CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Toelichting ruimtelijke onderbouwing - Vinkenberg 9 Moergestel

RAAD 23 oktober 2025, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Vinkenberg 9, Moergestel - aangenomen27.756 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen

Pagina 23 van 41

door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Waterschap de Dommel hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: ▪ Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. ▪ Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. ▪ Wat schoon is, moet schoon blijven. De leefomgeving verandert en is het waterschap opzoek gegaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe het waterschap de doelen gaan bereiken. Meer dan voorheen gaat het waterschap daarbij: ▪ Van beekdalgericht naar gebiedsgericht; de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. ▪ Van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maakt het waterschap de Dommel keuzes over meerdere opgaven in een gebied. ▪ Van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Gemeente Oisterwijk De gemeente heeft op 20-5-2022 de ‘Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022’ vastgesteld. Door klimaatverandering worden droogteperioden langer en buien heviger. Daarom dient er voldoende bergings- en verwerkingscapaciteit te zijn van hemelwater.

Het anders, dan afvoeren via de riolering, omgaan met hemelwater is nodig om de riolering in de toekomst niet te overbelasten tijdens hevige regenbuien voor klimaatadaptatie en om de grondwaterstanden aan te vullen en in stand te houden. In de gemeentelijke verordening worden drie situaties geschetst: • Percelen waar omgevingsvergunning-plichtige bouwactiviteiten worden uitgevoerd of waar water afvoerende verharding wordt aangebracht. Hier wordt 100% van het verhard oppervlak tot 60mm op eigen terrein verwerkt. • Waar voor berging of afvoer van hemelwater een gemeentelijke voorziening aanwezig is. Hier wordt minimaal 40% van het verhard oppervlak afgevoerd naar de gemeentelijke voorziening. Tenzij voorgaande van toepassing is. • Het gebied waar de gemeentelijke riolering is uitgevoerd door middel van drukriolering. De afvoer van hemelwater via de gemeentelijke drukriolering is ten alle tijden niet toegestaan geweest. In alle overige bestaande situaties is deze verordening niet van toepassing, totdat de situatie gewijzigd wordt. Hiermee worden natuurlijke momenten aangegrepen om de verwerking van het hemelwater aan te passen aan het veranderende klimaat.

Voor de lozing van het (overtollige) hemel- en/of grondwater op gemeentelijke voorziening wordt door de beheerder de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd: • Op open maaiveld; • Op niet afvoerende sloot (berging en infiltratie); • Op open retentievoorziening; • Op infiltratie riolering; • Op afvoerende sloot; (evt. toestemming waterschap); • Op hemelwater riolering; • Op gemengde riolering; • Op vuilwater riolering.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande situatie ligt een A- watergang dichtbij de projectlocatie, zie afbeelding 9. Deze watergang heeft een watervoerende functie en wordt beheerd door het waterschap. Vanuit deze watergang geldt een beschermingszone welke in acht wordt genomen. In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het

Pagina 24 van 41

gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt ook aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden, zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is, schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten niet zijnde de A-watergang.

Afbeelding 9: Uitsnede legger De Dommel projectlocatie

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het gronden oppervlaktewater binnen de planlocatie. Door middel van de Keur van Waterschap de Dommel kan worden bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Dit om versnelde afvoer van hemelwater op het watersysteem te voorkomen. Bij voorkeur wordt er voor gezorgd dat het hemelwater alsnog kan infiltreren in de bodem, eventueel via mitigerende maatregelen zoals een retentievoorziening. ‘De verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022’ van de gemeente Oisterwijk stelt dat de eigenaar van een perceel heeft na omgevingsvergunning-plichtige bouwactiviteiten of na aanbrengen van water afvoerende verharding de verplichting al het hemelwater dat op betreffend perceel valt op eigen terrein te verwerken. De eigenaar heeft daarbij vrije keuze in de toe te passen voorziening(en) waarbij het volgende geldt: Benodigde compensatie (in m3) = volledig verhard oppervlak (m2) x ‘gevoeligheidsfactor’ x 0,06 (m) In de beoogde situatie is er een toename van circa 700 m2 verhard oppervlak hierna is er in totaal 4.419,7 m2 verhard oppervlak aanwezig op de projectlocatie (zie plattegrondtekening in de bijlage). Omdat er een toename van verharding is, dient er een compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen.

Volgens het gemeentelijk beleid moet het volledige verhard oppervlak worden gecompenseerd. De grootte van de retentievoorziening wordt berekend conform de rekenregel die in de nieuwe Algemene regels van de Keur van de waterschappen is geïntroduceerd.

Pagina 25 van 41

De gevoeligheidsfactor is af te leiden uit de kaart die bij de nieuwe Keur is gevoegd. Hierbij is het grondgebied van het desbetreffende waterschap, in dit geval de Dommel, verdeeld in drie categorieën. Naarmate de gevoeligheid van een gebied of oppervlaktewatersysteem voor de gevolgen van piekafvoeren lager is, is minder compensatie nodig. Er worden drie waarden voor de gevoeligheidsfactor gehanteerd: ¼ (Laag), ½ (Gemiddeld) en 1 (Hoog). Zoals uit afbeelding 10 blijkt is er voor de locatie aan de Vinkenberg 9 een gevoeligheidsfactor van 1 (Hoog)] van toepassing.

Afbeelding 10: Uitsnede gevoeligheidsfactor waterschap de Dommel

De factor 0,06 (m) vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m3/ha) die de hoeveelheid water aangeeft die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Deze is door het waterschap vastgelegd op basis van eigen onderzoek en toekomstscenario’s. Dit is een vast gegeven in de formule. Alle onderdelen van de rekenregel zijn bekend. Dit betekent dat de volgende rekensom gemaakt kan worden. Benodigde compensatie = 4.419,7 m2 x 1,0 x 0,06 = 265,18 m3 Bij de uitwerking van de compenserende maatregelen zal ook rekening gehouden moeten worden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De voorziening mag namelijk niet dieper worden afgegraven dan de GHG ter plaatse. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is af te leiden uit de gedetailleerde bodematlas van de provincie Noord-Brabant. Zoals uit afbeelding 11 blijkt, ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand ter plaatse van de beoogde bedrijfsbebouwing tussen 60 en 80 cm beneden maaiveld. De GHG ter plaatse van de beoogde retentievoorziening is gelegen tussen 4060, 60-80 en 80-100 cm beneden maaiveld. Op de projectlocatie wordt een retentievoorziening met een oppervlakte van circa 441,96 m2 en een inhoud van circa 265,2 m3 gerealiseerd (zie plattegrondtekening in de bijlage). De retentievoorziening zal worden gerealiseerd 0,6 meter onder maaiveld.

De noodoverloop zal oppervlakkig over het maaiveld plaatsvinden.

Pagina 26 van 41

Afbeelding 11: Uitsnede gemiddelde hoogste grondwaterstand projectlocatie, retentievoorziening rood omcirkeld

De snelheid van verwerking van het geborgen hemelwater dient dusdanig te zijn, dat de berging na 48 uren weer leeg is. Bij aanvraag omgevingsvergunning dient dit beschreven en berekend te worden. De locatie is gelegen ter plaatse van hoge zwarte enkeergronden. Het grootste gedeelte van de hoge zwarte enkeergronden wordt gebruikt als akkereerdgronden. Dit betreft een bodemtype dat behoort tot de droge eerdgronden bestaande uit hoge zandgronden. Fijne zandgronden hebben al een K waarde van 1 tot 5 meter. Dit houdt in dat het water 1 tot 5 meter per etmaal zakt. Aangezien de retentievoorziening maar 0,6 meter diep is, betekent dit dat de retentievoorziening altijd beschikbaar is om een herhalingsbui op te vangen na 48 uur. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken, is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

Pagina 27 van 41

▪ ▪ ▪

Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.

Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016.

De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding 12. Het dichtstbijzijnde NNB-gebied is gelegen op circa 218 meter afstand. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016.

Afbeelding 12: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de

Pagina 28 van 41

ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kampina en Oisterwijkse Vennen, dat op een afstand van circa 2,0 kilometer ligt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Het bedrijf is in het bezit van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming d.d. 23-102015, zie bijlage. Daar dit de bestaande, planologisch legale situatie direct voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan betreft, geldt die vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming als uitgangssituatie. Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt, is middels het rekenprogramma AERIUS een verschilberekening gemaakt tussen de uitgangssituatie en de beoogde bedrijfsopzet. Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in de bijlage, blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden.

Er zijn daarom geen negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstof uit de lucht.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Pagina 29 van 41

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Vinkenberg 9 te Moergestel, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de nieuw te realiseren bebouwing en de te saneren bebouwing, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding.

Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde diersoorten. Voor de realisatie is er sprake van de activiteiten ‘overig bouwwerk bouwen’, ‘slopen en of asbest verwijderen’, ‘handelen in strijd regels ruimtelijke ordening’, ‘bijbehorend bouwwerk bouwen’ en ‘inrichting of mijnbouwwerk oprichten of veranderen (milieu)’. Uit de effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie onderstaande afbeeldingen. Bij deze ruimtelijke onderbouwing wordt geen ecologische quickscan uitgevoerd bij de te slopen bebouwing. Voor de te slopen bebouwing wordt te zijner tijd een sloopmelding ingediend. Bij deze melding wordt een ecologische quickscan toegevoegd. Door de ecologische quickscan uit te voeren

Pagina 30 van 41

wordt inzicht gegeven over het mogelijke voorkomen van beschermde soorten in de te slopen bebouwing.

Afbeelding 13: Uitsnede kaart ‘Effectenindicator soorten’

Pagina 31 van 41

Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. De gewone pad kan op de projectlocatie aanwezig zijn, deze pad is geen wettelijke beschermde soort. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden, zoals die is vastgelegd in de Wnb, vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen de projectlocatie is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. Hierna wordt het initiatief getoetst aan deze wet- en regelgeving.

4.4.1. Kwetsbare gebieden

De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het exclusieve toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. In de Wav zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied liggen. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie.

Afbeelding 14: Uitsnede Zeer kwetsbare gebieden WAV, projectlocatie rood omcirkeld

Er is te zien dat het bedrijf buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied ligt. In het kader van de Wet ammoniak en veehouderij kan het bedrijf uitbreiden in ammoniak.

4.4.2. Besluit emissiearme huisvesting

Naast de regels voor bedrijven binnen de 250 meter-zones bevat de Wav generieke regelgeving voor de toepassing van emissiearme stalsystemen. Op 23 juni 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting vastgesteld (voorts Besluit). Dit Besluit vervangt het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en is op 1-8-2015 in werking getreden. In dit Besluit is onderscheid gemaakt tussen melk- en kalfkoeien (artikel 3) en varkens, kippen en kalkoenen (artikel 5). Binnen het Besluit zijn maximale emissiewaarden

Pagina 32 van 41

opgenomen, in bijlage 1 bij het Besluit, voor nieuwe stallen (kolom B en C) en zijn de maximale emissiewaarden voor bestaande stallen gewijzigd (kolom A). Voor melkrundveehouderijen geldt artikel 3 van het Besluit. Het onderscheid in bestaande en nieuwe stallen, met de daaraan gekoppelde maximale emissiewaarden, wordt gemaakt op basis van datum van realisatie van het dierenverblijf. Kolom A:

Geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op uiterlijk 30 juni 2015, met uitzondering van een huisvestingssysteem dat deel uitmaakt van: 1. een dierenverblijf dat is opgericht op uiterlijk 30 juni 2015 waarin melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar worden gehouden volgens de biologische productiemethode; 2. een dierenverblijf dat is opgericht op uiterlijk 1 april 2008; 3. een dierenverblijf dat is opgericht na 1 april 2008 en waarvoor op uiterlijk 21 maart 2008 een milieuvergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of, indien geen milieuvergunning vereist was, een bouwvergunning op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, is verleend; 4. een dierenverblijf dat is uitgebreid na 1 april 2008 met niet meer dan 20 dierplaatsen;

Kolom B:

Geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 juli 2015 en voor 1 januari 2018;

Kolom C:

Geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 januari 2018.

In onderstaande tabel zijn de maximale emissiewaarden voor de bestaande ligboxenstal en nieuwe ligboxenstal opgenomen. Tevens is de werkelijke emissie van de stallen in dit hoofdstuk opgenomen. Diercategorie

Melk- en kalfkoeien

Maximale emissiewaarde voor ammoniak als bedoeld in artikel 5, eerste lid in kg NH3 per dierplaats per jaar A 12,2

B 11,0

c 8,6

Gebouw 1 (Nieuw te bouwen stal) Gebouw 1 betreft een dierenverblijf waarin in de beoogde situatie 52 melk- en kalfkoeien worden gehouden (permanent opstallen) met een ammoniakemissie van 6,0 kg NH3. Gebouw 1 zal worden gerealiseerd na 1 januari 2018 en valt derhalve onder kolom C van het Besluit emissiearme huisvestingssytemen. De maximale emissiewaarde in kolom C bedraagt 8,6 kg NH3. Deze stal voldoet derhalve aan de maximale emissiewaarden Besluit emissiearme huisvestingssytemen. Gebouw 5 Gebouw 5 betreft een dierenverblijf waarin in de beoogde situatie 19 melk- en kalfkoeien worden gehouden (permanent opstallen) met een ammoniakemissie van 13,0 kg NH3. Stal 2 voldoet hiermee aan de maximale emissiewaarden in het Besluit emissiearme huisvestingssytemen. Gebouw 5 is opgericht voor 01-04-2008. Deze stal hoeft derhalve niet te worden getoetst aan de maximale emissiewaarden Besluit emissiearme huisvestingssytemen. Gebouw 6 Gebouw 6 betreft een dierenverblijf waarin in de beoogde situatie 128 melk- en kalfkoeien worden gehouden (met beweiden) met een ammoniakemissie van 12,35 kg NH3. Gebouw 6 is opgericht voor 30-06-2015 en valt derhalve onder kolom A van het Besluit emissiearme huisvestingssytemen. De maximale emissiewaarde in kolom A bedraagt 13,0 kg NH3 met beweiden. Deze stal voldoet derhalve aan de maximale emissiewaarden Besluit emissiearme huisvestingssytemen.

Pagina 33 van 41

Vrouwelijk jongvee

Voor het vrouwelijk jongvee aanwezig op het bedrijf zijn geen maximale emissiewaarden opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Derhalve is toetsing aan het Besluit niet van toepassing voor vrouwelijk jongvee. Het initiatief voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting. 4.5. Bodemkwaliteit Binnen de bedrijfsvoering vinden enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hebben betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, vloeistofdichte mestkelders, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht. In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. 4.6.

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.6.1. Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 15. De locatie heeft een ‘dubbelbestemming-cultuurhistorie’ de bescherming van de molen als werktuig en als beeldbepalend cultuurhistorisch waardevol element is binnen deze dubbelbestemming van belang. De projectlocatie ligt binnen 300 meter tot 400 meter van het middelpunt van de molen, de maximale bouwhoogte van de beoogde stal is daarom 10 meter. Tevens zijn de stallen die worden gesloopt cultuurhistorisch niet waardevol. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

Afbeelding 15: Uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ Iov

Pagina 34 van 41

4.6.2. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen, e.d. In het bestemmingsplan is ter plaatse van een deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ gelegen, zie onderstaande afbeelding.

Afbeelding 16: Uitsnede bestemmingsplan, Waarde - Archeologie 4 rood omkaderd

De gronden ter plaatse van de beoogde stal zijn nu en in het verleden in gebruik als landbouwgrond, ook ligt er op de locatie van de te slopen stallen geen dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4. Op de locatie van de beoogde stal ligt een klein deel (19,3 m2) op de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. De oppervlakte die bij deze aanduiding als minimum geldt, is 2.500 m2. De oppervlakte van de beoogde stal is circa 1.515 m2. Tevens zijn de gronden ter plaatse ernstig verstoord door de toepassing van diverse landbouwwerkzaamheden, zoals diepploegen en -woelen. Daarnaast vindt de bouw van de nieuwe stal plaats nabij bestaande stallen en deels op de locatie van de te saneren stal. Ten tijde van de bouw van deze bestaande stallen is de grond rondom verstoord door bouwrijp maken en afgravingen t.b.v. fundering en mestkelder. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Tevens worden mogelijk aanwezige archeologische waarden in situ behouden doordat de gronden ter plaatse van de uitbreiding slechts tot funderingsdiepte worden afgegraven in de bovenste grondlaag. In de bovenste grondlaag zijn het aantreffen van archeologische waarden nihil. Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk. 4.7.

Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Pagina 35 van 41

De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen, behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De projectlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging.

In de omgeving bevinden zich direct naast woningen andere functies, zoals o.a. agrarisch en bedrijfsbestemmingen. Doordat de locatie direct naast de A58 ligt, is hier reeds sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. De initiatiefnemer is bekend met de mogelijke verbreding van de A58. Uit de contourenschets van de verbreding van de snelweg blijkt dat het huis en de aangrenzende schuur geraakt worden. De nieuw te bouwen stal wordt bij de beoogde ontwikkeling niet geraakt door de verbreding. De beoogde stal wordt binnen het bestaande bouwvlak gesitueerd, maar buiten de contourenschets van de A58. Derhalve is de beoogde ontwikkeling passend bij de mogelijke verbreding van de A58. Een melkveehouderij behoort tot milieucategorie 3.2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, is de richtafstand 100 m voor het aspect geur en 30 m voor de aspecten stof en geluid. De dichtstbij liggende woning van derden, Vinkenberg 11, bevindt zich op een afstand van ca. 50 meter van de bestaande gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel Vinkenberg 9 te Moergestel. De beoogde nieuwe stal wordt op circa 103 meter van de burgerwoning aan de Vinkenberg 11 gerealiseerd. Er kan dus niet voldaan worden aan de richtafstanden van het aspect geur. Voor het aspect geur geldt de specifieke wetgeving (Wgv en Activiteitenbesluit).

Bij deze wetgeving geldt voor melkveehouderijen een afstand van 50 meter. Hierdoor is het voor het bedrijf niet mogelijk om binnen 50 meter van woningen van derden geurbronnen te realiseren. Op grond hiervan kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstanden. Hiermee wordt voor de bouw van een bouwwerk binnen het bouwvlak altijd voldaan aan de vaste afstanden gesteld in het Activiteitenbesluit. 4.8. Geur

4.8.1. Individuele hinder Voor melk- en kalfkoeien en vrouwelijk jongvee zijn geen emissiefactoren vastgesteld. Voor het bedrijf zijn de regels uit het Activiteitenbesluit van toepassing in plaats van de Wgv, omdat er in totaal niet meer dan 340 melk- en kalfkoeien en jongvee aanwezig zijn. Conform artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit gelden voor deze bedrijven vaste afstanden tussen het dierenverblijf en geurgevoelige objecten. De afstand dient minimaal 100 meter te bedragen tot objecten binnen de bebouwde kom en minimaal 50 meter tot objecten buiten de bebouwde kom. In artikel 3.118 van het Activiteitenbesluit is opgenomen dat gemeenten middels een verordening kunnen afwijken van de afstanden, zoals gesteld in artikel 3.117. De gemeente Oisterwijk heeft geen geurverordening vastgesteld. Het dichtstbijzijnde geurgevoelig object betreft Vinkenberg 11, welke gelegen is buiten de bebouwde kom op een afstand van ongeveer 55 meter vanaf het emissiepunt van stal 5. Omdat deze afstand groter is dan 50 meter kan er geconcludeerd worden dat er wordt voldaan aan de vaste afstanden uit artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit. Daarnaast geldt dat onverminderd de artikelen 3.117 van het Activiteitenbesluit, het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf verboden is, indien na de oprichting, uitbreiding of wijziging

Pagina 36 van 41

de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom minder dan 50 meter bedraagt en buiten de bebouwde kom minder dan 25 meter bedraagt. De afstand van de gevel van stal 5 tot de gevel van het dichtstbijzijnde geurgevoelig object aan de Vinkenberg 11, welke gelegen is buiten de bebouwde kom, bedraagt ongeveer 55 meter. Omdat deze afstand groter is dan 25 meter kan er geconcludeerd worden dat er wordt voldaan aan de vaste afstanden uit artikel 3.119 van het Activiteitenbesluit. Hiermee wordt voor de bouw van een bouwwerk binnen het bouwvlak altijd voldaan aan de vaste afstanden gesteld in het Activiteitenbesluit. 4.9. Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving.

Fijnstof, zowel PM10 en PM2,5 komt voornamelijk door emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. Dit gebeurt continu (24 uur per dag). De belangrijkste bron bij een veehouderij zijn de stallen. Het vrijkomen van fijnstof ten gevolge van overige activiteiten op het bedrijf zijn verwaarloosbaar ten opzichte van de emissie uit de stallen. Voor het bepalen van de concentraties fijnstof in de omgeving van veehouderijen, zijn gegevens nodig over de hoeveelheid fijnstof die dieren produceren. Deze hoeveelheid varieert per dier en is afhankelijk van het huisvestingssysteem, zoals het type stal. De emissiefactoren voor fijnstof geven per huisvestingssysteem aan hoeveel fijnstof een bepaald dier per jaar produceert. PM10 Met behulp van het rekenprogramma ISL3a, zie tabel 4, is een berekening gemaakt van de belasting van fijnstof PM10 van de beoogde bedrijfsopzet op de gevoelige objecten in de omgeving. Door middel van het invullen van de invoergegevens (brongegevens en gegevens beschermde objecten) wordt berekend wat de jaargemiddelde fijnstofconcentratie (microgram/m3) en het aantal overschrijdingsdagen ter plaatse van de rekenpunten is. Uit de uitgevoerde berekening voor PM10 volgt dat de jaargemiddelde concentratie fijnstof maximaal 17,9 µg/m3 bedraagt.

De beoogde bedrijfsopzet voldoet dus ruimschoots aan de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie (40 µg/m3 conform Wet Luchtkwaliteit). Tevens volgt dat het aantal overschrijdingsdagen van het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 6,3 dagen bedraagt, wat eveneens ruimschoots voldoet aan de norm (35 dagen conform Wet Luchtkwaliteit). Tabel 4: ISL3a berekening beoogde situatie Vinkenberg 9 te Moergestel

Pagina 37 van 41

Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er daarom geen bezwaren ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. 4.10. Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In deze situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk de bouw van een nieuwe stal. In de inrichting vinden wel activiteiten plaats die een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. De eventuele geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsvoering is laag en de activiteiten vinden veelal inpandig of nabij de stallen plaats. Bovendien is de afstand tot de geluidgevoelige objecten zo groot dat de activiteiten geen overlast zullen veroorzaken. De richtafstand voor geluid is minimaal 30 meter en de dichtstbij liggende woning van derden, Vinkenberg 11, bevindt zich op een afstand van ca.

50 meter van de bestaande gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf op het perceel Vinkenberg 9 te Moergestel. 4.11. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.11.1. Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken Uit de risicokaart (afbeelding 17) blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij (minder dan 200 meter) de projectlocatie. De werkzaamheden in de beoogde situatie omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het plan ligt naast de A58, maar voorziet niet in de realisatie van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten. Er zullen derhalve geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid ontstaan.

Pagina 38 van 41

Afbeelding 17: Uitsnede risicokaart, projectlocatie rood omcirkeld

Pagina 39 van 41

5. Planologische afweging

Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor het veranderen van het stalsysteem. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Door het afwijken van het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling mogelijk (art. 2.12, lid1, sub a, onder 3º Wabo). Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat met de aanvraag geen nadelige gevolgen ontstaan voor milieu, mens en leefomgeving. De aanvraag is getoetst aan alle relevante beleidskaders op provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleid op geen van deze niveaus vormt een belemmering voor de aanvraag. Tevens is de aanvraag getoetst aan alle relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met de aanvraag geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving. De toetsingen aan de aspecten natuur, geluid en luchtkwaliteit tonen aan dat de aanvraag milieu-hygiënisch aanvaardbaar is. Met de toetsingen aan de aspecten natuur, omgevingskwaliteit en de bedrijven en milieuzonering wordt aangetoond dat de aanvraag planologisch aanvaardbaar is. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat de aanvraag een verantwoord initiatief betreft. Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen op de projectlocatie aan de Vinkenberg 9 te Moergestel doorgang vinden.

6. Bijlagen

Bijlage 1: Plattegrondtekening met landschappelijke inpassing Bijlage 2: Invoergegevens AERIUS Bijlage 3: AERIUS verschilberekening huidige situatie – beoogd Bijlage 4: Notitie randeffecten Bijlage 5: WNB vergunning 23-10-2015 Bijlage 6: ISL3a berekening beoogde situatie Bijlage 7: Invoergegevens ISL3a beoogde situatie Bijlage 8: Toelichting BZV Bijlage 9: Uitdraai BZV en bijlage Bijlage 10: Verslag omgevingsdialoog Bijlage 11: Landschappelijk inpassingsplan

Pagina 40 van 41

Pagina 41 van 41

Bijlage 1

BEDRIJFSOVERZICHT / AANTAL DIERPLAATSEN Gebouw GEBOUW 1 GEBOUW 3 GEBOUW 4 GEBOUW 5 GEBOUW 6 VASTE MESTOPSLAG TOTAAL

houtsingel 211,0 m²

8790 8790

3734

hwa naar sloot

2020

retentievoorziening 265,2 m³ (min. 479,1m²)

melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar vrouwelijk jongvee tot 2 jaar drijfmest opslag vaste mestopslag 52 84 2722 m³ 59 m³

199

8530

houtsingel 307 m²

9995

4500

150 2310

140

3010 2490 3010 150

22820

5000

voerhek

drinkbak

hek

140 2210 150

150 3510

2000 140

4860

15 m³ 30 m³ 104 m³

6087 m³

140 1995 140

150

2750

27860

AANTAL 1 1 1 1 1 2 2 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 1

OMSCHRIJVING compressor elektrisch handgereedschap kolomboormachine heteluchtkanon (mobiel) slijpsteen melkpoeder op pallet kunstmest op pallet diergeneesmiddelen close-in boiler voersilo voersilo voersilo voersilo loader computer drinkautomaat roerder reinigingsmotor reinigingsmiddelen (in kast) warmtepomp vacuümpomp koelaggregaat 11 kg R507 melkpomp tractor voerschuif mestschuif opslag oud ijzer afvalcontainer oud papier diergeneesmiddelen mestrobot kadaveropslag op vloeistofdichte vloer

CAPACITEIT 2,20 kW 10,0 kW 0,75 kW 12,0 kW 0,75 kW 250 kg 250 kg 10,00 kg / ltr 32,0 kW 7 ton 3 ton 8 ton 16 ton 45 kW 0,50 kW 2,25 kW 0,37 kW 1,37 kW 50,00 kg / ltr 1,00 kW 5,00 kW 7,00 KW 0,55 kW 45,00 kW 1,50 kW 1,50 kW 50,00 kg 250,00 ltr 250,00 ltr 10,00 kg / ltr 5,00 kW

140

65270

140

5289

nr

symbool voor motor erfverharding

1260

4465

150

11190

200

15400

150

150

17600

150

3410

200

betonrooster conform BWL 2010.34.V10 (ECO-vloer) nieuw aan te planten houtsingel

2360

7160

200 4000

3 ligboxen á 1100 mm.

14 ligboxen á 1100 mm.

kvb

15 ligboxen á 1100 mm.

mixput

bekapbox

14 ligboxen á 1100 mm.

16 ligboxen á 1100 mm.

BWL NUMMER 2010.34.V10

MEST BESMEURD OPP 203.1 m²

22 21 128 s

17 19 18

23

6

tuk sm

elk -e nk alfk oei en 14 ligboxen á 1100 mm.

2 x 12 zij-aan-zij melkstal

mixput

35 m

kvb kvb

14 ligboxen á 1100 mm.

OPPERVLAKTE BEBOUWING OMSCHRIJVING bestaande dakoppervlakte toename / afname dakoppervlakte TOTAAL

200 140

9400

voerdam

5060

BOUWVLAK GROEN OPPERVLAK PERCENTAGE

13845.7 m 2 2077.0 m 2 15.0 %

mixput

5000

27 200

Oppervlakte

4210

29290

Omschrijving

140

8540

8540

voerhek

OPPERVLAKTE 3665.0 m² 754.7 m² 4419.7 m²

GROEN OP ERF

4000

2300

200

mixput

16 ligboxen á 1100 mm.

14 ligboxen á 1100 mm. m.k.

3000

30

2470

2250

1300

brandhaspel in meters met KIWI-keur slangdoorlaat 3/4 inch volgens NEN 2559

STAL NR 1 (melk- en kalfkoeien)

2500

26

poederblusser voor brandklasse A, B en C met vermelding van inhoud in kg

SYSTEEMNUMMERS

2500

ber gzo lde rP +4 000

35 m

WM

20

3020

4200

4200 200 6490 150

hygiënesluis

of eg ien bo fkoe n l ke a zie n k al/ lk- e t s alf me afk ks stu 8

PB 6 kg

2500

2500 kolk

15

voerhek

nieuw aan te planten kruidenrijk grasland

2500

100

ts aa lpl n oe ge sp ewa ve

afleverruimte

koffie- en administratieruimte

2480 150

voerhek

voerhek

voerdam

24

2050

3620

5870

orziening hygiënevo

140

12

140

13

3300

strorooster

grens van het bouwvlak

3325

betonrooster

140

9180

drinkbak

21210 135 118 118 1050 1170 3440

2400

2390

4000

25

1960 100

drinkbak

5

kolk

100

5 2275 26

fvoer ater a vuilw

n 2 ligboxe . m á 1160 m

63750

960 100 150

landschappelijke inpassing

4200

1210

0 120 222

drinkbak

32090

3300

8400

mixput

mixput

90

110

mixput

20656

200

s r al mm. rde en á 1100 l ee en) + e e 25 ligbox ov oelat t el z n w els dit a d g t, e r r e e d wij incial ver v en e pro eien x o ligb r als d kalfko 24 e -20 el lat lk- en 1 0 01- l zove s me r e k e p mm. e ( dan w 19 stu en á 1100 gve 24 ligbox jon enst, s k it w stu 31 lder d me 26400

140

2750

140 140

200

110

db

drinkbak

1-202 4 ligb oxe 25 wel zo n verwijde stuks jong rt, ve veel la ter als dan wel zo e ve de pro vincia el eerder a le reg els dit ls melder d 15 ligboxen it wen toelate 10 ligboxen st, da n) n

landschappelijke inpassing

tuk sj on gv ee

drinkbak

schutting

²

25 s

2200 270

hout singe l 84 ,0 m

2600

4

(per 0 1-0

+

60

voerhek

mixput

24 ligboxen á 1160 mm.

hygiënevoorziening

drinkbak

hygiënevoorziening

elk en ka lfk oe ien

voerhek

drinkbak

80

1

voergang

10

31

29810

h ge

756

ks m

voerhek

11

31 13010

80

29

rd lde rke e nd lo ee

100 1310

80

220

6580 7616

220

poort

opslag hooi en stro

stu

db

2140 140

2946

33

berging

db

hek

6200

220 khout opslag stoo

13 ligboxen á 1113 mm.

52

db

voerhek

stu

14

db

voergang

ks j

voerhek

on gv ee

16

25 ligboxen á 827 mm.

hek

11 ligboxen á 950 mm.

afkalf/ ziekenboeg/ jongvee op stro

hek

28

15 ligboxen á 1113 mm.

21

PB 6 kg

mixput

14 ligboxen á 950 mm.

drinkbak

ops sta lag ho lling oi ma + str chi nes o + en we rktu ige n

20690 270

4690

3

grens van het bouwvlak

6 6

270

18970

270

9 8

7

4

11470

100

3920

100

140 2086 140

hek

7

17210

220

150

13640

150

4440

150

15400

150

200

3300

150

17600

44750

150

3410

200 200

6550

150

19000

10000

60000

ilo

oot

150

sl aar

30000

ilo

1350

150

an hw

at kuilpla

sleufs

sleufsilo

150

sleufs

houtsingel 272.6 m²

10000

6470

m 150 c wand

150

hoog

m 150 c wand

30000

3000

hoog

n grens va

het bou

wvlak

75 wand

og cm ho

5883

150

75 wand

27000

5874

og cm ho

3533

sloot

382

527

10000 4839

Vinkenberg

120 4

120

120

8800 houtsingel 322,0 m²

120

te slopen stallen 597

610

9 gre n

nieuw aan te leggen retentievoorziening 42 m³ sv an de in

nieuw te bouwen stal

405

5461

3532

583

6

120

gre ns

596

+8997

8 641

13

+4185

+1570

+0

+2950

+2768

+1850

+1980

+0

+0

642

634

SITUATIE

Kadastrale gemeente: Oisterwijk Sectie/nummer(s): L - 597 & 642 Schaal: 1:2000

-1900

-2180

DOORSNEDE STAL 3

nieuw aan te leggen sleufsilo's

N

w ZW

NO

O z

ZO

DOORSNEDE STAL 5 © VAN DUN ADVIES BV

+9705

+5377

600 overloopleiding

maximale waterstand

+2209 1:1

+0

+0

-1700

-1700

+0

inhoud retentievoorziening 265,2 m³

maaiveld

DOORSNEDE RETENTIE 1:50

PROJECTNUMMER

TEKENAAR

DATUM

Vestiging Gilze

21224.002

RoHe

08-06-2022

T. 013 5199458

TEKENING

SCHAAL

Vestiging Someren GHG = 60 cm - maaiveld

leegloopleiding naar sloot

-2200

DOORSNEDE STAL 6

200

+3000

600

800

+3835

variabel

600

+4130

DOORSNEDE STAL 4

644

NW

-800

DOORSNEDE STAL 1

g

11

11000

+1320

rich tin

van het bou wvl ak

wvlak et bou van h grens

vu

er at ilw

n er vo f a

ol rio

3650

270

24924

140

140 2000 140

1 2 3

PB 6 kg

looplijnen schets is hygiëneslu

140 2705 140

13 eenlingboxen

3480

3702

140

bouw vlak van h et grens

9834

4860

PB 6 kg

g opsla mest vaste

2000 140

ventilatierooster v.z.v. vertikale lamellen, aan binnenzijde afsluitbaar d.m.v. schuif

hwa afvoer naar retentievoorziening

5

jk eli nt e e em rg a a

150 2310

150

25535

140

NR. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 33

landschappelijke inpassing

145

513 m³ 452 m³ 2400 m³

MOTOREN EN DERGELIJKE

kruidenrijk grasland 880,4 m²

woonhuis nr 9

27 29

19 128

Melding Activiteitenbesluit

T. 0493 745015 info@vandunadvies.nl www.vandunadvies.nl

WIJZIGINGEN

1:200

1e

BLAD

2e

1-01

3e

ONDERWERP

Agrarisch bedrijf aan de Vinkenberg 9 te Moergestel

4e

11-10-2022 25-06-2025

Bijlage 2

Notitie:

Nadere toelichting geen vergunning Wet Natuurbescherming nodig

Locatie:

Vinkenberg 9, 5066PD te Moergestel

Kenmerk:

21224.003 / HDE

Datum:

21-07-2022

In deze notitie wordt een nadere toelichting voor het bedrijf aan de Vinkenberg 9 te Moergestel. Met deze notitie wordt aangetoond dat de gewenste ontwikkeling niet zorgt voor een toename van stikstofdepositie ten opzichte van de uitgangssituatie. Deze notitie bestaat uit de volgende onderdelen:

1. Uitgangssituatie ............................................................................................... 2 2. Beoogde bedrijfsopzet ..................................................................................... 2 3. Invoergegevens stikstofberekening AERIUS ................................................... 3 3.1.

Gebouwinvloed ................................................................................................ 3

3.2.

Invoergegevens uitgangssituatie 1: ................................................................... 4

3.3.

Invoergegevens beoogde situatie: ..................................................................... 8

4. Effect stikstofdepositie op buitenlandse Natura 2000-gebieden ................... 11 5. Conclusie ........................................................................................................ 11 6. Overzicht bijlagen .......................................................................................... 11

11

1

van

1. Uitgangssituatie Voor het bedrijf is een vergunning Wet natuurbescherming (kenmerk Z/006654) verleend door de provincie Noord-Brabant op 11-12-2015. Deze vergunning betreft de uitgangssituatie voor onderhavige aanvraag. De diertabel van deze vergunde situatie is hieronder toegevoegd. Tabel 1: Diertabel huidige Wnb-vergunning (d.d. 11-12-2015, kenmerk: Z/006654) Stal nr.

Huisvestingssysteem Code

Houderij/hoktype

1 A 3.100

overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen

2 A 3.100 4 A 3.100 5 A 1.100 5 A 3.100 6 A 1.100

Code systeembeschrijving permanent opstallen permanent opstallen

Diercategorie Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

Aantal dieren/ dierplaatsen

Ammoniak Totaal kg NH3 132,0

30

Kg NH3 per dier 4,4

64

4,4

281,6

22

4,4

96,8

80

13,0

1.040,0

24

4,4

105,6

120

13,0

1.560,0 3.216,0

totaal NH3

2. Beoogde bedrijfsopzet De aanvraag heeft betrekking op de wijziging van het bedrijf. In onderstaande tabel zijn de beoogde dieraantallen en huisvestingssysteem weergegeven. Tabel 2: Diertabel beoogde bedrijfsopzet Stal nr.

Huisvestingssysteem Code

1 A 1.13

1 A 3.100

1 A 3.100 1 A 3.100 4 A 3.100 5 A 1.100 5 A 3.100 6 A 1.100

Houderij/hoktype ligboxenstal met roostervloer voorzien van cassettes in de roosterspleten en mestschuif ligboxenstal met roostervloer voorzien van cassettes in de roosterspleten en mestschuif overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen

Code systeembeschrijving BWL 2010.34.V10 (Anders Beton (Ecovloer)) permanent opstallen BWL 2010.34.V10 (Anders Beton (Ecovloer)) permanent opstallen strohokken eenlingboxen permanent opstallen met beweiden

Diercategorie

Aantal dieren/ dierplaatsen

Ammoniak Totaal kg NH3 312,0

Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

52

Kg NH3 per dier 6,00

Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar

50

2,03

101,5

Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar

21

4,40

92,4

13

4,40

57,2

25

4,40

110,0

19

13,00

247,0

31

4,40

136,4

128

12,35

1.580,8

totaal NH3

2 van 11

2.637,3

Met de aangevraagde wijzigingen voldoet het bedrijf aan de eisen die per 01-01-2024 gelden conform de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Door wijziging van de stallen 1, 4 en 5 voldoen deze stallen individueel aan de maximale emissiewaarde die hierin is opgenomen. Voor stal 6 geldt dat deze per 1-1-2024 nog geen 20 jaar oud zijn zodat deze stallen nog niet hoeven te worden aangepast. In onderstaande tabel is per stal weergegeven wat de peildatum is conform de Interim Omgevingsverordening. Tabel 3: Overzicht ‘nieuwe’ stallen Stalnummer Eerste datum huisvestingsysteem

1 4 5 6

Toelichting

Na verlenen vergunning Voor 01-01-2004 Voor 01-01-2004 05-02-2012

3. Invoergegevens stikstofberekening AERIUS Voor de berekening van de stikstofdepositie is gebruik gemaakt van het rekenprogramma AERIUS Calculator 2021. De wijze van invoer hiervoor is opgenomen in de instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2021. Met behulp van deze gegevens worden in deze paragraaf de invoergegevens nader toegelicht. De volgende situaties zijn berekend: ▪ Uitgangssituatie 1: peildatum verleende vergunning Wet natuurbescherming (Z/006654) ▪ Beoogde situatie 3.1. Gebouwinvloed In AERIUS calculator kan het effect van een gebouw op de depositie meegenomen worden. Wanneer een emissiebron op een gebouw staat, of dichtbij een gebouw ligt, kan dit gebouw de verspreiding van de emissies beïnvloeden. Er dient in concentratie- en depositieberekeningen rekening te worden gehouden met gebouwinvloed wanneer aan alle onderstaande vier criteria wordt voldaan: 1. De bron is een stationaire puntbron. Emissiepunten van stallen (stalemissies) en (industriële) schoorstenen voldoen aan dit criterium. Bij niet-stationaire bronnen zoals wegverkeer, railverkeer, scheepvaart en mobiele werktuigen wordt gebouwinvloed niet meegenomen. Ook bij oppervlaktebronnen (terreinen van waaruit diffuse emissies plaatsvinden, bijvoorbeeld bij bemesten en beweiden) wordt gebouwinvloed niet meegenomen in de berekeningen. 2.

De puntbron staat op een dominant gebouw of dichtbij één of meerdere dominante gebouwen. Een dominant gebouw is een gebouw dat een relatief groot obstakel vormt in zijn omgeving. Meer uitleg is te vinden in paragraaf 2.1. 3. De hoogte van het emissiepunt is minder dan 2,5 maal de hoogte van het gebouw. Meer uitleg is te vinden in paragraaf 2.2. 4. De afstand van de emissiebron tot de meest nabije stikstofgevoelige natuur is minder dan 3 kilometer. Het gaat hier dus om de afstand tussen de bron met gebouwinvloed en het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat of leefgebied van soorten in Natura 2000-gebieden (dit zijn de locaties waarop AERIUS de bijdrage aan de stikstofdepositie berekent). Na 3 km kan worden verwacht dat er geen, of slechts zeer beperkt, sprake is van gebouweffecten. Na 3 km mag gebouwinvloed voor aanvragen worden verwaarloosd. Wordt aan al deze criteria voldaan, dan moet gebouwinvloed meegenomen worden in de berekening. Wordt aan een of meerdere criteria niet voldaan dan hoeft geen rekening te worden gehouden met gebouwinvloed. De bronnen zijn op een afstand van minder dan 3 kilometer van een stikstofgevoelige habitat of leefgebied van soorten gelegen. Gelet op de omgeving is er echter geen sprake van een dominant gebouw waardoor het gebouwinvloed niet hoeft te worden meegenomen in de berekening.

3 van 11

3.2. Invoergegevens uitgangssituatie 1: Bron 1: Stal 2 Emissiepunt: Natuurlijke ventilatie d.m.v. open nok X-coördinaat: 140 686 Y-coördinaat: 393 971 Luchtstroming: Ongeforceerd EP-hoogte: 5,65 meter hoogte open nok E-aanvraag: 281,6 kg NH3, - 64 stuks vrouwelijk jongvee (A 3.100) x 4,4 NH3 Bron 2: Emissiepunt: X-coördinaat: Y-coördinaat: Luchtstroming: EP-hoogte: E-aanvraag:

Stal 1 Natuurlijke ventilatie d.m.v. openstaande deur 140 671 393 993 Ongeforceerd 1,75 meter gemiddelde hoogte open deur (3,5 m + 0,0 m = 3,5 m/2) 132,0 kg NH3, - 30 stuks vrouwelijk jongvee (A 3.100) x 4,4 NH3

Bron 3: Emissiepunt: X-coördinaat: Y-coördinaat: Luchtstroming: EP-hoogte: E-aanvraag:

Stal 4 Natuurlijke ventilatie d.m.v. open zijgevel 140 662 393 976 Ongeforceerd 2,0 meter gemiddelde hoogte open zijgevel (4,0 m + 0,0 m = 4,0 m/2) 96,8 kg NH3, - 22 stuks vrouwelijk jongvee (A 3.100) x 4,4 NH3

Bron 4: Emissiepunt: X-coördinaat: Y-coördinaat: Luchtstroming: EP-hoogte: E-aanvraag:

Stal 6 Natuurlijke ventilatie d.m.v. open nok 140 707 393 921 Ongeforceerd 9,7 meter hoogte open nok 1.560,0 kg NH3, - 120 melk- en kalfkoeien (A 1.100) x 13,0 NH3

Bron 5: Emissiepunt: X-coördinaat: Y-coördinaat: Luchtstroming: EP-hoogte: E-aanvraag:

Stal 5 Natuurlijke ventilatie d.m.v. open zijgevel 140 641 393 944 Ongeforceerd 1,0 meter gemiddelde hoogte open zijgevel (2,0 m + 0,0 m = 2,0 m/2) 1.145,6 kg NH3, - 80 melk- en kalfkoeien (A 1.100) x 13,0 NH3 - 24 stuks vrouwelijk jongvee (A 3.100) x 4,4 NH3

Bron 6: Emissiepunt: Materiaal: Aantal: Bron 7: Emissiepunt: Materiaal: Aantal:

Lijnbron wegverkeer (noordelijke richting) Zware motorvoertuigen met dubbele achteras en/of vrachtwagens met aanhanger en lichte motorvoertuigen 843 zware voertuigbewegingen en 2.678 lichte voertuigbewegingen per jaar, zie Tabel 4 en onderstaande toelichting Lijnbron wegverkeer (zuidelijke richting) Zware motorvoertuigen met dubbele achteras en/of vrachtwagens met aanhanger en lichte motorvoertuigen 211 zware voertuigbewegingen en 669 lichte voertuigbewegingen per jaar, zie Tabel 4 en onderstaande toelichting

4 van 11

De bedrijfsvoering heeft ook tot gevolg dat er vrachtwagens en personenauto’s de locatie bezoeken. In de berekeningen dienen deze vervoersbewegingen te worden opgenomen totdat ze zijn opgenomen in het ‘heersende verkeersbeeld’. Een voertuig is opgenomen in het heersende verkeersbeeld indien het deze zich door de snelheid en rij-stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer. Hierbij dient ook de verkeersintensiteit van de weg te worden betrokken. In de berekening van de vervoersbewegingen zijn alle tractoren en vrachtwagens als zware motorvoertuigen geclassificeerd. Het is immers op voorhand niet bekend of een ‘kleine’ of ‘grote’ vrachtwagen het bedrijf bezoekt. Ook is niet expliciet benoemd of tractoren middelzware of zware motorvoertuigen zijn. Om een worst-case-situatie te hanteren zijn al deze vervoersbewegingen als zware motorvoertuigen in de berekening opgenomen. Het bedrijf is in noordelijke richting gelegen in de directe nabijheid van een snelweg. Deze weg kent een hoge verkeersintensiteit waardoor aangenomen kan worden dat het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld wanneer deze de snelweg heeft bereikt. Om deze reden is in de berekening van de verkeersaantrekkende werking een lijnbron in noordelijke richting opgenomen tot de kruising met de A58.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15922094/2