CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

22-116 OVVGB bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw aan de Kerkhovensestraat 14 - Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing

RAAD 9 juni 2022, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 22-116 Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor het oprichten van een bedrijfswoning en een bedrijfsgebouw aan de Kerkhovensestraat 14 in Oisterwijk9.122 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Creatief met leefomgeving Sterk in omgevingsrecht

Ruimtelijke onderbouwing “Kerkhovensestraat ongenummerd” Oisterwijk Gemeente Oisterwijk

www.burogkracht.nl

Almystraat 14 | 5061 PA Oisterwijk | 06 232 74 307 | info@burogkracht.nl | burogkracht.nl

8 april 2022 NL.IMRO.0824.OVKerkhovenstrong-ON01

2

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

INHOUDSOPGAVE

1

HOOFDSTUK 1

5

1.1 1.2 1.3

AANLEIDING LIGGING PLANGEBIED LEESWIJZER

HOOFDSTUK 2 2.1 2.2 2.3

PROJECTBESCHRIJVING

HUIDIGE SITUATIE BEOOGDE ONTWIKKELING BESTEMMINGSPLAN

HOOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3

INLEIDING

BELEIDSKADER

RIJKSBELEID PROVINCIAAL BELEID GEMEENTELIJK BELEID

HOOFDSTUK 4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

5 5 6

7 7 8 10

12 12 13 15

18

4.1 INLEIDING 4.2 PARKEREN, ONTSLUITING EN VERKEERSGENERATIE 4.3 WATER 4.4 NATUUR 4.5 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 4.6 MILIEUZONERING 4.7 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R. BEOORDELING 4.8 GELUID 4.9 LUCHTKWALITEIT 4.10 BODEMKWALITEIT 4.11 EXTERNE VEILIGHEID 4.12 TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR

18 18 19 22 23 23 24 24 25 26 26 28

HOOFDSTUK 5

29

5.1

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

OMGEVINGSVERGUNNING

29

HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID

30

6.1 6.2

30 30

FINANCIËLE HAALBAARHEID MAATSCHAPPELIJKE HAALBAARHEID

Bijlagen 1. Stroomschema en standaardverantwoording groepsrisico 2. Standaardadvies Veiligheidsregio 3. Geanonimiseerde versie verslag omgevingsdialoog.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

3

4

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Aan de Kerkhovensestraat wordt beoogd een bedrijfsgebouw voor een groothandel in consumentenartikelen met bedrijfswoning te realiseren. Het grondstuk waarop het bedrijfsgebouw en de beoogde bedrijfswoning aan de Kerkhovensestraat is in zijn geheel voor bedrijfsdoeleinden bestemd. De locatie waar het bedrijfsgebouw en bedrijfswoning is beoogd, kent op grond van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Oisterwijk, 1ste herziening de bestemming ‘Bedrijf – 1’. De bouw van een bedrijfsgebouw en bedrijfswoning is toegestaan echter niet aan alle bouwregels uit het bestemmingsplan kan worden voldaan. Zo wordt onder meer niet voldaan aan de voorwaarde in artikel 3.2.3 lid c en d van de regels. Lid c regelt dat bedrijfsgebouwen minimaal drie maal zo groot moeten zijn dan bedrijfswoningen. Dat is in het beoogd bouwplan niet het geval. Lid d regelt dat de nieuwe bedrijfswoning in één bouwmassa met of aangebouwd aan de bedrijfsbebouwing moet worden gebouwd. Ook dit is niet het geval. Het bouwperceel is relatief klein waardoor een groot bebouwingspercentage en bebouwingsdichtheid aan de Kerkhovensestraat als niet-passend ervaren zou kunnen. Omdat niet aan onder meer deze bepalingen uit het bestemmingsplan kan worden voldaan is buitenplanse afwijking van de regels nodig. De afwijking gebeurt aan de hand van een concrete bouwaanvraag.

Omdat met het bouwplan sprake is van een bebouwingspercentage en bebouwingsdichtheid die aansluiten op die van de reeds bestaande percelen aan de Kerkhovensestraat is het college bereid om af te wijken van de regels uit het bestemmingsplan. Een buitenplanse afwijking wordt onder andere getoetst aan het actuele ruimtelijk beleid, een goede ruimtelijke ordening/ zorgvuldige belangenafweging (Awb) en (milieu)wetgeving. Ter motivatie dat hieraan wordt voldaan, dient deze ruimtelijke onderbouwing.

1.2

Ligging plangebied

Het projectgebied ligt ter plaatse van de noordelijke helft van het kadastraal perceel met nummer A7925. De projectlocatie is gelegen aan de Kerkhovensestraat. De volgende luchtfoto toont de ligging van de projectlocatie.

Situering van het projectgebied in rood aan de Kerkhovensestraat (bron: kadastralekaart.com)

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van het project. Hoofdstuk 3 is een opsomming van de planologische beleidskaders bestaande uit rijksbeleid, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 gaat in op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 is de juridische planbeschrijving opgenomen. Hoofdstuk 6 beschrijft de uitvoerbaarheid (financieel en maatschappelijk) van het project.

6

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving In dit hoofdstuk wordt zowel het gebied waar de ontwikkeling plaats gaat vinden als het project zelf beschreven.

2.1

Huidige situatie

De beoogde bouw van het bedrijfsgebouw en de bedrijfswoningkent de bestemming Bedrijf-1. In de huidige situatie is de projectlocatie onbebouwd. De Kerkhovensestraat bestaat uit bedrijfswoningen die gesitueerd zijn aan de weg met bedrijfsbebouwing daarachter. De gehele straat heeft de bestemming ‘Bedrijf – 1’ waarbinnen een bedrijfsgebouw met een bedrijfswoning is toegestaan. Voor de omliggende percelen gelden dezelfde bestemmingsregels als voor de projectlocatie.

Foto van het perceel gezien vanaf de Kerkhovensestraat

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

7

Kerkhovensestraat met de noordelijk van de locatie gelegen bedrijfswoningen

2.2

Beoogde ontwikkeling

De beoogde ontwikkeling voorziet in het bouwen van een bedrijfsgebouw met bedrijfswoning (hoofdgebouw) aan de Kerkhovensestraat. Het bedrijfsgebouw wordt gebouwd voor de vestiging van een groothandel in consumentenartikelen. Een deel van het pand wordt gebruikt voor opslag en deels als kantoor voor verwerking van orders en administratie. Het bouwplan bestaat uit een bedrijfsgebouw en een bedrijfswoning. Het bedrijfsgebouw is aan de achterzijde van het perceel gesitueerd. De bedrijfswoning aan de Kerkhovensestraat. De woning past binnen de stedenbouwkundige opzet van de straat doordat ze een opbouw heeft (één volwaardige bouwlaag met een kap) die gelijk is aan de andere, reeds bestaande woningen aan de Kerkhovensestraat. De volgende afbeelding toont de beoogde situatie.

8

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Situatietekening met het bedrijfsgebouw rood en de bedrijfswoning geel omlijnd. Bron: Drijvers Oisterwijk bv. Het bouwplan kent veel openheid op het perceel. Er is sprake van een bebouwingspercentage dat overeenkomt met de andere reeds bestaande percelen aan de Kerkhovensestraat. Doordat het bedrijfsgebouw in ruimtelijke zin ondergeschikt is aan de bedrijfswoning wordt op een goede manier aangesloten op het ruimtelijk karakter van de Kerkhovensestraat. Het woonkarakter heeft de overhand in de straat. Het bouwplan voegt zicht daarin. De volgende afbeeldingen geven inzicht in de uitstraling van het bedrijfsgebouw en bedrijfswoning.

Zicht vanaf de Kerkhovensestraat op het bedrijfsgebouw en bedrijfswoning. Bron: Drijvers Oisterwijk bv.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

9

Vogelvlucht van het bouwperceel met bedrijfsgebouw en bedrijfswoning. Bron: Drijvers Oisterwijk bv.

Het kantoor op de verdieping van het bedrijfsgebouw. Bron: Drijvers Oisterwijk bv.

2.3

Bestemmingsplan

Het deel van het bouwplan voldoet niet aan de regels van het bestemmingsplan. In hoofdzaak kan niet voldaan worden aan de regels omdat het bedrijfsgebouw niet minimaal 3 keer groter is dan de bedrijfswoning. Het bedrijfsgebouw is kleiner (artikel 3.2.3, lid c). Ook op enkele andere aspecten wordt niet voldaan de regels voor het bouwen van bedrijfswoningen. Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels (artikel 3.2.3 van het bestemmingsplan); 3.2.3 Bedrijfswoningen 10

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Voor het bouwen van een bedrijfswoning (hoofdgebouw) gelden de volgende regels: a. De bedrijfswoning is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; b. Per bouwperceel is maximaal één bedrijfswoning toegestaan; c. Het bouwen van een nieuwe bedrijfswoning wordt toegestaan, indien op het bouwperceel een bedrijfsgebouw aanwezig is en/of gelijktijdig met de woning wordt gebouwd, waarbij de oppervlakte van het bedrijfsgebouw minimaal drie maal zo groot moet zijn als van de bedrijfswoning; d. De nieuwe bedrijfswoning dient in één bouwmassa met of aangebouwd aan de bedrijfsbebouwing te worden gebouwd; e. De bewoner van de bedrijfswoning is daadwerkelijk en duurzaam bij de dagelijkse bedrijfsvoering van het bedrijf betrokken; f. De minimale afstand tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt 2 meter; g. De goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 6 meter; h. De inhoud mag maximaal 750 m³ bedragen; i. Indien de bedrijfswoning in één bouwmassa met de bedrijfsbebouwing wordt gebouwd bedraagt de maximale bouwhoogte 6 m¹, indien de woning wordt voorzien van een plat dak; j. Indien de woning wordt voorzien van een kap bedraagt de goothoogte maximaal 6 m¹ en dient de dakhelling tenminste 30° en ten hoogste 65° te bedragen met een maximale bouwhoogte van 10 meter. Aan de leden c en d wordt niet voldaan.

Het bedrijfsgebouw is kleiner dan driemaal de bedrijfswoning en de nieuwe bedrijfswoning is geen onderdeel van dezelfde bouwmassa als of is aangebouwd aan de bedrijfsbebouwing. Daarnaast voldoet het bouwplan niet aan lid b van artikel 3.2.1 3.2.1 Algemeen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. De minimale kavelbreedte bedraagt 13 meter; b. Het minimale bebouwingspercentage bedraagt 40% per bouwperceel; c. Bij (ver)bouwplannen mogen gebouwen nooit meer uitbreiden dan 1.000 m2 bvo. Ook zijn extra verdiepingsvloeren niet toegestaan. Het bebouwingspercentage bedraagt 16,3% van het bouwperceel. Er wordt niet voldaan aan artikel 3.2.1 lid b. Hoewel het bouwplan niet aan alle maatvoeringsaspecten uit het bestemmingsplan voldoet, past het bouwplan wel in de ruimtelijke karakteristiek van de Kerkhovensestraat. Het bebouwingspercentage is laag maar overeenkomstig met dat van de overige percelen aan de Kerkhovensestraat en door het relatief kleine bedrijfsgebouw en het feit dat ze niet is verbonden met de bedrijfswoning wordt aangesloten op de in de omgeving voorkomende maatvoering van gebouwen en indeling van percelen.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

11

Hoofdstuk 3 Beleidskader De beleidscontext voor het plangebied en de beoogde ontwikkeling wordt gevormd door landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid samengevat.

3.1

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten : 1. ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2.

duurzaam economisch groeipotentieel bevorderen; 3. zorgen voor sterke en gezonde steden en regio's; 4. stimuleren van een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Omgevingsinclusieve benadering Centraal in de te maken afwegingen tussen belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in zijn volledige omvang (boven- en ondergrond). Hierbij wordt aangesloten bij de integrale opvatting uit de Omgevingswet van het begrip fysieke leefomgeving en wordt de noodzakelijke integraliteit van afwegingen benadrukt. Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is dat tussen beschermen en ontwikkelen. Het doel van de toekomstige Omgevingswet (deze wet treedt naar verluid in werking per 1 januari 2023) is namelijk het bereiken van een balans tussen: '(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in de omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving. Hiermee moet dus rekening worden gehouden bij het maken van beleidskeuzes.

Een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving houdt in dat ontwikkeling van de leefomgeving samen gaat met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw. Afwegingsprincipes Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. 12

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Om dit afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken & identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Conclusie relatie met voorliggend plan De realisatie van een bedrijfsgebouw met bedrijfswoning in Oisterwijk dat niet aan alle regels uit het bestemmingsplan voldoet, is een lokale aangelegenheid. Er zijn geen nationale belangen in het geding. In het nationaal beleid worden geen uitspraken op dit schaalniveau gedaan. De ontwikkeling is daarom passend binnen het rijksbeleid. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen die nieuwe woningen mogelijk maken, de treden van deze ladder doorlopen moeten worden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro gaat in op duurzame verstedelijking en luidt als volgt: Lid 2.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt in het Bro de de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Deze buitenplanse afwijking maakt geen nieuwe, nog niet bestemde woningen of bedrijfsgebouwen mogelijk. Het aantal woningen neemt hierdoor in planologische zin niet toe. Er is daarom geen sprake van een “stedelijke ontwikkeling” zoals op grond van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt verstaan. Toetsing aan de ladder zoals dat in lid 2 is bepaald is daarom niet aan de orde.

3.2

Provinciaal beleid

Brabantse Omgevingsvisie Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft de Provincie Noord-Brabant reeds haar Omgevingsvisie opgesteld. De Omgevingswet heeft onder ander als doel om de overzichtelijkheid en het gebruiksgemak van het Omgevingsrecht te verbeteren. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. In de Brabantse Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). De basis is dat deze elementen in balans zijn en blijven bij ruimtelijke transities. Draagvlak en draagkracht zijn hierbij belangrijke aspecten. De Brabantse Omgevingsvisie bestaat uit zeven hoofdstukken. In hoofdstuk 5 staat beschreven wat de kernwaarden zijn voor het handelen van de provincie. Hierin wordt onder andere verwoord dat de provincie gaat voor meerwaarde-creatie. Dit betekent dat uitdrukkelijk gekeken wordt naar de effecten van ontwikkelingen op sociale inclusiviteit, veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

13

De beoogde bouw van het bedrijfsgebouw met bedrijfswoning sluit aan bij de intenties uit het bestaand ruimtelijk beleid van de gemeente Oisterwijk dat is opgenomen in het bestemmingsplan. Het feit dat het bedrijfsgebouw niet drie keer zo groot is als de bedrijfswoning doet hier niets aan af. De bouw van een bedrijfsgebouw met bedrijfswoning aan de Kerkhovensestraat die op hoofdlijnen voldoet aan het gemeentelijk beleid raakt het provinciaal beleid nauwelijks. Het bouwplan past, zoals beschreven in paragraaf 2.2 binnen het stedenbouwkundig karakter van de omgeving waardoor recht wordt gedaan aan het thema ‘Omgevingskwaliteit’. De beoogde ontwikkeling past binnen de kernwaarden voor het handelen van de provincie. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 januari 2023 in werking. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet.

Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie. Er heeft voor de Interim verordening geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moeten worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. De Interim omgevingsverordening is digitaal. Dit betekent dat alle regels gekoppeld zijn aan een op een digitale kaart weergegeven werkingsgebied. Door op een willekeurig punt in de kaart te klikken, kan iemand zien welke regels op die plek gelden. In hoofdstuk 3 zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening.

Hierin staan de regels die tot voor kort waren opgenomen in de Verordening ruimte. De instructieregels uit hoofdstuk 3 gelden niet alleen voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen en uitvoeringsbesluiten. Instructieregels voor het plangebied Voor het plangebied gelden de volgende instructieregels aan gemeente: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. Op basis van kaart 3 voor gemeenten – ‘stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is duidelijk dat het plangebied is gelegen in het “Stedelijk gebied/ landelijke kern”. Een nieuw te bouwen bedrijfsgebouw en bedrijfswoning, op een locatie die daarvoor reeds is bestemd past binnen de instructieregels uit de IOV.

14

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Stedelijk gebied/ landelijke kern

Uitsnede IOV met kaartlaag Stedelijk gebied. Bevordering ruimtelijke kwaliteit Voor het bouwplan gelden ook de instructieregels aan gemeente die overeenkomen met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. In artikel 3.5 uit de omgevingsverordening is beschreven dat voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving rekening moet worden gehouden met: a. Zorgvuldig ruimtegebruik b. De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering c. Meerwaardecreatie Hierbij ligt het provinciaal belang vooral in het landelijk gebied. De ontwikkeling vindt plaats in de bestaande bebouwde kom van Oisterwijk. Met het voorgenomen besluit wordt er geen ander gebruik beoogd en er worden geen nog niet bestemde bedrijfsgebouwen of bedrijfswoningen mogelijk gemaakt. Het bestaand bebouwingspatroon aan de Kerkhovensestraat wordt aangevuld en slechts op enkele aspecten wordt niet voldaan aan de bouwmogelijkheden die in het bestemmingsplan zijn geformuleerd. In paragraaf 2.2 is beschreven op welke wijze de nieuwe bebouwing past binnen de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving. Er wordt rekening gehouden met de waarden in het gebied.

Samenvattend moet geconcludeerd worden dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bouwperceel en zoveel mogelijk van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan. De afwijking van de regels van het bestemmingsplan zijn niet dusdanig van aard of omvang dat deze van provinciaal belang is. Het afwijken van enkele regels uit het bestemmingsplan voor de bouw van een bedrijfsgebouw met bedrijfswoning voldoet aan de regels uit de Interim Omgevingsverordening.

3.3

Gemeentelijk beleid

De bouw en gebruik van een bedrijfsgebouw en bedrijfswoning aan de Kerkhovensestraat past, met uitzondering van enkele maatvoeringsaspecten binnen het vigerend bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling past hierdoor dus binnen de ruimtelijke beleidsuitgangspunten voor de plek.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

15

De afwijkingen ten aanzien van maatvoeringen zoals genoemd in het bestemmingsplan zijn stedenbouwkundig van aard. Zoals beschreven in paragraaf 2.2 passen deze afwijkingen in de stedenbouwkundige structuur van het gebied. Het gemeentelijk beleid merkt hierover nog het volgende op in de Omgevingsvisie en de Gebiedsvisie Nijverheidsweg e.o. Omgevingsvisie gemeente Oisterwijk Op 22 december 2016 heeft de gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk de Omgevingsvisie vastgesteld. Met de nieuwe omgevingsvisie heeft de gemeente een beleidskader opgesteld, dat de inwoners, ondernemers én bestuurders inspireert. In het document worden de kaders omschreven, waarbinnen initiatiefnemers worden uitgenodigd om hun plannen op te stellen. Hiermee zal de visie opgesteld worden volgens de gedachtegang van de uitnodigingsplanologie. De gemeente bepaalt niet meer wat ergens moet komen, maar geeft enkel aan binnen welke kaders projecten de meeste slagingskansen hebben. Het is vervolgens aan de burger en/of ondernemer om hiermee aan de slag te gaan. De visie dient als: • Inspiratie voor ondernemers, bestuurders en inwoners. • Richtinggevend kader voor het toekomstig gemeentelijk ruimtelijk ordeningsbeleid. • Toetsingskader voor individuele verzoeken en initiatieven die niet passen binnen de bestemmingsplannen.

• Input voor overleg met de Provincie en de regio over de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. • Basis voor kostenverhaal (grondexploitatie-instrument) De locatie is opgenomen in het gebied “Bedrijventerrein Oisterwijk”. In de Omgevingsvisie wordt het bedrijventerrein Kerkhoven beschouwd als het oudste terrein van Oisterwijk dat ‘meer meegegroeid is met de kern’ en daardoor ‘geen duidelijke ruimtelijke structuur heeft’. Door af te wijken van de regels om een bedrijfsgebouw minimaal drie keer groter te laten zijn dan de bedrijfswoning wordt een kleinere bebouwingsdichtheid op het perceel gerealiseerd die aansluit bij de kleine bebouwingsdichtheid op de omliggende percelen van de Kerkhovensestraat. Op die manier wordt, aangesloten op de plaatselijke structuur van de Kerkhovensestraat. Gebiedsvisie Nijverheidsweg eo In juli 2020 is door de gemeenteraad de Gebiedsvisie Nijverheidsweg eo vastgesteld. Hoewel de locatie aan de Kerkhovensestraat geen onderdeel uitmaakt van het studiegebied worden er in deze gebiedsvisie in combinatie met de aangenomen motie bij het raadsbesluit wel ruimtelijke kaders gesteld voor ontwikkelingen in het gebied tussen de Sprendlingenstraat en Kerkhovensestraat. In de gebiedsvisie wordt een transformatie strategie voorgesteld om in de zone tussen het KVL en de Sprendlingenstraat de huidige bedrijfsbestemmingen te wijzigen naar wonen.

Voor de zone tussen de Sprendlingenstraat en Kerkhovensestraat wordt een combinatie van wonen en werken nagestreefd. De bestaande ruimtelijke kwaliteit van het groene raamwerk dat met name aan de zone tussen Kerkhovensestraat en Sprendingenstraat aanwezig is in de gebiedsvisie aangegeven als sfeer waarop nieuwe woningen in het studiegebied moeten worden aangesloten. De volgende afbeelding toont het ruimtelijk perspectief uit de gebiedsvisie. In rood is de ligging van de projectlocatie aangeduid.

16

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Uitsnede ruimtelijk perspectief Gebiedsvisie Nijverheidsweg eo met in rood de locatie aan de Kerkhovensestraat. Motie Gebiedsvisie Nijverheidsweg Bij de besluitvorming van de gebiedsvisie is een motie aangenomen waarbij de gemeenteraad het college heeft opgedragen om; ‘De ruimtelijke mogelijkheden voor het overgangsgebied tussen Sprendlingenstraat en Kerkhovensestraat zodanig aan te passen dat er alleen kleinschalige bedrijfsgebouwen mogelijk zijn (met een bedrijfswoning), zoals nu al het geval is aan de noordzijde van de Kerkhovensestraat en aan de Sprendlingenstraat 11 en 13’ In navolging op deze motie is door de gemeenteraad op 22 april 2021 een voorbereidingsbesluit genomen voor de zone direct noordelijk van de Sprendlingenstraat waarin is bepaald dat een nieuwe bestemmingsplan wordt voorbereid en de vergunning van nieuwe solitaire bedrijfsgebouwen te realiseren. De projectlocatie aan de Kerkhovensestraat was geen onderdeel van dit voorbereidingsbesluit. Voor de projectlocatie moet worden gesteld dat een bouwplan mogelijk wordt gemaakt waarbij de gebouwen (bedrijfsgebouw en bedrijfswoning) als gevolg van de afwijking van de regels, goed aansluiten op de bestaande gebouwen aan de noordzijde van de Kerkhovensestraat. De afwijking van de regels van het bestemmingsplan is in lijn met de motie en de uitgangspunten van de gebiedsvisie.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

17

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1

Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid, landschap en ruimtelijke ordening. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De milieukwaliteit vormt dan ook een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de milieuhygiënische en overige planologische aspecten. Indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De eventuele onderzoeksrapportages zijn separate bijlagen. In deze ruimtelijke onderbouwing zijn de samenvattingen en conclusies opgenomen.

4.2

Parkeren, ontsluiting en verkeersgeneratie

De gemeente Oisterwijk streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Hiervoor heeft de gemeente Oisterwijk de “Nota Parkeernormen 2016” vastgesteld. Deze nota is uitgangspunt voor het parkeerbeleid binnen de gemeente en is gehanteerd bij het samenstellen van de parkeerbalans. Parkeerbehoefte Voor het toestaan van een extra woning in een reeds bestemd woongebouw speelt ook de vraag wat dit aan parkeerbehoefte met zich meebrengt en op welke wijze deze parkeervraag kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat deze ruimtebehoefte in principe op het eigen terrein, dus niet in de openbare ruimte wordt opgevangen. Voor het bepalen van de parkeervraag heeft de gemeente Oisterwijk haar parkeernormen gebaseerd op de CROW-publicatie (Publicatie 317: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). Deze veelgebruikte systematiek berekent het aantal benodigde parkeerplaatsen voor woningen door het aantal woningen van een bepaalde categorie te vermenigvuldigen met de norm per woning.

In de “Nota Parkeernormen 2016” is bepaald dat de locatie is gelegen in de zone “rest bebouwde kom” en dat de stedelijkheidsgraad voor Oisterwijk is bepaald op “weinig stedelijk”. Berekening benodigd aantal parkeerplaatsen Voor een bedrijfswoning moet een norm van 2,3 worden gehanteerd. Het perceel is voldoende groot voor de stalling van 2,3 (afgerond 3) parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor het bedrijfsgebouw bestaande uit circa 100 m2 kantoor en circa 100 m2 aan opslag worden twee normen gehanteerd. Voor het kantoor geldt een norm van 2,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Voor de opslag geldt een norm van 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Dit betekent dat de totale parkeergelegenheid moet bestaan uit 5,5 (afgerond 6) parkeerplaatsen. Op het terrein is voldoende gelegenheid beschikbaar om dat aantal in te passen. De volgende afbeelding toont de ligging van de zes parkeerplaatsen.

18

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

P

P

Ligging van zes parkeerplaatsen. Bron: Drijvers Oisterwijk bv. Ontsluiting en verkeersgeneratie De bouw van een bedrijfsgebouw en bedrijfswoning is op basis van het vigerend bestemmingsplan toegestaan. Doordat het bedrijfsgebouw niet drie keer groter is dan de bedrijfswoning is de bedrijfsvloeroppervlakte kleiner dan in het bestemmingsplan is toegestaan. Dit zal leiden tot minder verkeersbewegingen dan in het bestemmingsplan is voorzien. Geconcludeerd moet worden dat de verkeersgeneratie kleiner zal zijn. De ontsluiting vindt plaats via de Kerkhovenseweg. Conclusie Op basis van de parkeernormen is berekend dat er afgerond 6 parkeerplaatsen benodigd zijn. Er is voldoende ruimte om te voorzien in 6 parkeerplaatsen. Door de afwijking zal de verkeersgeneratie als gevolg van de bedrijfsactiviteiten en bedrijfswoning kleiner zijn dan het bestemmingsplan toestaat.

4.3

Water

Nederland is groot geworden door het leven met en de strijd tegen het water. In de 20e eeuw is, doordat er te weinig rekening is gehouden met het waterbelang, veel ruimte aan het water ontrokken en veel afvalwater direct of indirect geloosd op oppervlaktewater. Om de toekomst van Nederland veilig te stellen is het nodig om te anticiperen op klimaatsveranderingen en bij de ruimtelijke planvorming goed rekening te houden met water. De waterbeheerder (Waterschap de Dommel) heeft de taak, kennis en kunde om daar zorg voor te dragen. Daarom is het belangrijk om het waterschap vroegtijdig te betrekken bij de planvorming. Beleidskader Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit).

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

19

Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn beleidsspeerpunten op alle overheidsniveaus. Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankerd in het “Besluit op de ruimtelijke ordening 1985”. Het belangrijkste instrument vanuit het Waterschap is de Keur van Waterschap de Dommel. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (V-GRP) 2015-2020 heeft de gemeente Oisterwijk haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. Afvoeren naar de riolering Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe binnen het plan, met water wordt omgegaan. Verder is opgenomen op welke wijze de inrichtingsmaatregelen bijdragen aan ‘Veiligheid, Voldoende en Schoon Water’.

Gebiedsomschrijving in relatie tot water Het centrum van Oisterwijk bevindt zich op een oude oeverwal en is hoger gelegen in het landschap. Direct ten noorden van deze oeverwal, is een zandrug gelegen. De projectlocatie is gelegen op deze zandrug. Op basis van Watertoetskaart van het waterschap is bepaald dat de projectlocatie niet is gelegen in een “beschermd gebied”. Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie De gemeente Oisterwijk heeft het beleidsuitgangspunt dat voor de verharding van de beoogde ontwikkeling de voorkeursvolgorde moet worden doorlopen. Het ruimtelijk besluit om buitenplans af te wijken van enkele maatvoeringsspecten uit het bestemmingsplan staat los van de verplichting om hemelwater af te koppelen van het gemeentelijk riool. Dit is bij elk bouwplan op grond van het beleid van de gemeente Oisterwijk verplicht. De wijze waarop met hemelwater wordt omgegaan is onderdeel van de bouwplanuitwerking en komt op hoofdlijnen op het volgende neer; Het terrein is in de huidige situatie volledig onverhard. Met het bouwplan zal de verharding daarom toenemen. Voor de nieuwe bedrijfswoning en bedrijfsgebouw geldt het volgende ten aanzien van de oppervlakte: Voor de bebouwing (bedrijfsgebouw en bedrijfswoning) is sprake van een dakvlak van 337 m2. Voor de terreinverharding (oprit, 350 m2 en terras 15 m2) is een inschatting gemaakt 365 m2.

Bij de bouwplanuitwerking zal een definitieve opgave van de verharding worden gedaan.

Verdeling verhard oppervlak Oppervlaktes

Toekomstig m2

Daken

337

terrein verharding

365

Totaal

702

Er is sprake van een toekomstige verharding (terrein en dakvlak) van 702 m2. Onder het kopje “hemelwater” zal worden beschreven hoe de noodzakelijke waterberging zal worden opgevangen.

20

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Bodem In het Dino-loket van TNO is één grondboring (B51A0124) gevonden in de omgeving (circa 100 m ten westen) van het plangebied. Hieruit blijkt de bodem tot bijna 8 m beneden maaiveld (maximaal geboorde diepte) hoofdzakelijk bestaat uit fijn zand. Fijn zand is uitermate geschikt om hemelwater op een goede wijze te laten infiltreren. De locatie ter plaatse van de boring bevindt zich op een hoogte van circa NAP +10,40 m. Grondwater Op basis van het meetnet van peilbuizen van de Gemeente Oisterwijk is inzicht in de grondwaterstanden in de omgeving van het plangebied. Het meest relevante meetpunt is gerelateerd aan de rotonde bij de Bedrijfsweg/ Sprendlingenstraat en is gelegen op circa 9,02 m + NAP. Uit deze gegevens kan worden opgemaakt dat de GHG ter plaatse circa 1,40 meter onder het maaiveld is gelegen (10,40 m – 9,02 m = 1,38 m). Op basis van deze inschattingen kan gesteld worden dat het plangebied zich goed leent voor infiltratie van hemelwater. Oppervlaktewater Parallel aan de Kerkhovensestraat is een sloot aanwezig. Deze B-watergang blijft met de beoogde plannen behouden. Van versnelde afvoer van regenwater naar deze sloot is geen sprake. Versnelde afvoer naar een B-watergang is in strijd met de Keur van het Waterschap.

Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater worden aangeboden op het rioolstelsel van de gemeente Oisterwijk en worden aangeboden aan de rioolwaterzuivering. Hemelwater De initiatiefnemer voor een werk of project wordt geacht de voorkeursvolgorde te doorlopen; als hergebruik en infiltratie van het hemelwater niet mogelijk zijn dan is afvoer naar oppervlaktewater mogelijk. In dat geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn, waarbij gedacht kan worden aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot op eigen terrein. Afvoer naar de riolering is uitsluitend toegestaan binnen stedelijk gebied en als er geen andere mogelijkheden zijn. In het kader van de herontwikkeling dient het duurzaamheidsprincipe gevolgd te worden op basis van de kwaliteitstrits schoonhouden, scheiden en zuiveren. In dit kader worden geen uitloogbare materialen gebruikt. Voor het plangebied geldt een bergingsopgave van 42 m3. Deze is gebaseerd op een verharding van 702 m2 waarvoor op basis van het geldende gemeentelijke beleid (Verbreed Gemeentelijk Riolerings Plan) 60 mm per m2 moet worden gecompenseerd. Op basis van Watertoetskaart van het waterschap is op basis van de “algemene regels verhard oppervlak” een factor van 1 bepaald. Voor de berekening is de bergingstool van de gemeente Oisterwijk gehanteerd.

Berekeningstool HNO te bergen hoeveelheid; bron: gemeente Oisterwijk BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

21

Indien het geheel aan hemelwater geborgen zou gaan worden, zullen infiltratiekratten aangelegd worden onder de oprit. Een dergelijke voorziening zou op het terrein inpasbaar zijn. De plannen gaan echter uit van het toepassen van rieten daken. Het hemelwater dat op het dak valt zal niet opgevangen worden in een goot maar zal rechtstreeks het maaiveld infiltreren. De bodem is geschikt voor infiltratie. De terreinverharding zal gaan bestaan uit grind. Ook hiervoor geldt dat het hemelwater rechtstreeks de grond zal inzakken. De aanleg van een infiltratievoorziening is daarom niet nodig. De definitieve uitwerking zal samen met de bouwplannen vastgelegd worden volgens de hierboven beschreven wijze. In ieder geval is sprake van hydrologisch neutraal ontwikkelen. Vergunningen Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Het “waterbeleid” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling

4.4

Natuur

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving; de Wet natuurbescherming. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt bij de Provincie. Gebiedsbescherming In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden zijn de Veluwe, Rijntakken (rivieren), de Waddenzee maar ook de Kampina en Oisterwijkse vennen). Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Provincies hebben ervoor gekozen om deze gebieden te beschermen via het provinciale beleid. Ook de provincie Noord-Brabant heeft de gebieden in haar beleid toegewezen aan het Natuur Netwerk Brabant (NNB).

Het bouwperceel ligt niet binnen of nabij een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het NNB. Met het afwijken van enkele maatvoeringsaspecten die bovendien leiden tot minder bouw-, en gebruiksactiviteiten die op basis het bestemmingsplan zijn toegestaan staat vast dat deze afwijking tot minder (negatieve) effecten waaronder trillingen of stikstofdepositie op beschermde gebieden zal leiden dan reeds is toegestaan. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Hiervoor verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de voormalige Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Onder de Wet natuurbescherming worden 75 soorten vaatplanten beschermd. Vrijwel alle zoogdieren zijn beschermd. Het bouwperceel is braakliggend. Er zijn geen beschermde dieren of plantsoorten te verwachten. Nadelige gevolgen voor natuurwaarden worden daarom niet verwacht. 22

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

4.5

Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. In het vigerend bestemmingsplan is een dubbelbestemming (Waarde – Archeologie 5) opgenomen ter bescherming van eventueel in de bodem voorkomende archeologische waarden. Het bestemmingsplan staat het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen toe. De verwachting voor het voorkomen van archeologische waarden is zodanig klein dat er in de dubbelbestemming is geregeld dat bouwwerken met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m2 zijn uitgesloten van archeologisch onderzoek.

Het beoogde bedrijfsgebouw en bedrijfswoning zijn veel kleiner dan 2.500 m2 waardoor vaststaat dat geen onderzoek naar archeologische waarden nodig is. Als tijdens werkzaamheden toch archeologische resten of sporen aangetroffen worden, moet hiervan terstond melding worden gemaakt. Als blijkt dat de aangetroffen resten of sporen gedocumenteerd dienen te worden, zal overleg plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid waarin besproken wordt welke tijd en ruimte beschikbaar is om op een gedegen manier waarnemingen te verrichten. Op deze manier zijn toevalsvondsten ook tijdens de bouw op een goede manier verzekerd. Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen of gebouwen aanwezig. De Kerkhovensestraat is een geografische lijn met een redelijk hoge cultuurhistorische waarde. Het realiseren van gebouwen is op basis van de regels van het bestemmingsplan mogelijk. Met de beoogde afwijking wordt het mogelijk een kleinere maat en schaal aan bebouwing te realiseren die bovendien aansluit op de reeds aanwezige gebouwen noordelijk van de Kerkhovensestraat. Door de bouwplannen wordt aangesloten op het bestaande karakter van de straat en wordt de straat als geografische lijn beter geduid.

Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor het afwijken van de regels ten behoeve van de bouw van een bedrijfsgebouw en bedrijfswoning aan de Kerkhovensestraat.

4.6

Milieuzonering

Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier sprake is van het gebruik van een gebouw als woning (gevoelig object) verdient het aspect “milieuzonering” aandacht. Bedrijvigheid en richtafstanden Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden of woningen. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

23

Zonering of functiemenging Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Het gebruik van een bedrijfsgebouw voor een groothandel in consumentenartikelen en een bedrijfswoning is op basis van het bestemmingsplan toegestaan. De ontwikkeling past functioneel binnen de geldende bestemmingsregels en de voorgenomen buitenplanse afwijking ziet enkel toe op een afwijking van de bouwregels van het bestemmingsplan voor wat betreft de maatvoering van de bedrijfswoning ten opzichte van het bedrijfsgebouw. Deze beoogde afwijking ondervindt daarom geen belemmeringen van milieuhygiënische aard. Er kan daarom worden geconcludeerd dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en dat belangen van in de omgeving aanwezige bedrijven niet worden geschaad. Het aspect “milieuzonering” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aangezien het gebruik reeds in het vigerend bestemmingsplan is toegestaan.

4.7

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk significant nadelig kan worden beïnvloed. In het Besluit m.e.r. wordt de realisatie van woningen aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject (D11.2). Naast de aanvliegroutes via het Besluit m.e.r. of de “passende beoordeling” (Wet natuurbescherming), kan ook een m.e.r.-plicht ontstaan via aanvullend binnen de Provinciale Milieuverordening opgenomen activiteiten. Noord-Brabant heeft echter geen aanvullende m.e.r.-plichtige activiteiten opgenomen. Onder de drempelwaarden uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ uit te voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

Dit laat onverlet dat er een separaat m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen zou dienen te worden op basis van een aanmeldingsnotitie. In onderhavig geval is er echter sprake van het afwijken van enkele maatvoeringsregels. De bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan worden hierbij niet volledig benut. Het bestemmingsplan is kaderstellend geweest voor de bestemde bouwmogelijkheden en het gebruik, waardoor de (potentiële) milieueffecten die deze ontwikkeling met zich meebrengt destijds bij de totstandkoming van het moederplan reeds afgewogen zijn. Op grond daarvan kan gesteld worden dat er in dit geval geen sprake is van een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject. Hieruit moet geconcludeerd worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van een mogelijke MER-plicht, geldt bovendien dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

4.8

Geluid

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. 24

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: • Woningen; • Andere geluidsgevoelige gebouwen; • Geluidsgevoelige terreinen Met de beoogde afwijking wordt een bedrijfsgebouw en bedrijfswoning gerealiseerd. Het gebruik van bedrijfsgebouwen en woningen is op basis van het bestemmingsplan toegestaan. Er is geen sprake van de bestemming van een nieuw geluidsgevoelig object waardoor aangenomen moet worden dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat. Het aspect “geluid” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aangezien het gebruik reeds in het vigerend bestemmingsplan is toegestaan.

4.9

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitvoering van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16 van de Wm. Vaststelling van een bestemminsplan is mogelijk als: • De concentratie stoffen in de lucht door de voorgenomen ontwikkeling verbetert of gelijk blijft; • Bij beperkte toename van de concentratie, door een met de activiteit samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbeterd; • De toename, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Dit is het geval als een project of activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties PM10 of NO2 (max1,2 μg/m3).

Toetsing initiatief aan “niet in betekenende mate” begrip Projecten die “niet in betekenende mate” bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van “niet in betekenende mate” ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van “niet in betekenende mate” sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit besluit betreft het afwijken van enkele maatvoeringsaspecten uit het bestemmingsplan. Het gebruik van het bedrijfsgebouw en bedrijfswoning is reeds toegestaan. Het voorgenomen besluit is een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Toetsing initiatief aan “goede ruimtelijke ordening”

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

25

Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden of het initiatief voorziet in een goede ruimtelijke ordening. Dit is onderzocht door middel van de NSLmonitoringstool (https://www.nsl-monitoring.nl). De meetpunten aan de Bedrijfsweg zijn het dichtst op de projectlocatie gelegen. Hier wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden (stikstofdioxode: 60 μg/m3 en fijn stof: 40 μg/m3). Voor stikstofdioxide en PM10 is de achtergrondwaarde gelegen tussen 0 en 35 μg/m3 en voor zeer fijn stof (PM2,5) is de waarde gelegen lager 20 μg/m3. Ook het aantal overschrijdingsdagen is lager dan 35 per jaar en voldoet daarmee aan de normen. Omdat de projectlocatie verder van de Bedrijfsweg is gelegen dan de meetpunten van het NSL dat doen, kan worden verondersteld dat wordt voldaan aan de normen en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Overigens is het huisvesten van personen in een bedrijfswoning aan de Kerkhovensestraat in het vigerend bestemmingsplan al toegestaan. De beoordeling van de luchtkwaliteit is reeds bij de totstandkoming van het bestemmingsplan als positief beoordeeld.

Uitsnede NSL-viewer met in rood de projectlocatie; bron: nsl-monitoring.nl Het aspect “luchtkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aangezien het gebruik reeds in het vigerend bestemmingsplan is toegestaan.

4.10 Bodemkwaliteit Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te bestaan in de bodemkwaliteit teneinde de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor een beoogde (nieuwe) bestemming te kunnen aantonen. Bij een bestemmingswijziging is het van belang dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Ten behoeve van het afwijken van enkele maatvoeringsaspecten uit de regels van het bestemmingsplan wordt de bestemming en de toegestane gebruiksvormen van het perceel niet aangepast. Ten behoeve van de ontwikkeling is onderzoek gedaan naar de bodemkwaliteit. Aanvankelijk is geconcludeerd dat de bodem een verhoging kent van de waarden voor chroom en arseen. Inmiddels is de bodem middels de aanleg van een leeflaag, geschikt gemaakt voor de verschillende functies. Het aspect “bodemkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Externe Veiligheid 26

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

De externe veiligheidsregelgeving is gericht op het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen en/of activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de Structuurvisie buisleidingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling basisnet. Om voldoende ruimte aan te houden tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid rondom een risicobron kunnen om onderzoek vragen.

Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. Het groepsrisico (GR) bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer).

Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Ter verantwoording van het groepsrisico is door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) een standaardverantwoording samengesteld. Deze standaard verantwoording groepsrisico betreft alle risicobronnen die kunnen leiden tot een groepsrisico, zoals Bevi-inrichtingen, buisleidingen en autowegen. In deze standaard verantwoording worden binnen de gemeente aanwezige risicobronnen beschouwd, alleen indien hiertoe aanleiding bestaat wordt een specifieke bron specifiek benoemd. De locatie is voor een klein deel gelegen binnen het invloedsgebied van een bron (Bedrijfsweg). De projectlocatie is deels gelegen binnen 200 meter van deze transportroute.

Op grond van artikel 8 lid 2 onder b kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico aangezien het groepsrisico redelijkerwijs, gelet op de dichtheid van personen in het invloedsgebied als gevolg van de bouw niet met meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen in de bebouwde omgeving niet zal worden overschreden. Bovendien is sprake van zelfredzame personen.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

27

Bovendien geldt dat het gebruik van de locatie voor het huisvesten van personen in een bedrijfswoning is reeds in het vigerend bestemmingsplan toegestaan. De beoogde afwijking van enkele maatvoeringsaspecten uit de regels van het bestemmingsplan wijzigt dit gebruik niet. De Veiligheidsregio heeft een standaardadvies opgesteld. Dit standaardadvies kan op basis van het bij dit advies horende stroomschema en de hiervoor beschreven toelichting gebruikt worden voor de verantwoording van het groepsrisico. De standaardverantwoording van het OMWB is toepasbaar, het standaardadvies van de Veiligheidsregio ook. Het standaardadvies en het stroomschema is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. De basis voor het stroomschema is de locatie. Onderstaande kaart toont de ligging van het plangebied. De volgende afbeelding toont de ligging van het plangebied binnen de 200 meterzone van de Bedrijfsweg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11429534/3