CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

22-72 Buitenplanse afwijkingsprocedure Landgoed t Lot - Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing

RAAD 21 april 2022, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 22-72 Buitenplanse afwijkingsprocedure Landgoed 't Lot11.836 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Creatief met leefomgeving Sterk in omgevingsrecht

Ruimtelijke onderbouwing Buitenplanse afwijkingsprocedure bestemmingsplan “Buitengebied Moergestel; Partiele herziening Landgoed ’t Lot camping de Boskant” Gemeente Oisterwijk

www.burogkracht.nl

Almystraat 14 | 5061 PA Oisterwijk | 06 232 74 307 | info@burogkracht.nl | burogkracht.nl

21 januari 2021

2

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

INHOUDSOPGAVE

1

HOOFDSTUK 1

INLEIDING

1.1 1.2 1.3

AANLEIDING LIGGING PLANGEBIED LEESWIJZER

HOOFDSTUK 2 2.1 2.2

HUIDIGE (PLANOLOGISCHE) SITUATIE BEOOGDE ONTWIKKELING

HOOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3

PROJECTBESCHRIJVING

BELEIDSKADER

RIJKSBELEID PROVINCIAAL BELEID GEMEENTELIJK BELEID

HOOFDSTUK 4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

5 5 5 6

7 7 7

11 11 12 17

19

4.1 INLEIDING 4.2 PARKEREN, ONTSLUITING EN VERKEERSGENERATIE 4.3 WATER 4.4 NATUUR 4.5 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 4.6 MILIEUZONERING, GEUR EN SPUITZONES 4.7 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R. BEOORDELING 4.8 GELUID 4.9 LUCHTKWALITEIT 4.10 BODEMKWALITEIT 4.11 EXTERNE VEILIGHEID 4.12 TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR 4.13 GEZONDHEID

19 19 20 22 23 24 27 27 28 30 30 32 32

HOOFDSTUK 5

34

5.1

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

OMGEVINGSVERGUNNING

34

HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID

35

6.1 6.2 6.3

35 35 35

FINANCIËLE HAALBAARHEID MAATSCHAPPELIJKE HAALBAARHEID OMGEVINGSDIALOOG

BIJLAGEN

36

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

3

4

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Aan de Zandstraat in Moergestel is Landgoed ’t Lot in ontwikkeling. Reeds vanaf 2001 zijn de eerste plannen ontwikkeld en uiteindelijk in 2008 is het bestemmingsplan vastgesteld, te weten het bestemmingsplan “Buitengebied Moergestel; Partiele herziening Landgoed ’t Lot camping de Boskant”. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van 4 landhuiswoningen mogelijk in combinatie met landgoed- en natuurontwikkeling conform het destijds geldende provinciale landgoederenbeleid. Het landgoed heeft een oppervlakte van ruim 26 hectares. Ten behoeve van de landgoederenwoningen is circa 10 hectare nieuwe natuur aangelegd. De resterende natuuraanleg met een omvang van circa 3,83 hectare was benodigd ter compensatie van de uitbreiding van Camping De Boskant. Drie van de woningen zijn gepositioneerd rond een gezamenlijke tuin. Dit zijn de hoofdwoning, en de twee nevenwoningen. Richting de Zandstraat neemt de vierde woning, (de rentmeesterswoning) een zelfstandige positie in. Voor de bouw van de woningen geldt onder andere dat de hoofdwoning een inhoud moet hebben tussen 1.500 m3 en 2.500 m3. Voor de nevenwoningen is dat elk minimaal 1.250 m3 en maximaal 2.000 m3. De rentmeesterswoning dient een inhoud te hebben tussen 800 m3 en 1.500 m3. Voor de rentmeesterswoning en de twee nevenwoningen wordt invulling gegeven aan de actuele bouwregels uit het bestemmingsplan.

Ook is de geplande natuur inmiddels gerealiseerd. Voor de hoofdwoning blijkt de eis voor de minimale inhoudsmaten, zoals bepaald in het bestemmingsplan, te hoog te zijn. Om die reden bestaat de behoefte om het toegestane volume te verdelen over twee woonfuncties binnen één woongebouw en de minimale inhoudsmaat te verlagen tot 750 m3. Het actuele provinciaal beleid staat het tegenwoordig toe om per 750 m3 woongebouw maximaal één woonfunctie toe te staan. Dat was bij de vaststelling van het bestemmingsplan nog niet aan de orde. Hierdoor is het nu mogelijk om binnen het reeds bestemde woongebouw twee woonfuncties toe te staan. Op 23 februari 2021 heeft het college van de gemeente Oisterwijk besloten om in principe mee te werken aan het principeverzoek van 30 september 2020 voor het toestaan van twee woonfuncties in één woongebouw. Om het toegestane volume ter plaatse van de hoofdwoning te verdelen over twee woningen is een buitenplanse afwijking nodig. Met de omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1, sub a onder 3 Wabo) is het mogelijk om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan. Een buitenplanse afwijking wordt onder andere getoetst aan het actuele ruimtelijk beleid, een goede ruimtelijke ordening/ zorgvuldige belangenafweging (Awb) en (milieu)wetgeving. Ter motivatie dat hieraan wordt voldaan, dient deze ruimtelijke onderbouwing.

1.2

Ligging plangebied

Het projectgebied ligt ter plaatse van het bestaande aanduidingsvlak en bouwgrens voor de hoofdwoning zoals aangeduid in het bestemmingsplan Landgoed Lot/ Camping de Boskant Oisterwijk aan de Zandstraat in Moergestel. De volgende luchtfoto toont de ligging van de projectlocatie.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5

Situering van het projectgebied in rood aan de Zandstraat (bron: kadastralekaart.com)

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van het project. Hoofdstuk 3 is een opsomming van de planologische beleidskaders bestaande rijksbeleid, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 gaat in op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 is de juridische planbeschrijving opgenomen. Hoofdstuk 6 beschrijft de uitvoerbaarheid (financieel en maatschappelijk) van het project.

6

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving In dit hoofdstuk wordt zowel het gebied waar de ontwikkeling plaats gaat vinden als het project zelf beschreven.

2.1

Huidige (planologische) situatie

De bouw van het woongebouw met daarin twee woningen vindt plaats ter plaatse van het Landgoed t’ Lot en binnen het bouwvlak voor de hoofdwoning. Voor de realisatie van het landgoed is de aanleg van natuur reeds gerealiseerd en is de bouw van de rentmeesterswoning reeds gestart. Voor beide nevenwoningen zijn bouwplannen in voorbereiding. De volgende afbeelding is een uitsnede uit de verbeelding van het bestemmingsplan. Met rood is het aanduidingsvlak en bouwgrens voor het woongebouw van de hoofdwoning (HW) aangeduid.

Uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan (bron ruimtelijkeplannen.nl) In de regels van het bestemmingsplan is onder andere bepaald dat per bouwvlak ten hoogste één woning is toegestaan (artikel 6.4, lid a). Met ‘woning’ wordt bedoeld ‘een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden’ (artikel 2.57). Ook is bepaald dat de inhoud van de woning inclusief aangebouwde bijgebouwen niet minder dan 1.500 m3 en niet meer dan 2.500 m3 is toegestaan (artikel 6.4, lid b). Het bouwplan voldoet niet aan deze twee bepalingen uit het bestemmingsplan.

2.2

Beoogde ontwikkeling

De beoogde ontwikkeling voorziet in het toestaan van twee woonfuncties binnen het woongebouw ter plaatse van het bouwvlak/ aanduiding voor de hoofdwoning (HW). Hierbij wordt het aantal woningen dus vergroot naar twee en de minimale inhoudsmaat verkleind van 1.500 m3 naar 750 m3 per woning. Beide woningen samen hebben een inhoudsmaat van niet meer dan 2.500 m3, waardoor de ruimtelijke effecten van het toestaan van niet één maar twee woningen op de omgeving ten opzichte van wat het bestemmingsplan reeds toestaat niet wijzigt.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

7

Inpassing van het woongebouw in het landgoed. Bron: Drijvers Architectuur. Om ervoor te zorgen dat met het toestaan van twee woonfuncties sprake is van een woongebouw van allure is een aantal architectonische middelen ingezet. Deze laten zich als volgt beschrijven; Gebaseerd op de mix van allure, complexiteit en groene inpassing van oude Engelse landhuizen is een concept ontstaan van een in de breedte opgerekt samengesteld volume. Hierbij is er duidelijk sprake van 1 woongebouw door de eenduidige architectuur en materialisering en bovenal door het van links tot rechts doorlopende dak. Het woongebouw heeft door zijn complexiteit en lengte een karakteristieke verschijningsvorm van allure. Het wijkt door zijn vanaf de centrale cour zeer in het oog lopende afmetingen en totale inhoud van ongeveer 2500 m3 in grote mate af van reguliere bebouwing. Door het doorlopende en alles verbindende dakvlak vormen de twee woningen samen een duidelijke eenheid. Door de grote breedte profileert het gebouw zich als voornaamste gebouw aan de centrale cour, het ensemble heeft daarbij door zijn complexiteit een onderscheidende uitstraling op zijn omgeving. De onderdoorgang zorgt daarbij voor nog een extra verrassende doorblik en tevens voor de verbinding met het achterliggende landschap.

De natuurlijke materialisering, lage goothoogten en uiteraard het doorzicht dragen bij aan een goede inpassing in het rondom de woningen relatief open landschap.

8

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Dakaanzicht van het nieuwe woongebouw. Bron: Drijvers Architectuur. Het woongebouw voldoet aan het begrip woongebouw uit het bouwbesluit doordat in het bouwplan voorzien is in een gezamenlijk deel. Zo is er sprake van één gezamenlijke technische ruimte en is sprake van een voorportaal met gemeenschappelijke verkeersroute. Voor de materialisering van het woongebouw wordt aangesloten op het beeldkwaliteitplan dat ook voor alle andere woongebouwen binnen het landgoed geldt. Op die manier vindt afstemming plaats met de andere reeds vergunde woongebouwen. De volgende afbeeldingen tonen de hoofdopzet van het woongebouw met twee woonfuncties.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

9

Illustraties opzet twee woonfuncties in één woongebouw. Bron: Drijvers Architectuur. Het woongebouw met de twee woonfuncties zal onderdeel gaan worden van een nieuw landschap van het landgoed. De reeds aangelegde natuur betreft vooral arm grasland. Juist deze soberheid en de weidsheid is een kwaliteit. De woningen gaan hierop inspelen door de vergezichten vanuit de woningen beleefbaar te houden. Slechts op de privacygevoelige erfscheidingen zullen hagen/struiken geplant worden. De natuur en het omringende landschap is planologisch verankerd in het vigerend bestemmingsplan en inrichtingsplan. Het beoogde bouwplan voor het woongebouw past daarbinnen.

10

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 3 Beleidskader De beleidscontext voor het plangebied en de beoogde ontwikkeling wordt gevormd door landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid samengevat.

3.1

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeentes krijgen meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals verbetering van de bereikbaarheid. Op 13 maart 2012 is de SVIR in werking getreden. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; • de bereikbaarheid verbeteren; • zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is tot nu toe gedeeltelijk vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, het Natuur Netwerk Nederland, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. De realisatie van twee in plaats van één nieuwe woonfuncties in één woongebouw ter plaatse van een bestaand bouwvlak binnen het reeds bestemde landgoed ’t Lot in Oisterwijk is een lokale aangelegenheid. Er zijn geen nationale belangen in het geding. In de SVIR worden geen uitspraken op dit schaalniveau gedaan. De ontwikkeling is daarom passend binnen het rijksbeleid. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen die nieuwe woningen mogelijk maken, de treden van deze ladder doorlopen moeten worden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro gaat in op duurzame verstedelijking en luidt als volgt: Lid 2.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt in het Bro de de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.”

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

11

Deze buitenplanse afwijking maakt het mogelijk om ter plaatse van een reeds bestemd woongebouw niet één maar twee nieuwe woonfuncties te realiseren. Het aantal woningen neemt hierdoor toe met één woning. Volgens jurisprudentie is de bestemming van “één nieuwe woning” niet te beschouwen als een woningbouwlocatie. Er is daarom geen sprake van een “stedelijke ontwikkeling”, zoals op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt verstaan. Toetsing aan de ladder zoals dat in lid 2 is bepaald, is daarom niet aan de orde. Dit neemt niet weg dat de behoefte aan de nieuwe ontwikkeling in het kader van de uitvoerbaarheid van het voorgenomen besluit wel moet worden onderbouwd. De gemeente Oisterwijk heeft haar woningbouwprogramma, dat een vertaling is van de actuele behoefte, in regionaal verband afgestemd. Er is hier sprake van een concreet bouwplan en daarmee van een concrete behoefte bij de huidige eigenaren. Er is dus sprake van een actuele behoefte waardoor geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen besluit uitvoerbaar wordt geacht.

3.2

Provinciaal beleid

Brabantse Omgevingsvisie Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft de Provincie Noord-Brabant reeds haar Omgevingsvisie opgesteld. De Omgevingswet heeft onder andere als doel om de overzichtelijkheid en het gebruiksgemak van het Omgevingsrecht te verbeteren. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. In de Brabantse Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). De basis is dat deze elementen in balans zijn en blijven bij ruimtelijke transities. Draagvlak en draagkracht zijn hierbij belangrijke aspecten. De Brabantse Omgevingsvisie bestaat uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 5 staat beschreven wat de kernwaarden zijn voor het handelen van de provincie. Hierin wordt onder andere verwoord dat de provincie gaat voor meerwaarde-creatie. Dit betekent dat uitdrukkelijk gekeken wordt naar de effecten van ontwikkelingen op sociale inclusiviteit, veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Verder geeft de provincie met de visie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant.

Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaat proof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgaven staan ten dienste van de basisopgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. De beoogde ontwikkeling betreft een goede bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit doordat beide woonfuncties, in één woongebouw als onderdeel van de eerder bestemde landgoedontwikkeling op een passende wijze landschappelijk zijn ingepast. Voor de realisatie van het landgoed is reeds nieuwe natuur gerealiseerd. Het toestaan van een tweede woonfunctie in het woongebouw maakt onderdeel uit van een ontwikkeling die als het gaat om het thema ‘Omgevingskwaliteit’ een aanzienlijke meerwaarde heeft gecreëerd in de vorm van aanleg van nieuwe natuur.

Bovendien is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat beide woonfuncties binnen bestaand ruimtebeslag, te weten een bestaand bouwvlak, gerealiseerd worden. De beoogde ontwikkeling past binnen de kernwaarden voor het handelen van de provincie. 12

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 juli 2022 in werking. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie. Er heeft voor de Interim omgevingsverordening geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moeten worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd.

In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. De Interim omgevingsverordening is digitaal. Dit betekent dat alle regels gekoppeld zijn aan een op een digitale kaart weergegeven werkingsgebied. Door op een willekeurig punt in de kaart te klikken, kan iemand zien welke regels op die plek gelden. In hoofdstuk 3 zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Hierin staan de regels die tot voor kort waren opgenomen in de Verordening ruimte. De instructieregels uit hoofdstuk 3 gelden niet alleen voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen en uitvoeringsbesluiten. Instructieregels voor het plangebied Voor het plangebied gelden de volgende instructieregels aan gemeente, gelet op de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en een veilig, gezonde leefomgeving: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Zorgvuldig ruimtegebruik Er is sprake van toevoeging van woonfunctie binnen bestaand bouwvlak/woongebouw binnen het reeds bestaande landgoed 't Lot.

Hierdoor vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaand ruimtebeslag en wordt voldaan aan principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Toepassing lagenbenadering In hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing is uitvoerig ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten. Conclusie is dat sprake is van een goede leefomgeving en dat de beoogde ontwikkeling (in lijn met de reeds aan het plangebied gegeven bestemmingen) past binnen de lagenstructuur van de omgeving. Meerwaardecreatie Fysieke verbetering van landschappelijke kwaliteit heeft zich in het verleden al voorgedaan. Er is sprake van een bestaand landgoed. In de ruil voor aanwijzing van landgoed en natuurontwikkeling is een aanmerkelijke kwaliteitsverbetering van het landschap bewerkstelligd. Deze kwaliteitsverbetering en de aanleg en instandhouding van natuur is planologisch verankerd in het vigerende bestemmingsplan.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

13

Op basis van kaart 6 voor gemeenten – basiskaart landelijk gebied is duidelijk dat het plangebied is gelegen in het “Landelijk gebied” met de aanduiding ‘Groenblauwe mantel’. Hiervoor geldt dat nieuwe woningen niet zijn toegestaan. Artikel 3.79 biedt een uitzondering als het gaat om de bestemming van nieuwe of bestaande landgoederen. Met de beoogde afwijking van de regels van het bestemmingsplan wordt geen nieuw landgoed bestemd maar wordt één extra woonfunctie in een reeds bestemd woongebouw toegestaan. Er dient getoetst te worden aan de regels die in artikel 3.79 gesteld zijn.

Landelijk gebied Groenblauwe mantel

Uitsnede IOV met kaartlaag Landelijk gebied en aanduiding Groenblauwe mantel. Artikel 3.79 Landgoederen Artikel 3.79 heeft het volgende bepaald; Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de ontwikkeling van een landgoed onder de volgende voorwaarden: a. de omvang bedraagt ten minste 10 hectare; b. het landgoed kan mede bestaande agrarische bedrijven, bestaande woningen en gronden binnen het Natuur Netwerk Brabant omvatten; c. de nieuwvestiging van één of meer woongebouwen is toegestaan als: 1. de woongebouwen een karakteristieke verschijningsvorm van allure hebben en de situering en omvang passen bij de aard en het karakter van het landgoed; 2. per 1500 m3 woongebouw ten minste 5 hectare landgoed wordt aangewezen, waarop ten minste 2,5 hectare nieuwe natuur wordt gerealiseerd; 3. per 750 m3 woongebouw maximaal één woonfunctie wordt toegelaten. d. de bebouwing op het landgoed wordt zoveel als mogelijk geconcentreerd, waarbij het oprichten van nieuwe bebouwing in het Natuur Netwerk Brabant is uitgesloten; e. in afwijking van het bepaalde onder c. is binnen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing de vestiging van een woonfunctie of splitsing in meerdere woonfuncties toegestaan als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing; f.

het bestemmingsplan kan voorzien in de vestiging van een (vollegronds)teeltbedrijf of een veehouderij die blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 GVE per hectare of minder; g. de nodige voorzieningen worden getroffen voor extensieve recreatie, waarbij feitelijk en juridisch is verzekerd dat deze voorzieningen openbaar toegankelijk zijn; h. de aanleg en duurzame instandhouding van het landgoed zijn verzekerd.

14

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Aan de verschillende regels bij lid 1 van artikel 3.79 uit de Interim Omgevingsverordening wordt om de volgende redenen voldaan; a. De totale oppervlakte van het landgoed bedraagt circa 26 hectares. De tweede woonfunctie in het reeds bestemde woongebouw maakt onderdeel uit van dit landgoed. Er wordt voldaan aan deze bepaling. b. Het landgoed omvat reeds bestemde woningen en gronden binnen het Natuur Netwerk Brabant. De projectlocatie zelf is niet gelegen binnen het Natuur Netwerk Brabant. c. Met het toestaan van een tweede woonfunctie in één reeds bestemd woongebouw is geen sprake van een nieuwvestiging van een woongebouw. Er dient wel voldaan te worden aan de bepalingen onder 1, 2 en 3. 1. Gelet op het wezenlijke kenmerk van een landgoed moet een woongebouw (al dan niet na nieuwbouw of verbouw) een karakteristieke verschijningsvorm van allure hebben. Met het begrip 'allure' wordt in essentie bedoeld dat de woonbebouwing van een aangewezen landgoed een geheel eigen verschijningsvorm heeft dat afwijkt van een reguliere woonbebouwing, ook al zou dit een groot landhuis betreffen (lid 1). In paragraaf 2.2 zijn de architectonische middelen beschreven die ervoor zorgen dat met het toestaan van twee woonfuncties sprake is van een woongebouw met allure. De gemeente Oisterwijk heeft beoordeeld dat voldaan wordt aan de voorwaarden.

Deze beoordeling is als bijlage aan de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. 2. Met het toestaan van een tweede woonfunctie in een reeds bestemd woongebouw wordt het aantal woongebouwen niet vergroot. Verder is er ook geen sprake van een toename van de totale inhoudsmaat aan woongebouwen binnen het landgoed. De hoofdwoning, beide nevenwoningen en de rentmeesterswoning vormen samen nog steeds vier woongebouwen. Op basis van de regels is maximaal 6.000 m3 aan woongebouwen toegestaan. Dit betekent dat (6.000/ 1.500)x 5 ha = 20 ha aan landgoed dient te worden gerealiseerd. Het landgoed heeft een oppervlakte van 26 hectares. Per 5 hectares aan landgoed dient 2,5 hectares aan nieuwe natuur te worden gerealiseerd. In totaal dient dus voor de vier woongebouwen (4 x 2,5 ha) 10 hectares aan nieuwe natuur te worden gerealiseerd. Binnen het landgoed is reeds circa 17,49 hectares aan nieuwe natuur gerealiseerd waarvan 10 hectares aan de woningen zijn toegeschreven. Aan deze voorwaarde is reeds voldaan. 3. Beide beoogde woonfuncties in het reeds bestemde woongebouw hebben een inhoud van elk meer dan 750 m3. Met de afwijking wordt voldaan aan deze voorwaarde. d. Het reeds bestemde woongebouw waar de tweede woonfunctie onderdeel van is, is gelegen rond een centrale tuin. De afwijking van de regels wijzigt deze opzet niet. De bebouwing is niet gelegen binnen het Natuur Netwerk Brabant.

In het vigerende bestemmingsplan is al geregeld dat de bebouwing zoveel als mogelijk is geconcentreerd en dat het oprichten van nieuwe bebouwing in het Natuur Netwerk Brabant is uitgesloten. e. Er is geen sprake van een woongebouw met cultuurhistorische waarde. Splitsing op basis van cultuurhistorische waarde is daarom niet mogelijk. Er wordt wel voldaan aan de actuele regels voor de realisatie voor landgoederen. f. Er is geen sprake van de vestiging van een (vollegronds)teeltbedrijf of een veehouderij. g. Binnen het landgoed is een wandelroute bestemd en reeds gerealiseerd. Hiermee is sprake van een extensieve recreatieve functie. Het landgoed is conform de eisen van de Natuurschoonwet opengesteld. Het toestaan van een tweede woonfunctie in een reeds bestemd woongebouw verandert dit niet. h. De aanleg van het landgoed inclusief de nieuwe natuur is reeds uitgevoerd. De instandhouding hiervan is vastgelegd. Het toestaan van een tweede woonfunctie in een reeds bestemd woongebouw verandert dit niet. Lid 2 De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een verantwoording waaruit blijkt dat de op grond van het eerste lid toegelaten ontwikkeling leidt tot een duurzame verrijking van de aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische en waterhuishoudkundige waarden en kenmerken.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

15

De toelichting van het bestemmingsplan "Buitengebied Moergestel; Partiele herziening Landgoed 't Lot camping de Boskant" bevat reeds een uitvoerige verantwoording waaruit blijkt dat de ontwikkeling van het landgoed heeft geleid tot een duurzame verrijking van de cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische en waterhuishoudkundige waarden en kenmerken. Er wordt dan ook verwezen naar dit bestemmingsplan. Met het toestaan van een tweede woonfunctie in een bestaand woongebouw van een bestaand, reeds bestemd landgoed wordt de reeds bestemde duurzame verrijking van (voormalige) aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke, ecologische en waterhuishoudkundige waarden en kenmerken niet gewijzigd. In hoofdstuk vier van het bestemmingsplan is deze verrijking beschreven. Lid 3 In geval er gronden binnen het landgoed liggen die behoren tot het werkingsgebied waarop paragraaf 3.2.3 Natuur Netwerk Brabant van toepassing is, is de verplichte realisering van nieuwe natuur, bedoeld in het eerste lid, mede mogelijk binnen nog niet gerealiseerde delen van het Natuur Netwerk Brabant. Ten behoeve van de landgoedontwikkeling is in het verleden reeds in totaal 23,49 hectare nieuwe natuur aangelegd, waarvan 17,49 hectare nieuwe natuur buiten EHS. Binnen het reeds bestemde landgoed zijn gronden gelegen die behoren tot het Natuur Netwerk Brabant.

Deze gronden zijn, door de ontwikkeling van het landgoed nieuw aangelegde natuur en behoorden daarvoor niet eerder tot het Natuur netwerk Brabant. Met het toestaan van een tweede nieuwe woonfunctie in een reeds bestaand woongebouw van een bestaand, reeds bestemd landgoed is de aanleg van nieuwe natuur niet meer nodig. Aan deze voorwaarde is reeds voldaan en het is niet nodig opnieuw nieuwe natuur te ontwikkelen binnen nog niet gerealiseerde delen van het Natuur Netwerk Brabant. Lid 4 Een bestemmingsplan kan een andere gebruiksactiviteit dan wonen toelaten binnen de in het tweede lid toegelaten bebouwing, als dit: a. ondergeschikt blijft aan de woonfunctie van het landgoed; b. past binnen de overige voorwaarden die elders in dit hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten zijn opgenomen. Met het toestaan van een tweede woonfunctie binnen een reeds bestemd woongebouw dat onderdeel is van een reeds bestemd landgoed is geen sprake van een andere gebruiksactiviteit dan wonen. Lid 5 Een Complex Van Cultuurhistorisch Belang, als bedoeld in artikel 3.31, kan niet worden aangewezen als landgoed bedoeld in dit artikel. Het reeds bestemde landgoed waartoe ook het woongebouw behoort waarbinnen een tweede woonfunctie wordt toegestaan is geen onderdeel van een complex van cultuurhistorisch belang.

Ten aanzien van de groenblauwe mantel heeft de Interim Omgevingsverordening in artikel 3.32 het volgende bepaald. Artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel:

16

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Lid 2 De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. De tweede woonfunctie in het reeds bestemde woongebouw is onderdeel van het reeds bestemde landgoed. Binnen het landgoed is nieuw landschap en nieuwe natuur aangelegd die onder andere tot doel had tot behoud, herstel en duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische en landschappelijke waarden. Een onderdeel hiervan was de aanleg van nieuwe natuur en de herinrichting van een deel van de Rosep en de aanleg van twee natuurplassen. De twee natuurplassen dienen voor de berging van hemelwater als gevolg van de toename van het verhard oppervlak. Bij de aanleg van de natuurplassen zijn de volgende eisen gesteld.

•

de natuurplassen maken geen onderdeel uit van het oppervlaktewatersysteem in verband met de situering van de natuurplassen in een attentiegebied. • de aanleg van de natuurplassen hebben geen verdrogend effect op de omgeving en het plangebied. Door het opnemen van een aanlegvergunningenstelsel in het bestemmingsplan is gewaarborgd dat aan deze eisen voldaan zou worden. Een noodzakelijk advies van het Waterschap was onderdeel van dit vergunningenstelsel. De plassen zijn inmiddels aangelegd. Met het toestaan van een tweede woonfunctie in een reeds bestemd woongebouw neemt het bebouwd oppervlak ten opzichte van hetgeen in het bestemmingsplan is berekend niet toe. De wijze waarop er met het hemelwater als gevolg van het verhard terrein en dakvlak wordt omgegaan wordt ook niet anders. In het bestemmingsplan is de aanleg van natuur en de wijze waarop landschappelijke waarden binnen het landgoed versterkt worden en die tevens middels de aanleg van natuurplassen als doel hadden het watersysteem niet te verstoren als gevolg van de ontwikkeling, bestemd en verzekerd. Het toestaan van een tweede woonfunctie het één reeds bestemd woongebouw verandert dat niet. Het toestaan van een tweede woonfunctie in een reeds bestemd woongebouw voldoet aan de regels uit de Interim Omgevingsverordening.

3.3

Gemeentelijk beleid

Ten aanzien van het voorgenomen besluit is het volgend gemeentelijk besluit relevant. Omgevingsvisie gemeente Oisterwijk Op 22 december 2016 heeft de gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk de Omgevingsvisie vastgesteld.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

17

Met de nieuwe omgevingsvisie heeft de gemeente een beleidskader opgesteld, dat de inwoners, ondernemers én bestuurders inspireert. In het document worden de kaders omschreven, waarbinnen initiatiefnemers worden uitgenodigd om hun plannen op te stellen. Hiermee zal de visie opgesteld worden volgens de gedachtegang van de uitnodigingsplanologie. De gemeente bepaalt niet meer wat ergens moet komen, maar geeft enkel aan binnen welke kaders projecten de meeste slagingskansen hebben. Het is vervolgens aan de burger en/of ondernemer om hiermee aan de slag te gaan. De visie dient als: • • • • •

Inspiratie voor ondernemers, bestuurders en inwoners. Richtinggevend kader voor het toekomstig gemeentelijk ruimtelijk ordeningsbeleid. Toetsingskader voor individuele verzoeken en initiatieven die niet passen binnen de bestemmingsplannen. Input voor overleg met de Provincie en de regio over de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. Basis voor kostenverhaal (grondexploitatie-instrument)

De locatie is opgenomen in de “landschapseenheid”; Bossen, Heide en Vennen”. De ambitie voor het buitengebied is in de Omgevingsvisie beschreven in de term “Landschapspark Oisterwijk”. De ontwikkeling die met dit besluit mogelijk wordt gemaakt (het toestaan van een tweede woonfunctie in een reeds bestemd woongebouw binnen Landgoed ‘t Lot) wordt door haar kleinschaligheid niet rechtstreeks in de Omgevingsvisie genoemd. Wel heeft het “Landschapspark Oisterwijk” beschreven dat het buitengebied nadrukkelijk veel meer als eenheid wordt neergezet. De unieke kwaliteiten van de natuurgebieden zijn overal bekend. Met de ambitie ‘landschapspark Oisterwijk’ wil de gemeente de aandacht op het hele buitengebied vestigen. “De gemeente wil zicht geven op de hele variëteit van het landschap als een Rijksmuseum dat niet alleen haar Nachtwacht wil laten zien, maar haar hele collectie.” Middels de beoogde ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de leefbaarheid en de vitaliteit van het platteland. Door af te wijken van de regels uit het bestemmingsplan is het mogelijk om kleinere woningen te realiseren die beter aansluiten op de vraag uit de markt. Gelet hierop wordt een bijdrage geleverd aan een aantrekkelijke leefomgeving.

18

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1

Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid, landschap en ruimtelijke ordening. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De milieukwaliteit vormt dan ook een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de milieuhygiënische en overige planologische aspecten. Indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De eventuele onderzoeksrapportages zijn separate bijlagen. In deze ruimtelijke onderbouwing zijn de samenvattingen en conclusies opgenomen.

4.2

Parkeren, ontsluiting en verkeersgeneratie

De gemeente Oisterwijk streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Hiervoor heeft de gemeente Oisterwijk de “Nota Parkeernormen 2016” vastgesteld. Deze nota is uitgangspunt voor het parkeerbeleid binnen de gemeente en is gehanteerd bij het samenstellen van de parkeerbalans. Parkeerbehoefte Voor het toestaan van een extra woonfunctie in een reeds bestemd woongebouw speelt ook de vraag wat dit aan parkeerbehoefte met zich meebrengt en op welke wijze deze parkeervraag kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat deze ruimtebehoefte in principe op het eigen terrein, dus niet in de openbare ruimte wordt opgevangen. Voor het bepalen van de parkeervraag heeft de gemeente Oisterwijk haar parkeernormen gebaseerd op de CROW-publicatie (Publicatie 317: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). Deze veelgebruikte systematiek berekent het aantal benodigde parkeerplaatsen voor woningen door het aantal woningen van een bepaalde categorie te vermenigvuldigen met de norm per woning.

In de “Nota Parkeernormen 2016” is bepaald dat de locatie is gelegen in de zone “buitengebied” en dat de stedelijkheidsgraad voor Oisterwijk is bepaald op “weinig stedelijk”. Berekening benodigd aantal parkeerplaatsen Voor een koopwoning gelegen in het buitengebied in een matig stedelijke omgeving moet een norm van 2,4 worden gehanteerd. Het perceel is voldoende groot voor de stalling van 2,4 (afgerond 3) parkeerplaatsen op eigen terrein. Op de volgende afbeelding zijn de parkeerplaatsen zichtbaar.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

19

Illustraties met de ligging van de parkeerplaatsen. Bron: Drijvers Architectuur.

Ontsluiting en verkeersgeneratie Ook is gekeken naar de verkeersaantrekkende werking als gevolg van het toestaan van één extra nieuwe woonfunctie. Dit betekent namelijk een toename van het aantal verkeersbewegingen op de aanliggende Zandstraat. De capaciteit van de Zandstraat is groot en de hoeveelheid verkeer is relatief klein. De toename van verkeer als gevolg van één nieuwe woonfunctie is bovendien ook gering. Er dient conform de CROW publicatie 'Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie' uitgegaan te worden van circa 8,2 motorvoertuig bewegingen per etmaal. Daarom moet geconcludeerd worden dat de verkeersgeneratie gemakkelijk door de capaciteit van de bestaande infrastructuur gedragen kan worden. Conclusie Op basis van de parkeernormen is berekend dat er afgerond 3 parkeerplaatsen benodigd zijn. Er is voldoende parkeergelegenheid aanwezig. De toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen op de bestaande omliggende wegen is gering.

4.3

Water

Nederland is groot geworden door het leven met en de strijd tegen het water. In de 20e eeuw is, doordat er te weinig rekening is gehouden met het waterbelang, veel ruimte aan het water ontrokken en veel afvalwater direct of indirect geloosd op oppervlaktewater. Om de toekomst van Nederland veilig te stellen is het nodig om te anticiperen op klimaatsveranderingen en bij de ruimtelijke planvorming goed rekening te houden met water. De waterbeheerder (Waterschap de Dommel) heeft de taak, kennis en kunde om daar zorg voor te dragen. Daarom is het belangrijk om het waterschap vroegtijdig te betrekken bij de planvorming. Beleidskader

20

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit). Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn beleidsspeerpunten op alle overheidsniveaus. Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankerd in het “Besluit op de ruimtelijke ordening 1985”. Het belangrijkste instrument vanuit het Waterschap is de Keur van Waterschap de Dommel. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (V-GRP) 2015-2020 heeft de gemeente Oisterwijk haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5.

Afvoeren naar de riolering Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe binnen het plan, met water wordt omgegaan. Verder is opgenomen op welke wijze de inrichtingsmaatregelen bijdragen aan ‘Veiligheid, Voldoende en Schoon Water’.

Bij de ontwikkeling van Landgoed ’t Lot is op een zorgvuldige wijze onderzoek gedaan naar het watersysteem en zijn in de vorm van twee natuurvijvers voorzieningen aangelegd om het hemelwater als gevolg van de toename aan verharding (terreinverharding en dakvlak) te bergen en in de bodem te infiltreren. Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie Er zal met het toestaan van een extra woning in een reeds bestemd woongebouw niet meer bouwactiviteiten plaatsvinden dan reeds in de regels van het bestemmingsplan zijn toegestaan. Het verhard oppervlak op het terrein zal daarom niet veranderen ten opzichte van hetgeen in het bestemmingsplan aan bergingscapaciteit is berekend. De wijze waarop er zal worden omgegaan met het aspect water zal niet wijzigen. Bodem Bij het bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd door Cauberg-Huygen. Dit onderzoek had tot doel om de doorlatendheid van de bodem te bepalen. Uit dit onderzoek bleek dat de onderzochte bodem op de locatie globaal bestaat uit zeer fijn tot fijn zand. Op enkele plaatsen is een leemlaag aangetroffen. Uit de infiltratieproeven is gebleken dat de doorlatendheid van de bodem matig tot goed is. De gemiddelde k-waarde bedraagt circa 5 meter per dag.

Grondwater Uit het onderzoek van Cauberg-Huygen bleek ook dat bij de aanleg van de natuurvijvers nog aandacht nodig was voor de berging van hemelwater door de relatief hoge gemiddelde grondwaterstand (GHG) in het gebied. Tijdens een maatgevende bui zal het waterpeil in de vijvers tijdelijk circa 6 centimeter stijgen als gevolg van het afgekoppelde hemelwater. De natuurvijvers zijn inmiddels aangelegd en met het toestaan van een extra woonfunctie in een reeds bestemd woongebouw zal het verhard oppervlak ten opzichte van hetgeen in het bestemmingsplan is toegestaan niet toenemen. Aangenomen mag worden dat de relatief hoge GHG niet tot belemmeringen leidt. Oppervlaktewater BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

21

Binnen het plangebied of in de nabijheid van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van de aangelegde natuurvijvers en de bestaande beek De Rosep. De natuurvijvers zijn bedoeld voor de berging van hemelwater dat op het verhard terrein en dakvlak terecht komt. Voor de Rosep is dat niet het geval. Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater op het gemeentelijk rioolstelsel worden aangeboden. Dit was reeds bepaald bij de bestemming van het landgoed. Het toestaan van een tweede woning in een reeds bestemd woongebouw wijzigt dit niet. Hemelwater Het hemelwater dat terechtkomt op het dakvlak en de terreinverharding zal via de aangelegde natuurvijvers in de bodem infiltreren. Omdat met het toestaan van een tweede woonfunctie in het reeds bestemde woongebouw het verhard terrein en dakvlak ten opzichte van de regels uit het bestemmingsplan niet zal toenemen wordt de wijze van omgaan met het hemelwater niet anders. In bijlage 13 bij de toelichting van het bestemmingsplan is onder andere bepaald dat het verhard oppervlak voor villa’s 2.700 m2 bedraagt. Hiervoor is 136 m3 bergingscapaciteit nodig en inmiddels ook gerealiseerd. Vergunningen Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Voor de beoogde functiewijziging is geen watervergunning noodzakelijk.

Het aspect “water” is daarom belemmering voor het toestaan van een tweede woning in een reeds bestemd woongebouw.

4.4

Natuur

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving; de Wet natuurbescherming. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt bij de Provincie. Gebiedsbescherming In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden zijn de Veluwe, Rijntakken (rivieren), de Waddenzee maar ook de Kampina en Oisterwijkse vennen). Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Provincies hebben ervoor gekozen om deze gebieden te beschermen via het provinciale beleid. Ook de provincie Noord-Brabant heeft de gebieden in haar beleid toegewezen aan het Natuur Netwerk Brabant (NNB).

Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het NNB maar ligt wel in de nabijheid hiervan. Met het toestaan van een tweede woonfunctie in een reeds bestemd woongebouw worden de bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan niet vergroot. Bij de planvorming voor het Landgoed ’t Lot is uitvoerig onderzoek gedaan naar de effecten op natuurwaarden en natuurgebieden als gevolg van de in het bestemmingsplan opgenomen bouw-, en gebruiksmogelijkheden. Natuurwaarden bleken niet geschaad te worden. Stikstofdepositie

22

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Wel is het zo dat door het toestaan van een extra woonfunctie in het reeds bestemde woongebouw de verkeersgeneratie zal toenemen met circa 8 bewegingen per etmaal (CROW). Om inzicht te krijgen in eventuele negatieve effecten van deze toename is een stikstofberekening uitgevoerd middels de AERIUS-Calculator. Op basis van deze berekening bleek dat de rekenresultaten niet groter zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. De uitdraai van de berekening is als bijlage aan de toelichting gevoegd.

Soortbescherming In de Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Hiervoor verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de voormalige Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Onder de Wet natuurbescherming worden 75 soorten vaatplanten beschermd. Vrijwel alle zoogdieren zijn beschermd. Met het toestaan van een tweede woonfunctie in een reeds bestemd woongebouw worden de bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan niet vergroot. Bij de planvorming voor het Landgoed ’t Lot is uitvoerig onderzoek gedaan naar de effecten op natuurwaarden en natuurgebieden als gevolg van de in het bestemmingsplan opgenomen bouw-, en gebruiksmogelijkheden (bijlagen 6, 7 en 8 van het bestemmingsplan). Natuurwaarden bleken niet geschaad te worden. De toevoeging van een tweede woonfunctie binnen een bestaand woongebouw heeft dan ook geen negatieve impact op de natuurwaarden ter plaatse van de onderhavige locatie. Nadelige gevolgen voor natuurwaarden worden daarom niet verwacht.

4.5

Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Ten tijde van de planvorming van Landgoed ’t Lot is door Cauberg-Huygen een bureauonderzoek en inventariserend karterend veldonderzoek uitgevoerd. Er bleken geen archeologische waarden te verwachten te zijn waardoor geen vervolgonderzoek nodig werd geacht. Omdat bij het toestaan van een tweede woonfunctie in een reeds bestemd woongebouw geen bouwactiviteiten plaatsvinden buiten het bestaande bouwvlak is nieuw archeologisch onderzoek niet nodig en is een eventuele aantasting van het archeologisch bodemarchief niet te verwachten.

Als tijdens werkzaamheden toch archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan terstond melding worden gemaakt. Als blijkt dat de aangetroffen resten of sporen gedocumenteerd dienen te worden, zal overleg plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid waarin besproken wordt welke tijd en ruimte beschikbaar is om op een gedegen manier waarnemingen te verrichten. Op deze manier zijn toevalsvondsten ook tijdens de bouw op een goede manier verzekerd. Cultuurhistorie Binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen of gebouwen aanwezig. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht 23

Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor het toestaan van een tweede woning in het reeds bestemde woongebouw.

4.6

Milieuzonering, geur en spuitzones

Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier sprake is van het gebruik van een gebouw als woning (gevoelig object) verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Bedrijvigheid en richtafstanden Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden of woningen. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Zonering of functiemenging Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd.

Ook beschrijft de brochure gebieden waarbinnen functiemenging juist gewenst is bijvoorbeeld in stadscentra. Voor dit soort gebieden kent de brochure de systematiek van functiemenging. De projectlocatie is niet gelegen in een omgeving waar functiemenging wordt nagestreefd. Een beoordeling op basis van zonering is nodig. Algemeen uitgangspunt Voor het toestaan van een tweede woonfunctie binnen het bestaande bouwvlak van een reeds bestemd woongebouw wordt er ten opzichte van wat het bestemmingsplan toestaat geen woning dichter op bestaande bedrijfsactiviteiten in de omgeving gepland. Belangen van in de omgeving aanwezige bedrijven worden daardoor niet geschaad. Een actuele beoordeling of sprake is van een goed woon,en leefklimaat volstaat daarom. Zonering In de nabijheid van het de projectlocatie zijn de volgende bedrijven aanwezig; • Het vakantiepark ‘Streekpark Klein Oisterwijk’ aan de Oirschotsebaan 6 op circa 130 meter afstand tot het woongebouw. • Het kampeerterrein Irene Hoeve aan de Zandstraat 18 op circa 250 meter afstand tot het woongebouw. De richtafstand van een vakantiepark en kampeerterrein is op basis van de VNG-brochure 50 meter (milieucategorie 3.1). Aan deze richtafstand wordt voldaan. De volgende afbeelding toont de ligging van het Streekpark Klein Oisterwijk (A) en kampeerterrein Irene Hoeve (B) ten opzichte van het woongebouw.

24

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

130 m 250 m

B

A

Luchtfoto met aangeduid de in de in de omgeving aanwezige bedrijven. bron: ruimtelijkeplannen.nl Hiermee is gemotiveerd dat er met de beoogde ontwikkeling geen sprake is van nadelige gevolgen voor de belangen van de omliggende bedrijven en dat er geen milieuhinder te verwachten is voor het toestaan van een extra woning in het reeds bestemde woongebouw. Geurhinder agrarische bedrijvigheid De wetgeving rondom geur heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen en vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekeningen gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: • •

Wordt er een onevenredige inbreuk gedaan op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen; Is ter plaats een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

Op circa 260 meter van het bestemde woongebouw is aan de Zandstraat 20 te Moergestel een intensieve veehouderij gelegen. Omdat de beoogde tweede woonfunctie in het reeds bestemde woongebouw niet dichter op dit bestaande bedrijf komt te liggen dan de woning die op basis van het bestemmingsplan reeds is toegestaan, zal het bedrijf niet onevenredig worden beperkt in haar bedrijfsbelang. Op basis van de actuele gegevens van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) ten aanzien van de achtergrondbelasting is duidelijk dat er sprake is van een goede geursituatie ter plaatse.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

25

Uitsnede kaart Achtergrondbelasting Geur. Bron ODZOB Op basis van de actuele milieuvergunning van het bedrijf ter plaatse van Zandstraat 20 Moergestel is sprake van een intensieve veehouderij. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 200 meter voor wat betreft geur. Hier wordt aan voldaan. Vanwege de kaart achtergrondbelasting in samenhang bezien met de omstandigheid dat voldaan wordt aan de richtafstand kan geconcludeerd worden dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect “milieuzonering en geurhinder” is geen belemmering voor het toestaan van een tweede woonfunctie in een reeds bestemd woongebouw. Spuitzones open teelten In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt.

Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. Binnen een afstand van 50 meter van het plangebied zijn geen agrarische gronden of bedrijvigheden waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Het aspect “milieuzonering, geur en spuitzones” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

26

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

4.7

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk significant nadelig kan worden beïnvloed. In het Besluit m.e.r. wordt de realisatie van woningen aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject (D11.2). Naast de aanvliegroutes via het Besluit m.e.r. of de “passende beoordeling” (Wet natuurbescherming), kan ook een m.e.r.-plicht ontstaan via aanvullend binnen de Provinciale Milieuverordening opgenomen activiteiten. Noord-Brabant heeft echter geen aanvullende m.e.r.-plichtige activiteiten opgenomen. Onder de drempelwaarden uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

Dit laat onverlet dat er een separaat m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen zou dienen te worden op basis van een aanmeldingsnotitie. In onderhavig geval is er echter sprake van het toestaan van een extra woonfunctie in een bestemd woongebouw. De bouwmogelijkheden worden echter niet vergroot. Het bestemmingsplan is kaderstellend geweest voor de bestemde bouwmogelijkheden en het gebruik voor wonen, waardoor de (potentiële) milieueffecten die deze ontwikkeling met zich meebrengt destijds bij de totstandkoming van het moederplan reeds afgewogen zijn. De bouwregels worden met het voorgenomen besluit niet verruimd. Op grond daarvan kan gesteld worden dat er in dit geval geen sprake is van een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject. Hieruit moet geconcludeerd worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van een mogelijke MER-plicht, geldt bovendien dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Enkel de geringe toename als gevolg van de verkeersbewegingen zou mogelijk effecten kunnen hebben op natuurwaarden. Middels een stikstofberekening is aangetoond (paragraaf 4.4) dat onderhavige ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de Natura 2000-gebieden in de omgeving. Concluderend is het uitvoeren van een m.e.r.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11311335/2