CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke motivering

RAAD 28 mei 2026, gemeente OisterwijkBij agendapunt: Bindend advies BOPA bedrijfsverzamelgebouw De Sonman - Aangenomen11.969 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Motivering van de Bopa “Bedrijfsverzamelgebouw” Sonman Moergestel Gemeente Oisterwijk

3 maart 2026 www.burogkracht.nl

2

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

INHOUDSOPGAVE

1

1

5

1.1 1.2 1.3 1.4

2 2.1 2.2

3 3.1

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

5

AANLEIDING EN DOEL INLEIDING PROJECTGEBIED HET OMGEVINGSPLAN LEESWIJZER

BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE WAAROM DEZE LOCATIE HUIDIGE SITUATIE

VOORGENOMEN ONTWIKKELING BESCHRIJVING VAN HET PROJECT

BELEID EN REGELGEVING RIJKSBELEID EN RIJKSREGELS PROVINCIAAL BELEID EN PROVINCIALE REGELS OMGEVINGSWAARDEN BELEID WATERSCHAP GEMEENTELIJK BELEID

FYSIEKE LEEFOMGEVING

5 5 5 6

7 7 7

8 8

10 10 12 14 15 15

18

5.1 ACTIVITEITEN EN MILIEUZONERING 5.2 AKOESTIEK (SPOOR)WEGVERKEER 5.3 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 5.4 BODEMKWALITEIT 5.5 GEUR 5.6 BESCHERMEN VAN DE GEZONDHEID 5.7 KWALITEIT VAN DE BUITENLUCHT 5.8 NATUUR 5.9 OMGEVINGSVEILIGHEID 5.10 WEGEN, VERKEER EN PARKEREN 5.11 WATER EN WATERSYSTEEM

18 19 20 22 23 24 25 27 29 30 32

6

35

6.1 6.2

FINANCIËLE EN MAATSCHAPPELIJKE VERANTWOORDING ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

35 35

Bijlagen 1. Behoeftescan, Van Oers makelaardij dd 2 september 2024 2. Notitie beoordeling windvang, Peutz dd 3 mei 2024 3. Verkennend bodemonderzoek, BK Ingenieurs dd 12 april 2024 4. Quickscan flora en fauna, Equipe adviseurs dd 28 januari 2026 5. Stikstofberekening, NOX-advies dd 10 februari 2026 en voortoets, Eceau dd 2 maart 2026 6. Beschouwing omgevingsveiligheid, Antea Group dd 8 januari 2026 7. Geanonimiseerde versie verslag omgevingsdialoog

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

3

4

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

1 Aanleiding en doel 1.1

Inleiding

Op een perceel langs de Rijksweg A58 wordt een nieuw bedrijfsverzamelgebouw gerealiseerd. Het gebouw wordt gerealiseerd op een grondstuk dat is omsloten door het bestaande bedrijfsterrein De Sonman in Moergestel en de Rijksweg. In aansluiting op het reeds gerealiseerde bedrijventerrein wordt nu een modern nieuw bedrijfsverzamelgebouw aan De Sonman toegevoegd.

1.2

Projectgebied

Het projectgebied ligt in Moergestel binnen de gemeente Oisterwijk achter de bestaande bedrijfspanden van De Sonman langs de Rijksweg A58. De volgende luchtfoto toont de ligging van de projectlocatie.

Situering van het projectgebied in rood (bron: kadastralekaart.com)

1.3

Het omgevingsplan

De locatie heeft op grond van het tijdelijk omgevingsplan Kom Moergestel de bestemming “Agrarisch” met daarbij de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ ter bescherming van de Moergestelse molen als werktuig en beeldbepalend, cultuurhistorisch waardevol element. Binnen de bestemming Agrarisch is het bouwen van bedrijfsgebouwen en het gebruiken van gronden en gebouwen ten behoeve van bedrijvigheid niet toegestaan.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5

Uitsnede tijdelijk omgevingsplan “Kom Moergestel”, met in rood de projectlocatie. Omdat niet aan de regels van het omgevingsplan kan worden voldaan is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa). Dit rapport beschrijft de motivering van de bopa en toont aan dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal, artikel 8.0a, lid 2Bkl).

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk- functionele situatie. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 4 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 5 worden de bestaande landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorsiche waarden beschreven en wordt gemotiveerd wat de effecten van de beoogde ontwikkeling daarop heeft. In hoofdstuk 6 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 7 worden eventueel geldende beperkingengebieden beschreven. In hoofdstuk 8 komt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde. Het laatste hoofdstuk beschrijft de conclusie en bepaald of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal).

6

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

2

Beschrijving huidige situatie

In dit hoofdstuk wordt de ruimtelijke en functionele inventarisatie en analyse van het projectgebied zelf beschreven.

2.1

Waarom deze locatie

De locatie is gelegen direct langs de Rijksweg A58 en aansluiten op het bestaande bedrijventerrein De Sonman. Het perceel kent nog de agrarische bestemming maar is door haar driehoekige vorm en relatief kleine omvang niet meer geschikt om op een efficiënte manier agrarisch te gebruiken. Door de directe ligging langs de Rijksweg A58 omsloten door bestaande bedrijven ligt het voor de hand om de locatie als zichtlocatie onderdeel te laten worden van het bedrijventerrein De Sonman.

2.2

Huidige situatie

Op dit moment is het perceel waar de woningen komen niet jaarrond in gebruik voor agrarische doeleinden. Elk jaar wordt de locatie middels een tijdelijke pachtovereenkomst opnieuw gebruikt voor de teelt van mais. De volgende foto toont een beeld van de huidige situatie.

Foto van de bestaande situatie. Bron: google.com

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

7

3 Voorgenomen ontwikkeling In dit hoofdstuk wordt een beschrijving van het project gegeven. Hiervoor wordt het beoogd gebruik en de ruimtelijke impact van de nieuwbouw beschreven.

3.1

Beschrijving van het project

Het project betreft de bouw van een nieuw bedrijfsverzamelgebouw. Het gebouw voorziet in meerdere eenheden in verschillende afmetingen. Op die manier wordt een grote groep ondernemers in Moergestel aan passende bedrijfsruimten geholpen. Een deel van het pand zal gebruikt worden voor de activiteiten van de initiatiefnemer; de verkoop en reparatie van e-bikes. De bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) van het bedrijfsverzamelgebouw bedraagt 2.838 m2. Dat voor de verkoop en reparatie van ebikes bedraagt 358 m2. Het pand krijgt een representatieve zijde aan de kant van de Rijksweg A58. De hoogte van het gebouw verloopt van west naar oost van 10 meter naar 8 meter hoogte. Hierdoor krijgt het pand een speels karakter voor de automobilisten op de rijksweg.

Gevel aan de zijde van Rijksweg A58. Bron: Van Oers Weijers Architecten De gevel van het pand is in lijn met de reeds bestaande panden langs de rijksweg. Het terrein tussen het pand en de rijksweg wordt ingericht voor ontsluiting en parkeren en er wordt veel aandacht geschonken aan een groene uitstraling in de vorm van een wadi voor opvang van hemelwater in combinatie met beplanting.

Visual van de zone tussen het nieuwe pand en de rijksweg. Bron: Van Oers Weijers Architecten

8

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

De bestaande ontsluitingsweg van direct ten noorden van het nieuwe pand wordt door de gemeente Oisterwijk verbeterd. De bestaande weg kent weinig structuur. Zo zijn er geen georganiseerde parkeerplaatsen en duidelijke rijbaan. De gemeente kiest ervoor om de weg in het kader van de bouw van het nieuwe pand aan te pakken.

Situatietekening van het nieuwe pand met daarin de inrichting van de weg. Bron: Van Oers Weijers Architecten

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

9

4

Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de activiteit toegelicht en wordt de activiteit hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, doch gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl).

4.1

Rijksbeleid en Rijksregels

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten over- stijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militai- re activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; • over een onderwerp internationale verplichtingen of af- spraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.

Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel 3. sterke en gezonde steden en regio’s 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.

Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

10

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Instructieregels Rijk (AMvB’s) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevings- planactiviteit geweigerd wordt als: 1. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; 2. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); 3. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Voor welke onderwerpen gelden rijksinstructieregels? Om enig gevoel te krijgen bij de onderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat, sommen we de hoofdonderwerpen hieronder op.

• waarborgen van veiligheid • beschermen van waterbelangen • beschermen van gezondheid en milieu waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; • het behoud van ruimte voor toekomstige functies voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten, waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de daarin genoemde onderwerpen voor zover het project binnen de specifieke locatie daarop betrekking heeft.

Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is onderdeel van de paragraaf 5.1.5 van het Bkl over het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is het omgaan met de beschikbare schaarse ruimte en de optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 5.129 Bkl (zorgvuldig ruimtegebruik en tegenaan van leegstand) gaat in op duurzame verstedelijking. 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

11

b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze Bopa maakt de bouw van een bedrijfsverzamelgebouw mogelijk als uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein De Sonman in Moergestel. Deze nieuwe stedelijke ontwikkeling is gelegen binnen het stedelijk gebied. De behoefte aan een nieuw bedrijfsverzamelgebouw is zeer groot.

Uit een studie van Van Oers makelaardij naar het beschikbaar aanbod en de huidige marktvraag blijkt dat de behoefte aan een bedrijfsverzamelgebouw groot is. De behoeftescan is toegevoegd aan deze motivatie. De conclusie luidt als volgt; Om in te kunnen spelen op een bredere marktbehoefte, wat de aantrekkelijkheid en de economische duurzaamheid van het terrein vergroot, adviseren wij derhalve om een gevarieerd aanbod te creëren met bedrijfsunits conform categorie 1 en 2 met een diversiteit in huur en koop in de milieucategorie t/m 3.2. Hiermee bedien je de marktvraag optimaal. Hiermee is gemotiveerd dat voldaan wordt aan artikel 5.129 Bkl en in het bijzonder het bepaalde onder lid 2, sub b. Conclusie Zoals uit de volgende hoofdstukken in deze motivering van de bopa blijkt, wordt voldaan aan de rijksinstructieregels. De activiteit past binnen de doelstellingen den het beleid van het Rijk

4.2

Provinciaal beleid en provinciale regels

Provinciale omgevingsvisie De omgevingsvisie is hét beleidsinstrument voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie is het richtinggevende beleidsinstrument van de Omgevingswet: het benoemt ambities, centrale opgaven en strategie vanuit een samenhangend perspectief op ruimte, milieu, natuur en landschap, water, verkeer en vervoer en cultureel erfgoed. Vanuit deze samenhang zet een omgevingsvisie ook de koers uit voor ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, voorzieningen en recreatie in de provincie. Een belangrijke trend is de toenemende aandacht voor nieuwe thema’s zoals veiligheid, gezondheid en duurzaamheid. In de Brabantse Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). De basis is dat deze elementen in balans zijn en blijven bij ruimtelijke transities. Draagvlak en draagkracht zijn hierbij belangrijke aspecten. De Brabantse Omgevingsvisie bestaat uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 5 staat beschreven wat de kernwaarden zijn voor het handelen van de provincie. Hierin wordt onder andere verwoord dat de provincie gaat voor meerwaarde-creatie. Dit betekent dat uitdrukkelijk gekeken wordt naar de effecten van ontwikkelingen op sociale inclusiviteit, veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. 12

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

De beoogde ontwikkeling heeft een positief effect op de omgevingskwaliteit doordat een bestaand grondstuk tegen de kern van Moergestel wordt ingevuld met een representatief nieuw pand dat door de positie in lijn met bestaande panden zorgt voor een afronding van de stedenbouwkundige structuur. Met het benutten van het grondstuk tussen kern en rijksweg, dat voorziet in een grote doelgroep aan ondernemers is bovendien sprake van duurzame verstedelijking. Een groot deel van het pand zal bovendien gebruikt worden voor de verkoop en reparatie van e-bikes. Het gebruik van e-bikes bevordert de gezondheid. Met de ontwikkeling is sprake van meerwaarde-creatie. Instructieregels provincie (omgevingsverordening) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevings- planactiviteit geweigerd wordt als: 1. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; 2. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); 3.

de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Provinciale Staten kunnen bij omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels). Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant hebben in de toelichting op de Omgevingsverordening het volgende aangegeven over het toepassingsbereik van instructieregels bij een Bopa. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de daarin genoemde onderwerpen (uiteraard alleen voor zover het speelt binnen de specifieke locatie). Instructieregels Voor de locatie gelden de volgende instructieregels aan gemeente: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Op basis van de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant (OV) is duidelijk dat de locatie is opgenomen in het ‘Stedelijk gebied’. Hiervoor geldt dat de ontwikkeling moet passen in regionale afspraken en dat invulling moet worden gegeven aan de doelen op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie en veilige, gezonde woonomgeving. Artikel 5.55, lid 2 van de OV beschrijft de voorwaarden voor een duurzame ontwikkeling voor wonen, werken en voorzieningen. Deze luiden als volgt: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b.

bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. De ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuw, modern en duurzaam gerealiseerd bedrijfspand aansluitend op een bestaand bedrijventerrein op een zichtlocatie langs de Rijksweg A58. De ontwikkeling bevordert de omgevingskwaliteit door de representatieve vormgeving van het pand in combinatie met de aanleg van groen. Binnen het groen wordt een wadi aangelegd voor de opvang van hemelwater. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

13

De ontwikkeling betreft de bouw van een representatief, duurzaam pand. Het pand voorziet in een actuele behoefte voor een grote doelgroep door de aanwezigheid van bedrijfsunits met verschillende afmetingen. Op die manier wordt optimaal invulling gegeven aan een duurzame, concurrerende economie. Een groot deel van het pand wordt gebruikt voor de verkoop en reparatie van e-bikes. Hierdoor zal het bouwplan, direct invulling geven aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit. Verder wordt in lid 3 van artikel 5.55 van de OV nog het volgende gesteld; Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, stelt het omgevingsplan regels over: a. een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; en b. het tegengaan van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, zoals: 1. bedrijfswoningen; 2. bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden, tenzij die bedrijven concept-versterkend werken en geclusterd worden; 3. voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden, tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden. Het bouwplan voorziet in meerdere bedrijfsunits met verschillende afmetingen die passen bij het bestaande bedrijfsterrein. Er is geen sprake van bedrijfswoningen.

De bedrijfsunits zullen alleen gebruikt worden voor bedrijfsmatige activiteiten. Deze horen niet thuis in gemengde of centrumgebieden.

Stedelijk gebied Landelijk gebied

Uitsnede TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant. Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie.

4.3

Omgevingswaarden

Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie. Maar ook van de gemeente zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor: • de gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats; 14

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

• de toelaatbare belasting door activiteiten; • de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen. De omgevingswaarde moet worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen. Tenzij het vaststellen van een omgevingswaarde verplicht is, staat het de gemeente vrij om af te zien van het vaststellen van een omgevingswaarde, maar te kiezen voor directe normstelling (b.v. geluid, geur, trilling) (Omgevingswet, artikel 2.9, tweede lid). Een kwalitatieve omgevingswaarde is mogelijk als zo'n aspect met objectieve termen kan worden omschreven. Als je bijvoorbeeld wilt bereiken dat een rivier voldoet aan de normen voor een 'goede ecologische toestand', is een objectieve beschrijving van kwaliteiten nodig (b.v. in een programma of beleidsregel). Daarnaast geeft de overheid bij de vaststelling van een omgevingswaarde aan (art. 2.10 Ow): • of dit een resultaatsverplichting, een inspanningsverplichting of een andere verder te omschrijven verplichting met zich meebrengt. • binnen welke termijn de omgevingswaarde moet zijn bereikt. • op welke locatie(s) de omgevingswaarde van toepassing is. Omgevingswaarden hebben geen doorwerking naar andere partijen dan de gemeente die de omgevingswaarde heeft vastgesteld. De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan.

Het moet dan gaan om omgevingswaarden die het gemeentebestuur kan beïnvloeden of beheersen door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur of geluid. Voor de locatie waarbinnen de activiteit plaatsvindt gelden geen omgevingswaarden.

4.4

Beleid Waterschap

Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd (paragraaf 5.11). Ook onder de omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'. • •

Waterschapsverordening Keur

Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van het Waterschap

4.5

Gemeentelijk beleid

In deze paragraaf wordt de aandacht gevestigd op het beleid op het gebied van gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. Het gemeentelijk beleid is afhankelijk van de gemeente. Omgevingsvisie Met de omgevingsvisie wordt men uitgenodigd om met ideeën en voorstellen te komen die goed zijn voor de gemeente Oisterwijk. Plannen die het leven, het ondernemen en het verblijven in onze gemeente aantrekkelijker maken. De omgevingsvisie nodigt uit, inspireert en geeft de kaders om ontwikkelingen aan te pakken. Ook is de omgevingsvisie bedoeld om plannen uit de samenleving, die niet passen in het omgevingsplan af te wegen. Het plan of initiatief moet daarbij bijdragen aan de kwaliteit en ambities voor de gemeente Oisterwijk. Inwoners en ondernemers vinden in de omgevingsvisie wat op hoofdlijnen de ontwikkelingsmogelijkheden zijn in de gebieden en rondom thema's. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

15

Meerwaarde van een omgevingsvisie De omgevingsvisie: • inspireert en nodigt partijen uit tot investeringen; • werkt oplossingsgericht en (her)ontwikkelingsmogelijkheden worden vergroot; • stuurt op versterking van gebiedskwaliteiten; • benoemd gebiedsgericht aandachtspunten, met bandbreedtes in na te streven gebiedskwaliteit; • biedt initiatiefnemers duidelijkheid en zorgt voor efficiëntie en legitimatie in het afwegingsproces, door vroegtijdige prioritering en afstemming van beleidsuitwerkingen en investeringen. Op 22 december 2016 heeft de gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk de Omgevingsvisie vastgesteld. Met de omgevingsvisie heeft de gemeente een beleidskader opgesteld, dat de inwoners, ondernemers én bestuurders inspireert. In het document worden de kaders omschreven, waarbinnen initiatiefnemers worden uitgenodigd om hun plannen op te stellen. Hiermee zal de visie opgesteld worden volgens de gedachtegang van de uitnodigingsplanologie. De gemeente bepaalt niet meer wat ergens moet komen, maar geeft enkel aan binnen welke kaders projecten de meeste slagingskansen hebben. Het is vervolgens aan de burger en/of ondernemer om hiermee aan de slag te gaan. De visie dient als: • • • • •

Inspiratie voor ondernemers, bestuurders en inwoners. Richtinggevend kader voor het toekomstig gemeentelijk ruimtelijk ordeningsbeleid. Toetsingskader voor individuele verzoeken en initiatieven die niet passen binnen de bestemmingsplannen. Input voor overleg met de Provincie en de regio over de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. Basis voor kostenverhaal (grondexploitatie-instrument)

De gemeente Oisterwijk stelt in haar Omgevingsvisie daar waar zij kan te voorzien in het faciliteren van behoefte bij ondernemers. Hierbij geldt dat intensiveren of benutten van bestaande binnen het stedelijk gebied aanwezige gronden de voorkeur geniet boven nieuwe gronden in het landelijk gebied. De locatie is gelegen binnen het stedelijk gebied en binnen de invloedssfeer van stedelijke functies en voorzieningen zoals de Rijksweg A58 en het bestaande bedrijventerrein De Sonman. Programma’s In de ‘Programma's’ kunnen belangrijke verbindingen worden gelegd met de andere kerninstrumenten in de beleidscyclus van de gemeente. Een programma geeft aan hoe een gemeente de omgevingsvisie of onderdelen daarvan wil realiseren. Het kan bijvoorbeeld gericht zijn op een beleids- thema zoals een woonvisie, op een gebied of project zoals een centrumvisie, of op een omgevingswaarde zoals een veiligheidsplan. Op basis van artikel 3.5 van de Omgevingswet bevat een programma voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving: • een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan; • maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen en / of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken.

16

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Een programma is vooral uitvoeringsgericht; de nadruk ligt op het bereiken van het doel binnen een beheersbare termijn voor het desbetreffende aspect van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Het staat de gemeente vrij om naar behoefte programma’s op te stellen voor deze aspecten of voor deelgebieden. Eén van de maatregelen die in een programma kan worden opgenomen, is het sturen op de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving door het op- nemen van juridische bindende regels in het omgevingsplan. Andere maatregelen zijn ook denkbaar zoals de inzet van communicatie/ informatie-instrumenten, de inzet van financiële instrumenten bijv. subsidie, het maken van afspraken met organisaties of het nemen van fysieke maatregelen. College stelt programma's vast Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente kan op basis van artikel 3.4 van de Omgevingswet programma’s vaststellen. Het vaststellen van programma’s is dus in beginsel geen verplichting. Bijzondere vormen van programma's In de Omgevingswet zijn verder weinig regels gesteld aan de vrijwillige programma’s. Er is echter een aantal bijzondere vormen van programma’s waar de Omgevingswet extra regels aan stelt. Dit zijn:

• • •

verplichte programma’s; programma’s met een programmatische aanpak; programma’s bij dreigende overschrijding van een omgevingswaarde.

Huidige plannen te beschouwen als programma Een groot deel van de bestaande wettelijke en buitenwettelijke plannen kan als programma worden beschouwd. Deze zijn in deze motivatie aan de orden gesteld. Conclusie De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente Oisterwijk.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

17

5 Fysieke leefomgeving In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving is per aspect in een aparte paragraaf opgenomen. Indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De eventuele onderzoeksrapportages zijn separate bijlagen. In deze ruimtelijke onderbouwing zijn de samenvattingen en conclusies opgenomen.

5.1

Activiteiten en milieuzonering

Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Omdat hier sprake is van een nieuwe bedrijfsfunctie waarbij in de omgeving enkele woningen aanwezig zijn, verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2023’ (geactualiseerd in 2024) van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten. De nieuwe handreiking is echter nog niet beschikbaar.

Daarom adviseert de VNG om de richtafstanden uit de VNG uitgave 2009 als indicatie aan te houden voor de inpasbaarheid van nieuwe bedrijfsactiviteiten. De brochure is daarom gehanteerd. Toetsing In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient onderzocht te worden of er bij de realisatie van de ontwikkeling sprake is van een aanvaardbaar woon-, en leefklimaat in de nabijheid van het projectgebied. In de nabijheid van de projectlocatie is aan de oostzijde een bestaande agrarische bedrijfswoning aanwezig. Op basis van het de uitgave Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de VNG kennen de beoogde bedrijfsactiviteiten in het nieuwe bedrijfsverzamelgebouw een milieucategorie 2. Voor deze categorie wordt een richtafstand voor geur en geluid geadviseerd van 30 meter tussen de activiteit en de bestaande woning aan te houden. Omdat sprake is van een gemengd gebied omdat in de omgeving wonen en bedrijvigheid worden afgewisseld is het verantwoord om de richtafstand te verkleinen tot 10 meter. De kleinste afstand van de bestaande woning en de beoogde bedrijfsactiviteiten bedraagt circa 40 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. De algemene regels over geluid van bedrijven op een industrieterrein met geluidproductieplafond (gpp) of in de overgangsfase een gezoneerd industrieterrein staan in het omgevingsplan.

Voor een aantal bedrijven staan er locatieonafhankelijke regels over geluid in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Er kan daarnaast een maatwerk- of vergunningvoorschrift gelden. Voor de locatie is geen sprake van een industrieterrein met gpp. De beoogde activiteiten in het nieuwe gebouw geven daarvoor ook geen aanleiding. Het aspect “milieuzonering” is daarom geen belemmering. 18

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5.2

Akoestiek (spoor)wegverkeer

Er dient rekening te worden gehouden met het geluid door (spoor)wegen op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij gelden er geluidaandachtsgebieden rondom (spoor)wegen. Binnen een dergelijk geluidsaandachtsgebied, dient het geluid op geluidgevoelige gebouwen aanvaard- baar te zijn (par. 5.1.4.2a Bkl). Indien het geluid op een geluidgevoelig gebouw (binnen een geluidaandachtsgebied) niet meer bedraagt dan de standaardwaarde dan is er in ieder geval sprake van een aanvaardbare woonen leefomgeving. De standaardwaarden zijn aangegeven in onderstaande tabel. Deze geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen.

Tabel: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per (spoor)weg De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een (spoor)weg. Geluidsgevoelige gebouwen zijn gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Omdat door met de beoogde ontwikkeling geen nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegevoegd is geen aandacht nodig voor het aspect geluid. Inzicht in de geluidssituatie is wel gezocht. Op basis van de kaart Geluid wegverkeer (lden) van de Atlas Leefomgeving geldt voor de locatie een geluidsbelasting gelegen tussen 56 en 60 dB. Onderstaande afbeelding is een uitsnede uit de kaart van de Atlas Leefomgeving. Er zijn alleen mensen voor korte periodes tijdens openingstijden aanwezig. Van een overmatige blootstelling aan ernstige overschrijding van de norm is geen sprake.

Uitsnede geluidkaart Atlas Leefomgeving BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

19

Conclusie Vanuit het milieuaspect geluid bij (spoor)wegverkeer is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat met het beoogde bouwplan geen sprake is van een geluidsgevoelig gebouw.

5.3

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, waaronder archeologische monumenten (par. 5.1.5.5 Bkl). Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erfgoed gericht op:

• •

het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde archeologische monumenten; het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

In het belang hiervan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek.

Toetsing De gemeente Oisterwijk heeft haar archeologiebeleid vormgegeven middels de regels in het tijdelijk omgevingsplan. Deze zijn overeenkomstig de Archeologische verwachtingskaart. Voor de projectlocatie en waar dus bewerkingen van de bodem zijn voorzien, is volgens de Archeologische verwachtingskaart van de gemeente sprake van een middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische vondsten.

Uitsnede uit de Archeologische verwachtingskaart met in rood de projectlocatie.

20

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

In lijn met de regels die door de gemeente Oisterwijk voor gebieden met een middelhoge verwachting kan worden aangehouden dat bouwwerken met een oppervlakte van maximaal 2.500 m2 geen verstoring van het archeologisch bodemarchief te verwachten is. Direct zuidelijk van de locatie is in het tijdelijk omgevingsplan Buitengebied een beschermende waarde opgenomen die dit stelt. Het bouwplan heeft een oppervlakte van 2.484,5 m2. Hierdoor is de oppervlakte kleiner dan 2.500 m2. Op basis van de Archeologische verwachtingskaart en de beschermede waarde die de gemeente in het tijdelijk omgevingsplan stelt, is de kans op verstoring als gevolg van de ontwikkeling op het archeologisch bodemarchief nihil. Cultuurhistorie Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet zorgt deze wet voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Er dient rekening gehouden te worden met het belang van het behoud van dit cultureel erfgoed. Dit door regels te stellen ter bescherming van het cultureel erf- goed (par. 5.1.5.5 Bkl).

In het belang hiervan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld over eisen aan onderzoek.

Toetsing De Cultuurhistorische waardenkaart 2024 is door de provincie Noord- Brabant herzien, gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Aan de hand van de cultuurhistorische waardenkaart (2024) is het plan- gebied gelegen het cultuurhistorisch landschap ‘Het Groene Woud’. Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen en buitenplaatsen en watermolens. De ontwikkelstrategie voor dit cultuurhistorisch landschap betreft: • Het behoud van de kleinschalige karakteristieken; • Eisen stellen aan de uitbreidingen van dorpskernen; • De economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van het Groene Woud; • Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving De nieuwe woningen worden op een passende wijze ingepast in het landschap. Er is sprake van behoud van de kleinschalige karakteristieken door de aanleg van groen elementen. Molenbiotoop In de nabijheid van de projectlocatie is op circa 170 meter een molen gelegen.

Ter bescherming van de molen als werktuig en als beeldbepalend cultuurhistorisch waardevol element is in het tijdelijk omgevingsplan Kom Moergestel een beschermende waarde ‘Waarde – Cultuurhistorie’ opgenomen. Deze beschermende waarde stelt onder andere dat binnen een afstand van 100 tot 200 meter van de molen geen bebouwing met een bouwhoogte van meer dan 5 meter wordt gerealiseerd en dat binnen een afstand van 200 tot 300 meter van de molen geen bebouwing met een bouwhoogte van meer dan 7 meter wordt opgericht. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

21

Het oostelijk deel van het nieuwe gebouw, welke is gelegen op een afstand tussen 100 en 200 meter (circa 170 meter) is de maximale hoogte 8 meter. Het westelijk deel van het gebouw welke is gelegen op een afstand tussen 200 en 300 meter (circa 270 meter) van de molen is de maximale hoogte 10 meter. De beoogde bebouwing is hoger dan is toegestaan. Het college kan onder de voorwaarde afwijken van de regels uit het tijdelijk omgevingsplan als door de regels de belangen in verband met de nieuw op te richten bebouwing onevenredig worden geschaad. De bouwhoogte van 5, respectievelijk 7 meter binnen een omgeving waar reeds hogere bebouwing op kleinere afstand van de molen aanwezig is, is te beschouwen als een onevenredige beperking van de belangen van de bebouwing. Voor het beoogd gebruik als bedrijfsverzamelgebouw is een hogere bouwhoogte nodig om überhaupt het gebruik te kunnen faciliteren. Een lage bouwhoogte zal zorgen voor een onrendabele ontwikkeling en daarmee een onhaalbaar plan. Een tweede voorwaarde is dat de vrije windvang of het zicht op de molen al beperkt is door aanwezige bebouwing en het zicht op de molen en windvang door de nieuw op te richten bebouwing verder wordt beperkt. Er is reeds bestaande bebouwing aanwezig. Voor de effecten op de windvang als gevolg van de nieuwe bebouwing is een onderzoek uitgevoerd.

De rapportage van dit onderzoek is als geheel aan de bijlage toegevoegd. In het onderzoek is geconcludeerd dat de totale invloed van het plan op de windvang van de molen laag zijn in de aangegeven bandbreedte van 0,0% tot 7,2% van de tijd of 0,0% tot 21,5% van de capaciteit vallen. De volgende afbeelding toont de effecten op de windvang.

De effecten van de bebouwing op de werking van de molen zijn hiermee nihil. Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor het beoogde project.

5.4

Bodemkwaliteit

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullings- besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. 22

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

• •

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. Onderzoek Er is door BK Ingenieurs een onderzoek uitgevoerd naar de milieuhygienische kwaliteit van de bodem. De rapportage van het bodemonderzoek is als geheel als bijlage bij deze motivatie toegevoegd. De conclusie luidt als volgt; Grond De boven- en ondergrond wordt ingedeeld in kwaliteitsklasse Landbouw/natuur. Asbest Ter plaatse van boring 16 is zowel op het maaiveld als in de contactzone (0,0 - 0,5 m -mv) visueel geen asbest aangetroffen of analytisch aangetoond. Het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg ds) wordt niet overschreden.

Grondwater In het grondwater zijn geen geanalyseerde stoffen boven de signaleringsparameters aangetoond. Toetsing hypothese bodem De hypothese ‘onverdacht’ is correct gebleken. Er zijn geen verontreinigingen aangetoond boven de bodemkwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. Aanbevelingen Het uitvoeren van vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. De rapportage kan gebruikt worden voor de vergunningaanvraag. Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Het aspect “bodemkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.5

Geur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geur. Wettelijk kader BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

23

Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Industriële geurhinder Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.

De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. De beoogde activiteiten in het gebouw gaan geen ernstige industriële geurhinder veroorzaken. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over: • • • •

Geurnormen in het omgevingsplan Rekenen Afstandeisen Randvoorwaarden

Het bedrijfsverzamelgebouw is niet beschouwd als een geurgevoelig object. Tevens gaan in het bedrijfsverzamelgebouw geen activiteiten plaatsvinden die geurhinder zullen veroorzaken. Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.6

Beschermen van de gezondheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • •

het beschermen van gezondheid het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.

24

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fyieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd. Conclusie Met het planvoornemen wordt een nieuw bedrijfsverzamelgebouw opgericht in de nabijheid van de kern van Moergestel. De locatie is per fiets goed bereikbaar. De locatie bevordert de gezondheid voor gebruikers van het bedrijfsverzamelgebouw. Bovendien wordt door de ontwikkeling het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen op de locatie gestopt. Dit is een positieve bijdrage voor de bescherming van de gezondheid. Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.7

Kwaliteit van de buitenlucht

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft.

Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

•

bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’ BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

25

• •

bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Projectspecifiek De beoogde projectlocatie valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM2,5. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. Zowel voor NO2, PM10 en PM2,5 is op basis van de kaarten van de Atlas Leefomgeving sprake van waarden die zijn gelegen lager dan de WHO advieswaarde 2005 en de EU grenswaarde 2023. Onderstaand is een uitsnede van de kaartlaag PM10.

Uitsnede Kaartlaag PM10, Atlas Leefomgeving Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, gelijk aan 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van de NIBM-tool kan bovendien het volgende worden geconcludeerd. De verkeersgeneratie van een bedrijfsverzamelgebouw is in Weinig stedelijk gebied in de rest bebouwde kom, 7,85 motorvoertuigen per etmaal per 100 m2 bvo. Dat betekent dat er (32 x 7,85) 251 bewegingen zullen zijn in een etmaal. Dit zal in de NIBM-tool niet leiden tot het doen van nader onderzoek.

26

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.8

Natuur

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudings- doelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en

3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de

algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

27

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

• •

er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Onderzoek Er is door Equipe een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving en de gevolgen voor de natuur. In deze motivering worden de belangrijkste conclusies vermeld: voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage bij deze motivering. Ten aanzien van broedvogels wordt het volgende geconcludeerd; Gezien de aard van de werkzaamheden is nader onderzoek naar beschermde flora en fauna niet nodig. Maatregelen zijn wel noodzakelijk. Er mogen geen werkzaamheden plaatsvinden binnen het projectgebied zonder goedkeuring van de ecoloog. Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woning is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat.

Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie. Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. Een stikstofberekening voor de aanleg-, en gebruiksfase is door NOX-advies uitgevoerd en als bijlage aan de motivatie toegevoegd. De conclusie luidt als volgt: Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit project vrijkomt in de bouwfase leidt tot een depositieresultaat van 0,01 mol N/ha/jaar op het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden op basis van deze voortoets vooralsnog niet uit te sluiten. Een ecologische voortoets wordt uitgevoerd om te bepalen of dezetijdelijke depositietoename gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. Voor de gebruiksfase is een resultaat berekend van 0,00 mol N/ha/jaar. Indien de ecologische voortoets uitwijst dat er geen gevolgen zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen van de genoemde Natura 2000-gebieden dan zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect stikstofdepositie. Een passende beoordeling is dan niet aan de orde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16731640/1