Bijlage BP Toelichting Baerdijk-Rodebrugstraat
Tekst van het document
4.5 Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid brengt de risico’s in kaart die ontstaan door risicobronnen in de omgeving. Om de externe veiligheid te waarborgen zijn in verschillende wetten en regelingen normen en richtlijnen opgenomen. Het algemene Rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: - het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); - het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); - het gebruik van luchthavens. Dat gebeurt onder andere om te voorkomen dat te dicht bij kwetsbare bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, om de zelfredzaamheid te bevorderen en om de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans op een bepaalde plaats om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit.
Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (die als wettelijke grenswaarde fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Van deze waarde mag gemotiveerd worden afgeweken. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico geeft de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt van 10 personen of meer. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging (vertaald in een ruimtelijke onderbouwing) kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen. Ter verantwoording van het groepsrisico is door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) een standaardverantwoording samengesteld.
Deze standaard verantwoording groepsrisico betreft alle risicobronnen die kunnen leiden tot een groepsrisico, zoals Bevi-inrichtingen, buisleidingen en autowegen. In het onderstaande overzicht is weergegeven wanneer de standaardverantwoording kan worden gebruikt.
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 22 van 36
Het plangebied is deels gelegen binnen het invloedsgebied van een BEVI-transportroute. De standaardverantwoording van het OMWB is niet toepasbaar. Relevante risicobronnen Omdat de locatie is gelegen binnen een invloedsgebied is op basis van de Risicokaart geïnventariseerd in hoeverre er sprake is van veiligheidsgevaren vanuit de omgeving. De spoorlijn Tilburg – Eindhoven bevindt zich ten noorden van het plangebied. Over deze spoorlijn vindt, conform de Regeling basisnet, vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De afstand van de planlocatie tot dit spoortraject bedraagt ca. 140 meter. Plaatsgebonden risico Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen over Basisnetroutes is vastgelegd in de Regeling basisnet. In bijlage II is vermeld dat er voor de spoorlijn Tilburg – Eindhoven nabij het plangebied een maximale PR 106-contour van 6 meter geldt. De planlocatie bevindt zich buiten deze contour. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op in relatie tot de voorgenomen ontwikkelingen. Plasbrandaandachtsgebied De spoorlijn Tilburg – Eindhoven heeft een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Voor het bouwen binnen het PAG gelden aanvullende bouwvoorschriften vanuit het Bouwbesluit. De beoogde ontwikkeling bevindt zich buiten het PAG.
Groepsrisico In de Regeling basisnet is de transportintensiteit voor de spoorlijn Tilburg – Eindhoven (route 12) aangegeven die dient te worden gehanteerd bij groepsrisicoberekeningen. De transportintensiteit is weergegeven in de onderstaande tabel. tabel 3.
Transportintensiteit gevaarlijke stoffen.
In het kader van de ruimtelijke procedure voor het Kvl-terrein is ten aanzien van de spoorlijn een kwantitatieve risicoanalyse uitgevoerd. Vanwege de beperkte omvang van de beoogde woningbouwontwikkeling wordt aangesloten bij de kwantitatieve risicoanalyse van het Kvl-terrein. In de QRA voor het Kvl-terrein is een waarde van 1,074 maal de oriëntatiewaarde berekend. Populatieverandering t.g.v. voorgenomen ontwikkeling In de bestaande situatie zijn op de planlocatie 4 woningen aanwezig en een leegstaande fabriekslocatie. In de beoogde situatie worden op de planlocatie 29 woningen gebouwd, dit is een toename van 25 woningen. Conform de handreiking verantwoording groepsrisico bevinden zich bij een woning 2,4 personen. Dit komt in de beoogde situatie neer op een toename van de personendichtheid van 60 personen. Hierdoor zal het groepsrisico zeer licht toenemen. Als het groepsrisico toeneemt, dan ligt deze toename binnen de marge en zal deze in de afronding wegvallen. Verantwoording groepsrisico De personendichtheid neemt door de voorgenomen ontwikkeling niet af. Het groepsrisico kan daardoor niet dalen tot onder de oriëntatiewaarde. In het kader van de ruimtelijke procedure is daarom een volledige verantwoording van het groepsrisico conform het Bevt verplicht. De planlocatie is binnen 200 meter van het spoor gelegen;
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 23 van 36
verantwoording conform artikel 7 en 8 van het Bevt is van toepassing. Het betreft een dusdanig klein plangebied dat er geen mogelijkheden zijn om meer afstand te nemen van de risicobron. Ter verantwoording van het groepsrisico dienen (naast de hoogte van het groepsrisico) enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden: • algemene beschouwing veiligheidssituatie • bronmaatregelen • object gerelateerde veiligheidsmaatregelen • zelfredzaamheid • bestrijdbaarheid Algemene beschouwing veiligheidssituatie De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg – Eindhoven. Bij deze risicobron kan een plasbrand, een BLEVE of een toxisch scenario optreden.
Plasbrandscenario Bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen kan een plasbrand ontstaan (een plas van brandende vloeistof). Het gevolg is een korte, maar extreme hittestraling. De omvang van het effect wordt bepaald door de oppervlakte van de plas. Uitgaande van een calamiteit waarbij een gehele tankinhoud vrijkomt, is het invloedsgebied van een plasbrand ca. 35 meter. De planlocatie ligt niet binnen het invloedsgebied van een plasbrand. BLEVE-scenario Een koude BLEVE houdt in dat een tot vloeistof verdicht gas bij onmiddellijk falen van de tank onder druk expandeert tot een dampwolk die vervolgens ontsteekt. Er ontstaat dan een vuurbal. De BLEVE geeft zowel een drukgolf als een intense warmtestraling en treedt meteen op bij een calamiteit met een wagon gevuld met brandbare gassen. Toxisch scenario Een toxisch scenario treedt op wanneer zich een vloeistofplas ten gevolge van een ongeval met een treinwagon met (zeer) toxische vloeistoffen vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een wagon met toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk.
Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van het weer. Fakkelbrand Dit scenario is van toepassing bij een planlocatie die ligt binnen de effectafstanden van een fakkelbrand. Dit scenario treedt op bij transportleidingen voor aardgas. Door een lekkage, scheur of volledige breuk van de buisleiding kan het aardgas vrijkomen en tot ontbranding worden gebracht door een ontstekingsbron in de nabijheid. Het vrijgekomen aardgas zal hierbij in brand vliegen wat gepaard gaat met een druk en hevige hitte ontwikkeling in de vorm van een fakkelbrand. Door de hitte kunnen personen overlijden en/of brandwonden oplopen. Bronmaatregelen De meest effectieve veiligheidsmaatregelen zijn maatregelen aan de spoorlijn zelf. Het is echter niet mogelijk voor de gemeente Oisterwijk om bronmaatregelen ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor af te dwingen in het kader van deze ruimtelijke procedure. Via het rijksbeleid is het Basisnet gerealiseerd. De inwerkingtreding van Basisnet, en de hieraan verbonden veiligheidsmaatregelen, hebben een substantiële verbetering van de veiligheid betekend. Zo is het derde spoor gesaneerd.
Hierdoor bevinden zich minder wissels op het traject waardoor de kans op calamiteiten sterk is verkleind. Object gerelateerde veiligheidsmaatregelen Indien een koude BLEVE plaatsvindt nabij de planlocatie, wordt de eerste ring bebouwing weggevaagd en bieden bouwkundige maatregelen geen bescherming. De kans op een dergelijk incident is bijzonder klein. In geval van een incident op grotere afstand zijn de ramen van de bebouwing het kwetsbaarst. Eventuele bouwtechnische veiligheidsmaatregelen dienen dus aan de ramen genomen te worden.
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 24 van 36
Over het algemeen is het beperken van glasoppervlakken aan de risicozijde van gebouwen een effectieve maatregel. Er worden geen extra maatregelen aan de beglazing en de gebouwen genomen; er is sprake van een relatief grote afstand tot de risicobron en er zijn veel gebouwen aanwezig tussen de risicobron en de nieuwe woningen. In het geval van een calamiteit met toxische stoffen op het spoor is het van belang dat de aanwezige bebouwing bescherming biedt. Zo zijn woningen algemeen geaccepteerd als schuillocatie en kunnen andere gebouwen ook geschikt zijn (of worden gemaakt) als schuillocatie. Het is daarbij wenselijk dat daarbij de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn. Omdat de woningen snel te ontvluchten zijn via het zuiden, dus van de risicobron af, wordt een afsluitbare ventilatie niet toegepast. Alarmering en oefening Gerichte communicatie met bewoners (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering op de planlocatie sneller verloopt.
Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke manier hieraan invulling kan worden gegeven. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Binnen het plangebied zijn woningen beoogd. De woningen zijn niet speciaal bedoeld voor personen met een beperkte zelfredzaamheid. Bovendien zijn de woningen goed ontsloten en is het mogelijk via de bestaande infrastructuur in zuidelijke richting (dus van de risicobron af) te vluchten. Voor het toxisch scenario dient een tijdige alarmering plaats te vinden. Hiervoor dient het Waarschuwing Alarmering Systeem (WAS) het gebied volledig te dekken. Op dit moment is er dekking van het plangebied door een sirene van het WAS. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario’s vragen allen een ander aanvalsplan. De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van de planlocatie. BLEVE-scenario Het ontstaan van een koude BLEVE is niet te bestrijden.
De kans op een warme BLEVE is gereduceerd doordat treinen met brandbare gassen zodanig worden samengesteld, dat de kans op een warme BLEVE is afgenomen. Plasbrand scenario Bij een ongeval met brandbare vloeistoffen, waarbij een plasbrand kan ontstaan is het van belang dat de brandweer snel ter plaatse is. Een plasbrand is dan goed te bestrijden. Door het tijdig arriveren van de brandweer kan voorkomen worden dat het vuur zich snel kan uitbreiden en kan overslaan op gebouwen. Toxisch scenario Bij een incident met toxische vloeistoffen en gassen kan de brandweer, afhankelijk van de aard van de gevaarlijke stof en de ontwikkeling van het ongevalsscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Conclusie Als gevolg van de kwalitatieve verantwoording van het groepsrisico wordt geconcludeerd dat de geringe toename van het groepsrisico aanvaardbaar wordt geacht. De Veiligheidsregio heeft een standaardadvies 2019 opgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van een Bevi inrichting en/of de infrastructuur. Het initiatief past binnen de werking van het Standaardadvies; “Ontwikkeling buiten de 30 meter en tot een afstand van 200 meter van een categoriale Bevi inrichting, spoorlijn, autoweg, waterweg of buisleiding waarin geen nieuwe bijzonder kwetsbare objecten worden toegestaan.”
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 25 van 36
Het standaardadvies van de Veiligheidsregio is in de bijlage van deze toelichting gevoegd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
4.6 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen opgenomen. Het doel van deze wet is om mensen te beschermen tegen de gevaren als gevolg van luchtvervuiling. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen zijn vertaald naar grenswaarden van de concentratie van stikstofdioxide, fijnstof, lood, zwaveldioxide, koolmonoxide en benzeen. Een ontwikkeling kan op basis van artikel 5.16, eerste lid, onder c uit de Wet milieubeheer worden toegestaan indien aannemelijk kan worden gemaakt dat een uitoefening of toepassing de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) verslechtert. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10 ) of stikstofdioxide (NO 2 ). Dit komt overeen met een toename van meer dan 1,2 µg/m³ voor zowel PM 10 als NO2 . De bijlage geeft een harde omschrijving van een aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij één ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen geldt een aantal van 3.000 woningen.
Zoals reeds beschreven zijn er in de bestaande situatie 4 woningen op de planlocatie aanwezig en worden deze gesloopt ten behoeve van 29 nieuwbouwwoningen, dit betreft een toename van 25 woningen. Er wordt geconcludeerd dat de luchtkwaliteit als gevolg van deze vorm van woningbouw ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.7 Bodem Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Dit betekent dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt de gewenste bodemkwaliteit. De bestaande bodemkwaliteit in de voorgaande situatie was nog onbekend. Om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem te bepalen, te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging en een indicatieve uitspraak over het asbestgehalte in de bodem te kunnen doen is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het bodemrapport is in de bijlage van de voorliggende toelichting gevoegd. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is verricht conform de NEN 5725:2017 "Bodem – Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek". Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond". Het verkennend onderzoek asbest in bodem en puin is uitgevoerd conform de NEN 5707+C1:2016/C2:2017 "Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond". Het onderzoek asbest in puin heeft een indicatief karakter.
Tijdens het verkennend bodemonderzoek zijn (lichte en/of sterke) verontreinigingen aangetroffen met onder andere PAK, nikkel, koper, zink en minerale olie. De aangetroffen grondverontreinigingen houden verband met de aanwezigheid van bodemvreemd materiaal (met name puin) in de bovengrond. In het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is vastgesteld dat nader onderzoek nodig is. Het vervolgonderzoek is op het moment van schrijven is uitvoering. Eventuele saneringen die noodzakelijk zijn voor de geplande ontwikkeling op de onderzoekslocatie lijken vooralsnog via een BUS-procedure mogelijk. Op basis van de resultaten van het verkennend onderzoek asbest in bodem wordt gesteld dat er geen aanleiding is tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Op basis van de onderzoeksresultaten worden er geen onaanvaardbare belemmeringen verwacht ten aanzien van de onderhavige planontwikkeling.
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 26 van 36
4.8 Water Per 1 november 2003 is het wettelijk verplicht voor alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een watertoets uit te voeren. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Deze toets heeft zowel betrekking op grondwater als op oppervlaktewater. Er dient in beeld te worden gebracht wat de mogelijke gevolgen zijn van een ontwikkeling. Concreet betekent de invoering van de watertoets dat een toelichting een waterparagraaf dient te hebben. Hierin worden keuzes die betrekking hebben op waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd.
4.8.1
BELEID
Provincie Noord-Brabant Het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027 is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het RWP is op 22 december 2021 in werking getreden. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie.
Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het water- en bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Waterschap De Dommel De projectlocatie is gelegen in het stroomgebied van het ‘Waterschap De Dommel’. Dit waterschap is beheerder van zowel de kwaliteit als de kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving. In ‘Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Water als basis voor de toekomstige leefomgeving’ beschrijft Waterschap De Dommel welke beleidsdoelen worden nagestreefd in de periode 2022-2027. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem.
De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale,
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 27 van 36
gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. • van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken • en slimmer sturen. Aansluitend hierop hebben de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel één gezamenlijke Keur opgesteld. Er is volgens in overeenstemming met het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld met bijbehorende algemene regels en beleidsregels.
De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die invloed hebben op de waterhuishouding en het waterbeheer. Regelgeving over veranderende waterafvoer door verhard oppervlak, wateronttrekking en drainage worden hierin beschreven. Gemeente Oisterwijk In de Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022 legt de gemeente Oisterwijk haar visie op het stedelijk waterbeheer vast. De gemeente Oisterwijk heeft het beleid dat ongeacht de hoeveelheid of voormalige situatie, al het afwaterend oppervlak ter plaatse verwerkt moet worden. De verwerkingstijd van de voorziening mag maximaal 24 uur bedragen wegens de beschikbaarheid van de voorziening bij een herhalingsbui. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe binnen het plan met water wordt omgegaan. De aan te leggen voorziening moet 0,06 (60 mm per m²) x oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor (volgens keur waterschap) in 1 uur kunnen verwerken of tijdelijk kunnen bergen.
4.8.2
WATERSYSTEEM
Oppervlaktewater In figuur 10 is een uitsnede weergegeven van de leggerkaart van Waterschap De Dommel voor waterstaatswerken in de omgeving van de planlocatie. Hierin is weergegeven dat er geen oppervlaktewater aanwezig is binnen de planlocatie.
figuur 10.
Uitsnede legger ‘Waterstaatswerken 2021’, planlocatie rood omkaderd.
Bodem Uit het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek volgt dat de onderzoekslocatie volgens de bodemkaart in een niet-gekarteerd gebied ligt. De dichtstbijzijnde kaarteenheid betreft een hoge zwarte enkeerdgrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit lemig fijn zand. De waterdoorlatendheid van dit bodemtype is goed.
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 28 van 36
Grondwater De gemiddelde stand van het freatisch grondwater is centraal op de onderzoekslocatie gemeten, deze bedraagt ± 8,5 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 1,0 m -mv zou bevinden.
4.8.3
WATERBERGING
Verhard oppervlak De verharde oppervlakte op de planlocatie bedraagt in de bestaande situatie ca. 1.400 m². De trottoirs en verhardingen ten behoeve van langs- en schuinparkeerplaatsen blijven nagenoeg gelijk aan de bestaande situatie en worden daarom buiten beschouwing gelaten. In de navolgende tabel zijn de verhardingen weergegeven van de toekomstige bebouwing. tabel 4.
Verhard oppervlak in de toekomstige situatie. Type verharding
Oppervlakte (ca.)
Dorpswoningen Kerkstraat
160 m²
Lof twoningen Rodebrugstraat
500 m²
Appartementen Rodebrugstraat
833 m²
Totaal
1.493 m²
In de Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022 is beschreven dat de eigenaar van een perceel na omgevingsvergunningplichtige bouwactiviteiten of na het aanbrengen van water afvoerende verharding de verplichting heeft al het hemelwater dat op betreffend perceel valt op eigen terrein te verwerken. De omgevingsvergunningplichtige bouwactiviteiten op de planlocatie zorgen voor een toekomstig verhard oppervlak van ca. 1.493 m². De toename van het verhard oppervlak bedraagt ca. 100 m². Waterbergingsvoorziening De waterbergingsvoorziening moet 0,06 (60 mm per m²) x verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor (volgens keur waterschap) in 1 uur kunnen verwerken of tijdelijk kunnen bergen. Blijkens de Keurkaart van Waterschap De Dommel is op de planlocatie gevoeligheidsfactor 1 van toepassing. Uit de berekening volgt een bergingsopgave van ca. 90 m³. Het grondwater bevindt zich op ± 1,0 m onder het maaiveld De initiatiefnemer is voornemens om in overleg met omwonenden te bepalen in hoeverre de benodigde hemelwaterberging in de groene zone aan de Baerdijk wordt gerealiseerd. Mocht (een deel van) de hemelwaterberging niet binnen het plangebied worden gerealiseerd, dan wordt toepassing gegeven aan artikel 6 en 7 van de Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022, waarbij tegen betaling de hemelwaterberging op gemeentelijke gronden wordt gerealiseerd.
4.8.4
PLANOLOGISCHE BORGING
In de planregels is een voorwaardelijke verplichting (artikel 4.3.4 van de planregels) opgenomen om de realisatie en de instandhouding van de benodigde waterbergingsvoorziening te borgen, dan wel door een ontheffing van die plicht te verkrijgen door de benodigde hemelwaterberging elders te realiseren (volgens artikel 6 en 7 van de Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022). Hierdoor wordt voorkomen dat de voorgenomen ontwikkeling zorgt voor een versnelde afvoer van hemelwater op het riool. Er wordt vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 29 van 36
4.9 Archeologie De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. Met name voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig geschreven bronnen bewaard zijn gebleven. De gemeente Oisterwijk heeft op grond van de Monumentenwet in 2009 haar archeologiebeleid vastgesteld in de vorm van de ‘Beleidsplan Archeologie gemeente Oisterwijk’. Het beleidsplan gaat in op hoe de gemeente Oisterwijk kan voldoen aan de Wet op de archeologische monumentenzorg, maar geeft ook aan hoe de gemeente in uiteenlopende omstandigheden om wil gaan met historische bodemschatten. Voor de gehele gemeente is een archeologische beleidskaart opgesteld. De gemeente Oisterwijk heeft haar archeologiebeleid vormgegeven middels het ‘Beleidsplan Archeologie gemeente Oisterwijk’ door te laten werken in haar bestemmingsplannen. In vigerend bestemmingsplan “Centrum Oisterwijk” is op een deel van de planlocatie dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’ opgenomen. Deze waarde bepaalt dat de initiatiefnemer van een omgevingsvergunning voor het bouwen van de beoogde woningen een archeologisch rapport dient te overleggen. Op basis van de resultaten van het archeologisch bureau- en booronderzoek is geconcludeerd dat op een deel van de planlocatie vervolgonderzoek nodig is.
Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht op de locaties van boringen 1 tot en met 4. De kans is aanwezig dat er resten van bebouwing uit de Nieuwe tijd aanwezig zijn op de locatie van boring 5. In het deel van het plangebied waar archeologische waarden aanwezig zouden kunnen zijn, wordt geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht, is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over de onderzoekslocatie sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Het Programma van Eisen is ter goedkeuring aan de gemeente Oisterwijk voorgelegd. Na de sloop van de bestaande bebouwing zullen, mits de gemeente Oisterwijk akkoord is gegaan met het Programma van Eisen, proefsleuven worden gegraven zodat eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen worden gekarteerd en gewaardeerd.
4.10
Ecologie
4.10.1 WETTELIJK KADER De Wet natuurbescherming is de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden regelt. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Bescherming van houtopstanden Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom. Daardoor is er geen sprake van bomen welke vallen onder de Beschermde houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Artikel 4.2. van de Wet natuurbescherming is hierdoor niet van toepassing. Het college van B&W van Oisterwijk heeft op 3 oktober 2017 de Groene kaart met bijbehorend bomenregister gewijzigd vastgesteld. De Groene Kaart bestaat uit 2 deelkaarten, 1 voor de kern Oisterwijk en 1 voor de kern Moergestel. Op de Groene Kaart zijn alle beschermde houtopstanden binnen de bebouwde kom aangegeven; boomvlakken, boomstructuren en waardevolle bomen. De waardevolle bomen zijn genummerd opgenomen in het bomenregister. Voor de houtopstanden binnen de bebouwde kom is een omgevingsvergunning nodig voor het kappen van een boom.
Gebiedsbescherming De wet regelt ten aanzien van gebiedsbescherming de aanwijzing, het beheer en de bescherming van gebieden die vanwege bijzondere natuurwaarden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. Bij de invoering van deze wet
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 30 van 36
is ook de rolverdeling tussen het Rijk en de provincie veranderd. Bij inwerkingtreden van de Wet natuurbescherming hebben de provincies de bevoegdheid gekregen om te bepalen wat wel en niet mag wat betreft natuur. De voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is vervangen door het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en dit betreft het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebied. De provincie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid met betrekking tot NNN. Soortenbescherming Ten aanzien van flora- en faunabescherming zijn in de Wet natuurbescherming verbodsbepalingen opgenomen voor activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten. Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantsoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Ook verplicht de wet de burger zorgplicht te dragen over de flora en fauna. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de mogelijk aanwezige beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied.
4.10.2 DOORWERKING Bescherming houtopstanden De bomenrij in het plangebied aan de Baerdijk zijn in de Groene kaart weergegeven als ‘nevenstructuur gemeentelijke bomen’. Ze zijn daarom vanuit gemeentelijke regelgeving beschermd. Gezien de leeftijd van de bomen en het verdwijnen van wortelruimte door de parkeerkelder is behoud van 5 bomen aan de Baerdijk onmogelijk. Met het plan wordt de gehele rij bomen vervangen door nieuwe bomen waarbij de laanstructuur langs het bouwplan in zijn geheel wordt versterkt. De bomen aan de Rodebrugstraat blijven behouden. Hier wordt rekening mee gehouden bij de nieuwe inrichting met extra parkeerplekken. Voor het kappen van bomen is een omgevingsvergunning noodzakelijk. Gebiedsbescherming Om inzicht te krijgen of de onderhavige ontwikkeling stikstofdepositie veroorzaakt op Natura 2000-gebieden, is het mogelijke projecteffect in de bouwfase en de gebruiksfase berekend door middel van AERIUS Calculator. De berekeningen zijn in de bijlagen gevoegd. Als gevolg van de berekeningen wordt geconcludeerd dat de onderhavige woningbouwontwikkeling geen significante stikstofdepositie veroorzaakt. De ingreep heeft geen significant negatief effect op gebieden welke onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat beschermde dier- en plantsoorten worden verontrust.
Om inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid beschermde soorten is een QuickScan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport behorend bij deze QuickScan is in de bijlage van deze toelichting gevoegd. Op basis van de uitgevoerde QuickScan Wet natuurbescherming is geconcludeerd dat voor de uitvoering van de beoogde werkzaamheden met aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid dient te worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocatie voor huismus, gierzwaluw, kerkuil, kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel), steenmarter en vleermuizen. Om daarnaast vast te kunnen stellen of nesten van roofvogels, ransuil en roek en/of potentiële verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen op de onderzoekslocatie aanwezig zijn, is een nadere inspectie in de winterperiode/bladloze periode noodzakelijk. Bij het aantreffen van een potentieel nest en/of verblijfplaats van roofvogel, ransuil, roek en/of boombewonende vleermuizen is nader onderzoek benodigd. Het vervolgonderzoek naar de genoemde soorten is op het moment van schrijven van de voorliggende toelichting nog in uitvoering. Mocht het vervolgonderzoek hier aanleiding voor geven, dan zullen mogelijk aanwezige soorten op gepaste wijze worden gemitigeerd alvorens opstallen worden gesloopt en/of begroeiing wordt gekapt.
4.11
Kabels en leidingen
Bij ruimtelijke ingrepen dient de initiatiefnemer rekening te houden met planologisch relevante kabels en leidingen. Onder planologisch relevante kabels en leidingen wordt verstaan: • hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; • buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; • buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; • buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom;
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 31 van 36
•
buisleidingen voor transport van andere risicovolle stoffen dan aardgas en aardolieproducten.
Op de planlocatie en in de directe omgeving ervan zijn de bovengenoemde kabels en leidingen niet aanwezig. Het planvoornemen is aanvaardbaar vanuit het aspect kabels en leidingen.
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 32 van 36
5
Juridische planbeschrijving
5.1
Verantwoording planvorm
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Wat betreft systematiek van de integrale herziening is aangesloten bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). Er is sprake van een specifiek bestemmingsplan voor meerdere aaneengesloten kadastrale percelen, een postzegelplan. De planlocatie wordt omringd door het plangebied van bestemmingsplan “Centrum Oisterwijk”. Het voorliggende bestemmingsplan sluit qua systematiek en bestemming zo veel mogelijk aan op dit aangrenzende bestemmingsplan.
5.2
Algemene toelichting verbeelding
Voor het opstellen van de verbeelding heeft een op Rijksdriehoekcoördinaten gebaseerde GBKN-kaart als onderlegger gediend. Daarnaast is de begrenzing van de bestemmings- en bouwvlakken gebaseerd op kadastrale gegevens. Door een combinatie van codering, arcering en kleur is op de geometrische plaatsbepaling de bestemmingsregeling aangegeven.
5.3
Algemene toelichting regels
De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, omtrent de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels worden, conform de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: • Hoofdstuk 1 Inleidende regels • Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels • Hoofdstuk 3 Algemene regels • Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Hieronder worden de hoofdstukken en onderliggende artikelen nader toegelicht.
Inleidende regels In het hoofdstuk “Inleidende regels” wordt een aantal begrippen verklaard en wordt aangegeven hoe, bij toepassing van de regels, dient te worden gemeten. Dit om zoveel mogelijk uit te sluiten dat de regels verkeerd worden geïnterpreteerd.
Bestemmingsregels Het hoofdstuk “Bestemmingsregels” bevat de regels waarin de materiële inhoud van de gegeven bestemming is opgenomen, waaronder het gebruik van de opstallen en de gronden en de toegestane maatvoering. Binnen de bestemmingsvlakken en bouwvlakken mag bebouwing ten dienste van de bestemming worden opgericht. Hierbij dient te worden opgemerkt dat er op basis van het Besluit omgevingsrecht (Bor), naast het bestemmingsplan, wel het een en ander vergunningsvrij mag worden gebouwd. Dit wordt in het bestemmingsplan niet expliciet benoemd.
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 33 van 36
5.4
Toelichting bestemmingen
Hieronder wordt per bestemming een korte toelichting gegeven.
Enkelbestemming ‘Verkeer’ In de groene zone aan de Baerdijk is enkelbestemming ‘Verkeer’ van toepassing. Hier komt een wandelpad/trottoir gecombineerd met groen en mogelijk een hemelwaterbergingsvoorziening.
Enkelbestemming ‘Wonen’ Voor het volledige plangebied is de bestemming 'Wonen’ toegekend. In het noordelijk deel van het plan is bouwaanduiding ‘vrijstaand’ van toepassing, ten zuiden daarvan is bouwaanduiding ‘aaneengebouwd’ van toepassing, in het zuidelijk deel van de planlocatie is bouwaanduiding ‘gestapeld’ van toepassing. Door middel van maatvoeringsaanduidingen zijn de maximaal toegestane goot- en bouwhoogten in het plangebied vastgelegd.
Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 1’ De voor ‘Waarde – Archeologie – 1’ aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden.
Dubbelbestemming ‘Waarde – Beschermd dorpsgezicht’ De voor ‘Waarde – Beschermd Dorpsgezicht’ aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor het behoud en de bescherming van het beschermd dorpsgezicht.
Algemene regels In hoofdstuk 3 (Algemene regels) wordt in de artikelen 'Antidubbeltelregel' en 'Algemene afwijkingsregels' een aantal algemene bepalingen verwoord die onder meer de flexibiliteit van het plan vergroten. De 'Antidubbeltelregel' bepaalt dat gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. In de 'Algemene bouwregels' worden enkele afwijkingsbevoegdheden aan burgemeester en wethouders toegekend die geringe afwijkingen mogelijk maken van hetgeen in het bestemmingsplan is bepaald. Het gaat bijvoorbeeld om het in geringe mate afwijken van het plan en bepalingen omtrent ondergronds bouwen.
Overgangs- en slotregels Tot slot worden in hoofdstuk 4 de overgangs- en slotregels geformuleerd. In het artikel 'Overgangsrecht' worden regels bepaald omtrent bouwwerken, die in de bestaande situatie aanwezig zijn of mogen worden gebouwd. In de 'Slotregel' tenslotte wordt aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangehaald.
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 34 van 36
6
Uitvoerbaarheid en procedure
6.1
Economische uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een buitenplanse omgevingsvergunningprocedure om van het bestemmingsplan af te wijken. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. De voorgestane ontwikkeling aan de Baerdijk/Rodebrugstraat te Oisterwijk betreft een bedrijfsmatig initiatief op eigen verzoek. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende initiatiefnemer. Hierbij is de economische uitvoerbaarheid voor de gemeente gegarandeerd.
Er zijn geen financiële consequenties van het project voor de gemeente Oisterwijk. Dit zal worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarin wordt opgenomen dat eventuele planschade voor rekening komt van de initiatiefnemer. Bovendien worden de eventuele gemeentelijke kosten verhaald via het in rekening brengen van leges. Doordat het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins is verzekerd en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd is geen exploitatieplan benodigd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee afdoende aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het erom dat er maatschappelijk draagvlak is voor een voornemen. Voor omwonenden van de planlocatie zijn informatiebijeenkomsten georganiseerd waarbij de omwonenden naar input is gevraagd. Op basis van de eerste bijeenkomst is een stedenbouwkundig concept opgesteld, wat uitgebreid is besproken met de grondeigenaar, omwonenden en de monumentencommissie. De feedback die op de tweede informatieavond is opgehaald, is verwerkt in ‘Stedenbouwkundige randvoorwaarden Kartonnagefabriek’, opgesteld door Kempenadvies. Met de vaststelling van deze stedenbouwkundige kaders kan worden begonnen met de herontwikkeling van de locatie. De vastgestelde stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn beschreven in paragraaf 3.3.3 van de voorliggende toelichting; deze vormen de basis van dit bestemmingsplan. Voor het voorliggende ontwerpbestemmingsplan wordt de gelegenheid tot zienswijze geboden conform de wettelijk voorgeschreven procedure.
6.3
Procedure
In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van de bij het plan betrokken provincie en waterschap. De formele vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan vindt vervolgens plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Hierbij wordt o.a. afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard, met een aantal aanvullende procedurevereisten. Het (ontwerp)plan is ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode zijn er vijf zienswijzen ingediend. Deze hebben geleid tot aanpassing aan het bestemmingsplan.
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 35 van 36
7
Conclusie
Het onderhavige initiatief om op de planlocatie twee dorpswoningen (met in iedere dorpswoning twee wooneenheden), acht industriële loftwoningen en een appartementencomplex met 17 woningen te realiseren, is beoordeeld op de eisen van ‘een goede ruimtelijke ordening’ en hieruit is gebleken dat het initiatief aan alle vereisten voldoet. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt een ruimtelijk kader vastgesteld op basis waarvan de beoogde ontwikkeling kan worden gerealiseerd. Het voorliggende plan is getoetst aan de eisen van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en er is aan de eisen voldaan. Een uitbreiding van het aantal woningen in deze omvang doet geen afbreuk aan het woon- en leefklimaat ter plaatse van nabijgelegen woningen. Het onderhavige initiatief is getoetst aan geldende sectorale wet- en regelgeving en hieruit is gebleken dat er geen milieuplanologische belemmeringen zijn. Hierdoor wordt geconcludeerd dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief vanuit het gemeentelijke ruimtelijke belang, het belang van ‘een goede ruimtelijke ordening’ en uit oogpunt van milieuplanologische wet- en regelgeving is aangetoond.
Vastgesteld bestemmingsplan “Baerdijk-Rodebrugstraat te Oisterwijk” - VA01
Pagina 36 van 36