CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Ruimtelijke motivering omgvingsvergunning BOPA Den Domp 20251106

RAAD 11 december 2025, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Bindend advies Den Domp/Mgr. Bekkersplein - aangenomen27.096 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Geurveroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht: 1. zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); 2. houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3);

30

3. enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).

vingsdienst Zuidoost-Brabant, zie ook naaste figuren. Uit de geraadpleegde bronnen volgt dat in de omgeving van het project gebied geen

Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen

actieve veehouderijen zijn gesitueerd. Bovenstaande kan worden be-

waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van

vestigd aan de hand van gegevens uit de kaart ‘Achtergrond geurbelas-

subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen

ting’ van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Een voor het plange-

dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze

bied relevante uitsnede van deze kaart is opgenomen in onderstaande

activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

figuur. Uit de kaart ‘Achtergrondbelasting geur’ volgt dat de kwaliteit van de leefomgeving met betrekking tot geur afkomstig van agrarische be-

Geurgevoelige gebouwen en locaties

drijven binnen het plangebied zeer goed is. Dit geldt zowel voor het pro-

Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig ge-

jectgebied als de wijde omgeving van het projectgebied.

bouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: •

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties

Figuur 13 Ligging projectgebied (rood omlijnd) conform kaart achtergrondbelasting geur ODZOB

daarvan; •

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

5.8.3

Conclusie

Gezien vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeEchter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen,

ling van functies aan locaties.

zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van men-

5.9

Luchtkwaliteit

sen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3

5.9.1

Toetsingskader

Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter be-

van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buiten-

scherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden

planse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beFiguur 12 Ligging projectgebied (rood omcirkeld) conform kaart ‘veehouderijen in Noord-Brabant’

schouwd. 5.8.2

zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Onderzoek

Onderzocht is of er redelijkerwijs sprake kan zijn van te ervaren geurhin-

Aandachtsgebieden

der van een of meerdere veehouderijen op de beoogde projectlocatie.

De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aan-

Dat kan worden achterhaald aan de hand van de kaarten ‘Veehoude-

dachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concen-

rijen in Noord-Brabant’ en ‘Achtergrondbelasting geur’ van de Omge-

traties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor

Ruimtelijke Motivering Monseigneur Bekkersplein 2 te Haaren, BOPA

31

alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een

5.9.2

Onderzoek

aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht ne-

Het projectgebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel

nen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een

men (artikel 5.51 Bkl).

NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek is daarom niet

voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect

benodigd. De eisen waaraan de luchtkwaliteit dient te voldoen zijn opge-

hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn ver-

Niet in betekende mate

nomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving, § 5.1.4.1 “Kwaliteit van de

gunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te ver-

De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtsgebied vindt niet

buitenlucht”. Uit artikel 5.53 volgt dat een plan als “niet in betekenende

wachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In

altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bij-

mate luchtkwaliteit” kan worden aangemerkt en in beginsel is vrijgesteld

dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, be-

draagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomge-

van toetsing aan de wettelijke omgevingswaarden als sprake is van een

perkt, of ongedaan gemaakt worden.

vingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het

verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide

Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de lucht-

en PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Artikel 5.54 stelt vervolgens dat ge-

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

kwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is

bouwen met ten hoogste 1.500 woningen als niet in betekenende mate

Conform artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedepu-

dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemid-

kunnen worden gezien.

teerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instand-

delde concentraties.

jecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, die-

houding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd Tevens behoort het projectgebied niet tot een van de aandachtsgebie-

‘Natuur-netwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebie-

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project

den, welke genoemd zijn in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. De voorgeno-

den aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland

binnen de NIBM-grens blijft:

men ontwikkeling betreft geen milieubelastende activiteit, als bedoeld in

(NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen

1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een

hoofdstuk 3 van het Bal, waarover regels zijn gesteld met het oog op het

natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes

aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’

beperken van verontreiniging van de lucht. Eveneens is het geen activi-

van het Natuurnet-werk loopt via het traject van de provinciale ruimte-

vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet

teit die relatief veel luchtvervuiling veroorzaakt en over een grotere af-

lijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Bra-

wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het

stand effect heeft. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet

bant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecolo-

Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet bin-

benodigd.

gische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe

nen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via

5.9.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10

Natuur en landschap

5.10.1

Toetsingskader

Wettelijke gebiedsbescherming De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van pro-

het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK).

Ruimtelijke Motivering Monseigneur Bekkersplein 2 te Haaren, BOPA

mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform Omgevingswet, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom

32

(bebouwingscontour houtkap). Wanneer houtopstanden worden geveld,

soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de

te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet

niet vallende onder artikel 11.111, lid 2 Bal, geldt een meldingsplicht bij

Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bij-

door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een

Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 11.126 Bal).

lage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogel-

alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan

Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht ar-

richtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergun-

plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal een ontheffing / omgevings-

tikel 11.129 Bal om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de

ningplichtige activiteiten. De regels voor vogels en overige Europese

vergunning voor een flora- en fauna-activiteit met schadelijke handelin-

houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten.

soorten zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en

gen aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk be-

Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstan-

de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten gel-

lang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde

den die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.

den regels die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige

soorten niet in het geding komt. De ontheffing / vergunning kan dan on-

Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor houtop-

opzichten minder streng zijn. In tabel 5.3 zijn de vergunningplichtige ac-

der voorwaarden worden verleend.

standen (artikel 11.116 Bal). Indien natuurbescherming, instandhouding

tiviteiten per regime weergegeven. 5.10.2

bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt,

Onderzoek

geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken

De Ow regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te be-

Ten behoeve van het beoogde planvoornemen is er een quickscan flora

of ongedaan te maken, of achterwege te laten.

schermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De

en fauna uitgevoerd. De volledige rapportage hiervan is opgenomen in

soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het alge-

de bijlagen. Navolgen worden de belangrijkste conclusies beschreven.

Soortenbescherming

meen gelden voor alle drie de categorieën de activiteiten met schade-

Conform de Omgevingswet is een flora- en fauna-activiteit een ‘activiteit

lijke gevolgen. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal be-

Wettelijke gebiedsbescherming

met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of

schermde soorten (art. 11.54 Bal) met een lichte toets verleend. Voor de

Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat

planten’. Dit heeft betrekking op vrijwel alle ruimtelijke activiteiten, en

vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het

aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura

hiervoor geldt de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Er geldt een ver-

verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde

2000-gebieden zijn 'Kampina en Oisterwijkse Vennen' op circa 1,7 km

gunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zo-

soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen.

ten zuiden en 'Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen' op circa 2,2 km ten noordwesten.

als beschreven in paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal. In tabel 5.3 staan de belangrijkste schadelijke handelingen uitgewerkt.

Onder de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen voor alle ‘flora- en fauna-activiteiten’ (11.27 Bal). Hierin wordt gesteld dat na-

Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zo-

De Ow heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in

delige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of onge-

als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Aangezien de

Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen

daan gemaakt. Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten

voorgenomen ontwikkeling de sloop van de bestaande bebouwing en de

en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere

van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of na-

realisatie van een nieuw gemeenschapshuis met daarbij 12 apparte-

en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal

tuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige ge-

menten op de verdieping waarbij ook de omliggende openbare ruimte

vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:

volgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen pre-

en infrastructuur opnieuw wordt ingericht betreft, kan een significante

•

Vogels (artikel 11.37 Bal);

ventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te

toename aan stikstofdepositie tijdens de aanlegfase en gebruiksfase op

•

Europees beschermde soorten (artikel 11.46 Bal);

voorkomen.

de omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet

•

Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal).

op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is er een stikstofdepositiebeKomen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes

rekening uitgevoerd welke is opgenomen in de bijlage. Uit de uitge-

Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bij-

voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft

voerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiks-

lage A en B’ van de Ow (Bijlage IX onder A en B Bal). Beschermde

op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken

fase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee

Ruimtelijke Motivering Monseigneur Bekkersplein 2 te Haaren, BOPA

33

kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden van-

De Omgevingsdienst Midden- en West Brabant heeft op 12 november

Reptielen

wege stikstofdepositie uitgesloten worden.

2024 geadviseerd nader onderzoek te doen naar huismussen vanwege

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van reptie-

een nestkast aan de oostgevel van het voormalige gemeentehuis. Bij in-

len zijn op voorhand uitgesloten.

Gebiedsbescherming vanuit het provinciaal beleid

spectie op 23 september 2025 bleek de kast, bestaande uit drie compar-

Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde on-

timenten, nestmateriaal te bevatten dat vermoedelijk van kool- of pim-

Amfibieën

derdeel van het NNB ligt ongeveer 100 meter teen oosten van het pro-

pelmezen is. Deze soorten zijn alleen tijdens het broedseizoen be-

De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel

jectgebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de om-

schermd. Er zijn geen aanwijzingen dat de kast door huismussen wordt

habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige

gevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke

gebruikt, waardoor vervolgonderzoek niet nodig is. Verwijdering of ver-

staat van instandhouding van populaties en potentiële schadelijke han-

kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgon-

plaatsing van de kast buiten het broedseizoen (half maart – half augus-

delingen zijn dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorg-

derzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk ge-

tus) vereist geen aanvullende maatregelen. Een aanvullende notitie van

plicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventu-

acht.

dit bezoek is opgenomen als bijlage bij onderhavige ruimtelijke motive-

eel passerende individuen.

ring. De omgevingsdienst heeft aangegeven in te kunnen stemmen met Beschermde houtopstanden

deze conclusie.

Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwingscontour houtkap

Vissen Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Omge-

Vleermuizen

vingswet bij dit plan niet aan de orde.

Bij de sloop van het Gemeentehuis Haaren bestaat de kans dat er één

schermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.

of meerdere verblijfplaatsen van een vleermuissoort verloren gaan. Ver-

Ongewervelde diersoorten

Vogels

blijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd. Er is daarom ver-

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

Bij de sloop van het Gemeentehuis Haaren gaan geen nestlocaties van

volgonderzoek uitgevoerd welke is opgenomen in de bijlage. Binnen de

schermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten.

soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaam-

bebouwing is één paarverblijf van de gewone dwergvleermuis aange-

heden kunnen echter wél nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn be-

troffen. Deze verblijfplaats gaat verloren met de voorgenomen werk-

Vaatplanten

schermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwij-

zaamheden, waardoor ze vergunningsplichtig zijn. Hiervoor dient een

Negatieve effecten en schadelijke handelingen ten aanzien van be-

deren van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd,

flora- en faunavergunning aangevraagd te worden bij het bevoegd ge-

schermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.

er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking

zag, in dit geval de Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN). Momen-

tot broedvogels. In de wetteksten wordt geen vaste periode gehanteerd

teel wordt hier een activiteitenplan voor opgesteld.

voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode

Specifieke zorgplicht Behalve de genoemde soorten geldt een bescherming onder de speci-

maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de

Grondgebonden zoogdieren

fieke zorgplicht voor soorten van de rode lijst. Dit zijn circa 4.300 soor-

aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twij-

Met de ontwikkeling binnen het projectgebied gaan geen verblijfplaatsen

ten. In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van rode lijst-soorten

fel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval

van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel)

binnen het plangebied.

(bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid

leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op

te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel

de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten

Het plangebied is nagenoeg volledig verhard. De kans op aanwezigheid

broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige

en potentiële schadelijke handelingen zijn niet aan de orde. In het kader

van / negatieve effecten op soorten van de rode lijst is daarmee zeer

staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.

van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.

Ruimtelijke Motivering Monseigneur Bekkersplein 2 te Haaren, BOPA

34

laag. Een overtreding met betrekking tot de specifieke zorgplicht is daar-

5.10.3

Conclusie

mee niet aan de orde, mits algemene zorgplichtmaatregelen worden ge-

Rekening houdend met hetgeen hiervoor geconcludeerd worden er

nomen om het doden en verwonden van individuen te voorkomen.

geen belemmeringen op voorhand verwacht ten aanzien van het aspect

•

belastende activiteit in het Bal; •

‘Natuur en Landschap’. Invasieve exoten In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de reuzenberenklauw, Japanse duizendknoop en de grote waternavel. Binnen het plangebied zijn echter geen waarnemingen van deze soorten gedaan tijdens het veldbezoek. Vervolgstappen zijn dan ook niet aan de orde.

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden onderstaande in acht wordt genomen: Met betrekking tot de sloop van het gemeentehuis zijn schadelijke handelingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Er is daarom vervolgonderzoek uitgevoerd waaruit is gebleken dat er één paarverblijf van de gewone dwergvleermuis is aangetroffen. Momenteel wordt hier een activiteitenplan voor opgesteld zodat er een flora- en faunavergunning aangevraagd kan worden bij het bevoegd gezag. •

Ten aanzien van broedvogels dient, om schadelijke handelingen op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;

•

Omgevingsveiligheid

5.11.1

Toetsingskader

Omgevingsveiligheid (voorheen: externe veiligheid) heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is

Conclusie onderzoek

•

5.11

In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat in bijlage VI van het Bkl. Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: •

activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal;

•

het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor;

Ruimtelijke Motivering Monseigneur Bekkersplein 2 te Haaren, BOPA

buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieuwindturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.

In het van rechtswege ontstane omgevingsplan van de gemeente Oisterwijk worden beperkingen met betrekking tot externe veiligheid genoemd, waarbij milieubelastende activiteiten, transportroutes en buisleidingen aan bod komen (artikel 22.39b). Naast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd, bevat het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen: •

opslaan, bewerken en her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4);

•

opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5);

•

exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5);

•

opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen. Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het groepsrisico is een concretisering van de wettelijke verplichting dat het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid.

35

Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen

Bij het mogelijk maken van trillinggevoelige gebouwen (zoals woningen)

overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen

in de buurt van spoorwegen moet het aspect trilling worden beoordeeld

een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aan-

in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

dachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl):

Zo moet in beginsel binnen een afstand van 100 meter van een spoor-

1. brandaandachtsgebied;

weg het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen

2. explosieaandachtsgebied;

is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan

3. gifwolkaandachtsgebied.

weerszijden van het spoor. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn als er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand

Voor beperkt kwetsbare, kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en be-

dan 100 meter bestaan.

perkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden en moet ad-

Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kunnen de SBR-richt-

vies bij de Veiligheidsregio worden ingewonnen (artikel 5.2 Bkl).

lijn, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen worden gebruikt.

5.11.2

Onderzoek

Met het planvoornemen worden nieuwe kwetsbare gebouwen (wonin-

5.12.2

gen) voorzien. Via de kaart Externe veiligheid van Atlas leefomgeving is

De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 12 huurappartementen en

te achterhalen of er binnen of in de nabijheid van het projectgebied voor

een nieuw gemeenschapshuis in het centrumgebied van Haaren. Wo-

het plan relevante risicobronnen aanwezig zijn. Een uitsnede hiervan is

ningen zijn trillinggevoelige gebouwen. Ten zuiden van het plangebied is

weergegeven in navolgende figuur. Hierop is te zien dat er in de wijde omgeving van het projectgebied verschillende risicobronnen met bijbehorende risicocontouren voorkomen, zoals bijvoorbeeld de N65 ten noordwesten en een buisleiding ten zuiden van het projectgebied. Echter is het projectgebied op zeer ruime afstand van deze bronnen en contouren gelegen. Een nader onderzoek voor het aspect omgevingsveiligheid kan dan ook logischerwijs achterwege blijven.

Onderzoek

een spoor gelegen. De afstand hiervan bedraagt 1.7 km. Gelet op de afFiguur 14 Uitsnede kaart Externe veiligheid van Atlas Leefomgeving, met projectgebied rood omcirkeld

stand kan een nadere toetsing aan dit aspect daarom redelijkerwijs ach-

5.11.3

5.12.3

Conclusie

Wat betreft het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een even-

terwege blijven. Conclusie

Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

wichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12

Trillingen

5.12.1

Toetsingskader

5.13

Water

5.13.1

Toetsingskader

Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden

Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke

in de effecten van het initiatief op stedelijk afvalwater, grondwater en he-

leefomgeving. De Omgevingswet beschermt (delen van) trillinggevoelige

melwater. De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat per initiatief

gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activi-

de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste

teiten (art. 5.80 Bkl). Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie,

inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrok-

onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kin-

ken (artikel 5.37 lid 1 van het Bkl). Daarbij is het van belang dat er op

deropvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties.

Ruimtelijke Motivering Monseigneur Bekkersplein 2 te Haaren, BOPA

36

een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de ge-

de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishou-

Verder zijn er regels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden

meente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstem-

ding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied

met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde

ming van belang is.

toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede

gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden.

waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar Voor ieder ruimtelijk plan is een formele weging van het waterbelang

en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het lande-

In de waterschapsverordening is opgenomen dat het verboden is om

noodzakelijk. De weging van het waterbelang is een instrument waar-

lijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het

zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of

mee de waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krij-

grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen op-

door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een op-

gen in het ruimtelijke beleid, niet alleen op basis van concrete ontwikke-

vangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswer-

pervlaktewaterlichaam te laten komen. De technische eisen en uitgangs-

lingen. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Ge-

king van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor

punten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de be-

meente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duur-

het vasthouden van water. We hanteren drie principes die inhoudelijke

leidsregel “Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsver-

zaam watersysteem.

sturing geven aan de watertransitie:

ordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”.

•

Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt

Kaderrichtlijn Water

•

Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan

Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolg-

De Europese Kaderrichtlijn Water stelt waterkwaliteitseisen die door EU-

•

Wat schoon is, moet schoon blijven

orde: infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied

lidstaten moeten worden geïmplementeerd in nationale wet- en regelge-

of berging in bestaand watersysteem. Daarbij dient de voorziening te

ving. De Kaderrichtlijn water verplicht tot het garanderen, het bescher-

We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de verande-

voldoen aan de volgende voorschriften:

men en, waar noodzakelijk, verbeteren van waterkwaliteit van zowel op-

rende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en ant-

•

pervlaktewater als grondwater.

woorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven

De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG).

•

Het water wordt uit de voorziening afgevoerd via een functionele bo-

Rijksbeleid

slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak sa-

dempassage naar het grondwater of via een functionele afvoercon-

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van

men met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol

structie naar het oppervlaktewater.

het Nationaal Waterplan uit 2015. Het NWP geeft op hoofdlijnen aan

als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof,

welk beleid het Rijk in de periode tot en met 2027 voert om te komen tot

economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en

afvoerconstructie voorzien te worden met een minimale diameter

een duurzaam waterbeheer. Het NWP richt zich op schoon, veilig en

woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar inte-

van 4 cm.

voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is.

graal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Mid-

Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen,

den-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem

waaronder het overstromingsrisicobeheerplan en stroomgebiedbeheer-

dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur.

plannen voor de rijkswateren.

•

•

K-waarde is minimaal 0,4 m/dag. Indien niet dient een functionele

Bij de voorziening wordt een overloopconstructie aangelegd om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen.

Bij plannen met een verhardingstoename groter dan 10.000 m2 is de Waterschapsverordening De Dommel 2024

beleidsregel van toepassing en wordt er samen met initiatiefnemer en

Beleid waterschap

In de ‘Waterschapsverordening De Dommel 2024' staan regels (met

de gemeente bekeken hoe er met het hemelwater omgegaan wordt (ver-

Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een

name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de be-

gunningstraject). Hierbij dient een waterhuishoudkundig plan te worden

toekomstbestendige leefomgeving - start Waterschap De Dommel met

scherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwer-

opgesteld conform de ontwerpen zoals genoemd in paragraaf 4.6 van

ken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere

de hydrologische uitgangspunten bij de regels van de waterschapsver-

waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen.

ordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen.

Ruimtelijke Motivering Monseigneur Bekkersplein 2 te Haaren, BOPA

37

Gemeente Oisterwijk

van het waterbelang opgesteld, welke is opgenomen in de bijlage. Na-

Ter plaatse is geen grondwateroverlast bekend. Uitgangspunt is hydro-

De gemeente Oisterwijk heeft een Programma Water & Riolering voor

volgend worden de belangrijkste conclusies beschreven.

logisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het

de planperiode 2023-2027 opgesteld. Middels het programma wil de ge-

oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Om

meente gezamenlijk werken aan een klimaat bestendigde toekomst.

Bestaand watersysteem

grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale

Hierin speelt het beleid ten aanzien van vuil-, grond en hemelwater een

Bodemopbouw en grondwater

ontwateringsdiepte van 0,7 m-mv. voor bebouwing of 0,5 m-mv. bij be-

belangrijke rol en is in afstemming met het waterschap vastgesteld. Te-

Van de onderzoekslocatie is diverse informatie geraadpleegd bij o.a. het

bouwing zonder kelder. Om instroom van de straat te vermijden, wordt

vens wordt in het programma water en riolering verwezen naar de veror-

BRO-loket, bodematlas Noord-Brabant, bodemdata Nederland en ons

geadviseerd om het bouwpeil 0,2-0,3 meter boven de kruin van de nabij-

dening afvoer hemelwater en grondwater 2022 – t/m heden. In deze ver-

eigen archief. Door de ligging in stedelijk gebied is het plangebied niet

gelegen weg aan te leggen. Ter plaatse is momenteel geen grondwater-

ordening is opgenomen dat een eigenaar van een perceel verplicht is

gekarteerd op de geomorfologische kaart van Nederland (2023). Naar

overlast bekend.

het hemelwater op eigen terrein te verwerken. De te realiseren hemel-

verwachting ligt het plangebied op een complex van dekzandwelvingen.

watervoorziening dient minimaal 60 mm (per m2 verhard oppervlak) te

Op basis van gekarteerd gebied in de ruime omgeving komt binnen het

Oppervlaktewater

kunnen verwerken.

plangebied naar verwachting een hoge zwarte enkeerdgrond voor. Deze

Binnen en nabij het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het

is opgebouwd uit een lemig fijn zand.

planvoornemen heeft hier derhalve geen rechtstreekse invloed op.

potentie om duurzaam om te gaan met energie/grondstoffen en water te

Op basis van de verwachte bodemopbouw zal er een slechte doorla-

Hemel- en afvalwater

(her)gebruiken voor recreatie en toerisme. Bij (her)ontwikkelingen en re-

tendheid aanwezig zijn in de toplaag boven de verwachte kleiige een-

In de huidige situatie is het plangebied nagenoeg geheel verhard (pand

constructies dient zo goed mogelijk de boven- en ondergrondse ruimte

heid. Onder deze kleiige eenheid is naar verwachting een goede tot ma-

en bestrating) met rondom het centraal gelegen gebouw enkele groen-

benut te worden. Een planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of

tige (verticale) doorlatendheid aanwezig. Het plangebied ligt niet binnen

stroken. Deze verharding is aangesloten op het rondom aanwezige ge-

verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewa-

een grondwaterwingebied of -beschermingsgebied.

meentelijk rioolstelsel. Ter plaatse van het plangebied zijn geen aange-

Binnen de waterketen en het watersysteem benut men de economische

ter, ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is pri-

legde hemelwatervoorzieningen aanwezig. Het openbaar terrein noord-

mair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekop-

Op basis van recente grondwatermeetgegevens in de buurt van het

en westelijk is recentelijk opnieuw ingericht. Hierbij is er onder de rijbaan

pelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem.

plangebied bij het BRO-loket kan een inschatting gemaakt worden van

een infiltratieriool aangelegd.

de aanwezige grondwaterstanden. Binnen het BRO-loket ligt grondwaInrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver) bouwplannen

termonitoringsput (GLD000000066413) op ca. 180 meter zuidoostelijk

Bij nieuwbouw dient minimaal op eigen terrein een gescheiden rioolstel-

worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd.

van het plangebied. Gemiddeld wordt hierin een grondwaterstand waar-

sel aangelegd te worden. In de planuitwerking dient nog bekeken te

De weging van het waterbelang is een instrument dat waterhuishoud-

genomen op ca. 6,0 m +NAP en ingeschatte GHG op ca. 6,6 m +NAP.

worden welke woonfunctie het best bij de functie van het gemeen-

kundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het op-

Ca. 240 meter noordwestelijk van het plangebied ligt een andere grond-

schapshuis past. Door het planvoornemen zal de toekomstige vuilwater-

stellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

watermonitoringspunt (GLD000000066414). Hierin is een gemiddelde

hoeveelheid naar verwachting toenemen. Door het aanleggen van een

grondwaterstand gemeten van 6,6 m +NAP en een GHG van ca. 7,6 m

gescheiden stelsel en de verwachte lichte toename aan afvalwater van-

5.13.2

Onderzoek

+NAP. Op basis van bovenstaande gegevens wordt de lokale grondwa-

uit het planvoornemen zal dit naar verwachting zonder aanpassingen

Het initiatief voorziet in de realisatie van 12 huurappartementen en een

terstand ingeschat op gemiddeld ca. 6,4 m +NAP en ingeschatte GHG

door het bestaand stelsel verwerkt kan worden. Voor een wijziging aan

nieuw gemeenschapshuis in het centrumgebied van Haaren, waarbij

op ca. 7,1 m +NAP.

de rioolaansluiting dient te zijner tijd een aanvraag ingediend te worden

ook de omliggende openbare ruimte en infrastructuur wordt herontwik-

bij de gemeente Oisterwijk.

keld. Ten behoeve van het planvoornemen is daarom ook een weging

Ruimtelijke Motivering Monseigneur Bekkersplein 2 te Haaren, BOPA

38

Bij nieuwbouw dient in eerste instantie de toepassing van gesloten ver-

Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de vol-

van 6 cm (60 mm) water die middels een afvoerconstructie/debietbe-

hard oppervlak zoveel mogelijk beperkt te worden en bij voorkeur wordt

gende uitgangspunten gehanteerd:

grenzer (bijvoorbeeld wervelventiel) vertraagd afvoert. Het oppervlak en

hemelwater lokaal verwerkt. Gezien de grootte van de ontwikkelingslo-

•

de wateropgave baseren op het daadwerkelijk toekomstig opper-

de bijhorende m3 waterberging aan tijdelijke berging, dient aangetoond

vlak. Vooralsnog is uitgegaan van 936 m2;

te worden bij de vergunningsaanvraag.

catie en de verwachte afname aan verharding is er vanuit waterschap De Dommel geen verplichting om bij de planontwikkeling watercompen-

•

infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren con-

satie aan te leggen. Conform de gemeentelijk eis dient bij nieuwbouw-

form 60 mm gerekend over het aantal m2 geeft een wateropgave

Andere mogelijkheden zijn de inpassing van enkele infiltratieputten, bij-

ontwikkelingen 60 mm hemelwater geborgen te worden per m2 nieuw

van ca. 56,2 m3;

komend IT-riool, etc. Aandachtspunt hierbij is de verwachte ghg op 7,1

mogelijke hemelwaterverberging binnen eigen perceel: toepassing

m +NAP. Een afvoerconstructie moet ervoor zorgen dat de voorziening

van groendak;

voldoende wordt benut, weer tijdig beschikbaar komt en dat versnelde

verhard oppervlak. Het separaat houden en waar mogelijk lokaal ver-

•

werken van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen (zie ook

•

direct rondom de nieuwbouw (eventueel in openbaar gebied in sa-

afvoer wordt voorkomen. Indien infiltratie ter plaatse slecht toepasbaar

hoofdstuk 4). Door de waterstromen minimaal gescheiden te verwerken

menspraak met de gemeente) een wadi of ondergrondse voorzie-

is, is een tijdige leegloop met een gat diameter van 4 cm op basis van

met bijkomend groen wordt er ingespeeld op het klimaatadaptief ontwik-

ning aanleggen;

ervaring gekozen als de praktische ondergrens voor een afvoerconstruc-

de maximale ledigingsduur van het systeem bij voorkeur gelijk of

tie. Bij een kleinere diameter is de kans op verstopping te groot. Bij een

kleiner dan 48 uur;

groter verhard oppervlak (> 10.000 m2) bedraagt de afvoerlimiet 2

geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.

l/s/ha.

kelingsbeleid binnen het stedelijk gebied en neemt de piekafvoer via het

•

gemeentelijk gemengd stelsel vanuit het plangebied af. • Planvoornemen en afweging

Verwerking hemelwater

5.13.3

Door het planvoornemen met bijkomend groen zal de totale verharding

De keuze voor een voorziening is afhankelijk van de eigen voorkeur, op-

De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding.

afnemen. Hierdoor is er conform de eis van het waterschap geen ver-

tredende GHG, het toekomstige planvoornemen (gewenste terreininvul-

plichting om bijkomend hemelwaterberging in te passen. Conform het

ling en type verharding) en hiermee samenhangend de benodigde ber-

beleid van de gemeente dient bij nieuwbouw op eigen perceel 60 mm

gingscapaciteit. Hemelwater dient waar mogelijk ter plaatse verwerkt te

hemelwater geborgen te worden per m2 verhard oppervlak. Dit komt

worden. Bij voorkeur vindt hemelwaterberging bovengronds plaats.

overeen met een benodigde bergingsvoorziening van ca. 56,2 m3. Ver-

Hergebruik in het pand kan overwogen worden. Hiervoor dient dan

harding van het openbaar gebied wordt zoals bestaand afgevoerd door

ruimte voor de opvang van hemelwater ingepast te worden. Boven-

het gemeentelijk gescheiden stelsel.

grondse, groene verwerking kan eenvoudig gerealiseerd worden door

Verhard oppervlakte

de aanleg van een groene verlaging/wadi. Dit is vaak de eenvoudigste Waterbergingsopgave

oplossing op het eigen perceel maar behoeft bovengrondse ruimte. An-

Bij de toekomstige situatie betreft de verharding op eigen perceel ca.

dere mogelijkheden worden hieronder kort beschreven.

936 m2. Hiervoor dient een berging gerealiseerd te worden van ca. 936 m2 x 0,06 m = 56,2 m3. Hemelwater dient waar mogelijk ter plaatse ver-

Groene daken worden niet als reductie op de compensatievoorziening

werkt te worden. Door het planinvulling is er weinig ruimte op het eigen

gerekend, omdat het slechts neerslag van het eigen oppervlak vast-

perceel om een bovengrondse hemelwatervoorziening aan te leggen.

houdt. Dit oppervlak wordt met een waterbergende hoogte van 60 mm wel als onverhard beschouwd. Vaak bedraagt de benodigde opstuwing

Conclusie

5.14

Gezondheid

5.14.1

Toetsingskader

In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit

Uitgangspunten planvoornemen

Ruimtelijke Motivering Monseigneur Bekkersplein 2 te Haaren, BOPA

39

te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevingsveror-

wordt met duurzaamheid een ontwikkeling die voorziet in de behoeften

BENG Normen

dening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezond-

van de huidige generatie zonder de behoeften van toekomstige genera-

BENG staat voor Bijna energie neutrale gebouwen, en zijn geformuleerd

heid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeen-

ties, zowel hier als in andere delen van de wereld in gevaar te brengen

met het doel om de CO2 uitstoot van nieuwbouw terug te dringen.

ten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omge-

bedoeld.

Er zijn drie verschillende manieren waarin BENG tot uitdrukking komt.

vingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerking-

Dit zijn de volgende:

treding van de Omgevingswet, gemeenten nog geen tot weinig beleid

Duurzaamheid is een aspect dat zowel op de korte termijn als lange ter-

•

BENG 1-eis: Terugbrengen van de energiebehoefte;

zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal

mijn toegepast dient te worden. Er spelen diverse trends en ontwikkelin-

•

BENG 2-eis: Beperken van het fossiele energiegebruik (Bijvoor-

het beleid sterk per gemeente verschillen.

gen op het gebied van duurzaamheid binnen nieuwbouw. Duurzaamheid bij nieuwbouw verwijst naar het ontwerpen, bouwen en onderhou-

5.14.2

Onderzoek

beeld Gas en olie); •

BENG 3- eis: Benutten van hernieuwbare energie.

den van gebouwen op een manier die zo min mogelijk impact heeft op

Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat geen negatieve effecten zijn te

het milieu. Tegelijkertijd ook efficiënt en gezond is voor de mensen die

Naast deze drie eisen is er nog één aanvullende eis die van belang is

verwachten op daarin genoemde gezondheidsaspecten, zoals geluid,

erin wonen of werken. Duurzaamheid is dus een breed begrip en omvat

met name in samenhang met klimaatadaptatie, dit is de indicator voor

bodemkwaliteit, water, luchtkwaliteit, geur en omgevingsveiligheid etc.

verschillende aspecten:

verlaging van het risico op oververhitting van gebouwen genaamd TO-

Er wordt voldaan aan relevante wet- en regelgeving. Doordat ook de

•

Juli).

Energie-efficiëntie: het verminderen van energieverbruik door ge-

omliggende openbare ruimte en infrastructuur wordt betrokken bij het

bruik te maken van duurzame energiebronnen, zoals zonne-energie

projectgebied krijgt dit een versterkende impuls voor de kwaliteit van de

of windenergie.

De BENG eisen gelden alleen voor nieuwbouw, bestaande bebouwing

Materialen: Het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke materia-

hoeft dus niet aan deze eisen te voldoen.

leefomgeving. De vergroening en het klimaatadaptief inrichten van het

•

plein werkt daarmee door ten positieve van de gezondheid. Op deze manier is er meer aandacht voor een omgeving die uitnodigt tot gezond

len, zoals gerecyclede of hernieuwbare materialen. •

Gezondheid en comfort: het creëren van een gezonde binnen om-

MPG Waarden

gedrag doordat er nadruk wordt gelegd op de aansluiting/overgang tus-

geving met goede ventilatie, natuurlijke verlichting en materialen die

MPG staat voor Milieuprestatie gebouwen. Een MPG berekening toont

sen de kern en het park Ruijbosch. Op voorhand zijn geen belemmerin-

de binnen kwaliteit verbeteren.

aan wat de milieu impact van een nieuw te bouwen bouwwerk is. Zo

Levensduur en hergebruik: Het ontwerpen van gebouwen met een

worden de waarden waaraan voldaan dient te worden bepaald aan de

lange levensduur en de mogelijkheid tot aanpassing of hergebruik

hand van de gebruiksfuncties van het bouwwerk.

gen te verwachten ten aanzien van gezondheid. 5.14.3

Conclusie

•

van materialen om de hoeveelheid afval te verminderen.

Het initiatief levert een bijdrage aan het bereiken van een gezonde fysieke leefomgeving.

5.15

Duurzaamheid

5.15.1

Toetsingskader

Duurzaamheid is een steeds belangrijker wordende kwestie voor onze samenleving. Het gaat hierbij om de manier waarop we omgaan met onze natuurlijke omgeving en hoe we ervoor zorgen dat we deze niet uitputten voor onze toekomstige generaties. Er bestaat geen vast omschrijving of definitie voor de term duurzaamheid. Over het algemeen

In het Bbl staat beschreven dat een woonfunctie een milieuprestatie De focus op duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen is belangrijk om

moet hebben van maximaal 0,8 bepaald volgens de bepalingsmethode

de ecologische voetafdruk van de bouwsector te verminderen, een sec-

van de MPG. Hoe lager de score is, des te beter het pand scoort op

tor die historisch gezien veel grondstoffen verbruikt en bijdraagt aan ver-

duurzaamheid.

vuiling van het klimaat. Tot slot geeft het Bbl ook regels over de laadinfrastructuur van elektriDe eisen met betrekking tot duurzaamheid zijn opgenomen in afdeling

sche auto. Deze regels zorgen ervoor dat er voldoende leidingdoorvoe-

4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Van belang zijn de

ren zijn voor eventuele oplaadpunten.

BENG normen en de MPG waarden.

Ruimtelijke Motivering Monseigneur Bekkersplein 2 te Haaren, BOPA

40

5.15.2

Onderzoek

Klimaatdoelstellingen

5.15.3

•

Openbare buitenruimtes kunnen zowel vol in de zon als in de scha-

Vanuit het milieuaspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige

opdracht, zoveel als mogelijk rekening gehouden met duurzaam gebruik

duw gelegen zijn, waarbij vooral bomen worden ingezet als scha-

toedeling van functies aan locaties.

van de ruimte, een zorgvuldig gebruik van grondstoffen, het verande-

duwgevende objecten.

Met het opstellen van het ontwikkelkader is, binnen de kaders van de

rende klimaat en de afname van biodiversiteit. Deze aspecten zullen ook

•

Er zal hydrologisch neutraal ontwikkeld worden, waarbij regenwater

bij de planuitwerking hoog op de agenda moeten staan. Onderstaand is

ook mogelijk als buffer t.b.v. beregening van beplanting in droge tij-

per duurzaamheidaspect een opsomming gegeven van de ingrepen die

den wordt gebufferd.

zijn verricht en/of waar in de planuitwerking rekening mee gehouden

•

moet worden.

Voor de nieuwbouw zal bekeken worden hoe drinkwatergebruik beperkt kan worden.

Duurzaam gebruik van de ruimte •

Conclusie

•

Voor de nieuwbouw zal het uitgangspunt de (B)ENG-norm zijn.

•

Bij de nieuwe parkeerplaatsen zullen ook laadvoorzieningen worden

Er is een stedenbouwkundige structuur ontworpen die tijdloos is; be-

opgenomen en wordt onderzocht of er behoefte is aan het gebruik

staande zichtlijnen worden gerespecteerd en rooilijnen worden afge-

van deelauto's.

maakt. •

Toekomstige ontwikkeling voor herstructurering van woningbouw in

Verbeteren biodiversiteit

de nabije omgeving staan het ontwerp niet in de weg, maar kunnen

•

daar naadloos op aansluiten.

Er vindt een sterke vergroening van het centrum van Haaren plaats, waarbij zowel ruimte is voor gras, beplanting en bomen.

•

De kerk krijgt een prominent adres aan het centrale plein.

•

Er wordt nadruk gelegd op meer vergroening en minder verharding,

gen komen die een positief effect hebben op de leefomstandighe-

waarbij de toegankelijkheid voor autoverkeer niet in het gedrang

den van diverse organismen. Deze voorzieningen zullen in samen-

komt, maar waarbij in de planuitwerking voorrang wordt gegeven

hang met elkaar worden ontworpen (nestgelegenheid, voedselvoor-

•

aan het fietsverkeer en voetgangers.

ziening, leefomgeving). •

Zorgvuldig gebruik van grondstoffen •

•

De openbare ruimte wordt geherstructureerd, maar er wordt zoveel

Er worden grote groenstructuren in het dorp met elkaar verbonden (Haarensteijnstraat en park Ruybosch).

•

Bij de uitwerking van het beplantingsplan zullen plantensoorten en

mogelijk ingezet op hergebruik van vrijkomende materialen. De on-

boomsoorten nauwkeurig op elkaar worden afgestemd om zo-

dergrondse infrastructuur wordt zoveel als mogelijk behouden.

doende een groot positief effect te hebben op het vergoten van de

Er zal onderzocht worden of bestaande bomen in het plangebied die

biodiversiteit.

moeten wijken voor het initiatief op een andere plaats binnen het •

Zowel in de nieuwbouw als in de openbare ruimte zullen voorzienin-

•

Er zal gezorgd worden voor goede leefomstandigheden voor nieuwe

plangebied herplant kunnen worden.

en aanwezige bomen, zodat ze oud kunnen worden en daarmee

Van de vrijkomende materialen wordt zorgvuldig onderzocht welke

een grotere eco-systeemwaarde kunnen opbouwen.

materialen ter plaatse of elders hergebruikt kunnen worden of weer tot nieuwe grondstoffen kunnen worden omgevormd (oogsten in plaats van slopen).

Ruimtelijke Motivering Monseigneur Bekkersplein 2 te Haaren, BOPA

41

6

Financiële en maatschappelijke verantwoording

spoedeisende omstandigheden kan het bevoegd gezag afwijken van de

Op 18 april 2023 is het concept-voorkeursmodel voorgelegd tijdens de

termijn van 4 weken.

derde en laatste omgevingsdialoog. Dit model werd goed ontvangen en de deelnemers herkenden zich in de verwerking van de opmerkingen

6.2.2

Bezwaar en beroep

die op het inspiratiemodel waren gegeven. De belangrijkste opmerkin-

Na de besluitvorming bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid

gen waren tegenstrijdig aan elkaar: de één wilde graag meer ruimte op

om bezwaar aan te tekenen. Na het bezwaar is er nog de gelegenheid

het plein om ruimte te bieden aan evenementen, de ander wilde graag

De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn

voor beroep en hoger beroep.

een verdere vergroening en intiemere pleinruimte. In de uitwerking van

voor rekening van de gemeente Oisterwijk. De gemeente heeft hiervoor

6.3

het ontwikkelmodel zal aangegeven worden welke onderzoeksruimte er

6.1

Financieel-economische haalbaarheid

de nodige budgetten gereserveerd. Er zijn geen onvoorziene, hoge kosten te verwachten. De gemeente draagt bovendien geen hoge, financiële risico’s. De ontwikkeling is dus economisch uitvoerbaar.

6.2

Maatschappelijke verantwoording

6.2.1

Vaststellingsprocedure

Participatie

Al in een vroeg stadium zijn belanghebbenden in de omgeving nauw betrokken bij het ontwerpproces. Op 31 januari 2023 heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Commerciële en maatschappelijke ondernemers en bewoners werden uitgenodigd om hun ideeën voor de toekomst van het Monseigneur Bekkersplein/gemeenschapshuis te delen. De uitnodiging is breed verspreid en iedereen was welkom. Deze eerste dialoog heeft bewust voorafgaand aan de visievorming plaatsgevonden

Voor de omgevingsvergunningaanvraag voor onderhavige buitenplanse

om wensen of dromen onbegrensd op te kunnen halen. Dit gebeurde

omgevingsplanactiviteit wordt de reguliere procedure gevolgd. De be-

middels gesprekken bij de luchtfoto van het plangebied en middels korte

slistermijn begint te lopen zodra de aanvraag is ontvangen. Als het be-

pitches van de diverse organisaties. Het leverde een veelheid aan wen-

voegd gezag de beslissing op de aanvraag aanhoudt, begint de termijn

sen en gedachten op, die door de architect is samengevat in een start-

te lopen op de dag waarop de aanhouding eindigt.

manifest, dat samen met de eerdergenoemde analyses gebruikt wordt

zit in de verdere verfijning van de bouwplanuitwerking en de uitwerking van de openbare ruimte. Een belangrijk thema dat volgens de aanwezigen zeker bij de planuitwerking ter harte genomen dient te worden is: Haaren, de Tuin van Brabant. Zowel bij de uitwerking van de openbare ruimte als bij de uitwerking van de architectuur kan dit thema een rol gaan spelen. Tijdens het ontwerptraject worden de toekomstige gebruikers van het nieuwe pand en andere belanghebbenden zoals de parochie, organisatoren van carnaval, ondernemers meegenomen. Het ontwerp van de buitenruimte en het nieuwe gebouw wordt op 18 juni 2025 ook nog toegelicht aan inwoners en andere geïnteresseerden.

voor de verdere planvorming. In de reguliere procedure bedraagt de beslistermijn in beginsel 8 weken. Het bevoegd gezag kan deze termijn eenmaal met maximaal 6 weken

Tijdens een 2e dialoog op 28 februari 2023 zijn de modellen voorgelegd

verlengen. Een omgevingsvergunning die is voorbereid met de reguliere

aan een afvaardiging van ondernemers, maatschappelijke instellingen

voorbereidingsprocedure treedt in werking vanaf de dag na bekendma-

en direct omwonenden. De deelnemers konden bij de verschillende

king door het bevoegd gezag. Er geldt een uitzondering wanneer de

denkrichtingen de goede of slechte kenmerken van de inspiratiemodel-

vergunning een activiteit mogelijk maakt die kan leiden tot een onher-

len benoemen en dit visueel zichtbaar maken door groene, oranje of

stelbare verandering van een bestaande situatie, zoals bijvoorbeeld bij

rode stickers te plakken. Dit leidde bij de plankaarten tot zeer zinvolle di-

kap- of sloopactiviteiten. In dat geval moet het bevoegd gezag expliciet

alogen en een vrij duidelijke voorkeursrichting. Inspiratiemodel 3 riep

in de omgevingsvergunning opnemen dat deze 4 weken na bekendma-

enige aandachtspunten op om bij de nadere planuitwerking rekening

king in werking treedt. Hierdoor krijgen belanghebbenden de kans om

mee te houden, maar dit model had een duidelijke voorkeur om aan na-

een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. In geval van

der onderzoek te onderwerpen.

Ruimtelijke Motivering Monseigneur Bekkersplein 2 te Haaren, BOPA

42

7

Belangenafweging, doorwerking naar omgevingsplan en conclusie

7.1

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Om te beoordelen of het planvoornemen resulteert in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn alle relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving nauwkeurig onderzocht en afgewogen. Met name uit hoofdstuk 5 ‘Milieuaspecten’ kan worden geconcludeerd dat de beoogde activiteit leidt tot een situatie waarin er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er heeft een zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden, waarbij doeltreffend verband is gelegd tussen de instrumenten van de Omgevingswet en recent beleid. Er is een duidelijke link gecreëerd tussen de belangen van de initiatiefnemer, de doelen van de gemeente, en de belangen van omwonenden en andere belanghebbenden.

7.2

Conclusie

Op grond van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit adequaat gemotiveerd is, en derhalve de omgevingsvergunning verleend kan worden.

Ruimtelijke Motivering Monseigneur Bekkersplein 2 te Haaren, BOPA

43

Separate bijlagen Bijlage 1: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 2: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 3: Stikstofonderzoek Bijlage 4: Weging van het waterbelang Bijlage 5: Akoestisch onderzoek wegverkeer Bijlage 6: Haalbaarheidsonderzoek gemeentehuis Haaren Bijlage 7: Parkeerbalans Bijlage 8: Advies vervolgonderzoek archeologie Bijlage 9: Vervolgonderzoek flora en fauna Bijlage 10: Notitie nestkast

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16190371/2