CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage BP Beekdalpark Toelichting

RAAD 30 mei 2024, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk - AANVAARD17.559 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.4

Cultuurhistorie

Beleidskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingsplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|29

Erfgoedwet De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provinciaal beleid In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.

Het plangebied heeft geen cultuurhistorische waarde op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart.

Afbeelding 13 Uitsnede Provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart

Gemeentelijk beleid De gemeente Oisterwijk hanteert de erfgoedvisie 2021-2026 voor beleid rondom gemeentelijk erfgoed. In deze visie staat beschreven hoe de bouwstenen van het erfgoed in de gemeente kan worden versterkt en bij kan dragen aan het behoud, beschermen, beheren en beleven van het Oisterwijks erfgoed. De Erfgoedagenda is geïntroduceerd als dynamisch uitvoeringsinstrument. De Erfgoedagenda bestaat uit sleutelprojecten die uitvoering geven aan de visie. De projecten bieden inspiratie op welke manier erfgoed gekoppeld kan worden aan de maatschappelijke opgaven en ambities van de gemeente.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|30

In de kern Oisterwijk is het centrum het meest bekende gebied met cultuurhistorische waarde. Maar er zijn in de kern nog twee andere gebieden aangewezen als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Het eerste gebied ligt rond de Burgemeester Canterslaan, Burgemeester De Keijzerplein-Juliana Bernardplein en de Burgemeester van Beckhovenstraat. Het gebied is één van de eerste uitbreidingslocaties van de kern Oisterwijk. Het tweede gebied ligt in de wijk Waterhoef rond de Boxtelsebaan en de Nicolaas van Eschstraat. Hier gaat het om historische bebouwing langs één van de historische invalswegen van Oisterwijk. De beoogde ontwikkeling Beekdal Park valt niet binnen deze beschermde gebieden van de gemeente Oisterwijk. Conclusie Het planvoornemen vormt geen belemmering voor de cultuurhistorische waarden.

5.5

Externe veiligheid

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit. De wet- en regelgeving omtrent externe veiligheid is vastgesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) de Structuurvisie buisleidingen en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het beleid richt zich op het beschermen van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbare objecten zijn onder andere woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderdagverblijven. Onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen worden als beperkt kwetsbare objecten aangewezen. De beoogde ontwikkeling omvat nieuwe kwetsbare objecten. De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes). Om de externe veiligheid ten behoeve van een nieuwe ontwikkeling te beoordelen wordt er een onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Plaatsgebonden risico Het PR is de kans dat een persoon, die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt door een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. Het PR wordt op de kaart van het gebied weergeven middels zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10 -6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. De voorgenomen ontwikkeling is niet gelegen binnen een risicocontour. Het plaatsgebonden risico leidt daarmee tot geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Groepsrisico Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang (10 personen of meer) overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit wil zeggen dat elke wijziging inzake planologische keuzes, zowel moet worden onderbouwd als ook verantwoord moet worden door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag geeft hierbij aan of het groepsrisico in de betreffende situatie verantwoord wordt beschouwd.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|31

Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico’s Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen. Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is in het Bevi gedefinieerd als het ‘risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is’. Het groepsrisico (GR) is gedefinieerd als de ‘cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is’. Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m² en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare.

Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming. Besluit externe veiligheid transportroutes Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer (Wm). Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht.

Besluit externe veiligheid buisleidingen Het besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel. Inventarisatie risicobronnen Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de risicokaart van Nederland.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|32

Afbeelding 14 Uitsnede Risicokaart Nederland

Inrichtingen Binnen of direct grenzend aan het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. De dichtstbijzijnde inrichting ligt op circa 525 meter van het plangebied en betreft een LPG-inrichting. De beoogde ontwikkeling Beekdalpark ligt ruimschoots buiten de risico contour van de LPG-inrichting. Derhalve vormt de inrichting geen belemmering voor het planvoornemen. Transport over wegen In de nabij omgeving van het plangebied zijn geen wegen aanwezig die een beperking vormen in het kader van externe veiligheid. Transport over water In de nabij omgeving van het plangebied zijn geen vaarwegen aanwezig die een beperking vormen in het kader van externe veiligheid. Transport over spoor Op circa 260 meter afstand van het plangebied bevindt zich een ‘basisnet-spoortraject met PAGindicatie’. De beoogde ontwikkeling Beekdalpark ligt buiten de risicocontour van het spoortraject. Derhalve vormt de inrichting geen belemmering voor het planvoornemen. Transport per buisleiding In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig die een beperking vormen in het kader van externe veiligheid. Standaardadvies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio heeft een standaardadvies opgesteld.

Dit standaardadvies kan op basis van het bij dit advies horende stroomschema gebruikt worden voor de verantwoording van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen. De locatie ligt buiten het invloedsgebied van een risicobron (Spoorlijn Tilburg- Boxtel). Ten westen van het plangebied vindt transport plaats over Moergestelseweg. De locatie ligt buiten het invloedsgebied van deze weg. Zowel de standaard verantwoording van de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant als ook het standaardadvies van Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|33

de Veiligheidsregio zijn toepasbaar. Het standaardadvies is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd.

Afbeelding 15 Zone indeling standaard verantwoording groepsrisico (plangebied rode cirkel)

De Veiligheidsregio heeft een standaardadvies 2020 opgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van een Bevi inrichting en/of de infrastructuur. De beoogde ontwikkeling initiatief past binnen de kaders van het Standaardadvies; ‘Ontwikkelingen buiten de 200 m van een categoriale Bevi inrichting, spoorlijn, autoweg, waterweg of buisleiding’. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.6

Flora & fauna

Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is de Nederlandse wet die de bescherming van natuurgebieden en soorten regelt. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de vogel- en habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. Bovendien sluit het instrumentarium van de Wet natuurbescherming aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. Het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning is de gemeente. De bevoegdheden om te toetsen aan de Wet natuurbescherming is bij de provincie gelegd. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|34

Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland worden deze gebieden aangewezen binnen de EU-vogelrichtlijn en de EU-habitatrichtlijn. In Natura 2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. In het opgestelde beheerplan wordt beschreven hoe de instandhoudingsdoelstellingen bereikt dienen te worden. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische hoofdstructuur genoemd (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het bestaat uit gebieden die samen een netwerk vormen door Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. In het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn en er sprake is van een groot openbaar belang. De effecten van de ingreep moeten bovendien worden gecompenseerd. Naast ongeveer 20 Nationale parken, meren, rivieren en de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee vallen alle Natura 2000 gebieden onder het NNN. De landbouwgebieden worden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer.

Beschermde planten en dieren De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wet natuurwetbescherming (Wn) niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wn kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming: • Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wn). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken. • Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wn).

• Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wn, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wn). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wn niet meer is beschermd). De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|35

Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wn worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wn) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. Onderzoek Voor de locatie is een ecologische quickscan uitgevoerd (bijlage, BrabantEco, 2023 BE-0489, 28 januari 2023). Met het uitvoeren van het veldbezoek en de gegevens van de NDFF kunnen de volgende resultaten worden gepresenteerd. De beoogde ontwikkelingen zijn getoetst aan verschillende aspecten die van belang zijn voor de Wet natuurbescherming. De gebiedsbescherming betreffende de Natura 2000 en NNN-gebieden laten geen negatief effect zien in relatie tot de beoogde ontwikkelingen. De gebieden liggen op dergelijke afstand dat negatief effect uit is te sluiten. Externe effecten op Natura 2000 gebieden in relatie tot stikstofdepositie kan worden aangetoond met een Aerius- berekening. De soortbescherming laat zien dat de aanwezigheid van beschermde plantensoorten niet mogelijk wordt geacht in het directe plangebied. Geschikte habitats voor beschermde plantensoorten ontbreken en tijdens het veldbezoek zijn er geen beschermde planten aangetroffen.

In de directe omgeving kunnen beschermde plantensoorten voorkomen bij de beek de voorste stroom en aanliggende waterpartijen. De beoogde ontwikkelingen hebben echter geen effect op deze structuren. De aanwezigheid van houtopstanden is uit te sluiten aangezien het merendeel van de aanwezige vegetatie behouden zal blijven. Indien er tot kap van bomen wordt overgegaan moet worden gecontroleerd bij de gemeente of een kapvergunning noodzakelijk is. Onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen toont aan dat gebouw bewonende soorten mogelijk een verblijfplaats hebben binnen het plangebied. Er zijn tijdens het veldbezoek meerdere structuren aangetoond waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. Deze structuren betreffen stootvoegen, dilatatievoegen en beschadigingen. Onderzoek naar de aanwezigheid van een verblijfplaats is noodzakelijk om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Vleermuizen oriënteren zich op lijnvormige structuren welke in het gebied aanwezig zijn in de vorm van laanbeplanting en struikgewas. Deze structuren zijn te volgen naar de beek de Voorste Stroom en nabijgelegen waterpartijen. Deze gebieden kunnen door vleermuizen worden gebruikt om te foerageren. Wanneer er tot kap van deze lijnvormige structuren wordt overgegaan kunnen vleermuizen worden geschaad aangezien zij niet meer hun foerageergebied kunnen bereiken.

Onderzoek naar vliegroutes is hiervoor van belang om negatief effect uit te sluiten. De aanwezigheid van een vaste rust- en verblijfplaats van marterachtige lijkt in het gebied niet mogelijk. De gebouwen zijn niet betreedbaar voor deze soortgroep. In de directe omgeving zijn voldoende ecologische structuren te vinden in de vorm van ruigte en struikgewas waar marterachtige gebruik van kunnen maken en bij verstoring naar toe kunnen vluchten. Negatief effect ten aanzien van deze soortgroep is daarmee uit te sluiten. Overige beschermde zoogdieren zoals de bever en de eekhoorn kunnen mogelijk voorkomen in de directe omgeving maar worden niet in het directe plangebied verwacht. In het plangebied ontbreken namelijk geschikte habitats voor deze diersoorten. Bij de beek de Voorste Stroom en de aanliggende waterpartijen kunnen deze soorten mogelijk wel voorkomen maar negatief effect is uit te sluiten.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|36

Onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde vogelsoorten toont aan dat deze in het plangebied niet voorkomen. Er is weinig tot geen mogelijkheid om te broeden bij de bebouwing en in de omliggende bomen zijn geen nesten van beschermde soorten aangetroffen. Het voorkomen van algemene soorten is niet uit te sluiten maar kan worden gemitigeerd door te werken buiten het broedseizoen. De aanwezigheid van beschermde amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en overige soorten lijkt in het directe plangebied niet mogelijk. Juiste biotopen ontbreken namelijk in het directe plangebied. De beek de voorste stroom en aanliggende waterpartij kunnen mogelijk beschermde soorten herbergen. Aangezien deze structuren niet worden beïnvloed door de beoogde ontwikkelingen is negatief effect op voorhand uit te sluiten ten aanzien van beschermde soorten. Algemene soorten kunnen voorkomen binnen het gebied. Bij het aantreffen van een individu van één van deze soorten is de zorgplicht altijd van kracht. De realisatie van het nieuwe Beekdalpark zal zorgen voor een versterking van de ecologie van het gebied. Eerder genoemde soorten zullen hier baat bij hebben. Aanvullend onderzoek vleermuizen Uit een ecologische potentie-inschatting uitgevoerd door Brabant Eco (Ecologische Quickscan met projectnummer 2023-BE-0489 d.d.

31 januari 2023) blijkt dat in het plangebied mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Alle soorten vleermuizen zijn beschermd. Daarom heeft Brabant Eco in het plangebied onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen uitgevoerd. Het volledige aanvullende onderzoek is als bijlage bij de toelichting toegevoegd. (Nader onderzoek vleermuizen met projectnummer 2023-BE-0489 d.d. 5 oktober 2023). Er zijn in en nabij het plangebied twee soorten vleermuizen waargenomen, de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en de laatvlieger (Eptesicus Serotinus). Het onderzoek vond plaats van mei tot en met september 2023. Het gehele plangebied met daarbij alle structuren waren goed toegankelijk en visueel goed te onderzoeken. Bij inspectie van het plangebied bij daglicht zijn geen vleermuiskeutels of andere sporen gevonden die duiden op vleermuisverblijfplaatsen. Er zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen aangetroffen in het te slopen pand. De omgeving rond het plangebied fungeert als foerageergebied voor maximaal twee of drie dwergvleermuizen en een enkele laatvlieger. Gelet op dit kleine aantal en het ruime aanbod aan vergelijkbaar foerageergebied in de omgeving is het geen essentieel foerageergebied. Een onmisbaar foerageergebied binnen de plangrenzen is niet aan de orde. Er zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op een essentiële vliegroute.

Eventuele vliegroutes zullen behouden blijven. Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratie- of foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen worden niet aangetast door de voorgenomen plannen. Het zogenaamde najaarszwermgedrag is niet waargenomen. De geplande ontwikkeling heeft door gebrek aan geschikte verblijfslocaties geen negatieve effecten op lokale populaties vleermuizen. De voorgenomen ontwikkelingen zullen geen invloed hebben op de in het plangebied of directe omgeving voorkomende vleermuizen. Er worden geen verblijfplaatsen aangetast en er worden geen essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied aangetast. Daarmee kan gesteld worden dat de duurzame instandhouding van de aangetroffen vleermuissoorten niet in gevaar zal komen door de geplande ontwikkeling. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van de plannen is daarmee niet nodig. Er zijn geen zomer-, kraam-, paar-, of winterverblijfplaatsen aangetroffen in het plangebied. Zodoende worden er met de sloop geen verbodsartikelen overtreden van de Wet natuurbescherming en is een ontheffingsverzoek bij bevoegd gezag niet noodzakelijk. De gewone dwergvleermuis is in Nederland de meest algemene

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|37

soort. Hij kan vrijwel overal in Nederland aangetroffen worden. Ook komt de gewone dwergvleermuis algemeen voor in de omgeving van het plangebied, de gemeente Helmond en elders in de provincie Noord-Brabant. De laatvlieger is ook een zeer algemene soort in Nederland en is in het verleden regelmatig waargenomen in de buurt van het plangebied. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.7

Stikstof

Beleid Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en de daarbij behorende toetsingskader is in werking getreden op 1 juli 2015. Te veel stikstof is slecht voor de natuur, waardoor een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig is voor activiteiten waar stikstof bij vrij komt (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw of de industrie). Tot 29 mei 2019 was toestemming voor dergelijke activiteiten gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het PAS ongeldig verklaard. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) biedt niet genoeg bescherming aan zogenoemde Natura 2000-gebieden. Een nieuwe stikstofrekentoepassing maakt sommige bouwprojecten toch mogelijk. Het kabinet heeft destijds een nieuwe rekenmethode naar buiten gebracht (de ‘AERIUS Calculator 2020’) welke het verlenen van vergunning voor projecten mogelijk moet maken. Inmiddels is ‘AERIUS Calculator (versie 2022)’ de meest recente versie waarmee gerekend kan worden. Projecten waarvan (met behulp van deze rekenmethode) kan worden bewezen dat ze de natuur niet raken, komen in aanmerking voor een vergunning. De natuur wordt niet geraakt zolang de depositie van stikstof op beschermde natuurgebieden niet hoger bedraagt dan 0,00 mol/ha/j.

In het geval de depositie wél hoger is dan 0,00 mol/ha/j, zijn er enkele mogelijkheden zoals het (intern of extern) salderen of de ADC-toets. Deze toets is echter enkel bruikbaar bij zeer grote dwingende projecten zonder alternatief, waarbij tevens gecompenseerd wordt. Het salderen is een manier om uiteindelijk de natuurvergunning te verkrijgen door binnen of buiten het project aan te tonen dat er minder of geen extra stikstof neerslaat op Natura 2000-gebieden. Onderzoek Voor de woningbouwontwikkeling op de locatie van het voormalige zwembad De Leye in Oisterwijk is een stikstofonderzoek uitgevoerd (bijlage, Ordito BV, 14-11-2023). Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn - gedurende de aanleg- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Wanneer de uitgangspunten in dit onderzoek wijzigen, dan dient een nieuwe AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Het is namelijk in dat geval mogelijk dat een Wnb-vergunningsplicht toch noodzakelijk is. Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|38

5.8

Geluid

Beleid Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op deze omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt tussen verkeerslawaai en industrielawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de Wgh iedere weg in beschouwing te worden genomen tenzij de weg binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Op grond van de Wgh bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal type objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen (onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuishuizen en verpleeghuizen). Objecten die niet onder deze categorieën zijn te scharen zijn op basis van de Wgh niet beschermd tegen geluidhinder.

Beoordeling In opdracht van Aeres Milieu is, in het kader van de realisatie van Beekdalpark te Oisterwijk, door K+ Adviesgroep een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeer- en railverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van de Wet geluidhinder. Het akoestisch onderzoek is noodzakelijk omdat het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Baerdijk/Poststeeg, Groenstraat, Spoorweg Boxtel-Tilburg, Vloeiweg en Kloosterbeemd. Het volledige onderzoek is als bijlage bij de toelichting opgenomen. Wet geluidhinder Baerdijk/Poststeeg - De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Beardijk is maximaal 56 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). - Voor de ontwikkeling wordt een besluit hogere grenswaarde genomen. - In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter vervanging van een bestaande bebouwing, in nabijheid van bestaande woningen. - Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager.

De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €60.000,- (200 m * 6m * €50,-) en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. - Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Tenminste de oost- en zuidgevels van de bouwblokken zijn geluidluwe gevels. Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|39

- Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. In tabel 4.6 is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven. Groenstraat - De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 46 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Spoorweg Boxtel-Tilburg - De gevelbelasting bedraagt maximaal 55 dB. - De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt niet overschreden. - In het kader van de Wet geluidhinder wordt vanwege railverkeerslawaai geen restricties aan het onderzochte bouwplan opgelegd. Niet gezoneerde wegen Vloeiweg - Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wet geluidhinder gehanteerd.

- In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. - De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 59 dB, zonder aftrek artikel 110g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 54 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. - Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd. - Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Om onder een niveau van 33 dB te blijven en wooncomfort en gezondheid te garanderen kunnen maatregelen worden getroffen. Hiervoor wordt verwezen naar tabel 4.6 kolom ‘comforteis’ uit bijlage 7 bij deze toelichting. Kloosterbeemd - Er is sprake van een 30 km/h zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. - De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 43 dB (excl. art. 110g Wgh). Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 38 dB (incl. art.

110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. - Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|40

Conclusie Ter plaatse van de Baerdijk/Poststeeg wordt de voorkeursgrenswaarde wel, maar de maximale ontheffingswaarde niet overschreden. Er wordt een besluit hogere grenswaarde genomen. De Wet geluidhinder legt geen verdere restricties op aan het plan.

5.9

Luchtkwaliteit

Wet Luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. De Wet luchtkwaliteit bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 20 µg/m3

Daarnaast voorziet de Wet luchtkwaliteit in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing. Onderzoek NIBM Uit de regeling NIBM blijkt dat een project met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. In dit geval is sprake van een woningbouwproject met een toevoeging van 77 woningen, waardoor de luchtkwaliteit aspecten geen belemmering vormen voor dit project. NSL-monitoringstool In de NSL-monitoringstool is de huidige en toekomstige luchtkwaliteit weergegeven. Op de kaarten van de NSL-monitoringstool zijn geen rekenpunten aanwezig langs de Vloeiweg.

Uit de resultaten van omliggende rekenpunten blijkt dat voor de stoffen stikstofdioxide en fijnstof geen sprake is van overschrijdingen van concentraties en aantal overschrijdingsdagen. Er kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|41

5.10

Water

Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het nationaal waterbeleid voor de komende jaren is vastgesteld in het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 door de minister van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Het nationaal waterbeleid voor de komende jaren is in 2015 vastgesteld in het Nationaal Waterplan 2016-2021 door het kabinet. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn.

In de jaren voorafgaand aan de vorige Nationale Waterplannen, gaven de Vierde Nota waterhuishouding, de Commissie Waterbeheer 21 e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water een belangrijke impuls aan het waterbeheer. Dit gaat met het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 een nieuwe fase in. Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) is de opvolger van het Provinciaal Milieu- en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Het doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Waterschap De Dommel Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap De Dommel. Het beleid van het waterschap De Dommel is gericht op water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap schetst de visie en ambities voor de lange termijn (2050). De Dommel is anders gaan denken dan in het voorgaande Waterbeheerplan 2016-2021.

In 2050 wil de Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving en zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat omgang met water fundamenteel moét veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie. Het klimaat verandert, daardoor is het watersysteem van Midden-Brabant kwetsbaar geworden. Daarbij speelt mee dat het weer extremer wordt, de vraag naar ruimte toeneemt en er meer (grond)water wordt verbruikt. Bovendien is ons water, ondanks alle inspanningen, nog steeds niet

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|42

schoon genoeg. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave. Het watersysteem speelt een cruciale rol in ál deze uitdagingen. De komende zes jaar maakt het waterschap het verschil door de focus in de aanpak te verleggen. De ambitie en de veranderingen zijn gericht op: Van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat vanaf nu ook naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied, niet alleen naar beekdal; Van een sectorale aanpak naar een integrale aanpak; samen met overheden en gebiedspartners werken we aan meerdere doelen in het gebied; Van ‘water afvoeren’ naar ‘elke druppel telt’; we richten het waterbeheer in op maximaal water vasthouden, we gaan minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Brabant Keur Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water. Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is bij de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen: 1.

Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m² stelt het waterschap geen andere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijk beleid. 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 500 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m²) X gevoeligheidsfactor X 0,06 (in m²). Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig. Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De notitie geeft uitgangspunten en randvoorwaarden bij het hydrologisch neutraal bouwen en maakt inzichtelijk welke hydrologische gevolgen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem. De notitie bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om de negatieve hydrologische gevolgen te compenseren binnen de ontwikkeling. Gemeente Oisterwijk Binnen de gemeente Oisterwijk is het waterbeleid ingebed binnen het ruimtelijk beleid en de reguliere werkzaamheden. Oisterwijk is volledig voorzien van riolering in stedelijk en buitengebied. Over het algemeen is het beleid voor stedelijk afvalwater duidelijk. Hemelwater en afvalwater worden gescheiden.

De afgelopen 20 jaar is ruim 20% van de verharding afgekoppeld van het gemengde rioolstelsel. Voor de opvang, buffering en infiltratie van hemelwater is een stelsel aangelegd van infiltratieriolering, open infiltratievoorzieningen en infiltratiekelders. Bij nieuwe ontwikkelingen zoals bijvoorbeeld Pannenschuur zijn direct voorzieningen aangelegd. Binnen Oisterwijk is het beleid steeds meer gericht op het voorkomen van (de gevolgen van de klimaatverandering zoals) wateroverlast, tegengaan van verdroging en zorg voor een veilige leefomgeving. Als gevolg van ‘global warming’ krijgen we meer te maken met hittestress. Hittestress is een fenomeen waarbij, door verstening van de omgeving, het ontbreken van water en groen bij

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|43

hitte, de effecten van de opwarming toenemen en leiden tot slechtere leefomgeving. Door toepassing van maatregelen zoals bijvoorbeeld ‘groene daken’ of andere warmte onttrekkende maatregelen (groene voortuinen, Kop van de Lind) wordt de omgeving beter leefbaar. Vanuit water wordt steeds meer ‘klimaatadaptief’ gewerkt met hemelwater. Daarmee wordt bedoeld dat hemelwater opgevangen wordt, gebufferd, waar mogelijk hergebruikt, geïnfiltreerd en pas als laatste afgevoerd naar oppervlaktewater. De Waterwet schrijft voor dat iedereen op eigen terrein daarvoor zelf verantwoordelijk is. Het beleid voor de toekomst is er vooral op gericht om door afkoppeling en buffering/infiltratie water vast te houden en terug te brengen in de bodem. Het water moet dan bij voorkeur oppervlakkig (bijv. vijver/sloot) gebufferd worden. Totaal moet nog minimaal 20% van het verharde areaal afgekoppeld worden in kern Oisterwijk en kern Moergestel. Binnen het stedelijk gebied is er door de inbreidingen en het groenareaal niet meer voldoende ruimte om die voorzieningen te realiseren. Aan de randen van de kernen zijn zoekgebieden aangegeven in de visie voor de buffering en infiltratie van water. De gemeente Oisterwijk zelf hanteert het uitgangspunt dat het gehele verharde oppervlak dient te worden afgekoppeld. Hemelwater van daken en verhardingen mag dus niet via het (gemengde) rioolstelsel worden afgevoerd.

In buitengebieden is afvoer van hemelwater via de riolering veelal niet eens haalbaar gezien de capaciteit van de (druk)riolering aldaar. Bij nieuwe bebouwing wordt hydrologisch neutraal gebouwd. Elke verslechtering in kwantitatieve zin moet gecompenseerd worden. In geval van de gemeente betekent dit veelal het aanleggen van retentie. Waar mogelijk wordt gekozen om afvloeiend hemelwater zichtbaar in te zamelen, te bergen en/of af te voeren op basis van de beleidsnotitie afkoppelen. In nieuwe bestemmingsplannen en/of wijzigingsplannen wordt in de waterparagraaf opgenomen hoe de berekening van de waterberging plaatsvindt. Aan de hand van de werkelijke uitwerking wordt de definitieve berekening gemaakt. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de hoeveelheid regen in mm1 zoals die in de Keur van het Waterschap is opgenomen. De rekenmethode is als volgt: Hoeveelheid toe te rekenen verharding in m2 (gewoonlijk 100% van het verharde opp.) Hoeveelheid regen in mm1 (op dit moment 60 mm1 = 0,06 m1) Berekening is opp. in m2 x regen in m1 = hoeveelheid m3 water. Voor het gedeelte water dat niet op eigen terrein verwerkt kan worden, wordt het aantal m3 vermenigvuldigd met de kosten/m3. Voor 2023 is dit bedrag vastgesteld op € 368/m3 excl. BTW. Dit bedrag wordt vanaf 2019 opgenomen in de legesverordening en dan jaarlijks geïndexeerd.

Bij de behandeling dient de volgende voorkeursvolgorde (waterkwantiteit) zoveel mogelijk te worden gevolgd: hergebruik, vasthouden, bergen, infiltreren, afvoeren. Grondwater Bij de aanleg van nieuwe bebouwing worden zo min mogelijk ontwateringsmiddelen toegepast. Waar mogelijk zal gekozen worden voor het ophogen van terreinen om de ontwateringsdiepte op acceptabel niveau te houden. Voor nieuwe bebouwing wordt uitgegaan van het volgende uitgangspunt: GHG 0,70 m1 - mv met een overschrijdingskans van maximaal 4 weken p/jr. 0,50 - mv

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|44

Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022 Door klimaatverandering worden droogteperioden langer en buien heviger. Daarom dient er voldoende bergings- en verwerkingscapaciteit te zijn van hemelwater. Het anders dan afvoeren via de riolering omgaan met hemelwater is nodig om de riolering in de toekomst niet te overbelasten tijdens hevige regenbuien voor klimaatadaptatie en om de grondwaterstanden aan te vullen en in stand te houden. In de verordening worden drie situatie geschetst: Percelen waar omgevingsvergunning-plichtige bouwactiviteiten worden uitgevoerd of waar water afvoerende verharding wordt aangebracht. Hier wordt 100% van het verhard oppervlak tot 60mm op eigen terrein verwerkt; Waar voor berging of afvoer van hemelwater een gemeentelijke voorziening aanwezig is. Hier wordt minimaal 40% verhard oppervlak afgevoerd naar de gemeentelijke voorziening. Tenzij voorgaande van toepassing is; Het gebied waar de gemeentelijke riolering is uitgevoerd door middel van drukriolering. De afvoer van hemelwater via de gemeentelijke drukriolering is ten alle tijden niet toegestaan geweest. In alle overige bestaande situaties is deze verordening niet van toepassing, totdat de situatie gewijzigd wordt. Hiermee worden natuurlijke momenten aangegrepen om de verwerking van het hemelwater aan te passen aan het veranderende klimaat.

Voor de lozing van het (overtollige) hemel- en/of grondwater op gemeentelijke voorziening wordt door de beheerder de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd: 1. Op open maaiveld; 2. Op niet afvoerende sloot (berging en infiltratie) 3. Op open retentievoorziening; 4. Op infiltratie riolering; 5. Op afvoerende sloot; (evt. toestemming waterschap) 6. Op hemelwater riolering; 7. Op gemengde riolering; 8. Op vuilwater riolering. Waterparagraaf Op 17 maart 2023 heeft Aeres Milieu een waterparagraaf opgesteld voor het plangebied. De volledige waterparagraaf is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Door het nemen van de genoemde maatregelen, de ruimte voor de aanleg van een hemelwatervoorziening en door rekening te houden met de genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten door de voorgenomen planontwikkeling. Infiltratieonderzoek Op 17 maart 2023 heeft Aeres Milieu een infiltratieonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling Beekdalpark. Uit de resultaten van het infiltratieonderzoek (Bijlage 7 bij deze toelichting) kan worden geconcludeerd dat er in de onverzadigde zone een slechte verticale infiltratiesnelheid aanwezig is en een zeer goede horizontale infiltratiesnelheid.

Dit komt overeen met de verwachting gezien de matig fijn, humeuze (oorspronkelijke) bodemlaag waarin deze metingen uitgevoerd zijn.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|45

In de verzadigde zone, onder de grondwaterstand, is in alle drie de meetpunten een slechte doorlatendheid van ca. 0,1 meter per dag. Dit komt overeen met de verwachting gezien de uitvoering van de metingen in de sterk siltige zand en venige ondergrond. Rekening houdend met een veiligheidsfactor van 2 bedraagt de horizontale verspreiding 1,6 meter per dag. De verticale infiltratiesnelheid is slecht met 0,1 meter per dag waarmee rekening gehouden dient te worden bij een ontwerp. De inpassing van absolute infiltratievoorzieningen is gezien de slechte verticale doorlatendheid en de infiltratie belemmerde ondergrond niet toepasbaar. Derhalve wordt op een voorziening een leegloopvoorziening geadviseerd voor een tijdige lediging bij volledige vulling of langdurig natte periodes. De horizontale infiltratiesnelheid in de onverzadigde bodem laat wel verspreiding toe waardoor bijvoorbeeld de inpassing van wadi’s met een vertraagde leegloop/noodoverloop op het oppervlaktewater toepasbaar is. Verder dient men rekening te houden met de verwachte relatief hoog optredende grondwaterstanden gezien de slechte bodemdoorlatendheid van de ondergrond. Watertoets Op 20 november 2023 heeft waterschap de Dommel gereageerd op het concept ontwerp bestemmingsplan.

Het waterschap heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de bestemmingswijziging, omdat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Wel heeft het waterschap gevraagd om in de planregels de dubbelbestemming ‘Waterstaat – reserveringsgebied waterberging’ op te nemen. Het plan is hierop aangepast.

5.11

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarde in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarde ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteiten voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies komen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-beoordelingsplichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|46

Beoordeling Drempelwaarde D-lijst In D.11.2 in bijlage II van het Besluit m.e.r. is de activiteit ‘stedelijke ontwikkeling’ opgenomen. Dit betreft ‘de aanleg, de wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit van D.11.2 in Bijlage II van het Besluit bedragen: • Een oppervlakte van 100 hectare of meer; • Een aangesloten gebied en 2.000 of meer woningen. Het plan voorziet in de bouw van 77 woningen. Het plangebied heeft een grootte van circa 1,8 ha. De voorgenomen activiteit blijft dus ruimschoots onder de drempel van 2.000 woningen en/of 100 hectare zoals opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit is dus niet m.e.r.beoordelingsplichting. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. In dit kader is een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. De vormvrije m.e.r.beoordeling is als bijlage bij de toelichting opgenomen. In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht verkregen in de milieugevolgen van het project.

Gelet op de kenmerken van het project, de locatie en de kenmerken van de effecten, kan worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.-procedure. Conclusie Gelet op het inzicht in de milieugevolgen van het project op basis van de aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling kan gesteld worden te beslissen af te zien van het opstellen van een milieueffectrapport.

5.12

Bezonning en schaduwwerking

Onderzoek Om de effecten van bezonning en schaduwwerking op omliggende woningen in beeld te brengen is een bezonningsstudie uitgevoerd. Deze is uitgevoerd op basis van de maatvoering in het ontwerpbestemmingsplan. De maximale bouwhoogte in het vastgestelde bestemmingsplan zijn voor de noordelijk geprojecteerde gebouwen 1 meter lager. De bezonningstudie is gebaseerd op de richtlijnen van Rijkswaterstaat en TNO. De rapportage is opgenomen in de bijlage. Conclusie Uit de zonnestudie blijkt dat er geen onevenredige zonlichtbeperking optreedt ter plekke van de omliggende woningen. De nieuwbouw leidt maar zeer beperkt tot schaduw op de woningen aan de noordzijde van het plangebied. Het gaat om extra schaduw ten opzichte van de bestaande situatie aan het einde van de middag in de maanden november tot en met januari. Op het LaaghHeem is dan ook al schaduwwerking op de woning(en) vanwege het naastgelegen Hoogheem. In de maanden augustus tot en met oktober is er in de ochtend schaduwwerking op het pand op de hoek van de Baerdijk en Vloeiweg aan de westzijde van de geplande nieuwbouw.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|47

6.

JURIDISCHE ASPECTEN

Dit hoofdstuk gaat in op de wijze van juridische vertaling in planregels van de voor het plangebied gewenste ontwikkeling.

6.1

Systematiek van de regels

Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding met de daarbij horende planregels. Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De verbeelding bestaat uit één kaartblad. De planregels zijn opgebouwd uit vier hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. In de volgende paragraaf wordt de inhoud nader toegelicht. Bij het opstellen van de planregels en de verbeelding is uitgegaan van de richtlijnen “Standaard voor Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012)”. De SVBP 2012 omvat verplichtingen en aanbevelingen ten aanzien van de vormgeving en indeling van de planregels en de verbeelding. De regels zijn als volgt ingedeeld: Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begripsomschrijvingen opgenomen, het tweede artikel bevat de wijze van meten. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemming. Deze kennen per bestemming globaal de volgende opzet: • Bestemmingsomschrijving; • Bouwregels voor gebouwen; • Bouwregels voor aan-, uit- en bijgebouwen; • Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde; • Eventuele nadere eisen; • Eventuele afwijkingen van de bouwregels; • Eventuele specifieke gebruiksregels; • Eventuele afwijking van de gebruiksregels.

In dit hoofdstuk worden de bestemming van de gronden als eerste beschreven, gevolgd door de eventuele dubbelbestemmingen voor leidingen, waarden en waterstaatsdoelen. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: • Anti-dubbelteregel • Algemene bouwregels; • Algemene gebruiksregels; • Algemene aanduidingsregels; • Overige regels.

Bestemmingsplan Beekdalpark Oisterwijk

|48

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: • Overgangsregeling: bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan aanwezig zijn, mogen blijven staan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en het opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven; • Titel: in deze regel wordt aangegeven onder welke naam de regels aangehaald kunnen worden.

6.2

Beschrijving van de bestemmingen

Artikel 3 Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden en bij deze bestemming behorende nutsvoorzieningen. Artikel 4 Wonen - Woningen De voor ‘Wonen – Woningen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in een woningen en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, toegangswegen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Artikel 5 Waterstaat – reserveringsgebied waterberging De voor ‘Waterstaat – reserveringsgebied waterberging’ aangewezen gronden zijn bestemd voor behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor (tijdelijke) opvang van water.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14040087/1