Bijlage 1 Ruimtelijke motivering
Tekst van het document
Stikstofdepositie vormt in dat geval geen belemmeringen voor het project. Door het adviesbureau Eceau is de ecologische voortoets uitgevoerd. Uit de voortoets zijn geen belemmeringen naar voren gekomen. De conclusie luidt als volgt; Ten aanzien van het beoogde voornemen om een nieuw bedrijfsverzamelgebouw te realiseren aan de De Sonman te Moergestel, is een Voortoets Natura 2000 uitgevoerd, met als zwaartepunt de Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen´. Het voornemen en alle bijbehorende werkzaamheden leiden niet tot (significant) negatieve effecten. In het kader van Natura 2000-gebieden is geen vergunning benodigd.
28
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Conclusie Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.9
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:
• • • •
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl) Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)
Projectspecifiek De beoogde projectlocatie valt in een van de aandachtsgebieden en is gelegen in de nabijheid van risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit. Nader onderzoek naar omgevingsveiligheid is daarom benodigd. Hiervoor is een beschouwing van de omgevingsveiligheid (Antea Group dd 8 januari 2026) opgesteld. De beschouwing is in zijn geheel als bijlage aan de motivatie toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; Risicobeschouwing Rijksweg A58 •
Het plangebied valt niet in binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour van de Rijksweg. Er wordt voldaan aan de grens- en standaardwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico;
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
29
•
Het plangebied valt binnen het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van de Rijksweg. Conform artikel 5.15 van het Bkl dient het bevoegd gezag in het omgevingsplan te beschouwen hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is. Elementen van deze beschouwing zijn aangedragen in hoofdstuk vier.
LPG-tankstation Total van Esch • •
Het plangebied valt niet in binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour van het tankstation. Er wordt voldaan aan de grens- en standaardwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico; Het plangebied valt gedeeltelijk het explosieaandachtsgebied van het tankstation. Conform artikel 5.15 van het Bkl dient het bevoegd gezag in het omgevingsplan te beschouwen hoe groepen mensen beschermd worden en of deze bescherming afdoende is. Elementen van deze beschouwing zijn aangedragen in hoofdstuk vier.
Bescherming van groepen mensen • In deze rapportage zijn elementen beschouwd die ingaan op het beschermingsniveau van groepen mensen. Deze elementen kan het bevoegd gezag betrekken bij de afwegingen in het kader van de ruimtelijke procedure. Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is, rekening houdend met de elementen ter bescherming van mensen zoals beschreven in de beschouwing (zelfredzaamheid, interne en externe vluchtwegen en bestrijdbaarheid) sprake van een evenwichtige toedeling van functies
5.10 Wegen, verkeer en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren. Wettelijk kader De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Dit geldt ook bij buitenplanse omgevingsvergunningen. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. De gemeente Oisterwijk streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Hiervoor heeft de gemeente Oisterwijk de Beleidsregels Parkeernormen gemeente Oisterwijk 2024 (Beleidsregels) vastgesteld. Deze nota is het uitgangspunt voor het parkeerbeleid binnen de gemeente en is gehanteerd bij het samenstellen van de parkeerbalans.
Parkeerbehoefte Voor de beoogde ontwikkeling speelt ook de vraag wat de nieuwe functies aan parkeerbehoefte met zich meebrengen en op welke wijze deze parkeervraag kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat deze ruimtebehoefte in principe op het eigen terrein, dus niet in de openbare ruimte wordt opgevangen.
30
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Voor het bepalen van de parkeervraag heeft de gemeente Oisterwijk haar parkeernormen gebaseerd op de CROW-publicatie (Publicatie 317: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). Deze veelgebruikte systematiek berekent het aantal benodigde parkeerplaatsen door de oppervlakte van een bepaalde functie te vermenigvuldigen met een norm per 100 m2 BVO (bedrijfsvloeroppervlakte) Het gebouw betreft een bedrijfsverzamelgebouw. De norm die hiervoor wordt gehanteerd is 2,0 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO. Voor het deel dat gebruikt gaat worden voor de verkoop en reparatie van e-bikes geldt een andere norm. Hiervoor is aangesloten op de norm van non-perifere detailhandel. Er is aangesloten op de norm die hoort bij een tuincentrum (2,7 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO). De bedrijfsvloeroppervlakte van het bedrijfsverzamelgebouw. Bedraagt 2.838 m2. Dat voor de verkoop en reparatie van e-bikes bedraagt 358 m2. Dit betekent dat er (28,38 x 2,0) 56,8 + (3,58 x 2,7) 9,67= 67 parkeerplaatsen nodig zijn. Op het terrein worden 71 plaatsen gerealiseerd. De volgende afbeelding toont de inpassing van 71 plaatsen.
F F
F
F
F
Situatietekening met daarin opgenomen 71 parkeerplaatsen. Bron: Van Oers Weijers Architecten. Fietsparkeren Op basis van het totale bvo van het gebouw (3196 m2) moet er op basis van het gemeentelijk beleid 100 m2 bvo, 0,4 fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd. Dit betekent dat er (12,78) afgerond 13 fietsparkeerplaatsen nodig zijn. Deze worden worden voorzien tussen de parkeerplaatsen bij de ‘F’ op de hiervoor getoonde afbeelding. Verkeersgeneratie en ontsluiting De verkeersgeneratie van een bedrijfsverzamelgebouw is in Weinig stedelijk gebied in de rest bebouwde kom, 7,85 motorvoertuigen per etmaal per 100 m2 bvo. Dat betekent dat er (32 x 7,85) 251 bewegingen zullen zijn in een etmaal. De capaciteit van het omliggend wegennet kan dit prima aan. Met name geldt dit voor de belangrijkste kruisingen en de 50 km/uur gebiedsontsluitingswegen in de omgeving. Het verkeer van en naar het nieuwe gebouw wordt via de bestaande weg ontsloten. Het parkeren dat hoort bij het gebruik van het pand zal aan de zuidzijde worden opgevangen waardoor er als gevolg van het nieuwe pand geen parkeerdruk in de straat zal ontstaan. Vrachtverkeer kan rond het gebouw rijden waardoor er geen manoeuvres op de weg hoeven plaatsvinden. Te treffen maatregelen De bestaande weg zal door de gemeente worden opgeknapt.
De aansluiting op de Schoolstraat zal worden verbeterd door het fietspad te verbreden en een uitritconstructie aan te leggen. Het fietspad kan zo beter in twee richtingen worden gebruikt. Deze ingreep verbeterd de verkeersveiligheid. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
31
Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
5.11 Water en watersysteem Toetsingskader Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het project op stedelijk afvalwater, grondwater en hemelwater (par. 5.1.3.1 Bkl). De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat per ontwikkeling de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken. Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. Vanuit de Omgevingswet heeft de provincie naast een omgevingsvisie een omgevingsverordening vastgesteld voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Verder is een Regionaal Water en Bodem programma (RWP 2022-2027) door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaat adaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem.
Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. De concretere invulling met regels om dit te verwezenlijken is opgenomen in de omgevingsverordening. Waterschap De Dommel Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2022 tot 2027 staan beschreven in het Waterbeheerprogramma “Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving”. Het waterschap werkt aan drie waterdoelen die elk een programmatische aanpak hebben. De hoofdstukken die hierin aan bod komen zijn droge voeten, schoon water en voldoende water. Met dit beleid is er meer aandacht voor klimaatadaptatie en een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. Voor het beheer van de diverse wateraspecten en het watersysteem is een waterschapsverordening opgesteld. Deze vervangt de voormalige Keur en bijbehorende algemene regels en heeft een andere opzet. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen welke activiteiten, waar in het werkgebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De regels zijn nu specifiek gekoppeld aan bepaalde gebieden waar ze gelden en toegespitst op activiteiten die iemand kan doen.
Activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan voorwaarden in de verordening. Middels het omgevingsloket kan dit gecontroleerd worden. Gemeente Oisterwijk In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (V-GRP) heeft de gemeente Oisterwijk haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd waarin de doelstellingen van Waterschap De Dommel zijn meegenomen. Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe binnen het plan met water wordt omgegaan. Toetsing
32
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
Op basis van de Waterschapsverordening van het waterschap is bepaald dat de projectlocatie is gelegen in een “beschermd gebied, attentiegebied en beekdal” en is opgenomen in het attentiegebied invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000. Dit zijn gebieden waarvoor in beginsel geldt dat het niet is toegestaan om grootschalige grondwateronttrekkingen, beregeningen en drainage toe te passen. Ook is het onder andere niet toegestaan om een a-water en de daarbij horende beschermingszone en een b-water werkzaamheden te verrichten. Voor zover bekend vinden op en in de directe omgeving van het plangebied geen grootschalige grondwateronttrekkingen, beregeningen en drainage plaats. Binnen het plangebied zullen geen industriële of andere milieubelastende activiteiten worden ontplooid. De dreiging van grondwaterverontreiniging zal daarom nihil zijn. Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie Het terrein wordt als gevolg van de bouw van het pand en de verharding van het terrein rond het pand. De gemeente Oisterwijk heeft het beleidsuitgangspunt dat voor de verharding van de beoogde ontwikkeling de voorkeursvolgorde moet worden doorlopen. Inzicht in de verharding is daarom nodig. Inzicht in de verharding van de beoogde situatie is daarom nodig. De oppervlakte van de bebouwing is 2.543 m2.
3.180 m2 van het plangebied is verhard als gevolg van bestrating (wegen en parkeervoorziening). Onderstaande tabel geeft inzicht in de toekomstige verharding.
Verdeling verhard oppervlak Oppervlaktes
Toekomstig m2
Bebouwd oppervlak
2.543
Bestrating (wegen en parkeervoorziening)
3.359
Totaal verhard
5.902
Er is sprake van een verharding van 5.902 m2. Onder het kopje “hemelwater” zal worden beschreven hoe de noodzakelijke waterberging zal worden opgevangen. Bodem Op basis van het beschikbaar bodemprofiel in de nabijheid van de projectlocatie (DINOloket boorprofiel B51A1166) is onder andere gevonden dat de bodem tot een diepte van 4,0 meter onder maaiveld vooral bestaat uit zand. Zand is uitermate geschikt voor infiltratie van hemelwater. Grondwater Op basis van een beschikbare grondwatermeetpunt westelijk van de projectlocatie (DINOloket ID GMW000000085542) valt af te leiden dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) is gelegen op 11 meter tov NAP. De maaiveldhoogte is 12,36 meter tov NAP. Dit betekent dat de GHG is gelegen op circa 1,36 meter onder maaiveld. Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater worden aangeboden op het rioolstelsel van de gemeente Oisterwijk en worden aangeboden aan de rioolwaterzuivering.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
33
Hemelwater De initiatiefnemer voor een werk of project wordt geacht de voorkeursvolgorde te doorlopen; als hergebruik en infiltratie van het hemelwater niet mogelijk zijn dan is afvoer naar oppervlaktewater mogelijk. In dat geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn, waarbij gedacht kan worden aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot op eigen terrein. Afvoer naar de riolering is uitsluitend toegestaan binnen stedelijk gebied en als er geen andere mogelijkheden zijn. In het kader van de herontwikkeling dient het duurzaamheidsprincipe gevolgd te worden op basis van de kwaliteitstrits schoonhouden, scheiden en zuiveren. In dit kader worden geen uitloogbare materialen gebruikt.
Hemelwater verharding dakvlakken en terreinverharding Voor het plangebied geldt als gevolg van de verharding een bergingsopgave van 354 m3. Deze is gebaseerd op een verharding van 5.902 m2 waarvoor op basis van het geldende gemeentelijke beleid 60 mm per m2 moet worden gecompenseerd. Ten zuiden van het pand wordt een wadi aangelegd. Uitgaan van een drooglegging van 0,2 meter onder maaiveld is er een beschikbare ruimte tussen de GHG en maaiveldhoogte (1,36 meter) – 0,2 meter van 1,16 meter. De wadi is 167 meter lang en heeft een doorsnede van 2,2 m2. Dit betekent dat er circa 367 m3 aan water kan worden opgevangen. De gemeente stelt dat het geborgen hemelwater binnen 48 uur verwerkt moet zijn. De infiltratie vindt plaats via de bodem van de wadi. Het infiltratieoppervlak wordt bepaald door de bodembreedte met de lengte van de wadi te vermenigvuldigen. (1,5 m x 167 m = 250,5 m2). Uit de gegevens van het dinoloket blijkt dat de bodem tot circa 4 meter onder maaiveld voornamelijk uit zand bestaat. Zand kent een goede doorlaatbaarheid. Hiervoor is een doorlatendheidscoëfficiënt aangehouden van k= 1 x 10-5 m/s. De infiltratiecapaciteit bedraagt; Q = k x A 250,5 x 10-5 = 2505 x 10-3 m/s 2505 x 10-3 x 3600 = 9,02 m3/u De infiltratie in 48 uur; Q48 = 9,02 x 48 = 432,9 M3 Het beschikbare bergingsvolume is kleiner dan de infiltratie in 48 uur.
De wadi voldoet daarmee aan de eis van de gemeente. De overstortvoorziening wordt aangelegd op de kopse kant van de wadi. De drempel van de overstort ligt 60 mm onder het maaiveld op 12,30 m tov NAP. Bij het bereiken van dit peil wordt het water via de overstort afgevoerd naar de nabijgelegen sloot.
Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen het waterbeleid.
34
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
6 Financiële en maatschappelijke verantwoording Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgend de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Voorgenomen planinitiatief is een particulier initiatief. Kosten voor de gemeente worden gedekt door de leges waardoor de gemeentelijke kosten zijn gedekt.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De beoogde legalisatie is mogelijk middels een afwijking van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Oisterwijk. De beoogde ontwikkeling wordt juridisch-planologisch geregeld door op grond van een gefaseerde BOPA procedure, met een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan vigerend onder het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Oisterwijk. Er moet gemotiveerd worden dat de omgevingsvergunningsaanvraag voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Derhalve moet de aanvraag zijn voorzien van een ruimtelijke motivering, voorliggend document voorziet in deze ruimtelijke motivering. Participatie Voor de ontwikkeling zijn twee inloopavonden georganiseerd. Op 10 mei 2023 zijn de eerste schetsen gepresenteerd aan omwonenden. Tijdens de eerste inloop zijn er zorgen geuit over de ontsluiting van de ontwikkeling. Ook heeft er toen een apart gesprek met de molenaar plaatsgevonden. Zorgen werden geuit over de ontwikkeling in relatie tot de windvang van de molen. Er is toe afgesproken bij de verdere planvorming onderzoek te laten doen naar de effecten van de ontwikkeling op de molen. Op 7 mei 2025 heeft de tweede inloopbijeenkomst plaatsgevonden. Het verslag van deze inloop is als bijlage aan de motivering gevoegd. Er is nog steeds bezorgdheid over de windvang van de molen.
De omliggende parkeergelegenheid voor de panden in de nabijheid is in de huidige situatie al beperkt. Men is bezorgd over de effecten van de toename als gevolg van de ontwikkeling. Omwonenden verlangen een verkeersveilige ontsluiting. Bezwaar, beroep en hoger beroep Na de besluitvorming bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen. Na het bezwaar is er nog de gelegenheid voor beroep en hoger beroep.
BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht
35