hoogste twee personen; c. de activiteit wordt verricht door de bewoner, mogelijk ondersteund door ten hoogste 1 medewerker; d. geen sprake is van een ontoelaatbare publieks- of verkeersaantrekking, mede in verband met eventueel reeds in de directe nabijheid aanwezige andere functies met bijbehorende activiteiten; e. is of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor bezoekers; f. de activiteit op geen andere wijze hinder of overlast veroorzaakt; g. geen sprake is van de huisvesting van een tweede huishouden of huisvesting van arbeidsmigranten.

49

Hoofdstuk 7 Aanleg- en sloopactiviteiten Afdeling 7.1 Algemene bepalingen voor aanleg- en sloopactiviteiten Paragraaf 7.1.1 Vergunningplichtige aanlegactiviteiten Artikel 7.1 Toepassingsbereik De regels in dit hoofdstuk hebben betrekking op: a. het aanleggen van werken en het verrichten van werkzaamheden; en b. het geheel of gedeeltelijk slopen van een bouwwerk; in het besluitgebied eerste wijziging (Haaren).

Artikel 7.2 Aanwijzing vergunningplicht 1 Voor het uitvoeren van de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden binnen een beperkingengebied buisleiding - brandstof is een omgevingsvergunning nodig: a. het uitvoeren van grondbewerkingen, zoals ontgronden, vergraven, egaliseren, diepploegen, woelen, mengen en/of ophogen van gronden; b. het aanbrengen, verwijderen, of herstellen van ondergrondse leidingen of drainage; c. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere open of gesloten oppervlakteverhardingen; d. het aanleggen, verdiepen, vergraven, verruimen, verbreden of dempen van greppels, sloten, watergangen, vijvers en overige waterpartijen; e. het aanbrengen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair; f. het aanbrengen van oeverbeschoeiing; g. het aanbrengen van beplantingen, (hout)gewas en/of bomen welke dieper dan 30 cm wortelen; h. het aanbrengen van beplanting, (hout)gewas en/of bomen welke hoger opgroeien dan 1,5 m; i. het rooien van beplantingen, (hout)gewas en/of bomen; j. het indrijven of ingraven van voorwerpen in de bodem.

2 Voor het uitvoeren van de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden binnen een beperkingengebied buisleiding - gas is een omgevingsvergunning nodig: a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden; c. het verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden; d. het indrijven van voorwerpen in de bodem en het aanbrengen van diepwortelende en/of hoogopgaande beplanting waaronder bijvoorbeeld rietbeplantingen en het aanleggen of dempen van sloten.

3 Voor het uitvoeren van de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden binnen een beperkingengebied buisleiding - riool is een omgevingsvergunning nodig: a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden; c. het verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;

50

d. het indrijven van voorwerpen in de bodem en het aanbrengen van diepwortelende en/of hoogopgaande beplanting waaronder bijvoorbeeld rietbeplantingen en het aanleggen of dempen van sloten.

4 Voor het uitvoeren van de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden binnen een beperkingengebied buisleiding - water is een omgevingsvergunning nodig: a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden; c. het verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden; d. het indrijven van voorwerpen in de bodem en het aanbrengen van diepwortelende en/of hoogopgaande beplanting waaronder bijvoorbeeld rietbeplantingen en het aanleggen of dempen van sloten.

Artikel 7.3 Uitzondering vergunningplicht Een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.2, is niet nodig voor: a. activiteiten die al in uitvoering waren voor de inwerkingtreng van dit regelonderdeel; b. activiteiten die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; c. activiteiten die door of in opdracht van de beheerder van de leiding wordt verricht; d. activiteiten die graafwerkzamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet informatieuitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken; e. activiteiten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwactiviteit, waarvoor een omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 7.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1 De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden binnen een beperkingengebied buisleiding - brandstof wordt alleen verleend als: a. de activiteit de veiligheid van de buisleiding niet schaadt. Burgemeester en wethouders betrekking hierbij het schriftelijk advies van de leidingbeheerder; b. de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de leiding.

2 De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden binnen een beperkingengebied buisleiding - gas wordt alleen verleend als: a. de activiteit de veiligheid van de buisleiding niet schaadt. Burgemeester en wethouders betrekking hierbij het schriftelijk advies van de leidingbeheerder; b. de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de leiding.

3 De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden binnen een beperkingengebied buisleiding - riool wordt alleen verleend als: a. de activiteit de veiligheid van de buisleiding niet schaadt. Burgemeester en wethouders betrekking hierbij het schriftelijk advies van de leidingbeheerder;

51

b. de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de leiding.

4 De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden binnen een beperkingengebied buisleiding - water wordt alleen verleend als: a. de activiteit de veiligheid van de buisleiding niet schaadt. Burgemeester en wethouders betrekking hierbij het schriftelijk advies van de leidingbeheerder; b. de activiteit geen negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de leiding.

Artikel 7.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de te gebruiken materialen; b. de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en c. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

2 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Afdeling 7.2 Werken en werkzaamheden - werkzaamheden met beplanting en groenvoorzieningen Paragraaf 7.2.1 Verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting Artikel 7.6 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting, alsmede het verwijderen van oevervegetaties.

Artikel 7.7 Aanwijzing vergunningplicht Voor het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting, alsmede het verwijderen van oevervegetaties, is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 7.8 Uitzondering vergunningplicht Een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.7, is niet nodig voor onderstaande werken en werkzaamheden: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de functie; b. reeds in uitvoering zijnde werken of werkzaamheden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. werken en werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Artikel 7.9 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.7, wordt alleen verleend als door de werken en werkzaamheden: a. de afschermende werking van beplanting niet onevenredig wordt of kan worden aangetast; b. de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast.

52

Paragraaf 7.2.2 Aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen Artikel 7.10 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen.

Artikel 7.11 Aanwijzing vergunningplicht Voor het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 7.12 Uitzondering vergunningplicht Een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.11, is niet nodig voor onderstaande werken en werkzaamheden: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de functie; b. reeds in uitvoering zijnde werken of werkzaamheden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. werken en werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Artikel 7.13 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.11, wordt alleen verleend als door de werken en werkzaamheden: a. de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast.

Afdeling 7.3 Werken en werkzaamheden - aanleggen en veranderen van wegen, paden en verhardingen Paragraaf 7.3.1 Aanleggen of verharden van wegen, paden en andere oppervlakteverhardingen Artikel 7.14 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.

Artikel 7.15 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning wegen of paden aan te leggen of te verharden en andere oppervlakte verhardingen aan te brengen.

Artikel 7.16 Uitzondering vergunningplicht Een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.15, is niet nodig voor onderstaande werken en werkzaamheden: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de functie; b. reeds in uitvoering zijnde werken of werkzaamheden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. werken en werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Artikel 7.17 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.15, wordt alleen verleend als: a. door de werken en werkzaamheden de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast; b. de aangevraagde werken en werkzaamheden hydrologisch neutraal worden uitgevoerd.

53

Afdeling 7.4 Werken en werkzaamheden - grondroeractiviteiten Paragraaf 7.4.1 Aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren Artikel 7.18 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren.

Artikel 7.19 Aanwijzing vergunningplicht Voor het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 7.20 Uitzondering vergunningplicht Een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.19, is niet nodig voor onderstaande werken en werkzaamheden: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de functie; b. reeds in uitvoering zijnde werken of werkzaamheden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. werken en werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Artikel 7.21 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.19, wordt alleen verleend als door de werken en werkzaamheden: a. de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast.

Paragraaf 7.4.2 Aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds Artikel 7.22 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds.

Artikel 7.23 Aanwijzing vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning dijken of andere taluds aan te leggen en reeds aanwezige dijken of taluds te vergraven of ontgraven.

Artikel 7.24 Uitzondering vergunningplicht Een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.23, is niet nodig voor onderstaande werken en werkzaamheden: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de functie; b. reeds in uitvoering zijnde werken of werkzaamheden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. werken en werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Artikel 7.25 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.24, wordt alleen verleend als door de werken en werkzaamheden: a. de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast.

54

Paragraaf 7.4.3 Aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur Artikel 7.26 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

Artikel 7.27 Aanwijzing vergunningplicht Voor het aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 7.28 Uitzondering vergunningplicht Een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.27, is niet nodig voor onderstaande werken en werkzaamheden: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de functie; b. reeds in uitvoering zijnde werken of werkzaamheden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. werken en werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Artikel 7.29 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.27, wordt alleen verleend als door de werken en werkzaamheden: a. de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast.

Paragraaf 7.4.4 Uitvoeren van grondbewerkingen Artikel 7.30 Toepassingsbereik Deze paragaaf is van toepassing op het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in elk geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage.

Artikel 7.31 Aanwijzing vergunningplicht Voor het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe in elk geval worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage is een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 7.32 Uitzondering vergunningplicht Een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.31, is niet nodig voor onderstaande werken en werkzaamheden: a. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de functie; b. reeds in uitvoering zijnde werken of werkzaamheden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit regelonderdeel; c. werken en werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Artikel 7.33 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 7.31, wordt alleen verleend als door de werken en werkzaamheden: a. de natuur- en landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast.

Afdeling 7.5 Sloopactiviteiten

55

Hoofdstuk 8 Beheer en onderhoud

56

Hoofdstuk 9 Financiële bepalingen

57

Hoofdstuk 10 Procedurele eigenschappen

58

Hoofdstuk 11 Monitoring en informatie

59

Hoofdstuk 12 Handhaving

60

Hoofdstuk 13 Overgangsrecht

61

Hoofdstuk 14 [Gereserveerd]

62

Hoofdstuk 15 [Gereserveerd]

63

Hoofdstuk 16 [Gereserveerd]

64

Hoofdstuk 17 [Gereserveerd]

65

Hoofdstuk 18 [Gereserveerd]

66

Hoofdstuk 19 [Gereserveerd]

67

Hoofdstuk 20 [Gereserveerd]

68

Hoofdstuk 21 Hoofdstuk 22a TAM-omgevingsplan Noenes Artikel 21.1 Voorrangsbepaling Ter plaatse van het besluitgebied van het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a De Noenes, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 5 maart 2026, zijn de regels zoals opgenomen in dat TAM-omgevingsplan van toepassing.

69

Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN (Bruidsschat) Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1 De regels in Afdeling 22.2, met uitzondering van Subparagraaf 22.2.7.3, en Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2 De regels in Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1 Voor de toepassing van het Artikel 22.28, eerste lid en Artikel 22.28, tweede lid, Artikel 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290 tot en met Artikel 22.293 en Artikel 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2 Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten Het Artikel 22.28, derde lid, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

70

Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften 1 Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

2 Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

Artikel 22.6 Vervallen

Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken Artikel 22.7 Repressief welstand 1 Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

2 Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in Artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

2

71

Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als: a. artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2 Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als: a. het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en b. de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

2 Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16965993/3