CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

22-20 Bestemmingsplan Haarendijk 36, Haaren- bijlage 1b Toelichting

RAAD 10 maart 2022, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 22-20 Bestemmingsplan Haarendijk 36, Haaren11.513 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting ontwerpbestemmingsplan - Haarendijk 36, Haaren -

Opdrachtgever:

Dhr. W.Bertens

Datum vastgesteld: Aangepast:

10 maart 2022 9 maart 2021 (Van Doormaal Advies B.V.) 12 juli 2021 (Van Doormaal Advies B.V.)

Adviseur:

Michels bouwkundig teken- en adviesbureau Löblaan 15 5056 NN Berkel-Enschot 06 – 53312355 Van Doormaal Advies B.V. Meiraap 2B 5087 CS Diessen

Haarendijk 36, Haaren

1

Inhoudsopgave Inhoudsopgave .............................................................................................................................2 1 Inleiding......................................................................................................................................4 1.1 Ligging plangebied ...........................................................................................................4 1.2 Opbouw rapport ...............................................................................................................5 2 Huidige situatie...........................................................................................................................6 2.1

Historie ........................................................................................................................6

2.2

Vigerende bestemmingsplan .......................................................................................6

2.3

Ruimtelijke en functionele structuur .............................................................................6

2.4

Monumenten ...............................................................................................................6

3 Beleidskader ..............................................................................................................................7

4

5

6

3.1

Europees beleid ..........................................................................................................7

3.2

Rijksbeleid ...................................................................................................................8

3.3

Provinciaal beleid ......................................................................................................11

3.4

Regionaal beleid ........................................................................................................14

3.5

Gemeentelijk beleid ...................................................................................................15

Ruimtelijke- en milieuaspecten .............................................................................................17 4.1

Bedrijvigheid ..............................................................................................................17

4.2

Geluid ........................................................................................................................17

4.3

Bodem .......................................................................................................................18

4.4.

Externe veiligheid ......................................................................................................23

4.5

Water.........................................................................................................................26

4.6

Wet Natuurbescherming ............................................................................................28

4.7

Archeologie ...............................................................................................................30

4.8

Verkeer......................................................................................................................31

4.9

Luchtkwaliteit .............................................................................................................31

4.10

Milieueffectrapportage (m.e.r.) ...................................................................................32

4.11

Volkgezondheid en veehouderijen .............................................................................33

4.12

Geur ..........................................................................................................................34

4.13

Hoogspanningslijnen .................................................................................................35

4.14

Spuitzone’s ................................................................................................................35

Planuitgangspunten .............................................................................................................36 5.1

Beheer.......................................................................................................................36

5.2

Economische haalbaarheid .......................................................................................36

Wijze van bestemmen ..........................................................................................................36 6.1.

Algemeen ..................................................................................................................36

Haarendijk 36, Haaren

2

7

6.2.

Verbeelding ...............................................................................................................37

6.3.

Regels .......................................................................................................................37

De procedure .......................................................................................................................39 7.1

Inspraak ....................................................................................................................39

7.2

Overleg......................................................................................................................39

7.3

Zienswijzen................................................................................................................39

Haarendijk 36, Haaren

3

1 Inleiding Initiatiefnemer is eigenaar van een perceel grond ten westen van de woning aan de Haarendijk 36 in de gemeente Oisterwijk. Het streven is om op dit perceel, het bestaande vrijstaande bijgebouw, als vergund in 2017, een gewijzigde functie toe te kennen als vrijstaande woning, specifiek seniorenwoning. De voorgestane ontwikkeling is passend binnen de gemeentelijke beleidskaders. In de gemeente is behoefte aan levensloopbestendige woningen. Een seniorenwoning wordt tot deze categorie van woningen gerekend. Volkshuisvestelijk gezien bestaan er dan ook geen bezwaren tegen de gewenste ontwikkeling.

1.1 Ligging plangebied Het plangebied betreft het westelijke deel van het erf behorende bij de woning Haarendijk 36 te Haaren. Het betreffende perceel kent reeds de enkelbestemming wonen. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrenst door de Haarendijk, met direct voor het perceel een bushalte. Aan de zuidzijde ligt de grens met het bestemmingsplan “Buitengebied Haaren”. Zowel aan de westzijde als aan de oostzijde zijn percelen gelegen aan de Haarendijk welke eveneens de enkelbestemming wonen hebben.

Afbeelding plangebied.

Haarendijk 36, Haaren

4

1.2 Opbouw rapport In het volgende hoofdstuk, hoofdstuk 2, is de huidige situatie met een stukje historie beschreven. In hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten verwoord uit het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing aan de ruimtelijke-, milieu- en overige onderzoeksaspecten voor de locatie. Hoofdstuk 5 gaat in op de planuitgangspunten, beheer en ontwikkeling en haalbaarheid. In hoofdstuk 6 is de wijze van bestemmen aangegeven. Er wordt beschreven hoe de verbeelding en de regels zijn opgebouwd en welke bestemmingen er in het plan voorkomen. Ook wordt in dit hoofdstuk aangegeven hoe de regels moeten worden geïnterpreteerd en uitgelegd. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 het overleg en een beschrijving van de procedure opgenomen.

Haarendijk 36, Haaren

5

2 Huidige situatie 2.1

Historie De op het perceel gelegen opstallen aan de Haarendijk 36 werden in het verleden samen met nummer 38 gebruikt als één agrarische woning met bijbehorende bijgebouwen, erven en weilanden. In 2005 zijn zowel het perceel als het hoofdgebouw definitief gesplitst naar twee percelen/woningen (nr.36 en nr.38). In 2010 is het perceel met opstalen van nummer 36 eigendom geworden van de heer W.Bertens. Na een ingrijpende verbouwing en renovatie van het bestaande woonhuis in de periode 2010-2012 is in 2017 een bouwvergunning verleend voor het huidige bijgebouw naast de woning.

2.2

Vigerende bestemmingsplan Tot het moment waarop het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt, geldt in het plangebied het bestemmingsplan “Kom Haaren”. Binnen deze bestemming is het plangebied eveneens aangeduid met de bestemming ‘wonen’ echter is geen extra wooneenheid toegestaan. Herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk.

2.3

Ruimtelijke en functionele structuur stedenbouwkundig De ruimtelijke structuur aan de Haarendijk laat duidelijk een lintbebouwing zien welke met het beoogde gebruik van het bestaande gebouw als woning niet verstoord wordt. wonen De hoofdfunctie binnen de kern Haaren is wonen. De woningbouw bestaat voornamelijk uit vrijstaande, twee-onder-een-kap en geschakelde woningen. Het wijzigen van het bijgebouw naar een seniorenwoning is daar een verantwoorde variant van.

2.4

Monumenten Gemeentelijke monumenten Op basis van de gemeentelijke monumentenverordening is een aantal objecten in de kern Haaren aangewezen als gemeentelijke monument. De gemeentelijke monumenten worden beschermd middels de gemeentelijke monumentenverordening. De woning naast het plangebied, Haarendijk 36-38, is aangewezen als monument. Het planvoornemen zal echter geen afbreuk doen aan de waarden van de naastgelegen woning. Het aspect ‘monumenten’ staat derhalve het plan niet in de weg.

Haarendijk 36, Haaren

6

3 Beleidskader 3.1

Europees beleid

3.1.1

Verdrag van Valletta (Malta) (1992) In 1992 is het Europese Verdrag van Valletta, aangaande de bescherming van het archeologisch erfgoed, ondertekend. Het Verdrag bepaalt onder andere dat archeologische belangen tijdig worden betrokken bij planvorming van ruimtelijke ontwikkelingen. Bij grootschalige werken in de bodem moeten archeologen worden geraadpleegd. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Op basis van de indicatieve archeologische waardenkaart (IKAW) is rondom en deels aan het plangebied een hoge of middelhoge indicatieve waarde toegekend. Het plangebied, te weten Haarendijk 36, is op de IKAW voor het grootste deel niet gekarteerd. Voorliggend bestemmingsplan sluit zich volledig aan bij het huidige bestemmingsplan “Kom Haaren”. Bij de totstandkoming van bestemmingsplan “Kom Haaren” heeft het noodzakelijke onderzoek plaatsgevonden. Ontwikkelingen vinden plaats binnen de huidige bestemming en zijn wat betreft de ruimtelijke consequenties minimaal te noemen. Ten behoeve van dit bestemmingsplan, “Kom Haaren”, is dan ook geen archeologisch onderzoek uitgevoerd, tevens is aan de uitvoering ervan geen onderzoeksplicht gekoppeld.

Voorts zijn op de Cultuurhistorische Waardenkaart geen elementen welke van invloed zijn op het plangebied Haarendijk 36.

Uitsnede IKAW / in rode cirkel Haarendijk 36

Haarendijk 36, Haaren

7

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig gebleken omdat de verschillende beleidsnota’s op het gebied van ruimte en mobiliteit gedateerd zijn door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De visie is vernieuwend in de zin dat ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur sterker dan voorheen met elkaar verbonden worden. De structuurvisie vervangt daarvoor de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits-Aanpak, de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving en de ruimtelijke doelen en uit-spraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de Agenda Land-schap, de Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. De Structuurvisie Nationaal Waterplan blijft in zijn huidige vorm als uitwerking van de SVIR bestaan. In de structuurvisie schetst het Rijk de ambities voor concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid tot 2040 (lange termijn) en doelen, belangen en opgaven tot 2028 (middellange termijn).

De centrale visie wordt uiteengezet in drie hoofddoelstellingen voor de middellange termijn (2028), namelijk “concurrerend, bereikbaar en leefbaar&veilig”. Voor de drie rijksdoelen zijn de onderwerpen van nationaal belang benoemd waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

De drie hoofddoelstellingen en 13 nationale belangen zijn: 1. Concurrerend = Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economisch structuur van Nederland. Hiervoor zijn de volgende nationale belangen benoemd: Nationaal belang 1: een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren; Nationaal belang 2: Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; Nationaal belang 3: Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; Nationaal belang 4: Efficiënt gebruik van de ondergrond; 2. Bereikbaar = Het verbeteren, in standhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat. Hiervoor zijn de volgende nationale belangen benoemd: Nationaal belang 5: Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor- en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen; Nationaal belang 6: Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor- en vaarweg; Nationaal belang 7: Het in standhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor- en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen; 3.

Leefbaar & veilig = Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn: Nationaal belang 8: Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s;

Haarendijk 36, Haaren

8

Nationaal belang 9: Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her) ontwikkeling; Nationaal belang 10: Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; Nationaal belang 11: Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; Nationaal belang 12: Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; De rijksverantwoordelijkheid voor het systeem van goede ruimtelijke ordening is zonder hoofddoelstelling, als afzonderlijk belang opgenomen: Nationaal belang 13: Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Naast de drie hoofddoelen wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en multimodale bereikbaarheid. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zijn nationale belangen opgenomen die zorgen voor een gegarandeerde basiskwaliteit voor alle bewoners van Nederland.

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is niet van betekenis voor bestemmingsplan “Kom Haaren”en daarmee dus ook niet voor dit voorliggend bestemmingsplan “Haarendijk 36”. Het bestemmingsplan heeft een consoliderend karakter en betreft geen nationaal belang. 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, d.w.z. door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening in werking getreden. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (de artikelen worden later aan het Barro toegevoegd) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Voor één onderwerp geregeld in dit besluit, voorziet het besluit niet in de (definitieve) begrenzing. Dit betreft de EHS. Ten aanzien van deze begrenzing is bepaald dat de provincies die grenzen (nader) bepalen.

Haarendijk 36, Haaren

9

Een deel van het Barro is gebaseerd is op eerdere pkb’s en beleidsnota’s die in de SVIR worden herbevestigd. Deze onderdelen kunnen na vaststelling van de structuurvisie de procedure volgen en vervolgens in werking treden. Het betreft de volgende onderdelen: - Project Mainportontwikkeling Rotterdam; - Kustfundament; - Grote rivieren; - Waddenzee en waddengebied; - Defensie, en - Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. De regels betreffende de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde kunnen overigens pas in werking treden, zodra de hiervoor bedoelde Spoedwet Wro in werking treedt (afhankelijk van de parlementaire behandeling). In de loop van 2012 wordt het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de ecologische hoofdstructuur (EHS), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Ook wordt het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Dit deel van het besluit is momenteel alleen nog in ontwerp gereed. Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. 3.2.3

Waterwet De Waterwet (22 december 2009) regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet vervangt de bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland, met uitzondering van de Waterschapswet.

3.2.4

Het Nationaal Waterplan ‘Een veilige leefbare delta, nu en in de toekomst’ Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van het wetsvoorstel Waterwet dat naar verwachting in 2009 in werking zal treden. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Belangrijke onderdelen van het Nationaal Waterplan zijn het nieuwe beleid op het gebied van waterveiligheid, het beleid voor het IJsselmeergebied, het Noordzeebeleid en de Stroomgebied beheerplannen op grond van de KRW. Tevens bevat het Nationaal Waterplan een eerste beleidsmatige uitwerking van de kabinetsreactie op het advies van de Deltacommissie. Als bijlage bij het ontwerp Nationaal Waterplan zijn beleidsnota's toegevoegd over waterveiligheid, het IJsselmeergebied en de Noordzee.

3.2.5

Wet luchtkwaliteit

Haarendijk 36, Haaren

10

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit uit 2005 en is een implementatie van de Europese kaderrichtlijn luchtkwaliteit en de vier dochterrichtlijnen waarin onder andere grenswaarden voor de luchtkwaliteit ter bescherming van mens en milieu zijn vastgesteld. Nederland kan in 2010 niet overal voldoen aan de Europese grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxide, waardoor de realisatie van grote ruimtelijke ontwikkelingen onder druk staat. Het doel van de Wet luchtkwaliteit is het verbeteren van de luchtkwaliteit, zodat in 2015 aan de Europese eisen wordt voldaan en huidige belemmeringen voor gewenste ontwikkelingen zo veel mogelijk worden weggenomen. De kern van de Wet is het ‘Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit’ (NSL). Dit instrument wordt door de Rijksoverheid gecoördineerd en bevat de ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit ‘in betekenende mate’ verslechteren en maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet langer afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is.

VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB), genaamd: “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. Projecten die de concentratie meer dan 3% van de grenswaarde van een stof verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Voor fijn stof en stikstofdioxide betekent dit een maximale toename van 1,2 μg/m3. Deze 3%-grens is in een gelijknamige ministeriële regeling voor een aantal veel voorkomende ruimtelijke functies gekwantificeerd als: - woningen: 1.500 woningen met één ontsluitingsweg; - kantoren: 10 hectare bruto vloeroppervlak (bvo) met één ontsluitingsweg; - landbouwinrichtingen: akkerbouw of tuinbouw met open teelt, teelt van eetbare gewassen in een gebouw of onverwarmde glastuinbouw ongeacht de omvang en verwarmde opstanden van glas of kunststof van maximaal 2 hectare; - kinderboerderijen. Dit laat onverlet dat burgers voldoende beschermd moeten worden tegen (tijdelijke) te hoge concentraties. Hiervoor is het noodzakelijk dat de luchtkwaliteit wordt betrokken in de afweging of er sprake is van ‘een goede ruimtelijke ordening’. Dit betekent dat de luchtkwaliteit ‘schoon’ genoeg moet zijn voor de functie die daar wordt toegelaten.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Op 1 oktober 2010 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening vastgesteld. Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie in werking getreden. In de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening geeft de provincie Brabant aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De Structuurvisie beschrijft een aantal trends en ontwikkelingen die ruimtelijke keuzes op provinciaal niveau vergen. Deze trends en ontwikkelingen zijn: - ruimtelijke kwaliteit staat onder druk;

Haarendijk 36, Haaren

11

-

veranderend klimaat; achteruitgang biodiversiteit; veranderend landelijk gebied; toenemende behoefte aan duurzame energie; toenemende concurrentie tussen economische regio`s; afnemende bevolkingsgroei; toename mobiliteit.

Daarnaast beschrijft de Structuurvisie de onderscheidende kwaliteiten van NoordBrabant. Dit zijn: - de natuurlijke basis; de belangrijkste trends en ontwikkelingen die ruimtelijke keuzes op provinciaal niveau vergen; - het ontginningslandschap; - het moderne landschap. Op basis van de hierboven beschreven trends en kernkwaliteiten geeft de Structuurvisie ruimtelijke keuzes voor de toekomstige ontwikkeling van NoordBrabant. De provincie kiest voor een ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie afkomen. De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen. De vier structuren zijn: - de groenblauwe structuur; - de agrarische structuur; - de stedelijke structuur; - de infrastructuur. Op basis van de Structuurvisie ligt Haaren in de stedelijke structuur, in de ‘kernen in het landelijke gebied’. In de stedelijke structuur wil de provincie het volgende bereiken: - concentratie van verstedelijking; - zorgvuldig ruimtegebruik; - meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; - betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; - versterking van de economische kennisclusters.

De provincie vindt het belangrijk dat er in Noord-Brabant verschil blijft tussen de steden en de kernen in het landelijk gebied. De provincie wil dat er verschillende kwaliteiten worden ontwikkeld voor wonen en werken rond de steden en in het landelijk gebied. Om zo bij te dragen aan een onderscheidend leef- en vestigingsklimaat ter versterking van de kenniseconomie in Brabant. Bij de opgave voor wonen en werken wordt het accent sterker verlegd naar de te ontwikkelen kwaliteiten, de inzet op herstructurering en het beheer van het bestaand stedelijk gebied. In de kernen in het landelijke gebied met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking wordt de lokale behoefte voor verstedelijking opgevangen (wonen, werken en voorzieningen). De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen en werken. De provincie vindt het daarnaast belangrijk dat stedelijke ontwikkelingen passen qua maat en schaal bij de kern. De ontwerpopgave hangt daarnaast samen met de historische gegroeide identiteit van kern en omliggend landschap en met de fase van verstedelijking van de kern (suburbaan, dorps of plattelandskern). Dit bestemmingsplan heeft een conserverend karakter. Eventuele toekomstige ontwikkelingen dienen aan te sluiten bij het beleid zoals gesteld in de Structuurvisie.

Haarendijk 36, Haaren

12

3.3.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening ruimte Noord-Brabant is een planologische verordening waarin eisen gesteld worden aan de door de gemeente op te stellen bestemmingsplannen en beheersverordeningen en vormt een direct toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Hierna wordt gesproken over de Verordening ruimte. De Interim omgevingsverordening bevat onder andere de volgende onderwerpen: - bevordering van de ruimtelijke kwaliteit; - stedelijke ontwikkeling; - agrarische ontwikkeling en windturbines; - water; - natuur en landschap; - cultuurhistorie. Het plangebied is in de Iov aangeduid op de themakaart ‘stedelijke ontwikkeling’. Hierop is het plangebied aangeduid als gelegen in ‘stedelijk gebied/landelijke kern’. Navolgend is een uitsnede weergegeven van deze themakaart met daarop het plangebied aangeduid.

In het ‘stedelijk gebied’ dient overeenkomstig de Iov zuinig ruimtegebruik plaats te vinden zodat minder beslag wordt gelegd op het buitengebied. Het plan voldoet hier aan doormiddel van inbreiding in een bestaand gebouw binnen de bebouwde kom.

Haarendijk 36, Haaren

13

3.3.3

Provinciaal Waterplan en provinciale Waterverordening Provinciaal Waterplan, vastgesteld op 20 november 2009 en in werking getreden 22 december 2009, beschrijft het strategische waterbeleid voor Noord-Brabant op hoofdlijnen en maakt duidelijk hoe aan het beleid uitvoering wordt gegeven. Het Provinciaal Waterplan bestaat uit een plantekst en 2 plankaarten. De plantekst beschrijft het provinciale waterbeleid. Het plan bestaat uit een strategisch deel en een operationeel deel. De hoofddoelstelling is dat ‘het water bijdraagt aan een gezonde omgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen’. Dit wordt vertaald in de volgende maatschappelijke doelen: - schoon grond- en oppervlaktewater voor iedereen; - adequate bescherming van Noord-Brabant tegen overstromingen; - Noord-Brabant heeft de juiste hoeveelheden water (niet te veel en niet te weinig). In aansluiting op de Waterwet is tevens een nieuwe provinciale Waterverordening in werking getreden.

3.4

Regionaal beleid

3.4.1

Waterschapsbeleid Waterbeheerplan 2016-2021 ‘Waardevol Water’ Het waterbeheerplan (1 januari 2016) beschrijft hoe Waterschap De Dommel samen met andere partijen invulling willen geven aan het waterbeheer in het stroom-gebied van De Dommel. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021 Het betreft alle aspecten rondom het beheer van de watergangen, stuwen, gemalen, transportstelsels en rioolwaterzuiveringen, zowel onder normale omstandigheden als in het geval van calamiteiten. Het waterbeheerplan is een strategisch document. Het geeft op hoofdlijnen een beschrijving van de doelen van het Waterschap en hoe de doelen gerealiseerd worden. Concrete uitwerking van deze doelen vindt voor een groot deel plaats in gebiedsprojecten. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in thema’s: - droge voeten; - voldoende water; - natuurlijk water; - schoon water; - schone waterbodems; - mooi water. Binnen de kerntaken van het Waterschap is daarnaast gekozen voor 2 prioriteiten: - Waterberging: in 2015 dient het bebouwd gebied, conform het Nationaal Bestuurs-akkoord Water voldoende beschermd zijn. - Natura 2000: De Natura 2000-gebieden hebben zeer hoge natuurwaarden en veel potenties voor het vergroten hiervan. Deze gebieden maken deel uit van de ‘beschermde gebieden’ van de KRW, waarvoor herstel en bescherming urgent is.

Haarendijk 36, Haaren

14

Om de doelen te behalen wordt samengewerkt met andere organisaties. Samenhangende projecten worden uitgewerkt in concrete gebiedsplannen. Toetsinstrumentarium Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen Waterschap De Dommel en Waterschap Aa en Maas hebben in de notitie “Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk” (11 juli 2006) een definitie en randvoorwaarden gegeven voor het Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen. Daarbij is een vertaalslag gemaakt naar vijf toets aspecten waaraan een plan of ontwikkeling getoetst kan worden. Voor de toetsing zijn drie methodieken onderscheiden met een verschillend detailniveau: de kengetallenmethode, het bakjesmodel en een (geo)hydrologische modellering. In dit project is een toetsinstrumentarium ontwikkeld om het Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen te implementeren in het watertoetsproces en de verschillende aspecten van een plan daadwerkelijk te kunnen toetsen. Daarbij is echter geen onderscheid gemaakt tussen de kengetallenmethode of het bakjesmodel, maar is voor alle kleine tot middelgrote plannen één eenduidig toetsinstrumentarium ontwikkeld. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de ontwikkeling geen hydrologische achteruitgang ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg heeft.

Er mogen geen hydrologische knelpunten worden gecreëerd voor de te handhaven en de vastgelegde toekomstige landgebruikfuncties in het plangebied en het beïnvloedingsgebied. Concreet betekent dit dat: - de afvoer uit het gebied niet groter is dan in de referentiesituatie; - de omvang van grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; - de grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; - de (grond)waterstanden in het plangebied moeten aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf; - het plangebied moet zo worden ingericht, dat de gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving, die van invloed zijn op de (grond)waterstanden, niet leiden tot knelpunten in het plangebied. Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel in te breiden in het vigerende bestemmingsplan “Kom Haaren”. Dit betekent dat vooralsnog geen veranderingen zijn gepland binnen de bestemmings-plangrenzen die van invloed zijn op de waterhuishouding.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Structuurvisieplus gemeente Haaren Momenteel geldt nog de Structuurvisieplus van de gemeente Haaren, met de actualisatie hiervan op basis van de Wro is reeds gestart. De structuurvisie heeft voor ontwerp ter inzage gelegen vanf donderdag 12 december 2013 gedurende 6 weken. De historische routes zijn de hoofdelementen van de huidige stedenbouwkundige opbouw. Het open beekdal van de Ruijsbossche Waterloop ligt aan de oostzijde van de kern Haaren en vormt een sterke ruimtelijke begrenzing voor de kern Haaren. Langs de Helvoirtseweg en de Kerkstraat is sprake van een transparante, zachte bebouwingsrand naar dit beekdal waarbinnen nog mogelijkheden zijn voor bebouwing. Ook de bebouwing langs de Haarendijk, de Nemelaerstraat, het Eind en de Pastoor Jansenstraat kenmerkt zich door een zachte bebouwingsrand aan het

Haarendijk 36, Haaren

15

open beekdal. Deze bebouwingsranden zijn minder transparant. Om toch relaties te behouden met het landelijk gebied, de transparantie, dient er geen bebouwing meer toegevoegd te worden in deze randen. De ligging van het beekdal tussen deze straten is bijzonder en dient zeker behouden te blijven. Vanuit de zuidkant vormt de Haarendijk de verbinding met het Eind. Voor het Eind geldt dat de oorspronkelijke structuur van de oude Brink nog herkenbaar is in zowel de verkavelings- als verkeersstructuur. De separate ligging van het Eind aan de zuid-oostkant van de kern is uniek te noemen en dient als zodanig behouden te blijven. Aan de zuid- en westzijde van de kern bepaalt het ongelijkmatige verloop van de begrenzing een grote diversiteit in karakter. Over het geheel genomen kan hier gesproken worden van een harde kernrand door de dichte bebouwingsranden en de minimale relaties met het landelijk gebied. Door woningbouw te realiseren in het gebied ten westen van de Tempeliersweg wordt de begrenzing van Haaren aan deze zijde sterk verbeterd, waarbij de voorkeur uitgaat naar een transparante, zachte bebouwingsrand. Hierbij dient er voor gewaakt te worden dat de entree aan deze zijde van Haaren een landelijke uitstraling blijft houden.

De woningen aan de zuidzijde van de Kantstraat tussen het Holleneind en de Monseigneur Zwijsenstraat hebben namelijk een zeer landelijke uitstraling door de diepe, groene voortuinen en de lage bebouwings-elementen. Het oostelijke deel van de Kantstraat, vanaf de Vogelenzang vormt een geleidelijke overgang naar het landelijk gebied door vrijliggende bebouwingselemen-ten in verspringende rooilijnen, waarbij het landelijk gebied tussen de bebouwingselementen door tot aan de Kantstraat reikt. Het beekdal van de Raamse Loop vormt aan deze zijde de ruimtelijke begrenzing van de kern Haaren. De afronding van bedrijventerrein ‘t Hopveld aan de noordzijde van de kern, met bedrijven die een representatieve uitstraling hebben, verbetert de entreesituatie van Haaren aan deze zijde. De kern Haaren heeft een bijna compleet aanbod aan winkels voor dagelijkse goederen. Het aanbod in niet-dagelijkse goederen is, in tegenstelling tot vergelijkbare kernen, minder compleet. Een kwalitatieve versterking van het winkelaanbod in com-binatie met een verbetering van de inrichting van de openbare ruimte draagt bij aan het vergroten van de binding van de lokale bestedingen binnen het eigen winkelgebied.

Voorwaarden hierbij zijn dat het winkelaanbod wordt aangevuld en verbreed (afgestemd op grootte en functie van de betreffende kern), er een concentratie van winkels en publieksgerichte functies wordt gerealiseerd en de winkelpanden van voldoende (beeld)kwaliteit zijn. Na de uitspraak van de Raad van State worden delen van het bestemmingsplan Centrumplan overgenomen in dit bestemmingsplan. Voor de niet goedgekeurde delen wordt teruggevallen op het voorgaande bestemmingsplan voor het centrum. Ten aanzien van bedrijvigheid dient prioriteit gegeven te worden aan het ontwikkelen van ‘t Hopveld, aangezien deze locatie direct is gekoppeld aan de herstructurering van de Copal locaties, in de bebouwde kom van Haaren. Ook de verplaatsing van de LPG stations in Haaren dient prioriteit te krijgen. Voor het LPG station in de kern Haaren is dit inmiddels gebeurd. Het bestemmingsplan “Kom Haaren” heeft een conserverend karakter. De gewenste invulling van het perceel Haarendijk 36 doet het karakter van dit lint geen geweld aan. En sluit redelijk tot goed aan bij het beleid zoals gesteld in de Structuurvisieplus van de gemeente Haaren.

Haarendijk 36, Haaren

16

3.5.2

Woonvisie 2017-2021 “Van Wensen naar Wonen” De gemeente Haaren is een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente. De vorige woonvisie ‘Jouw kruiwagen naar mooi wonen’ is vastgesteld in 2011. Sindsdien hebben zich op de woningmarkt, mede onder invloed van de herziene Woningwet, de nodige ontwikkelingen voorgedaan. Deze ontwikkelingen vragen een actuele visie op het wonen in Haaren. Om die reden is de woonvisie geactualiseerd. De Woonvisie Haaren 2017-2021 geeft de visie voor de komende vijf jaren weer. Nieuwbouw en woningbouwprogrammering De beoogde ontwikkeling is de uitwerking en invulling van reeds geprognotiseerde woningbouw. De woonvisie beschrijft binnen de bestaande woningvoorraad een spanningsveld; Met de gewenste invulling van dit plangebied, Haarendijk 36, wordt een duidelijke invulling gegeven aan de eisen uit de Woonvisie 2011-2015. De verbouw van het bijgebouw tot seniorenwoning draagt positief bij aan hoeveelheid senioren woningen in de gemeente Haaren.

4

Ruimtelijke- en milieuaspecten

4.1

Bedrijvigheid

4.1.1

Inleiding Er is onderzoek gedaan voor het bestemmingsplan “Kom Haaren” naar (mogelijke) hinder van aanwezige bedrijven in en rond het plangebied. Voor de bedrijven is onderzocht in hoeverre deze het gebied beïnvloeden.

4.1.2

Analyse In de nabijheid van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig die negatieve invloed hebben op het plangebied. De toevoeging van extra bedrijven is niet toegestaan in het plangebied van het bestemmingsplan “Kom Haaren”. Ten tijde van het opstellen van dat bestemmingsplan is er ook geen sprake van procedures ten behoeve van de vestiging van nieuwe bedrijven in of in de nabijheid van het plangebied.

4.1.3

Conclusie Het aspect bedrijvigheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

4.2

Geluid

4.2.1

Inleiding In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat locaties in het bestemmingsplan waar nieuwe woningen en andere nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen kunnen

Haarendijk 36, Haaren

17

worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeerswegen, spoorwegen en bedrijventerreinen. 4.2.2

Analyse Voor het plan is een geluidsonderzoek uitgevoerd ten aanzien van het wegverkeerslawaai. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 3. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt aan de voorzijde ten hoogste 57 dB in het jaar 2031. Aan de achterzijde bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 27 dB. Aan de voorzijde is sprake van een "matige" milieukwaliteit en aan de achterzijde waar een langduriger verblijf buiten mag worden verwacht is sprake van een "goede" milieukwaliteit.

4.2.3

Conclusie Concluderende kan worden gesteld dat het onderdeel geluid de voorgenomen oprichting van een seniorenwoning op de planlocatie niet in de weg hoeft te staan.

4.3

Bodem

4.3.1

Inleiding De provincie Noord-Brabant gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit.

4.3.2

Beoordeling Het plan ziet toe op de realisatie van een seniorenwoning op een bestaand woonerf en in een bestaand (bij)gebouw. Het plangebied heeft een oppervlakte van 500 m², zoals weergeven op onderstaande afbeelding. In de huidige situatie is het plangebied reeds ingericht als seniorenwoning met daarbij een kleine achtertuin van ca.100 m². De achtertuin is omheind met een houten schutting op de grens van het plangebied. Het gebruik van de beoogde seniorenwoning strekt derhalve niet verder dan het plangebied.

Haarendijk 36, Haaren

18

De beoogde planlocatie heeft reeds in de bestaande situatie de bestemming ‘wonen’ en wordt daarmee geschikt geacht voor de beoogde functie. Historisch onderzoek In het verleden maakte het plangebied onderdeel uit van het agrarisch bedrijf op Haarendijk 36-38, welke werd gebruikt één agrarische woning met bijbehorende bijgebouwen, erven en weilanden. In 2005 is het agrarisch bedrijf beëindigd en zijn de woningen Haarendijk 36-38 gesplitst ten behoeve van een woonfunctie. Destijds heeft het perceel een woonfunctie gekregen en is beoordeeld of de onderliggende gronden geschikt zijn voor de beoogde woonfunctie. Ruimtelijk gezien is dit onder andere geformaliseerd in het bestemmingsplan ‘Kom Haaren’ (vastgesteld op 12-12-2013). In het huidige bestemmingsplan is, door het toekennen van een woonbestemming derhalve reeds aangetoond dat de gronden binnen het plangebied geschikt zijn voor de woonfunctie. Onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van het bestemmingsplan ‘Kom Haaren’, waarin de planlocatie van onderhavig plan is weergeven.

Haarendijk 36, Haaren

19

Ten overvloede dient beoordeeld te worden dat in 2010 bij aankoop van het gehele perceel (nr. 2262) door initiatiefnemer een onderzoek is uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. Destijds is geconcludeerd dat de bodem van het gehele perceel, met een onderzochte omvang van 5.200 m² geschikt is voor de woonfunctie. Op basis van het bodemonderzoek uitgevoerd in 2010 kan worden geconcludeerd dat het plangebied in onderhavig plan destijds braakliggend was in de vorm van een voortuin en een schuur en stal aanwezig waren. De schuur en stal zijn in de loop der jaren op een verantwoorde manier gesaneerd zoals dit is toegestaan op gronden behorende bij een burgerwoning.

Haarendijk 36, Haaren

20

Erfverharding met gebroken puin Uit het bodemonderzoek dat is uitgevoerd door Bakker Milieuadviezen Waalwijk in februari 2010 blijkt dat puinverharding aanwezig is ter plaatse van boringen 1, 6 en 8, en dat deze zoals gebruikelijk in die tijd, niet zijn onderzocht op asbesthoudende materialen. Op onderstaande afbeelding is de puinverharding weergeven (geel gearceerd). Het plangebied, rood gearceerd, is gelegen buiten de destijds aanwezige puinverharding.

Luchtfoto 2009 (puinverharding geel gearceerd)

Haarendijk 36, Haaren

21

Sinds 2010 hebben diverse activiteiten op de planlocatie plaatsgevonden, zo is medio 2012-2013 de voormalige puinverharding verwijderd bij het aanleggen van nieuwe bestrating rondom de woning Haarendijk 36, zie onderstaande luchtfoto:

Luchtfoto 2013 nieuwe bestrating Haarendijk 36 Drupzone gesaneerde asbest Voor de start van de bouw van het gebouw in het plangebied, medio 2018, had sloop van de voormalige wagenloods plaatsgevonden. Voorafgaand aan de sloop van de wagenloods heeft asbest inventariserend onderzoek plaatsgevonden op basis van de destijds geldende normen. Destijds is niet beoordeeld of een asbestverontreiniging heeft plaatsgevonden in de drupzone. Na sloop de wagenloods heeft in 2019 een algehele egalisatie van perceel 2262 met een omvang van 5.200 m² plaatsgevonden, zie onderstaande afbeeldingen. Om een asbestverontreiniging uit te sluiten is aanvullend bodemonderzoek naar asbest in de bodem uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in de bijlage. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat zowel zintuigelijk als analytisch geen asbest in de bodem is aangetroffen. Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek zijn er geen bezwaren voor het huidige en/of toekomstige gebruik van de locatie.

Haarendijk 36, Haaren

22

Perceel 2262 geheel geëgaliseerd en omgewoeld (links) Detail van de planlocatie (rechts), duidelijk zichtbaar dat ook rondom de woning is geëgaliseerd en omgewoeld

4.3.3

Conclusie

Op basis van het (historische) gebruik van de planlocatie én het aanvullend bodemonderzoek mag worden aangenomen dat: 1. de gronden ter plaatse van de planlocatie hoofdzakelijk zijn gebruikt als voortuin; 2. binnen de planlocatie geen puinverharding aanwezig was, de voormalige puinverharding op het perceel 2262 die in 2010 is aangetroffen was niet gelegen binnen de plangrenzen van onderhavig plan; 3. de gesloopte opstallen op een reguliere wijze zijn gesaneerd, waarbij voor het saneren van asbest een inventarisatie heeft plaatsgevonden. Asbest is destijds deskundig verwijdert, waardoor het risico op verspreiding van asbest minimaal is. 4. De bodem niet verontreinigt is met asbest. Het aspect ‘bodem’ staat het planvoornemen niet in de weg.

4.4.

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen,

Haarendijk 36, Haaren

23

spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ➢ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ➢ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ➢ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden?

Haarendijk 36, Haaren

24

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, het Barro, de effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’. Inventarisatie Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In navolgend figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Uit de risicokaart blijkt, dat er geen inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van het plangebied zijn gelegen, welke een risicocontour over de plangebieden hebben liggen. Tevens zijn er geen buisleidingen, wegen en vaarwegen aanwezig, waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in de omgeving met een risicocontour (veiligheidscontour, PR-10-6 contour en/of invloedsgebied) over de plangebieden. Spoor Tilburg-’s-Hertogenbosch Over het spoor Tilburg - ‘s-Hertogenbosch vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied (scenario toxisch = 4.000 meter) van dit spoor.

Omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van het spoortraject Tilburg - ‘s-Hertogenbosch dient conform art. 7 BEVT het groepsrisico te worden verantwoord. Voor het project is de Brandweer Brabant-Noord om advies gevraagd. Uit de beoordeling blijkt dat de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid niet negatief worden beïnvloed. Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling, er is geen reden voor nader advies.

Haarendijk 36, Haaren

25

Als bijlage is de beoordeling van de Brandweer Brabant-Noord aangaande het groepsrisico opgenomen. Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling.

4.5

Water

4.5.1

Inleiding Het doel van de waterparagraaf is de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig meenemen bij de ruimtelijke plannen. Hierbij wordt ingegaan op de gevolgen van het plan op de waterhuishouding en wordt een beschrijving gegeven van de maatregelen die worden getroffen. In deze paragraaf is een beknopt overzicht gegeven van het relevante beleid ten aanzien van water. Voor meer achtergronden van dit beleid wordt verwezen naar de verschillende beleidsdocumenten. Een vertaling van de waterdoelstellingen, zoals deze in de diverse stukken zijn beschreven, heeft plaatsgevonden in het actuele beleid van het waterschap. Een samenvatting hiervan is opgenomen in de volgende paragraaf. In de daarna volgende paragrafen wordt het onderhavige initiatief getoetst aan dit beleid.

4.5.2

Rijksbeleid De Waterwet (22 december 2009) regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vast-stellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet vervangt de bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland, met uitzondering van de Waterschapswet. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van het wetsvoorstel Waterwet dat naar verwachting in 2009 in werking treedt. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Belangrijke onderdelen van het Nationaal Waterplan zijn het nieuwe beleid op het gebied van waterveiligheid, het beleid voor het IJsselmeergebied, het Noordzeebeleid en de Stroomgebiedbeheerplannen op grond van de KRW. Tevens bevat het Nationaal Waterplan een eerste beleidsmatige uitwerking van de kabinetsreactie op het advies van de Deltacommissie.

4.5.3

Provinciaal beleid Het Provinciaal Waterplan is vastgesteld op 20 november 2009 en in werking getreden 22 december 2009. Dit plan beschrijft het strategische waterbeleid voor Noord-Brabant op hoofdlijnen en maakt duidelijk hoe aan het beleiduitvoering wordt gegeven. De hoofddoelstelling is dat ‘het water bijdraagt aan een gezonde omgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Dit wordt vertaald in de volgende maatschappelijke doelen: - schoon grond- en oppervlaktewater voor iedereen; - adequate bescherming van Noord-Brabant tegen overstromingen;

Haarendijk 36, Haaren

26

-

Noord-Brabant heeft de juiste hoeveelheden water (niet te veel en niet te weinig).

In aansluiting op de Waterwet is tevens een nieuwe provinciale Waterverordening in werking getreden. 4.5.4

Waterschapsbeleid Het waterschapsbeleid is beschreven in het Waterbeheerplan 2010-2015 ‘Krachtig Water’ (22 december 2009). Dit plan beschrijft hoe Waterschap De Dommel samen met andere partijen invulling willen geven aan het waterbeheer in het stroomgebied van De Dommel. Binnen de kerntaken van het Waterschap is gekozen voor 2 prioriteiten: - Waterberging: in 2015 dient het bebouwd gebied, conform het Nationaal Bestuurs-akkoord Water voldoende beschermd zijn. - Natura 2000: De Natura 2000-gebieden hebben zeer hoge natuurwaarden en veel potenties voor het vergroten hiervan. Deze gebieden maken deel uit van de ‘beschermde gebieden’ van de KRW, waarvoor herstel en bescherming urgent is. Toetsinstrumentarium Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen Waterschap De Dommel en Waterschap Aa en Maas hebben in de notitie “Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk” (11 juli 2006) een definitie en randvoorwaarden gegeven voor het Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de ontwikkeling geen hydrologische achteruitgang ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg heeft. Er mogen geen hydrologische knelpunten worden gecreëerd voor de te handhaven en de vastgelegde toekomstige landgebruikfuncties in het plangebied en het beïnvloedingsgebied.

Concreet betekent dit dat: - de afvoer uit het gebied niet groter is dan in de referentiesituatie; - de omvang van grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt; - de grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties; - de (grond)waterstanden in het plangebied moeten aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied zelf; - het plangebied moet zo worden ingericht, dat de gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving, die van invloed zijn op de (grond)waterstanden, niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

4.5.5

Situatie plangebied Binnen het plangebied is reeds bebouwing aanwezig. In totaal kan met de bestaande bebouwing, erfverharding en de mogelijkheid voor bijgebouwen naar verwachting circa 250 m² verhard oppervlak ontstaan. Binnen het plangebied dient een bui van 60mm regen op eigen terrein te worden opgevangen en verwerkt te worden. De vereiste compensatie kan berekend worden door het verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,060 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (m)

Haarendijk 36, Haaren

27

De benodigde compensatie voor de locatie betreft dus: 250 x 1 x 0,06 = 15 m³. Op basis van de grondwaterstand van de omliggende percelen mag worden aangenomen dat de GHG uiterlijk 20 cm beneden peil is gelegen. Om 15 m3 te borgen wordt 100 m² van de achtertuin verlaagd met 15 cm. Hierdoor wordt voldaan aan de noodzakelijke bergingsbehoefte. Op onderstaande afbeelding is de GHG, het plangebied (zwart omlijnd) en de locatie van de retentievoorziening (rood) weergeven.

Afbeelding: Gemiddelde hoogste grondwaterstand (bron: Provincie Noord-Brabant)

4.6

Wet Natuurbescherming

4.6.1

Inleiding Ten behoeve van de bescherming van zeldzame of kwetsbare planten en dieren is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Middels de Wet Natuurbescherming worden waardevolle natuurgebieden en soorten beschermd.

4.6.2

Analyse Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de

Haarendijk 36, Haaren

28

wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. De afstand van de planlocatie tot omliggende Natura 2000gebieden is weergeven op onderstaande afbeelding.

Gezien de afstand ca. 1,5 kilometer betreft, is enkel de mogelijke stikstofdepositie ten aanzien van het planvoornemen relevant. In de bijlage is derhalve een AERIUS-berekening toegevoegd voor de gebruiksfase, zijnde de dagelijkse verkeersbewegingen van de toekomstige bewoners van de woning en een AERIUS-berekening voor de aanlegfase. Voor de aanlegfase worden de verkeersbewegingen onderverdeeld in licht verkeer (zoals personenauto’s, bestelbussen en vrachtwagens met 4 wielen), zwaar verkeer (zoals vrachtwagens en trekkers) en mobiele werktuigen (zoals verreijkers, heftrucks en hijskranen). Voor wat betreft de aanlegfase is in dit onderzoek uitgegaan van 365 werkdagen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat voor het project in totaal 1460 lichte verkeerbewegingen (personenauto van de uitvoerder welke elke dag het project betreedt en 3 werkbusjes van het personeel/onderaannemers per dag), 104 middelzwaar vrachtverkeerbewegingen (2 bodediensten per week en ten behoeve van levering EPS bekisting, steigerwerk, kozijnen, etc.) en 104 zwaar vrachtverkeerbewegingen (wapening, vloeren, gevelstenen, etc.) nodig zijn. Ten aanzien van de mobiele bronnen is uitgegaan van de inzet van onderstaande werktuigen. Werktuig Betonstorters

Haarendijk 36, Haaren

Bouwjr. 2019

Brandstof Diesel

29

Vermogen (kW) Lastfactor 200 15

Draaiuren (per jaar) 24

Mobiele kraan Graafmachine Verreiker Hijskraan

2020 2020 2020 2019

Diesel Diesel Diesel Diesel

125 60 70 200

40 50 25 25

24 24 100 24

Conclusie Het planvoornemen heeft een stikstofuitstoot op omliggende Natura2000-gebieden van 0,00 mol/ha/jr, in de aanlegfase alsmede de gebruiksfase, zoals blijkt uit een Aerius berekening in bijlage 2. De ontwikkeling van de woning heeft met zekerheid geen mogelijke effecten op een Natura-2000 gebied. Soortenbescherming Voorliggend plan heeft slechts een geringe invloed op de eventueel aanwezige flora en fauna. Ter plaatse van de geplande woning bestaat het terrein thans uit tuin/gras. De kans op aanwezigheid van bijzondere flora en fauna op deze locatie wordt gezien het gebruik en de omvang zeer gering geacht. Het achter de percelen gelegen grasland/weiland blijft ook in de nieuwe situatie onbebouwd en wordt hier beplanting aangebracht als erfafscheiding. Ook deze ingreep heeft geen negatieve effecten op de eventueel aanwezige flora en fauna. Kortom, een flora en fauna onderzoek wordt niet nodig geacht omdat de kans op aanwezigheid van bijzondere flora en fauna ter plaatse van de ingreep zo gering is. Bij het slopen van de oude, vervallen bijgebouwen en het mogelijk kappen van enkele oudere bomen dient ten allen tijde rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen. Alle vleermuizen zijn strikt beschermd onder de Flora- en faunawet. Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11088201/1