21-76 Harmoniseren welstandbeleid gemeente Oisterwijk en voormalige gemeente Haaren- bijlage 1 Welstandsnota
Tekst van het document
Welstandsnota gemeente Haaren 2013
Zoek regelingen op overheid.nl
Haaren
Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Welstandsnota gemeente Haaren 2013 Wetstechnische informatie
Gegevens van de regeling
Organisatie
Haaren
Organisatietype
Gemeente
Officiële naam regeling
Welstandsnota gemeente Haaren 2013
Citeertitel
Welstandsnota gemeente Haaren 2013
Vastgesteld door Onderwerp
gemeenteraad volkshuisvesting en woningbouw
Eigen onderwerp
ruimtelijke ordenig
Externe bijlagen
Welstandsnota 2013 Bijlage 1 en 2 Welstandsnota 2013 Bijlage 3 t/m 10 Welstandsnota 2013 Bijlage 11 Welstandsnota 2013 Bijlage 12 Welstandsnota 2013 Bijlage 13 Welstandsnota 2013 Bijlage 14 Welstandsnota 2013
Opmerkingen met betrekking tot de regeling Op grond van artikel 28 Wet algemene regels herindeling is deze regeling per 1 januari 2023 vervallen, tenzij de hierna genoemde bestuursorganen de betreffende regeling al eerder vervallen hebben verklaard. - De raad van de gemeente Tilburg heeft op 4 januari 2021 besloten deze verordening vervallen te verklaren voor zover deze van kracht is voor het gebied binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Tilburg zoals dat per 1 januari 2021, op grond van de Wet van 8 juli 2020 tot splitsing van de gemeente Haaren, is ontstaan. Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd Onbekend Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) Geen
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum ondertekening Datum inwerkingtreding
Terugwerkende kracht tot en met
Datum uitwerkingtreding
11-04-2013
Betreft
Bron bekendmaking
Nieuwe regeling
21-03-2013
Kenmerk voorstel Raadsvoorstel, 21 maart 2013
De Leije, 3 april 2013
Tekst van de regeling Intitulé Welstandsnota gemeente Haaren 2013
http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Actueel/Haaren/306030.... 27-5-2021
Welstandsnota Gemeente Haaren Februari 2013
Projectleider gemeente Haaren: dhr. L.van Beurden Projectmedewerkers gemeente Haaren: Dhr. R. van den Broek, dhr. A. Verhoeven, mevr. L. Verduijn, mevr. I. van der Linden, dhr. A. Engelse, dhr. M. van de Ven, dhr. R. Mackaij
Uitvoering: SRE Milieudienst Projectleider SRE Milieudienst: dhr. J. Ahsmann Kaartmateriaal: dhr. F. Lathouwers
Vastgesteld door de gemeenteraad: …….
“Iedereen die in onze gemeente rondkijkt, zal zo zijn oordeel hebben over mooi en lelijk. Dat blijft een persoonlijke zaak. Toch valt er op twee aspecten winst te behalen als het om de gebouwde omgeving gaat, en wel op het gebied van de kwaliteit van het woonmilieu en de verbetering van het inzicht in de beoordeling van bouwplannen. De kwaliteit van het woon- en leefmilieu is altijd voor verbetering vatbaar, op de ene plaats wat meer dan op de andere. In de nota is hierop ingespeeld door die delen van de gemeente aandacht te geven, die dat wat meer nodig hebben. Zo zal een historisch waardevolle omgeving meer zorg en aandacht behoeven dan een industrieterrein. Ook binnen woonwijken kan onderscheid aangebracht worden tussen de toe te passen welstandscriteria afhankelijk van de na te streven verbetering. Om dit te bereiken is in de woningwet de zogenaamde gebiedsgerichte aanpak geïntroduceerd. Zonder expliciete criteria is de welstandsbeoordeling voor de burger nauwelijks voorspelbaar. In de nota wordt daarom aangegeven aan welke criteria de plannen getoetst worden en op welke accenten er in bepaalde gebieden of bij bijzondere objecten specifiek wordt gelet. Op deze manier wordt de helderheid en de openheid bij de welstandstoetsing vergroot.
Nieuw in deze geheel herziene nota is de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de burger, bouwer, initiatiefnemer voor de kwaliteit van de eigen leefomgeving. De gemeente Haaren streeft naar een verhouding met zijn inwoners op basis van vertrouwen, en ziet zichzelf als partner van zijn burgers in het streven naar een aangenaam woonklimaat. Ik ben ervan overtuigd, dat deze geheel herziene welstandsnota een positieve bijdrage levert aan de bevordering van het begrip tussen planindiener en welstandscommissie en daarmee aan de versoepeling van de beoordeling van bouwplannen in onze gemeente. Ik dank allen die aan het tot stand komen van deze nota hebben gewerkt.”
Johan van den Brand Wethouder gemeente Haaren
WELSTANDSNOTA GEMEENTE HAAREN
1
FEBRUARI 2013
1
VOORWOORD
5
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Het doel en de reikwijdte van deze welstandsnota 1.3 Leeswijzer
7 7 8 9
13
2. WELSTANDSBELEID 2.1 Inleiding 2.2 verschillende typen welstandscriteria 2.3 Gebiedsgericht welstandsbeleid
15 15 16 19
2.3.1 Inleiding 2.3.2 Gebiedsanalyse 2.3.3 Beleidsgebieden 2.4 objectgericht welstandsbeleid
1
19 22 26 30
2.4.1 Voor- en achterkant benadering 2.4.2 objectcriteria
30 30
3. INKADERING VAN HET WELSTANDSBELEID 3.1 Inleiding 3.2 Welstand en ruimtelijke kwaliteit in groter verband 3.3 Welstand en het bestemmingsplan 3.4 Welstand en het Beeldkwaliteitsplan 3.5 Welstand en openbare ruimte en groenbeleid 3.6 Welstand en Erfgoedbeleid
33 33 34 35 36 37 39
3.6.1 Inleiding 3.6.2 Monumenten op de Welstandsbeleidskaart 3.6.3 archeologie 3.6.4 Relatie met andere sturingsinstrumenten 3.7 Welstand en reclamebeleid
39 41 42 42 43
45
4. ORGANISATIE VAN WELSTAND 4.1 toetsingsprocedure
47 47
4.1.1 planverantwoording 4.1.2 procedure 4.2 De welstandscommissie 4.3 De gemeentelijke organisatie
47 48 50 50
4.3.1 Burgemeester en wethouders voeren het welstandstoezicht uit 4.3.2 Afwijking van het advies, afwijken van de criteria 4.3.3 Bezwaar/beroepprocedure 4.3.4 Vooroverleg/conceptaanvraag 4.3.5 Supervisie/relatie welstandscommissie
2
50 51 52 53 53
5. WELSTAND EN DE OMGEVINGSWETGEVING 5.1 Status 5.2 Woningwet, Wabo en Bor. 5.3 Benodigde bescheiden bij welstandstoets
55 55 55 58
61
GEBRUIKSHANDLEIDING
63
6. ALGEMENE CRITERIA
65
Toepassing algemene criteria 65 6.1Redelijkheid 66 6.2Afstemming op het gebiedskarakter 66 6.3Afstemming op de belendingen 67 6.4Afstemming op het eigen karakter 67 6.5Relatie tussen vorm, gebruik en constructie 67 6.6Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context (Stijl, type, tijdsbeeld)68 6.7Evenwicht tussen helderheid en complexiteit 68 6.8Schaal en maatverhoudingen 69 6.9Materiaal, textuur, kleur 69 6.10 Detaillering 70
7. BEELDKWALITEITPLANNEN
73
8. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA Ruimtelijke hoofdstructuur
75 78
3
Historisch gegroeide woon- en gemengde gebieden (H-gebieden) H1 Beekdalnederzettingen H 1.2 Uitlopers beekdalnederzettingen H2 Straatdorplinten H3 Bebouwingslinten
86 88 96 104 108
H3.1 Historische bebouwingslinten H3.2 Jonge bebouwingslinten H4 Buurtschappen en gehuchten Planmatig ontworpen woongebieden (W-gebieden) W1.2 Woongebieden in stroken- en blokverkaveling (1945-1980) W1.3 Woonerven (1970-1985) e W1.4 Woongebieden eind 20 eeuw W2Individuele bouw W3Woonwagenterreinen B3 Bedrijventerreinen Groengebieden (G-gebieden) G1 Groene gebieden met een duidelijke relatie met de cultuurhistorie G2 Begraafplaatsen G3 Sportterreinen en recreatiegebieden G4 Grootschalige bebouwingscomplexen G5 Recreatieparken en vakantiewoningen G6 Buitengebied
109 113 118 125 128 134 140 144 156 160 164 166 174 176 178 184 188
G6.1 Dekzandrug G6.2 Beekdal G6.3 Dekzandvlakte G6.4 Land- en stuifduin
9. OBJECTCRITERIA 9.1 Inleiding 9.2 Toepassing Aanbouwen Vrijstaande bijgebouwen
4
188 189 190 192
199 199 199 201 204
Overkappingen Dakkapellen Erfafscheidingen Dakopbouwen Agrarische Bebouwing Tuinbouwkassen Reclametekens
10. EXCESSENREGELING EN VRIJWILLIGE TOETSING 10.1 Inleiding 10.2 Repressieve toetsing van vergunningsvrije bouwplannen en bestaande bouwwerken 10.2.1 Toelichting 10.2.2 De regeling 10.3 Vrijwillige toetsing van vergunningsvrije bouwplannen
5
207 209 211 213 217 221 224
236 236 236 236 237 237 247
6
1.1 Aanleiding Veranderingen in de bebouwde omgeving gaan vaak heel geleidelijk. Ze zijn het resultaat van een optelling van bouwinitiatieven, variërend van kleinere bouwwerken, zoals een schutting, aanbouw of dakkapel, tot een compleet nieuwe woning. Deze optelling valt niet altijd positief uit. Het is immers lastig de invloed van iedere vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen op de omgeving goed te beoordelen en voor de burger inzichtelijk te maken waarom deze beoordeling zo uitvalt. Het welstandsbeleid moet de handvatten bieden om deze beoordeling te kunnen maken. Bovendien geeft het de burgers vooraf inzicht in de criteria waaraan hun vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen getoetst zal worden. Zij kunnen deze gebruiken als handvat bij het opstellen van hun bouwplan waardoor dit eerder aan de eisen van welstand kan voldoen zodat de vergunningsprocedure soepeler kan worden doorlopen. Een belangrijke aanleiding voor het opstellen van welstandsbeleid vormen de wijzigingen van de Woningwet d.d. 1 januari 2003 . Als gevolg van de inwerkingtreding van de herziene Woningwet 1 januari 2003 dient elke gemeente in Nederland voor 1 juli 2004 een welstandsnota vast te stellen. Deze wijzigingen hebben tot doel de welstandsbeoordeling met kortere procedures transparanter en objectiever te maken.
Het beleid moet lokaal ontwikkeld worden en bestuurlijk door de gemeenteraad worden vastgesteld. De wet eist voortaan dat gemeenten welstandsbeleid ontwikkelen om een welstandstoets te kunnen blijven uitvoeren. Met deze welstandsnota voldoet gemeente Haaren aan deze eis. Sinds de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010 bevat de Woningwet geen bepalingen meer over het verlenen van bouwvergunningen. Deze bepalingen stonden in afdeling 1 van hoofdstuk IV van de Woningwet. Deze afdeling is vervallen. De vergunning voor bouwen is nu geregeld in artikel 2.1 lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bovendien is de categorie lichtvergunningsplichtige bouwwerken komen te vervallen en zijn de regels voor vergunningsvrije bouwwerken aangepast. Dit noodzaakt tot een herziening van de tekst van de welstandsnota, omdat daarin tal van verwijzingen stonden naar inmiddels verouderde wetgeving.
7
De invoering van de Wabo is een goede aanleiding ook het kaartmateriaal van de welstandsnota te actualiseren. Inmiddels zijn er een aantal gebieden van verschijningsvorm veranderd, en staan andere gebieden op het punt om te worden (her-)ontwikkeld. De grootste aanleiding van de huidige herziening vormt evenwel de veranderde kijk van de gemeente Haaren op de verantwoordelijkheid van burger en overheid voor de kwaliteit van de leefomgeving. De gemeente streeft naar een verhouding met haar burgers op basis van vertrouwen, en daarbij hoort dat de burger meer verantwoordelijkheid krijgt en neemt voor zijn eigen leefomgeving. Het beleid heeft daarmee andere accenten gekregen. Het welstandsbeleid is naar aanleiding van deze punten ingrijpend aangepast. De indeling in niveaus is verdwenen, criteria zijn compacter, leesbaarder en begrijpelijker geworden. De toetsingsprocedure is aangepast: een groot deel van de ingediende aanvragen zal op basis van het nieuwe beleid ambtelijk kunnen worden getoetst, zonder inschakeling van een externe commissie. De burger heeft meer vrijheid, maar ook meer verantwoordelijkheid gekregen. Toch is ook veel hetzelfde gebleven. De gebiedsgerichte criteria, die de kern van het welstandsbeleid vormen, zijn grotendeels gehandhaafd. De nadruk op het belang van cultuurhistorie, als identiteitsdrager van de gemeente, is gebleven.
1.2 Het doel en de reikwijdte van deze welstandsnota Voordat iemand mag gaan bouwen, zal hij in beginsel een vergunning moeten aanvragen bij de gemeente. De omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen wordt, naast welstand, o.a. getoetst aan het Bouwbesluit en aan het bestemmingsplan. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan vergunningaanvragen voor de activiteit bouwen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. Het legt voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld een dorpskern, een beoordelingskader vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er worden criteria benoemd die ertoe moeten bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. Afhankelijk van de waarde van het gebied kan het kader meer of minder streng zijn. In bijvoorbeeld een historisch dorpscentrum zal de prioriteit van welstand anders liggen dan op een regulier bedrijventerrein.
8
Welstandsbeleid is dus niet simpelweg een vraag van mooi of niet mooi, maar een beoordeling van de kwaliteit van het bouwwerk aan de hand van duidelijk benoemde criteria. Welstand is niet zozeer een waardeoordeel over een bouwwerk op zich, maar vooral een beoordeling van de bijdrage van dat bouwwerk aan de ruimtelijke kwaliteit op die specifieke locatie. De gemeentelijke welstandsnota richt zich op de lokale karakteristieken in de bebouwde kom (de bestaande dorpsgebieden) en het buitengebied. De gemeentelijke welstandsnota, als onderdeel van het welstandsbeleid van de gemeente Haaren richt zich op de relatief kleine bouwopgaven van één of enkele gebouwen, uitbreidingen van bestaande bebouwing en veel voorkomende bouwwerken in bestaand dorps- en buitengebied (beheergebieden). Voor grootschalige ontwikkelingen of voor herontwikkelingen in bijvoorbeeld dorpscentra, vormen andere documenten, zoals beeldkwaliteitplannen, het welstandsbeleid.
1.3 Leeswijzer De 'Welstandsnota gemeente Haaren’ bestaat uit drie delen: een toelichting op het welstandsbeleid in de gemeente Haaren (deel A, hoofdstuk 1 t/m 3), welstandsprocedures (deel B, hoofdstuk 4 en 5)) en criteria (deel C, hoofdstuk 6 t/m 10)). Het benoemen, inventariseren en analyseren van de lokale ruimtelijke karakteristieken en vervolgens het vertalen van deze karakteristieken naar criteria, vormen de basis voor een gebiedsgericht welstandsbeleid. In deel A - het welstandsbeleid - wordt toegelicht hoe de gemeente Haaren vorm geeft aan haar gebiedsgerichte welstandsbeleid. Daarnaast wordt de relatie met andere beleidsterreinen beschreven. In hoofdstuk 2, Welstandsbeleid, worden de beleidsuitgangspunten verduidelijkt, en wordt de structuur van de nota uitgelegd. In hoofdstuk 3, inkadering van het welstandsbeleid, wordt de relatie met andere beleidsgebieden, zoals monumentenzorg, uiteengezet.
9
Bij de uitoefening van een gebiedsgericht welstandsbeleid zijn procedureregels nodig. Deze zijn te vinden in deel B - procedures - van deze nota. Dit gedeelte gaat in op de organisatie van welstandstoezicht. Daarnaast is een stroomschema voor het toetsen van vergunningaanvragen voor de activiteit bouwen opgenomen. Hoofdstuk 4, organisatie van welstand, geeft informatie over de procedure van welstandstoetsing en de behandelt de rol en werkwijze van de welstandscommissie. Hoofdstuk 5, welstand en omgevingswetgeving, zet het juridisch en wettelijk kader voor welstandsbeleid uiteen. Deel C - criteria - gaat in op de bij een vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen te hanteren criteria. In dit deel zijn niet alleen de geldende 'algemene', 'gebiedsgerichte' en 'objectcriteria’ opgenomen, maar ook de excessenregeling. Bovendien worden hierin naar de van kracht zijnde beeldkwaliteitplannen (als een bijzondere vorm van gebiedsgericht beleid) verwezen. Hoofdstuk 6: De algemene criteria van welstand bestaan uit een 'algemene richtlijn voor goede architectuur'. Hoofdstuk 7: Beeldkwaliteitplannen, verwijst naar de van kracht zijnde beeldkwaliteitplannen en –paragrafen in ontwikkelingsgebieden. Hoofdstuk 8: De gebiedsgerichte criteria zijn op basis van een gebiedsinventarisatie en een gebiedsanalyse opgesteld en gelden voor een specifiek deelgebied van de gemeente.
Hoofdstuk 9: De objectcriteria bestaan uit een set van criteria voor veel voorkomende bouwwerken. Ook het reclamebeleid is hierin opgenomen. Hoofdstuk 10: De excessenregeling bevat de criteria die moeten worden gehanteerd bij een toets op ernstige strijd met redelijke eisen van welstand.
10
11
12
13
14
2.1 Inleiding In Nederland staat de vormgeving van het collectieve beeld boven dat van het individuele object. Stedenbouw en architectuur zijn in Nederland van oudsher meer aan de orde van de dag dan bijvoorbeeld in België. Al de sinds de 15 eeuw bestaan er in Nederland lokale verplichtingen ten aanzien van vormgevingsaspecten. In 1962 werd de verplichting voor gemeenten om een welstandscommissie te benoemen opgenomen in de Woningwet. De ondoorgrondelijke werkwijze en geringe mate van democratische controle op de welstandscommissie, in de tweede helft van de twintigste eeuw veelgehoorde bezwaren tegen welstandscommissies, hebben uiteindelijk geleid tot een aanpassing van de Woningwet. In de nieuwe Woningwet, die sinds 1 januari 2003 van kracht is, zijn veranderingen doorgevoerd om het welstandsbeleid toegankelijker en toetsbaarder te maken. Dit heeft geleid tot het opstellen van gemeentelijke welstandsnota’s en een grotere openbaarheid. Met het inwerking treden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (afgekort Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) op 1 oktober 2010, zijn procedures korter geworden, en is invulling gegeven aan de roep om minder regels en meer vrijheid: het grootste deel van het bouwen op achterterreinen is vergunningvrij of welstandsvrij geworden.
In deze welstandsnota heeft de gemeente Haaren de lijn van deregulering en grotere verantwoordelijkheid voor de burger doorgezet, zonder daarbij het streven naar ruimtelijke kwaliteit uit het oog te verliezen. De criteria zijn overzichtelijker en leesbaarder geworden. De welstandsniveaus zijn vervangen door het aanwijzen van aandachtsgebieden en ontwikkelingsgebieden. Alleen in deze gebieden voert de gemeente een actief welstandsbeleid. In het overige gebied, het zgn. beheergebied, geldt een passief welstandsbeleid. Het verschil tussen actief en passief beleid ligt in de toetsing: passief beleid houdt in dat de welstandsbeoordeling in principe beperkt blijft tot een ambtelijke toets, actief beleid maakt gebruik van welstandsadvisering door een onafhankelijke commissie. Nieuw is de introductie van de planverantwoording. Daarmee geeft de aanvrager zelf uitleg over de wijze waarop het plan op de criteria inspeelt, en waarom het voldoet aan redelijke eisen van welstand. Deze
15
planverantwoording is essentieel voor een gemeente die haar burgers verantwoordelijkheid over de ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde omgeving geeft. En voor de burger die deze verantwoordelijkheid wil nemen.
2.2 verschillende typen welstandscriteria In dit hoofdstuk is het welstandsbeleid van de gemeente Haaren uitgewerkt. Dit welstandsbeleid is in hoofdlijnen gestoeld op een gebiedsgerichte benadering. Er worden verschillende typen criteria onderscheiden. Aan welke criteria een bouwplan getoetst wordt, hangt af van het soort gebied en het type bouwwerk. In het welstandsbeleid van de gemeente Haaren worden de volgende typen criteria onderscheiden (deel C): Algemene welstandscriteria: deze liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan iedere bouwplanbeoordeling. Ze fungeren daarnaast als 'vangnet' wanneer een bouwplan gemotiveerd afwijkt van de gebiedsgerichte criteria of de objectcriteria (hoofdstuk 6). Beeldkwaliteitplannen. Dit zijn gebiedsgerichte criteria voor ontwikkelingsgebieden. (hoofdstuk 7). De eisen in een beeldkwaliteitplan zijn aanvullend op de algemene criteria en de objectcriteria. Bij strijdigheid met de objectcriteria gelden de eisen in het beeldkwaliteitplan. Gebiedsgerichte criteria: specifieke, aan bebouwing in verschillende deelgebieden gerelateerde criteria. (hoofdstuk 8). Objectcriteria (algemeen): algemeen geldende, criteria voor veel voorkomende bouwwerken en verbouwingen waarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient te worden aangevraagd. Ze bestaan uit een “altijd-goed-kader” en een afwegingskader.
Daarmee kan een groot deel van de plannen ambtelijk worden afgehandeld. Gelden voor zowel solitaire aanvragen als voor onderdelen van een totaal bouwplan (hoofdstuk 9). In dit hoofdstuk is ook het reclamebeleid opgenomen. Een excessenregeling voor bouwvergunningvrije bouwwerken of veranderingen aan bestaande bouwwerken. Om te voorkomen dat men achteraf geconfronteerd wordt met een ernstige strijdigheid van het bouwplan met redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningsvrij bouwwerk dit vooraf
16
vrijwillig laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De objectcriteria en de criteria van de excessenregeling dienen daarbij als adviserend kader (hoofdstuk 10). In de criteria worden soms (kwantitatieve) maatvoeringen genoemd. Deze zijn gebaseerd op kwalitatieve kenmerken van het gebied. Daarbij kunnen verschillen optreden met de maatvoering in andere regelgeving of besluiten. Wanneer daardoor een strijdigheid optreedt, prevaleert de hogere regel- of wetgeving. Bouwwerken zijn in sommige gevallen vergunningsvrij, en soms vergunningplichtig. In de objectcriteria is een algemene maat opgenomen. Dit betekent, dat in sommige gevallen criteria zijn opgenomen voor bouwwerken, die vergunningsvrij zijn. Dit zal geen probleem zijn. Hierboven is al aangegeven, dat de toetsende ambtenaar altijd eerst moet onderzoeken of een bouwplan vergunningsvrij is. Is dat het geval dan zal hij in principe niet meer toekomen aan de criteria uit de welstandsnota. Voor de initiatiefnemer bestaat echter de mogelijkheid om een te bouwen vergunningvrij bouwwerk vooraf vrijwillig te laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. Bovendien heeft B&W de mogelijkheid om een repressieve welstandstoets uit te voeren als de vraag rijst of sprake is van ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand.
Strijdigheid met de criteria De gebiedsgerichte criteria zijn algemeen geldend voor de vergunningplichtige bouwwerken in een bepaald gebied. Er zijn echter uitzonderingssituaties denkbaar waar deze algemeen geldende gebiedsgerichte criteria ontoereikend, onbruikbaar of niet van toepassing zijn. In onderstaand kader zijn deze gevallen aangegeven en worden bepaalde toepassingsregels gehanteerd. Deze toepassingsregels zijn algemeen geldend in alle gebiedstypen. De toepassingsregels zijn dan ook onder elke set van gebiedsgerichte criteria weergegeven. In bijzondere situaties wanneer een bouwplan afwijkt van de welstandscriteria, maar door schoonheid, bijzonderheid, architectuur of structuur wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, zal worden getoetst aan de 'Algemene Criteria'. De initiatiefnemer, ontwerper of architect zal in dit geval gemotiveerd moeten aantonen waarom het plan op die plek wél architectonisch-stedenbouwkundig verantwoord is.
17
Toepassingsregels voor welstandscriteria Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijke huisnummerkaart, is gelegen. Ondergeschikte bouwwerken die onderdeel uitmaken van een totaal bouwplan (vergunningplichtig) worden in één welstandstoets zowel aan de gebiedsgerichte criteria als aan de objectcriteria getoetst. Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen vergunningplichtig in het kader van omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn, zijn de objectcriteria van toepassing. Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen vergunningplichtig in het kader van omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn, zijn de objectcriteria van toepassing. Zodra dakkapellen vergunningplichtig in het kader van omgevingsvergunning voor de De commissie behoudt haar eigen verantwoordelijkheid. De commissie geeft advies aan Burgemeester en wethouders en zij zal de argumenten van de initiatiefnemer betrekken bij haar advisering aan Burgemeester en wethouders. Afwijken van het welstandsadvies Als een plan zowel in strijd is met de gebiedsgerichte als de algemene criteria, maar als B&W het plan toch aanvaardbaar achten, dan geldt de inherente afwijkingsbevoegdheid.
Criteria zijn immers beleidsregels, hiervan kan in bijzondere gevallen, mits gemotiveerd, afgeweken worden (zie art. 4:84 Algemene wet bestuursrecht). Het bevoegd gezag krijgt volgens artikel 2.10, lid 1 aanhef en onder de Wabo de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de omgevingsvergunning te verlenen indien het van oordeel is dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd.
18
Tenslotte kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het welstandsadvies, indien zij dienen te voldoen aan andere wet- en regelgeving (in het kader van bijvoorbeeld brandveiligheid of het milieu). Uitgangspunt is dat noodzakelijke maatregelen in het kader van bijvoorbeeld de brandveiligheid zodanig verwerkt worden in het bouwplan, dat voldaan wordt aan de welstandscriteria. Alleen als aangetoond wordt dat dit niet mogelijk is, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het welstandsadvies. Wel zal in goed overleg gezocht moeten worden naar een zodanige inpassing van het bouwwerk in het bouwplan, dat zoveel mogelijk recht gedaan wordt aan redelijke eisen van welstand.
2.3 Gebiedsgericht welstandsbeleid 2.3.1 Inleiding Gebiedsgericht welstandsbeleid is vervat in gebiedsgerichte criteria voor vergunningplichtige bouwwerken en in het onderscheid tussen gebieden met een passief en een actief welstandsbeleid. Met een gebiedsgericht welstandsbeleid wil de gemeente Haaren ervoor zorgen dat nieuwe gebouwen en bouwwerken passen bij de karakteristiek en kwaliteit van een gebied, maar wel vanuit de gedachte dat de aanvrager, waar dat kan, daarin zijn eigen verantwoordelijkheid heeft en neemt. Binnen het grondgebied van de gemeente Haaren komen verschillende soorten gebieden voor, elk met hun eigen kwaliteit en karakteristiek. Het centrum van Helvoirt is anders dan een lintbebouwing in het buitengebied, een bedrijventerrein, een reguliere woonwijk of een recreatiegebied. Hoe mensen de verschillende karakteristieken en kenmerken waarderen, verschilt van persoon tot persoon. Gebiedsgericht beleid houdt ook in dat onderscheid wordt gemaakt tussen gebieden met een groot en met een minder groot gemeenschappelijk belang., Dit belang ligt bijna altijd in de cultuurhistorische eigenschappen en waarden. Gebieden met een groot gemeenschappelijk belang zijn in deze nota
19
aangewezen als “aandachtsgebied cultuurhistorie”. Het overige gebied wordt in het welstandsbeleid “beheergebied” genoemd. Gebieden die (her)ontwikkeld worden vergen tijdelijk eveneens een hogere aandacht. Dit zijn de “ontwikkelingsgebieden”. Voor ontwikkelingsgebieden wordt bijna altijd gewerkt met een beeldkwaliteitplan, dat de welstandscriteria voor bebouwing in dat gebied bevat.
Ruimtelijke identiteit De identiteit van een gebied, waarmee dat gebied zich onderscheidt van andere, is een door de jaren heen gegroeid gegeven. Aandacht voor dit gegeven, gestoeld op cultuurhistorisch besef en een beleving van en waardering voor de eigen historische, stedenbouwkundige en architectonische kwaliteiten, eigen karakteristieken en eigen eigenaardigheden, is belangrijk. Ingrepen in de gebouwde omgeving (bouwplannen) hebben invloed op die omgeving. Het is bij bouwopgaven van belang deze ruimtelijke identiteit van een gebied te behouden en waar mogelijk zelfs te versterken. Het is de bedoeling om geïnspireerd te worden door de bestaande omgeving en elementen en daar gebruik van te maken in het creatieve ontwerpproces.
Ensembles De ruimtelijke kwaliteit van de bebouwde omgeving wordt door verschillende factoren beïnvloed. Ze kan een puur esthetische waarde bezitten, een verwijzing geven naar de geschiedkundige of oudheidkundige betekenis van een gebied, kenmerkend zijn voor een bepaalde architectonische stijl of juist een sterk geheel, een goed ensemble vormen. Bij een ensemble vormen de verschillende onderdelen zoals huizen, woongebieden, straten, pleinen, plantsoenen en parkeerterreinen een harmonisch geheel. De ruimtelijke kwaliteit is waardevol indien de mens deze factoren ook als zodanig herkent en daar waarde aan hecht. Dit waardeoordeel is sterk cultuur- en tijdgebonden. Zo werden bijvoorbeeld gotische kerken in de ‘moderne’ renaissance geassocieerd met het barbaarse, e platvloerse middeleeuwse leven. In de ‘romantische’ 19 eeuw is men de gotiek opnieuw gaan waarderen en zijn de oude vervallen gotische kerken opgeknapt en vaak verder afgebouwd.
20
Samenhang Als er sprake is van veel samenhang tussen de cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur zal een, van de karakteristiek afwijkend, nieuwbouwplan eerder als minder passend ervaren worden dan in gebieden met weinig samenhang tussen deze kenmerken. Wordt de samenhang tussen de kenmerken ook hoog gewaardeerd, zoals in een oude dorpskern, dan zal men een afwijkend gebouw eerder als een verstoring van deze kwaliteit beleven. Andere gebieden waar de samenhang in kenmerken ontbreekt zijn minder gevoelig. Daar hoeven minder eisen te worden gesteld aan nieuwe bouwplannen.
Belang voor de gemeenschap Sommige gebieden hebben een groter belang voor de gemeenschap dan andere. De dorpskern zal door de inwoners van een dorp meer als een gemeenschappelijk gebied worden ervaren dan de na-oorlogse uitbreidingswijken. De (cultuurhistorische) waarden in deze gebieden zijn niet alleen groter, maar dragen ook bij aan de gemeenschappelijke identiteit en daarmee aan het woongenot van alle inwoners. Voor deze gebieden is het logisch dat de gemeente een actief beleid voert m.b.t. borging en sturing van de ruimtelijke kwaliteit. De gevoeligheid van een gebied voor nieuwe bouwplannen is dus afhankelijk van de samenhang tussen de cultuurhistorie, de stedenbouw en de architectuur. Deze samenhang wordt bepaald door een aantal bebouwingskenmerken zoals Hoe de verschillende gebouwen in een gebied zijn gesitueerd ten opzichte van de straat, de verkaveling en elkaar; Welke bouwvormen voorkomen in dat gebied (grote of kleine massa's, één of meerdere verdiepingen, met of zonder kap); Of de gevels een karakteristieke opbouw hebben (staande of liggende ramen, een afzonderlijke onderpui e.d.); Of er sprake is van kenmerkend kleur- en materiaalgebruik en van specifieke details.
21
2.3.2 Gebiedsanalyse
Kenmerkende gebieden Gebiedsgericht betekent maatwerk voor een specifieke situatie. De gemeente Haaren maakt deel uit van de Brabantse Meierij. Dit gebied heeft vanuit zijn ontstaansgeschiedenis een eenduidige ruimtelijke opbouw met een duidelijke begrenzing. Binnen de Brabantse Meierij bestaat een duidelijke samenhangende karakteristiek en kwaliteit. Op basis van de samenhang tussen karakteristieken van (cultuur)historie, stedenbouw en architectuur zoals die in de bebouwing herkenbaar is, is voor de gemeente Haaren een gebiedstypologiekaart met te onderscheiden deelgebieden gemaakt. Deze deelgebieden worden behandeld in Deel B, hoofdstuk 5. Om tot kenmerkende gebieden te komen, is een bepaalde methodiek gehanteerd om tot een logische indeling van gebiedstypen te komen. In het volgende schema is de wijze van kijken nader toegelicht.
22
Functioneel Ontstaanswijze Ruimtelijke verschijningsvorm
Centrum gebieden
Gemengde gebieden
Planmatig ontworpen centrumgebieden (W,A)
Historische gegroeide gebieden (H)
historisch stedelijke bebouwing H1.1, H1.2, H1.3 historische linten HX.1 dorps HX.2 uitloper HX.3 landelijk
Woongebieden
Planmatig ontworpen woongebieden (W,A)
Werkgebieden en grootschalige publieke voorzieningen
Planmatig ontworpen gebieden (B2 t/mB4)
Historische gegroeide gebieden (B1)
W1.1 vooroorlogse woongebieden W1.2 woongebieden in stroken- en blokverkaveling W1.3 woonerven
W2 Individuele bebouwing
Groengebieden en buitengebied
B2 met kenmerkende architectuur
W1.4 woongebieden eind 20e eeuw
B3 met weinig tot geen kenmerkende architectuur B4 werkgebieden en grootschalige publieke voorzieningen
Architectuurkenmerken
Sterke architectonische ensemblewaarde (A) B2.1 Functionalisme A1 Neo-stijlen
A5 Functionalisme
A2 Rationalisme
A6 Forumbeweging
A3 Expressionisme
A7 Structuralisme
A4 Traditionalisme
A8 Modernisme
B2.2 Traditionalisme B2.3 Structuralisme B2.4 Modernisme
23
Historische gegroeide gebieden (G1)
Overige gebieden (G2 t/m G6)
Buitengebied Landschapstypologie G6
G2 parken en begraafplaatsen G3 sportterreinen en recreatiegebieden G4 grootschalige bebouwingscomplexen G5 recreatieparken en vakantiewoningen
Functioneel Veel ruimtelijke vraagstukken hebben een directe relatie met de functie van bepaalde gebieden. Voor welstand is met name het type bouwwerk en de typen verbouwingen van belang wanneer gebiedsgerichte criteria opgesteld worden. Zo staan op bedrijventerreinen andere gebouwen dan in een woonwijk en speelt er in de centrumgebieden en linten een andere dynamiek dan in het buitengebied. In centrumgebieden zal veelvuldig een aanvraag tot het aanbrengen van winkelpuien ingediend worden, terwijl in het buitengebied de opgave eerder ligt in het aan- en bijbouwen van of aan agrarische bedrijfsgebouwen. Een eerste hoofdindeling naar gebiedstypen is gemaakt naar de functionele verschijningsvorm van een gebied (laag 1 van voorgaand schema). De volgende hoofdgebiedstypen worden onderscheiden: Centrumgebieden (H-gebieden); Gemengde gebieden (H-gebieden); Woongebieden (W gebieden); Werkgebieden (B-gebieden); Groengebieden en buitengebied (G-gebieden).
Ontstaanswijze In de beleving van de gebouwde wereld wordt in de Nederlandse samenleving tegenwoordig veel waarde gehecht aan de cultuurhistorische betekenis, de relatie tussen de historie van de plek en zijn huidige verschijningsvorm (de ontstaanswijze). Daarom zijn bebouwde gebieden, waar de relatie met de cultuurhistorie nog in de bebouwing zichtbaar is, binnen de gemeente ingedeeld naar hun cultuurhistorische relatie: beekdalnederzettingen, uitlopers, straatdorplinten, historische en jonge bebouwingslinten en buurtschappen en gehuchten (H-gebieden). Ook werk- en groengebieden kennen soms nog een duidelijke relatie met de cultuurhistorie, zoals het geval is bij bijvoorbeeld landgoederen. Gebieden die planmatig zijn aangelegd, zoals de naoorlogse woonwijken, planmatig aangelegde (centrum)gebieden (W-gebieden), de reguliere bedrijventerreinen (B3) en sport- en recreatiecomplexen (G2 t/m G5) kennen een minder duidelijke en minder directe relatie met de cultuurhistorie.
24
Ook de verschillende landschappen in het buitengebied kennen ieder hun eigen karakteristiek, ontstaan door een wisselwerking tussen mens en natuur. Het buitengebied van de gemeente Haaren is ingedeeld naar landschapstype (G6-gebieden): dekzandrug, beekdal, dekzandvlakte en land- en stuifduin.
Ruimtelijke verschijningsvorm Binnen de hoofdindeling naar functionele verschijningsvorm en ontstaanswijze is een nader onderscheid gemaakt op basis van kenmerkende ruimtelijke verschijningsvormen. Bij de kernen is dit onderscheid gebaseerd op de specifieke structuur zoals bij de linten op de mate van verdichting (dorpscentrum (H1.1gebieden) en uitlopers (H1.2-gebieden). De specifieke structuur is in de gemeente Haaren voor alle kernen verschillend. Daarom zijn de dorpskernen, met een oude (nog herkenbare) dorpsstructuur, in de gebiedsbeschrijving apart beschreven en beoordeeld. Er gelden per dorpscentrum dan ook afzonderlijke gebiedsgerichte criteria. De losbijgevoegde kaart geeft de typologieën voor de gemeente Haaren weer. Ook de planmatig ontwikkelde gemengde gebieden, woon- en groengebieden, kennen een gedifferentieerde ruimtelijke verschijningsvorm. De woongebieden en gemengde gebieden zijn allereerst ingedeeld naar hoofdverschijningsvorm: seriematig (W1-gebieden) of individueel (W2-gebieden), en vervolgens naar stedenbouwkundige hoofdstromingen: Woongebieden en gemengde gebieden in stroken- en blokverkaveling (W1.2-gebieden); Woonerven (W1.3-gebieden); Woongebieden en gemengde gebieden eind 20e eeuw (W1.4-gebieden); Woongebieden met voornamelijk individuele bouw (W2-gebieden).
Werkgebieden zijn als volgt naar ruimtelijke verschijningsvorm ingedeeld: Bedrijventerreinen (B3-gebieden); Voor groengebieden is de volgende indeling aangehouden: Begraafplaatsen (G2-gebieden); Sportterreinen en recreatiegebieden (G3-gebieden); Grootschalige bebouwingscomplexen (G4-gebieden); Recreatieparken en vakantiewoningen (G5-gebieden);
25
2.3.3 Beleidsgebieden
De welstandsnota kent drie verschillende beleidsgebieden: Beheergebied Aandachtsgebieden cultuurhistorie Ontwikkelingsgebieden Het beheergebied beslaat het grootste deel van het grondgebied. In het beheergebied wordt een zgn. passief welstandsbeleid gehanteerd: de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke kwaliteit ligt bij de aanvrager. Voor plannen van enige omvang in het beheergebied wordt de aanvrager dan ook gevraagd een planverantwoording op te stellen. In het beheergebied zal het grootste deel van de plannen ambtelijk worden afgehandeld, m.b.v. de objectcriteria, de gebiedscriteria en de planverantwoording. De aandachtsgebieden cultuurhistorie zijn waardevolle gebieden met een publiek belang (zoals de kernen van Haaren, Helvoirt en Esch) die vragen om een actief welstandsbeleid van de gemeente. Toetsing op redelijke eisen van welstand wordt standaard door een welstandscommissie gedaan. De ontwikkelingsgebieden zijn gebieden die (her)ontwikkeld worden, en waarvoor een nieuw of aangepast bestemmingsplan of Wabo-projectbesluit noodzakelijk is. In ontwikkelingsgebieden wordt gewerkt met een beeldkwaliteitplan (bkp). In deze gebieden is dus sprake van (tijdelijk) hogere aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit dan in beheergebieden. De beeldkwaliteiteisen zijn vaak wat concreter en uitgebreider dan gebiedsgerichte criteria.
De toetsing aan het bkp vindt in principe ambtelijk plaats. Bij twijfel of conflict wordt het plan aan de welstandscommissie of een gemandateerde van die commissie voorgelegd.
Motivering keuze welstandsbeleidsgebieden gemeente Haaren In deel B zijn bij de gebiedscriteria per type gebied de specifieke kenmerken beschreven die voor dat gebied bij de beoordeling relevant zijn.
26
In het algemeen geldt dat de waardering voor een bepaald gebied, samengaand met een bepaalde samenhang tussen cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur, bepaalt of een gebied als aandachtsgebied cultuurhistorie is aangewezen. Voor een aantal (gevoelige) gebieden voert de gemeente Haaren een actief welstandsbeleid om een zekere ‘beeldconservering’ van deze gebieden te waarborgen: het huidige beeld mag niet verloren gaan, ook niet door kleinere bouwopgaven. Daarom zijn de dorpscentra van Haaren, Helvoirt en Esch aangewezen als aandachtsgebied. Met name in de dorpscentra van Helvoirt en Esch zijn de historische ruimtelijk-stedenbouwkundige opzet en historische bouwkunst en architectuur goed bewaard gebleven. Ook het dorpscentrum van Haaren is een aandachtsgebied. Gezien de centrale ligging van dit dorpscentrum streeft de gemeente Haaren in dit gebied naar een hogere representativiteit en beeldkwaliteit. Naast de dorpscentra is ervoor gekozen om ook het lint aan de Torenstraat in Helvoirt aan de aandachtsgebieden toe te voegen. Aan dit lint zijn meerdere rijks- en gemeentemonumenten of panden van cultuurhistorisch belang gelegen. Bovendien wordt het lint begeleid door een monumentale bomenrij. In het buitengebied van de gemeente Haaren komen diverse bijzondere historische plaatsen voor.
Met bijzondere historische plaatsen wordt bedoeld (deels) bebouwde plaatsen die identiteit ontlenen aan een van tevoren bedachte functie, bijvoorbeeld een klooster, een landgoed of een instituut. Deze plaatsen spelen een rol bij de oriëntatie van het landschap. Het gaat hier om landgoed Nemerlaer, landgoed Zwijnsbergen, landgoed Mariënhof, landgoed Den Eikenhorst aan de Hal, het klooster Sancta Monica van de Witte Zusters, Haarendael met huize Gerra, en Prisma, met Assisië. Vanwege de hoge historische waarde en de ligging in het buitengebied zijn deze bijzondere historische plaatsen ook als aandachtsgebied aangewezen. Nieuw is de aanduiding van het tracé de N65 als aandachtsgebied cultuurhistorie. Haaren en de buurgemeenten streven ernaar de cultuurhistorische waarde van deze Napoleontische route te bewaren en ervaarbaar te maken. Om die reden is een hogere aandacht voor dit tracé in de beleidskaart opgenomen.
27
Tot slot zijn nog enkele buurtschappen en veldlinten als aandachtsgebied aangewezen, vanwege de historische waarde die de bebouwing in deze gebieden heeft, conform de cultuurhistorische waardekaart. In deze gebieden is de concentratie monumenten en waardevolle panden meestal erg hoog. Het gaat hier om: • de Belvertsestraat en de Roonsestraat (Belvert), • Holleneind, • Hoge Raam, vlakbij de rijksweg N65 • de Molenstraat, • de Dijk • de Hooghoutseweg en de Gijzel • de Biezenmortelstraat/Gijzelstraat/Udenhoutseweg • ’t Winkel/Winkelsestraat • de bebouwingsconcentratie aan Nieuwkuijkseweg-Duinoordseweg/Distelberg • de bebouwingsconcentratie aan Esschebaan en Haarenseweg (de Ruiting) • ’t Hoog • Hoef ten Halve • De uitloper Helvoirtsestraat, ten noorden van Helvoirt
28
Geen welstandsvrije gebieden De wet biedt ook de mogelijkheid welstandsvrije gebieden te onderscheiden. In de gemeente Haaren zijn geen welstandsvrije gebieden opgenomen, omdat deze welstandsnota is gericht op de kwaliteit van de bestaande ruimtelijke structuren, waarbij altijd sprake is van een bepaalde basiskwaliteit. De gemeente Haaren vindt het uit oogpunt van rechtsbescherming van burgers niet verantwoord voor bestaande gebieden geen enkele welstandstoets toe te passen. Bij nieuwe ontwikkelingen zal de gemeente steeds afwegen of daarin de mogelijkheid van welstandsvrij bouwen kan worden opgenomen.
29
2.4 objectgericht welstandsbeleid Naast het gebiedgerichte beleid zoals hierboven beschreven, is voor een aantal categorieën bouwwerken ook objectgericht beleid geformuleerd. Dit beleid is vervat in de objectcriteria, (hoofdstuk 9)
2.4.1 Voor- en achterkant benadering Eén van de uitgangspunten van welstandsbeleid is de zogenaamde voor- en achterkant benadering. Deze benadering houdt in dat er met het oog op stedenbouw en welstand in een aantal gevallen verschil moet worden gemaakt tussen het bouwen aan de voorkant of aan de achterkant van een bouwwerk. Vanuit welstandsoptiek is de kwaliteit van het bouwen aan de voorkant in het algemeen belangrijker dan het bouwen aan de achterkant. Deze benadering ligt ten grondslag aan de bepalingen in het BOR t.a.v. vergunningvrij bouwen (art. 2) en “welstandsvrij” bouwen (art. 3). Aan de voor- en zijkant mag er minder snel vergunningvrij gebouwd worden dan aan de achterkant van de woning. Het erf om de woning is in het kader van het vergunningvrij bouwen ingedeeld in voorerfgebied en achtererfgebied. Afhankelijk van de specifieke situatie behoort grond naast de zijgevel van een woning tot het voorerfgebied of tot het achtererfgebied. Het achtererfgebied begint 1 meter achter de voorgevel van de woning. Erf dat naast de woning ligt en direct aan het openbaar toegankelijk gebied grenst is geen achtererfgebied. Openbaar toegankelijk gebied is onder andere: wegen, pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en dergelijke. Fiets- en voetpaden die niet worden gebruikt voor doorgaand verkeer, vallen niet onder het openbaar toegankelijk gebied.
2.4.2 objectcriteria Voor specifieke categorieën bouwwerken, veel voorkomende verbouwingen en gebouwen, heeft de gemeente zodanig concrete criteria opgesteld dat een groot deel van deze aanvragen ambtelijk kan worden afgedaan. De criteria zijn onderverdeeld in een “altijd-goed-kader” en een “afwegingskader”. De criteria in het altijd-goedkader zijn meetbaar en verifieerbaar, en vaak kwantitatief van aard, de criteria in het afwegingskader vragen, zoals de naam al zegt, een afweging van de toetser, en zijn vooral kwalitatief van aard. Wanneer een plan niet in het altijd-goed-kader past wordt het aan de criteria in het afwegingskader getoetst. In geval van twijfel
30
bestaat de mogelijkheid een plan voor te leggen aan de welstandscommissie of een gemandateerde van die commissie.
31
32
3.1 Inleiding De essentie van het welstandsbeleid is de gebiedsgerichte benadering. Op elk beleidsniveau zijn gebiedsspecifieke kenmerken te benoemen. Deze benadering stelt de gemeente in staat om de samenhang tussen verschillende beleidsvelden inzichtelijk te maken en daarmee de samenhang tussen het welstandsbeleid en ander beleid en andersom. De kwalitatieve kenmerken van een gebied zijn in het kader van het welstandsbeleid bepalend voor de samenstelling van gebiedsgerichte criteria. De gebiedsgerichte benadering levert een heldere beschrijving en beeld op van de specifieke karakteristieken van een deelgebied. Voor het welstandsbeleid richt deze benadering zich met name op de specifieke kenmerken van een gebied voor de bebouwing, maar in breder verband zijn uit deze benadering eveneens die kenmerken te distilleren die belangrijk zijn voor ander gemeentelijk ruimtelijk beleid. Deze benadering biedt kansen voor een brede basis voor gebiedsgericht beleid op alle ruimtelijke beleidsvelden.
33
DEELGEBIED
BESCHRIJVEN KARAKTERISTIEK DEELGEBIED
Benoemen van het gewenste beleid Functie Bebouwing Ruimtelijke kwaliteit Verkeer en parkeren Openbare ruimte Groen
Criteria welstandstoets
Regelgeving Maatregelen Inrichtingskaders bestemmingspla verkeersnota openbare ruimte n In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de relatie van welstand met een aantal andere ruimtelijke beleidsvelden.
3.2 Welstand en ruimtelijke kwaliteit in groter verband Het handhaven en liefst versterken van de ruimtelijke kwaliteit is een belangrijk uitgangspunt in het ruimtelijk beleid. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid betekent: aandacht schenken aan cultuurhistorie en ruimtelijke identiteit, het
34
creëren van een aantrekkelijke omgeving met ruimtelijke diversiteit in landschap, stedenbouw en architectuur en het verantwoord omgaan met natuur en ecologische waarden. Welstand is slechts één van de beleidstakken die zich bezighoudt met het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Het welstandsbeleid staat niet op zich. Het is deels verankerd in en deels gebaseerd op beleidslijnen uit andere beleidsvelden. Waar voorheen de rijksoverheid de grote lijnen uitzette, met Nota’s ruimtelijke Ordening en Architectuurnota’s, is de borging en sturing van de ruimtelijke kwaliteit de laatste jaren steeds meer naar de lagere overheden verschoven. De provincie heeft In haar structuurvisie en Verordening Ruimte kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling en richtlijnen voor ruimtelijke kwaliteit gesteld. Gemeenten zijn verplicht hun eigen structuurvisie op te stellen, die de kaders voor de bestemmingsplannen vormt. Ook voor het welstandsbeleid zijn deze structuurvisies kaderstellend.
3.3 Welstand en het bestemmingsplan Het welstandsbeleid biedt een kader voor de toetsing van een vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen aan redelijke eisen van welstand. In deze nota worden criteria benoemd die er aan bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De criteria worden onder andere geformuleerd vanuit een visie op het gebied en vanuit een beeld van de aanwezige waarden. Aspecten die aan de orde komen betreffen zowel niet-ruimtelijk relevante aspecten zoals kleur en materiaalgebruik, als ruimtelijk relevante aspecten zoals hoogte, omvang en situering van de gebouwen. Er is dus een nauwe relatie met het bestemmingsplan. De ruimtelijk relevante aspecten kunnen –wanneer wenselijk en noodzakelijk- vertaald worden in het bestemmingsplan. Voor niet-ruimtelijk relevante aspecten is een vertaling in het bestemmingsplan niet mogelijk. Welstand kan kwalitatieve eisen, bijvoorbeeld het materiaalgebruik ten opzichte van de naastgelegen woning, aan een gebouw stellen terwijl het bestemmingsplan alleen kwantitatieve (ruimtelijk relevante) eisen stelt, bijvoorbeeld maximale nok- en goothoogte. Het welstandsbeleid en bestemmingsplan liggen dus in elkaars verlengde en vullen elkaar aan. Een vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen wordt zowel getoetst aan redelijke eisen van welstand als aan de bouwvoorschriften zoals opgenomen in het bestemmingsplan.
Wanneer er sprake is van een verschil tussen de inhoud van een bestemmingsplan en een welstandsnota dat leidt tot tegenstrijdige eisen, blijven bij
35
toetsing van een vergunningaanvraag voor de activiteit bouwen de welstandscriteria buiten toepassing. Het bestemmingsplan heeft hier formeel juridisch ‘het laatste woord’.
3.4 Welstand en het Beeldkwaliteitsplan De welstandsnota richt zich primair op de min of meer reguliere en/of incidentele bouwopgave in bestaande stedelijke gebieden en het buitengebied. Voor gebieden met een planmatige functieverandering, zoals nieuwe woon- en werkgebieden en herontwikkelingsgebieden (stads- en dorpscentra, wijkontwikkelingsgebieden) kan voor de sturing van welstand ook een beeldkwaliteitplan worden opgesteld. Deze beeldkwaliteitplannen kennen in de meeste gevallen niet alleen criteria van welstand waaraan bouwwerken dienen te voldoen, maar gaan bijvoorbeeld ook in op de vormgeving van het openbare gebied. Dat deel van het beeldkwaliteitplan, dat betrekking heeft op het bouwen, welstandstoetsing bij vergunningaanvragen.
kan als basis dienen voor
Indien er reeds een beeldkwaliteitplan voor een in ontwikkeling zijnd gebied bestaat voordat de welstandsnota wordt vastgesteld door de gemeenteraad dient dit plan tot onderdeel te worden gemaakt van de welstandsnota door in de welstandsnota hier expliciet naar te verwijzen. Wel dient het beeldkwaliteitplan tot stand te zijn gekomen volgens de voorschriften, die de Woningwet ten aanzien van de vaststelling en wijziging van de welstandsnota stelt (vaststelling door de gemeenteraad en inspraak conform de gemeentelijke inspraakverordening). Door in de welstandsnota naar het beeldkwaliteitplan te verwijzen vormt dit plan juridisch een onderdeel van de welstandsnota. Beeldkwaliteitplannen zijn in principe bedoeld om specifieke ontwikkelingen te kunnen begeleiden. Als de ontwikkeling is afgerond ligt het dan ook in de rede om de criteria die gelden voor het betreffende gebied bij een wijziging van de welstandsnota op te nemen in de welstandsnota zelf. De verwijzing naar het beeldkwaliteitplan kan dan vervallen. De mogelijkheid bestaat om een beeldkwaliteitplan vast te stellen in aanvulling op een vastgestelde welstandsnota; bijvoorbeeld als het betreffende beeldkwaliteitplan een verdere concretisering van het beleid
36
inhoudt dat reeds in de welstandsnota is verankerd. In dat geval is er sprake van een wijziging van de welstandsnota, bijvoorbeeld om ontwikkelingen in een straatwand te sturen en te stimuleren of aanvullende eisen voor een karakteristiek stukje centrumgebied op te stellen. Deze wijziging van de welstandsnota dient weer door de gemeenteraad te worden vastgesteld en de inspraakprocedure conform de gemeentelijke inspraakverordening dient te zijn gevolgd. Behalve de toetsingscriteria omvat een beeldkwaliteitplan bij voorkeur ook een toelichting waarin het onderliggende beleid kan worden verklaard. In deze toelichting wordt het gemeentebeleid voor het betreffende (ontwikkelings)gebied met betrekking tot beeldkwaliteit op hoofdlijnen samengevat. De toelichting vervult verder een belangrijke rol bij uitvoering van projecten, omdat initiatiefnemers bij het realiseringstraject kunnen refereren aan de voorbeelden en beleidslijnen. Maar net als bij een bestemmingsplan heeft de toelichting ook bij een beeldkwaliteitplan slechts een beperkte status.
3.5 Welstand en openbare ruimte en groenbeleid De openbare ruimten en groengebieden worden binnen een gemeente over het algemeen begrensd door bebouwing. Bebouwing waarover welstand in het geval van aanpassingen en veranderingen een woordje meepraat om de kwaliteit van die bebouwing en vooral ook de samenhang tussen bebouwing binnen een gebied zoveel mogelijk te waarborgen. De kwaliteit van die bebouwing heeft effect op de omgeving waarin dat gebouw staat. Een straat met kwalitatief hoogwaardige bebouwing draagt positief bij aan de beleving van die ruimte. Andersom draagt een straat met een kwalitatief hoogwaardige inrichting positief bij aan de beleving van de bebouwing langs die straat. Omdat in het welstandsbeleid slechts in geringe mate kan worden ingegaan op de kwaliteiten van de openbare ruimte en groen, namelijk slechts op die aspecten waarvoor een vergunning voor de activiteit bouwen vereist is, is het dan ook de kunst dat bij de wens tot een integraal kwaliteitsbeleid er voldoende afstemming plaatsvindt tussen de welstandsnota met daarin vastgelegd de kwaliteiten voor de bebouwing en daarnaast beleidsnota's waarin de kwaliteiten vastgelegd zijn van de openbare ruimte en groen.
37
Deze afstemming kan op twee manieren plaatsvinden: Enerzijds door vanuit de gebiedsgerichte benadering, die gevolgd wordt in het kader van het opstellen van de welstandsnota, beleidskeuzen voor andere beleidsvelden vast te leggen. Dit vereist reeds van het begin af aan een integrale aanpak op gebiedsniveau. Anderzijds kan men bij het opstellen van inrichtingsplannen, waar voorheen de uitvoering en het beheer geschiedde door de gemeentelijke diensten, de welstandscommissie bij de opzet van deze plannen betrekken. Immers, straatmeubilair, verlichting, verharding en verkeersmiddelen maken integraal onderdeel uit van de beleving van ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. De gemeente Haaren heeft voor het buitengebied een beeldkwaliteitplan opgesteld. Het beeldkwaliteitplan geeft voorwaarden aan voor de beeldkwaliteit van het landschap en voor de in dat landschap aanwezige bebouwing en erven. De concrete eisen vanuit het beeldkwaliteitplan buitengebied over kleuren, materiaalgebruik en vormgeving inzake bebouwing zijn in deze welstandsnota opgenomen. Daarnaast hanteert de welstandscommissie het beeldkwaliteitplan als uitgangspunt bij de toetsing van bouwplannen als het gaat om aspecten die een nauwe relatie hebben met landschapsaspecten en erfinrichtingen.
38
3.6
Welstand en Erfgoedbeleid
3.6.1 Inleiding
Noodzaak tot bescherming van monumenten Historische gebouwen, objecten en landschappen laten ons zien hoe voorgaande generaties woonden, werkten en leefden. Ze bepalen in belangrijke mate het 'eigen gezicht' van een straat, buurt, dorp, stad of landschap. Dit eigen gezicht wordt steeds meer gewaardeerd en gezien als ruimtelijke kwaliteit van een eigen gebied. Een monument kan behoudenswaardig zijn vanwege: esthetische, educatieve, economische en inspiratieve waarde(n).
Modernisering Monumentenzorg Met ingang van 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Dit is gebaseerd op 3 pijlers: monumentenzorg integreren in de ruimtelijke ordening, vereenvoudiging van regelgeving m.b.t. vergunningen en subsidies, en herbestemming van cultuurhistorische complexen. De eerste pijler is vooral van belang voor de integratie met welstandszorg. De eerste pijler geeft aan dat het objectgerichte karakter wordt verbreed tot een gebiedsgerichte benadering, geïntegreerd in beleid dat is gericht op ruimtelijke ordening. Het doel is dat het nieuwe monumentenbeleid beter gaat inspelen op de kwaliteit van de omgeving. Hiermee zal meer samenhang komen tussen ruimtelijke ordening en monumentenzorg, zodat de cultuurhistorische kwaliteit beter tot zijn recht komt. Om een stabiele en meer structurele basis te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, is aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening toegevoegd dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond, maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied, en daar conclusies aan moeten verbinden die in het bestemmingsplan verankerd worden.
De intrinsieke en gebiedskwaliteiten worden vastgelegd in beeldkwaliteitplan cq. welstandsnota met criteria.
39
Rijksmonumenten De bescherming van het monument zelf is geregeld in de Monumentenwet (1988) en in de gemeentelijke Erfgoedverordening. Bouwen en verbouwen aan rijksmonumenten is vastgelegd in de Monumentenwet. Deze wet geeft het Rijk de mogelijkheid om objecten als rijksmonument aan te wijzen. Rijksmonumenten worden wettelijk beschermd via het vergunningenstelsel en bij restauratie zijn financiële middelen beschikbaar. Rijksmonumenten zijn in het Monumentenregister ingeschreven door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Het hele object, of het nu een gebouw of een object in de openbare ruimte betreft, is beschermd. Veranderingen aan rijksmonumenten doorvoeren is niet verboden, maar er moet altijd een vergunning aangevraagd worden. Het is verboden rijksmonumenten te beschadigen, te verwaarlozen of te vernielen. Het is bovendien niet toegestaan een monument zo te herstellen, te gebruiken of laten gebruiken dat het monument in gevaar wordt gebracht of ontsierd wordt. Een vergunning wordt pas verleend na afweging van alle belangen van zowel de belanghebbende(n) als van het object zelf. Deze afweging wordt gemaakt door de gemeente. Vooral het overhevelen van het vergunningstelsel geeft gemeenten een grote verantwoordelijkheid ten aanzien van rijksmonumenten.
Als de wijzigingen ingrijpend zijn dan zal zowel de monumentencommissie, de RCE en als het object in het buitengebied is gelegen, ook de provincie hierover een advies geven aan het college. Het college maakt de belangenafweging en onderbouwt het besluit. De vergunning voor ingrijpende wijzigingen wordt via een zogenaamde UOV-procedure afgerond. Deze procedure duurt max. 26 weken. De vergunning voor alle andere wijzigingen dienen binnen 8 weken (Wabo) te worden verstrekt. De Monumentenwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. De verantwoordelijke staatssecretaris en/of minister hebben daartoe bevoegdheid. De gemeenteraad, provincie en raad van Cultuur adviseren de minister hierover. De bescherming van dorpsgezichten vindt plaats via het opstellen van een beschermend bestemmingsplan en heeft primair betrekking op het respecteren van de lokale waarden en beeldkarakteristiek. Het opstellen van een aangepast bestemmingsplan voor een beschermd stads- en dorpsgezicht gebeurt in nauwe samenspraak met alle betrokken partijen. Op dit moment bezit de gemeente Haaren geen beschermde dorpsgezichten.
40
Gemeentelijke monumenten Het aanwijzen van gemeentelijke monumenten is een gemeentelijke beleidsvrijheid. Net als bij rijksmonumenten dient bij bouwen en verbouwen aan een gemeentelijk monument uitgegaan worden van een afweging tussen de belangen van de belanghebbende(n) en het object zelf. Op grond van de Erfgoedverordening moet er door de eigenaar een monumentenvergunning worden aangevraagd. Een belangrijk verschil tussen rijksmonumenten enerzijds en gemeentelijke monumenten anderzijds is dat alleen rijksmonumenten vallen onder het regime van de Monumentenwet. Ten slotte kan de gemeenteraad ook een historische kern als een beschermd dorpsgezicht van gemeentewege aanwijzen. In Haaren zijn geen beschermde dorpsgezichten aangewezen, maar er zijn wel historisch waardevolle kernen en buurtschappen aanwezig.
Monumenten en groen De gemeente Haaren heeft voor haar grondgebied een groenbeleidsplan opgesteld. In dit plan wordt de betekenis van landschapselementen voor historische stedenbouwkundige structuren uitgewerkt.
3.6.2 Monumenten op de Welstandsbeleidskaart Het aan- en verbouwen van het monument op zich is dus geregeld in de Erfgoedverordening en Monumentenwet. Echter, de gebouwen in de directe omgeving van een monument vallen hier niet onder, terwijl zij wel liggen binnen de beeldinvloedssfeer van dat monument. In het kader van welstand is het wenselijk bij (aan- of ver)bouwen van de belendende panden extra aandacht aan de vormgeving te besteden, zodat het pand de beeldruimte rondom het monument respecteert. Naast de reden waarom bepaalde gebieden, gebouwen en objecten, niet-zijnde gebouwen, als monument zijn aangewezen, bestaat er een verschil in voorkomen en omvang van monumenten. Er zijn solitair gelegen monumenten, die als los element in een landelijke of stedelijke omgeving zijn gelegen. De omgeving van en de ruimte rondom het monument kan belangrijk zijn voor de zeggingskracht van zo'n solitair monument. Er bestaan ook monumenten die in een meer of minder gesloten straatwand gelegen zijn, waarbij het monument past binnen het overwegende straatbeeld en de waarde bepaald wordt door de gaafheid of uniciteit van dat