CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-76 Harmoniseren welstandbeleid gemeente Oisterwijk en voormalige gemeente Haaren- bijlage 1 Welstandsnota

RAAD 12 juli 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-76 Harmoniseren welstandbeleid gemeente Oisterwijk en voormalige gemeente Haaren18.384 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

41

ene pand of dat ene ensemble. Daarnaast bestaan er historisch waardevolle dorpsgezichten, waarbij het geheel, de compositie, van gebouwen en objecten een bijzondere eigenschap bezit. Voor bouwplannen op, aan of nabij monumenten is de redengevende beschrijving van het monument de basis voor toetsing aan de welstandscriteria. Daarnaast zijn de algemene criteria van toepassing. Bouwplannen op, aan of nabij monumenten worden altijd aan de commissie voorgelegd. Voor de ligging van de monumenten zie de welstandsbeleidskaart. Voor de adressen van de monumenten zie de separate lijst van rijks- en gemeentelijke monumenten van de gemeente Haaren in bijlage 3.

3.6.3 archeologie Binnen de dynamiek van ontwikkelen en bouwen is het van belang archeologische elementen te conserveren en waar mogelijk te accentueren en geloofwaardig in te passen. Ontwikkelingen behoren immers een plaats te krijgen in, en niet in plaats te komen van het cultuurlandschap. Wanneer behoud "in situ" niet mogelijk is, kunnen de archeologische sporen in de ondergrond eventueel door opgraving veilig worden gesteld, zodat zij "ex situ" nog bijdragen aan het verborgen verhaal. Voor de bouwopgave betekent dit dat met name gestuurd moet worden op: De situering van het bouwwerk in relatie tot de aanwezige archeologische waarde. De oriëntatie van het bouwwerk, met name in relatie tot de effecten op de situering van op- en inritten, parkeerruimten e.d.

3.6.4 Relatie met andere sturingsinstrumenten • Monumentenwet en gemeentelijke Erfgoedverordening: aanwijzingsbevoegdheid, toetsingsprocedure (ver)bouwen monumenten, Provinciale structuurvisie; • Stedenbouwkundige (Master-)plannen: stedenbouwkundig beeld; • Bestemmingsplan: uitwerking van de Masterplannen, vastleggen bouwmassa, oriëntatie van de gebouwen en doorzichten; • Structuurvisie: uitwerking van de visie en structuren op gebied van het erfgoed. • Beleidsplan openbare ruimte: richting geven aan de inrichting van de openbare ruimte nabij monumenten. • Landschapsbeleidsplan; de uitwerking van fysisch en historisch landschap, groenelementen in relatie tot gebouwd erfgoed.

42

•

• •

• •

Toerisme en economie: uitwerking van de combinatie van erfgoed, de verhalen (stones&stories) en toeristisch economische sector. Hierin kan worden berekend wat de economische opbrengsten zijn vanuit toeristische sector voor erfgoed. Malta-wetgeving, waarbij het principe geldt: de verstoorder(opdrachtgever) betaalt. Cultuurhistorische Effectrapportage (CHER), voor grootschaliger projecten, waarbij integrale randvoorwaarden worden opgesteld voor behoud en inpassing van o.a. cultuurhistorische waarden in de plannen. Ontgrondingsvergunning (archeologie) , voor uitgraven van bodems. Peilbesluiten (archeologie), voor veranderingen van het grondwaterpeil.

3.7 Welstand en reclamebeleid Reclame-uitingen aan of op gevels en andere reclameobjecten in de leefomgeving zijn bedoeld om op te vallen. Daarom kunnen ze al snel als visueel storend worden ervaren. Voor plaatsing van reclameobjecten is dan ook in beginsel altijd een vergunning van de gemeente nodig. De reclamecriteria hebben betrekking op reclameobjecten waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen nodig is. Er moet dus sprake zijn van bouwen in de zin van de wet. Is daarvan geen sprake dan is slechts de excessenregeling (hoofdstuk 10) van toepassing. Desondanks zijn de reclamecriteria ook te gebruiken als richtlijn voor evenwichtige vergunningvrije reclametoepassing. Bij de beoordeling van reclame-uitingen door gemeenten in het kader van welstand wordt onder meer gelet op de visuele afstemming van de reclame op het gebouw en de omgeving. In de objectcriteria (Deel C hoofdstuk 9) zijn ook de criteria voor reclame-uitingen opgenomen. Concreet wordt gekeken naar de volgende aspecten: de vormgeving van de reclame. De functionele relatie met het gebouw waarop of waarbij deze wordt aangebracht.

43

44

  



45





46



  

4.1 toetsingsprocedure 4.1.1 planverantwoording De gemeente Haaren heeft de betrokkenheid van haar burgers bij de kwaliteit van de eigen woonomgeving hoog in het vaandel staan. De verantwoordelijkheid voor naleving van de wettelijke bepalingen ligt bij de burger. De burger zal zich dan ook moeten kunnen verantwoorden voor zijn bouwactiviteiten. Daarom worden aanvragers van bouwplannen gevraagd een planverantwoording te maken. Is een plan voorzien van een deugdelijke planverantwoording, dan zal het plan niet meer worden getoetst door de welstandscommissie. Hierop gelden de volgende uitzonderingen: In ontwikkelingsgebieden worden alle plannen alleen aan de commissie voorgelegd wanneer er geen deugdelijke planverantwoording is bijgevoegd, op verzoek van de aanvrager of wanneer de gemeente twijfels heeft over de toepassing van de beeldkwaliteitseisen. In de aandachtsgebieden cultuurhistorie worden plannen in principe wel ter advisering aan de commissie voorgelegd, tenzij het plan op basis van de objectcriteria kan worden afgehandeld. Plannen voor monumenten (perceelsniveau) worden altijd aan de commissie voorgelegd.

Een deugdelijke planverantwoording geeft antwoord op de volgende vragen: voldoet het plan aan het bestemmingsplan wat betreft plaatsing en afmetingen? Indien gebruik wordt gemaakt van binnenplanse ontheffingen of de kruimelgevallen: op welke wijze draagt dit bij aan de inpassing in de omgeving? Hoe is het plan in de omgeving ingepast t.a.v. plaatsing, afmetingen, stijl, karakter, compositie, materiaal en kleur? Wijkt het plan af van de criteria in de welstandsnota, en zo ja: waarom? Op welke manier draagt het plan in dat geval bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving?

47

Het plan wordt voorgelegd aan de welstandscommissie als: 1. Het plan in een aandachtsgebied cultuurhistorie ligt; en/of 2. Het plan van de criteria in de welstandsnota afwijkt en de gemeente twijfelt aan de planverantwoording, of 3. De ontwerper/aanvrager niet tot overeenstemming komt met de toetsende ambtenaar of de aanvrager uitdrukkelijk om een advies van de commissie verzoekt, of 4. Er geen planverantwoording is bijgevoegd. Als een project(afwijkings)besluit nodig is voor het bouwen en de gemeente overweegt medewerking te verlenen, zal zij meestal ook het advies van de commissie inwinnen.

4.1.2 procedure In onderstaand schema is aangegeven op welke wijze er getoetst wordt en welke criteria van toepassing zijn bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Vergunningvrije bouwwerken of vergunningvrije wijzigingen aan bouwwerken worden niet getoetst aan redelijke eisen van welstand, tenzij de aanvrager daar om vraagt (preventieve toets) of indien sprake is van een mogelijk exces (repressieve toets). In deze gevallen toetst de commissie aan ernstige strijd met redelijke eisen van welstand, op basis van de excessenregeling, hoofdstuk 10 van deze nota.

48

49

4.2 De welstandscommissie De Woningwet 2003 (artikel 8 lid 2) verplicht gemeenten er toe de regels met betrekking tot de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie in de bouwverordening op te nemen. Voor informatie hierover wordt u verwezen naar de bouwverordening en de toelichting hierop en naar het Reglement van orde van de welstandscommissie van de gemeente Haaren Bouwverordening Haaren 2013 Hoofdstuk. 9 Welstand - de advisering door de commissie - de samenstelling van de commissie - de jaarlijkse verantwoording - de termijn van advisering - de openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting - afdoening onder verantwoordelijkheid - vorm waarin het advies wordt uitgebracht

.

4.3 De gemeentelijke organisatie 4.3.1 Burgemeester en wethouders voeren het welstandstoezicht uit De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ligt bij burgemeester en wethouders. Zij hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen criteria. Het advies van de onafhankelijke en deskundige welstandscommissie speelt daarbij een belangrijke rol.

50

4.3.2 Afwijking van het advies, afwijken van de criteria Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie. Daarop zijn de volgende uitzonderingsmogelijkheden:

Afwijken van het advies op welstandsmotieven / second-opinion Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Indien burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunningsaanvraag voor de activiteit bouwen op inhoudelijke grond tot een ander oordeel komen dan de welstandscommissie staan 2 mogelijkheden ter beschikking: Enerzijds kunnen burgemeester en wethouders de commissie vragen om een heroverweging. Dit gebeurt in incidentele gevallen waarbij aanvullende planinformatie beschikbaar komt. Anderzijds kunnen zij voordat het besluit op de vergunningsaanvraag wordt genomen, binnen de daarvoor geldige afhandelingstermijn, een second-opinion aanvragen bij een andere onafhankelijke adviescommissie. Het advies van deze tweede commissie speelt een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van burgemeester en wethouders. Indien het advies van de reguliere commissie en de second-opinion tegengesteld zijn en burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de reguliere welstandscommissie, wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd.

De reguliere welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld.

Afwijken van het advies om andere redenen. Het bevoegd gezag krijgt volgens artikel 2.10 lid 1 aanhef en onder d Wabo de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning te verlenen indien het van oordeel is dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld.

51

Het bevoegd gezag zal uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid omdat de ruimtelijke niet snel ondergeschikt wordt geacht aan de economische of maatschappelijke belangen.

4.3.3 Bezwaar/beroepprocedure

Het indienen van bezwaar/beroep Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar/beroep indienen tegen de beslissing van burgemeester en wethouders op de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Bezwaar of beroep is afhankelijk van de gevolgde procedure van de omgevingsvergunning. Belanghebbenden zijn in de regel de planindiener en de direct omwonenden. In de bezwaarschriftprocedure heroverwegen burgemeester en wethouders het besluit, na advies van de ‘Commissie Bezwaar- en Beroepschriften’. Belanghebbenden worden in dat geval uitgenodigd om tijdens een hoorzitting hun standpunten nader toe te lichten. Binnen tien weken nemen burgemeester en wethouders daarna een beslissing op het bezwaar. De belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn, kunnen hiertegen in beroep gaan. De afdeling gemeentewinkel kan informatie over de procedure geven. Als een bezwaar te maken heeft met het welstandsoordeel, richt de belanghebbende zich dus nadrukkelijk op het oordeel van burgemeester en wethouders en niet op het advies van de welstandscommissie. Dat is immers alleen een advies aan burgemeester en wethouders. De welstandscommissie zelf kent daarom geen bezwaarprocedure voor belanghebbenden. Natuurlijk kunnen de ontwerper en eventueel de planindiener de welstandscommissie wel een toelichting op een uitgebracht advies vragen.

Na hoor en wederhoor kan de welstandscommissie, als zij daartoe aanleiding ziet, het advies herzien. Deze herziening wordt in het advies gemotiveerd. Ook kan de planindiener en ontwerper aan burgemeester en wethouders een verzoek richten voor een second-opinion. Burgemeester en wethouders beslissen op een dergelijk verzoek na een zorgvuldige afweging. De Federatie Welstand beschikt over een beroepscommissie voor procedurele en juridische zaken.

52

4.3.4 Vooroverleg/conceptaanvraag De gemeente biedt ontwerpers en planindieners de mogelijkheid om, voorafgaand aan de formele vergunningsaanvraag, vooroverleg te plegen met de welstandscommissie (of de ambtelijke toetsers) via een concept aanvraag of beeldkwaliteitplan van hun plannen. Hiertoe kan een concept aanvraag met schetsontwerp worden ingediend bij de afdeling Gemeentewinkel. De concept aanvraag wordt tevens getoetst aan de planologische haalbaarheid van het plan. Bij de concept aanvraag moet de kwaliteit van het aangeleverde materiaal een goed beeld geven van het plan en de relatie met de omgeving. Er kan dan een goed oordeel gevormd worden als de volgende zaken worden aangeleverd: situatieschets inclusief aansluitende terreinen (minimaal schaal 1:1000), foto’s van de bestaande situatie en de omgeving, bij verbouwingsplannen tevens schetsen van bestaande plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100). Bij grote projecten kan er een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving gevraagd worden om de schaal en massa te kunnen beoordelen. De concept aanvraag wordt geregistreerd, gedateerd en krijgt een dossiernummer. In afwachting van de verdere ontwikkelingen van het plan wordt een preadvies uitgebracht en worden eventuele gemaakte afspraken vastgelegd.

Op deze wijze wordt zorg gedragen voor een goede verslaglegging en een consistente advisering in alle planfasen. Op verzoek van de opdrachtgever kan dit overleg achter gesloten deuren plaatsvinden. De opdrachtgever dient deze wens bij het college van burgemeester en wethouders kenbaar te maken. 4.3.5 Supervisie/relatie welstandscommissie De gemeente kan voor bepaalde (nieuw te ontwikkelen) gebieden een projectleider aanstellen met als taak de ruimtelijke kwaliteit te stimuleren en initiatiefnemers in de vroege planvormingsfasen reeds te informeren en te begeleiden. Om misverstanden te voorkomen, is het van belang de relatie tussen de planbegeleiding door de projectleider en de uiteindelijke welstandsbeoordeling door de welstandscommissie vooraf schriftelijk vast te leggen.

53

Bij het aanstellen van een projectleider zullen de betrokken afdelingen van de gemeente zorg dragen voor een heldere taakomschrijving en een goede afstemming tussen stedenbouwkundige supervisie en welstandsbeoordeling.

54

   

   

5.1 Status Deze beleidsnota geeft voor het gehele grondgebied van de gemeente Haaren richting aan de welstandstoetsing. De nota geeft op lokaal niveau inhoud aan de nieuwe wijze van weIstandstoezicht zoals deze is vastgelegd in de vernieuwde Woningwet. De Welstandsnota gemeente Haaren is, na vaststelling in de gemeenteraad, het instrument waarmee de welstandstoets van bouwwerken uitgevoerd wordt. De wet heeft daarbij vastgelegd dat deze toets gebaseerd moet zijn op zowel algemene als gebiedseigen kwaliteiten en kenmerken en voor de burger transparant en navolgbaar moet zijn. In essentie komt het erop neer dat: de gemeenteraad bepaalt welke criteria in welk gebied van belang zijn bij de toetsing; de burger in staat moet zijn daarvan kennis te nemen en zodoende vooraf weet waarop zijn bouwplan zal worden getoetst; gemeente en welstandscommissie daar vervolgens naar te handelen heeft en hun beoordeling van het bouwwerk op die criteria goed naar de burger dient te communiceren. Deze beleidsnota is zodanig opgesteld dat deze aan de eisen van de Woningwet voldoet.

5.2 Woningwet, Wabo en Bor. De woningwet stelt dat de welstandsadvisering gebaseerd dient te zijn op vooraf geformuleerde criteria, die zijn vastgesteld door de gemeenteraad en zijn opgenomen in de welstandsnota.. Met de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht per 1 oktober 2010 is de bouwvergunning krachtens de Woningwet komen te vervallen. De bouwvergunning gaat nu op in de omgevingsvergunning van de Wabo. De categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken is komen te vervallen, de categorie vergunningsvrije bouwwerken is aangepast. In de uitvoeringsregeling Bor, Besluit omgevingsrecht, is aangegeven voor welke bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist.

55

Vergunningvrije bouwwerken In de Bor is opgenomen voor welke bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning vereist is. Bouwwerken in beschermde stads- en dorpsgezichten en bouwwerken en wijzigingen aan of bij monumenten zijn altijd vergunningsplichtig.. Een vergunningsvrij bouwwerk wordt vooraf niet aan welstandseisen getoetst. Toch zijn er grenzen gesteld aan wat gebouwd mag worden. Bij bouwwerken die 'in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand', kan de gemeente ingrijpen. Hiervoor is de zogenaamde 'repressieve welstandstoets' ingesteld; een excessenregeling op grond waarvan gedwongen kan worden 'al te lelijke bouwwerken die ernstig uit de toon vallen' aan te passen. Wat de repressieve welstandstoets inhoudt is te vinden in Deel C - Hoofdstuk 10 “excessenregeling en vrijwillige toetsing”. Criteria Omgevingsvergunningplichtige bouwwerken worden in de hierboven vernoemde welstandstoets op drie soorten criteria getoetst: Algemene criteria; Gebiedsgerichte criteria; Objectcriteria. Algemene criteria Bij de toets op de algemene criteria wordt gekeken naar de architectonische kwaliteit en passendheid van het bouwwerk op zich. De algemene criteria zijn universele kwaliteitsprincipes, gericht op het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en de zeggingskracht van het bouwwerk.

Zij zijn gericht op de relatie tussen vorm en sociaal-culturele context, goede schaal en maatverhoudingen en het evenwicht tussen helderheid en complexiteit. Gebiedsgerichte criteria De gebiedsgerichte criteria beoordelen een bouwwerk op de relatie van dat bouwwerk met zijn omgeving. De gebiedsgerichte toets hanteert vier hoofdcategorieën criteria:

56

de situering van het bouwwerk; de hoofdvormen van het bouwwerk; de gevelaanzichten van het bouwwerk; de materialisatie en detaillering van het bouwwerk. Objectcriteria De objectcriteria zijn criteria voor (kleine,) veelvoorkomende bouwwerken. Het gaat hier om: bijbehorende bouwwerken, dakkapellen, erfafscheidingen enz. Deze criteria zijn algemeen en gelden dus in principe in elk gebied. Daarnaast zijn in deze nota ook objectcriteria voor agrarische bouwwerken in het beheergebied opgenomen, en zijn de reclamecriteria in deze categorie ondergebracht. De reclamecriteria zijn wel gebiedsafhankeijk, maar zo concreet dat een ambtelijke toets in veel gevallen goed uit te voeren is. Kleine veelvoorkomende bouwwerken, waarvoor objectcriteria zijn geformuleerd, kunnen deel uitmaken van een totaal bouwplan, dat omgevingsvergunningplichtig is en ter advisering bij de welstandscommissie ligt. De welstandscommissie betrekt bij de toets van dit totale bouwplan ook de relevante objectcriteria. Om te voorkomen, dat men achteraf geconfronteerd wordt met redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningsvrije bouwwerk dit vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De objectcriteria kunnen dan dienen als adviserend toetsingskader.

57

5.3 Benodigde bescheiden bij welstandstoets De verschuiving van actief naar passief welstandsbeleid voor grote delen van het grondgebied legt meer verantwoordelijkheid bij de burger. Daarom wordt, bij elk plan dat niet valt binnen de categorieën bouwwerken die beschreven zijn in de objectcriteria, gevraagd een planverantwoording op te stellen. Wat er minimaal in zo’n planverantwoording moet staan is beschreven in paragraaf 4.1.1. Om een plan goed te kunnen beoordelen dient de aanvrager voorts voldoende informatie over het plan te verstrekken. Het aangeleverde materiaal (plattegronden, tekeningen, foto's etc.) moet een goed beeld geven van het bouwplan en de relatie met de omgeving. In de Mor (regeling omgevingsrecht) staan de wettelijke indieningsvereisten voor een aanvraag om omgevingsvergunning. Artikel 2.5 Redelijke eisen van welstand In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van de toetsing aan de criteria uit de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; d.

opgave van de toe te passen bouwmaterialen en de kleur daarvan (uitwendige scheidingsconstructie). In ieder geval worden opgegeven het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten en boeidelen en de dakbedekking. Artikel 2.8 Algemene vereisten aan tekeningen 1. De aanvrager voorziet de tekeningen bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit van een duidelijke maatvoering en schaalaanduiding. 2. Tenzij artikel 5.8 van toepassing is, geldt voor de volgende tekeningen de daarbij genoemde maximaal toe te passen schaal: a. situatietekeningen: 1:1000; b. geveltekeningen, plattegronden en doorsneden:

58

2

1°. bouwwerken kleiner dan 10.000 m bruto vloeroppervlakte: 1:100; 2 2°. bouwwerken 10.000 m of groter bruto vloeroppervlakte: 1:200; c. detailtekeningen: 1:5 of 1:10 of 1:20. 3. Uit de situatietekening blijkt de oriëntatie van het bouwwerk op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen (noordpijl). Artikel 7.6 Handelsreclame 1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder h en i, van de wet, verstrekt de aanvrager gegevens over: a. het aantal en de afmetingen van de reclame; b. de hoogte van de reclame, gemeten vanaf maaiveld tot de onderkant; c. de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; d. de tekst van de reclame. 2. Indien een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander.

De gemeente Haaren voegt hieraan toe: Tekeningen van plattegronden zijn niet als vereiste genoemd, maar zijn voor een goed inzicht in het plan onontbeerlijk. Aangezien deze tekeningen voor andere toetsen in het kader van de omgevingsvergunning wel een vereiste zijn wordt geadviseerd deze ook bij de welstandsstukken te voegen. Bij verbouwingsplannen dienen ook de tekeningen van de bestaande toestand toegevoegd te worden. Tekeningen van de principedetails betreffen meestal dakranden, goten, dakkapellen, kozijnen Wanneer het plan een monument betreft, dient de redengevende beschrijving van het monument bij de behandeling van het plan beschikbaar te zijn. Bij grote projecten kan een (werk)maquette van het bouwwerk en zijn omgeving bijdragen aan een goed inzicht in het plan, m.n. de schaal en massa.

59

60

  

 

61

 

62

     Gebruik In dit hoofdstuk zijn de criteria ten behoeve van de welstandstoets van Haaren uitgewerkt. Deze criteria zijn in belangrijke mate gestoeld op een gebiedsgerichte benadering. Er worden verschillende typen criteria onderscheiden. De welstandstoets vormt een onderdeel van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Deze vergunningsprocedure is uitgewerkt in Deel B, hoofdstuk 5.

In de gemeente Haaren worden de volgende typen criteria onderscheiden: Algemene welstandscriteria: deze liggen ten grondslag aan iedere bouwplanbeoordeling. Ze fungeren daarnaast als 'vangnet' wanneer een bouwplan gemotiveerd afwijkt van de gebiedsgerichte criteria (hoofdstuk 6). Actuele beeldkwaliteitplannen: voor ontwikkelingsgebieden zijn beeldkwaliteitplannen opgesteld, die voor de gemeente het handvat vormen voor sturing bij de ontwikkeling van het gebied en voor ontwerpers bij de ontwikkeling van individuele projecten binnen dat gebied. Deze beeldkwaliteitseisen hebben de functie van gebiedsgerichte criteria, maar zijn vaak gedetailleerder van opzet, en beschrijven ook de gewenste beeldkwaliteit van de openbare ruimte. (hoofdstuk 7) Gebiedsgerichte criteria: specifieke aan bebouwing in verschillende deelgebieden gerelateerde criteria. Ze gelden alleen voor bouwwerken waarvoor een omgevingsgunning voor de activiteit bouwen moet worden aangevraagd. (hoofdstuk 8). Objectcriteria :algemeen geldende, met name kwantitatieve criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken, verbouwingen en dakkapellen waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient te worden aangevraagd. Gelden voor zowel solitaire aanvragen als voor onderdelen van een totaal bouwplan (hoofdstuk 9).

De excessenregeling :bevat de criteria die worden gehanteerd om te bepalen of de staat van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand, eventueel met de overige bovenstaande criteria als concretisering (hoofdstuk10).

63

64

 

   

Naast de specifieke gebiedsgerichte criteria zijn bij de beoordeling van een bouwwerk ook algemene criteria van kracht. Deze zijn terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes. De algemene criteria liggen ten grondslag aan elke planbeoordeling. De algemene criteria zijn deels gebaseerd op de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester, dhr. Tj. Dijkstra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel 'Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid'. Ze vormen het begrippenkader en zijn als het ware het gereedschap van de welstandscommissie bij de argumentatie van het welstandsadvies.

Toepassing algemene criteria In bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte criteria ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene criteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet. De welstandscommissie kan burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en objectcriteria. In praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene criteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. De criteria in dit hoofdstuk vormen de kern van het toetsingskader van de welstandscommissie. De algemene criteria komen in beeld wanneer een plan niet ambtelijk, a.d.h.v. de eisen in een beeldkwaliteitplan, de gebiedsgerichte criteria in hoofdstuk 8 of de objectcriteria in hoofdstuk 9, kan worden afgehandeld, en een afweging door de welstandscommissie noodzakelijk is.

De commissie betrekt bij haar afweging ook de voornoemde eisen en criteria, maar baseert haar advies in elk geval op de algemene criteria.

65

6.1 Redelijkheid Welstandseisen wegen zwaarder naarmate de invloed van de bouwactiviteit op de omgeving groter is. De welstandscommissie houdt bij de welstandstoets rekening met die invloed. Uiteraard geldt dit ook de andere kant op: hoe geringer de invloed van een bouwactiviteit op de omgeving, de omwonenden en de voorbijgangers, hoe lager de eisen die aan het plan worden gesteld. Aan een plan dat niet zichtbaar is voor omwonenden en passanten, worden geen welstandseisen gesteld. De commissie dient in eerste instantie te kijken naar de invloed op openbaar toegankelijk gebied. Als het woongenot van omwonenden echter in gevaar komt zal dit zeker worden meegewogen. De invloed van een bouwwerk op zijn omgeving wordt bepaald door de afstand tot de openbare weg, de zichtbaarheid vanaf openbare weg en vanaf omliggende percelen, de mate van openbaarheid (drukke doorgaande weg of stille doodlopende straat) en de omvang van de ingreep in relatie tot het totaalbeeld. Dit criterium staat niet op zich: het bepaalt hoe zwaar de overige 9 criteria wegen bij de welstandstoetsing. In de welstandsbeleidskaart zijn aandachtsgebieden aangewezen. In deze gebieden is een hogere aandacht voor de kwaliteit van ruimtelijke ingrepen gevraagd, omdat deze gebieden cultuurhistorisch waardevol zijn, en daarmee een groter belang voor de gemeenschap hebben.

6.2 Afstemming op het gebiedskarakter Wanneer een gebouw of bouwwerk wordt gerealiseerd in een gebied met een specifiek karakter wordt verwacht dat de nieuwe toevoeging past in dit gebied. Het gebiedskarakter is beschreven in de tekst bij de gebiedscriteria in hoofdstuk 8, of in een beeldkwaliteitplan. Hoe sterker de karaktereigenschappen van het gebied, hoe hoger de eisen m.b.t . afstemming. Overigens betekent dit niet dat het nieuwe een kopie moet zijn van het bestaande. Afstemming kan ook worden gevonden in een vertaling van kenmerken in een nieuwe vorm. Een bewust toegepast contrast kan ook een tot een passende invulling leiden. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert

66

aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Hoe groter de afwijking is, hoe duidelijker de positieve bijdrage aan de omgeving ervaarbaar moet zijn.

6.3 Afstemming op de belendingen Wanneer een gebouw of bouwwerk wordt gerealiseerd in een omgeving met een sterke samenhang in verschijningsvorm wordt verwacht dat de nieuwe toevoeging de samenhang geen geweld aan doet. Hoe groter de samenhang tussen de gebouwen en bouwwerken onderling , hoe zwaarder dit criterium weegt. Overigens betekent dit niet dat het nieuwe een kopie moet zijn van het bestaande. In de meeste gevallen is dit zelfs niet wenselijk. Een omgeving moet zich kunnen ontwikkelen. Een zekere mate van variatie is ook in een samenhangende omgeving goed mogelijk.

6.4 Afstemming op het eigen karakter Bij verbouwingen, uitbreidingen en wijzigingen aan bestaande objecten wordt rekening gehouden met het karakter van het bestaande object. Afstemming kan worden bereikt door “in stijl” te bouwen, maar ook door een afgewogen contrast te introduceren. Verder kan afstemming worden bereikt door de verschijningsvorm van het gehele object in het plan mee te nemen, waardoor een nieuwe, interne samenhang ontstaat.

6.5 Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een begrijpelijke relatie heeft met het gebruik van het bouwwerk en de wijze waarop het gemaakt is.

67

Vormgeving heeft zijn eigen samenhang en logica, maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.

6.6 Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context (Stijl, type, tijdsbeeld) Stijlelementen en typologische eigenschappen worden op een zinvolle, begrijpelijke en samenhangende wijze gebruikt. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Een bouwwerk wordt verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuwof verbouw in bestaande (monumentale) omgeving is het vaak beter te laten zien wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd.

6.7 Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Met helderheid en complexiteit wordt ook bedoeld: regelmaat en variatie, eenvoud en veelvormigheid, ritme en afwijking, structuur en verbijzondering.

68

Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie. Een te grote complexiteit leidt tot onrust en verwarring, een te grote helderheid tot saaiheid en schraalheid. Helderheid en complexiteit hebben elkaar nodig: zonder regelmaat geen variatie. Een verbijzondering is alleen ervaarbaar in relatie tot de regelmatige structuur.

6.8 Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave, maar ook de omgeving stelt zijn eisen aan de schaal. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst.

6.9 Materiaal, textuur, kleur Materiaal- en kleurkeuze dienen logisch te zijn binnen het gekozen architectonische concept, de gekozen stijl of het tijdsbeeld van het bouwwerk en zijn omgeving.

69

Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, en kleur het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Als materialen en kleuren te veel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. Als materialen en kleuren te veel losstaan van de omgeving van het bouwwerk kan de ruimtelijke samenhang met die omgeving verdwijnen en de omgeving een rommelig of onrustig karakter krijgen.

6.10 Detaillering Detaillering van randen en overgangen dient logisch te zijn binnen het gekozen architectonische concept, de gekozen stijl of het tijdsbeeld van het bouwwerk en zijn omgeving. Een detail kan het architectonische concept van een gebouw maken of breken. Specifieke detaillering is vaak verbonden aan een bouwperiode of een gebouwtype. Dit is voor de “leesbaarheid” van een gebouw van groot belang. Detaillering bepaalt bovendien in belangrijke mate de schaal van een gebouw. Door een goede detaillering kan ook een groot gebouw herbergzaam overkomen (De menselijke maat).

70

71

72

    In de gemeente Haaren zijn de volgende beeldkwaliteitplannen, of -paragrafen vastgesteld: Sancta Monica, Esch Kantstraat, Haaren Wijngaert III, Haaren Brede school (vml. Gemeentewerf), Haaren Copalterreinen, Haaren Den Hoek, Helvoirt Joriskwartier, Helvoirt Hopveld II Vincent van Goghplein, Helvoirt Voor de Raamse Oevers en Reigerskant zijn wel stedenbouwkundige studies gemaakt, maar de ontwikkeling van deze gebieden ligt op het moment van vaststelling van deze nota stil. Voor de herbestemming van Haarendaal is een structuurvisie opgesteld waarin een aanzet voor beeldkwaliteitseisen is verwerkt. Voor de relevante welstandscriteria wordt verwezen naar deze bkp’s en de beeldkwaliteitparagrafen in de bestemmingsplannen. De bkp’s gelden als onderdeel van de welstandsnota. Bkp’s die na de vaststelling van deze nota worden vastgesteld moeten eveneens als onderdeel van deze nota worden beschouwd, en worden bij de volgende herziening van de nota meegenomen. De bkp’s en relevante beeldkwaliteitparagrafen zijn als bijlage aan deze nota toegevoegd.

73

74



   

Gebiedsgerichte criteria Naast de algemene welstandscriteria, welke een gebouw op zich beoordelen, bestaan er criteria die eisen stellen aan bouwwerken in relatie tot de omgeving van dat bouwwerk: de gebiedsgerichte welstandscriteria. In dit hoofdstuk zijn per deelgebied gebiedsgerichte welstandscriteria geformuleerd. Vertrekpunt voor het bepalen van gebiedsgerichte criteria is de ruimtelijke hoofdstructuur, verfijnd in een gebiedstypologiekaart en gebiedsbeschrijving. Op de typologiekaart worden de verschillende gebiedstypen in landelijke en stedelijke gebieden onderscheiden. De gebiedsbeschrijving gaat in op het voorkomen, de oorsprong en de karakteristieken van de verschillende gebieden en gebiedsdelen. Op basis van inventarisatie en analyse kunnen de belangrijkste karakteristieken bepaald worden. Deze vormen de aandachtspunten voor de gebiedsgerichte welstandsnota. Een begrippenlijst en een uitleg van bouwkundige termen is als bijlage 2 bij deze welstandsnota gevoegd.

In de welstandsbeleidskaart is een aantal gebieden als aandachtsgebied aangewezen, vanwege de cultuurhistorische waarde van het gebied. Dit betekent niet dat alle de bebouwing in een dergelijk gebied cultuurhistorisch waardevol is. Het kan ook gaan om een oud straatverloop, een typerende positionering van bebouwing t.o.v. de straat, een kenmerkende nederzettings- of ontginningsstructuur enz. . In de navolgende paragrafen is achtereenvolgens ingegaan op: • De ruimtelijke hoofdstructuur van de gemeente; • De historisch gegroeide gebieden (H-gebieden); • De planmatig aangelegde woongebieden (W-gebieden); • De bedrijventerreinen (B-gebieden); • De groengebieden (G-gebieden); • Het buitengebied (G6).

75

. Eén welstandstoets Een nieuwbouwplan voor bijvoorbeeld een woning omvat vaak een hoofdgebouw met verschillende onderdelen, bijbehorende bouwwerken of dakkapellen. Een dergelijk bouwplan wordt in één keer getoetst aan zowel de (relevante) gebiedsgerichte criteria als aan de objectcriteria.

76

Hieronder is een voorbeeld opgenomen van een tabel met gebiedsgerichte criteria. Voorbeeld tabel gebiedsgerichte criteria: Gebiedsgerichte criteria voor gebied X Algemene karakteristiek

Massavorm: Gevelopbouw: Materiaalkeuze (hoofdvlakken): Kleurgebruik (hoofdvlakken): Compositie massa-onderdelen:

en

Gevelindeling: Vormgeving gevelelementen: Materialen (onderdelen): Kleuren (onderdelen): en

Detailaspect Deelaspect Hoofdaspecten

Plaatsing en situering:

Detaillering onderdelen:

Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijk huisnummerkaart, is gelegen. Ondergeschikte onderdelen van een totaal bouwplan, zoals bijbehorende bouwwerken en dakkapellen, worden in één welstandstoets getoetst aan zowel de relevante gebiedsgerichte criteria als aan de objectcriteria. Zodra bijbehorende bouwwerken vergunningsplichtig zijn in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zijn de objectcriteria van toepassing Zodra dakkapellen vergunningsplichtig zijn in het kader van de ongevingsvergunning voor de activiteit bouwen, zijn de objectcriteria van toepassing.

77

Ruimtelijke hoofdstructuur In 1996 zijn de oude gemeenten Haaren, Esch en Helvoirt samengevoegd tot de gemeente Haaren. In 1997 is de kern Biezenmortel van de voormalige gemeente Udenhout erbij gekomen en is de nieuwe gemeente Haaren ontstaan. De gemeente Haaren bestaat uit de dorpen Haaren, Helvoirt, Esch en Biezenmortel. Daarnaast behoren onder andere de volgende buurtschappen tot de gemeente Haaren: Holleineind, Belvert, Noenes, Gever, Distelberg, Hoef ten Halve, Gijzel, Raam, Heikant, Laar, Zandkant, Molenstraat, Helvoirtsestraat, ’t Winkel en Hooghout. Landschap De basis voor de geomorfologische opbouw van de gemeente Haaren ligt in de voorlaatste en de laatste ijstijd. In de voorlaatste ijstijd, het Saalien, zijn dikke pakketten zand en löss afgezet, afkomstig uit de bodem van de toen droog liggende Noordzee. Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien, vond verspoeling van de bodem plaats, waarbij het löss sedimenteerde tot soms dikke leemlagen. Deze leemlagen zijn in recente tijden lokaal ontgonnen, waarbij in de gemeente Haaren onder andere het gebied ‘Leemkuilen’ is ontstaan. Later, in het Midden-Weichselien is opnieuw zand afgezet, waarbij geulen in het gebied werden opgevuld en een min of meer vlakke dekzandvlakte ontstond. Tijdens het Laat-Weichselien is opnieuw dekzand afgezet, maar nu in ruggen, de zogenaamde dekzandruggen.

Deze dekzandruggen hebben een zuidwest-noordoost oriëntatie, als gevolg van de overheersende zuidwesten winden in ons land. Deze dekzandruggen bestaan vaak uit zand dat is opgestoven vanuit de naastliggende beekdalen. De beken wateren af in noordelijke richting. Door de vorming van zuidwest-noordoost georiënteerde dekzandruggen, juist langs de beekdalen, is de stroomrichting van de beken deels naar het oosten afgebogen. Menselijk ingrijpen heeft geleid tot de vorming van stuifzanden. Door overexploitatie op de zandgronden, zo’n 1000 jaar geleden, verdween de aanwezige vegetatie en het kale zand verstoof vervolgens. Het resultaat is het ontstaan van landduinen met bijbehorende uitstuivingslaagtes. In de gemeente Haaren trad dit op in het noorden (in de zich naar het westen uitstrekkende Loonse en Drunense duinen) en ten oosten van Helvoirt (kleinere stuifzandcomplexen ten zuiden van Vught, waarvan een klein deel in de gemeente Haaren ligt).

78

Het grondgebied van de gemeente Haaren bestaat uit dekzandvlakten en dekzandruggen en beekdalen die van nature grotendeels begroeid waren met bos, afwisselend met open vlakten door begrazing of te hoge waterstanden voor bosbegroeiing. De mensen vestigden zich vooral op de overgangen van droog naar nat, dus op dekzandruggen. Nabij de nederzettingen werd akkerbouw gepleegd en vee werd gehouden in potstallen of ook wel geweid op heide en in beekdalen. De natste gronden in de beekdalen werden gebruikt als hooiland; op minder vruchtbare gronden op de dekzandvlaktes ontstonden heidevegetaties die werden geplagd. Kernen en nederzettingen De gemeente Haaren bestaat uit vier dorpen met elk hun eigen stedenbouwkundige en landelijke karakteristieken. De vier kernen kenmerken zich door een duidelijke ruimtelijke afscheiding van het omliggende landelijke gebied. Esch De kern Esch is ontstaan op de hogere oostelijke oeverwal van de Essche Stroom tussen twee beekdalen. De kern kan daarom worden getypeerd als een beekdalennederzetting. De naam Esch is vermoedelijk afgeleid van de boomsoort es. Esch is namelijk rondom een es ontstaan. Daarnaast is Esch ontstaan als een wegdorp langs de routes Haarenseweg, Leunisdijk en Dorpstraat. Op de plaats waar de wegen samenkomen, heeft zich een plein gevormd.

In de jaren ’60 zijn de eerste planmatige uitbreidingen van start gegaan ter hoogte van de Essche Stroom, Haarenseweg en Leunisdijk. Vervolgens hebben de planmatige uitbreidingswijk Venakkers en het bedrijventerrein Broxven zich ontwikkeld aan de oostzijde van de Leunisdijk. Aan de noordwestzijde grenst de kern aan de beek. Hier vormt de bebouwing een harde begrenzing met het landelijk gebied. Aan de noordkant van Esch is de afstand tussen de bebouwing en de beek betrekkelijk groter. Hier vormt de rand een diffuse overgang van stedelijk en landelijk gebied. Ook aan de oost- en zuidzijde kenmerkt de rand zich door een vrij zacht karakter. De gevelwand van de linten is sterk gedifferentieerd en bestaat hoofdzakelijk uit vrijstaande historische bebouwing opgebouwd uit één laag met een kap. Aan het plein liggen de meest markante bouwwerken van de kern waarbij het voormalige raadhuis en de St. Willibrorduskerk overblijfselen zijn van de historische bebouwingsstructuur.

79

Aan de west- en zuidkant van de kern liggen de meer recente woonwijken. Hier bestaat de bebouwing voornamelijk uit halfvrijstaande en vrijstaande woningen opgebouwd uit afwisselend één en twee bouwlagen. Door de bebouwingsstructuur zijn vanuit de kern verscheidene doorzichten naar het omliggende landschap aanwezig.

Haaren De kern Haaren is ontstaan op de hoge dekzandrug nabij het beekdal van de Ruijsbossche Waterloop en heeft zich als lintdorp ontwikkeld. Het lint ontwikkelde zich langs de route Helvoirtseweg, Kerkstraat, Langeweg en Kerkeind. Archeologisch onderzoek wijst uit dat tijdens de Vroege en Late IJzertijd op de huidige locatie van Haaren al sprake was van bewoning. Voor het ontstaan van Haaren zijn eerst de nederzettingen Kerkeind en Belveren gevestigd. In 1648 schafte de Vrede van Munster de godsdienstvrijheid af. Op het kerkeind leidde dit tot een sluiting van de katholieke Lambertuskerk. De bewoners vertrokken naar het Belveren (Eind) omdat hier een nieuwe kerk werd gebouwd. In 1825 werd de Lambertuskerk onder gezag van Koning Willem I weer teruggeven aan de katholieken. Aangezien de kerk erg vervallen was, besloot de koning tot de bouw van een nieuwe kerk aan de ‘Drie hoeven’. Hier werd de kern Haaren gevestigd. Aan de oostzijde vormt het open beekdal van de Ruijsbossche Waterloop een sterke begrenzing voor de kern Haaren. De zuidkant van de kern kenmerkt zich door een zachte bebouwingsrand aan het open beekdal. Vanuit de zuidkant vormt de Haa-rendijk de verbinding met het Eind. Aan de zuid- en westzijde van de kern bepaalt het ongelijkmatige verloop van de begrenzing een grote diversiteit in karakter.

Aan de noordzijde daarentegen, vormt de rechte Kantstraat een sterk lineair karakter van de begrenzing in het gebied en is de dorpsrand vrij hard.

80

De stedenbouwkundige structuur laat duidelijk zien dat de kern meerdere locaties heeft gehad. Van de eerste nederzetting ‘Het Kerkeind’ is de oorspronkelijke verkavelingsstructuur ongewijzigd. Ook de toren van de oorspronkelijke St.Lambertuskerk en de bochtige verkeersstructuur zijn nog aanwezig. Voor de tweede nederzetting ‘Het Eind’ geldt dat de oorspronkelijke structuur van de oude brink herkenbaar is in zowel de verkavelingsals verkeersstructuur. De Brink is tegenwoordig ingevuld met moderne woningbouw. Van de derde en huidige nederzetting Haaren is het centrum nog op dezelfde locatie gelegen. Binnen het centrum zijn de Rooms-katholieke kerk en de kapel van Haarensteijn, het gemeentehuis, de winkels, het landbouwmechanisatiebedrijf en de voormalige Boerenbond (staat op de nominatielijst om gesloopt te worden) opvallende elementen. Door recente herstructurering hebben sommige delen een moderner beeld gekregen en is het historische stratenverloop ietwat gewijzigd. De grootste ingrepen zijn de herinrichting van het Mgr. Bekkersplein en de bouw van het nieuwe gemeentehuis. De nieuwste wijken aan de noordwestkant van de kern bestaan voornamelijk uit vrijstaande en halfvrijstaande woningen omgeven door een ruim opgezet openbaar gebied gelegen in een groene setting. De brinken bij het Groenplein en de Keizerstraat zijn enkele historische restanten in de nieuwere wijken.

Biezenmortel De naam Biezenmortel, staat voor een met biezen begroeid moerassig gebied. Mortel is afgeleid van moer of moeras, vaak natte drassige grond. Biezenmortel is ontstaan door twee agrarische gehuchten Winkelsche Hoek en ’t Winkel die organisch naar elkaar toe zijn gegroeid door de komst van de Minderbroeders Capucijnen in 1910. De paters stichtten ten noorden van de gehuchten een klooster, een kerk en een school. De bebouwing ontwikkelde zich verder naar elkaar toe als een lint. Zo ontstond de huidige kern Biezenmortel. De stedenbouwkundige structuur van de

81

kern Biezenmortel wordt bepaald door de Capucijnenstraat met de bebouwing die zich langs het lint heeft ontwikkeld. De Capucijnenstraat is kaarsrecht en heeft een lengte van ongeveer een kilometer bestaande uit hoofdzakelijk vrijstaande lintbebouwing opgebouwd uit afwisselend één tot twee lagen. De Biezenmortelsestraat vormt de noordgrens en de Winkelsestraat de zuidgrens voor zowel het lint als de bebouwing aan de Capucijnenstraat. De oostkant van de kern kenmerkt zich door een harde rand met het buitengebied. Dit komt door de recente planmatige uitbreidingen van bebouwing. In noordelijke richting en ter plaatse van het klooster kenmerkt de kern zich door een veel zachtere rand met het buitengebied. Het hart van de kern bestaat uit een groep openbare gebouwen. Het voormalige kloostercomplex en de St.Josephkerk aan de Capucijnenstraat vormen door hun hoogte en massa beeldbepalende elementen binnen de kern. De kloostertuin is eveneens een beeldbepalend stedenbouwkundig element langs het lint.

82

Helvoirt De kern Helvoirt is ontstaan op de hoger gelegen dekzandgronden tussen de Broekleij en de Raamse Loop. Helvoirt karakteriseert zich van oudsher als een typische beekdalnederzetting. Dit soort kernen ontstonden toen de kans zich voor deed om beekdalgronden om te zetten in Weidegebieden. De naam Helvoirt is volgens deskundigen afgeleid van de termen ‘’hel’’ en ‘’voort’’: "hel", een woest, moerassig gebied met er doorheen een "voort" ofwel een doorwaadbare doorgang, een weg door de broeklanden. Met de hel werd het Helvoirtsche Broek met zijn modder, biezen en moerasplanten bedoeld. De kern Helvoirt is organisch gegroeid als een lintdorp in zowel noordzuidelijke (de Torenstraat) als in oostelijke richting (De Dijk). De Dijk is de voormalige route tussen Tilburg en ’s-Hertogenbosch. Na de middeleeuwen zorgde de bouw van een kerk aan de Torenstraat voor een nieuwe e nederzetting. In de 19 eeuw vestigde zich een secundaire kerknederzetting op de kruising van de Kastanjelaan, Lindelaan en Achterstraat. Van oorsprong maakte het gehucht Den Hoek ook onderdeel uit van deze kerknederzetting. De gunstige ligging van de nederzetting op de kruising van belangrijke routes uitte zich in een forse uitbreiding van de bebouwing aan de historische linten.

Na de jaren ’50 heeft de kern zich, mede door fysieke barrières van de spoorlijn en de N65, ontwikkeld in westelijke en oostelijke richting tot aan de Raamse Loop en het Beekdal van de Broekleij. Alleen het bedrijventerrein en de uitlopers van de linten liggen buiten de begrenzingen (spoorweg en N65). Aan de westkant van Helvoirt vormt de bebouwing een harde lineaire rand. Aan de kant van de spoorlijn en de N65 creëren de achtertuinen een groen beeld vanaf weg en spoor. Het Helvoirtsche Broek kenmerkt zich door een vrij zachte rand met het buitengebied. Dit in tegenstelling tot de nieuwe woonbuurt waarbij het groen nog niet volgroeid is en daarom de begrenzing erg hard is. Ook voor de kern Helvoirt bepaalt de historische wegenstructuur voor het grootste deel de stedenbouwkundige opbouw. De gevelwand is noodzakelijk opgebouwd uit historische lintbebouwing bestaande uit één laag. Het straatbeeld kenmerkt zich door een sterke differentiatie gevormd door de

83

afwisseling van vrijstaande villa’s en boerderijen. Opvallende historische gebouwen binnen de linten zijn de kerk, het raadhuis en de voormalige herbergen en cafés. De moderne bedrijven aan de Torenstraat vormen een sterk contrast in tijdsbeeld met de historische bebouwing. e De secundaire kerknederzetting, gevestigd in de 19 eeuw op de kruising van de historische routes, kenmerkt zich door veel vrijstaande bebouwing met verspringingen in de rooilijn omgeven door veel groen. De belangrijkste cultuurhistorische elementen binnen het gebied zijn de kerk en de begraafplaats, de pastorie en de villa’s. De kruising van de Kastanjelaan, Lindelaan en Achterstraat is met name door de woningbouwontwikkelingen van na de oorlog uitgegroeid als het centrum van Helvoirt. In het gebied tussen de historische linten en de N65 bestaat de bebouwing hoofdzakelijk uit halfvrijstaande woningen met twee bouwlagen. De bouw van de e woningen heeft zich in de tweede helft van de 20 eeuw sterk ontwikkeld. Vanuit het centrum in zuidelijke richting worden de kavels geleidelijk aan groter en bestaat de bebouwing veelal uit vrijstaande woningen. De woningen zijn gelegen in een groene setting aan ruim opgezette woonstraten. De open ruimten aan de Vincent van Goghstraat zijn kenmerkend voor de stedenbouwkundige opzet van het gebied.

De buurten ten westen van de Achterstraat en ten oosten van de Torenstraat zijn opgebouwd uit vrijstaande en halfvrijstaande woningen gelegen in een ruime groene setting.

84

85

Historisch gegroeide woon- en gemengde gebieden (H-gebieden) Historisch gegroeide woon- en gemengde gebieden zijn op verschillende manieren ontstaan. De landschappelijke en historische ontwikkeling van de gebieden zijn bepalend geweest voor de historische identiteit. Welstandseenheden Dorpen en steden kunnen op verschillende wijzen ontstaan en gegroeid zijn. De landschappelijk ontwikkeling, situering langs oude hoofdwegen en knooppunten maar ook strategische plekken zijn hierin bepalend geweest. In de gemeente Haaren kan onderscheid worden gemaakt in de verschillende wijze waarop de gebieden zijn ontstaan. Historische nederzettingen: 1) Beekdalnederzettingen (H1): Haaren, Helvoirt en Esch zijn beekdalnederzettingen. Deze nederzettingen ontstonden op de hogere dekzandruggen. Vanaf omstreeks 1000 na Christus begon men de beekdalen en de natte broekgebieden beter te benutten: de daar aanwezige bosvegetatie werd verwijderd ten gunste van weiden en hooilanden. Het werd steeds minder nuttig om boven op de ruggen te blijven wonen. De boerderijen werden verplaatst naar de randen tussen de akkers en de nieuw ontgonnen beekdalen en broeken. Hierdoor hebben de kernen zich als lintdorp langs het beekdal ontwikkeld. 2) Straatdorplinten (H2): Oorspronkelijk waren er rond het huidige Biezenmortel twee agrarische gehuchten gelegen.

Winkelse Hoek en ’t Winkel ontstonden temidden van een grootschalig akkercomplex op de hogere dekzandrug. Na de stichting van het Capucijnenklooster, rond 1910, groeiden de twee gehuchten naar elkaar toe. De nagenoeg onbebouwde zandweg ontwikkelde zich als een straatdorplint. Hoewel van de oorspronkelijke nederzetting slechts een klein deel resteert en het huidige bebouwingsbeeld grotendeels dateert van na 1940 is het een goed voorbeeld van een geïsoleerd gelegen kloosternederzetting. De bebouwing aan beide zijden van de weg bestaat veelal uit vrijstaande, tweelaagse woonbebouwing (circa 1925 en later). Aan het lint is daarnaast een kloostercomplex uit 1910 e e en een aantal boerderijen gelegen. Deze boerderijen dateren veelal uit eind 19 en begin 20 eeuw. 3) Bebouwingslinten (H3): Bebouwingslinten zijn in de loop van de tijd ontstaan langs oude hoofd- en uitvalswegen. Vaak sluiten deze wegen aan op oude kernen of maken daar deel van uit. Ze bestaan in het algemeen uit een reeks van losstaande gebouwen (waaronder boerderijen) en onbebouwde terreinen. In de gemeente Haaren liggen de bebouwingslinten verspreid in het landschap.

86

4) Buurtschappen en gehuchten (H4): Verspreid over de gemeente Haaren liggen de buurtschappen Achterste Distelberg en Voorste Distelberg (inclusief Duinoord), Hoef ten Halve, Gijzel, Raam, Heikant, Laar, Zandkant, Molenstraat, Helvoirtsestraat en Den Hoek (Helvoirt), Holleneind, Belvert, Noenes en Gever (Haaren), Winkelse Hoek, ’t Winkel en Hooghout (Biezenmortel). In onderstaand schema wordt aangegeven welke typologie aan de kernen kan worden toegeschreven. De nummers verwijzen naar de gebieds-/typologie-beschrijvingen met bijbehorende criteria. Daarnaast corresponderen zij met de legenda-eenheden van de typologiekaart. Gebiedscode Naam gebied Woon- en gemengde gebieden met een duidelijke relatie met de cultuurhistorie H1.1

H1.2

H2 H3.1

H3.2

H4

typologiebeschrijving

Haaren: Het centrumgebied van Haaren wordt begrensd door de Driehoeven, de Beekdalnederzetting – dorpsgebied Kerkstraat, het Monseigneur Bekkersplein en de Haarensteijnstraat (tot de A. Vissersstraat); Helvoirt: Het centrumgebied van Helvoirt betreft de Lindelaan, de Kastanjelaan (vanaf de Kloosterstraat) en de Achterstraat (vanaf de Dr. Landmanstraat); Esch: Het centrumgebied van Esch betreft het marktplein met de Rooms Katholieke kerk. Beekdalnederzetting- Uitloper Haaren: Nemelaerstraat, Haarendijk, Kapelweg, Eind, Pastoor Jansenstraat, Driehoekweg, Kerkstraat, Langeweg, Kerkeind, Kantstraat, Oude Baan, Groenplein en Helvoirtseweg; Helvoirt: Udenhoutseweg, Schoorstraat, Kerkstraat, Achterstraat, St. Nikolaasstraat, Oude Rijksweg, Torenstraat, Helvoirtsestraat en Molenstraat; Esch: Haarenseweg, Postelstraat, Spankertstraat, Runsdijk, Dorpstraat en Leunisdijk. Biezenmortel: Het lint aan de Capucijnenstraat. Straatdorplint Historisch bebouwingslint Haaren: Belversestraat; Helvoirt: De Dijk; Esch: Haarenseweg. Jong bebouwingslint Haaren: Heesakker, Noenes, Groenstraat, Roonsestraat en Helvoirtseweg; Helvoirt: De Gijzel, Gijzelsestraat en Udenhoutseweg; Esch: Heikant, Koningsweg, De Ruiting, Pickensteeg en de Haarenseweg; Biezenmortel: Biezenmortelsestraat, Oude Bosschebaan en Gijzelsestraat.

Buurtschappen Haaren: Holleneind, Belvert, Noenes, Gever en Hoge Raam; Helvoirt: Achterste Distelberg en Voorste Distelberg (inclusief Duinoord), Hoef ten Halve, Gijzel, Hoge Raam, Heikant, Laar, Molenstraat, Helvoirtsestraat en Den Hoek; Biezenmortel: Winkelse Hoek, ’t Winkel, Hooghout en Zandkant.

87

H1

Beekdalnederzettingen

Kenmerkend voor de beekdalnederzettingen zijn de hoger gelegen gronden, dekzandruggen, met daarop verschillende bebouwing. De dekzandruggen, die gesitueerd waren aan beekdalen, vormden in landbouwkundig opzicht een zeer geschikte plek: op de rug was akkerbouw mogelijk en omdat de natuurlijke vruchtbaarheid van de meeste zandgronden te wensen overlaat, was bemesting nodig. Daarom deed men in het beekdal voornamelijk aan veeteelt. Samen met de oeverwallen waren de dekzandruggen de eerste vestigingsplaatsen en ontstonden er beekdalnederzettingen. Beekdalnederzettingen ontwikkelden zich in de loop der tijd als lintdorpen. De visuele openheid van de landbouwgronden in de beekdalen en rondom de nederzettingen is de belangrijkste ruimtelijke kwaliteit van het beekdalenlandschap. Welstandseenheden In Haaren, Helvoirt en Esch bestaan er verschillen tussen de dichtheid van de beekdallinten en de beleving van open- en beslotenheid. In de oude kern van de drie dorpen is het lint zeer verdicht. Op sommige plekken binnen de kernen is het beekdallint landelijk gebleven. Om deze verschillen in beekdallinten aan te geven worden verschillende welstandseenheden onderscheiden. Er is een verschil gemaakt in het ‘dorpscentrum van de beekdalnederzetting’ en de ‘uitlopers van de beekdalnederzetting’. Voor elk van deze welstandeenheden gelden aparte criteria.

Dorpscentrum beekdalnederzettingen (H1.1) Drie van de vier kernen in de gemeente Haaren kunnen als beekdalnederzetting worden getypeerd. Al deze nederzettingen hebben een dorpscentrum: Haaren: Het centrumgebied van Haaren, dat begrensd wordt door de Driehoeven, de Kerkstraat, het Monseigneur Bekkersplein en de Haarensteijnstraat (tot de A. Vissersstraat); Helvoirt: Het dorpscentrum van Helvoirt dat omlijnd wordt door de Lindelaan, de Kastanjelaan (vanaf de Kloosterstraat) en de Achterstraat (vanaf de Dr. Landmanstraat); Esch: Het oude historische dorpscentrum van Esch, dat gelegen is aan het Marktplein met de Rooms Katholieke kerk. Uitlopers beekdalnederzettingen (H1.2) Haaren: De uitlopers aan de Nemelaerstraat, Haarendijk, Kapelweg, Eind, Pastoor Jansenstraat, Driehoekweg, Kerkstraat, Langeweg, Kerkeind, Kantstraat, Oude Baan, Groenplein en Helvoirtseweg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10252666/2