22-170 VVGB varkenshouderij Oisterwijksebaan 6 - bijlage 1 nota van zienswijzen
Tekst van het document
Gemeente Oisterwijk
Nota van zienswijzen Procedure omgevingsvergunning Oisterwijksebaan 6 te Heukelom Varkenshouderij
Zaaknummer OMWB Zaaknummer Gemeente Datum: 27 oktober 2022
: 2022-017236 : 143945
Nota van zienswijzen Op 18 november 2016 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het veranderen en uitbreiden van een bestaande varkenshouderij. De aanvraag gaat over de inrichting gelegen aan de Oisterwijksebaan 6 te Heukelom. De aanvraag is geregistreerd in het omgevingsloket onder het nummer 2545505. Op 26 januari 2022 is de ontwerpbeschikking omgevingsvergunning gepubliceerd in het digitale gemeenteblad van de gemeente Oisterwijk (officiële bekendmakingen.nl). De ontwerpbeschikking heeft van 28 januari 2002 tot en met 11 maart 2022 voor iedereen ter inzage gelegen op het gemeentekantoor van de gemeente Oisterwijk. Een ieder is in deze periode in de gelegenheid gesteld om zijn of haar opmerkingen of zienswijzen over de ontwerpbeschikking naar voren te brengen. Er zijn twee zienswijzen ingekomen. De ontvangen zienswijzen zijn tijdig ingediend en worden betrokken bij deze procedure. In deze nota van zienswijzen zijn de gemaakte opmerkingen samengevat en wordt aangegeven hoe deze betrokken worden in de verdere vergunningprocedure. Ontvangen zienswijzen Naar aanleiding van de publicatie van de ontwerpbeschikking en de ter inzage legging hebben wij de volgende zienswijzen ontvangen: Nummer 1 2
Indiener zienswijze Brabantse milieufederatie, mede namens Vereniging B-Team Oisterwijk Vereniging Westend en Omwonenden Oisterwijk
Datum ingekomen zienswijze 8 maart 2022 15 februari 2022
Samenvatting zienswijzen Onderstaand volgt een samenvatting van de ingekomen zienswijzen. Met daaronder (cursief) een inhoudelijke reactie op het genoemde punt. Dat de zienswijze is samengevat, betekent overigens niet dat deze slechts gedeeltelijk zijn beoordeeld. Bij de beantwoording is de volledige zienswijze betrokken. 1. Brabantse milieufederatie 1.1 Reclamant constateert dat de aanvraag dateert uit 2016 en dat deze geactualiseerd had moeten worden omdat het aangevraagde stalsysteem en luchtwassysteem geen actueel stalsysteem is en er studies zijn gedaan naar de effectiviteit van de werking van deze systemen. Men vraagt zich af of hierdoor de Best beschikbare Technieken (BBT) worden toegepast. Sinds het indienen van de aanvraag zijn er verschillende ontwikkelingen en wijzigingen geweest binnen de wet- en regelgeving. De gegevens van de aanvraag zijn hierop meerdere malen aangepast en geactualiseerd. De meest recente stukken behorende bij de aanvraag welke zijn betrokken bij de vergunning zijn opgesomd op de eerste pagina van de (ontwerp)beschikking. De aanvraag (en de VVGB natuur) is op het moment van (ontwerp)beschikking getoetst aan het meest actuele toetsingskader waaronder de BBT.
Resumerend dateert de aanvraag dus weliswaar uit 2016 maar voldoet ten aanzien van de natuur- en milieueisen aan de meest recente wet- en regelgeving omdat hiervoor het moment van besluit bepalend is. 1.2
Reclamant geeft aan dat de aanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning, nog steeds gaat over 114 stuks jongvee. Dat betekent dat het jongvee niet is meegenomen in de beoordeling. Lopende deze vergunningprocedure heeft de aanvrager zijn aanvraag meerdere malen aangepast en gewijzigd. De oorspronkelijk aangevraagde 114 stuk jongvee worden volgens de laatste wijziging van de aanvraag niet meer aangevraagd. Zie hiervoor de beschrijving in het overzicht van de voorgenomen omvang en in de dierentabel van de beoogde situatie in de bijlagen aanvraag omgevingsvergunning activiteit milieu, d.d. 21 september 2021. Zoals blijkt uit voorschrift 5.19.1 van de (ontwerp)beschikking is het houden van jongvee ook niet vergund.
1.3
Reclamant geeft aan dat er een Milieueffectrapport (MER) had moeten gemaakt. Het gaat om een uitbreiding met o.a. 4.876 gespeende biggen en 2.447 mestvarkens, waarmee de drempelwaarden van de D-lijst van het Besluit milieueffectenrapportage wordt overschreden en er een m.e.r.-plicht geldt. Bovendien is gezien de ligging t.o.v. Natura 2000-gebieden een passende beoordeling en een MER verplicht. De aangevraagde activiteiten vallen onder categorie D14 van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Het is juist dat deze drempelwaarden worden overschreden. Hierdoor geldt er een formele m.e.r.-beoordelingsplicht. De drempelwaarden van categorie C14 (3.000 mestvarkens en/of 900 zeugen) van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage worden niet overschreden. Hierdoor geldt er geen directe m.e.r.-plicht. De aangevraagde omgevingsvergunning (een project) betreft geen (wettelijk of bestuursrechtelijk verplicht) plan waarvoor en passende beoordeling en hierdoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In verband met de m.e.r-beoordelingsplicht heeft de initiatiefnemer op 1 maart 2016 een m.e.r.-beoordelingsnotitie ingediend. Op 20 december 2016 heeft het college besloten dat het opstellen van een milieueffectrapport voor dit initiatief niet nodig is. Lopende de vergunningprocedure is de aanvraag meerdere malen aangepast en gewijzigd.
In de (ontwerp)beschikking hebben wij in paragraaf 1.13 gemotiveerd dat de wijzigingen van de aanvraag, na het besluit op de mer-beoordeling, niet leiden tot een ander oordeel over het niet hoeven opstellen van een milieueffectrapport.
1.4
Reclamant geeft aan dat bij de berekening van de geurbelasting niet wordt gerekend met de gezondheidskundige advieswaarden van de GGD. De gebruikte geurnormen in de ontwerpbeschikking zijn twee keer zo hoog dan de GGD advieswaarden. De toename van de geuremissie wordt veroorzaakt door de, lopende deze vergunningprocedure, gewijzigde (naar boven bijgestelde) geuremissiefactoren uit de Regeling geurhinder en veehouderij waarmee gerekend moet worden. Deze factoren zijn bijgesteld in verband met de tegenvallende effectiviteit van de werking van luchtwassers. Het is juist dat het onderdeel geur niet getoetst wordt aan de advieswaarden voor geur van de GGD. Deze waarden van de GGD hebben geen wettelijke status. Het toetsingskader voor de beoordeling van de geurbelasting betreft de geurnormen en vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij. De aanvraag is hieraan getoetst. Aan deze geurnormen en vaste afstanden wordt voldaan.
1.5
Reclamant geeft aan dat uit het onderzoek van de WUR uit november 2021 (over de effectiviteit van luchtwassers) blijkt dat het enige tijd duurt voordat een luchtwasser weer op volle sterkte functioneert na storingen en schoonmaak van het pakket. Dit zorgt voor extra emissies en is niet mee berekend in de vergunning. Aanvragen worden op basis van het toetsingskader beoordeeld wat geldt op het moment van het indienen van de aanvraag. Op dit moment geldt dat voor emissieberekeningen voor ammoniak en geur van een specifiek systeem uitgegaan mag worden van de vastgestelde emissiefactoren uit de Regeling ammoniak en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij.
1.6
Reclamant vraagt zich af waarom de volgende objecten niet als geurgevoelig object zijn meegenomen bij de beoordeling van geurhinder: het kinderdagverblijf aan de Spoordijk 8, het pand Oisterwijksebaan 6a, de kampeerboerderij aan de Laag Heukelomseweg 5 en de camping aan de Laag Heukelomseweg 3a. Het kinderdagverblijf aan de Spoordijk 8 betreft een geurgevoelig object wat onderdeel uitmaakt van een rundveehouderij. Wij hebben geoordeeld dat dit agrarisch kinderdagverblijf behorende bij een andere veehouderij dezelfde bescherming tegen geurhinder geniet als de bedrijfswoning van deze veehouderij. Wij hebben deze geur gevoelige objecten behorende bij een andere veehouderij, ter voorkoming van geurhinder, getoetst aan de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij (artikel 3, lid 2) die gelden voor geurgevoelige objecten behorende bij een (voormalige) veehouderij. In de ontwerpbeschikking is een dichterbij gelegen geurgevoelig object behorende bij een (voormalige) veehouderij (de bedrijfswoning Spoordijk 7) beschreven met de afstanden waaruit blijkt dat bij deze woning wordt voldaan aan de afstandseisen ter voorkoming van geurhinder. Hiermee wordt dan tevens voldaan aan de verder weg gelegen bedrijfswoning en het agrarisch kinderdagverblijf aan de Spoordijk 8. Het pand Oisterwijksebaan 6a betreft een van de eigen bedrijfswoningen gelegen binnen de inrichting.
De eigen bedrijfswoning wordt niet als geurgevoelig object gezien en wordt niet beschermd tegen geur afkomstig van de dieren gehouden binnen de eigen veehouderij. Het geurgevoelig object Laag Heukelomseweg 5 is wel degelijk meegenomen in de geurberekening. Op dit geurgevoelig object bedraagt de geurbelasting 1,9 OUe/m3 en voldoet ruimschoots aan de geurnorm van 14,0 OUe/m3. Het geurgevoelig object aan de Laag Heukelomseweg 3a is in de geurberekening niet meegenomen omdat in dezelfde richting rondom de veehouderij een dichterbij gelegen geurgevoelig object is meegenomen in de berekening, zijnde de laag Heukelomseweg 2a. Op dit geurgevoelig object bedraagt de geurbelasting 3,4 OUe/m3 en voldoet ruimschoots aan de geurnorm van 14,0 OUe/m3. Iets noordelijker in de zelfde richting op ongeveer dezelfde afstand is tevens de woning Laag Heukelomseweg 3 meegenomen in de geur berekening. Op dit geurgevoelig object bedraagt de geurbelasting 4,2 OUe/m3 en voldoet tevens ruimschoots aan de geurnorm van 14,0 OUe/m3. Hiermee is het voldoende aannemelijk dat ook ter plaatse van het verder weg gelegen geurgevoelig object aan de Laag Heukelomseweg 3a (ruimschoots) voldaan zal worden aan de geurnorm.
1.7
Reclamant geeft aan dat de aanwezigheid van een kinderdagverblijf aan de Spoordijk 8 niet is meegewogen in de beoordeling van fijnstof. Daarnaast blijkt uit de ontwerp beschikking dat de norm voor fijnstof op de woning Spoordijk 3 wordt overschreden.
Het is juist dat het kinderdagverblijf aan de Spoordijk 8 in de fijnstof berekening niet expliciet is meegenomen. De dichterbij gelegen woning aan de Spoordijk 7 was wel opgenomen in deze berekening waaruit blijkt dat hier voldaan wordt aan de norm. Naar aanleiding van de zienswijze is volledigheidshalve een aangepaste fijnstof berekening, d.d. 6 april 2022, overgelegd waarin ook de bedrijfswoning en het kinderdagverblijf aan de Spoordijk 8 zijn opgenomen als te beschermen objecten. Uit deze aangepaste berekening blijkt dat er ook ter plaatse van deze objecten, net als bij de woning Spoordijk 3, ruimschoots voldaan wordt aan de normen voor fijnstof. Voor fijnstof gelden de grenswaarde van een 24 uursgemiddelde van 50 µg/Nm3 voor PM10, waarbij geldt dat deze maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden en een jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/Nm3 voor PM10. De hoogste fijnstof belasting in de omgeving van deze veehouderij bedraagt 17,66 µg/m3. Er wordt bij alle te beschermen objecten voldaan aan de normen voor fijnstof. 1.8
Reclamant vindt het niet te begrijpen dat deze veehouderij mag uitbreiden gezien de bestaande overschrijding van de kritische depositiewaarden van omliggende Natura 2000 gebieden en de reductiedoelstellingen van de Stikstofwet. Als gevolg van deze aanvraag is er sprake van een afname van stikstofdepositie. Daarmee zijn effecten vanwege stikstofdepositie met zekerheid uit te sluiten en kan van cumulatieve effecten in relatie tot stikstofdepositie evenmin sprake zijn.
1.9
Reclamant betwist dat er sprake is van interne saldering en dat er hierdoor geen vergunningplicht geldt op basis van de Wet natuurbescherming. In de ontwerpbeschikking en nogmaals uit tabel 1 van het Advies zienswijzen VVGB ODBN, d.d. 11 augustus 2022, blijkt dat er in de aangevraagde situatie sprake is van een afname van emissie en afname van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Op basis van deze gegevens hebben wij geconcludeerd dat sprake is van intern salderen. Effecten, anders dan als gevolg van stikstofdepositie worden, gelet op de gegevens in de aanvraag, de aard van de voorgenomen activiteit en de afstand tot de relevante beschermde gebieden, op voorhand uitgesloten. Er is voor de aangevraagde activiteiten geen vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb (Natura 2000-gebieden) op basis van de gegevens bij de vvgb.
1.10
Reclamant voert aan dat gezien de veestapel toeneemt er meer vervoersbewegingen dienen te worden meegenomen in de beoogde situatie, gezien de toename in mest wat moet worden afgevoerd en verwerkt buiten de inrichting. Er is na een door ons uitgevoerde beoordeling geconstateerd dat de aangevraagde vervoersbewegingen voldoende onderbouwd en in lijn zijn met de beoogde ontwikkeling.
1.11
Reclamant geeft aan dat er geen sprake is van intern salderen omdat er wetenschappelijke twijfel bestaat over de werking van luchtwassers en andere emissie reducerende stalsystemen en dat er wordt uitgegaan van de normen van de RAV. Aan het opnemen van een nieuw stalsysteem met een definitieve emissiefactor in de Regeling ammoniak en veehouderij (hierna: Rav) gaat een zorgvuldig proces vooraf, de zogenaamde proefstalregeling (artikel 3 van de Rav). Een definitieve emissiefactor wordt daarbij pas vastgesteld, nadat metingen volgens een erkend en wetenschappelijk onderbouwd protocol bij verschillende proefstallen zijn uitgevoerd en beoordeeld zijn door de Technische Advies Pool van deskundigen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, zoals ingesteld door de minister. Na vaststelling van de definitieve emissiefactor geldt dat voor emissieberekeningen van het specifieke systeem uitgegaan mag worden van de vastgestelde factor en Rav-code. Voor de aangevraagde stalsystemen gelden de BWL-codes 2010.02.V6 en BWL 2009.12.V4. In de leaflets, behorende bij deze stalsystemen, staat de systeembeschrijving opgenomen. Hierin staat onder andere hoe de technische uitvoering van het systeem dient te zijn.
Het is voor toezicht en handhaving om te controleren dat de werking ook als zodanig is en blijft, zodat er geen sprake is van een overschrijding van het referentieniveau, wat wordt bepaald door de Wet natuurbeschermingsvergunning van 26 maart
2014. Nu de initiatiefnemer bekend is met deze discussie, is het aan de initiatiefnemer om hier goede uitvoering aan te geven. Wij zullen hierop controleren aan de hand van de leaflet en zo nodig handhavend optreden. Voorts verwijzen wij naar de Infomil-website (Elektronische monitoring - Kenniscentrum InfoMil), waar informatie over elektronische monitoring is opgenomen van een luchtwasser en waarbij wordt aangegeven dat de veehouder gebruik kan maken van deze informatie als managementinstrument om het was proces bij te sturen, maar deze ook kan gebruiken voor de registratie voor de verantwoording aan de toezichthouder. Met deze informatie gaan wij uit van het correct kunnen werken van de luchtwasser en dat de aangegeven emissiereductie ook behaald kan worden. Het is voor toezicht en handhaving om te controleren dat de werking ook als zodanig is en blijft, zodat er geen sprake is van een overschrijding van het referentieniveau zoals bovenstaand opgenomen. Nu de initiatiefnemer bekend is met deze discussie, is het aan de initiatiefnemer om hier goede uitvoering aan te geven. Wij zullen hierop controleren aan de hand van de leaflet en zo nodig handhavend optreden.
Voor wat betreft het onderzoek naar de rendementen van combiwassers Reactie op metingen Combiwassers hebben wij geconstateerd dat in het onderzoek indicatieve metingen zijn uitgevoerd, waar nog geen conclusies aan kunnen worden verbonden. Daardoor zijn er vooralsnog geen directe gevolgen. Er volgt dus geen onmiddellijke aanpassing van de Rav-factoren en er zijn geen gevolgen voor verleende vergunningen waarbij deze luchtwassers worden gebruikt. Zoals ook in de kamerbrief is aangegeven zijn de onderzoeksresultaten wel aanleiding voor nader onderzoek. In de uitspraak ECLI:NL:RBOBR:2019:4830 d.d. 19 augustus 2019 heeft de rechtbank in rechtsoverweging 13.1 tot en met 13.5 aangegeven dat verweerder terecht mocht uitgaan van de in de Rav opgenomen emissiefactoren. De uitgevoerde onderzoeken naar de combi-luchtwassers hebben wel geleid tot aanpassing van de Regeling geurhinder en veehouderij, maar niet tot aanpassing van de Regeling ammoniak en veehouderij. Wel is een aanbeveling gedaan om verder onderzoek te doen, zoals ook in de PAS-uitspraken van 29 mei 2019 is aangegeven door de Afdeling, dat op dit aspect nog dieper moet worden ingegaan. Maar vooralsnog is er geen noodzaak tot het toepassen van andere emissiefactoren.
Aanvullend merken wij op dat er als gevolg van deze aanvraag ten opzichte van de referentiesituatie sprake is van een aanzienlijke afname van de ammoniakemissie en dat ook in de vergunde situatie (referentiesituatie) reeds sprake is van de aanwezigheid van luchtwassers. Als er dus al geconcludeerd zou worden dat toch niet met de Rav-factoren gerekend mag worden zou dit ook betekenen dat de ammoniakemissie en -depositie in de referentiesituatie ook hoger is. 1.12
Reclamant vraagt zich af wat de juiste referentiesituatie is voor dit adres. Gezien in Web BVB is te zien is dat de vergunning op het adres Oisterwijksebaan 6 te Heukelom op 1-1-2011 is ingetrokken en is overgegaan op het adres Spoordijk 6. De vergunning wordt afgegeven voor Oisterwijksebaan 6. In paragraaf 1.5 van de (ontwerp)beschikking is de juiste vergunde situatie beschreven. Dit betreft de revisievergunning van 28 september 2010 voor het in werking hebben van een varkenshouderij gelegen aan de Spoordijk 6 en de Oisterwijksbaan 6 te Heukelom (als 1 veehouderij). In deze vergunning zijn beide inrichtingen aan de Spoordijk 6 en Oisterwijksebaan 6 samengevoegd. Dat was eerder in 2007 ook al gebeurd in een revisievergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend door Gedeputeerde Staten. Echter deze vergunning is door de Raad van State vernietigd. De referentiesituatie voor de Wet natuurbescherming betreft de verleende Wnb vergunning van 26 maart 2014.
1.13
Reclamant geeft aan dat de GGD adviseert om de monitoring van de luchtwassystemen uit te breiden op basis van de suggesties in het WUR onderzoek. Uit de vergunning blijkt dat hier geen gehoor aan is gegeven. Het Activiteitenbesluit milieubeheer stelt de rechtstreeks werkende regels ten aanzien van de goede werking van een huisvestingsysteem en de toegepaste luchtwassystemen. De huisvestingsystemen dienen te zijn uitgevoerd, onderhouden en in gebruik zijn overeenkomstig de technische beschrijving als bedoeld in de bijlage bij de regeling op grond van de Wet ammoniak en
veehouderij. Daarnaast dient een luchtwassysteem in het belang van de goede werking van dit systeem en van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van emissies naar de lucht te voldoen aan artikel 3.125 (en de van toepassing zijnde artikelen uit de bijhorende regeling) van het Activiteitenbesluit. In deze artikelen worden de eisen gesteld ten aanzien van de (elektronische) monitoring van het luchtwassysteem en de parameters die van belang zijn die worden geregistreerd voor een goede werking van het luchtwassysteem. Het Activiteitenbesluit biedt geen mogelijkheid om middels maatwerkvoorschriften andere parameters voor te schrijven. 1.14
Reclamant geeft aan dat er kadavers aan de weg worden gelegd onder een kadaverkap en vindt dit vanuit het oogpunt van volksgezondheid onaanvaardbaar omdat het bedrijf ligt aan een druk fietspad en er nabij een kinderdagverblijf aanwezig is. Hierdoor is er gevaar voor infectieziekten, insecten en stankhinder. Bij een veehouderij is het onvermijdelijk dat er uitval van dieren optreedt. Binnen dit bedrijf worden de kadavers aan de destructor aangeboden via een kadaver aanbiedplaat nabij de openbare weg. De kadavers zullen hier onder een kadaverkap worden gelegd zodat ze uit het zicht liggen en zo snel mogelijk kunnen worden opgehaald door de destructor. Het is vanuit het oogpunt van bedrijfshygiëne en het voorkomen van ziekten niet wenselijk dat de ophaalwagen van de destructor op het bedrijfsterrein komt. De rechtstreeks geldende regels voor het opslaan en afvoeren van kadavers staan in de Regeling dierlijke producten. De afvoer en verwerking van de kadavers moet voldoen aan de regels zoals gesteld in de Destructiewet. In deze omgevingsvergunning is en toets hieraan daarom niet nodig. De kadaver aanbiedplaats was niet ingetekend op de plattegrondtekening van het ontwerpbesluit. Naar aanleiding van de zienswijzen is de plattegrondtekening d.d. 28 april 2021, laatst gewijzigd 6 april 2022 hierop aangepast.
1.15
Reclamant vraagt zich af of er voldoende is gekeken naar de ontwatering als gevolg van de toename van de bebouwing en de effecten van afkomend water voor de aanliggende percelen. Ook zal de inzijgingsmogelijkheid voor regenwater afnemen. Invloed op de waterhuishouding is niet uit te sluiten. Als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing bij deze aanvraag is een waterparagraaf opgesteld. Aan de hand van deze waterparagraaf is duidelijk gemaakt hoe binnen het plan met water wordt omgegaan. De benodigde waterberging is daarbij berekend middels de rekentool van de gemeente Oisterwijk en voorziet in een compensatie van het totaal verhard oppervlak. Gezien de inrichting van het bedrijf is gekozen voor een bovengrondse aanleg van een zaksloot ten westen van de bedrijfsbebouwing.
1.16
Reclamant twijfelt aan de juistheid van het aantal vervoersbewegingen. Deze worden te laag ingeschat. De aan- en afvoer van mest, voer en varkens zal hoger zijn dan wordt aangenomen. Zie de inhoudelijke reactie op punt 1.10.
1.17
Reclamant geeft aan dat niet duidelijk is waaraan de waarde wordt ontleend, genoemd in de raadsinformatiebrief, dat de veehouderij van waarde is voor de welvaart, werk en voedselzekerheid. Daarnaast is in de motivering geen aandacht besteed aan het veehouderijbeleid van de gemeente. Waarom wordt de ene veehouderij gesaneerd en kan de andere uitbreiden. Reclamant vraagt zich af of de besluitvorming van deze grote uitbreiding niet aan de gemeenteraad had moet worden voorgelegd. De verwijzing naar hetgeen beschreven in raadsinformatiebrief bij het ontwerpbesluit is ter introductie en duiding van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij waar de aanvraag aan is getoetst. In dezelfde raadsinformatiebrief staat ook toegelicht dat (mogelijke) beleidswijzigingen niet van toepassing zijn op een lopende aanvraag. Het moment van aanvraag is daarbij bepalend. Tot slot heeft de gemeenteraad weldegeljik een rol bij deze ruimtelijke procedure. Dit in de vorm van het besluit omtrent de (ontwerp)verklaring van geen bedenkingen, die een bindend advies vormt aan het college.
1.18
Reclamant geeft aan dat bij het afwijken van het bestemmingsplan niet getoetst is aan artikel 2.73 van de Interim omgevingsverordening en aan de waarden van de Groenblauwe mantel. De aanvraag is wel degelijk getoetst aan de rechtstreeks werkende ruimtelijke regels van de provinciale Interim omgevingsverordening (artikel 2.73). In paragraaf 2.4 van het (ontwerp)besluit hebben wij beschreven dat getoetst is aan de milieu vereisten op het gebied van geur (achtergrondbelasting), de Brabantse zorgvuldigheidscore veehouderij en aan de stalderingsregeling. Hieraan wordt voldaan.
1.19
Reclamant geeft aan dat, gezien er naast varkens ook jongvee gehouden gaan worden, er gevaar is voor de overdracht van de ziekte van Aujezky en andere besmettelijke ziekten als gevolg van zoönose en endotoxinen. Zie de inhoudelijke reactie onder punt 1.2. Gezien er geen rundvee of andere diersoorten anders dan varkens worden aangevraagd, is er geen gevaar voor overdracht van besmettelijke ziekten tussen verschillende diercategorieën binnen het bedrijf.
1.20
Reclamant geeft aan dat uit de aanvraag blijkt dat initiatiefnemer voor brandveiligheid enkel terugvalt op mobiele brandblussers en vindt dit onvoldoende. Ten miste zou in het bedrijf een sprinklerinstallatie aanwezig moeten zijn. Het bouwplan is getoetst door de Veiligheidsregio. Op 22 december 2020 hebben wij van de Brandweer Midden en West Brabant een advies ontvangen waarin is aangegeven dat het bouwplan voldoet aan de gestelde eisen uit het Bouwbesluit 2012. Het bouwplan voorziet in een brandcompartimentering overeenkomstig de eisen uit het Bouwbesluit 2012 waardoor een sprinklerinstallatie niet is vereist/ kan worden afgedwongen. Een sprinklerinstallatie wordt vaak als gelijkwaardige oplossing toegepast in situaties die grotere brandcompartimenten vergen dan het Bouwbesluit 2012 toestaat. Dat is hier niet aan de orde.
1.21
Reclamant geeft aan dat er geen voorschriften zijn opgenomen gericht op het voorkomen van gevolgen voor het milieu als gevolg van de mestopslag. De ophoping van methaangas in de mestkelders kan leiden tot explosies. Er is bij het overpompen van mest gevaar dat ammoniak en methaangas vrijkomt. Dit levert gevaar op voor de werknemers in de stal en draagt bij aan een vergroting van het broeikaseffect. Daarnaast bestaat gevaar voor lekkage van de mestkelders en gevolgen voor bodem en oppervlaktewater. In de paragrafen 3.3 en 3.10.12 van het ontwerpbesluit hebben wij aangegeven dat in het Activiteitenbesluit milieubeheer de rechtstreeks werkende regels zijn opgenomen voor de opslag van mest. Binnen deze inrichting wordt drijfmest opgeslagen in mestkelders onder de dierenverblijven. Hierop zijn de rechtstreeks werkende regels van paragraaf 3.4.6, opslaan van drijfmest, uit het Activiteitenbesluit en de van toepassing zijn de artikelen uit de bijhorende regeling van toepassing. Gezien deze regels rechtstreeks werkend zijn, mogen hierover geen voorschriften worden opgenomen in deze vergunning. In de artikelen 3.66 t/m 3.70 uit de Activiteitenregeling worden de eisen benoemd waaraan voldaan moet worden ten aanzien van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de emissie en het realiseren van een verwaarloos bodemrisico.
In deze veehouderij is geen sprake van dichte vloeren, maar worden roostervloeren met een luchtwasser toegepast. Hierbij is het risico van ophoping van gassen in de mestkelders en mogelijke explosies gering. In paragraaf 3.23.5 uit het ontwerpbesluit hebben wij benoemd dat ter voorkoming van explosies als gevolg van gassen uit mestkelders roken en open vuur verboden is in de stallen en bij de onttrekkingspunten voor drijfmest. Tevens is hier reeds aangegeven dat er pictogrammen zullen worden opgehangen voor het personeel. Om dit te borgen hebben wij in het ontwerpbesluit hiervoor reeds een voorschrift opgenomen (voorschrift 5.1.6).
1.22
Reclamant geeft aan dat er te weinig vierkante meters voor staldering worden ingezet. Er wordt gestaldeerd met stallen aan de Waalwijksebaan 2 te Udenhoudt en Eendenkooistraat 15 te Zundert. Er wordt niet voldaan aan de stalderingsregeling.
Het is niet duidelijk op grond waarvan reclamant van mening is dat niet aan de stalderingsregeling is voldaan. De provincie heeft namelijk op 25 november 2021 het definitief stalderingsbewijs verleend voor de uitbreiding aan de Oisterwijksebaan 6 te Heukelom, op basis van de beleidsregel staldering Noord-Brabant. 1.23
Reclamant vraagt zich in het kader van de BZV af waarin deze veehouderij duurzaam is. De provincie heeft in haar Interim omgevingsverordening vastgelegd dat een toename van de bestaande oppervlakte aan dierenverblijven enkel is toegestaan indien maatregelen worden getroffen en in stand worden gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij. De maatregelen moeten voldoen aan een voldoende hoge score volgens de Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij. De aanvrager heeft middels het BZV scoreformulier d.d. 16 juli 2021, wat onderdeel uitmaakt van de (ontwerp) beschikking, inzichtelijk gemaakt welke maatregelen zij treft om te voldoen aan de BZV score. Dit is door ons beoordeeld en akkoord bevonden.
1.24
Reclamant twijfelt aan de haalbaarheid van het plan, gezien de kwaliteit van de leefomgeving en de financiële haalbaarheid In de (ontwerp)beschikking is inzichtelijk gemaakt wat de gevolgen van deze aanvraag zijn voor het milieu, natuur en de omgeving. Aan al de van toepassing zijnde milieu en natuur wet- en regelgeving wordt voldaan. De financiële haalbaarheid van het plan is geen onderdeel van onze beoordeling.
Conclusie
De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het besluit.
2. Vereniging Westend en Omwonenden Oisterwijk 2.1 Reclamant constateert dat het een inrichting betreft waartoe een IPPC-installatie behoort, genoemd in de Richtlijn Industriële Emissie (RIE). Er is mede hierdoor sprake van vergunningplicht terwijl in de verklaring van geen bedenkingen (hierna vvgb) wordt gesteld dat er sprake is van het ontbreken van vergunningplicht op basis van intern salderen. Voor de aangevraagde activiteit milieu geldt er inderdaad een vergunningplicht. Volgens het toetsingskader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) is er geen sprake van vergunningplicht als gevolg van de aangevraagde veranderingen ten opzichte van de referentiesituatie. Zie de inhoudelijke reactie op punt 1.9. 2.2
Reclamant geeft aan dat een IPPC bedrijf de Best Beschikbare Techniek (BBT) moet toepassen op al zijn stallen en dat om deze reden intern salderen niet mogelijk is. De aanvrager had in 2016 hiervan al op de hoogte moeten zijn want in de Interim Omgevingsverordening (IOV) van de provincie Noord Brabant was in 2015 al opgenomen dat IPPC bedrijven niet meer konden intern salderen. Dat alle stallen moesten beschikken over BBT en dat in traditionele stallen geen dieren meer gehouden mogen worden. Ten aanzien van de mogelijkheid tot intern salderen in het kader van de Wet natuurbescherming, zie de inhoudelijke reactie onder punt 1.9. Voor de activiteit milieu zijn wij in de (ontwerp)beschikking in paragrafen 3.8 t/m 3.10 ingegaan op de BBT. Speciaal voor de toepassing van BBT in de dierenverblijven zijn we in paragraaf 3.11 hier nader op ingegaan. Getoetst is aan het Besluit emissiearme huisvesting (Beh). Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de eisen van het Beh, moet ervan worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komen de BBT is. In het Beh zijn maximale emissiewaarden van dierenverblijven beschreven om te kunnen voldoen aan BBT. Voor alle aangevraagde stallen, behalve de bestaande stal 1, worden de maximale emissiewaarden niet overschreden (zie paragraaf 3.11.4 uit de (ontwerp)beschikking).
De uitvoering van deze stallen voldoet aan de eis van BBT. Het Beh bied de mogelijkheid tot intern salderen. Hoe hieraan voldaan wordt is uitgewerkt in paragraaf
3.11.4 in de (ontwerp)beschikking. Het niet voldoen aan de maximale emissiewaarde bij stal 1 wordt gecompenseerd door het toepassen van huisvestingsystemen met een verdergaande emissiebeperking in de overige stallen. Hiermee voldoet de gehele inrichting aan het Beh en aan BBT. 2.3
Stikstofruimte intern of extern salderen is in strijd met Europese richtlijnen zoals de Habitatrichtlijn en Richtlijn Industriële Emissies. Onduidelijk is wat de reclamant bedoeld met “stikstofruimte”. Een toename van stikstofdepositie is niet toegestaan. Na een door ons uitgevoerde beoordeling blijkt dat er geen sprake is van een toename in stikstofdepositie. Zie de inhoudelijke reactie op punt 1.9. Daarnaast merken wij op dat de systematiek van intern salderen door de Raad van State is geaccepteerd.
2.4
Reclamant geeft aan dat de aanvragers zich beroepen op het Besluit emissiearme huisvesting, terwijl dat geldt voor veehouderijen de geen 5.000 kg ammoniak produceren. IPPC bedrijven vallen ook onder Europese regelgeving. Er is na een door ons uitgevoerde beoordeling geconstateerd dat het project voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting. In paragraaf 3.11 van de (ontwerp)beschikking hebben wij gedetailleerd beschreven op welke wijze de aanvraag voldoet aan het Beh. De inrichting betreft een IPPC installatie en is tevens getoetst aan het toetsingskader wat wordt gevormd door de betreffende artikelen uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarin de Europese richtlijn industriële emissies is geïmplementeerd, de van toepassing zijnde BBT-conclusies en BREF’s voor de intensieve veehouderij en de beleidslijn IPPC omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij. Zie voor de uitwerking hiervan de paragrafen 3.4, 3.8, 3.9, 3.10 en 3.11.5 uit de (ontwerp)beschikking.
2.5
Reclamant wijst op de actualisatieplicht van omgevingsvergunningen voort komend uit de Europese wetgeving uit 2013, welke in 2017 is geeffectueerd. En geeft aan dat per 1 januari 2021 alle intensieve veehouderijen BBT hadden moeten toepassen en er voldaan moet worden aan de Richtlijn industriële emissies. De gemeente heeft hier haar actualisatieverplichting verzaakt. Reclamant draagt het college op om te voldoen aan deze actualisatieplicht. De genoemde actualisatieplicht is gaan gelden lopende deze vergunningprocedure. Stal aanpassingen mogen pas worden doorgevoerd nadat hiervoor een vergunning is verleend. In deze procedure wordt de vergunning geactualiseerd en worden ook de voorschriften geactualiseerd en getoetst aan de BBT. Helaas heeft de vergunningprocedure lang(er) geduurd in verband met verschillende wijzigingen in Wet- en regelgeving, of (vernietigde) toetsingskaders waardoor de aanvraag hier steeds op moest worden aangepast. Daarnaast zijn er zienswijzen ingekomen. Dit alles heeft meer tijd gekost en om deze reden is de actualisatie van de vergunning nog niet definitief.
2.6
Reclamant geeft aan dat de in 2018 aangepaste Rav-code voor combiluchtwassers wordt genegeerd en dat als er gerekend wordt met de nu geldende aangepaste Rav code voor de toegepaste combi luchtwassers met een verwijderingspercentage van 59% (i.p.v. 85%), dan resulteert de beoogde uitbreiding in een extra belasting van het milieu. In 2018 zijn, middels een wijziging van de Regeling geurhinder en veehouderij, voor gecombineerde luchtwassystemen de emissiefactoren voor geur verhoogd. Dit vanwege uitgevoerde onderzoeken naar een (tegenvallend) rendement. De emissiefactoren voor ammoniak zijn in de Regeling ammoniak en veehouderij niet aangepast op basis van het Wur rapport. Voor de activiteit milieu is wettelijk voorgeschreven om deze factoren te hanteren. De aanvraag om vergunning dient getoetst te worden aan het toetsingskader dat geldt op het moment van het nemen van het besluit. Deze aanvraag is getoetst aan de meest recente geur en ammoniak emissiefactoren voor de aangevraagde gecombineerde luchtwassers.
2.7
Reclamant stelt dat de aanvrager, de GGD en het college verzuimt om actuele kennis over stank en gezondheid mee te nemen. Uit nieuw wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er meer stankoverlast en meer gezondheidsrisico’s zijn dat tot nu toe is aangenomen en verwerkt in de modellen. De effecten van gezondheid op omwonenden moeten meegenomen worden in de besluitvorming van vergunningverlening. Om het onderdeel gezondheid in de besluitvorming goed mee te kunnen laten wegen hebben wij een deskundigenadvies gevraagd over de aanvraag aan de GGD. Gezien de lange doorlooptijd van de vergunningprocedure hebben wij, voor dat het ontwerpbesluit is gepubliceerd, nogmaals aan de GGD gevraagd om haar advies te actualiseren op de laatste kennis en inzichten. Hiermee is de meest actuele kennis ten aanzien van gezondheid bij de besluitvorming betrokken.
2.8
In stal 1 worden vleesvarkens gehouden in een traditionele stal. In Noord-Brabant moet bij inwerkingtreding van de Iov op 1 januari 2024 elke stal voldoen aan BBT. Gezien het nog geen 1 januari 2024 is, hoeft nog niet te worden voldaan aan deze eis. Als de traditionele vleesvarkensstal per 1 januari 2024 moet gaan voldoen aan strengere emissie eisen uit de provinciale Iov, dan zal deze stal voor die tijd nog aangepast moeten worden. Dit wordt in deze aanvraag niet aangevraagd. Hiervoor zal de ondernemer dan dus nog een separate vergunning moeten aanvragen. Daarnaast merken wij op dat een veehouderij voor bestaande stallen volgens de Iov vanaf 1 januari 2024 ook gemiddeld op bedrijfslocatieniveau mag voldoen aan de technische eisen van huisvestingsystemen uit de Iov. Reclamant geeft aan dat de emissiefactor van het stalsysteem (BWL 2006.07.V1) in het Rav is gebaseerd op aannames die de fabrikant van de kunstroosters heeft verstrekt. Het is bekend dat de factoren niet stroken met de werkelijkheid. Het genoemde stalsysteem BWL 2006.07 wordt in deze aanvraag niet aangevraagd. Alle stallen (behalve stal 1) worden voorzien van gecombineerde luchtwassystemen welke zorgen voor de emissiereductie.
2.9
2.10
Reclamant geeft aan dat de emissiefactoren van combi luchtwassers in 2018 zijn aangepast, maar dat de installaties die voor die tijd al waren vergund, niet hoeven te worden vervangen. Aanvragen worden op basis van het toetsingskader beoordeeld wat geldt op het moment van het nemen van het besluit op de aanvraag.
2.11
Reclamant geeft aan dat voor de Dijkweg 3, eveneens in exploitatie door de aanvragers, ook extra ammoniak in het milieu terecht komt. Men vraagt zich af hoe het bedrijf kan aantonen dat het milieu en Natura 2000 gebieden niet worden belast. De veehouderij aan de Dijkweg 3 en de overige omliggende veehouderijbedrijven betreffen andere inrichtingen waar deze aanvraag om vergunning niet over gaat. Deze veehouderij(en) zal zelfstandig een milieu en natuur vergunning moeten hebben of aanvragen waar deze onderdelen in beoordeeld zullen worden. Deze aanvraag ziet hier niet op toe.
2.12
Reclamant geeft aan dat omwonenden de toename in geuremissie als gevolg van de aanvraag nooit hoeven te accepteren. Op basis van de nu geldende geurbeperkende normen van de luchtwassers had de veehouderij in 2011 nooit zoveel kunnen uitbreiden. Aanvragen worden op basis van het toetsingskader beoordeeld wat geldt op het moment van het besluiten op een aanvraag. Oopmerkingen over een eerder verleende, inmiddels onherroepelijke, vergunning hadden in die vergunningprocedure naar voren moeten worden gebracht. Omwonenden hebben in deze vergunningprocedure wederom de mogelijkheid gekregen om zienswijzen in te dienen en eventueel beroep aan te tekenen tegen de besluitvorming op deze aanvraag. Daarnaast merken wij op dat bij alle omliggende geur gevoelige objecten voldaan wordt aan de geurnormen (of vaste afstand). Er is geen sprake van een voor geur
overbelaste situatie waardoor op basis van bestaande rechten vergunning verleend kan worden. Voor de beoordeling van het geuraspect van deze aanvraag speelt de onderliggende vergunning geen rol. Er wordt voldaan aan de geurnormen. 2.13
Reclamant geeft aan dat de achtergrond geurbelasting niet is berekend voor de Spoordijk 3, Laag Heukelomseweg 1 en Heukelomseweg 16. Dat is op grond van de provinciale richtlijn uit 2014 verplicht. In de cumulatieve geurberekening zijn de genoemde woningen wel degelijk meegenomen. Gezien er een nieuwe versie van het rekenmodel V-stacks gebied (versie 2020) beschikbaar is gekomen is een nieuwe berekening overlegd met de laatste versie van het rekenmodel. Zie hiervoor de achtergrond geurberekening in de Memo Agrifirm, d.d. 6 april 2022. De conclusie blijft ongewijzigd. Er is sprake van een aantal overbelaste geurgevoelige objecten. Deze veehouderij heeft echter geen substantiële bijdrage aan deze overbelasting. Er is aangetoond dat deze aanvraag niet zorgt voor een verslechtering van de achtergrond geurbelasting op de overbelaste woningen. De achtergrond geurbelasting zal, als gevolg van deze aanvraag, ten opzichte van de vergunde situatie, ter plaatse van alle omliggende woningen dalen. De geurnorm voor woningen in het buitengebied bedraagt 20,0 Ou/m3. Ter plaatse van de genoemde woningen Spoordijk 3, Laag Heukelomseweg 1 en Heukelomseweg 16 zal in de beoogde situatie de cumulatieve geurbelasting respectievelijk 12,67, 6,09 en 7,25 Ou/m3 bedragen. Er wordt ruimschoots voldaan aan de geurnorm.
2.14
Reclamant geeft aan dat de woningen Oisterwijksebaan 7 en Spoordijk 7 voormalige bedrijfswoningen zijn waar al meer dan 10 jaar geen veehouderijactiviteiten plaats vinden. Oisterwijksebaan 7 heeft een procedure lopen voor omzetting naar een burgerwoning. Gezien de GGD voormalige bedrijfswoningen waarbij er geen binding meer is met de veehouderij activiteiten beschouwd als gevoelige bestemmingen, moet ook voor deze woningen de achtergrond geurbelasting in beeld worden gebracht. Het toetsingskader voor geur wordt gevormd door de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Hier moeten wij een aanvraag voor het onderdeel geur aan toetsen. Dat de GGD voor haar gezondheidskundige adviezen een eigen beoordelingslijn aanhoudt, doet hier niets aan af gezien dit niet is verankerd in wetgeving. Hieraan wordt derhalve niet getoetst. De Wgv geeft aan (in artikel 3, lid 2) dat geurgevoelige objecten die deel uitmaken van een andere veehouderij en objecten die op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij moeten voldoen aan een vaste afstand tussen de veehouderij en het geur gevoelig object. Voor de Spoordijk 7 is op 16 december 2021 een omgevingsvergunning verleend (en tevens is een melding Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend) voor een melkrundveehouderij.
Voor de Oisterwijksebaan 7 is op 11 juni 2001 een revisievergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer voor een varkens- en paardenhouderij. Op 16 november 2004 is een melding milieu neutraal veranderen geaccepteerd voor het niet meer houden van varkens. Beide woningen zijn hierdoor terecht aangemerkt als geurgevoelige objecten behorende bij een (voormalige) veehouderij. Aan de vereiste afstanden ter voorkoming van geurhinder wordt ruimschoots voldaan. Voor de achtergrond geurberekening is dezelfde lijn uit de Wgv aangehouden en daarom zijn deze woningen hierin niet opgenomen net als alle andere woningen bij een (voormalige) veehouderij.
2.15
Reclamant geeft aan het als kwalijk te ervaren dat het belangrijkste geurgevoelig object, het kinderdagverblijf aan de Spoordijk 8, niet is meegenomen in de beoordeling van de voorgrondbelasting t.a.v. geur en fijnstof. De achtergrondbelasting speelt hier ook een grote rol, zowel voor geur, maar ook voor fijnstof. Zie de inhoudelijke reactie op de punten 1.6 (geur) en 1.7 (fijnstof). Ten aanzien van de opmerking over de achtergrondbelasting geur geldt ook de inhoudelijke reactie op punt 2.14 voor het agrarische kinderdagverblijf bij een andere veehouderij aan de Spoordijk 8. In paragraaf 3.14 van de (ontwerp)beschikking hebben wij aangegeven dat het berekenen van de cumulatieve fijnstof belasting niet nodig is gezien de fijnstof emissie van de veehouderij niet meer bedraagt dan 500 kg per jaar. De Regeling beoordeling luchtkwaliteit geeft aan dat er cumulatief getoetst moet worden als de aangevraagde emissie van fijn stof meer is dat
500 kg/jr als de concentratie hoger is dan 27 µg/m3, of meer dat 800 kg/jr ongeacht de concentratie. Gezien er een fijnstof emissie wordt aangevraagd van minder dan 500 kg/jr, en er geen andere veehouderijbedrijven zijn binnen een straal van 500 meter met een dergelijke hoge fijnstofemissie hoeft een cumulatieve fijn stof berekening niet te worden uitgevoerd. 2.16
Reclamant geeft aan dat middels een vaststellingsovereenkomst, d.d. 11 december 2009, de ondernemers zich verplicht hebben uiterlijk 1 januari 2015 de geurbelasting op de woning Spoordijk 3 terug te brengen tot 10 OUe/m3. Een eventuele overeenkomst tussen de ondernemer en omwonenden is een privaatrechtelijke overeenkomst. Een dergelijke overeenkomst mogen wij niet betrekken bij de besluitvorming op de aanvraag om omgevingsvergunning. De geurbelasting moet getoetst worden aan het wettelijk toetsingskader uit de Wet geurhinder en veehouderij.
2.17
Reclamanten spreken van discriminatie dat voor het mogelijk maken van uitbreidingsmodelijkheden van veehouderijen, Nederland verdeeld is in een concentratiegebied en een niet-concentratiegebied. De aanvraag dient getoetst te worden aan de bepalingen van de Wet geurhinder en veehouderij. In deze wet wordt inderdaad een onderscheid gemaakt in concentratie en niet concentratiegebieden. De aanvraag is op een juiste wijze getoetst en voldoet aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij.
2.18
Reclamant is van mening dat de geur die vrijkomt bij het afvoeren van mest, bij het laden en lossen van varkens, voer, de mestbassins, brijvoederinstallaties en bij mest indikken bij de geurberekeningen moet worden opgeteld. Voor verschillende bedrijfsactiviteiten die geur (kunnen) veroorzaken gelden verschillende wijzen van beoordelen en of berekenen van de geurbelasting of mogelijke geurhinder. Deze activiteiten mogen en kunnen niet zomaar bij elkaar worden opgeteld. Voor het houden van dieren met een geuremissiefactor (varkens) geeft de Wet geurhinder en veehouderij aan dat de geurbelasting met een geurberekening in beeld moet worden gebracht. De geur afkomstig van de mest in de mestkelder onder de dierenverblijven is opgenomen in de geuremissiefactor voor dat dier. De continue geuremissie van de dieren en de mestkelders hieronder wordt afgezogen en via de luchtwassers (met een geur verwijderingsrendement) geëmitteerd. Voor de overige bedrijfsactiviteiten zijn geen geuremissie factoren voorgeschreven. Deze activiteiten kunnen hierom niet betrokken worden in een geurberekening en worden ter voorkoming van geurhinder getoetst aan vaste afstanden. In de paragraven 3.21 en 3.22 van de (ontwerp)beschikking hebben wij aangegeven dat in het Activiteitenbesluit milieubeheer de rechtstreeks werkende regels zijn opgenomen voor de opslag van voer en brijvoerdermiddelen.
Ter voorkoming van geurhinder moet voldaan worden aan vaste afstanden. Hieraan wordt voldaan. Ter voorkoming van geurhinder is de brijvoerkeuken uitgevoerd als een afgesloten gebouw. Hieruit zal dus vanwege het ontbreken van een eigen emissiepunt niet rechtstreeks geuremissie plaatsvinden. Het genoemde indikken van mest wordt niet aangevraagd. Er vindt geen mestbewerking plaats binnen de inrichting. Ter voorkoming van geurhinder bij het afvoeren van mest hebben wij in de (ontwerp)beschikking voorschriften aan de vergunning verbonden. Zo moeten de afvoerpunten van de opslagruimte voor mest door middel van goed sluitende deksels gesloten worden gehouden, behoudens tijdens het leegmaken ervan (voorschrift 5.12.2). Het bedrijfsterrein mag niet worden bevloeid of op andere wijze van mest worden voorzien (5.12.4). Transport van mest moet plaatsvinden in volledig gesloten tankwagens (5.12.5). Bij het aan- en afvoeren van mest mag de omgeving niet worden verontreinigd (5.12.6). In de (ontwerp)beschikking hebben wij tevens voorschriften opgenomen om de voeder aanmaakruimte schoon te houden (5.14.6) en gemorste producten direct te verwijderen (5.14.3), dat bij het vullen of aftappen uit brijvoedertanks morsen moet worden voorkomen (5.13.8) en dat nadat de grondstof in de tank is overgebracht en de losslang is afgekoppeld, de vulleiding onmiddellijk moet worden afgesloten (5.13.10).
Daarnaast moet de inrichting schoon worden gehouden en in goede staan van onderhoud verkeren (5.1.4).
Gezien er voldaan wordt aan de geurnormen en aan de voorgeschreven vaste afstanden ter voorkoming van geurhinder, de opgenomen voorschriften in deze vergunning en gelet op de continue geuremissie van de dierenverblijven, zijn wij van mening dat de mogelijke geurhinder van deze genoemde niet continu uitgevoerde activiteiten als verwaarloosbaar kunnen worden beschouwd. 2.19
Reclamant geeft aan dat de emissies van het volpompen van de mesttanks opgeteld moeten worden bij de overige emissies van het bedrijf en eist dat bij het volpompen van de mesttanks verplicht wordt om een retourleiding van de tanklucht aan te brengen, zodat de stank en ziekteverwekkers via de luchtwassers gezuiverd wordt. Zie de inhoudelijke reactie op punt 2.18. Aanvragen worden op basis van het toetsingskader beoordeeld wat geldt op het moment van besluitvorming van de aanvraag. Op dit moment geldt dat voor emissieberekeningen van een specifiek systeem uitgegaan mag worden van de vastgestelde factor en Rav-code. Het aanbrengen van een retourleiding na het volpompen van een (externe) transportwagen voor het afvoeren van mest en het hiermee brengen van de verdrijvingslucht uit de transporttank in de stal, is vanuit het oogpunt van bedrijfshygiëne en het voorkomen van dierziekten niet gewenst. De verdrijvingslucht in de tank is afkomstig van mest van een ander bedrijf welke dan vervolgens de stal van dit bedrijf wordt ingebracht. Eventuele dierziekten zouden hiermee in de stal kunnen worden gebracht, wat niet wenselijk wordt geacht.
2.20
Reclamant vraag zich af waar de minimale afstand voor endotoxine op gebaseerd is. Men geeft aan dat hierbij geen rekening is gehouden met de fijnstof van andere bronnen, zoals dieselmotoren van vrachtauto’s. De woningen spoordijk 3, Spoordijk 7, Oisterwijksebaan 7 liggen op 135 meter van een emissiepunt en vallen, net als het kinderdagverblijf, binnen de gevarenzone van 250 meter van de GGD. De genoemde afstand van 250 meter van de GGD betreft een andere afstand dan bedoeld in het endotoxine toetsingskader. Het Endotoxine toetsingskader, waar deze aanvraag aan is getoetst, is gebaseerd op de fijnstof emissie als gevolg van het houden van dieren. De endotoxine hechten zich aan de fijnstof deeltjes uit de stallen en kunnen zich zo verspreiden vanuit de stal naar de omgeving. De overige fijnstof bronnen binnen het bedrijf bevinden zich buiten de stallen en zijn dus geen bron waar endotoxine zich aan hebben gehecht en worden derhalve niet betrokken bij deze beoordeling. Het endotoxine toetsingskader is gebaseerd op gemeten emissie van stofdeeltjes en endotoxine in verschillende stalsystemen met varkens en pluimvee. We verwijzen hiervoor naar de beschrijving van het endotoxinetoetsingskader 1.0. Getoetst is, middels de afstand grafieken uit het endotoxinetoetsingskader 1.0, aan de minimale afstanden om te kunnen voldoen aan de advieswaarden van 30 EU/m 3 van de Gezondheidsraad.
Bij de genoemde woningen Oisterwijksebaan 7, Spoordijk 7 en Spoordijk 3 wordt voldaan een de minimaal vereiste afstand. De overige (bedrijfs)woningen en het kinderdagverblijf liggen op een grotere afstand en voldoen derhalve ook aan de minimaal vereiste afstand. Er zijn geen woningen gelegen binnen de minimaal vereiste afstand, de advieswaarde van de gezondheidsraad wordt niet overschreden. Hierdoor ontstaat er geen knelpunt op het gebied van volksgezondheid voor wat betreft endotoxine.
2.21
Reclamant geeft aan dat het kinderdagverblijf ook binnen de gevarenzone ligt van de varkenshouderij aan de Dijkweg 3 en dat ze een grotere ammoniak- en geurbelasting zal ondervinden door meerdere andere omliggende veehouderijbedrijven. Zie de inhoudelijke reactie op punt 2.11.
2.22
Reclamant stelt dat secundair fijnstof gevaarlijk is en gevormd wordt in de buitenlucht van varkensstallen. Reclamant legt een verband tussen secundair fijnstof en sterftecijfers na een coronabesmetting. De vorming van secundair fijnstof vindt plaatst doordat het vrijkomende ammoniak uit de stallen reageert met andere stoffen in de lucht. Er is geen wettelijk toetsingskader voor secundair fijnstof. Als gevolg van deze aanvraag zal, ten opzichte van de vergunde
situatie, de totale ammoniakemissie uit de stallen dalen met circa 22 %. Hierdoor zal de vorming van secundair fijnstof ook afnemen ten opzichte van de huidige situatie. En hiermee zal het (mogelijke) risico voor de volksgezondheid ook dalen, ten aanzien van de vorming van secundair fijnstof, ten opzichte van de huidige situatie. Dit wordt bevestigd door de GGD welke in haar advies aangeeft dat vanuit gezondheid bezien gestreefd moet worden naar een reductie van de emissies. De GGD benoemt in haar advies de beoogde afname van de ammoniakemissie vanuit gezondheid als gewenst. 2.23
Reclamant geeft aan dat secundair fijnstof en ammoniak met stikstofoxiden als een deken over Oisterwijk hangt en op de Kampina zorgt voor verzuring en vergrassing. Als gevolg van deze aanvraag is er sprake van een afname van stikstofdepositie. Daarmee zijn effecten vanwege stikstofdepositie met zekerheid uit te sluiten en kan van cumulatieve effecten in relatie tot stikstofdepositie evenmin sprake zijn.
2.24
Reclamant geeft aan dat de aanvrager het maximaal mogelijke aantal dieren wil realiseren binnen de nu nog geldende achterhaalde normen. Het alara principe wordt hier niet toegepast. Het is aan de aanvrager om te bepalen wat hij aanvraagt, in welke omvang en met welke dierenaantallen. De aanvraag wordt getoetst aan al de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Waaronder ook of sprake is van de best beschikbare technieken. Indien hieraan voldaan wordt is er geen reden om de vergunning te weigeren.
2.25
Reclamant geeft aan dat door de uitbreiding in extra vervoersbewegingen dit leidt tot verkeersonveiligheid op de (te) smalle uitvalswegen en op de hoofdfietsroute Oisterwijk – Tilburg. Daarnaast is er hierdoor continu schade aan het wegdek. De bestaande wegenstructuur voldoet om de extra vervoersbewegingen op te vangen. Er is bovendien ter plaatse een gescheiden fietspad aanwezig waarmee de verkeersveiligheid al is geborgd. De extra verkeersbewegingen geven ons ook geen aanleiding om te veronderstellen dat het wegdek hierdoor continue schade zal oplopen.
2.26
Reclamant geeft aan dat de uitbreiding van de veehouderij zorgt voor verstening. Dit tast de landschappelijke en belevingswaarde van het gebied aan. Het gebied lijkt niet meer op een landschappelijke omgeving, maar eerder op een industriecomplex, wat het woongenot verminderd. De aanvraag voorziet in de vervanging van enkele verouderde stallen en de realisatie van nieuwe stallen binnen het agrarisch bouwvlak, conform het vigerend bestemmingsplan Buitengebied. Ten opzichte van de bestaande planologische mogelijkheden worden er dus geen extra bouwmogelijkheden geboden.
2.27
Reclamant geeft aan dat emissies boven alle normen en adviezen zijn en dat daarmee sprake is van een direct gezondheidsrisico. Er wordt geen rekening gehouden met de meest recente inzichten. De aanvraag is per aspect getoetst aan de meest recente toetsingskaders. De ammoniakemissie neemt als gevolg van deze aanvraag af ten opzichte van de vergunde situatie. Ten opzichte van de referentiesituatie voor natuur is er sprake van een afname van de stikstofdepositie. De fijnstofemissie neemt als gevolg van de aanvraag toe ten opzichte van de vergunde situatie. Maar de fijnstof belasting bij de omliggende woningen in de beoogde situatie voldoet ruimschoots aan de wettelijke normen. Ten opzichte van de vergunde situatie neemt de fijnstofbelasting in de beoogde situatie bij de hoogst belaste woning (licht) af. De geuremissie neemt als gevolg de aanvraag ten opzichte van de vergunde situatie toe, maar de geurbelasting bij de omliggende woningen voldoet in de beoogde situatie aan de wettelijke normen. De GGD gezondheidskundige advieswaarden voor geur hebben geen wettelijke status waaraan getoetst moet worden. De achtergrond geurbelasting neemt als gevolg van deze aanvraag ten opzichte van de
vergunde situatie af bij al de omliggende woningen. Er wordt voldaan aan het endotoxine toetsingskader. Hierdoor zullen er geen grotere gezondheidsrisico’s optreden dan ten opzichte van de vergunde situatie. 2.28
Reclamant geeft aan dat niet is aangetoond dat er geen negatieve invloed is van het project op de Natura 2000 gebieden. Zie de inhoudelijke reactie van punt 1.8
2.29
Reclamant geeft aan dat er geen bedrijfseconomische gegronde reden is om deze uitbreiding op deze locatie te doen. De aanvrager heeft meerdere veehouderijlocaties. Dat de ondernemer meerdere veehouderijlocaties in bezit heeft is niet van belang voor de beoordeling van deze aanvraag. Deze aanvraag gaat enkel over deze locatie. De bedrijfseconomische redenen zijn geen onderdeel van de beoordeling van deze aanvraag.
2.30
Reclamant geeft aan dat er in de ontwerpbeschikking niet wordt ingegaan op het aanvullend GGD advies en dat blijkt dat het GGD advies geen goedkeuring van de plannen is, maar enkel een kritische gezondheidskundige beoordeling. Het GGD advies is een kritische gezondheidskundige beoordeling van de aanvraag, zodat we het aspect gezondheid in voldoende mate kunnen betrekken bij de besluitvorming. Het GGD advies is zeker geen goedkeuring van de plannen, maar geeft de gezondheidskundige risico’s aan van de inrichting. Per milieuaspect dient er getoetst te worden aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en de hierin opgenomen normen. De gezondheidskundige advieswaarden van de GGD liggen veelal lager dan de wettelijke normen waaraan getoetst moet worden. In de (ontwerp)beschikking is aangegeven dat om bovengenoemde reden bij de GGD verzocht is om advies en gezien de lange doorlooptijd van de vergunningprocedure is nogmaals bij de GGD verzocht om dit advies te actualiseren. De GGD adviezen zijn bij de (ontwerp)beschikking gevoegd en betrokken bij de beoordeling van de aanvraag. Maar wanneer wettelijke normen voorgeschreven zijn is (moet) de aanvraag daaraan getoetst. Daarnaast is de aanvraag getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine en hebben we enkele voorschriften opgenomen ter beperking van zoönose en ziektedruk.
Reclamant vindt het onbegrijpelijk dat de achtergrond geurbelasting daalt, gezien de belangrijkste achtergrond geur leveranciers de veehouderij Dijkweg 3 en Baaneind 4 betreffen, waar ook luchtwassers zijn waarvan het geurverwijderingsrendement is aangepast. In de achtergrond geurberekening van de vergunde en de beoogde situatie is gerekend met de nu geldende geur emissiefactoren. In de berekeningen zijn alle veehouderijbedrijven binnen een straal van 2 kilometer betrokken. Bij deze andere bedrijven vinden geen wijzigingen plaats. De invoergegevens van de berekeningen hebben wij gecontroleerd en akkoord bevonden. Uit het verschil tussen de berekeningen (vergund en beoogd) blijkt dat in de beoogde situatie de achtergrondgeurbelasting bij alle omliggende woningen zal dalen. Ondanks een toename in emissie zal als gevolg van een betere, effectievere verspreiding de achtergrondbelasting als gevolg van de aangevraagde veranderingen dalen ten opzichte van de vergunde situatie.
2.31
2.32
Reclamant is van mening dat er sprake is van een onwaarschijnlijke hoge achtergrond geurbelasting ter plaatse van de woningen Baaneind 2 en 2a. Een extra belasting is hier niet te tolereren. De hoge geurbelasting ter plaatse van deze woningen wordt veroorzaakt door de direct hiernaast gelegen varkenshouderij aan de Baaneind 4. Middels achtergrond geurberekeningen is aangetoond dat de veehouderij aan de Oisterwijksebaan 6 geen substantiële bijdrage heeft aan de overbelasting bij deze genoemde woningen. Uit de achtergrond geurberekeningen blijkt dat de geurbelasting op deze woningen zal afnemen als gevolg van de aangevraagde beoogde situatie.
2.33
Reclamant vindt dat de werkelijke geurbelasting in geen verhouding staat tot de geadviseerde geur adviesnorm van de GGD.
Zie de inhoudelijke reactie bij punt 1.4 2.34
Reclamant stelt dat de door de GGD geadviseerde cumulatieve endotoxinekaart niet bij de ontwerpvergunning terug te vinden is. De aanvraag is individueel getoetst aan het endotoxine toetsingskader 1.0 om te bepalen of als gevolg van deze varkenshouderij de endotoxine blootstelling naar de omgeving te hoog is of niet. Er wordt individueel voldaan aan het endotoxine toetsingskader. Er ontstaat hierdoor als gevolg van deze aanvraag geen nieuwe knelpunt ten aanzien van volksgezondheid. Volgens het endotoxine toetsingskader 1.0, wat mede opgesteld is door de GGD, kan cumulatie onderzocht worden in vee dichte gebieden. Het moet hierbij gaan om varkenshouderijen en pluimveehouderijen met een hoge uitstoot van fijnstof. Volgens het toetsingskader is de cumulatie van endotoxine nog niet kwantitatief te bepalen en dient het in een omgevingsbewuste benadering te worden afgewogen. Binnen een straal van een kilometer rondom deze veehouderij zijn verschillende andere veehouderijen gelegen. Dit betreft voornamelijk relatief kleine melkrundveehouderijen, paardenhouderijen, een enkele vleesveehouderij, schapenhouderij en een geitenhouderij, allen met relatief lage emissies van fijnstof. Binnen deze contour bevinden zich maar twee andere varkenshouderijen en geen pluimveehouderijen. Een van de varkenshouderijen is gelegen op een afstand van meer dan 500 meter.