CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

22-98 Ontwerpverklaring van geen bedenkingen Heuvelstraat 9 Moergestel - Bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing

RAAD 21 april 2022, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 22-98 Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor de verbreding van de activiteiten van het aannemersbedrijf op de Heuvelstraat 9 in Moergestel9.262 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing

Heuvelstraat 9, Moergestel

Colofon

Gemeente:

Oisterwijk

Projectlocatie:

Heuvelstraat 9, Moergestel

Datum:

17-5-2021, gewijzigd 21-01-2022

Status:

Concept

IMRO-Code:

NL.IMRO.OVHeuvelstr9moe-ON01

Opgesteld door:

Van Dun Ontwerp & Planologie Raadhuisstraat 32 5126 CJ Gilze T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl

Projectnummer:

FA/17070.B013/496794

2 van 28

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.

Aanleiding en doel ........................................................................................... 5

1.2.

Geldend planologisch regime ............................................................................ 5

1.3.

Leeswijzer ....................................................................................................... 5

2. Planbeschrijving............................................................................................... 7 2.1.

Bestaande situatie............................................................................................ 7

2.2.

Beoogde situatie .............................................................................................. 7

3. Beleidskader................................................................................................... 10 3.1.

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant .................................................. 10

3.1.1. 10 3.1.2.

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Ontwikkeling van niet agrarische functies (paragraaf 3.6.7) ......................... 12

3.2.

Omgevingsvisie Oisterwijk ............................................................................... 13

3.3.

Bestemmingsplan............................................................................................ 13

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 14 4.1.

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 14

4.2.

Waterhuishouding ........................................................................................... 14

4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.

Natuur ........................................................................................................... 16

4.3.1. 4.3.2. 4.4.

Waterrelevant beleid................................................................................. 14 Bestaande waterhuishoudkundige situatie .................................................. 15 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 16 Natuurnetwerk Nederland (NNN) ............................................................... 16 Wet natuurbescherming ............................................................................ 17

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie......................................................... 19

4.4.1. 4.4.2.

Cultuurhistorie en aardkunde..................................................................... 19 Archeologie .............................................................................................. 20

4.5.

Bodemkwaliteit ............................................................................................... 20

4.6.

Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 20

4.7.

Geur .............................................................................................................. 21

4.8.

Luchtkwaliteit ................................................................................................. 22

4.9.

Geluid ............................................................................................................ 22

4.10.

Verkeer en parkeren .................................................................................... 23

4.11.

Externe veiligheid ........................................................................................ 23

4.11.1. 4.11.2.

Regelgeving ............................................................................................. 23 Toetsing aan beleid .................................................................................. 24

5. Uitvoerbaarheid ............................................................................................. 25 5.1.

Financiële uitvoerbaarheid ............................................................................... 25

3 van 28

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................... 25

5.2.1. 5.2.2.

Omgevingsdialoog .................................................................................... 25 Zienswijzen en beroep .............................................................................. 25

6. Planologische afweging ................................................................................. 27

4 van 28

1. Inleiding

In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel en het geldend planologisch regime aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel In deze onderbouwing wordt een nadere toelichting gegeven op de aanvraag om omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan voor de locatie aan de Heuvelstraat 9 te Moergestel. Op deze locatie wordt momenteel een aannemingsbedrijf geexploiteerd. Het bedrijf voert werkzaamheden uit voor overheden, particulieren en bedrijven op het gebied van grondverzet, bestratingen en groenvoorzieningen. Het bedrijf is de afgelopen jaren steeds verder ontwikkeld tot de huidige omvang. Om ook in de toekomst het bedrijf te kunnen continueren is het bedrijf steeds op zoek naar nieuwe ontwikkelingen waardoor de bedrijfsprocessen kunnen worden verbeterd en de ecologische footprint wordt verkleind. Om deze reden wil het bedrijf extra activiteiten ontplooien in de vorm van het breken van ingenomen puin en het produceren van Bokashi. Deze activiteiten zijn volgens het bestemmingsplan niet expliciet toegelaten waardoor een afwijking van het bestemmingsplan noodzakelijk wordt geacht. Middels deze onderbouwing worden de planologische aspecten van de extra activiteiten nader beschreven waardoor geoordeeld kan worden of de gewenste ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar is. 1.2.

Geldend planologisch regime In het vigerende bestemmingsplan is de locatie bestemd als ‘Bedrijf’ waar de volgende bedrijfsvormen zijn toegelaten: - Hoveniersbedrijf met b.o.> 500 m2 alsmede boomkwekerij; - Bouwbedrijf/aannemersbedrijf met b.o.>2000 m2; Deze bedrijfsvormen zijn toegestaan binnen het paarse bestemmingsvlak zoals weergegeven op onderstaande afbeelding. De huidige bedrijfsactiviteiten zijn passend binnen dit bestemmingsplan.

afbeelding 1: uitsnede vigerend bestemmingsplan

De toegestane bedrijven behoren volgens de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’ van de Vereniging Nederlandse bedrijven tot respectievelijk milieucategorie 3.1 en 3.2. 1.3. Leeswijzer In dit rapport zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, en het geldend planologische regime zijn beschreven.

5 van 28

In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieu-hygiënische en planologische aspecten beschreven.

6 van 28

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie Aan de Heuvelstraat 9 te Moergestel is een aannemingsbedrijf gevestigd. Het bedrijf richt zich op het verlenen van diensten aan derden (overheden en particulieren) op het gebied van grondverzet, bestrating en groenvoorziening. Het bedrijf heeft enkel jaren geleden de bedrijfslocatie uitgebreid met een nieuw buitenterrein voor de opslag van materialen en goederen. Tevens is er sprake van stalling van machines en bedrijfswagens op het buitenterrein. Aan de westzijde van het perceel is een loods aanwezig waar ook verschillende machines worden gestald en een werkplaats aanwezig is. Recentelijk is er aan het bedrijf een vergunning verleend voor de nieuwbouw van de woning met kantoor. Met de bouw zal op korte termijn een start worden gemaakt. Op onderstaande afbeelding is de huidige bedrijfslocatie weergegeven. Deze activiteiten zijn passend binnen het vigerende bestemmingsplan.

afbeelding 2: luchtfoto huidige situatie (bedrijf rood omlijnd)

Het bedrijf is gelegen aan de Heuvelstraat, dit is een gebiedsontsluitingsweg tussen de kernen BiestHoutakker en Moergestel. In noordelijke richting is op korte afstand de oprit naar de A58 aanwezig. In de directe omgeving zijn met name burgerwoningen, aan de Heuvelstraat, gelegen. Rondom het bedrijf zijn de gronden voornamelijk landbouwgronden gelegen. 2.2. Beoogde situatie Zoals in de inleiding aangegeven is het bedrijf continue bezig om het bedrijf te ontwikkelen om zo ook in de toekomst een duurzame bedrijfsvoering te kunnen exploiteren. Bij de werkzaamheden van het bedrijf komt regelmatig puin vrij. Grote hoeveelheden puin worden door het bedrijf rechtstreeks afgevoerd naar erkende inzamelaars. Bij kleinere projecten is de hoeveelheid puin beperkt waardoor het niet rendabel is om hiervoor een container of vrachtwagen te laten komen. Door dit puin mee te nemen naar de eigen bedrijfslocatie wordt het aantal gereden kilometers beperkt waardoor er ook sprake is van minder uitstoot.

7 van 28

Daarnaast is voor verschillende werkzaamheden door het bedrijf ook gebroken puin nodig als, bijvoorbeeld, ondergrond bij bestratingswerkzaamheden. Ook hiervoor geldt dat bij kleinere projecten het niet interessant is om een vrachtwagen/container te laten komen. Het bedrijf is voornemens om het puin wat op het eigen terrein wordt ingezameld enkele keren per jaar te breken waardoor dit gebroken puin zelf kan worden ingezet voor de werkzaamheden. De werknemers kunnen dan aan het begin van de dag op de locatie zelf het puin laden en direct meenemen naar het werkadres. Hierdoor rijden de vrachtwagens niet onnodig leeg en wordt het aantal transportbewegingen op de werklocatie beperkt. Volgens het bestemmingsplan is op de bedrijfslocatie enkel een hoveniersbedrijf en bouw/aannemersbedrijf toegestaan. In het bestemmingsplan is de volgende definitie opgenomen voor een hoveniersbedrijf: “en bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en

groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend”. Voor een bouw/aannemersbedrijf is geen definitie opgenomen. Het

breken van puin is niet expliciet benoemd als een activiteit wat plaatsvind bij dergelijke bedrijven. Deze activiteit is dan ook niet rechtstreeks passend binnen de bedrijfsactiviteiten die zijn toegelaten volgens het bestemmingsplan. Bij de werkzaamheden van het bedrijf komt regelmatig groenafval vrij. Te denken valt aan snoeiafval bij onderhoud van openbaar groen of het verwijderen van houtopstanden bij de aanleg van nieuwe verharding. Ook hierbij geldt dat bij grote hoeveelheden groenafval het bedrijf deze producten rechtstreeks afvoert naar erkende inzamelaars. Bij kleine hoeveelheden wordt dit groenafval op eigen locatie verzameld. Het bedrijf heeft gezocht naar een oplossing om dit groenafval ook weer nuttig te kunnen inzetten bij de eigen werkzaamheden. Hiervoor wil het bedrijf op het eigen terrein Bokashi produceren uit het groenafval. Bokashi is een methode om het groenafval te fermenteren. Om Bokashi te produceren dient eerst het groenafval te worden geshredderd waarna hulpstoffen, zoals kalk en kleimineralen, worden toegevoegd. Deze mix wordt luchtdicht (anaeroob) op het terrein bewaard voor een periode van ca 810 weken. Tijdens deze periode wordt door de aanwezigheid van bacteriën, schimmels en gisten, het versnipperd groenafval omgezet naar een bodemverbeteraar (zoals potgrond of compost).

Dit eindproduct kan het bedrijf dan weer gebruiken voor hun eigen werkzaamheden door bijvoorbeeld dit product te mengen met grond bij aanplant van plantsoenen. Het verwerken van groenafval is ook niet expliciet genoemd als activiteit behorende bij een hoveniersbedrijf. Dit betekent dat het verwerken van het groenafval en het fermenteren hiervan tot Bokashi ook niet rechtstreeks passend binnen de bedrijfsvormen die zijn toegestaan volgens het bestemmingsplan. Beide nevenactiviteiten vinden plaats op het buitenterrein binnen de inrichting. De fysieke activiteiten die benodigd zijn voor deze nevenactiviteiten vinden maar enkele keren per jaar plaats. Deze activiteiten bestaan uit het breken van het puin tot menggranulaat en het shredderen van groenafval voor de productie van Bokashi. De opslag van de producten is wel een passende activiteit binnen het bestemmingsplan. De milieukundige aspecten van deze activiteiten zijn ook nader toegelicht in de activiteit milieu dat onderdeel is van de aanvraag. Bij deze aanvraag is ook een plattegrondtekening toegevoegd waarop de verschillende activiteiten, die op het bedrijf plaatsvinden, zijn weergegeven. Op onderstaande afbeelding is de locatie van het breken van puin en shredderen van groenafval omkaderd.

8 van 28

afbeelding 3: situering locatie breken puin en shredderen groenafval

9 van 28

3. Beleidskader

In deze paragraaf wordt het provinciale beleid (Interim Omgevingsverordening) en gemeentelijk beleid (Omgevingsvisie en bestemmingsplan) nader toegelicht 3.1. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant De regels voor ruimtelijke ordening met provinciaal belang zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening (Iov). De laatste versie van de Iov is op 27 november 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 5 december 2020 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan, of verlening van een vergunning voor (buitenplans) afwijken van het bestemmingsplan, rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.

Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar een plangebied in is gelegen. In dit geval is het plangebied gelegen binnen de aanduiding ‘Landelijk gebied’, ‘Gemengd landelijk gebied’ en ‘Stalderingsgebied’, zie onderstaande afbeelding.

afbeelding 4: uitsnede kaart Interim Omgevingsverordening (locatie bij rood kruis)

3.1.1. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2)

Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht.

10 van 28

Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6)

Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De beoogde ontwikkeling, het toestaan van breken van puin en toepassing van Bokashi kan plaatsvinden binnen de bestaande voorzieningen op de bedrijfslocatie. Er is geen sprake van uitbreiding van bebouwing of ruimtebeslag. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.

Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. Bij deze aanvraag om omgevingsvergunning maakt ook de activiteit milieu onderdeel uit. Bij deze activiteit worden de milieukundige aspecten nader bekeken en kunnen er voorwaarden in de vergunning worden verbonden om de milieueffecten tot een minimum te beperken.

Verderop in deze notitie worden de belangrijkste aspecten die betrekking hebben op de toegevoegde activiteiten die strijdig zijn met het bestemmingsplan beschreven.

Meerwaardecreatie (artikel 3.8)

Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Zoals in de inleiding is beschreven heeft de beoogde ontwikkeling een meerwaarde voor het bedrijf door afvalstoffen, in de vorm van puin en groenafval, weer nuttig toe te kunnen passen door het eigen bedrijf. Hierdoor zijn de ketens kleiner en wordt het aantal transportkilometers verkleind. Door het puin op de eigen locatie te breken is er weliswaar sprake van een tijdelijke hinder van de puinbreker maar het aantal transportkilometer van vrachtwagen van- en naar het bedrijf zal afnemen doordat de eigen vrachtwagens direct bij vertrek niet leeg hoeven te vertrekken en de dichtheid van gebroken puin groter is wat in minder transportbewegingen voor dezelfde hoeveelheid puin benodigd is. Ook omtrent Bokashi is er sprake van meerwaarde voor het bedrijf (geen aparte aanvoer van compost/potgrond) en hergebruik van vrijgekomen groenafval. Daarnaast wordt in diverse onderzoeken gesteld dat Bokashi ook een meerwaarde heeft voor het bodemleven en de planten.

Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9)

11 van 28

Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Binnen de gemeente Oisterwijk zijn de werkafspraken voor kwaliteitsverbetering voor de regio Hart van Brabant van toepassing. In deze werkafspraken zijn verschillende ontwikkelingen onderverdeeld in 3 categorieën. Onderstaande afbeelding geeft een samenvatting weer van verschillende ontwikkelingen en de bijbehorende categorie.

De beoogde ontwikkeling maakt extra activiteiten mogelijk binnen het bestaande bedrijf. Zoals eerder beschreven zijn de activiteiten ondergeschikt aan de reguliere bedrijfsvoering maar niet rechtstreeks passend binnen het bestemmingsplan. De effecten van de activiteiten naar de omgeving zijn gering (puinbreken maar 6x per jaar, shredderen 4x per jaar, Bokashi geen extra hinder, zie verderop). Daarnaast heeft de ontwikkeling geen toename in bebouwing tot gevolg. Om deze redenen kan worden aangenomen dat de inbreuk op het landschap zeer beperkt is. Dit betekent dat de ontwikkeling kan worden aangemerkt als een categorie-1 ontwikkeling. Voor deze ontwikkelingen is er geen extra kwaliteitsverbetering benodigd conform de werkafspraken.

3.1.2. Ontwikkeling van niet agrarische functies (paragraaf 3.6.7)

Voor ontwikkelingen van bestaande niet-agrarische functies in het (gemengd) landelijk gebied zijn in de Iov regels opgenomen in artikel 3.71. Hierin is opgenomen dat primair de bestaande planologische gebruiksactiviteit in een plan moet worden vastgelegd maar dan ook een redelijke uitbreiding van een bedrijf mogelijk is als dit past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied. Conform de definitie ‘uitbreiding’ in de verordening dient er dan sprake te zijn van vergroting van een bestaand bouwperceel of bestemmingsvlak, hier is in deze situatie geen sprake van. Voor het toevoegen van een extra activiteit als ‘nevenfunctie’ bij het bestaande, planologisch vastgelegde, bedrijf zijn in de verordening geen regels opgenomen. Dit betekent dat de provincie hier geen provinciaal belang in ziet en de ontwikkeling doorgang kan vinden, mits passend binnen het gemeentelijk beleid en de milieukundige aspecten niet belemmerend zijn.

12 van 28

3.2. Omgevingsvisie Oisterwijk Op 6 januari 2017 is de Omgevingsvisie van de gemeente Oisterwijk in werking getreden. In deze visie wordt het ruimtelijke beleidskader voor ruimtelijke plannen binnen het grondgebied van de gemeente vormgegeven. De visie wordt onderverdeeld in verschillende thema’s, waarden en ambities. Daarnaast maakt ook een kaart onderdeel uit van de visie. Op deze kaart is de locatie aan de Heuvelstraat 9 is gelegen binnen het gebied ‘Molenakkers’. De Heuvelstraat is, samen met de Vinkenberg, de belangrijkste weg in dit gebied. De locatie is tevens gelegen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Vinkenberg’. Voor deze bebouwingconcentratie wordt in de omgevingsvisie verwezen naar de ‘visie Bebouwingsconcentratie Buitengebied’. Voor ontwikkelingen bij niet-agrarische bedrijven is opgenomen dat deze bedrijven geen uitbreidingsruimte meer krijgen. Er worden geen beperkingen opgenomen voor verandering van functies op de bestaande locaties. Deze functies zijn mogelijk mits zij het woongenot ter plaatse van woningen in de omgeving niet hinderen. Het bestaande bedrijf kan worden aangemerkt als een agrarisch verwant bedrijf. Met de gevraagde ontwikkeling is er geen sprake van meer uitbreidingsruimte, enkel voor het toevoegen van enkele nevenfuncties bij het bestaande bedrijf.

De nevenfuncties die met deze omgevingsvergunning worden toegestaan hebben een zeer beperkte invloed op de omgeving omdat deze activiteiten maar enkele keren per jaar plaatsvinden en de hinder naar de omgeving beperkt is (zie verderop deze notitie). 3.3. Bestemmingsplan Zoals in de inleiding is beschreven is de locatie in het vigerende bestemmingsplan bestemd als ‘Bedrijf’. Volgens de bestemmingsomschrijving zijn ter plaatse enkel een hovenier en een aannemersbedrijf is toegestaan. Binnen het bestemmingsplan zijn er geen afwijkingsbevoegdheden opgenomen om andere vormen van bedrijvigheid toe te staan. Ook ondergeschikte bedrijfsactiviteiten kunnen niet worden toegelaten. Wel is er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om andere bedrijfsvormen toe te staan. Een voorwaarde hieraan is wel dat de bedrijven geen hogere milieucategorie mogen hebben dan categorie 2. Daarnaast mag de ontwikkeling niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiken ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. Volgens de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering 2019’ zijn bedrijven die zich specialiseren in het breken van puin met een verwerkingscapaciteit tot 100.000 ton per jaar aan te merken als bedrijf met milieucategorie 4.2. Dit vanwege het aspect geluid bij het dagelijks in werking zijn van een puinbreker.

In onderhavige situatie is er sprake van een nevenactiviteit in de vorm van puinbreken die maximaal 6x per jaar zal plaatsvinden. Deze activiteit is dan ook niet te vergelijken met een regulier bedrijf gericht op het verwerken van puin waardoor de milieucategorie 4.2 niet passend is bij de aangevraagde nevenactiviteit. Als onderdeel van de vergunning is een akoestisch onderzoek opgesteld waarbij de geluidsuitstraling van de reguliere bedrijfsvoering én van de puinbreek-activiteiten is onderzocht. Voor wat betreft de productie van Bokashi is in de handreiking geen specifieke milieucategorie opgenomen. Wel zijn er bedrijfsvormen opgenomen die betrekking hebben composteerbedrijven. Compostering is een ander proces wat niet te vergelijken is met het produceren van Bokashi. Bij compostering wordt het product regelmatig omgezet terwijl de productie van Bokashi gebeurd onder luchtdichte omstandigheden (onder plastic). Dit heeft tot gevolg dat de hinderaspecten, zoals geur en geluid, veel lager zijn dan tijdens de productie van compost. Daarnaast geldt ook hier dat de doorzet van het proces veel lager is dan gespecialiseerde composteringsbedrijven. Omdat er aan deze nevenactiviteiten bij het bestaande bedrijf geen specifieke milieucategorie te koppelen is kan geen gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid.

Middels verlening van deze vergunningsaanvraag kunnen de activiteiten toch worden toegestaan.

13 van 28

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Voor de beoogde bedrijfsopzet is deze aanvraag omgevingsvergunning, met o.a. de activiteit projectafwijkingsbesluit, ingediend. Een omgevingsvergunning wordt in het kader van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als een project. In hetzelfde besluit staat vervolgens beschreven wanneer een project onder de m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht valt. De wijziging van de inrichting is m.e.r.-beoordelingsplichtig op grond van Besluit m.e.r. categorie D.18.1 (uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval met een capaciteit van 50 ton per dag of meer). De beoogde ontwikkeling ziet niet op verwijdering van afval met meer dan 50 ton per dag.

Onder de grenswaarden dient echter een ‘vormvrije’ MER-beoordeling plaats te vinden. Deze beoordeling heeft plaatsgevonden voorafgaand aan deze aanvraag om omgevingsvergunning. Het besluit, dat er geen reden is voor het opstellen van een milieueffectrapport, is op 3 juni 2019 genomen. Dit besluit is aan de aanvraag toegevoegd. 4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: ▪ Beschrijving waterrelevant beleid; ▪ Bestaande waterhuishoudkundige situatie; ▪ Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; Een betere waterveiligheid door preventie; Koppeling van waterberging en droogtebestrijding.

14 van 28

Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de planlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. Waterschap Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de planlocatie. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. ▪ Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); ▪ Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is.

Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; ▪ Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; ▪ Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; ▪ Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger.

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap De Dommel.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Nabij de spuitplaats is een olie- en benzineafscheider aanwezig om te voorkomen dat er ernstige verontreinigingen in het gemeentelijk riool terecht komen. Het hemelwater wat terecht komt op het buitenterrein en bebouwing wordt zo veel mogelijk opgevangen op het eigen terrein. Zoals weergegeven op de plattegrondtekening, toegevoegd aan de aanvraag, zijn er opvangkelders en waterbufferende fundering aanwezig waar in totaal 233 m 3 hemelwater kan worden opgevangen zodat het ter plaatse kan infiltreren in de bodem. Deze voorziening is aangelegd na uitbreiding van het bedrijf ca 6 jaar geleden. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden nog geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geïnfiltreerd.

15 van 28

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In het kader van deze vergunningsaanvraag wordt ook gevraagd om andere afvalstoffen tijdelijk op te slaan. Voor de opslag van deze stoffen worden, waar nodig, vloeistofdichte vloeren aangelegd om te voorkomen dat er verontreinigingen in de bodem terecht kunnen komen. Het verontreinigd hemelwater wat terecht komt op deze voorzieningen zal niet worden geïnfiltreerd in de bodem maar afzonderlijk worden afgevoerd. Voor het overige vinden er geen veranderingen plaats die effect kunnen hebben op de waterhuishouding. De overige afvalwaterstromen blijven ongewijzigd. Op het bedrijf zijn reeds maatregelen getroffen om het hemelwater zo veel mogelijk op eigen locatie te kunnen infiltreren. Een gedeelte van de erfverharding is gerealiseerd als waterdoorlatende verharding en onder de verharding zijn infiltratievoorzieningen gerealiseerd. In deze voorziening wordt het niet-verontreinigde hemelwater afkomstig van het bedrijf opgevangen en geïnfiltreerd in de bodem. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: ▪ Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; ▪ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; ▪ Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ▪ Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; ▪ Alle Natura 2000-gebieden. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones.

Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. Conform de kaart van de Iov is binnen de planlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding x.

16 van 28

afbeelding 5: Uitsnede kaart Iov, Natuur Netwerk Brabant

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kampina en Oisterwijkse vennen, dat op een afstand van circa 2,1 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan mogelijk negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten

17 van 28

kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond of er in de beoogde bedrijfssituatie sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Indien er sprake is van depositie dient nader onderzocht te worden of deze depositie toeneemt ten opzichte van de geldende referentiedata. Voor de beoogde bedrijfsopzet is, middels het rekenprogramma AERIUS-calculator, een berekening gemaakt. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn opgenomen in het milieudeel van deze aanvraag. De uitgevoerde berekening is eveneens bijgevoegd aan de aanvraag. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie in de beoogde situatie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan.

Overige storingsfactoren

Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: ▪ Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); ▪ Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); ▪ Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden.

18 van 28

Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. De aangevraagde wijziging op bedrijfslocatie heeft met name betrekking op nieuwe activiteiten. Deze activiteiten vinden echter plaats binnen het bestaande ruimtebeslag op het terrein. Er is geen sprake van uitbreiding of nieuwbouw van gebouwen. De gevraagde afwijking van het bestemmingsplan ziet enkel op het toestaan van breken van puin en produceren van Bokashi. Gelet op de aard van het initiatief is er geen verstoring van flora en fauna te Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4.

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan het toestaan van de beoogde activiteiten moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie onderstaande afbeelding. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.

afbeelding 6: Uitsnede kaart cultuurhistorische waarden Iov

19 van 28

4.4.2. Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het vigerende bestemmingsplan is er ter plaatse een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ opgenomen. Met deze dubbelbestemming zijn de eventuele archeologische waarden beschermd. De beoogde ontwikkeling aan de Heuvelstraat heeft geen betrekking op verstoring van de gronden. De activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ heeft ook enkel betrekking op het toestaan van nevenactiviteiten in de vorm van breken van puin en produceren van Bokashi. Met de ontwikkeling worden de archeologische waarden niet geschaad. 4.5. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren.

Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. De aangevraagde activiteiten hebben geen betrekking op nieuwe gevoelige functies. In het kader van de activiteit milieu zijn er maatregelen beschreven die worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te beschermen. Verder onderzoek wordt in het kader van deze afwijking niet noodzakelijk geacht. 4.6. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: ▪ Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; ▪ Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: ▪ Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. ▪ Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). Er is geen duidelijke scheidslijn te trekken of een locatie is gelegen in gemengd gebied of in, in dit geval, rustig buitengebied.

Vanwege de lintbebouwing in het buitengebied met de aanwezigheid van bedrijvigheid, de aanwezigheid van de A58 op 500 meter en het feit dat de Heuvelstraat een doorgaande weg tussen twee kernen is, kan de locatie als gemengd gebied worden aangemerkt. Anderzijds is er ook sprake van veel burgerwoningen in de directe omgeving waardoor de omgeving

20 van 28

weer kan worden gekwalificeerd als een rustig buitengebied. Voor de zekerheid is in deze paragraaf rekening gehouden met een ontwikkeling in een rustig buitengebied. De huidige bedrijfsactiviteiten zijn volgens de handreiking te classificeren als een bedrijf met milieutype 3.1 (hoveniersbedrijf: b.o. >500 m2) en 3.2 (bouwbedrijf: b.o. > 2000 m2). Voor deze toegestane bedrijfsactiviteiten bedraagt de richtafstand 100 meter. Het belangrijkste milieuaspect volgens de handreiking is het aspect geluid. Er zijn reeds verschillende woningen van derden binnen deze richtafstand gelegen. De volgende woningen zijn reeds binnen deze richtafstand aanwezig (gemeten vanaf rand bestemmingsvlak: - Sebrechtsedijk 2 - Heuvelstraat 7 - Heuvelstraat 11 - Heuvelstraat 13 - Heuvelstraat 4a - Heuvelstraat 4b - Heuvelstraat 6 - Heuvelstraat 6a - Heuvelstraat 8 Voor de nevenactiviteiten breken van puin en produceren van Bokashi zijn er in de handreiking geen specifieke milieucategorieën opgenomen. In de aangevraagde situatie vindt het breken van puin en produceren van Bokashi maar enkele dagen per jaar plaats. Wel is de milieucategorie ‘puinbrekerij en -malerij’ opgenomen in de handleiding. Afhankelijk van de verwerkingscapaciteit behoort een dergelijk bedrijf tot milieucategorie 4.2 of 5.2. Voor kleine puinbrekerijen bedragen de richtafstanden 30 (geur), 100 (stof), 300 (geluid) en 10 meter (gevaar).

Gemeten vanaf de locatie waar de puinbreekactiviteiten plaatsvinden wordt voldaan aan deze richtwaarden met uitzondering van het aspect geluid en stof. Voor het aspect geluid is een akoestisch onderzoek opgesteld om de geluidsuitstraling van de gehele bedrijfssituatie in beeld te brengen. Hierbij is als incidentele situatie de activiteiten rondom het breken van puin opgenomen. De geluidsbelasting als gevolg van deze activiteit kan, omdat het een incidentele situatie betreft, als acceptabel worden beschouwd. In paragraaf 4.9 is een nadere uitgebreide toelichting opgenomen met betrekking tot het aspect geluid. Met betrekking tot de stofhinder worden er tijdens het breken van puin maatregelen getroffen om de emissie te beperken (zie 4.8). Ook voor het produceren van Bokashi is in de handreiking geen specifieke categorie gekoppeld. Dit komt omdat het een nieuwe techniek is dat met geen andere activiteit is te vergelijken. De best beschikbare vergelijking is met een afval-inzameldepot. Dit omdat voor de productie van Bokashi afval wordt ingenomen (groenafval) en er sprake is van handelingen met dit afval. Ook de vervoersbewegingen ten behoeve van deze activiteit zijn te vergelijken met een afval-inzameldepot. De richtafstand van dit type bedrijf bedraagt maximaal 50 meter voor het aspect geluid.

De productie van Bokashi is als een aparte situatie opgenomen in het akoestisch onderzoek. Ook hierbij wordt geconcludeerd dat de geluidsproductie van het verwerken van groenafval ten behoeve van Bokashi (wat het meeste geluid produceert) aanvaardbaar is. Een nadere beschrijving van de verschillende milieuaspecten zoals opgenomen in de handreiking is opgenomen in navolgende paragraven. 4.7. Geur Bij de productie van compost is er, in het algemeen, ook sprake van enige geurproductie wat mogelijk kan leiden tot overlast in de omgeving. Op het bedrijf wordt met de nevenactiviteiten geen compost geproduceerd. Omdat de productie van Bokashi ook betrekking heeft op het verwerken van groenafval wordt het aspect geur wel in deze notitie betrokken. Geuroverlast tijdens het composteren van groenafval vindt vooral plaats op momenten dat de productiehopen worden omgezet. Dit is bij de productie van Bokashi niet het geval. Het productieproces bestaat uit het opzetten van het geshredderde groenafval waar de hulpstoffen worden toegevoegd. Dit product wordt onder plastic afgedekt en daarna vindt het proces anaeroob plaats. Dit betekent ook dat tijdens het product geen sprake is van emissies naar de lucht en dus ook geen geurverspreiding.

21 van 28

Nadat het product gereed is blijft deze afgedekt opgeslagen. Wanneer er Bokashi wordt weggenomen wordt tijdelijk het plastic aan de voorzijde weggehaald waarna het met een loader kan worden geladen en per as wordt afgevoerd naar derden. Nadien wordt het plastic teruggelegd om uitspoeling door regenwater te voorkomen. Hiermee wordt dan ook de verspreiding van geur voorkomen. 4.8. Luchtkwaliteit Stofemissies naar de omgeving kunnen voorkomen tijdens het breken van puin of het shredderen van groenafval. Zeker als het groenafval uit droog snoeiafval of stronken bestaat kan er bij dit proces sprake zijn van stofemissies. Om de emissies naar de omgeving te beperken worden op het bedrijf reguliere voorzieningen getroffen zoals het bevochtigen van het puin voor en na het breken (benevelen) en het plaatsen van de installatie op grotere afstand van de woningen in de omgeving. Met deze maatregelen wordt voorkomen dat er sprake is van stofemissie naar buiten de inrichting en is geen overlast ter plaatse van de woningen in de omgeving te verwachten. Ook met de verkeersbewegingen is er sprake van enige emissie van fijnstof en stikstofoxiden. In de activiteit milieu, behorende bij deze aanvraag, is een nadere toelichting opgenomen op de emissies van de verkeersbewegingen. Hierbij is geconcludeerd dat de bedrijfsvoering Niet-In-Betekende-Mate bijdraagt aan de concentratie in de omgeving.

Ook is in die toelichting nader ingegaan op de huidige situatie met betrekking tot luchtkwaliteit. Gelet op de lage achtergrondconcentratie en beperkte bijdrage van het bedrijf kan de luchtkwaliteit in de omgeving, in de beoogde situatie, als aanvaardbaar worden beschouwd. 4.9. Geluid Voor verschillende bedrijfsvormen zijn in de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering 2019’ richtafstanden opgenomen voor het aspect geluid. Wanneer bij een bedrijfsvorm woningen van derden buiten deze richtafstand zijn gelegen is het voldoende aannemelijk dat de bedrijfsvorm planologisch kan worden toegelaten. De ontwikkeling levert dan geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Zoals eerder is beschreven veroorzaken de activiteiten op basis van richtafstanden bij specifieke bedrijfstypen overlast voor het aspect geluid. Om toch te kunnen beoordelen of de gevraagde nevenactiviteiten negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat is een akoestisch onderzoek opgesteld. Dit akoestisch onderzoek maakt onderdeel uit van onderhavige aanvraag waar ook de activiteit milieu toe behoort. In de milieuwetgeving zijn geluidsnormen van toepassing voor de reguliere bedrijfssituatie. Voor de locatie aan de Heuvelstraat zijn deze normen opgenomen in de gemeentelijke ‘Nota industrielawaai’. Hierin zijn verschillende normen opgenomen voor de dag-, avond- en nachtperiode.

In incidentele situaties kan het bevoegd gezag afwijkende normen vaststellen. Dit is toegestaan voor maximaal 12 dagen per jaar. Door het bevoegd gezag worden normen in de vergunning opgenomen voor deze tijdelijke hogere geluidsniveau’s. Bij de aangevraagde nevenactiviteiten is er sprake van enkele dagen per jaar dat er sprake is van een verhoogde geluidsproductie. Het geluid afkomstig van de puinbreker (6x per jaar) en shredder (4x per jaar) kunnen dan ook als een incidentele bedrijfssituatie worden beschouwd waardoor tijdelijk een hoger geluidsniveau als acceptabel kan worden beschouwd. Dit is ook zo opgenomen in het akoestisch onderzoek dat onderdeel is van deze aanvraag. Tijdens de productie van Bokashi is er geen sprake van extra geluid vanuit het bedrijf. Wanneer het product gereed is wordt deze met een loader geladen op een transportmiddel, deze activiteit is te vergelijken met het verladen van zand/grond zoals dit behoort tot de reeds toegestane bedrijfsactiviteiten. Tijdens de incidentele bedrijfssituatie bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau maximaal 55 dB(A) in de dagperiode op de dichtstbijzijnde woning (Heuvelstraat 11). Bij de geluidsbronnen die hiervoor relevant zijn worden op het terrein reeds maatregelen genomen door de plaatsing van deze installaties achter een keerwand waardoor het geluidsbelasting wordt verminderd.

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de maximale geluidsbelasting van de incidentele activiteiten (bij enkele woningen zijn meerdere toetspunten opgenomen). De activiteiten zullen niet gelijktijdig plaatsvinden.

22 van 28

Tabel 1: Rekenresultaten incidentele situaties uit akoestisch onderzoek Adres Berekende geluidsbelasting puinbreken Heuvelstraat 7 (1) 38 Heuvelstraat 7 (2) 43 Heuvelstraat 7 (3) 50 Heuvelstraat 11 (1) 47 Heuvelstraat 11 (2) 50 Heuvelstraat 11 (3) 34 Heuvelstraat 13 39 Heuvelstraat 8 36 Heuvelstraat 6/6a 48 Heuvelstraat 4a 42 Heuveldwarsstraat 11 47 Sebrechtsedijk 2 49

Berekende geluidsbelasting versnipperen 37 43 48 55 53 38 38 34 46 40 43 46

Gelet op het tijdelijke karakter van de verhoogde geluidsproductie, dat de productie enkel op werkdagen in de dagperiode plaatsvindt en de maatregelen die op het bedrijf worden getroffen kan worden aangenomen dat de nevenactiviteiten geen negatief effect hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen in de omgeving. Met de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van realisatie van een nieuw geluidsgevoelig object. Bedrijven in de omgeving worden dan ook niet verder nadelig beïnvloed door de beoogde ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Wet geluidshinder is derhalve niet noodzakelijk. 4.10. Verkeer en parkeren Binnen de planlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. De aangevraagde activiteit is grotendeels passend binnen het vigerende bestemmingsplan. Enkel voor de nevenactiviteiten is een afwijking van het bestemmingsplan benodigd. Deze nevenactiviteiten hebben echter geen effect op de verkeersafwikkeling en parkeervoorzieningen voor het aannemingsbedrijf. Met de nevenactiviteiten zullen er geen extra vervoersbewegingen plaatsvinden.

Zonder deze activiteiten zou er enkel sprake zijn van op- en overslag van de ingenomen producten waarbij er mogelijk zelfs meer transportbewegingen zouden plaatsvinden omdat het volume van de stoffen wordt verkleind met de nevenactiviteit. De locatie is gelegen aan de Heuvelstraat. Dit is een verharde weg met een goede ontsluiting richting de A58, via de Vinkenberg. Er wordt geen verkeershinder verwacht door verlening van de omgevingsvergunning. Voor het personeel en bezoekers zijn er op het eigen terrein voldoende parkeervoorzieningen aanwezig. Op de milieutekening, behorende bij deze aanvraag, zijn de parkeervoorzieningen weergegeven. De beoogde ontwikkeling vormt dus geen belemmering voor wat betreft de aspecten verkeer en parkeren. 4.11. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11313303/2