Bijlage - Toelichting ruimtelijke onderbouwing - Vinkenberg 9 Moergestel
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Projectafwijkingsbesluit
Vinkenberg 9, 5066 PD Moergestel
Colofon
Gemeente:
Oisterwijk
Projectlocatie:
Vinkenberg 9, 5066 PD Moergestel
Datum:
07-06-2022 / 12-10-2022 / 09-04-2024 / 24-12-2024 / 24-02-2025
Status:
Concept
IMRO-Code:
NL.IMRO.0824
Opgesteld door:
Van Dun Advies BV Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl
Projectnummer:
JH/21224.C011
Pagina 2 van 41
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding en doel ........................................................................................... 5
1.2.
Geldend planologisch regime ............................................................................ 5
1.3.
Procedure ....................................................................................................... 6
1.4.
Leeswijzer ....................................................................................................... 6
2. Planbeschrijving............................................................................................... 7 2.1.
Bestaande situatie............................................................................................ 7
2.2.
Beoogde situatie .............................................................................................. 8
2.2.1.
Landschappelijke inpassing ....................................................................... 10
3. Beleidskader................................................................................................... 11 3.1.
Provinciaal beleid ............................................................................................ 11
3.1.1. 3.1.2. 3.1.3. 3.2.
Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 11 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................ 11 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ........................................... 12
Gemeentelijk beleid......................................................................................... 16
3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.2.4. 3.2.5.
Veehouderijbeleid Oisterwijk 2016 ............................................................. 16 Visie Buitengebied .................................................................................... 18 Omgevingsvisie ........................................................................................ 18 Bestemmingsplan ..................................................................................... 18 Categorieënbesluit .................................................................................... 21
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 22 4.1.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 22
4.2.
Waterhuishouding ........................................................................................... 22
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.
Natuur ........................................................................................................... 27
4.3.1. 4.3.2. 4.4.
Waterrelevant beleid................................................................................. 22 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 24 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 25 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 27 Wet natuurbescherming ............................................................................ 28
Ammoniak ...................................................................................................... 32
4.4.1. 4.4.2.
Kwetsbare gebieden ................................................................................. 32 Besluit emissiearme huisvesting ................................................................. 32
4.5.
Bodemkwaliteit ............................................................................................... 34
4.6.
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 34
4.6.1. 4.6.2.
Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 34 Archeologie .............................................................................................. 35
4.7.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 35
4.8.
Geur .............................................................................................................. 36
Pagina 3 van 41
4.8.1.
Individuele hinder .................................................................................... 36
4.9.
Luchtkwaliteit ................................................................................................. 37
4.10.
Geluid ......................................................................................................... 38
4.11.
Externe veiligheid ........................................................................................ 38
4.11.1.
Regelgeving ............................................................................................. 38
5. Planologische afweging ................................................................................. 40 6. Bijlagen .......................................................................................................... 40
Pagina 4 van 41
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. 1.1. Aanleiding en doel De aanvrager exploiteert een melkveehouderij op de locatie aan de Vinkenberg 9 te Moergestel. Conform de vigerende vergunning, d.d. 15-02-2012, mogen er op de locatie 200 melk- en kalfkoeien en 140 stuks vrouwelijk jongvee worden gehuisvest. In de beoogde situatie worden op het bedrijf 199 melk- en kalfkoeien en 140 stuks vrouwelijk jongvee gehuisvest. In het kader van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant moet de rundveehouderij op termijn voorzien worden van emissiearme huisvesting. Om te voldoen aan de stalsysteem eisen van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant beoogt de aanvrager twee verouderde stallen te slopen en één nieuwe stal, welke voldoet aan de vereiste stalsystemen, terug te bouwen. De beoogde ontwikkeling is niet direct toegestaan in het vigerende bestemmingsplan. Om deze reden wenst de aanvrager een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan (op basis van art. 2.12, eerste lid, sub a onder 3° Wabo). Middels voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat met het initiatief geen nadelige gevolgen ontstaan voor milieu, mens en leefomgeving. 1.2. Geldend planologisch regime Op de locatie is het bestemmingsplan ‘Buitengebied correctieve herziening’, aldus vastgesteld d.d.
1604-2015, vigerend. Conform dit bestemmingsplan zijn op de projectlocatie de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing, zie afbeelding 1:
Afbeelding 1: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied correctieve herziening’ projectlocatie rode pijl
Conform artikel 3.4 lid o is het wijzigen van het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen niet toegestaan. In dit geval is er sprake van een wijziging van het stalsysteem. Tevens vindt er een toename van de oppervlaktemaat voor bedrijfsgebouwen plaats, wat volgens art. 3.3.2, lid o ook niet rechtstreeks kan worden toegelaten. Om de wijziging van het stalsysteem op de projectlocatie mogelijk te maken, wordt er een omgevingsvergunning aangevraagd om via een projectafwijkingsbesluit (art. 2.12, eerste lid, sub a onder 3º van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) af te kunnen wijken van het vigerende bestemmingsplan. Hiermee krijgt
Pagina 5 van 41
de aanvrager een vergunning om in afwijking van het bestemmingsplan de stalsysteem wijziging te realiseren. 1.3. Procedure De wijziging van het stalsysteem op de projectlocatie kan gerealiseerd worden middels een projectafwijkingsbesluit (art. 2.12, eerste lid, sub a onder 3º van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Hiermee blijft het vigerende bestemmingsplan ongewijzigd, maar krijgen de aanvragers een vergunning om in afwijking van het bestemmingsplan de activiteit uit te mogen voeren. Voor de toename van de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing wordt er getoetst aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, zoals opgenomen in artikel 3.3.2. Er is sprake van een omgevingsvergunning met de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Dit betekent dat er eerst een ontwerpbeschikking van de omgevingsvergunning wordt verleend. Deze wordt vervolgens voor een termijn van 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen tegen de ontwerp-omgevingsvergunning. Na afloop van deze termijn worden de eventuele zienswijzen en adviezen verwerkt, waarna een definitief besluit wordt genomen. Na definitieve verlening van de omgevingsvergunning wordt de beschikking nog 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan er beroep worden ingesteld. Daags na afloop van de beroepstermijn treedt de omgevingsvergunning in werking.
Indien er geen beroep wordt ingesteld, is de omgevingsvergunning op dat moment tevens onherroepelijk. 1.4. Leeswijzer In voorliggende ruimtelijk onderbouwing is in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, de ligging van de projectlocatie, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven.
Pagina 6 van 41
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de projectlocatie. 2.1. Bestaande situatie De projectlocatie is gelegen aan de Vinkenberg 9 in het buitengebied van Moergestel. De locatie is kadastraal bekend als de gemeente Oisterwijk, sectie L, nummers 597 en 642. In de omgeving van de projectlocatie zijn agrarisch bedrijven, woonbestemmingen en bedrijfsbestemmingen gelegen. De projectlocatie is gelegen op een afstand van circa 350 meter van de bebouwde kom van Moergestel en wordt gescheiden door de A58. Op de projectlocatie zijn momenteel één bedrijfswoning en 6 bedrijfsgebouwen aanwezig waarvan er 5 in gebruik zijn voor (conform de melding d.d. 15-02-2012) het huisvesten van 200 stuks melk- en kalfkoeien en 140 stuks vrouwelijk jongvee (tabel 1). In onderstaande afbeelding is de ligging van de projectlocatie in de omgeving weergegeven. - 1: Stal (wordt gesloopt) (Opp. = 270,9 m2) - 2: Stal (wordt gesloopt) (Opp. = 482,2 m2) - 3: Opslagruimte - 4: Stal/berging - 5: Stal - 6: Stal - 7: Bedrijfswoning Vinkenberg 9
7
1
3 4
2
5
6
Afbeelding 2: Uitsnede ligging projectlocatie rood omcirkeld
Pagina 7 van 41
Tabel 1: Huidige dieraantallen d.d. melding 15-02-2012 Huisvestingssysteem
Stal nr.
Code
Houderij/hoktype
1 A 3.100
overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen
2 A 3.100 4 A 3.100 5 A 1.100 5 A 3.100 6 A 1.100
Code systeembeschrijving met beweiden met beweiden
Diercategorie Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
Aantal dieren/ dierplaatsen
Ammoniak Totaal kg NH3 132,0
Geur (OUE/s) Totaal OUE/s
Fijnstof PM10 (g/jaar)
30
Kg NH3 per dier 4,4
64
4,4
281,6
0
38
2432
22
4,4
96,8
0
38
836
80
12,35
988,0
0
118
9440
24
4,4
105,6
0
38
912
120
12,35
1482,0
0
118
14160
3086,0 totaal OUE/s
0,0 totaal gram
totaal NH3
OUE/s /dier 0
g/dier /jaar 38
Totaal gram 1140
28920
2.2. Beoogde situatie In de beoogde situatie worden er op het bedrijf in totaal 199 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar en 140 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar gehuisvest. Ten opzichte van de geaccepteerde melding Activiteitenbesluit vinden er enkele wijzigingen (gefaseerd) plaats. Zoals eerder aangegeven moet de rundveehouderij in het kader van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant op termijn voorzien worden van emissiearme huisvesting. Om hieraan te voldoen, vindt de beoogde situatie plaats in 2 fases: ▪ Fase 1 tot uiterlijk 01-07-2026 of zoveel eerder als melder dit wenst, dan wel later indien de
Omgevingsverordening Noord-Brabant dit toelaat:
In fase 1 worden twee stallen (nummer 1 en 2, afbeelding 2) gesloopt, een nieuwe stal van 65,3 bij 23,1 meter wordt teruggebouwd (nummer 1, afbeelding 3) voor de huisvesting van 52 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar en 84 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. Deze 52 stuks melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar en 50 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar worden gehuisvest op het emissiearme stalsysteem BWL 2010.34.V10. Dit is een wijziging van het stalsysteem ten opzichte van de vergunde situatie. De overige 34 stuks vrouwelijk jongvee worden ook in de nieuwe stal gehouden, maar deze dieren worden niet gehuisvest op het emissiearme stalsysteem. In tabel 2 is per stal te zien welke dieraantallen gehuisvest worden in fase 1. Tabel 2: Fase 1 tot uiterlijk 01-07-2026 of zoveel eerder als melder dit wenst, dan wel later indien de Omgevingsverordening Noord-Brabant dit toelaat Stal nr.
Huisvestingssysteem Code
1 A 1.13
1 A 3.100
1 A 3.100 1 A 3.100 4 A 3.100 5 A 1.100 5 A 3.100 6 A 1.100
Houderij/hoktype ligboxenstal met roostervloer voorzien van cassettes in de roosterspleten en mestschuif ligboxenstal met roostervloer voorzien van cassettes in de roosterspleten en mestschuif overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen
Code systeembeschrijving BWL 2010.34.V10 (Anders Beton (Ecovloer)) permanent opstallen BWL 2010.34.V10 (Anders Beton (Ecovloer))
strohokken eenlingboxen permanent opstallen
met beweiden
Diercategorie
Aantal dieren/ dierplaatsen
Ammoniak Totaal kg NH3 312,0
Fijnstof PM10 (g/jaar)
Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
52
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
50
4,4
220,0
0
38
1900
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
21
4,4
92,4
0
38
798
13
4,4
57,2
0
38
494
25
4,4
110,0
0
38
950
19
13
247,0
0
148
2812
31
4,4
136,4
0
38
1178
128
12,35
1580,8
0
118
15104
totaal NH3
▪
Geur (OUE/s) Totaal OUE/s
Kg NH3 per dier 6
OUE/s /dier 0
g/dier /jaar 148
Totaal gram 7696
2755,8 totaal OUE/s
0,0 totaal gram
Fase 2 vanaf uiterlijk 01-07-2026, of zoveel eerder als melder dit wenst, dan wel later indien de Omgevingsverordening Noord-Brabant dit toelaat vinden ten opzichte van fase 1 de volgende wijzigingen plaats:
Pagina 8 van 41
30932
In fase 2 worden in gebouw 4 en 5 de ligboxen verwijderd (nummer 4 en 5, afbeelding 3). Door de ligboxen te verwijderen, wordt het jongvee in een groepshuisvesting gehouden. Deze manier van houden, geeft de dieren meer ruimte en deze ontwikkeling is positief voor het dierenwelzijn. In tabel 3 zijn de beoogde dieraantallen per stal weergegeven voor fase 2. Tabel 3: Fase 2 vanaf uiterlijk 01-07-2026, of zoveel eerder als melder dit wenst, dan wel later indien de Omgevingsverordening Noord-Brabant dit toelaat Stal nr.
Huisvestingssysteem Code
1 A 1.13
1 A 3.100
1 A 3.100 1 A 3.100 4 A 3.100 5 A 1.100 5 A 3.100 6 A 1.100
Houderij/hoktype ligboxenstal met roostervloer voorzien van cassettes in de roosterspleten en mestschuif ligboxenstal met roostervloer voorzien van cassettes in de roosterspleten en mestschuif overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen overige huisvestingssystemen
Code systeembeschrijving BWL 2010.34.V10 (Anders Beton (Ecovloer)) permanent opstallen BWL 2010.34.V10 (Anders Beton (Ecovloer))
strohokken eenlingboxen groepshokken permanent opstallen groepshokken met beweiden
Diercategorie
Aantal dieren/ dierplaatsen
Ammoniak Totaal kg NH3 312,0
Fijnstof PM10 (g/jaar)
Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
52
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
50
4,4
220,0
0
38
1900
Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar Vrouwelijk jongvee tot 2 jaar Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar
21
4,4
92,4
0
38
798
13
4,4
57,2
0
38
494
25
4,4
110,0
0
38
950
19
13
247,0
0
148
2812
31
4,4
136,4
0
38
1178
12,35
1580,8
0
118
15104
128
totaal NH3
3
Geur (OUE/s) Totaal OUE/s
Kg NH3 per dier 6
OUE/s /dier 0
g/dier /jaar 148
Totaal gram 7696
2755,8 totaal OUE/s
0,0 totaal gram
7 4 1
5 6
Afbeelding 3: Beoogde situatie projectlocatie
Pagina 9 van 41
30932
2.2.1. Landschappelijke inpassing
De landschappelijke inpassing is in de onderstaande afbeelding weergegeven en tevens in de bijlage op schaal bijgevoegd. De beoogde inpassing is afgestemd op de ‘Omgevingsvisie Oisterwijk’ en de directe omgeving. De directe omgeving wordt gekenmerkt door verschillende struweelhagen (met bovenstaanders), houtwallen/singels en bomenrijen. Hierdoor ontstaan belangrijke verbindingen voor flora en fauna. De beoogde situatie sluit hierop aan door de aanplant van verschillende struweelvormers met bomen, welke aansluiten op de omgeving en deels het zicht op de bedrijvigheid ontnemen. Daarnaast wordt er kruidenrijk grasland met een poel aangelegd wat bijdraagt aan de biodiversiteit van de omgeving.
Afbeelding 4: Landschappelijk inpassingplan
Pagina 10 van 41
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is, dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
3.1.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’ doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:
‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:
‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030, omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de planlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.
3.1.2. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014
De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De
Pagina 11 van 41
genoemde visie is vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie afbeelding 5, ligt de planlocatie in het gemengd landelijk gebied. In het gemengde landelijke gebied vindt een vermenging van functies plaats. Naast het gebruik van de gronden ten behoeve van de land- en tuinbouw, is er ook plaats voor natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Omdat de locatie in het gemengde landelijk gebied ligt, hanteert de provincie het multifunctionele gebruik als uitgangspunt. Deze veehouderij is dus onderdeel van een multifunctioneel gebied. Er vinden naast de bestaande veehouderij ook toerisme, kleinschalige stedelijke functies, waterfuncties, natuur en recreatie plaats. Het initiatief past daarom binnen de uitgangspunten van de Sv 2014.
Afbeelding 5: Uitsnede structuurvisie 2010-partiële herziening 2014, projectlocatie rode pijl
3.1.3. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant
De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 11-03-2022 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 15-04-2022 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2. Voor het
Pagina 12 van 41
overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de planlocatie ligt. De planlocatie ligt in de werkingsgebieden ‘Attentiezone waterhuishouding’, ‘Gemengd landelijk gebied’, ‘Landelijk gebied’ en ‘Stalderingsgebied’, zie afbeelding 6.
Afbeelding 6: Uitsnede Iov, hfs 3. Projectlocatie rood kruis
De voorwaarden behorende bij deze aanduidingen zijn opgenomen in de volgende artikelen: ▪ 3.26 attentiezone waterhuishouding ▪ 3.52 aanvullende regels stalderen Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: ▪ Zorgvuldig ruimtegebruik; ▪ De waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; ▪ Meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6) Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking).
Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Op de projectlocatie is sprake van een bestaand bouwperceel. De meeste wijzigingen vinden plaats binnen bestaande bebouwing, in de beoogde situatie worden twee verouderde stallen gesaneerd en
Pagina 13 van 41
wordt er één nieuwe stal conform de emissiearme stalsysteem eisen gebouwd. Deze stal wordt naast de meest nieuwe stal beoogd, de sleufsilo’s die op deze locatie liggen worden verplaatst en gesitueerd naast de sleufsilo’s die ten zuiden van het bouwvlak zijn gesitueerd. Door deze ontwikkeling komen de sleufsilo’s bij elkaar te liggen wat zorgt voor een efficiëntere bedrijfsvoering. Alle bebouwing is/wordt binnen het bouwvlak gesitueerd. Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: ▪ De ondergrond ▪ De netwerklaag ▪ De bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst.
De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In deze aanvraag wordt meerwaarde gecreëerd door de afname van de ammoniak emissie waardoor ook het leefmilieu in de omgeving wordt verbeterd. Er wordt geen (waardevolle) bebouwing gesloopt. Ook worden verouderde stallen gesaneerd en wordt hiervoor een duurzame stal, welke voldoet aan de regels voor emissiearme huisvesting, terug gebouwd. Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9) Een projectafwijkingsbesluit in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a.
bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Oisterwijk is ‘werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant’ van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 2 ontwikkeling wat betekent dat er een kwaliteitsverbetering van het landschap is vereist. De projectlocatie wordt landschappelijk ingepast, zie bijlage bij deze toelichting. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov.
Pagina 14 van 41
Attentiezone waterhuishouding (artikel 3.26) Doel van de attentiezone is om de waterhuishouding te beschermen bij nieuwe planologische besluiten en functies en activiteiten uit te sluiten die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. In lid 2 zijn voorwaarden gesteld om dat doel te kunnen bereiken, zie onderstaande toetsing aan deze voorwaarden:
Lid 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over: a. Het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet;
Deze voorwaarde is vervat in de regels van het bestemmingsplan. Indien in de beoogde situatie meer dan 100 m³ grond zal worden verzet om de beoogde bebouwing te kunnen realiseren zal een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden aangevraagd worden.
b. De aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage;
Er wordt geen drainage aangelegd.
c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
Met de beoogde ontwikkeling wordt de grondwaterstand niet verlaagd.
d. het beperken van het buiten een agrarisch oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten.
bouwperceel
aanbrengen
van
De aanleg van de verharde oppervlakte ten behoeve van de nieuw te bouwen stal wordt zo beperkt mogelijk aangebracht, ook worden er twee verouderde stallen gesloopt. In paragraaf 4.2 van deze toelichting is uitgebreid uiteengezet dat er geen negatieve effecten ten aanzien van de waterhuishoudkundige situatie zullen plaatsvinden in de beoogde situatie ten opzichte van de bestaande situatie.
Lid 3. Het tweede lid is niet van toepassing op werkzaamheden die behoren tot het normale beheer en onderhoud. N.v.t.
Aanvullende regels nieuw dierenverblijf (artikel 3.50) In de Iov zijn in dit artikel regels opgenomen voor een nieuw dierenverblijf. Deze regels zijn al opgenomen in het bestemmingsplan en derhalve is niet getoetst aan de regels die zijn opgenomen in de Iov. In paragraaf 3.2.4 wordt aan deze regels getoetst.
a. Een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als: 1. Maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij;
Er wordt gesteld dat er maatregelen worden getroffen en in stand gehouden worden, die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij. Deze zorgvuldige veehouderij kan worden getoetst middels een internetapplicatie. Middels deze applicatie wordt een score berekend, de zgn. BZV-score. Middels deze applicatie moet een score van 7,25 worden behaald, hierdoor heeft een bedrijf ontwikkelruimte verdiend. De projectlocatie voldoet aan deze score met een 7,26 dit wordt in de toelichting BZV uit de bijlage nader toegelicht. In het kader van de BZV wordt de projectlocatie landschappelijk ingepast, de landschappelijke inpassing is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd.
2. De ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;
De beoogde ontwikkeling is passend in de omgeving. In het kader van deze aanvraag om omgevingsvergunning is de uitbreiding getoetst aan het bestemmingsplan en in de melding Activiteitenbesluit zijn de milieuaspecten beoordeeld. Ook in deze toelichting wordt getoetst of de ontwikkeling niet tot onevenredige geurhinder leidt. Hiervoor is gekeken naar de vaste afstanden.
a. Is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen
Pagina 15 van 41
worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
Op dit bedrijf zijn melk- en kalfkoeien en vrouwelijk jongvee aanwezig. Voor de diercategorieën melken kalfkoeien en vrouwelijk jongvee is bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor opgenomen. Daarom is hiervoor geen berekening van de achtergrondbelasting geur uitgevoerd met het programma V-stacks Gebied. Het bedrijf levert in deze ook geen bijdrage aan de aanwezig achtergrondbelasting. In de melding van het activiteitenbesluit is echter wel getoetst aan de vaste afstanden, welke gesteld zijn in art. 3.116 t/m 3.119 van het activiteitenbesluit. Naar aanleiding van toetsing aan het activiteitenbesluit is een nadelig effect op geurhinder uit te sluiten.
3. Een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.
Initiatiefnemer heeft voorafgaand aan deze aanvraag een dialoog gevoerd met zijn directe omgeving. Alle omwonenden binnen 500 meter van het bedrijf hebben de mogelijkheid gehad om een reactie te geven op de beoogde plannen. Initiatiefnemer heeft aan de hand van de tekening de plannen uitgelegd. Een verslag van de omgevingsdialoog is in de bijlage bijgevoegd.
4. Binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden;
De dieren op de projectlocatie worden alleen op de grond gehouden.
b. Bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan onderdeel a.
N.v.t.
Aanvullende regels stalderen (artikel 3.52) In de Iov zijn in dit artikel regels opgenomen voor stalderen. Stalderen betekent dat er pas mag worden uitgebreid in m2 hokdierenverblijf (bij bouw of gebruikswijziging) als elders 120% of 200% van de oppervlakte aan dierenverblijf wordt gesaneerd. Op de projectlocatie is geen sprake van een hokdierhouderij, hierdoor is dit artikel niet van toepassing voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een omgevingsvergunning en wordt een zorgvuldige veehouderij verzekerd door opname van voorwaarden in de omgevingsvergunning. 3.2. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke veehouderijbeleid, de visie Buitengebied, de omgevingsvisie, het bestemmingsplan en het categorieënbesluit.
3.2.1. Veehouderijbeleid Oisterwijk 2016 In de raadsvergadering van 21 april 2016 heeft de gemeenteraad de nota ‘Veehouderijbeleid Oisterwijk 2016’ vastgesteld als opvolger van het interim beleid veehouderij uit 2014. Met het vaststellen van het interim beleid werd het college destijds opgedragen om: “samen met de raad en alle belanghebbenden (boeren en burgers) een zorgvuldig proces op te starten om te komen tot een voor de gemeente Oisterwijk passend beleid”. Dit heeft geleid tot het ‘Veehouderijbeleid Oisterwijk 2016’. Om te komen tot een goede afweging van belangen en gevolgen van het veehouderijbeleid is gewerkt met scenario’s. Immers, het veehouderijbeleid heeft effect op andere functies en de wijze waarop de gemeente in bepaalde mate actief beleid gaat voeren. Bij de scenario’s is steeds uitgegaan van een aantal uitgangspunten: 1. Alle scenario’s zijn duurzaam. De accenten van duurzaamheid verschillen per scenario; 2. Het scenario moet redelijkerwijs haalbaar zijn; 3. Het buitengebied moet leefbaar en economisch vitaal zijn om kwaliteit te behouden.
Pagina 16 van 41
Na vaststelling van de startnotitie is gestart met het interviewen van belangengroepen en experts. Daarna zijn twee stemavonden gehouden waarbij de belangrijkste thema’s aan bod kwamen, die in de interviews naar voren zijn gekomen. Als laatste is een werkgroep van belanghebbenden bij elkaar gekomen om gedetailleerdere input te geven op de inhoud en het proces. Om te komen tot dit beleid zijn drie scenario’s ontworpen: 1. Duurzame groei; 2. Duurzame consolidatie; 3. Duurzame krimp. Elk van de scenario’s is vanuit een andere visie ingegeven, maar elk scenario is haalbaar, duurzaam en gaat uit van behoud van kwaliteit van het buitengebied. Duurzame groei veehouderij De visie voor dit scenario is dat het agrarische karakter van het platteland waardevol is voor de ondernemer en de bezoeker. In dit scenario behoud het buitengebied zijn agrarische karakter met bijbehorende teelten. Dat is ook gezien vanuit recreatie van belang. Recreanten kunnen blijven genieten van de afwisseling tussen kernen, natuur en een herkenbaar platteland. Duurzame consolidatie veehouderij Dit scenario is ingegeven vanuit de visie dat een vitaal platteland belangrijk is en dat veehouderij daar een belangrijk onderdeel van is, net als wonen en recreatie. Echter, het plafond is wel bereikt.
Niet alleen vanwege geur en fijnstof, maar ook de toename van bijvoorbeeld zwaar transport, dat onlosmakelijk verbonden is met de groei van bedrijven, is ongewenst. Dat laatste is niet in regelgeving gevat maar het kan wel degelijk een effect hebben op de leefbaarheid van het platteland. Centrale mestverwerking is in dit scenario maatwerk. Mestverwerking is qua geur goed te normeren (geen veehouderij, maar strengere industrienormen) en te controleren, maar qua zwaar transport kan de aan- en afvoer van mest leiden tot overlast. Duurzame krimp De visie voor dit scenario is dat veehouderij en de gemeente Oisterwijk niet goed samengaan, tenzij grondgebonden. De effecten van de bestaande bedrijven op het Natura 2000-gebied zijn té significant en het Natura 2000-gebied is té overbelast. Ook is het effect van de veehouderij op de leefbaarheid van de gemeente Oisterwijk niet langer meer te accepteren. De gemeente wil toe naar een duurzame gemeente waarbij het streven is dat eenieder fijn kan wonen. Daarin neemt de gemeente de verantwoordelijkheid en neemt een actieve regierol om bedrijven te laten beëindigen. De uitwerking van de drie scenario’s staat uitgebreid in de nota en de daarbij behorende bijlagen. De gemeente heeft met de vaststelling van het beleid gekozen voor het scenario ‘Duurzame groei’.
Naast bovenstaande uitleg van het scenario betekent dit scenario onder meer dat voor het behouden van vitale bedrijven, mogelijkheden worden geboden om het bouwvlak te veranderen en op het bestaand bouwvlak te ontwikkelen. Maar vergroten van het bouwvlak wordt, ook buiten het bestemmingsplan om, niet toegestaan. De nota stelt dat voor geur geldt dat het plafond bereikt is. De gemeente heeft in 2019 een geurgebiedsvisie opgesteld, waarbij de huidige achtergrondbelasting wordt gebruikt als uitgangspunt. Qua gezondheid wil de gemeente geen risico nemen. Op advies van de GGD wordt in een zone van 250 meter rondom de kernen geen ontwikkeling meer toegestaan. Dat betekent een zogenaamd ‘slot op de muur’: Er mag geen extra bebouwing meer worden gerealiseerd ten behoeve van de veehouderij, ook al is er nog ontwikkelruimte op het bouwvlak. Ondanks dat op dit moment is het nog niet in te schatten of het juridisch houdbaar is, is de gemeente toch voornemens in te zetten op deze zonering. De aanvraag heeft betrekking op het intern wijzigen van dieraantallen en stalsystemen in de bestaande stallen en de nieuwe stal. In de beoogde situatie worden twee verouderde, bestaande stallen gesaneerd en wordt er één nieuwe stal met emissiearme stalsysteem teruggebouwd binnen het bestaande bouwvlak, deze stal komt verder van de bebouwde kom af te liggen dan de huidige stallen (circa 380
Pagina 17 van 41
meter). Daarnaast wordt de ammoniak emissie verminderd ten opzichte van de vergunde situatie en nemen de dieraantallen (met één melk- en kalfkoe) af. Het initiatief is passend binnen de visie van de gemeente Oisterwijk.
3.2.2. Visie Buitengebied
De gemeente Oisterwijk heeft op 29 september 2022 de Visie Buitengebied vastgesteld. In de Visie Buitengebied wordt voor het buitengebied ingegaan op verschillende thema’s. Deze thema’s vormen de basis voor het beleid dat de gemeente in het gebied wil voortzetten. Uit de Visie Buitengebied blijkt dat voor het aspect landbouw wordt ingezet op het versnellen van het besluitvormingsproces voor bedrijven die willen innoveren in duurzaamheid en dierenwelzijn. Daarnaast streeft de gemeente in de schil rond de dorpskernen en bebouwingsconcentraties naar een scherpere geurnorm van de veehouderij voor het beperken van (geur)overlast en het bevorderen van het woonen leefklimaat. Het bedrijf op de projectlocatie wil in de beoogde situatie minder dieren houden en gebruik maken van een emissiearm stalsysteem in een nieuw te realiseren stal. Deze ontwikkeling heeft een positieve bijdrage op het gebied van duurzaamheid en dierenwelzijn. Door het emissiearm stalsysteem wordt de emissie van ammoniak gereduceerd wat positief bijdraagt aan het woon- en leefklimaat en het overschakelen van ligboxen naar groepshuisvesting bij het jongvee zorgt voor een verbeterd dierenwelzijn. Derhalve is het initiatief passen binnen de Visie Buitengebied van de gemeente Oisterwijk.
3.2.3. Omgevingsvisie
De gemeente Oisterwijk heeft op 22 december 2016 de omgevingsvisie vastgesteld. In de omgevingsvisie wordt per gebied ingegaan op verschillende thema’s. Deze thema’s vormen de basis voor het beleid dat de gemeente in het gebied wil voortzetten. Uit de omgevingsvisie blijkt dat de locatie is gelegen binnen het gebied ‘bebouwingsconcentratie Vinkenberg’. De omgevingsvisie voorziet in investeringen in het landschap bij ontwikkelingen. Dit wordt gedaan door middel van een landschappelijke inpassing. Het veehouderijbeleid binnen de gemeente is gericht op een duurzame groei waarbij wordt ingezet op de ontwikkellijn ‘gemengde plattelands economie’. Vanuit de aspecten gezondheid en geur is in het veehouderijbeleid bepaald dat binnen een straal van 250 meter van de woonkernen geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de veehouderij is toegestaan. De projectlocatie ligt op circa 350 meter van de woonkernen, de ammoniak emissie neemt af door de verduurzaming van de stallen en de uitstraling naar de omgeving verbeterd door het saneren van twee verouderde bestaande stallen en de herbouw van een nieuwe stal. De ontwikkeling voldoet aan de omgevingsvisie van Oisterwijk.
3.2.4. Bestemmingsplan
Op de locatie is het bestemmingsplan ‘Buitengebied correctieve herziening’, aldus vastgesteld d.d. 1604-2015, vigerend. Conform dit bestemmingsplan zijn op de projectlocatie de volgende bestemmingen en aanduidingen van toepassing, zie afbeelding 7:
Pagina 18 van 41
Afbeelding 7: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied correctieve herziening’ projectlocatie rode pijl
Conform artikel 3.4 lid o is het wijzigen van het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen niet toegestaan. Om de wijziging van het stalsysteem op de projectlocatie mogelijk te maken, wordt er een omgevingsvergunning aangevraagd om via een projectafwijkingsbesluit (art. 2.12, eerste lid, sub a onder 3º van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) af te kunnen wijken van het vigerende bestemmingsplan. Hiermee krijgt de aanvrager een vergunning om in afwijking van het bestemmingsplan de stalsysteem wijziging te realiseren. Conform het vigerende bestemmingsplan is er vanwege de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ een veehouderij op de projectlocatie toegestaan. Op grond van artikel 3.2.1 onder c voor bedrijfsbebouwing ten behoeve van een veehouderij ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ de bestaande oppervlaktemaat als maximum. In de beoogde situatie is er sprake van één nieuwe stal en vindt er een toename van de oppervlakte van bedrijfsgebouwen plaats. Derhalve wordt daarom getoetst aan artikel 3.3.2 van het vigerende bestemmingsplan.
Artikel 3.3.2 Afwijking vergroting bedrijfsbebouwing veehouderij Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaald in lid 3.2.1 onder c voor de uitbreiding van bebouwing voor de uitoefening van niet -intensieve veehouderij of intensieve veehouderij, met inachtneming van het volgende: a. medewerking wordt slechts verleend voor de gronden met de aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' en uitsluitend voor de ter plaatse toegelaten vormen van veehouderij;
De projectlocatie is gelegen ter plaatse de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' en voldoet hiermee aan dit artikel.
b. medewerking wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag;
Er wordt gesteld dat er maatregelen worden getroffen en in stand gehouden worden, die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij. Deze zorgvuldige veehouderij kan worden getoetst middels een internetapplicatie. Middels deze applicatie wordt een score berekend, de zgn. BZV-score. Middels
Pagina 19 van 41
deze applicatie moet een score van 7,25 worden behaald, hierdoor heeft een bedrijf ontwikkelruimte verdiend. De projectlocatie voldoet aan deze score met een 7,26 dit wordt in de toelichting BZV uit de bijlage nader toegelicht. In het kader van de BZV wordt de projectlocatie landschappelijk ingepast, de landschappelijke inpassing is als bijlage bij deze toelichting toegevoegd. c. de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving; De beoogde ontwikkeling is passend in de omgeving. In het kader van deze aanvraag om omgevingsvergunning is de uitbreiding getoetst aan het bestemmingsplan en in de melding Activiteitenbesluit zijn de milieuaspecten beoordeeld. Ook in deze toelichting wordt getoetst of de ontwikkeling niet tot onevenredige geurhinder leidt. Hiervoor is gekeken naar de vaste afstanden.
d. afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;
Het betreft hier een bestaande melkveehouderij waar twee bestaande stallen worden gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een nieuwe stal gebouwd. De uitbreiding vindt plaats binnen het bestaande bouwvlak en in het kader van deze aanvraag om omgevingsvergunning is de uitbreiding getoetst aan het bestemmingsplan en in de melding Activiteitenbesluit zijn de milieuaspecten beoordeeld. Gelet op deze beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde uitbreiding passend is in de omgeving. De realisatie van de nieuwe stal, welke voldoet aan de emissiearme stalsysteem eisen op het bedrijf, zal derhalve geen invloed uitoefenen op de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen.
e. het bepaalde in lid 3.2.1 onder i blijft van toepassing voor de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij';
De locatie is niet gelegen ter plaatse de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij ' en voldoet hiermee aan dit artikel. f. medewerking wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij
uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 % , tenzij er - indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
Op dit bedrijf zijn melk- en kalfkoeien en vrouwelijk jongvee aanwezig. Voor de diercategorieën melken kalfkoeien en vrouwelijk jongvee is bij ministeriële regeling geen geuremissiefactor opgenomen. Daarom is hiervoor geen berekening van de achtergrondbelasting geur uitgevoerd met het programma V-stacks Gebied. Het bedrijf levert in deze ook geen bijdrage aan de aanwezige achtergrondbelasting. In de melding van het activiteitenbesluit is echter wel getoetst aan de vaste afstanden, welke gesteld zijn in art. 3.116 t/m 3.119 van het activiteitenbesluit. Naar aanleiding van toetsing aan het activiteitenbesluit is een nadelig effect op geurhinder uit te sluiten.
g. medewerking wordt slechts verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m 3;
Met het programma ISL3a is het jaargemiddelde concentratie berekend. De rekenresultaten zijn weergegeven in de bijlage. De individuele belasting door het bedrijf op het zwaarst belaste gevoelige object bedraagt 17,9 µg/m3. Dit is lager dan de maximale waarde van 31,2 µg/m3. Daarom voldoet de gewenste ontwikkeling aan het gestelde.
h. medewerking wordt slechts verleend indien een zorgvuldige dialoog is gevoerd met de omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling, en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
Initiatiefnemer heeft voorafgaand aan deze aanvraag een dialoog gevoerd met zijn directe omgeving. Alle omwonenden binnen 500 meter van het bedrijf hebben de mogelijkheid gehad om een reactie te geven op de beoogde plannen. Initiatiefnemer heeft aan de hand van de tekening de plannen uitgelegd. Een verslag van de omgevingsdialoog is in de bijlage bijgevoegd.
i.
op de gronden met de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij 1' wordt medewerking slechts verleend indien - met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels zoals op basis van de Interim omgevingsverordening NoordBrabant zijn vastgesteld, zoals deze gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag - is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
Pagina 20 van 41
De locatie is niet gelegen ter plaatse de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' en daarom is dit artikel niet van toepassing.
j.
het bepaalde in lid b en i is niet van toepassing op uitbreidingen kleiner dan 100 m 2;
De uitbreiding (terugbouw van één nieuwe stal) betreft een grotere omvang dan 100 m2 en daarom is dit artikel niet van toepassing.
k. medewerking wordt niet verleend voor gronden met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3', 'specifieke bouwaanduiding - 4' of 'specifieke bouwaanduiding - 15' .
De locatie is niet gelegen ter plaatse de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 3', 'specifieke bouwaanduiding - 4' of 'specifieke bouwaanduiding - 15' en daarom is dit artikel niet van toepassing.
3.2.5. Categorieënbesluit
De mogelijkheid voor een projectafwijkingsbestluit is opgenomen in artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3 van de Wabo. Hierbij geldt dat door middel van een goede ruimtelijke onderbouwing een omgevingsvergunning kan worden verleend. Voorwaarde voor deze vergunning is dat de gemeenteraad heeft verklaard hiertegen geen bedenkingen te hebben. In artikel 6.5 lid 3 van de Bor wordt de mogelijkheid aan de raad geboden om een lijst van categorieën vast te stellen waarvoor een algemene verklaring van geen bedenkingen geldt en het verkrijgen van een verklaring van geen bedenkingen per specifiek geval. Als een aanvraag past binnen deze lijst, is het college dan zelf bevoegd te beoordelen of een activiteit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hierdoor kan op basis van artikel 2.27 van de Wabo alsnog een omgevingsvergunning worden verleend door het bevoegd gezag. De gemeente Oisterwijk heeft, op basis van artikel 2.27 lid 1 van de Wabo en artikel 6.5 lid 3 van de Bor, een categorieënbesluit opgenomen.
In dit categorieënbesluit is opgenomen dat een verklaring van bedenkingen niet vereist is indien: - De locatie is gelegen buiten 250 meter van de bebouwde kom of een Natura 2000-gebied; - De locatie is gelegen binnen 250 meter van de bebouwde kom of een Natura 2000-gebied, waarbij geen toename plaatsvindt van het aantal dierplaatsen en/of de emissies afnemen ten opzichte van de vergunde situatie. De beoogde ontwikkeling aan de Vinkenberg 9 is gelegen binnen een afstand van 250 meter van de kernen, voorziet niet in toename van ammoniakemissie (juist een afname), maar wel een toename van fijnstof, en neemt af in dieraantallen. Voor deze ontwikkeling is derhalve een verklaring van geen bedenkingen noodzakelijk.
Pagina 21 van 41
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Voor de beoogde bedrijfsopzet dient een omgevingsvergunning, met o.a. de activiteit projectafwijkingsbesluit, te worden verleend. Een omgevingsvergunning wordt in het kader van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als een project. In hetzelfde besluit staat vervolgens beschreven wanneer een project onder de m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht valt. Voor verschillende diercategorieën worden hier aantallen weergegeven wanneer dergelijke plichten van toepassing zijn bij een oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren (categorie C 14 en D 14 Besluit m.e.r.).
Bij de volgende dieraantallen (oprichting, wijziging of uitbreiding) geldt een M.e.r.-beoordelingsplicht (D14) voor 200 melk- en kalfkoeien en 340 stuks vrouwelijk jongvee. In de beoogde bedrijfsopzet is er sprake van een afname in dieraantallen. Er worden twee stallen gesaneerd en één nieuwe stal wordt teruggebouwd conform de emissiearme huisvestingsystemen. Op de projectlocatie zijn in de beoogde situatie 199 melk- en kalfkoeien en 140 stuks vrouwelijk jongvee aanwezig. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: 1. Beschrijving waterrelevant beleid; 2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie; 3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1. Waterrelevant beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken, is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie De wijze waarop de provincie omgaat met water, is beschreven in het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027). Provinciale Staten hebben op 22 december 2021 het Regionaal Water en Bodem Programma (2022-2027) vastgesteld (RWP). Hiermee is de RWP de opvolger van het Provinciaal Milieu en waterplan (PMWP). Door middel van het RWP wordt beleid vastgesteld om te komen tot een klimaat robuust water en bodemsysteem in 2050, en zorg te dragen voor veilig, schoon en voldoende
Pagina 22 van 41
water en een vitale bodem in de provincie Noord-Brabant. Belangrijk uitgangspunt van het RWP is de Europese Kader Richtlijn Water (KRW) als een mijlpaal op weg naar een klimaatrobuust en veerkrachtig water- en bodemsysteem in 2050. In dit programma ligt de focus op zuinig zijn op water en de bodem, en het water en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden (systeemgericht). De focus ligt dus niet meer op wateroverlast voorkomen en water zo snel mogelijk afvoeren (probleemgericht). Doel van RWP: ▪ Voldoende water ▪ Schoon water ▪ Veilig water ▪ Vitale bodem ▪ Klimaatadaptatie
Afbeelding 8: Uitsnede RWP 2022-2027, projectlocatie rode pijl
Waterschap De Dommel Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten, zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving.