Bijlage - Ruimtelijke motivering Moergestelseweg
Tekst van het document
www.burogkracht.nl
Schijfstraat 8 | Postbus 323 | 5060 AH Oisterwijk | 06 232 74 307 | info@burogkracht.nl | burogkracht.nl ABN Amro NL75 ABNA 0248112600 | BTW NL857748117B01 | KvK 69127816
2 oktober 2024
gkracht.nl | burogkracht.nl 57748117B01 | KvK 69127816
Creatief met leefomgeving Sterk in omgevingsrecht
Motivering van de Bopa
“Flexwoningen Moergestelseweg” Oisterwijk Gemeente Oisterwijk
2
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
INHOUDSOPGAVE
1
1
5
1.1 1.2 1.3 1.4
2 2.1 2.2
3 3.1
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
5
AANLEIDING EN DOEL INLEIDING PROJECTGEBIED HET OMGEVINGSPLAN LEESWIJZER
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE WAAROM DEZE LOCATIE HUIDIGE SITUATIE
VOORGENOMEN ONTWIKKELING BESCHRIJVING VAN HET PROJECT
BELEID EN REGELGEVING RIJKSBELEID EN RIJKSREGELS PROVINCIAAL BELEID EN PROVINCIALE REGELS OMGEVINGSWAARDEN REGIONAAL BELEID BELEID WATERSCHAP GEMEENTELIJK BELEID
FYSIEKE LEEFOMGEVING
5 6 6 7
8 8 9
10 10
12 12 14 16 17 18 18
20
5.1 ACTIVITEITEN EN MILIEUZONERING 5.2 AKOESTIEK (SPOOR)WEGVERKEER 5.3 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 5.4 BODEMKWALITEIT 5.5 GEUR 5.6 BESCHERMEN VAN DE GEZONDHEID 5.7 KWALITEIT VAN DE BUITENLUCHT 5.8 NATUUR 5.9 OMGEVINGSVEILIGHEID 5.10 WEGEN, VERKEER EN PARKEREN 5.11 WATER EN WATERSYSTEEM 5.12 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
20 21 22 23 25 26 26 27 29 30 31 34
6
36
6.1 6.2
FINANCIËLE EN MAATSCHAPPELIJKE VERANTWOORDING ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
36 36
Bijlagen 1. Kavelpaspoort 2. Toewijzing Flexwoningen 3. Geluidsonderzoek 4. Verkennend bodemonderzoek 5. QuickScan Soortenbescherming 6. Stikstofberekening 7. Waterberging Flexwonen Moergestel 8. Geanonimiseerde versie verslag omgevingsdialoog 9. Aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
3
4
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
1 Aanleiding en doel 1.1
Inleiding
Op een perceel aan de Moergestelseweg 40A worden 24 kleine woningen gerealiseerd voor het sociale segment. De woningen worden door woonstichting Leystromen gerealiseerd en toebedeeld aan de doelgroep in de laagste inkomenscategorie. Hieronder vallen onder andere reguliere spoedzoekers, statushouders, starters en overige doelgroepen. Het gaat hierbij om een reguliere doelgroep van Leystromen waarbij niet wordt ingezet op een specifieke subcategorie of bijzondere doelgroep. Urgentie
Er is een groot te kort aan (sociale huur)woningen in de regio. Voornamelijk voor één- en tweepersoonshuishoudens. De gemiddelde zoektijd naar een sociale huurwoning is de afgelopen jaren gestegen net als het aantal jaren inschrijfduur waarmee men gemiddeld een woning vindt. In de gemeente Oisterwijk zijn er veel plannen voor nieuwe woningen. Naast deze plannen wil de gemeente versneld woonruimte creëren. Daarom kijkt het college naar flexwonen als oplossing voor de woningzoekenden. Landelijke urgentie
Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft in opdracht van het ministerie van BZK een verkennend onderzoek 1 gedaan naar de locaties voor tijdelijke woningen. In deze studie formuleert het PBL een eerste ruimtelijk afwegingskader voor het plannen van locaties voor tijdelijke woonruimte. De kern van dit afwegingskader bestaat op hoofdlijnen uit twee ruimtelijke voorwaarden: locaties moeten beschikbaar én geschikt zijn. Het PBL maakt onderscheid tussen twee vormen van geschiktheid: potentieel beschikbare locaties, en extra locaties, variant ‘Hoog’. De gemeente heeft studies uitgevoerd waarin de beschikbare locaties in de gemeente onderzocht zijn. Er heeft dus een zorgvuldige afweging plaatsgevonden. Overal waar in beginsel permanent gebouwd kan worden binnen bestaand stedelijk gebied, wordt op dit moment gewerkt aan planontwikkeling of initiatiefvorming voor permanente woningen. Andere locaties zijn om verschillende redenen ongeschikt gebleken voor tijdelijke oplossingen. De bouw van permanente woningen is hard nodig, maar hiermee heeft een groot deel van de bevolking vandaag of morgen nog geen onderdak. Met de gemeentelijke afwegingsruimte op locaties zoals deze kunnen dit soort locaties inefficiënt worden ingevuld. De locatie ligt voor woningbouw op een zeer gunstige locatie.
Specifiek voor de reguliere doelgroep moet de locatie aan eisen voldoen, bijvoorbeeld met betrekking tot bereikbaarheid van voorzieningen. De locatie is goed bereikbaar. Ook voor langzaam verkeer is de locatie goed bereikbaar vanwege de ligging nabij het centrum van Oisterwijk waar een busstation en treinstation is. In de nabijheid van het projectgebied liggen sportvoorzieningen en groen. Het centrum van Oisterwijk is nabij, waardoor ook op het gebied van voorzieningen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Tot slot sluit het projectgebied aan op het bestaande woongebied van Oisterwijk. Er is dus geen sprake van een solitair woongebouw ergens achteraf, hetgeen vanuit sociaal en vanuit ruimtelijk perspectief zeer onwenselijk is. In alle opzichten is dus sprake van een zorgvuldige locatiekeuze voor tijdelijke woningbouw op de locatie.
1
https://www.pbl.nl/publicaties/ruimte-voor-flexwoningen BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
5
Flexwoningen als oplossing
Leystromen bereidt in nauwe samenwerking met de gemeente Oisterwijk de realisatie van 24 Flexwoningen en bergingen aan de Moergestelseweg 40 in Oisterwijk voor. De plaatsing van de woningen staat gepland voor het vierde kwartaal van 2025. De woningen vallen allen in het DAEB segment (sociale huurwoningen) en bezitten allen een gebruiksoppervlakte van ca. 35m2.
1.2
Projectgebied
Het projectgebied ligt in de gemeente Oisterwijk, aan de Moergestelseweg 40A. Het projectgebied ligt ter plaatse van delen van de percelen met nummer A-4744 en A-8136. De volgende luchtfoto toont de ligging van de projectlocatie.
Situering van het projectgebied in rood (bron: kadastralekaart.com)
1.3
Het omgevingsplan
Op grond van het tijdelijk omgevingsplan “Buitengebied” van de gemeente Oisterwijk is de activiteit (het bouwen van 24 nieuwe tijdelijke woningen en parkeren ten behoeve van de woonfunctie niet toegestaan. De locatie waar de 24 nieuwe tijdelijke woningen zijn gepland is bestemd voor de activiteit wonen echter het tijdelijk omgevingsplan staat geen 24 eenheden toe. Het deel van de locatie waar het parkeren is beoogd staat parkeren ten behoeve van de activiteit wonen niet toe.
6
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Uitsnede tijdelijk omgevingsplan ruimtelijkeplannen.nl
“Buitengebied”,
met
in
rood
de
projectlocatie.
bron:
Omdat niet aan de regels van het omgevingsplan kan worden voldaan is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Dit rapport beschrijft de motivering van de bopa en toont aan dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2Bkl).
1.4
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk- functionele situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 5 worden de bestaande landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorsiche waarden beschreven en wordt gemotiveerd wat de effecten van de beoogde ontwikkeling daarop heeft. In hoofdstuk 6 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 worden eventueel geldende beperkingengebieden beschreven. In hoofdstuk 8 komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde. Het laatste hoofdstuk beschrijft de conclusie en bepaald of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal).
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
7
2
Beschrijving huidige situatie
In dit hoofdstuk wordt de ruimtelijke en functionele inventarisatie en analyse van het projectgebied zelf beschreven.
2.1
Waarom deze locatie
De locatie komt voort uit een locatiestudie van meerdere inzendingen van inwoners en beschikbare informatie vanuit de gemeente: In maart 2022 heeft de gemeente Oisterwijk inwoners gevraagd om ideeën voor locaties voor flexwonen aan te dragen. Hierop zijn 31 reacties ontvangen. In enkele reacties werden meerdere locaties genoemd en in verschillende reacties werden dezelfde locaties genoemd. In dezelfde periode heeft de gemeente ook gekeken naar eigen gronden en vastgoed die kunnen worden meegenomen in de locatiestudie. Er is een quick scan gedaan om de locaties te selecteren: Op basis van de uitgangspunten en criteria die in de collegevergadering van 15 maart 2022 zijn vastgesteld is een quick scan gedaan per locatie. Dit zijn ingezonden locaties door inwoners en locaties die al bij de gemeente bekend waren. Hieruit blijkt dat bepaalde locaties kansrijker zijn dan andere locaties. De gemeente heeft een selectie gemaakt van de meest kansrijke locaties. Daarbij keken we bijvoorbeeld naar de volgende voorwaarden: Het bouwen van woningen op korte termijn wordt op deze locatie niet beperkt door verplichte of juridisch - planologisch beperkingen; De eigenaar van het gebouw of de plaats wil meewerken aan flexwonen of het is een plaats of gebouw dat gemeentelijk eigendom is; De afstand tot andere woningen, openbaar vervoer en voorzieningen is niet te groot.
In juli 2022 heeft de gemeente 10 locaties voorgelegd aan inwoners tijdens omgevingsdialogen in Oisterwijk, Moergestel en Haaren. Daarna hebben inwoners nog twee weken de gelegenheid gehad om aandachtspunten en kansen in te brengen. Voor de vier voorgestelde locaties is een zogenoemd ‘kavelpaspoort’ gemaakt. De opgehaalde aandachtspunten zijn hierin door een architectenbureau vertaald naar kaders om mee te geven aan de woningbouwcorporatie of ontwikkelaar. Zo is getoetst of er ruimtelijk tegemoet gekomen kan worden aan de aandachtspunten en kansen die de gemeente heeft ontvangen, voor dat de afweging voor de locatiekeuze is gemaakt. Het kavelpaspoort is een document met uitgangspunten, referentiemateriaal voor de uitstraling, maximale of minimale afmetingen en andere kaders. Dit is een middel om te sturen op de leefbaarheid en kwaliteit voor omwonenden en nieuwe bewoners in een snel proces. Voor de afweging van de Moergestelseweg ten opzichte van andere locatie geldt dat de impact van woningen op deze locatie op de omgeving is minimaal omdat het niet ten koste gaat van grond dat voor openbaar gebruik is. De woningen liggen nabij andere woningen, maar liggen hier niet direct tegenaan waardoor er goed onderscheid gemaakt kan worden in typologieën en toch aangesloten kan worden bij de omgeving.
Dit stuk grond is beeldbepalend bij het inrijden van de wijk en de kern Oisterwijk, de “parel in het groen”, en daar is in het kavelpaspoort rekening mee gehouden door het groene aanzicht te behouden en de woningen een hoogwaardige uitstraling te geven. In het kavelpaspoort wordt rekening gehouden met de groene uitstraling, kwalitatief hoge afwerking en waarde toevoeging aan de wijk. Uit het kavelpaspoort komt dat hier 20 - 24 woningen gerealiseerd kunnen worden. Bovenstaande punten overwegend, is dit een geschikte locatie voor flexwonen. Het is mogelijk om in het kavelpaspoort met het grootste deel van de aandachtspunten rekening te houden. Het kavelpaspoort is als bijlage aan de motivatie toegevoegd.
8
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
2.2
Huidige situatie
Op dit moment is het perceel waar de woningen komen niet in gebruik. Op naastgelegen perceel waar nu de parkeervoorziening en groen voorzien zijn, staat op dit moment een tijdelijk schoolgebouw. Dit zal gesloopt worden. De perceeloppervlakte bedraagt 3137 m2. Er is sprake van een groene landelijke omgeving, gelegen in de nabijheid van het station en het centrum van Oisterwijk. De volgende foto’s tonen een beeld van de huidige situatie.
Fotocollage met zicht op de locatie
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
9
3 Voorgenomen ontwikkeling 3.1
Beschrijving van het project
In de nieuwe situatie worden door Leystromen 24 kleine woningen onder de eerste aftoppingsgrens gerealiseerd voor het sociale segment. De woningen worden passend toegewezen wat betekent dat er een inkomenstoets plaats vindt en dat uitsluitend de doelgroep in de laagste inkomenscategorie gehuisvest wordt in deze woningen. Hieronder vallen onder andere reguliere spoedzoekers, statushouders, starters en overige doelgroepen. Het gaat hierbij om een reguliere doelgroep van Leystromen waarbij niet wordt ingezet op een specifieke subcategorie of bijzondere doelgroep. Voorbeelden van de doelgroep Voorbeelden van de reguliere spoedzoekers zijn mensen die te maken hebben gehad met een huisuitzetting of gedwongen verkoop van de woning, economische daklozen (mensen die redelijk zelfredzaam zijn, soms zelfs werken, maar door pech of (relatief kleine) problemen op straat belanden), mensen die in scheiding liggen en nog geen eigen (permanente) woonruimte hebben, adolescenten die zo lang bij hun ouders thuis zijn blijven wonen dat dit tot conflictsituaties leidt, mensen die op een wachtrij staan voor een sociale huurwoning. Statushouders zijn asielzoekers die een verblijfsvergunning hebben gekregen. Zij worden door het COA (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers) aan een gemeente toegewezen. Vervolgens moeten gemeenten de statushouders passende woonruimte aanbieden.
Statushouders waar niet direct passende woonruimte voor beschikbaar is, kunnen terecht in flexwoningen. Het kan ook gaan om Oekraïense statushouders, deze groep heeft een speciale verblijfsstatus (zie volgende paragraaf). Statushouders ontvangen een wekelijkse uitkering die niet toereikend is om een auto te bezitten. Bij de doelgroep starters gaat het vaak om starters jonger dan 23 jaar. Toewijzing De toewijzing van de woningen zal worden verzorgd door Woonstichting Leystromen. De verschillende doelgroepen en de verhouding tussen de doelgroepen is vastgelegd in het document ‘Toewijzing Flexwoningen’. Dit document is als bijlage bij de motivatie opgenomen. De woningen De woningen worden opgenomen in zestal gebouwen bestaande uit 2 bouwlagen. Per wooneenheid is sprake van een gebruiksoppervlakte van 37 m2. De gebouwen hebben een oppervlakte van circa 15 x 39 meter per stuk. Elke woning heeft een slaapkamer.
Stedenbouwkundige uitgangspunten De gebouwen, sluiten goed aan in het landschap. Er is gekozen voor een open structuur en een waardevolle openbare inrichting. De inspiratie voor de stedenbouwkundige opzet is gebaseerd op die van een vakantiepark. Door de woningen te stapelen en ‘losjes’ te plaatsen binnen de bouwvlakken ontstaat er een zekere informaliteit. Daartussen komen kronkelende voetpaden en wordt veel groen toegepast. De auto’s worden in een groene omgeving geplaatst en bij elkaar gesitueerd. De locatie is goed bereikbaar vanuit het centrum, met de fiets en openbaar vervoer. Verschillende voorzieningen liggen in de buurt. De volgende afbeelding toont de situering van de gebouwen en de parkeervoorziening.
10
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Situering van de woongebouwen en parkeren.
Duurzaamheid woningen De flexwoningen zijn zowel duurzaam qua MPG (<0,5) en energieprestatie. De woningen voldoen aan de BENG en zijn gasloos. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met onderhoud en woonkwaliteit. De vereisten uit de woonstandaard worden toegepast. De woningen bestaan uit een module en zijn verplaatsbaar. Vele componenten zijn Biobased en herbruikbaar. Planning De levertijd na onherroepelijk worden omgevingsvergunning is ca 4 maanden. Het proces van Enexis wordt eveneens opgestart na onherroepelijke omgevingsvergunning. Dit zal een klein jaar in beslag nemen, waardoor het op dit moment waarschijnlijk is dat de woningen eind 2025 geplaatst kunnen worden.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
11
4
Beleid en regelgeving
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de activiteit toegelicht en wordt de activiteit hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl).
4.1
Rijksbeleid en Rijksregels
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten over- stijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militai- re activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; • over een onderwerp internationale verplichtingen of af- spraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.
Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel 3. sterke en gezonde steden en regio’s 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.
Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
12
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Instructieregels Rijk (AMvB’s) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevings- planactiviteit geweigerd wordt als: 1. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; 2. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); 3. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Voor welke onderwerpen gelden rijksinstructieregels? Om enig gevoel te krijgen bij de onderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat, sommen we de hoofdonderwerpen hieronder op.
• waarborgen van veiligheid • beschermen van waterbelangen • beschermen van gezondheid en milieu waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; • het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de daarin genoemde onderwerpen voor zover het project binnen de specifieke locatie daarop betrekking heeft.
Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is onderdeel van de paragraaf 5.1.5 van het Bkl over het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is het omgaan met de beschikbare schaarse ruimte en de optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 5.129 Bkl (zorgvuldig ruimtegebruik en tegenaan van leegstand) gaat in op duurzame verstedelijking. 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
13
b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze Bopa maakt 24 nieuwe, tijdelijke woningen mogelijk binnen een locatie die geschikt is voor de activiteit wonen. Deze nieuwe stedelijke ontwikkeling is gelegen aan de rand van en buiten het stedelijk gebied. De behoefte aan woningen voor deze specifieke doelgroep is zeer groot.
Uit een locatiestudie die door de gemeenteraad is vastgesteld is zorgvuldig onderzocht welke locaties binnen het stedelijk gebied voorhanden zijn. Andere locaties binnen de kern Oisterwijk waren niet beschikbaar of beschikken niet over voldoende capaciteit om in de behoefte aan huisvesting voor de specifieke doelgroep te voorzien. Binnen het bestaand stedelijk gebied zijn geen andere geschikte locaties voorhanden. Hiermee is gemotiveerd dat voldaan wordt aan artikel 5.129 Bkl en in het bijzonder het bepaalde onder lid 2, sub b. Conclusie Zoals uit de volgende hoofdstukken in deze motivering van de bopa blijkt, wordt voldaan aan de rijksinstructieregels. De activiteit past binnen de doelstellingen den het beleid van het Rijk
4.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
Provinciale omgevingsvisie De omgevingsvisie is hét beleidsinstrument voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie is het richtinggevende beleidsinstrument van de Omgevingswet: het benoemt ambities, centrale opgaven en strategie vanuit een samenhangend perspectief op ruimte, milieu, natuur en landschap, water, verkeer en vervoer en cultureel erfgoed. Vanuit deze samenhang zet een omgevingsvisie ook de koers uit voor ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, voorzieningen en recreatie in de provincie. Een belangrijke trend is de toenemende aandacht voor nieuwe thema’s zoals veiligheid, gezondheid en duurzaamheid. In de Brabantse Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). De basis is dat deze elementen in balans zijn en blijven bij ruimtelijke transities. Draagvlak en draagkracht zijn hierbij belangrijke aspecten. De Brabantse Omgevingsvisie bestaat uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 5 staat beschreven wat de kernwaarden zijn voor het handelen van de provincie. Hierin wordt onder andere verwoord dat de provincie gaat voor meerwaarde-creatie. Dit betekent dat uitdrukkelijk gekeken wordt naar de effecten van ontwikkelingen op sociale inclusiviteit, veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.
14
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
De beoogde ontwikkeling heeft een positief effect op de sociale inclusiviteit doordat een bijdrage levert aan de volkshuisvestelijke opgave waarbij door het specifieke aanbod een specifieke doelgroep wordt bediend. De ontwikkeling voorziet bovendien in een opwaardering van de openbare ruimte aan de landelijke dorpsrand van Oisterwijk waardoor sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit. De beoogde ontwikkeling past daarom binnen de kernwaarden voor het handelen van de Provincie. Instructieregels provincie (omgevingsverordening) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevings- planactiviteit geweigerd wordt als: 1. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; 2. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); 3. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.
Provinciale Staten kunnen bij omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels). Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant hebben in de toelichting op de Omgevingsverordening het volgende aangegeven over het toepassingsbereik van instructieregels bij een Bopa. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de daarin genoemde onderwerpen (uiteraard alleen voor zover het speelt binnen de specifieke locatie). Instructieregels Voor de locatie gelden de volgende instructieregels aan gemeente: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Op basis van de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant (OV) is duidelijk dat het deel waar de parkeervoorziening is gelegen is opgenomen in het ‘Stedelijk gebied’. Hiervoor geldt dat de ontwikkeling moet passen in regionale afspraken en dat invulling moet worden gegeven aan de doelen op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie en veilige, gezonde woonomgeving. Artikel 5.55, lid 2 van de OV beschrijft de voorwaarden voor een duurzame ontwikkeling voor wonen, werken en voorzieningen. Deze luiden als volgt: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c.
geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Dit deel van de locatie betreft op dit moment een volledig verhard voormalig schoolterrein met een lage omgevingskwaliteit op een belangrijke in het oog springende locatie aan een belangrijke invalsweg van Oisterwijk. Met de inpassing van het parkeerterrein wordt de verharding voor een groot deel verwijderd en is sprake van de toevoeging van groen. Dit is een goede maatregel in het kader van klimaatverandering.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
15
Het deel van de locatie waar de nieuwe woningen tijdelijk worden vergund is op basis van de TAMomgevingsverordening Noord-Brabant sprake van ‘Landelijk gebied’. De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is wordt in de OV gesteld dat een Omgevingsplan invulling geeft aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Voor het realiseren hiervan wordt toepassing gegeven aan: het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, de lagenbenadering en de meerwaardecreatie. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag en dat de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en betrokken bij een ontwikkeling. Alleen wanneer uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk. Binnen het besluitgebied vindt tijdelijk intensivering van een bestaand bouwperceel plaats voor een passende functie (wonen). De kavels worden begrensd tot een passende omvang. Overtollige bebouwing (het voormalig schoolgebouw) wordt gesaneerd en er is sprake van een landschappelijke inpassing.
Stedelijk gebied Landelijk gebied
Uitsnede TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant. Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie.
4.3
Omgevingswaarden
Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie. Maar ook van de gemeente zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor: • de gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats; • de toelaatbare belasting door activiteiten; • de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen. 16
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
De omgevingswaarde moet worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen. Tenzij het vaststellen van een omgevingswaarde verplicht is, staat het de gemeente vrij om af te zien van het vaststellen van een omgevingswaarde, maar te kiezen voor directe normstelling (b.v. geluid, geur, trilling) (Omgevingswet, artikel 2.9, tweede lid). Een kwalitatieve omgevingswaarde is mogelijk als zo'n aspect met objectieve termen kan worden omschreven. Als je bijvoorbeeld wilt bereiken dat een rivier voldoet aan de normen voor een 'goede ecologische toestand', is een objectieve beschrijving van kwaliteiten nodig (b.v. in een programma of beleidsregel). Daarnaast geeft de overheid bij de vaststelling van een omgevingswaarde aan (art. 2.10 Ow): • of dit een resultaatsverplichting, een inspanningsverplichting of een andere verder te omschrijven verplichting met zich meebrengt. • binnen welke termijn de omgevingswaarde moet zijn bereikt. • op welke locatie(s) de omgevingswaarde van toepassing is. Omgevingswaarden hebben geen doorwerking naar andere partijen dan de gemeente die de omgevingswaarde heeft vastgesteld. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur of geluid.
Voor de locatie waarbinnen de activiteit plaatsvindt gelden geen omgevingswaarden.
4.4
Regionaal beleid
De wettelijke basis om gezamenlijk besluiten te nemen ligt in artikel 2.2 lid 2 van de Omgevingswet. Het gaat om het gezamenlijk nemen van één besluit. Veel opgaven overstijgen het lokale belang. Er vindt overigens geen overdracht van bevoegdheden plaats. SRBT-woondeal 2022-2030 De provincie Noord-Brabant wil voor 2030 130.600 woningen realiseren. Hiervan moeten ruim 39.000 (netto) woningen gerealiseerd worden in de SRBT-regio. In de woondeal worden flexwoningen gezien als een middel om snelle bijdrage te leveren aan verschillende actuele en urgente woonvraagstukken en om de woningmarkt in beweging te houden. De gemeente Oisterwijk heeft als ambitie om voor 2030 vijftig tot honderd flexwoningen te realiseren. Het planvoornemen draagt met 24 flexwoningen hieraan bij. Regionale Energie- en Klimaatstrategie (REKS) Hart van Brabant De gemeente Oisterwijk behoort tot de regio Hart van Brabant. De regio heeft in de Regionale Energieen Klimaatstrategie in kaart gebracht hoe en waar we energie kunnen besparen en duurzaam kunnen opwekken en hoe we onze omgeving kunnen aanpassen aan het veranderende klimaat. De REKS beschrijft de strategie aan de hand van vier thema’s; warmte, elektriciteit, klimaat en energiebesparing. De flexwoningen worden niet aangesloten op het gasnetwerk en er worden verschillende duurzaamheidsmaatregelen uitgevoerd.
Conclusie Het plan voldoet aan de Regionale Energie- en Klimaatstrategie Hart van Brabant en past binnen de regionale doelstellingen en het relevante regionale beleid.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
17
4.5
Beleid Waterschap
Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd (paragraaf 5.11). Ook onder de omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'. • Waterschapsverordening • Keur Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van het Waterschap
4.6
Gemeentelijk beleid
In deze paragraaf wordt de aandacht gevestigd op het beleid op het gebied van gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. Het gemeentelijk beleid is afhankelijk van de gemeente. Omgevingsvisie Met de omgevingsvisie wordt men uitgenodigd om met ideeën en voorstellen te komen die goed zijn voor de gemeente Oisterwijk. Plannen die het leven, het ondernemen en het verblijven in onze gemeente aantrekkelijker maken. De omgevingsvisie nodigt uit, inspireert en geeft de kaders om ontwikkelingen aan te pakken. Ook is de omgevingsvisie bedoeld om plannen uit de samenleving, die niet passen in het omgevingsplan af te wegen. Het plan of initiatief moet daarbij bijdragen aan de kwaliteit en ambities voor de gemeente Oisterwijk. Inwoners en ondernemers vinden in de omgevingsvisie wat op hoofdlijnen de ontwikkelingsmogelijkheden zijn in de gebieden en rondom thema's.
Meerwaarde van een omgevingsvisie De omgevingsvisie: • inspireert en nodigt partijen uit tot investeringen; • werkt oplossingsgericht en (her)ontwikkelingsmogelijkheden worden vergroot; • stuurt op versterking van gebiedskwaliteiten; • benoemd gebiedsgericht aandachtspunten, met bandbreedtes in na te streven gebiedskwaliteit; • biedt initiatiefnemers duidelijkheid en zorgt voor efficiëntie en legitimatie in het afwegingsproces, door vroegtijdige prioritering en afstemming van beleidsuitwerkingen en investeringen. Op 22 december 2016 heeft de gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk de Omgevingsvisie vastgesteld. Met de omgevingsvisie heeft de gemeente een beleidskader opgesteld, dat de inwoners, ondernemers én bestuurders inspireert. In het document worden de kaders omschreven, waarbinnen initiatiefnemers worden uitgenodigd om hun plannen op te stellen. Hiermee zal de visie opgesteld worden volgens de gedachtegang van de uitnodigingsplanologie. De gemeente bepaalt niet meer wat ergens moet komen, maar geeft enkel aan binnen welke kaders projecten de meeste slagingskansen hebben. Het is vervolgens aan de burger en/of ondernemer om hiermee aan de slag te gaan. De visie dient als: • Inspiratie voor ondernemers, bestuurders en inwoners. • Richtinggevend kader voor het toekomstig gemeentelijk ruimtelijk ordeningsbeleid.
• Toetsingskader voor individuele verzoeken en initiatieven die niet passen binnen de bestemmingsplannen. • Input voor overleg met de Provincie en de regio over de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. • Basis voor kostenverhaal (grondexploitatie-instrument) 18
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
De gemeente Oisterwijk stelt in haar Omgevingsvisie daar waar zij kan te voorzien in woningbouwplannen voor directe behoefte en bijzondere doelgroepen. Hierbij wordt samenwerking met woningbouwverenigingen opgezocht. Het beoogde plan geeft invulling aan dit voornemen. Programma’s In de ‘Programma's’ kunnen belangrijke verbindingen worden gelegd met de andere kerninstrumenten in de beleidscyclus van de gemeente. Een programma geeft aan hoe een gemeente de omgevingsvisie of onderdelen daarvan wil realiseren. Het kan bijvoorbeeld gericht zijn op een beleids- thema zoals een woonvisie, op een gebied of project zoals een centrumvisie, of op een omgevingswaarde zoals een veiligheidsplan. Op basis van artikel 3.5 van de Omgevingswet bevat een programma voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving: • een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan; • maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen en / of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Een programma is vooral uitvoeringsgericht; de nadruk ligt op het bereiken van het doel binnen een beheersbare termijn voor het desbetreffende aspect van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Het staat de gemeente vrij om naar behoefte programma’s op te stellen voor deze aspecten of voor deelgebieden.
Eén van de maatregelen die in een programma kan worden opgenomen, is het sturen op de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving door het op- nemen van juridische bindende regels in het omgevingsplan. Andere maatregelen zijn ook denkbaar zoals de inzet van communicatie/ informatie-instrumenten, de inzet van financiële instrumenten bijv. subsidie, het maken van afspraken met organisaties of het nemen van fysieke maatregelen. College stelt programma's vast Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente kan op basis van artikel 3.4 van de Omgevingswet programma’s vaststellen. Het vaststellen van programma’s is dus in beginsel geen verplichting. Bijzondere vormen van programma's In de Omgevingswet zijn verder weinig regels gesteld aan de vrijwillige programma’s. Er is echter een aantal bijzondere vormen van programma’s waar de Omgevingswet extra regels aan stelt. Dit zijn:
• • •
verplichte programma’s; programma’s met een programmatische aanpak; programma’s bij dreigende overschrijding van een omgevingswaarde.
Huidige plannen te beschouwen als programma Een groot deel van de bestaande wettelijke en buitenwettelijke plannen kan als programma worden beschouwd. Deze zijn in deze motivatie aan de orden gesteld. Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Oisterwijk.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
19
5 Fysieke leefomgeving In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving is per aspect in een aparte paragraaf opgenomen. Indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De eventuele onderzoeksrapportages zijn separate bijlagen. In deze ruimtelijke onderbouwing zijn de samenvattingen en conclusies opgenomen.
5.1
Activiteiten en milieuzonering
Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Omdat hier sprake is van een toename van het aantal woningen op de locatie verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten.
Toetsing In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon-, en leefklimaat bij het projectgebied. En dat beoogde ontwikkeling geen belemmering vormt in de bedrijfsvoering van omliggende functies, gezien in de nabijheid van de locatie enkele bedrijfsfuncties zijn gelegen. In de nabijheid van de projectlocatie is aan de noordzijde een sportpark (sportpark Den Donk) aanwezig. Op dit sportpark is een veldsportcomplex (hockey, voetbal en handbal), een tennisvereniging, enkele sportscholen, een zwembad met sporthal en een manege aanwezig. Op basis van het concept servicedocument Activiteiten en milieuzonering van de VNG kennen deze faciliteiten een milieucategorie 2. Voor deze categorie wordt een richtafstand voor geur en geluid geadviseerd van 50 meter tussen de activiteit en de woonfunctie aan te houden. De kleinste afstand van de beoogde tijdelijke woningen en de sportfaciliteiten is 85 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. In het bijzonder dient nog aandacht besteed te worden aan padelbanen die op het terrein aanwezig zijn. Padelbanen zijn niet opgenomen in het concept servicedocument. Tennisbanen zijn wel opgenomen maar kennen een andere geluidsuitstraling dan padelbanen.
Om te beoordelen op sprake is van een aanvaardbare situatie is aansluiting gezocht bij de Handreiking Padel en Geluid van NSG. Op het sportpark zijn drie padelbanen aanwezig. Op basis van deze handreiking geldt in een gemengd gebied een invloedsgebied voor 4 padelbanen circa 130 meter. De afstand van de 24 tijdelijke woningen tot de padelbanen is circa 260 meter. Bovendien is er veel bestaande bebouwing aanwezig tussen de padelbanen en de beoogde woningen. Deze bebouwing heeft een afschermende werking op geluid.
20
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Op basis van de Handreiking, de grote afstand tussen de padelbanen en de nieuwe woningen en het feit dat sprake is van veel bestaande bebouwing met een geluid afschermende werking moet worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbare toedeling van functies aan locaties. Het aspect “milieuzonering” is daarom geen belemmering.
5.2
Akoestiek (spoor)wegverkeer
Er dient rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, dient het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaard- baar te zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Indien het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woonen leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen.
Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg. Geluidsgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Omdat door met de beoogde ontwikkeling nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegevoegd is aandacht nodig voor het aspect geluid: Toetsing Beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van enkele nieuwe tijdelijk vergunde woningen. Daarmee is sprake van de toevoeging van een geluidgevoelige functie. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd door K+ Adviesgroep. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage bij voorliggende motivering. Hieronder zijn de belangrijkste waarnemingen opgenomen. Als gevolg van gemeentewegen wordt de standaardwaarde wel maar de grenswaarde niet overschreden.
De gemeente Oisterwijk kan aan de hand van het onderzoek afwegen om van de standaardwaarde af te wijken en een hogere geluidsbelasting op de gevel toestaan. Het gezamenlijk geluid is 61 dB. Conform het Besluit bouwwerken leefomgeving worden minimale eisen gesteld aan de geluidwering. Aangetoond moet worden welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
21
Conclusie Vanuit het milieuaspect geluid bij (spoor)wegverkeer is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat op goede gronden afgeweken kan worden van de standaardwaarden en de woningen een voldoende gevelwering heeft.
5.3
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op:
• •
het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten; het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
In het belang hiervan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek. Toetsing De gemeente Oisterwijk heeft haar archeologiebeleid vormgegeven middels de regels in het tijdelijk omgevingsplan. Deze zijn overeenkomstig de Archeologische verwachtingskaart. Voor het deel van de locatie waar de woningen zijn gesitueerd en waar dus bewerkingen van de bodem zijn voorzien, is volgens de Archeologische verwachtingskaart van de gemeente sprake van een lage verwachting op het aantreffen van archeologische vondsten.
Uitsnede uit de Archeologische verwachtingskaart met in rood de locatie van de nieuwe woningen. Op basis van de Archeologische verwachtingskaart is de kans op verstoring als gevolg van de ontwikkeling op het archeologisch bodemarchief nihil.
22
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Cultuurhistorie Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet zorgt deze wet voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van dit cultureel erfgoed. Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erf- goed (par. 5.1.5.5 Bkl). In het belang hiervan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek. Toetsing De Cultuurhistorische waardenkaart 2024 is door de provincie Noord- Brabant herzien, gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Aan de hand van de cultuurhistorische waardenkaart (2024) is het plan- gebied gelegen het cultuurhistorisch landschap ‘Het Groene Woud’. Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen.
Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen en buitenplaatsen en watermolens. De ontwikkelstrategie voor dit cultuurhistorisch landschap betreft: • Het behoud van de kleinschalige karakteristieken; • Eisen stellen aan de uitbreidingen van dorpskernen; • De economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van het Groene Woud; • Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving De nieuwe woningen worden op een passende wijze ingepast in het landschap. Er is sprake van behoud van de kleinschalige karakteristieken door de aanleg van groen elementen. Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor het beoogde project.
5.4
Bodemkwaliteit
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullings- besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
• • •
beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
23
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. Onderzoek Er is door BK Ingenieurs een onderzoek uitgevoerd naar de milieuhygienische kwaliteit van de bodem. De rapportage van het bodemonderzoek is als geheel als bijlage bij deze motivatie toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; Grond De bovengrond wordt ingedeeld in kwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Het verhoogde gehalte lood komt overeen met de verwachtingen op basis van de Bodemkwaliteitskaart. De ondergrond wordt ingedeeld in kwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Grondwater In het grondwater zijn de stoffen cis 1,2-dichlooretheen en tetrachlooretheen (VOCl) boven de signaleringsparameters aangetoond. Deze verontreinigingen werden niet verwacht op basis van het vooronderzoek.
De gedeeltelijk afgebroken verbindingen (PER en DCE) in combinatie met het aantonen van de verontreinigingen in het freatisch grondwater lijken te wijzen op een mogelijke bron van VOCl in de nabije omgeving van de locatie. In dit geval is het mogelijk dat de verontreinigingen aanvullend aanwezig zijn in de grond. Toetsing hypothese bodem De hypothese ‘onverdacht’ is niet correct gebleken. Er zijn verontreinigingen met VOCl in het grondwater aangetoond boven de signaleringswaarde. In de grond zijn er geen verontreinigingen aangetoond die afwijken van de Bodemkwaliteitskaart/verwachting. Aanbevelingen Het is op basis van het huidige onderzoek niet mogelijk een scherpe afbakening van de werkzaamheden in basishygiëne en oranje/rood aan te geven. Hiertoe is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Het doel van het nader onderzoek is het vaststellen van de bron van de verontreiniging, aantonen van een eventuele verontreiniging met VOCl in de grond en het bepalen van de omvang van de verontreiniging met PER en 1,2-DCE in het grondwater. Een mogelijkheid is om dit voorafgaand aan het werk in een aanvullend onderzoek nader te bepalen. Een tweede mogelijkheid is om in het werk door uitkeuring van de wanden door een milieukundig begeleider de grens nader te laten bepalen.
De definitieve veiligheidsklasse en de bijhorende beheersmaatregelen worden door een deskundige vastgesteld en zijn afgestemd op de locatiespecifieke omstandigheden. Het betreft maatwerk. Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies mits de geinventariseerde verontreiniging definitief middels vervolgonderzoek is vastgesteld en afgeperkt en indien nodig gesaneerd is. Voorafgaand aan de werkzaamheden zullen deze werkzaamheden worden uitgevoerd. Het aspect “bodemkwaliteit” is na het genoemde vervolg geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 24
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
5.5
Geur
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. Wettelijk kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hier- onder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.
De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • Geurnormen in het omgevingsplan • Rekenen • Afstandeisen • Randvoorwaarden In paragraaf 5.1 is de aanwezigheid van de manege op sportpark Den Donk al benoemd. Op basis van het concept Servicedocument Activiteiten en milieuzonering van de VNG is reeds bepaald dat voor maneges een richtafstand geldt van 50 meter voor geur en geluid. In de bruidsschat vindt men de regeling met betrekking tot paarden en pony’s terug in artikel 22.96. Het toepassingsbereik van paragraaf 22.3.6.2 ziet, als het gaat om paarden, echter alleen op paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Manages vallen hier niet onder. Overigens zijn er wel regels opgenomen voor maneges in paragraaf 22.3.23 van de bruidsschat met betrekking tot opslaan van vaste mest als het gaat om het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3. Voor geur geldt dat 50 meter afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig object dient te gelden.
Zie hiervoor artikel 22.245 lid 1 onder b van de bruidsschat. De mesthoop van de manege is gelegen op een afstand van circa 110 meter van de nieuwe woningen. Er is daarom sprake van een ruime afstand die groter is dan de richtafstand. Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
25
5.6
Beschermen van de gezondheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • het beschermen van gezondheid • het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fyieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd. Conclusie Met het planvoornemen wordt een aantal tijdelijk vergunde woningen opgericht in een groene omgeving. De locatie is per fiets goed bereikbaar en is gelegen in de nabijheid van gemeentelijke sportvoorzieningen.
De locatie bevordert de gezondheid voor bewoners van de tijdelijke woningen. Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.