Bijlage - Ruimtelijke motivering Moergestelseweg
Tekst van het document
5.7
Kwaliteit van de buitenlucht
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit.
Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
26
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft.
Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:
• • •
bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
Projectspecifiek De beoogde projectlocatie valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, gelijk aan 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.8
Natuur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudings- doelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
27
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen
van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
• •
er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Onderzoek Er is door IdVerde een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld: voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage bij deze motivering. Ten aanzien van broedvogels wordt het volgende geconcludeerd; De werkzaamheden dienen buiten de broedperiode (deze loopt van maart-augustus) uitgevoerd te worden. Wanneer het niet mogelijk is om de werkzaamheden in deze periode uit te voeren of op te starten dient er een broedvogelcheck maximaal 3 dagen voorafgaand aan de werkzaamheden door een ecoloog uitgevoerd te worden. Indien nesten aanwezig zijn dienen werkzaamheden uitgesteld te worden totdat de jongen het nest hebben verlaten.
28
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woning is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat. Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie. Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. Een stikstofberekening voor de aanleg-, en gebruiksfase is door Van Empel milieuadvies uitgevoerd en als bijlage aan de motivatie toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: Het is essentieel dat de aannemer ten tijde van de bouwwerkzaamheden bij de op diesel aangedreven machines en werktuigen gebruik maakt van minimaal stageklasse IV materiaal (met AdBlue-systeem).
Ten aanzien van de inzet van graafmachines, hijskranen en verreikers is minimaal een stage V-klasse nodig. Met deze uitgangspunten blijft onderhavige aanlegfase binnen de gewenste drempelwaarde van 0,00 mol/ha/jr. Uit de rekenresultaten blijkt dat de gewenste ontwikkeling in de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie in de beoogde situatie bedraagt 0,00 mol/ha/jr. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de beoogde situatie, geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Conform de “Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ12 is geen passende beoordeling noodzakelijk. Conclusie Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.9
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
29
Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
• • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl) Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)
Projectspecifiek De beoogde projectlocatie valt niet in een van de aandachtsgebieden en is niet gelegen in de nabijheid van risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit. Nader onderzoek naar omgevingsveiligheid is daarom niet benodigd. Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies
5.10 Wegen, verkeer en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren. Wettelijk kader De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Dit geldt ook bij buitenplanse omgevingsvergunningen. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. De gemeente Oisterwijk streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Hiervoor heeft de gemeente Oisterwijk de Beleidsregels Parkeernormen gemeente Oisterwijk 2024 (Beleidsregels) vastgesteld. Deze nota is het uitgangspunt voor het parkeerbeleid binnen de gemeente en is gehanteerd bij het samenstellen van de parkeerbalans.
Parkeerbehoefte Voor de beoogde ontwikkeling speelt ook de vraag wat de nieuwe functies aan parkeerbehoefte met zich meebrengen en op welke wijze deze parkeervraag kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat deze ruimtebehoefte in principe op het eigen terrein, dus niet in de openbare ruimte wordt opgevangen. 30
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Voor het bepalen van de parkeervraag heeft de gemeente Oisterwijk haar parkeernormen gebaseerd op de CROW-publicatie (Publicatie 317: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). Deze veelgebruikte systematiek berekent het aantal benodigde parkeerplaatsen door de oppervlakte van een bepaalde functie te vermenigvuldigen met een norm per 100 m2 BVO (bedrijfsvloeroppervlakte) en voor woningen geldt dat het aantal woningen van een bepaalde categorie wordt vermenigvuldigd met de norm per woning. In de Beleidsregels is bepaald dat de locatie is gelegen in de zone “buitengebied” en dat de stedelijkheidsgraad voor de gemeente Oisterwijk is bepaald op “weinig stedelijk”. Voor de ontwikkeling is op basis van de nota bepaald dat hier een norm 0,7 parkeerplaatsen voor een tijdelijke woning nodig is. Voor de 24 woningen betekent dit dat er (24 x 0,7) 16,8 (afgerond 17) parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd. Op het terrein van de voormalige school direct noordelijk van de 24 woningen worden er 20 parkeerplaatsen op een parkeerterrein aangelegd. Hiermee wordt voldaan aan de in de nota gestelde norm. Ontsluiting De woningen worden via een eigen inrit op de Sportlaan via de bestaande rotonde direct ontsloten op de Moergestelseweg. De afwenteling van het verkeer op deze dorpsontsluitingsweg is gering ten opzichte van de bestaande hoeveelheid verkeersbewegingen in de omgeving.
Bovendien komen de verkeersbewegingen als gevolg van de voormalige school te vervallen waardoor er ten opzichte van het gebruik van de school sprak zal zijn van een afname van het aantal verkeersbewegingen. Het feit dat er een bestaande rotonde aanwezig is, betekent dat de doorstroming van het verkeer op een vlotte wijze zal verlopen. Te treffen maatregelen Er zal een eigen inrit op de Sportlaan worden gerealiseerd ten behoeve van de ontsluiting van het parkeerterrein voor de nieuwe woningen. Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.11 Water en watersysteem Toetsingskader Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het project op stedelijk afvalwater, grondwater en hemelwater (par. 5.1.3.1 Bkl). De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat per ontwikkeling de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken. Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. Vanuit de Omgevingswet heeft de provincie naast een omgevingsvisie een omgevingsverordening vastgesteld voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Verder is een Regionaal Water en Bodem programma (RWP 2022-2027) door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaat adaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem.
Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. De concretere invulling met regels om dit te verwezenlijken is opgenomen in de omgevingsverordening.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
31
Waterschap De Dommel Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2022 tot 2027 staan beschreven in het Waterbeheerprogramma “Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving”. Het waterschap werkt aan drie waterdoelen die elk een programmatische aanpak hebben. De hoofdstukken die hierin aan bod komen zijn droge voeten, schoon water en voldoende water. Met dit beleid is er meer aandacht voor klimaatadaptatie en een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. Voor het beheer van de diverse wateraspecten en het watersysteem is een waterschapsverordening opgesteld. Deze vervangt de voormalige Keur en bijbehorende algemene regels en heeft een andere opzet. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen welke activiteiten, waar in het werkgebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De regels zijn nu specifiek gekoppeld aan bepaalde gebieden waar ze gelden en toegespitst op activiteiten die iemand kan doen. Activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan voorwaarden in de verordening. Middels het omgevingsloket kan dit gecontroleerd worden. Gemeente Oisterwijk In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (V-GRP) heeft de gemeente Oisterwijk haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd waarin de doelstellingen van Waterschap De Dommel zijn meegenomen.
Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe binnen het plan met water wordt omgegaan. Toetsing Op basis van de Waterschapsverordening van het waterschap is bepaald dat de projectlocatie is gelegen in een “beschermd gebied, attentiegebied en beekdal” en is opgenomen in het attentiegebied invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000. Dit zijn gebieden waarvoor in beginsel geldt dat het niet is toegestaan om grootschalige grondwateronttrekkingen, beregeningen en drainage toe te passen. Ook is het onder andere niet toegestaan om een a-water en de daarbij horende beschermingszone en een b-water werkzaamheden te verrichten. Voor zover bekend vinden op en in de directe omgeving van het plangebied geen grootschalige grondwateronttrekkingen, beregeningen en drainage plaats. Binnen het plangebied zullen geen industriële of andere milieubelastende activiteiten worden ontplooid. De dreiging van grondwaterverontreiniging zal daarom nihil zijn. Over de sloot die tussen de beoogde parkeervoorziening en de woningen doorloopt dient een voetgangersbrug te worden aangelegd. Ter plaatse van deze sloot geldt de algemene zorgplicht om nadelige gevolgen voor het watersysteem te voorkomen. Met de aanleg van een brug wordt het watersysteem niet gewijzigd en zullen er geen nadelige effecten op het waterbergend vermogen van de sloot of terrein worden veroorzaakt.
Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie Het noordelijk deel van het terrein, waar de voormalige school is gelegen is op dit moment volledig verhard. Ter plaatse van de parkeervoorziening zal de verharding van het gebied afnemen. Met de beoogde ontwikkeling zal de verharding op het zuidelijk deel toenemen als gevolg van de bouw van de woongebouwen, de ontsluiting van het plan en gedeeltelijke verhardingen in de vorm van paden. De gemeente Oisterwijk heeft het beleidsuitgangspunt dat voor de verharding van de beoogde ontwikkeling de voorkeursvolgorde moet worden doorlopen. Inzicht in de verharding is daarom nodig. Inzicht in de verharding van de beoogde situatie is daarom nodig. De oppervlakte van de bebouwing is 805m2. 1.386 m2 van het plangebied is verhard als gevolg van bestrating (paden en parkeervoorziening). Hiervan watert 700 m2 van de verharding rechtstreeks af naar onverhard terrein. Onderstaande tabel geeft inzicht in de toekomstige verharding. Deze is gebaseerd op de oppervlaktetekening welke als bijlage aan de toelichting is toegevoegd.
32
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Verdeling verhard oppervlak Oppervlaktes
Toekomstig m2
Bebouwd oppervlak
805
Bestrating (paden en parkeervoorziening)
686
Totaal plangebied
1.491
Er is sprake van een verharding van 1.491m2. Onder het kopje “hemelwater” zal worden beschreven hoe de noodzakelijke waterberging zal worden opgevangen. Bodem Op basis van het beschikbaar bodemprofiel in de nabijheid van de projectlocatie (DINOloket boorprofiel B51A1563) is onder andere gevonden dat de bodem tot een diepte van 3,5 meter onder maaiveld vooral bestaat uit zand en dat het maaiveld is gelegen op een hoogte van circa 9,3 m+ NAP. Zand is uitermate geschikt voor infiltratie van hemelwater. Grondwater Op basis van een beschikbare grondwatermeetpunt aan de overzijde van de Moergestelseweg (DINOloket ID B51A0263-001) valt af te leiden dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is gelegen op 1 meter onder maaiveld. Oppervlaktewater In de nabijheid van en binnen de projectlocatie bevinden zich een aantal sloten. De locatie en de beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op deze de ligging, het watervoerend en bergend vermogen van deze sloten. Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater worden aangeboden op het rioolstelsel van de gemeente Oisterwijk en worden aangeboden aan de rioolwaterzuivering. Hemelwater De initiatiefnemer voor een werk of project wordt geacht de voorkeursvolgorde te doorlopen; als hergebruik en infiltratie van het hemelwater niet mogelijk zijn dan is afvoer naar oppervlaktewater mogelijk.
In dat geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn, waarbij gedacht kan worden aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot op eigen terrein. Afvoer naar de riolering is uitsluitend toegestaan binnen stedelijk gebied en als er geen andere mogelijkheden zijn. In het kader van de herontwikkeling dient het duurzaamheidsprincipe gevolgd te worden op basis van de kwaliteitstrits schoonhouden, scheiden en zuiveren. In dit kader worden geen uitloogbare materialen gebruikt. Hemelwater verharding dakvlakken en terreinverharding Voor het plangebied geldt als gevolg van de verharding van het noordelijk deel van het terrein een bergingsopgave van 41 m3. Deze is gebaseerd op een verharding van 686 m2 waarvoor op basis van het geldende gemeentelijke beleid 60 mm per m2 moet worden gecompenseerd. Voor het zuidelijk deel van het terrein is een bergingsopgave van 49 m2 als gevolg van de nieuwe bebouwing van 805 m2. Voor de berging van het hemelwater zal op het terrein een aantal laagtes worden gepland. Op de bijlage die bij deze motivatie is bijgevoegd is de ligging van deze laagtes aangeduid.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
33
Door de geplande maatregelingen is door de planontwikkeling geen (grond)wateroverlast te verwachten en wordt hydrologisch positief ontwikkeld. Het daadwerkelijke ruimtebeslag van de voorziening is afhankelijk van de planinvulling, eigen voorkeur en de leverancier van de voorziening. Andere bergingsen infiltratiesystemen zijn ook mogelijk. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen het waterbeleid.
5.12 Milieueffectrapportage Bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit bepalen of een besluit project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig is. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een mer(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen die betrekking hebben op projecten waarvoor de mer-(beoordelings)plicht geldt. Of er voor het besluit een mer-plicht of een merbeoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Of een project, dat voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.
Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren, deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. Toetsing Met die planvoornemen wordt een aantal nieuwe tijdelijk vergunde woningen gerealiseerd. Voorgenomen ontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor een stedelijk ontwikkelingsproject is een mer-plicht niet van toepassing (zie tabel 4.1, kolom 2). Er is sprake van aanleg, wijziging of uitbreiding, waarvoor een mer-beoordelingsplicht geldt (zie tabel 4.1, kolom 3). Onderzocht is of er aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Aan de hand van de bevindingen, zoals beschreven in de aanmeldnotitie, kan worden geconcludeerd dat er rekening houdend met; 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; en 3. De kenmerken van het potentiele effect; sprake is van een relatief klein schaalniveau met bijbehorende minimale effecten. Bij beoogd planvoornemen is geen sprake van overschrijding van de grenswaarden. De potentiële effecten zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat deze geen aanzienlijke milieueffecten tot gevolg hebben die het doorlopen van een mer-procedure noodzakelijk maken.
Onderdeel J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit 34
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Conclusie Voor beoogd planvoornemen is geen sprake van een mer-plicht. Wel is er sprake van een merbeoordelingsplicht. Hiervoor is een mer-aanmeldnotitie samengesteld welke als bijlage aan de motivatie is gehecht. De conclusie luidt als volgt; Zoals weergegeven in hoofdstuk 1 dient in de m.e.r. aanmeldnotitie aandacht te worden besteed aan de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. De criteria luiden als volgt: • kenmerk van de activiteit; • plaats van de activiteit; • kenmerken van het potentiële effect (in samenhang met bovenstaande omstandigheden). Deze aspecten zijn in voorgaande hoofdstukken aan bod gekomen en hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet van negatieve invloed is op Natura – 2000 gebieden dan wel andere natuurwaarden zoals het NNB en de groenblauwe mantel. Tevens blijkt dat uit de beschrijving van de verwachte milieueffecten die is opgenomen in hoofdstuk 3 volgt dat de realisatie van de tijdelijke woningen niet zal leiden tot belangrijke negatieve milieugevolgen. Op basis van voorgaande beoordeling wordt geconcludeerd dat de beoogde nieuwbouw, gezien de kenmerken, plaats en potentiele effecten geen belangrijke negatieve milieueffecten kan veroorzaken die een volwaardige m.e.r.-procedure wenselijk of noodzakelijk maken.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
35
6 Financiële en maatschappelijke verantwoording Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgend de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Voorgenomen planinitiatief is een initiatief van de gemeente Oisterwijk en Woonstichting Leystromen. Gemeente Oisterwijk is grondeigenaar van het projectgebied. De ontwikkeling vindt plaats op eigen terrein van de gemeente. Voor de ontwikkeling zal de gemeente haar kosten dekken, zoals plankosten, ambtelijke inzet, bijdrage bovenwijkse voorzieningen en bovenplanse investeringen in infrastructuur en leges. Bouwrijpe grond wordt beschikbaar gesteld aan Leystromen. Gemeente is verantwoordelijk voor het woonrijp maken en het onderhoud van het openbaar gebied. Kosten hiervoor worden in overleg samen met Leystromen gedragen. Leystromen is verantwoordelijk voor de aanschaf, plaatsing, beheer en onderhoud van de woningen.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De beoogde legalisatie is mogelijk middels een afwijking van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Oisterwijk. De beoogde ontwikkeling wordt juridisch-planologisch geregeld door op grond van een gefaseerde BOPA procedure, met een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan vigerend onder het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Oisterwijk. Er moet gemotiveerd worden dat de omgevingsvergunningsaanvraag voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Derhalve moet de aanvraag zijn voorzien van een ruimtelijke motivering, voorliggend document voorziet in deze ruimtelijke motivering. Participatie De locatie komt voort uit een locatiestudie van meerdere inzendingen van inwoners en beschikbare informatie vanuit de gemeente: In maart 2022 heeft de gemeente Oisterwijk inwoners gevraagd om ideeën voor locaties voor flexwonen aan te dragen. Hierop zijn 31 reacties ontvangen. In enkele reacties werden meerdere locaties genoemd en in verschillende reacties werden dezelfde locaties genoemd. In dezelfde periode heeft de gemeente ook gekeken naar eigen gronden en vastgoed die kunnen worden meegenomen in de locatiestudie. In juli 2022 heeft de gemeente 10 locaties voorgelegd aan inwoners tijdens omgevingsdialogen in Oisterwijk, Moergestel en Haaren. Daarna hebben inwoners nog twee weken de gelegenheid gehad om aandachtspunten en kansen in te brengen.
Voor de vier voorgestelde locaties is een zogenoemd ‘kavelpaspoort’ gemaakt. De opgehaalde aandachtspunten zijn hierin door een architectenbureau vertaald naar kaders om mee te geven aan de woningbouwcorporatie of ontwikkelaar. Zo is getoetst of er ruimtelijk tegemoet gekomen kan worden aan de aandachtspunten en kansen die de gemeente heeft ontvangen, voor dat de afweging voor de locatiekeuze is gemaakt. Na de besluitvorming over de afweging van de locatiekeuze zijn nog twee bijeenkomsten met de omgeving geweest (omgevingsdialogen) op 20 juni 2023 en 11 december 2023. Ook zijn er op 12 september 2023, 17 oktober 2023 en 25 april 2024 bijeenkomsten met een klankbordgroep geweest. De verslaglegging van deze vijf bijeenkomsten zijn geanonimiseerd en als bijlage bij de motivatie gevoegd. Bezwaar, beroep en hoger beroep Na de besluitvorming bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen. Na het bezwaar is er nog de gelegenheid voor beroep en hoger beroep.
36
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht