22-39 Vaststelling bestemmingsplan Heukelomseweg 26- bijlage 1b toelichting Vastgesteld bestemmingsplan
Tekst van het document
De volgende conclusie is getrokken op basis van het uitgevoerde onderzoek; Nader bodemonderzoek is vanuit milieu hygiënisch oogpunt niet aan de orde. De hypothese ‘onverdacht’ kan op basis van de resultaten worden aanvaard. Middels het bodemonderzoek is de milieu hygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er, ons inziens, vanuit milieu hygiënisch oogpunt derhalve geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen nieuwbouw op deze locatie. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de aangetroffen bodemkwaliteit aanvaardbaar wordt geacht en dat er geen belemmeringen zijn voor de geplande herontwikkeling.
4.2.2 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. 1 januari 2007 is de (gewijzigde) Wet geluidhinder (hierna Wgh) in werking getreden. Deze wet beschermt geluidgevoelige objecten tegen geluidhinder van geluidsbronnen: Wegverkeer, spoorwegen, industrie en luchtvaart. Door middel van zonering worden grenzen aangehouden waarmee geluidgevoelige objecten worden beschermd. De zonering betreft een afstand, uitgaande van een geluidsbron, waarbinnen het normenstelsel uit de Wgh van toepassing is. Een tuincentrum is geen geluidgevoelige functie. Daarom wordt in het plangebied ook geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. De bestaande bedrijfswoning betreft wel een geluidgevoelige functie.
21 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
Wegverkeerlawaai Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen gelegen in een geluidszone van bestaande wegen niet getoetst te worden (artikel 76 lid 3 Wgh). In deze situatie betekent dat dat ten aanzien van de reeds bestaande bedrijfswoning binnen het plangebied geen akoestisch onderzoek inzake de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer hoeft te worden uitgevoerd. Spoorweglawaai Hoofdstuk VII Zones langs spoorwegen biedt de Wet geluidhinder in het ruimtelijk spoor bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen tegen spoorweglawaai. Daarbij gaat het om nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs spoorwegen en om bestaande geluidsgevoelige bestemmingen bij de aanleg/wijziging van spoorwegen (die zijn aangegeven op de zonekaart). De bedrijfswoning in het plangebied is gelegen op een afstand van circa 220 meter tot het spoortracé TilburgEindhoven. De bedrijfswoning wordt niet gewijzigd qua gebruik. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan hoeven bestaande geluidsgevoelige bestemmingen niet getoetst te worden. Het tuincentrum is gelegen op een afstand van meer dan 90 meter van deze spoorlijn. Omdat een tuincentrum geen geluidgevoelige functie is, is onderzoek niet nodig.
Industrielawaai In de omgeving van het plangebied zijn enkel agrarische bedrijven gelegen welke een geluidbelasting op de bedrijfswoning binnen het plangebied kunnen genereren. De Wet geluidhinder maakt echter geen onderscheid tussen bedrijfswoningen en burgerwoningen. De bedrijfswoning binnen het plangebied is en blijft een geluidgevoelig object; het beschermingsniveau zal niet wijzigen. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek industrielawaai in het kader van de bestemmings-planwijziging is dan ook niet relevant. Omdat het tuincentrum geen geluidgevoelige functie is, is onderzoek naar industrielawaai niet nodig. Conclusie Het tuincentrum betreft geen geluidgevoelige functie, het aspect geluidhinder vormt derhalve geen belemmering voor deze ontwikkelingen. Omdat de bestaande bedrijfswoning niet wordt gewijzigd qua gebruik, is nadere toetsing niet nodig en daarmee is het aspect geluidhinder ook voor de bedrijfswoning geen belemmering.
4.2.3 Luchtkwaliteit De regelgeving omtrent de luchtkwaliteit is opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm). De belangrijkste aspecten t.a.v. de Europese luchtkwaliteitseisen zijn vernoemd in de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderdeel uit van de Wm; hoofdstuk 5, titel 5.2. Rijk, provincies en gemeenten werken samen om de Europese eisen en doelstellingen voor het verbeteren van de luchtkwaliteit te realiseren. Overheidsinstanties zijn verplicht om bij (ruimtelijke) ingrepen en ontwikkelingen de mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Het opstellen en vaststellen van een bestemmingsplan behoort tot deze categorie, daarom is het noodzakelijk dat de eventuele gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld worden gebracht. Artikel 5.16 Wm, lid 1 geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: ▪ Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; ▪ Een plan leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ▪ Een plan draagt ‘niet in betekenende mate’(NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; ▪ Een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Van bepaalde plannen met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen' wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwplan op de luchtkwaliteit valt onder de term 'niet in betekenende mate'. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. Voor woningbouw geldt bij 1 ontsluitingsweg een aantal van 1.500 nieuwe woningen netto. Bij twee ontsluitingswegen
22 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
geldt een aantal van 3.000 woningen netto. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2. Het plan maakt een uitbreiding van een bestaand tuincentrum mogelijk waarbij de bebouwing met ca. 2.750 m2 wordt uitgebreid. Vergeleken met de hierboven genoemde aantallen die aanzienlijk hoger zijn, kan geconcludeerd worden dat deze ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Verkeer Daarnaast is de CROW publicatie 381 geraadpleegd voor de toename van het aantal verkeersbewegingen. Volgende de publicatie is het zo dat dergelijke tuincentra in het buitengebied een verkeer genererende werking hebben van 18,0 motorvoertuigen per etmaal, per 100 m2 bvo. Er is sprake van een uitbreiding van het winkeloppervlakte van 2.400 m2 + 800 m2 buitenterrein voor verkoop buitenplanten, wat neerkomt op een totaal van 3.200 m2. Dit komt neer op een extra verkeersgeneratie van 3.200/100 x 18 = 576 verkeerbewegingen. De berekening voor het verkeer is verder uitgewerkt in paragraaf ‘4.8 Verkeer en Parkeren’. Op basis van de toename van verkeersbewegingen is de “NIBM”-tool geraadpleegd. Bij de invoer van de tool is rekening gehouden met het aandeel verkeer van de benoemde 576 extra verkeerbewegingen.
Met de beoogde uitbreiding zullen er per week acht extra verkeerbewegingen plaatsvinden door vrachtwagens. Dit komt neer op ongeveer één extra verkeerbeweging per dag van één vrachtwagen. Dit zorgt voor een aandeel van 0.17%. Uit de tool blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is, zie afbeelding hieronder.
Afbeelding 7: Berekening NIBM-tool verkeer
Woon- en leefklimaat Naast het verkeersaspect is het ook van belang om te onderzoeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt tevens een grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. De achtergrondconcentratie PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied kan worden geraadpleegd via de Grootschalige Concentratie- en depositiekaarten Nederland van het RIVM. Uit onderstaande afbeeldingen is op te maken dat de achtergrondconcentratie PM10 15,93 μg/m3 bedraagt en de achtergrondconcentratie PM2,5 9,2 μg/m3. Er kan dus ruimschoots worden voldaan aan de grenswaarden voor wat betreft de concentratie PM 10 en PM2,5.
23 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
Afbeelding 8: Achtergrondconcentratie PM10
Afbeelding 9: Achtergrondconcentratie PM2,5
Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO 2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2, die niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. De norm voor langdurende blootstelling van de bevolking is de grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde NO2-concentratie. De achtergrondconcentratie ter plaatse bedraagt 14,8 μg/m3 blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland. Er kan dus tevens worden voldaan aan de grenswaarde voor wat betreft NO2 concentratie.
Afbeelding 10: Uitsnede GCN-Kaart NO2
Conclusie Door het feit dat de ontwikkeling ‘NIBM’ zal zijn kan worden geconcludeerd dat er geen negatieve gevolgen zullen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Daarnaast wordt er ruim voldaan aan de grenswaarden van de achtergrondconcentraties. Hierdoor is te concluderen dat er ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.2.4 Geur Besluitvorming omtrent geurgevoelige objecten dient in het kader van het aspect 'geur' antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? in verband met het belang van geurgevoelige objecten. En wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? In verband met de belangen van veehouderijen en derden. De Wet geurhinder en veehouderij vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Een tuincentrum is in de zin van de Wgv een geurgevoelig object, niet omdat het bestemd is voor wonen, maar omdat het bestemd is voor verblijf van mensen. Vooral personeelsleden zullen grote delen van de dag in de gebouwen verblijven. Er vindt een uitbreiding van deze gebouwen plaats. Een toetsing aan de Wgv is dan ook noodzakelijk.
24 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
In de omgeving liggen enkele agrarische bedrijven. Voor de volledigheid zijn de agrarische bedrijven in een straal van 200 meter onderzocht bij de vraag of er enige geuroverlast zal plaatsvinden ter plaatse van het tuincentrum. In de onderstaande tabel zijn de omliggende (veehouderij)bedrijven weergegeven: Adres
Aanwezige diercategorieën
Driehoevenweg 2
Rundvee (A 1.1), Schapen (B 1) Rundvee (A 3.100) Rundvee (A 4) Paarden (K 1) Paarden (K 1)
Driehoevenweg 4 Heukelomseweg 23 Heukelomseweg 30 Het Heikesspoor 2
Daadwerkelijke afstand (grens inrichting tot tuincentrum) 250 meter
Afstand grens inrichting tot beoogde uitbreiding
110 meter 150 meter 90 meter 60 meter
180 meter 190 meter 90 meter 60 meter
320 meter
Tabel: afstand van de agrarische bedrijven t.o.v. het plangebied (tuincentrum)
De veehouderij bedrijven in de directe omgeving van het plangebied zijn allen bedrijven met dieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld bij ministeriele regeling, maar waarvoor vaste afstanden gelden. Uit artikel 4 Wgv blijkt dat hiervoor een minimale afstand van ten minste 50 meter geldt voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom. Aan deze afstand wordt voldaan, blijkt uit bovenstaande tabel. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het tuincentrum als geurgevoelig object geen belemmeringen zal ondervinden met betrekking tot het aspect geur. Daarnaast kan omgekeerd ook worden geconcludeerd dat de omliggende bedrijven niet beperkt worden in haar bedrijfsvoering door de uitbreiding van het tuincentrum. Voor de achtergrondbelasting, de cumulatieve geurbelasting, is de indicatieve kaart van de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant geraadpleegd. Uit deze kaart blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat. Aan de hand van deze kaart (afbeelding 9) kan worden aangenomen dat er ook vanuit het aspect achtergrondbelasting geur geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
Afbeelding 11: Achtergrondbelasting geur (bron: ODZOB, peildatum 1 januari 2020)
4.2.5 Milieuzonering Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). De (indicatieve) lijst 'Bedrijven en
25 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
Milieuzonering', uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, bevat richtafstanden voor milieubelastende activiteiten. In de lijst 'Bedrijven en Milieuzonering' worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden worden nagestreefd tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. Wanneer voldaan wordt aan de opgenomen afstanden uit deze brochure, mag gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar en gewaarborgd woon- en leefklimaat. Indien niet voldaan wordt aan voornoemde aan te houden afstanden kan het woon- en leefklimaat op een andere wijze gewaarborgd worden. Door het nemen van verschillende maatregelen of door te onderbouwen dat de richtafstanden uit de brochure op een specifiek geval niet de juiste afstanden voorlegt. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals geur, stof, geluid en gevaar. Door de VNG is in het kader hiervan een publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Hierin zijn richtafstanden opgenomen waarbij bedrijven zijn ingedeeld in zes categorieën. De richtafstanden worden gemeten vanuit de perceelgrens het bedrijf dan wel daar waar bedrijvigheid en de gevel van een burgerwoning.
Naast het tuincentrum bevindt zich aan de westzijde een woning (Het Heikesspoor 6) en een paardenhouderij (Het Heikesspoor 2), aan de oostzijde een paardenhouderij (Heukelomseweg 30), ten noorden een veehouderijbedrijf (Driehoevenweg 4) en diverse woonobjecten (Heukelomseweg 15 en Driehoevenweg 1). Aan de zuidzijde (achterzijde) van het bestaande tuincentrum ligt de spoorlijn Tilburg-Eindhoven. Daar zijn op korte afstand geen woningen of bedrijven gelegen. De uitbreiding van het tuincentrum op het plangebied vindt plaats aan de zuidzijde van het bestaande tuincentrum. Aangezien aan de zuidzijde geen woningen en/of bedrijven zijn gelegen wil dit zeggen dat de uitbreiding op grotere afstand van de omliggende bedrijven en woningen ligt dan het bestaande tuincentrum. Voor detailhandel geldt op grond van de VNG publicatie een maximale richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. De dichtstbijzijnde gevoelige objecten zijn de woning aan Het Heikesspoor 6 en de bedrijfswoning aan de Heukelomseweg 30. De afstand tot de bedrijfswoning van de Heukelomseweg 30 bedraagt 78 meter. De bouwvlakken van het tuincentrum en de woning aan Het Heikesspoor 6 liggen tegen elkaar aan. Tussen de woning en het tuincentrum zelf ligt de bijbehorende bedrijfswoning. Dit is een bestaande woning die ongewijzigd blijft.
Omdat hier geen bebouwing ten behoeve van het tuincentrum gerealiseerd kan worden (en ook niet beoogd is), wordt voor de richtafstand uitgegaan van het punt achter de bestaand bedrijfswoning. Deze afstand van dit punt tot de woning van Het Heikesspoor 6 bedraagt 35 meter. De afstand van de beoogde uitbreiding aan de zuidzijde tot de woning aan Het Heikesspoor 6 bedraagt meer dan 105 meter. De dichtstbijzijnde omliggende bedrijven zijn twee paardenhouderijen en ten noorden een veehouderij bedrijf. Een tuincentrum betreft echter geen gevoelig object. En de bedrijfswoning bij het tuincentrum is reeds aan te merken als gevoelig voor omliggende bedrijven en voor wat betreft de bedrijvigheid vanuit de eigen inrichting. De bedrijfswoning op het bedrijf ongewijzigd blijft, daarmee blijft ook de bescherming gelijk, er wordt geen nieuwe gevoelige bestemming toegevoegd ter plaatse van het plangebied. Hiermee kunnen we concluderen dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen met zich mee brengt.
26 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
4.2.6 Externe veiligheid Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft tot doel het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving. Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijk risico in kaart gebracht wat derden lopen bij een eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. Mensen die niets met een activiteit van gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen te maken hebben, maar hier wel de dupe van worden bij een ramp. Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in externe veiligheid voor inrichtingen, voor transport van gevaarlijke stoffen en voor luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid stelt twee doelstellingen centraal: ▪ Plaatsgebonden risico (PR): De bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven; ▪ Groepsrisico (GR): De bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers.
Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), besluit externe veiligheid transportleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bevi: Gezien de aard van de voorgenomen activiteit (uitbreiding tuincentrum) is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit de risicokaart, zie afbeelding hieronder, blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij het plangebied. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting betreft tankstation Total Van Esch aan de Moergestelseweg 5 te Oisterwijk met een risico op een ongeval met gevaarlijke stoffen, op een afstand van hemelsbreed meer dan 1.700 meter. Gezien de grote afstand zijn er voor het initatief geen belemmeringen vanuit het oogpunt van externe veiligheid.
Afbeelding 12, uitsnede Risicokaarten Nederland
Bevb: Uit het bestemmingsplan blijkt dat op het plangebied een dubbelbestemming ‘Leiding-gas 1’ is opgenomen. Deze leiding is echter enkele jaren geleden verwijderd voor wat betref de aftakking op het plangebied. De ontwikkeling heeft daarmee geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. Derhalve is de ontwikkeling gelegen buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen, waardoor een verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing is. Bevt: Uit de risicokaart blijkt dat de locatie op een afstand van circa 550 meter is gelegen van de A65 (knooppunt Vugt, afrit 3 Tilburg Noord). In de tabel basisnet uit de Regeling basisnet geldt voor dit punt een afstand van maximaal 0 meter voor het PR 10-6 risico en 48 meter voor het GR 10-7 risico. De afstand van 550 meter tot de snelweg is
27 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
daarmee ruim voldoende en het plan voordoet daarmee aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden en groepsrisico. Het plangebied (bouwvlak) is op een afstand van ruim 80 meter gelegen van het spoortraject Tilburg - Boxtel dat is opgenomen in het basisnet uit de Regeling Basisnet. In de Regeling Basisnet is een tabel met afstanden opgenomen voor het plaatsgebonden risico dat geldt voor transportroutes. Voor dit spoortraject geldt een afstand van maximaal 186 meter voor het GR 10-8 risico, voor het GR 10-7 risico maximaal 38 meter en voor het PR-6 risico maximaal 6 meter. Een tuincentrum betreft een beperkt kwetsbaar object. In dit geval is sprake van tuincentrum op een afstand van 80 meter (winkel onoverdekt aan achterzijde) en 94 meter tot de overdekte winkel. Aan de minimale afstand voor het plaatsgebonden risico wordt voldaan. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een toxisch scenario op het spoortraject TilburgEindhoven. In dat geval dient ook getoetst te worden aan artikel 7 van het Bevt. Het groepsrisico bestaat uit een ongeval met een trein met gevaarlijke stoffen. Tussen het spoor en het tuincentrum bevind zich een weiland. De dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute is daarmee erg laag. In het tuincentrum bevinden zich op een bepaald moment maximaal 392 personen (181 parkeerplaatsen, 2 personen per auto en 30 medewerkers).
Het plangebied is voldoende bereikbaar voor de hulpdiensten. Op het plangebied ligt binnen de cirkel van goede hoorbaarheid van de waarschuwings- en alarmeringsinstallaties en het dekkingsgebied van NL-Alert. Er zijn voldoende vluchtwegen, waaronder twee inritten aan de Heukelomseweg, maar ook in het tuincentrum zijn voldoende nooduitgangen aanwezig en er is voldoende ruimte rondom het tuincentrum, aangezien hier weilanden omheen liggen. Er is geen sprake van (structurele) aanwezigheid van groepen verminderd zelfredzame personen. Een andere ruimtelijke ontwikkeling met een lager groepsrisico ligt niet voorhanden. Het betreft de uitbreiding van een bestaand tuincentrum en geen woonobject. Uitbreiding aan de zijkant in plaats van achterzijde is niet haalbaar aangezien deze gronden niet in eigendom zijn van initiatiefnemer en ook deze gronden binnen de GR 10-8 risico contour van 186 meter liggen. Het gehele bestaande tuincentrum ligt hierbinnen. Voor de gemeente is een standaard verantwoording groepsrisico (SVGR) opgesteld door de Omgevingsdienst Midden- en West Brabant. Dit is een hulpmiddel bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Of de SVGR van toepassing is, blijkt uit het stroomschema. Het plangebied is gelegen binnen de blauwe zone, dus tussen 30 en 200 meter van een transportroute.
In dit geval is sprake van een beperkte verantwoording op basis van het Bevt (artikel 8 lid 2) én is sprake van zelfredzame personen. Daarmee kan voor het groepsrisico volstaan worden met verwijzing naar de standaard verantwoording groepsrisico (SVGR), die als bijlage is opgenomen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het groepsrisico in het kader van externe veiligheid aanvaardbaar is.
4.3 Waterhuishouding Nederland is groot geworden door het leven met en de strijd tegen het water. In de 20e eeuw is, doordat er te weinig rekening is gehouden met het waterbelang, veel ruimte aan het water onttrokken en veel afvalwater direct of indirect geloosd op oppervlaktewater. Om de toekomst van Nederland veilig te stellen is het nodig om te anticiperen op klimaatsveranderingen en bij de ruimtelijke planvorming goed rekening te houden met water. De waterbeheerder (Waterschap de Dommel) heeft de taak, kennis en kunde om daar zorg voor te dragen. Daarom is het belangrijk om het waterschap vroegtijdig te betrekken bij de planvorming. Beleidskader Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit). Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn beleidsspeerpunten op alle overheidsniveaus.
Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankerd in het ‘Besluit op de ruimtelijke ordening 1985’. Het belangrijkste instrument vanuit
28 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
het Waterschap is de Keur 2015 van Waterschap de Dommel. In het Verbreed Gemeentelijk Riolerings Plan ( VGRP) 2015-2019 heeft de gemeente Oisterwijk haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. Afvoeren naar de riolering Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe binnen het plan Heukelomseweg 26 met water wordt omgegaan. Verder is opgenomen op welke wijze de inrichtingsmaatregelen bijdragen aan ‘Veiligheid, Voldoende en Schoon Water’. In het laatste deel is een omschrijving en tekening opgenomen van de aan te leggen voorzieningen. Gebiedsomschrijving in relatie tot water Het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP) welke Provinciale Staten vastgesteld hebben op 18 december 2015, behelst het provinciale beleid op genoemde aspecten in de periode 2016 – 2021 onder de titel ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit.
Het plangebied heeft in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ toegekend gekregen. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Daar het op deze locatie een tuincentrum betreft, dient het waterbeheer in het gemengd landelijk gebied bij te dragen aan een goed functionerend watersysteem. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid. Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft het plangebied geen aanduiding gekregen. Gezien vanuit het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing op het plangebied. Op de themakaart ‘water’ van de Verordening ruimte zijn voor deze locatie geen aanduidingen opgenomen (zie Afbeelding 13). Derhalve gelden ten aanzien van het aspect ’Water’ geen nadere regels volgens de Verordening. Huidige situatie van de planlocatie Het gehele bestande bouwvlak is verhard, deels door gebouwen en deels door erfverharding, alleen de tuin rondom de bedrijfswoning is niet verhard. In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanuit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd wat afkomstig is van hemelwater.
Hemelwater werd gedeeltelijk opgevangen in een bovengrondse watersilo van 40 m3, om te worden hergebruikt voor bewatering van de planten. Deze silo is onlangs stuk gegaan. Sindsdien wordt dus al het hemelwater geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het geasfalteerde oppervlak, zowel de erfverharding als de daken worden goed schoongehouden. Er vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met hemelwater. Dit niet-verontreinigde water kan dus zonder problemen worden geloosd. Bodem Uit de informatie van de bodematlas van de provincie Noord-Brabant bevindt de locatie zich op de (hogere) zandgronden binnen de provincie. Nader bekeken zijn op deze locatie eerdgronden aanwezig, voedselrijk en vochtig tot droog. Dit zijn moerige gronden en minerale gronden met een humusrijke bovenlaag en binnen 40 cm geen vast gesteente. In het plangebied komen hoge zwarte enkeerdgronden voor die zich gevormd hebben in lemig fijn zand. Hoge enkeerdgronden zijn gronden met een overgraven humeuze bovengrond die dikker is dan 50 cm. Een dergelijke humeus, opgebracht dek wordt een plaggendek of oud bouwlanddek genoemd en is ontstaan als gevolg van het bemesten van armere zandgronden met zoden, mest en huisafval.
Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied in een zone met dekzandruggen (+/- oud bouwlanddek), met in het noorden een zone met een dekzandrug. Zo’n 200 tot 300 meter ten noorden en zuiden van het plangebied zijn dalvormige laagtes zonder veen aangegeven.
29 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
Grondwater Op basis van verschillende gegevens is het mogelijk om de grondwaterstanden te bepalen ten opzichten van het NAP. Hiervoor zijn de gegevens gebruikt van de Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) en de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) van het waterschap de Dommel. Deze zijn weergegeven op onderstaande afbeelding.
Afbeelding 13: GHG
Uit de vergelijking van de GHG-waarden blijkt dat het grondwater binnen het plangebied rondom de bebouwing ligt tussen 11,08 meter boven NAP op het hoogste punt en op 10,85 meter boven NAP op het laagste punt. De actuele hoogte ter plaatse is gemiddeld 11,70 meter boven NAP. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is aan de noordzijde, evenwijdig aan de Heukelomseweg, een waterloop gelegen in de vorm van een sloot(einde). De waterloop is volgens de Legger van het waterschap de Dommel aangemerkt als Bwatergang. Verder zijn er geen oppervlaktewaterlichamen aanwezig op het plangebied. Beoogde situatie Het plan betreft de uitbreiding van een bestaand tuincentrum. Deels vind de uitbreiding plaats waar nu erfverharding aanwezig is en deels ter plaatse van een weiland. Met het initiatief vindt dus een toename van het verharde oppervlakte plaats. Verdeling verhard oppervlak Oppervlaktes Terrein verharding Onverhard terrein
Huidige m2 10.812 4.188
Toekomstige m2 14.949 0
Het totale verhard oppervlak neemt toe met 4.188 m 2. Verder zal het overloopgebied voor gebruik als extra parkeerruimte in drukke periodes worden voorzien van halfverharding, zoals gras-beton tegels of met raten verstevigd grind. Op die manier kan hemelwater ter plaatse in de bodem weg blijven zakken. Afvalwater Ook in beoogde waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool welke al voldoende capaciteit heeft. Hemelwater Omdat er sprake is van een vergroting van het verhard oppervlakte zal een retentievoorziening worden aangelegd. In onderstaande berekening is berekend hoe groot deze voorziening moet zijn. Rekenmodel berging en infiltratie HWA
30 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
Locatie Aanvrager Datum
: Heukelomseweg 26 te Heukelom : Tuincentrum : 2 maart 2020
Specificatie gegevens Toekomstig verhard oppervlak Verhard oppervlak met correctie Correctiefactor verhard oppervlak Gevoeligheidsfactor Waking maximale waterspiegel t.o.v. Maaiveld Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Maaiveld toekomstig
14.949,00 0,00 0,00 0,25 0,30 n.v.t. n.v.t.
m2 m2
Benodigde compensatie in m3
Gemeente 224,235
Waterschap 0
Berekening voorziening Type bergings- en infiltratievoorziening
Type Vijver in de vorm van natuurlijk water
m1 m1 + NAP m1 + NAP
X sloot Vijver kelder riool vijver
225
Opmerkingen Zie landschappelijk inpassingsplan
Afbeelding 14: rekenmodel berging en infiltratie HWA
Uit bovenstaand rekenmodel blijkt dat voor het toekomstig verhard oppervlak van 14.949 m2 in totaal een compensatie van 224,235 m3 benodigd is. De berekening die hiervoor is uitgevoerd gaat als volgt: benodigde compensatie(in m3) = toekomstig verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m). Conform de gevoeligheidskaart van de keur van waterschap De Dommel is ter plaatse van het tuincentrum een gevoeligheidsfactor van 0,25 van toepassing. De benodigde compensatie is dus: 14.949 m2 x 0,25 x 0,06 = 224,235 m3. Gekozen is voor een retentievoorziening in de vorm van retentiebekken en een helofytenfilter die is aangegeven op het landschappelijk inpassingsplan in de bijlage. Wanneer een bui binnen een korte tijd meer hemelwater levert dan de beschikbare berging kan het hemelwater zonderproblemen afvloeien op de omliggende gronden. Deze zijn allen in eigendom van initiatiefnemer. Verder is initiatiefnemer voornemens om de watersilo die is stuk gegaan te vervangen door een nog nader te bepalen voorziening t.b.v. gietwater voor zijn koopwaar. Deze nieuwe gietwaterberging zal zo worden aangesloten dat deze zowel met grondwater als met hemelwater gevuld kan worden. Vergunningen Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.
Er is voor het plan geen (water)vergunning noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het huidige watersysteem (doorstroming, buffering, infiltratie en eventueel afwatering) door de planuitvoering niet zal verslechteren. Hiermee is het initiatief passen in het waterbeleid van de provincie, waterschap en gemeente.
31 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
4.4 Cultuurhistorie en Archeologie Voorafgaand aan de realisatie van het plan dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden. 4.4.1 Cultuurhistorie en aardkunde Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Verordening ruimte blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. De noordzijde van het plangebied, aan de Heukelomseweg is onderdeel van de boerderijenzwerm Hoog- en Laag-Heukelom. Deze zijde van het bedrijf blijft ongewijzigd. Hierdoor zal bij de uitvoering van het plan geen afbreuk worden gedaan aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied. 4.4.2 Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moet houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunningen voor de activiteiten bouw, aanleggen en dergelijke. In het vigerend bestemmingsplan is een aanduiding archeologie 4 opgenomen ter plaatse van het gehele plangebied.
In het bestemmingsplan is bepaald dat niet gebouwd mag worden op de gronden aangeduid met archeologie 4, tenzij een rapport wordt overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die verstoord worden in voldoende mate zijn vastgesteld. Uitzonderingen zijn bebouwing binnen een afstand van maximaal 3 meter van de fundering en/of bouwwerken met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m 2 en/of bouwwerken waarvoor graafwerkzaamheden voor het plaatsen van een bouwwerk niet dieper reiken dan 0,5 meter onder peil. Daarnaast geldt een verbod voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden zonder omgevingsvergunning. Derhalve is een archeologische onderzoek uitgevoerd ter plaatse. Het rapport is opgenomen in de bijlage. Hierin is het volgende geconcludeerd: Op basis van dit onderzoek geldt er een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten binnen het plangebied. Het is in onze optiek in dat kader niet noodzakelijk een dubbelbestemming archeologie op te nemen in het nieuwe bestemmingsplan Dit betekent dat er in onze optiek geen aanvullende maatregelen of archeologische onderzoeken nodig zijn in het plangebied alvorens de bestaande plannen te realiseren.
Wel geldt dat wanneer tijdens de grondwerkzaamheden in dit deel van het plangebied onverhoopt toch archeologisch relevante zaken tevoorschijn komen, deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 moeten worden gemeld bij het Rijk (in deze de gemeente Oisterwijk). Hiermee kan geconcludeerd worden dat er geen reden is om aan te nemen dat archeologische waarden worden geschaad met de beoogde ontwikkeling. De gemeente heeft ook reeds een selectiebesluit genomen waarin wordt geconcludeerd dat het college het advies onderschrijft tot vrijstelling voor de conditie archeologie. Voor de bestemmingsplanwijziging hoeven geen beschermende regels voor archeologie te worden opgenomen.
4.5 Natuur Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de wet- en regelgeving. Van belang daarbij is het Nationaal Natuur Netwerk en de Wet natuurbescherming. 4.5.1 Natuurnetwerk Brabant In de Verordening ruimte is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vastgelegd, in Noord-Brabant Natuurnetwerk Brabant genaamd. Het Natuurnetwerk Brabant is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden, voorheen bekend als de Ecologische Hoofdstructuur. Het NNN wordt beschermd via het planologisch kader. De dichtstbijzijnde onderdelen van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) liggen op ruim 900 meter ten zuiden van het plangebied. Dit betreft de Voorste Stroom en de oeverzones daarvan. De Voorste Stroom maakt tevens onderdeel uit van de dichtstbijzijnde ecologische verbindingszone. Op basis van de afstand van deze
32 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden valt op voorhand uit te sluiten dat er sprake is van negatieve impact op de wezenlijke waarden en kenmerken van de gebieden. 4.5.2 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze nieuwe wet is een vervanging en samenbundeling van drie voorgaande wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb is op te delen in grofweg drie delen, de bescherming van gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. De bescherming van houtopstanden blijft in dit onderzoek buiten beschouwing aangezien het geen houtopstanden betreft. De bescherming van soorten is onderzocht in een flora- en fauna quickscan die is opgenomen in de bijlage. Hieronder de conclusies uit dit onderzoek. Soortenbescherming Het tuincentrum en de opgaande begroeiing is ongeschikt voor jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van gebouw- en boombewonende vogels. Met de ontwikkelingen gaat geen potentieel essentieel functioneel leefgebied van vogels met jaarrond beschermde nesten (mussen) verloren, de (aangrenzende) beukenhagen blijven behouden. Aanvullend (veld)onderzoek is niet nodig. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is niet nodig.
Vaste rust- en verblijfsplaatsen en voortplantingsplaatsen voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten in het tuincentrum zijn redelijkerwijs uitgesloten. Aanvullend (veld)onderzoek is niet nodig. In de hagen langs de perceelsgrenzen en in de opgaande begroeiing in de tuin van het woonhuis zouden struweelbroeders houtduif, merel, zanglijster en heggenmus tot broeden kunnen komen. Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn onder andere te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Potentieel geschikte voor voortplantingsplaatsen, vaste rust- en verblijfsplaatsen, potentieel foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen zijn, waar de ontwikkelingen zullen plaatsvinden binnen het plangebied, afwezig. Aanwezigheid van verblijfsplaatsen en voortplantingsplaatsen van overige habitatsoorten zijn in het plangebied uitgesloten, geschikt habitat ontbreekt. Aanvullen (veld)onderzoek is niet nodig. Het aanvragen van een ontheffing of vergunning is niet nodig. In het plangebied bestaat geen potentie voor nationaal beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden.
Diffuus gebruik door Nationaal beschermde soorten waarvoor de provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt is niet uit te sluiten. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Derhalve vormen de plannen geen bedreiging voor de beschermde soorten en is nader onderzoek niet noodzakelijk. Gebiedsbescherming Door het Rijk zijn in Nederland Natura 2000-gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten plannen te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000 gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om gebieden naar keuze, gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland, aan te wijzen en te beschermen via eigen provinciaal beleid. Deze gebieden worden aangeduid als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’, onderscheidenlijk ‘bijzondere provinciale landschappen’.
Natura 2000gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting.
33 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
Kampina en Oisterwijkse vennen is het meest dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied op een afstand van ruim 1,5 km ten zuiden van het plangebied. Zie afbeelding hieronder. Invloeden mogen de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied niet in gevaar brengen.
Afbeelding 15: Natura2000 gebied ten opzichte van plangebied (bron: synbiosys.alterra.nl)
De beoogde ontwikkelingen die mogelijk effect kunnen hebben op instandhoudingsdoeleinden van het dit Natura 2000-gebied betreffen de realisatie van de uitbreiding van de winkel (bouwfase) en uiteindelijk de gebruiksfase, waarin de vergrote winkel in gebruik wordt genomen en derhalve meer bezoekers zal trekken, dus ook meer verkeersbewegingen zal veroorzaken. Om te bepalen of er sprake is van relevantie emissies die een depositie tot gevolg hebben binnen deze gebieden is een stiktstofdepositieonderzoek uitgevoerd, zie bijlage. Uit deze berekening volgt dat zowel in de realisatiefase, als in de gebruiksfase, er geen sprake is van een depositie in de Natura 2000-gebieden. Het initiatief heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden.
4.6 Verkeer en parkeren Het plangebied wordt in de beoogde situatie ontsloten middels drie inritten. Twee ruimte inritten ten behoeve van de winkel en een ten behoeve van de bedrijfswoning. Eén inrit van de winkel wordt gebruikt voor bezoekers en de tweede inrit voor vrachtverkeer. Om de verkeersveiligheid op het terrein te vergroten wordt de inrit ten behoeve van het vrachtverkeer ten oosten van de parkeerplaatsen gesitueerd. Op die manier wordt het vrachtverkeer gescheiden van de bezoekers. Het plangebied is ontsloten aan de Heukelomseweg, een doorgaande tweebaansweg tussen Tilburg en Oisterwijk. Er is een straatlantaarn aanwezig ter plaatse van de in/uitrit. Verkeersgeneratie In de huidige situatie beschikt het tuincentrum over ca. 4.005 m2 bruto vloeroppervlakte detailhandel. Na de uitbreiding wordt dit ca. 6.405 m2 (toename van 2.400 m2). Er is sprake van een uitbreiding van het winkeloppervlakte van 2.400 m2 + 800 m2 buitenterrein voor verkoop buitenplanten, wat neerkomt op een totaal van 3.200 m2. Het CROW schrijft in haar publicatie 381 dat dergelijke tuincentra in het buitengebied een verkeer genererende werking hebben van 18,0 motorvoertuigen per etmaal, per 100 m2 bvo. Dit komt neer op een extra verkeersgeneratie van 3.200/100 x 18 = 576 verkeerbewegingen. Met de beoogde uitbreiding zullen er per week ook acht extra verkeerbewegingen plaatsvinden door vrachtwagens.
Verkeersintensiteit
34 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
Op basis van informatie van de gemeente blijkt dat in 2018 op gemiddelde werkdag 6.007 mvt/etm zijn geteld op de Heukelomseweg. Na realisatie van de uitbreiding is de te verwachten verkeersintensiteit dus 6.007 + 577 = 6.584 mvt/etm. De Heukelomseweg is volgens het Mobiliteitsplan van de gemeente een gebiedsontsluitingsweg. Omdat aan de weg ook woonfuncties zitten, heeft de gemeente de capaciteit, van het oogpunt van leefbaarheid bepaald op 8.500 mvt/etm. Hiermee kunnen we concluderen dat de extra verkeersgeneratie die de ontwikkeling veroorzaakt, past binnen de capaciteit van de Heukelomseweg. Parkeren Met betrekking tot het parkeren zijn de normen uit de nota Parkeernormen 2016 van de gemeente Oisterwijk van toeppassing. Het kengetal voor een tuincentrum groter dan 1.000 m2 wvo, in het buitengebied bedraagt 2,9 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. In deze situatie dient enkel voor de uitbreiding de parkeernormering gehanteerd te worden. Dit komt neer op een uitbreiding van 2.400 m2 bvo tuincentrum/100 x 2,9 = 70 extra parkeerplaatsen. In de huidige situatie zijn er 108 parkeerplaatsen. Dit zal worden uitgebreid met 73 extra permanente parkeerplaatsen, waarmee voldaan wordt aan de parkeernormen uit het parkeerbeleid van de gemeente. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog is besloten om deze aan de oostzijde te situeren, zodat de frontbreedte aan ‘blik’ niet toeneemt.
De voorzijde (straatkant) zal tevens worden voorzien van extra groenelementen, zodat de auto’s niet direct zichtbaar zijn vanaf de weg. Uit de omgevingsdialoog is verder ook naar voren gekomen dat het wenselijk is om tijdens drukke periodes (kerst, moederdag, etc.) extra parkeerruimte beschikbaar te hebben, zodat auto’s dan niet langs de weg hoeven te parkeren. Er wordt derhalve een overloopgebied ingericht met halverharding, geschikt voor 65 tijdelijke parkeerplaatsen. Middels een functieaanduiding wordt geborgd dat dit gebied uitsluitend mag worden gebruikt als parkeerterrein in drukke periodes.
35 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
5 Juridische planopzet In dit hoofdstuk is een beschrijving van de juridische planopzet opgenomen. Dit wordt uiteen gezet aan de hand van de planvorm, verbeelding en planregels.
5.1 Planvorm De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om planregels, een verbeelding en de toelichting daarop. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn op een topografische ondergrond de bestemmingen aangeduid, met daaraan gekoppelde regels m.b.t. bouwen en gebruik. De toelichting bij het plan heeft geen juridisch bindende werking maar biedt een overzicht van de onderzoeksresultaten en planmotivatie. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels.
5.2 Verbeelding De verbeelding visualiseert het plangebied. Uit de verbeelding blijkt de begrenzing en de ligging van het plangebied. De verbeelding is direct verbonden met de bijbehorende regels. In de regels worden de condities en voorwaarden voor de bestemmingen en aanduidingen gesteld. Voor de benamingen van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Voor het overige wordt aangesloten bij de SVBP. De verbeelding is vervaardigd conform wettelijke eisen en geldende standaarden. De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500 en bestaat uit één kaart. Het bouwvlak geeft de begrenzing weer waarbinnen gebouwen opgericht mogen worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen opgenomen: ▪ Enkelbestemming ‘Agrarisch’ ▪ Enkelbestemming ‘Detailhandel’ ▪ Enkelbestemming ‘Groen’ ▪ Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ ▪ Bouwvlak ▪ Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ ▪ Functieaanduiding ‘tuincentrum’ ▪ Functieaanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel – buitenverkoop’ ▪ Functieaanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel – overloopgebied’ ▪ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderij 1’ ▪ Gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – ontheffingsgebied’
5.3 Planregels Bij het opstellen van de planregels werd uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Bij de regels wordt aangesloten bij het huidige bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Enkel de van toepassing zijnde artikelen worden opgenomen in de regels, waar nodig worden de regels aangepast. De planregels zijn verdeeld in vier hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de antidubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.
36 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven.
37 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
6 Uitvoerbaarheid In de Wet ruimtelijke ordening is vastgelegd dat ieder bestemmingsplan inzicht moet geven in de uitvoerbaarheid ervan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: ▪ Het kostenverhaal anders is verzekerd; ▪ Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; ▪ Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot het bouwrijp maken. Aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. De kosten voor deze ruimtelijke procedure komen voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst af waarin wordt vastgelegd dat de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten betreffende exploitatiekosten en eventuele planschade bij de initiatiefnemer ligt. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig. Het plan is economisch uitvoerbaar en heeft verder geen (financiële) consequenties voor de gemeente.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke haalbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is vooroverleg gevoerd met de daartoe aangewezen instanties. De Brandweer Midden- en West-Brabant heeft bevestigd dat voor het aspect externe veiligheid het standaardadvies van toepassing is. Waterschap De Dommel heeft in haar vooroverlegreactie d.d. 7 december 2020 aangegeven in grote lijnen in te kunnen stemmen met het plan, zie bijlage. Door hen wordt enkel verzocht om aanvullingen op te nemen. Deze zijn doorgevoerd. Verder reikte het waterschap nog enkele tips aan. Deze zijn ter harte genomen. De vooroverlegreactie van de provincie Noord-Brabant d.d. 10 december 2020 is terug te vinden in de bijlage. Deze vooroverlegreactie heeft geleid tot de volgende aanpassingen: ▪ Het initiatief is besproken in het regionale overleg van 6 mei 2021. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 3.2.2. ▪ Het landschappelijk inpassingsplan en de bijbehorende berekening kwaliteitsverbetering zijn aangepast. De eerder meegenomen opbrengstderving is komen te vervallen. Hieruit blijkt dat desondanks nog steeds voldaan kan worden aan een redelijke investering in kwaliteitsverbetering.
▪ Artikel 1.42, sub f, van de planregels is als volgt herschreven: overige detailhandel in aanverwante artikelen met een maximum van 5% van het verkoopvloeroppervlak; ▪ Artikel 3.1, sub a, van de planregels is als volgt herschreven: detailhandel uitsluitend in de vorm van een tuincentrum ter plaatse van de aanduiding ‘tuincentrum’; ▪ De voorwaarden ten aanzien van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ zijn vervat in artikel 3.2.1, sub c en b. ▪ De voorwaarde ten aanzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel – buitenverkoop’ is vervat in artikel 3.3.1, sub d. Daarnaast is een dialoog gevoerd met de belanghebbenden in de omgeving van het plangebied. Het verslag van deze dialoog is opgenomen in de bijlage. Naar aanleiding van de dialoog zijn de indeling van tuincentrum en de aangrenzende landschappelijke inpassing aangepast, zodat het aanzicht op locatie en de verkeersveiligheid op en rond de locatie verbeteren. Hier is eerder in deze toelichting al het een en ander op toegelicht. De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van toepassing). Het ontwerp bestemmingsplan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken, van 29 oktober tot en met 9 december 2021.
Gedurende deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Het bestemmingsplan is ongewijzigd vastgesteld op 10 maart 2022.
38 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
39 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom
Bijlagen Bijlage 1: Situatietekening Bijlage 2: Inrichtingsplan tuincentrum Bijlage 3: Berekening kwaliteitsverbetering Bijlage 4: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 5: Distributieplanologisch onderzoek Bijlage 6: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 7: Bodemonderzoek Bijlage 8: Standaard Verantwoording Groepsrisico (SVGR) Bijlage 9: Archeologische onderzoek Bijlage 10: Quickscan flora en fauna Bijlage 11: Stikstofdepositieonderzoek aanleg- en gebruiksfase Bijlage 12: Vooroverlegreactie waterschap De Dommel Bijlage 13: Vooroverlegreactie provincie Noord-Brabant Bijlage 14: Verslag omgevingsdialoog
40 Toelichting bestemmingsplan Heukelomseweg 26, Heukelom