CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-71 Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte- bijlage 5.2a Toelichting- bijlage

RAAD 14 oktober 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-71 Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Merodelaan17.481 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

verbrede landbouw verkoop aan huis van (eigen) + agrarische producten

+

+

100 m² vloeroppervlakte

verkoop aan huis van boerderij- en streekproducten

+

+

+

100 m² vloeroppervlakte

agrarisch natuur- en landschapsbeheer

+

+

+

-

agrarisch waterbeheer (blauwe diensten)

+

+

+

-

sociale functie (resocialisatie O therapie, zorgboerderij)

O

O

500 m²

opslag en stalling van agrarische producten in de bestaande bebouwing (meer + dan reguliere opslag ten behoeve van eigen bedrijfsvoering)

+

+

500 m²

vis-, escargots- of wormenkwekerij

+

+

+

500 m²

opslag en stalling van agrarische producten, goederen, werktuigen of materialen in de bestaande bebouwing anders dan ten behoeve van het eigen bedrijf

+

+

+

500 m²

agrarisch verwante bedrijfsactiviteiten

veehandelsbedrijven, foeragehandel

O

O

O

500 m²

ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (zoals kaasmakerij, vleesverwerking, O palingrokerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij) vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten

O

O

500 m²

ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (vergelijkbaar met O categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten) en de verkoop ervan

O

O

500 m²,met maximaal 100 m² vloeroppervlakte voor verkoop

hoveniersbedrijf, boomverzorgingsbedrijf

O

-

O

500 m²

opslag en stalling van nietagrarische producten, goederen, werktuigen of materialen (bijv. boten, O caravans) vergelijkbaar met categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten in de bestaande bebouwing

O

O

1.000 m²

recreatieve functies kinderboerderij / speelboerderij

O

O

O*

500 m²

hobbymatige paardrijactiviteiten

+

+

+

500 m²

hobbymatig houden van vee

+

+

+

500 m²

manege / rijschool

O

O

-

500 m²

kano- of roeibootverhuur

O

O

O*

500 m²

fietsenverhuur

+

O

O

500 m²

wandel,- fiets,- of + ruiterpaden over het terrein

+

+

-

kleinschalige horecagelegenheid (waaronder theetuin, boerderijterras)

O

O

O*

100 m²

verblijfsrecreatieve eenheden in woningen + (logies met ontbijt, maximaal 4 kamers)

+

+

100 m²

verblijfsrecreatieve eenheden in (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing tot maximaal 4 kamers per gebouw

O

O

O

200 m²

georganiseerde activiteiten (zoals survivalactiviteiten, kinderfeestjes, boerengolf)

+

+

+

500 m²

kampeerboerderij

O

O

O*

500 m²

kleinschalig kamperen

O

O

O

200 m²

+

+

+

100 m²

verzorging van mens en dier (zoals kapsalon, O schoonheidssalon, trimsalon)

-

-

500 m²

museum / tentoonstellingsruimte

O

O*

500 m²

overige dienstverlening natuur- en milieueducatie, bezoekboerderijen, rondleidingen

O

niet-agrarisch verwante detailhandel (bijv. kunst- en O antiekhandel)

-

O*

200 m²

dierenpension, hondenfokkerij

-

O

500 m²

-

4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Afwijking mantelzorg Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.4 onder e voor het bieden van mantelzorg in een bedrijfswoning, aan- of uitbouw of een bijgebouw, met in achtneming van het volgende: 

a. afwijking wordt slechts verleend ter plaatse van percelen waarop krachtens het plan een woning is toegestaan die ook feitelijk aanwezig is;

b. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat;

c. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van medische noodzaak, onderschreven door een zorgdeskundige en uitsluitend gedurende de periode dat mantelzorg noodzakelijk is;

d. per woning is slechts 1 aan- of uitbouw of bijgebouw tot een maximale omvang van 80 m² als ruimte voor mantelzorg toegestaan;

e. de afstand van de woning tot het bijgebouw dat voor mantelzorg wordt gebruikt bedraagt niet meer dan 30 meter;

f. in samenhang met de afwijking voor het gebruik is bouwen toegestaan mits in overeenstemming met het bepaalde in 4.2.1;

g. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

4.5.2 Afwijking ten behoeve van nevenfuncties met uitzondering van kleinschalig kamperen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van het gebruik van gronden voor de in tabel 4.1 met een O of O* aangegeven nevenfuncties, met uitzondering van kleinschalig kamperen, met inachtneming van het volgende: 

a. de bestaande bebouwing – al dan niet met inpandige bouwactiviteiten – mag worden benut tot de omvang zoals vermeld in tabel 4.1;

b. de nevenfunctie dient milieuhygiënische inpasbaar te zijn;

c. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;

d. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;

e. zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing;

f. zorg wordt gedragen voor een ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- of natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting van het erf;

g. zorg wordt gedragen voor het behoud van het monument of het cultuurhistorische waardevolle gebouw zoals vermeld in bijlage 4 behorende bij de regels;

h. op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid;

i. de opslag van goederen, anders dan in gebouwen is niet toegestaan;

j. in afwijking van het bepaalde onder i is voor de nevenfunctie hoveniersbedrijf een buitenopslag van 100 m² toegestaan;

k. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in de tabel, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie van opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen en werktuigen met andere nevenfuncties, ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut;

l. afwijking wordt slechts verleend indien een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst.

4.5.3 Afwijking ten behoeve van kleinschalig kamperen Voor de gronden die in tabel 4.1, in de rij 'kleinschalig kamperen', met een O zijn aangegeven kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van het toestaan van kleinschalig kamperen op en/of in aansluiting op een agrarisch bouwvlak, met inachtneming van het volgende: 

a. afwijking wordt uitsluitend verleend voor ten hoogste 15 seizoensgebonden standplaatsen en uitsluitend gedurende de periode dat sprake is van de uitoefening van een agrarisch bedrijf op het (aansluitende) bouwvlak;

b. ten behoeve van sanitair en ondersteunende voorzieningen ten behoeve van het kleinschalig kamperen mag ten hoogste 200 m² van de bestaande bebouwing worden gebruikt al dan niet gecombineerd met inpandige bouwactiviteiten;

c. het kleinschalig kamperen dient milieuhygiënische inpasbaar te zijn;

d. de afstand tussen de minicamping en de meest nabij gelegen woning van derden bedraagt ten minste 50 meter;

e. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;

f. voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;

g. zorg wordt gedragen voor een ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- of natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting van het erf;

h. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst;

i. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;

j. er wordt op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorzien, waarbij geldt dat het aantal parkeerplaatsen ten minste 110% van het aantal standplaatsen bedraagt;

k. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in tabel 4.1, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie van opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen en werktuigen met andere nevenfuncties, ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut.

4.5.4 Afwijking ten behoeve van uitbreiding kleinschalig kamperen Voor de gronden met de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied 6.1'die in tabel 4.1, in de rij 'kleinschalig kamperen', met een O zijn aangegeven kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van de uitbreiding van kleinschalig kamperen op en/of in aansluiting op een agrarisch bouwvlak, met inachtneming van het volgende: 

a. per bouwvlak zijn ten hoogste 25 seizoensgebonden standplaatsen toegestaan en uitsluitend gedurende de periode dat sprake is van de uitoefening van een agrarisch bedrijf op het (aansluitende) bouwvlak;

b. ten behoeve van sanitair en ondersteunende voorzieningen ten behoeve van het kleinschalig kamperen mag ten hoogste 200 m² van de bestaande bebouwing worden gebruikt, al dan niet gecombineerd met inpandige bouwactiviteiten;

c. nieuwbouw ten behoeve van het kleinschalig kamperen tot maximaal 100 m² is uitsluitend toegestaan indien de bestaande bebouwing niet geschikt is;

d. het kleinschalig kamperen dient milieuhygiënische inpasbaar te zijn;

e. de afstand tussen de minicamping en de meest nabij gelegen woning van derden bedraagt ten minste 50 meter;

f. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;

g. voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;

h. zorg wordt gedragen voor een ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- of natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting van het erf;

i. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst;

j. de wegcapaciteit, wegconstructie en verkeersveiligheid worden niet negatief beïnvloed;

k. er wordt op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid voorzien, waarbij geldt dat het aantal parkeerplaatsen ten minste 110% van het aantal standplaatsen bedraagt;

l. bij een combinatie van nevenfuncties mag de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties worden benut tot de totaal opgetelde maximum oppervlakte van de betreffende nevenfuncties, aangegeven in tabel 4.1, tot een maximum van 500 m², met dien verstande dat bij een combinatie van opslag en stalling van niet-agrarische producten, goederen en werktuigen met andere nevenfuncties, ten hoogste 1.000 m² van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nevenfuncties mag worden benut.

4.5.5 Afwijking ten behoeve van erfverharding Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.4 onder k ten behoeve van erfverharding aansluitend aan het bouwvlak met in acht name van het volgende: 

a. afwijking is alleen toelaatbaar voor zover aanleg op het bouwvlak niet mogelijk of doelmatig is;

b. afwijking mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.6.1 Aanlegverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1 zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden) de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 

a. het blijvend (voor meer dan één groeiseizoen) omzetten van grasland in bouwland;

b. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting;

c. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage tenzij ter vervanging van reeds bestaande drainage;

d. het graven en dempen van sloten;

e. het verwijderen van landschapselementen zoals poelen, moerasjes en ruigten;

f. het aanleggen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;

g. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m2 ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'ecologische verbindingszone';

h. het ophogen van gronden ter plaatse van gronden met de aanduiding 'waterberging';

i. het aanbrengen of wijzigen van kaden ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'waterberging';

j. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water – beekherstel';

k. het aanleggen van dammen, kades, duikers, vlonders, schoeiingen of aanlegplaatsen voor recreatievaartuigen op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water – beekherstel';

l. het ophogen van gronden ter plaatse van gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water – beekherstel';

m. het aanleggen van opslag-, stort-, of bergplaatsen waaronder baggerdepots op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water – beekherstel'.

4.6.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod Het verbod van lid 4.6.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 

a. uitgevoerd worden op bouwvlakken;

b. normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming betreffen; hieronder wordt in ieder geval verstaan het planten en rooien van boomteeltgewassen op gronden die ten tijde van de terinzagelegging in gebruik zijn voor de boomteelt;

c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

4.6.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 4.6.1 zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor: 

a. de cultuurhistorische, natuur- en / of landschapswaarden zoals omschreven in lid 4.1niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;

b. de geschiktheid van gronden met de aanduiding 'ecologische verbindingszone' voor het verwezelijken van een ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt geschaad;

c. de mogelijkheden voor beekherstel op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van water – beekherstel' niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast; alvorens over het verlenen van omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in van de waterbeheerder;

d. het waterbergend vermogen van gronden met de aanduiding 'waterberging' niet onevenredig wordt of kan worden aangetast; alvorens over het verlenen van omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden te beslissen wint het bevoegd gezag hieromtrent schriftelijk advies in van de waterbeheerder.

4.7 Wijzigingsregels 4.7.1 Wijziging ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen Burgemeester en wethouders kunnen een op de plankaart aangegeven bouwvlak wijzigen en vergroten voor het plaatsen van permanente teeltondersteunende voorzieningen en het toekennen van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen' zoals bedoeld in 4.2.1 onder i, met dien verstande dat: 

a. wijziging alleen is toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;

b. kassen, permanente tunnels of boogkassen niet zijn toegestaan;

c. het bouwvlak mag tot ten hoogste 1,5 ha worden vergroot;

d. voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 3 meter;

e. wijziging niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen;

f. wijziging is slechts toelaatbaar, indien daardoor de aanwezige landschaps-, natuur- en / of cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;

g. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden;

h. medewerking slechts wordt verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing.

4.7.2 Wijziging bij bedrijfsbeëindiging Burgemeester en wethouders kunnen, na bedrijfsbeëindiging, de bestemming Agrarisch met waarden – Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1 wijzigen in de bestemming Wonen - 2 en / of Tuin - met dien verstande dat:

a. het aantal woningen binnen het bestemmingsvlak en het bouwvolume van de gebouwen niet mogen worden vergroot;

b. het agrarische bouwvlak komt te vervallen;

c. bestaande nevenfuncties zoals bedoeld in tabel 4.1 als vervolgactiviteit zijn toegestaan met dien verstande dat: o

1. bij voortzetting van de nevenfunctie overtollige bebouwing wordt gesloopt;

o

2. de bestaande nevenactiviteit kleinschalig kamperen niet mag worden voortgezet;

d. voor zover de gronden aangemerkt zijn als 'wro-zone - ontheffingsgebied 6.1' wordt deze aanduiding gewijzigd in 'wro-zone - ontheffingsgebied 6.3';

e. voor zover de gronden aangemerkt zijn als 'wro-zone - ontheffingsgebied 5.2' wordt deze aanduiding gewijzigd in 'wro-zone - ontheffingsgebied 5.1';

f. de maximaal toelaatbare goot- en bouwhoogte van de gebouwen niet mag worden gewijzigd;

g. wijziging alleen is toegestaan indien aannemelijk is gemaakt dat voortzetting van een agrarisch gebruik niet tot de reële mogelijkheden behoort;

h. wijziging niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

4.7.3 Vergroting of vormverandering bouwvlak grondgebonden agrarisch bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van vergroting en / of vormverandering van een bouwvlak ten behoeve van: 

a. de vergroting en / of vormverandering van een bouwvlak ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf;

b. de verkleining van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteundende voorzieningen' ten behoeve van de vergroting van de bouwmogelijkheden van een grondgebonden bedrijf;

met inachtneming van het volgende: 

c. het bouwvlak zoals bedoeld onder a mag met ten hoogste 15 % worden vergroot;

d. indien bij toepassing van de 15% regel, zoals bedoeld onder c, de maximale oppervlakte kleiner is dan 1,5 ha, is uitbreiding tot 1,5 ha toegestaan;

e. door de verkleining van de aanduiding zoals bedoeld onder b mag het gedeelte van het bouwvlak zonder de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen, ten hoogste 1,5 ha bedragen;

f. wijziging is alleen toegestaan indien dit voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is;

g. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;

h. wijziging is slechts toelaatbaar, indien daardoor de aanwezige landschaps- en / of cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast;

i. wijziging wordt slechts toegepast als voorzien wordt in een adequate landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een dichte struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 5 meter;

j. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing;

k. er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende bestemmingen optreden voor wat betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden;

l. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.

4.7.4 Omschakeling, vergroting of vormverandering bouwvlak intensieve veehouderij verwervingsgebied In het gebied met de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwervingsgebied 2' kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen ten behoeve van: 

a. de vergroting en/of vormverandering van een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij' of de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij';

b. de omschakeling binnen een bouwvlak van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij;

met inachtneming van het volgende: 

c. wijziging van een bouwvlak is alleen toegestaan voor zover er sprake is van een duurzame locatie voor de intensieve veehouderij; er is sprake van een duurzame locatie indien: o

1. de vergroting, vormverandering of omschakeling aanvaardbaar is vanuit milieuoogpunt (ammoniak, geur, luchtkwaliteit), vanuit een ruimtelijk oogpunt (rekening houdend met waarden van natuur, landschap, cultuurhistorie) en uit oogpunt van de gezondheid voor mensen;

o

2. aangesloten wordt op bestaande bebouwing en optimaal gebruik wordt gemaakt van de beschikbare ruimte;

o

3. vergroting, vormverandering of omschakeling noodzakelijk is voor het bedrijfsbelang op de lange termijn;

d. vergroting van de oppervlakte van het bouwvlak is toegestaan tot ten hoogste 1,5 ha waarbij de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' gewijzigd mag worden in de aanduiding 'intensieve veehouderij' dan wel de aanduiding 'intensieve veehouderij' mag worden toegevoegd; bij bouwvlakken groter dan 1,5 ha is uitsluitende vormverandering toegestaan;

e. wijziging wordt slechts toegepast voor een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens wijziging toe te passen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige;

f. wijziging wordt slechts toegepast als ten minste 10% van het bouwvlak wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing;

g. medewerking wordt slechts verleend als een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing;

h. er mogen geen onevenredige gevolgen voor het waterbeheer optreden.

4.7.5 Beëindiging intensieve veehouderij Burgemeester en wethouders kunnen de aanduidingen 'intensieve veehouderij' of 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' en/of de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 5 t/m 12' met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid verwijderen indien op het betreffende bouwvlak de intensieve veehouderij of de neventak intensieve veehouderij feitelijk is beëindigd. 4.7.6 Vergroting bouwvlak voor dierenwelzijn Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van de vergroting van een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij' met inachtneming van het volgende: 

a. wijziging is uitsluitend toegestaan voor bouwvlakken die bij de vaststelling van het plan een omvang hebben van 1,5 ha of meer en bij de vaststelling al geheel zijn benut;

b. wijziging is uitsluitend toegestaan voor gronden met de aanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2';

c. voor de betreffende bouwvlakken mag de wijziging éénmalig en uiterlijk tot 1 januari 2013 worden toegepast;

d. vergroting is uitsluitend toegestaan om, met de bestaande omvang van het bedrijf, te kunnen voldoen aan de huisvestingseisen voortvloeiend uit het Besluit amoniakemissie huisvesting veehouderij of uit de op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde eisen.

4.7.7 Wijziging waterberging

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden die tevens zijn aangeduid met de aanduiding 'waterberging' wijzigen in de bestemming Water of Natuur, met dien verstande dat wijziging slechts wordt toegepast als de gronden gebruiksvrij zijn verworven ten behoeve van het water- of natuurbeheer.

Bijlage 1. Boorbeschrijving

boring: OIME-1 beschrijver: BM, datum: 13-4-2007, boortype: Edelman-12 cm, doel boring: archeologie - kartering, landgebruik: boomgaard, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: NoordBrabant, gemeente: Oisterwijk, plaatsnaam: Oisterwijk, opdrachtgever: Gemeente Oisterwijk, uitvoerder: RAAP Zuid

0 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, interpretatie: bouwvoor Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald)

30 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: gevlekt

60 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, lichtgeel, matig fijn, interpretatie: verspoeld dekzand Bodemkundig: C-horizont

Einde boring op 110 cm -Mv

boring: OIME-2 beschrijver: BM, datum: 13-4-2007, boortype: Edelman-12 cm, doel boring: archeologie - kartering, landgebruik: boomgaard, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: NoordBrabant, gemeente: Oisterwijk, plaatsnaam: Oisterwijk, opdrachtgever: Gemeente Oisterwijk, uitvoerder: RAAP Zuid

0 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, interpretatie: bouwvoor Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald)

30 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: gevlekt

70 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, lichtgeel, matig fijn, interpretatie: verspoeld dekzand Bodemkundig: C-horizont

Einde boring op 110 cm -Mv

boring: OIME-3 beschrijver: BM, datum: 13-4-2007, boortype: Edelman-12 cm, doel boring: archeologie - kartering, landgebruik: boomgaard, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: NoordBrabant, gemeente: Oisterwijk, plaatsnaam: Oisterwijk, opdrachtgever: Gemeente Oisterwijk, uitvoerder: RAAP Zuid

0 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, interpretatie: bouwvoor Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald)

30 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: gevlekt

40 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, lichtgeel, matig fijn, interpretatie: verspoeld dekzand Bodemkundig: C-horizont

Einde boring op 70 cm -Mv

1

Bijlage 1. Boorbeschrijving

boring: OIME-4 beschrijver: BM, datum: 13-4-2007, boortype: Edelman-12 cm, doel boring: archeologie - kartering, landgebruik: boomgaard, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: NoordBrabant, gemeente: Oisterwijk, plaatsnaam: Oisterwijk, opdrachtgever: Gemeente Oisterwijk, uitvoerder: RAAP Zuid

0 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, interpretatie: bouwvoor Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald)

30 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: gevlekt/B-horizont resten

45 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, lichtbruin, matig fijn, interpretatie: verspoeld dekzand Bodemkundig: BC-horizont, interpretatie: veldpodzolgronden

60 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, lichtgeel, matig fijn, interpretatie: verspoeld dekzand Bodemkundig: C-horizont, interpretatie: veldpodzolgronden

Einde boring op 80 cm -Mv

2

RAAP-NOTITIE 2170

Plangebied Merodelaan te Oisterwijk Gemeente Oisterwijk Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Colofon Opdrachtgever: gemeente Oisterwijk Titel: Plangebied Merodelaan te Oisterwijk, gemeente Oisterwijk; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase) Status: eindversie Datum: mei 2007 Auteur: ing. B.J. Moonen Projectcode: OIME Bestandsnaam: NO2170-OIME.doc Projectleider: ing. B.J. Moonen Projectmedewerker: drs. M.A.H. Lipsch ARCHIS-vondstmeldingsnummers: niet van toepassing ARCHIS-waarnemingsnummers: niet van toepassing ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer/CIS-code: 22178 Autorisatie: drs. W. De Baere ISSN: 0925-6369 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V.

telefoon: 020-463 4848

Zeeburgerdijk 54

telefax: 020-463 4949

1094 AE Amsterdam

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 1347 1000 BH Amsterdam

© RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2007 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

Plangebied Merodelaan te Oisterwijk, gemeente Oisterwijk; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

1 Inleiding 1.1 Algemeen -

opdrachtgever: gemeente Oisterwijk aanleiding onderzoek: verzoek vrijstellingsprocedure ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. datum uitvoering veldwerk: 13 april 2007 bewaarplaats documentatie: archief RAAP Zuid Nederland

1.2 Locatiegegevens -

toponiem: Merodelaan kadastrale gegevens: gemeente Oisterwijk, sectie E nummer 4988 plaats: Oisterwijk gemeente: Oisterwijk provincie: Noord-Brabant kaartblad topografische kaart Nederland 1:25.000: 51A grondgebruik: boomgaard oppervlakte : 1695 m² centrumcoördinaten (X/Y): 141787/398181

1.3 Voorgenomen bodemingrepen De initiatiefnemer is voornemens om in het plangebied een vrijstaande woning te realiseren.

1.4 Doelstelling Doel van het onderzoek is het vaststellen of in het plangebied archeologische resten voorkomen of verwacht worden die bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen.

1.5 Richtlijnen Het onderzoek is uitgevoerd volgens de hiervoor geldende normen en richtlijnen die zijn vastgelegd in het Handboek ROB-specificaties (Brinkkemper e.a., 1998). RAAP Archeologisch Adviesbureau en de door RAAP toegepaste procedures zijn goedgekeurd door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK), de instelling die het beheer heeft over de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie

RAAP-notitie 2170 / eindversie 03-05-2007

[3 ]

Plangebied Merodelaan te Oisterwijk, gemeente Oisterwijk; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

(KNA) en die valt onder de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; http://www.sikb.nl). Zie tabel 1 voor de dateringen van de in deze notitie genoemde archeologische perioden. Periode Nieuwe tijd Late Middeleeuwen Vroege Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd Bronstijd Neolithicum (nieuwe steentijd) Mesolithicum (midden steentijd) Paleolithicum (oude steentijd)

Datering 1500 1050 450 12 voor 800 2000 5300 8800 300.000

Tabel 1. Archeolo-

-

heden 1500 1050 450 12 800 2000 4900 8800

gische tijdschaal.

na Chr. na Chr. na Chr. voor Chr. voor Chr. voor Chr. voor Chr. voor Chr.

2 Bureauonderzoek 2.1 Geologie en bodemkunde Het plangebied maakt deel uit van het Limburgs-Brabants dekzandgebied. Dit dekzandgebied wordt gekenmerkt door eolische gevormde terreindelen die doorsneden worden door beekdalen. Zowel de dekzandafzettingen als de beekdalen zijn voornamelijk gevormd in het laatste glaciaal (ijstijd; nl. het Weichselien: ca. 120.000 tot 10.000 jaar geleden). Tijdens het Weichselien traden diverse klimaatswisselingen op. Terwijl in het Vroeg Glaciaal het klimaat relatief koud maar nog betrekkelijk vochtig was, kenden vooral het Pleniglaciaal en het Laat Glaciaal een zeer koud en droog klimaat. In het schaars begroeide landschap kreeg de wind gemakkelijk vat op de ondergrond. Hierdoor werden grote hoeveelheden zand verplaatst die de oudere (rivier)afzettingen afdekken en het oorspronkelijke reliëf maskeren. Dit dekzandpakket beslaat een groot gedeelte van Noord-Brabant en vormt de basis van het huidige landschap (Berendsen, 2000). De dikte van het dekzand kan sterk variëren, hetgeen heeft geleid tot reliëfverschillen. Op de geomorfologische kaart staat het gebied aangeduid als 'vlakte van ten dele verspoelde dekzanden' (Stiboka/RGD, 1977: code 2M9). Deze vlakte wordt aan de noordkant begrenst door het beekdal van de Voorste Stroom (code 2R5) en aan de zuidkant door het beekdal van Achterste Stroom (code 2R5).

De vlakte wordt nog doorsneden door een 'dalvormige laagte zonder veen' (code 2R2). Deze dalvormige laagte is tot in de 20e eeuw watervoerend geweest (ROBAS Producties, 1989). De afstand van het plangebied tot het dichtstbijzijnde oppervlaktewater (de Achterste Stroom) is circa 325 m.

RAAP-notitie 2170 / eindversie 03-05-2007

[4 ]

Plangebied Merodelaan te Oisterwijk, gemeente Oisterwijk; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Gedurende het Holoceen (10.000 jaar geleden tot heden) hebben zich in het dekzand (afhankelijk van textuur, grondwatertrap en grondgebruik) verschillende bodemtypen ontwikkeld. In de relatief goed ontwaterde dekzandafzettingen hebben zich veelal podzolen ontwikkeld. Podzolgronden zijn gronden waarin een inspoelingshorizont (B-horizont) voorkomt. In water oplosbare stoffen (zoals organische stof, ijzer en aluminium) kunnen naar beneden worden verplaatst en onder bepaalde omstandigheden in een inspoelingshorizont (B-horizont) worden afgezet. Naargelang de aard van de organische stof in de B-horizont worden de podzolgronden verder onderverdeeld. Volgens de bodemkaart bestaat de bodem in het plangebied uit een hoge zwarte enkeerdgrond, lemig fijn zand met grondwatertrap VI (Stiboka, 1985: code zEZ23). De hoge enkeerdgronden liggen veelal in goed ontwaterde gebieden rondom de oudste bewoningskernen. Het betreft de oudste akkergronden (essen of escomplexen) die vaak al vanaf de Late Middeleeuwen (ca. 1300 na Chr.) werden bemest met mest uit de potstal. Deze mest bestond uit een mengsel van dierlijke uitwerpselen, (heide- of bos-) plaggen en huishoudelijk afval. Als gevolg van eeuwenlange intensieve bemesting hebben veel podzolgronden een dikke humushoudende bovenlaag (enkeerdgronden) gekregen.

De dikte van deze zogenaamde 'esdekken' varieert in het algemeen van circa 0,5 tot meer dan 1,0 m. Een deel van het oorspronkelijke podzolprofiel is opgenomen in het esdek ('onthoofd podzolprofiel'). Bovendien is door de ophoging met het plaggenmest het landschap veelal 'vervlakt', waardoor de precieze aard van het oorspronkelijk reliëf gemaskeerd is.

2.2 Archeologische gegevens Om inzicht te krijgen in het voorkomen van archeologische vindplaatsen in of nabij het plangebied is het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) te Amersfoort geraadpleegd. Volgens ARCHIS liggen in de directe omgeving van het plangebied (straal circa 500 m) geen vindplaatsen. De dichtstbijzijnde archeologische vindplaats ligt circa 875 m ten noordoosten van het plangebied, net ten noorden van de Voorste Stroom. Ter plaatse zijn resten van een zogenaamde 'moated site' aangetroffen (ARCHIS-waarnemingsnummers 44639 en 50178). Een moated site deed vooral dienst als representatieve woningen van de lage adel, waarbij in de architectuur militaire elementen hoogstens als uiting van status werden toegepast. Deze vindplaats heeft echter geen invloed op de archeologische verwachting van onderhavig plangebied.

2.3 Historische gegevens Rond 1900 werd de directe omgeving van het plangebied gekenmerkt door een aantal verspreid liggende hoeven met daaromheen akkerland en grasland. De meeste akkers lagen aan de huidige Merodelaan. Richting de beken domineerden vooral de graslanden (ROBAS Producties, 1989). Op de kadastrale minuut uit

RAAP-notitie 2170 / eindversie 03-05-2007

[5 ]

Plangebied Merodelaan te Oisterwijk, gemeente Oisterwijk; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

circa 1830 (www.dewoonomgeving.nl) wordt het gebied aangeduid als 'De Kleine Heide'. Dit betekent dat het gebied voor de ontginning gemeenschappelijk bezit was (gemeint) en werd gekenmerkt door een heidevegetatie. Op basis hiervan wordt verwacht dat het gebied waarschijnlijk pas in de Nieuwe tijd ontgonnen is (kampontginning). Uit het Kommerboek van Oisterwijk (een belastingregister uit de periode 1636-1652) blijkt dat 'De Kleine Heide' inderdaad pas tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) in particuliere handen is gekomen. Aan het eind van de Tachtigjarige Oorlog verschenen ook de eerste boerderijen in dit gebied (mededeling W. de Bakker). Vanaf 1626 maakte het plangebied deel uit van een groot perceel dat in gebruik was als huis, schuur, erf en boomgaard. Het perceel was in eigendom van Goossen Embert van der Borcht. Tot dit grote perceel behoorde zowel het huidige erf van de hoeve ten oosten als het erf van de hoeve ten westen van het plangebied. Waarschijnlijk stond de eerste hoeve op de plek waar nu nog de hoeve ten oosten van het plangebied staat. Tussen 1626 en 1653 werd het grote perceel in tweeën gesplitst. Het oostelijk deel krijgt een nieuwe eigenaar en bleef in gebruik als boerenerf inclusief opstal, het westelijk deel (waartoe het plangebied behoort) blijft in gebruik als erf (zonder opstal).

Vanaf 1655 werd het westelijke deel gebruikt door Jan Peter Roeters, die op het perceel een schuur plaatst. Mogelijk dateert het gebint van de schuur ('t schoor) op het terrein van de hoeve ten westen van het plangebied uit 1655. Vanaf 1670 stond op het westelijke deel ook een huis. Mogelijk gaat (een deel van) de huidige hoeve ten westen van het plangebied terug tot 1670. In 1832 is tussen de twee hoeven een gebouw geplaatst dat tot 1861 in gebruik was als huis. Het plangebied overlapt een deel van dit huis (mededeling W. de Bakker, 2007). Volgens de huidige eigenaar van de hoeve ten westen van het plangebied heeft in het plangebied ook een kippenhok gestaan. Dit kippenhok is recentelijk afgebroken. Het is onduidelijk of het kippenhok hetzelfde gebouw betreft als het gebouw dat tussen 1832 en 1861 in gebruik was als huis. De heer Goossen Embert van den Borcht (eerste eigenaar hoeve ten westen van plangebied) kreeg van de Hertog van Brabant toestemming om een klein bruggetje (een schoor) over de Achterste Stroom aan te leggen. Dit bruggetje werd het Goossen-Emmen-Schoor genoemd. Volgens de hertogelijke cijnsboeken moest de heer Goossen Embert van de Borcht jaarlijks voor dit recht betalen (mededeling W. de Bakker). Het naambordje op de Schuur van de hoeve ten westen van het plangebied ('t schoor) verwijst nog naar dit bruggetje. De naam Merodelaan kwam pas in 1927 in gebruik.

Het verwijst naar enkele eigenaressen (familienaam 'Merode') van 'kasteel' Durendaal dat aan de westzijde van Oisterwijk gelegen moet hebben (mededeling W. de Bakker).

2.4 Gespecificeerde archeologische verwachting en onderzoeksmethode Volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW; ROB, 2005) geldt voor het plangebied een hoge kans op het aantreffen van archeologische

RAAP-notitie 2170 / eindversie 03-05-2007

[6 ]

Plangebied Merodelaan te Oisterwijk, gemeente Oisterwijk; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

waarden. Op grond van het bureauonderzoek kan deze verwachting verder worden gespecificeerd: - Aangezien het plangebied pas in de 17e eeuw ontgonnen is (hetgeen betekent dat het gebied niet tot de beste landbouwgronden behoort) en uit de directe omgeving geen archeologische vindplaatsen van landbouwers bekend zijn, geldt voor het plangebied een lage tot middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen (nederzettingsterreinen) van landbouwers (Neolithicum t/m Late Middeleeuwen). - Aangezien het plangebied 125 m van de grens tussen grondwatertrap VI en III (een zgn. nat-droog gradiënt waar op korte afstand water en een grote verscheidenheid aan planten en dieren voorhanden zijn) ligt, geldt voor het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen (kampementen) van jager-verzamelaars (Paleolithicum t/m Neolithicum). - Over de omvang van eventuele archeologische vindplaatsen kan op basis van de voorhanden zijnde gegevens geen inschatting worden gemaakt. - Eventueel aanwezige archeologische resten worden aan de basis van het esdek verwacht. - Als gevolg van de goede ontwatering wordt verwacht dat alleen anorganisch materiaal en verbrand organisch materiaal bewaard is gebleven. 2.5 Onderzoeksmethode Volgens de 'Minimumeisen Provincie Noord-Brabant t.b.v.

de rapportage van archeologisch vooronderzoek in de vorm van een inventariserend en waarderend booronderzoek' dienen boringen in een systematisch driehoeksgrid (30x35 m) geplaatst te worden. Dit komt neer op 10 tot 16 boringen (afhankelijk van de omvang van het plangebied) per ha. Er dienen altijd minimaal 4 boringen per plangebied gezet te worden met een Edelmanboor met een diameter van 15 cm. Het opgeboorde materiaal dient gezeefd te worden met een zeef met een maaswijdte van 0,4 cm en te worden geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren. Deze methode wordt geschikt geacht voor het opsporen van nederzettingen uit de periode Bronstijd t/m Nieuwe tijd die groter zijn dan 500 m² (Tol e.a., 2006). Deze methode is niet geschikt om verkavelingspatronen, graven en andere zeer lokale archeologische resten (zoals vindplaatsen uit de Steentijd) in kaart te brengen.

3 Veldonderzoek 3.1 Inleiding Tijdens het veldwerk zijn 4 boringen gezet (figuur 2). De boringen zijn conform NEN 5104 (Nederlands Normalisatie-instituut, 1989) beschreven. Een uitgebreide beschrijving van de bodemprofielen is opgenomen in bijlage 1.

RAAP-notitie 2170 / eindversie 03-05-2007

[7 ]

Plangebied Merodelaan te Oisterwijk, gemeente Oisterwijk; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

3.2 Resultaten Bodem en geologie De bodem in het plangebied bestaat uit een bouwvoor met daaronder een verstoorde laag en daaronder het al dan niet door bodemvorming beïnvloede moedermateriaal. De bouwvoor is donkergrijsbruin en wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van puin en glas. De dikte van de verstoorde laag varieert tussen de 10 en 40 cm. De laag heeft geen homogene kleur en bevat puindeeltjes. In de boringen 1, 2 en 3 is direct onder de verstoorde laag de C-horizont aangetroffen; in boring 4 is een BC-horizont aangetroffen. Het al dan niet door bodemvorming beïnvloede moedermateriaal bestaat uit matig siltig, matig fijn zand; tussen de matig fijne zandkorrels bevinden zich kleine grindjes die duiden op verspoeling. Dit komt overeen met hetgeen verwacht werd op basis van de geomorfologische kaart (verspoeld dekzand). In tegenstelling tot hetgeen verwacht werd op basis van de bodemkaart is in het plangebied geen esdek aanwezig. Voor een uitgebreide beschrijving van de bodemprofielen wordt verwezen naar bijlage 1. Archeologie Tijdens het veldwerk zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. De aangetroffen bodemverstoringen kunnen verband houden met de voormalige gebouwen die op het terrein stonden.

4 Conclusies en aanbevelingen Het plangebied ligt op een hoger gelegen, redelijk goed ontwaterde rug die aan de zuidkant grenst aan het beekdal van de Achterste Stroom en aan de noordkant grenst aan de Voorste Stroom. Op deze rug zijn tot op heden geen archeologische resten aangetroffen. In de tijd dat ten noorden van de Voorste Stroom de eerste gronden werden ontgonnen, bleef het gebied rondom onderhavig plangebied onontgonnen. Het gebied werd wel gebruikt. Er werd waarschijnlijk onder andere hout gehaald, plaggen gestoken voor in de potstal en vee geweid. Als gevolg hiervan is de oorspronkelijke bosvegetatie uiteindelijk gedegenereerd tot een heidevegetatie. Het gebied wordt ook wel 'De Kleine Heide' genoemd. 'De Grote Heide' ligt ten zuiden van de Achterste Stroom. Vanaf het begin van de 17e eeuw is De Kleine Heide ontgonnen. Het plangebied maakte deel uit van een groot perceel dat in gebruik was als boerenerf met opstallen. In het plangebied zelf stond geen gebouw. Vanaf 1832 stond in het plangebied zelf een gebouw (dit gebouw was tot 1861 bewoond). In het plangebied heeft ook een kippenhok gestaan; onduidelijk is of dit kippenhok het zelfde gebouw betreft als het voormalige woonhuis. Tijdens het veldwerk zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.

Aangezien de ontginningsgeschiedenis van het plangebied tot in detail bekend is en tijdens het veldwerk geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen, wordt niet verwacht dat al gevolg van de geplande bouwwerkzaamheden waardevolle

RAAP-notitie 2170 / eindversie 03-05-2007

[8 ]

Plangebied Merodelaan te Oisterwijk, gemeente Oisterwijk; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

archeologische resten verstoord zullen worden. Als gevolg hiervan wordt ten aanzien van het plangebied geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. De voorgenomen bodemingrepen kunnen, voor zover het de archeologische waarden betreft, zonder beperkingen worden uitgevoerd.

RAAP-notitie 2170 / eindversie 03-05-2007

[9 ]

Plangebied Merodelaan te Oisterwijk, gemeente Oisterwijk; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Literatuur Berendsen, H.J.A., 2000. Landschappelijk Nederland. Van Gorcum, Assen. Brinkkemper, O., e.a. (redactie), 1998. Handboek ROB-specificaties. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. Nederlands Normalisatie-instituut, 1989. Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters. Nederlands Normalisatieinstituut, Delft. ROBAS Producties, 1989. Historische Atlas Noord-Brabant, schaal 1:25000. ROBAS Producties, Den Ilp. ROB, 2005. Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) versie 2.1. Ontleend aan http//www.archis.nl. Stiboka, 1985. Bodemkaart van Nederland, schaal 1: 50.000. Toelichting bij het kaartblad 50 Oost Tilburg en 51 West Eindhoven. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Stiboka/RGD, 1977. Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000. Blad 51 Eindhoven. Staring Centrum/Rijks Geologische Dienst, Wageningen/Haarlem. Tol, A., P. Verhagen & M. Verbruggen, 2006. Leidraad inventariserend veldonderzoek. Deel: karterend booronderzoek. SIKB, Alphen aan de Rijn. Voorbereidingscommissie Kwaliteitszorg Archeologie, 2001. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Eindrapport van de Voorbereidingscommissie Kwaliteitszorg Archeologie. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Den Haag.

Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen Figuur 1. Ligging plangebied (rood); inzet: ligging in Nederland (ster). Figuur 2. Resultaten veldonderzoek. Tabel 1.

Archeologische tijdschaal.

Bijlage 1. Boorbeschrijvingen.

RAAP-notitie 2170 / eindversie 03-05-2007

[1 0 ]

141

142

143

399

399

398

398

397

397

8 8

141

142

Figuur 1. Ligging plangebied (rood). Inzet: ligging in Nederland (ster).

143

141800

141750

ro Me

de l

aan

398200

398200

4

1 3

2 398150

398150

s erd Wi n laa ma

legenda boring met een Edelmanboor (diam. 12 cm) 1

boornummer

bakhuisje 0

10

20

30

40

m 141750

Figuur 2. Resultaten veldonderzoek

50 1:1.000

grens plangebied 141800

398100

398100

't Schoor

2007

oime_re.wor

Plangebied Merodelaan te Oisterwijk, gemeente Oisterwijk; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (karterende fase)

Bijlage 1: Boorbeschrijvingen

RAAP-notitie 2170 / eindversie 03-05-2007

[1 3 ]

Bijlage 1. Boorbeschrijving

boring: OIME-1 beschrijver: BM, datum: 13-4-2007, boortype: Edelman-12 cm, doel boring: archeologie - kartering, landgebruik: boomgaard, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: NoordBrabant, gemeente: Oisterwijk, plaatsnaam: Oisterwijk, opdrachtgever: Gemeente Oisterwijk, uitvoerder: RAAP Zuid

0 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, interpretatie: bouwvoor Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald)

30 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: gevlekt

60 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, lichtgeel, matig fijn, interpretatie: verspoeld dekzand Bodemkundig: C-horizont

Einde boring op 110 cm -Mv

boring: OIME-2 beschrijver: BM, datum: 13-4-2007, boortype: Edelman-12 cm, doel boring: archeologie - kartering, landgebruik: boomgaard, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: NoordBrabant, gemeente: Oisterwijk, plaatsnaam: Oisterwijk, opdrachtgever: Gemeente Oisterwijk, uitvoerder: RAAP Zuid

0 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, interpretatie: bouwvoor Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald)

30 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: gevlekt

70 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, lichtgeel, matig fijn, interpretatie: verspoeld dekzand Bodemkundig: C-horizont

Einde boring op 110 cm -Mv

boring: OIME-3 beschrijver: BM, datum: 13-4-2007, boortype: Edelman-12 cm, doel boring: archeologie - kartering, landgebruik: boomgaard, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: NoordBrabant, gemeente: Oisterwijk, plaatsnaam: Oisterwijk, opdrachtgever: Gemeente Oisterwijk, uitvoerder: RAAP Zuid

0 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, interpretatie: bouwvoor Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald)

30 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: gevlekt

40 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, lichtgeel, matig fijn, interpretatie: verspoeld dekzand Bodemkundig: C-horizont

Einde boring op 70 cm -Mv

1

Bijlage 1. Boorbeschrijving

boring: OIME-4 beschrijver: BM, datum: 13-4-2007, boortype: Edelman-12 cm, doel boring: archeologie - kartering, landgebruik: boomgaard, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: NoordBrabant, gemeente: Oisterwijk, plaatsnaam: Oisterwijk, opdrachtgever: Gemeente Oisterwijk, uitvoerder: RAAP Zuid

0 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: regelmatig geploegd/bewerkte A-horizont, interpretatie: bouwvoor Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald)

30 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, donkerbruingrijs, matig fijn Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: gevlekt/B-horizont resten

45 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, lichtbruin, matig fijn, interpretatie: verspoeld dekzand Bodemkundig: BC-horizont, interpretatie: veldpodzolgronden

60 cm -Mv Lithologie: zand, matig siltig, lichtgeel, matig fijn, interpretatie: verspoeld dekzand Bodemkundig: C-horizont, interpretatie: veldpodzolgronden

Einde boring op 80 cm -Mv

2

82/163

Bijlage 4

83/163

Onderzoek Stikstofdepositie Merodelaan

*OMWB000000*

Aan: Gemeente Oisterwijk t.a.v. L. Kamerling-Hagens De Lind 44 5061 HX OISTERWIJK

Onderzoek Stikstofdepositie Merodelaan te Oisterwijk Inleiding

zaaknummer 20031336

Gemeente Oisterwijk is bezig met de voorbereiding van het bestemmingsplan dat één Ruimte voor Ruimte woning mogelijk maakt aan de Merodelaan in Oisterwijk.

onderwerp Notitie stikstofdepositie Merodelaan RvR

De gemeente Oisterwijk heeft de OMWB gevraagd om een onderzoek naar stikstofdepositie uit te voeren voor de bestemmingsplanprocedure en toekomstige aanvraag omgevingsvergunning bouwen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Kampina en Oisterwijkse vennen’, op een afstand van ruim 700 meter. Een Aerius berekening is gemaakt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. De bijlagen zijn bij deze notitie gevoegd. In deze notitie worden de uitgangspunten en resultaten benoemd. Beleidskader Natura 2000-gebieden zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden in Nederland zijn gevoelig voor stikstofdepositie en overbelast door een teveel aan stikstof. Het is verboden zonder vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb-vergunning) projecten te realiseren die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Daarom dient voor nieuwe of gewijzigde projecten onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een mogelijk significant effect door depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden.

Een project dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied heeft in potentie een significant effect waarvoor een Wnb-vergunning moet worden aangevraagd. Uitgangspunten en resultaten Aanlegfase In de aanlegfase veroorzaakt het gebruik van mobiele werktuigen, zoals bouwkranen, graafmachines, vrachtwagens en dergelijke stikstof. Het gehanteerde rekenjaar is 2020. Worst-case wordt ervan uitgegaan dat alle emissie vrij komt in één jaar. Voor de aanlegfase (bouwfase) is rekening gehouden met een geschat verbruik van circa 3.000 liter brandstof per jaar. Als uitgangspunt wordt aangehouden dat de mobiele werktuigen uit stageklasse IV komen. Dit is geen worst-case

behandeld door de heer M. van der Wielen 013-2060100 m.vanderwielen@omwb.nl plaats / datum Tilburg, 24 april 2020 bijlagen [2] kopie aan -

uitgangspunt. Het betreft relatief nieuwe mobiele werktuigen met bouwjaar 2014 en later. Het is belangrijk dat de uitvoerder van het werk ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning bouwen gevraagd wordt om aan te tonen dat deze uitsluitend gebruik maakt van deze werktuigen. Het verbruik van 3.000 liter is als volgt verdeeld: ▪ 130-560 kW, bouwjaar 2014, 1.000 liter brandstof. Uitgaande van een gemiddeld verbruik van 20 liter brandstof per uur, kunnen deze werktuigen worden ingezet voor in totaal 50 uur. ▪ 75- 130 kW, bouwjaar 2014, 1.000 liter brandstof. Uitgaande van een gemiddeld verbruik van 15 liter per uur, kunnen deze werktuigen worden ingezet voor in totaal 67 uur. ▪ 37-75 kw, bouwjaar 2014, 1.000 liter brandstof. Uitgaande van een gemiddeld verbruik van 10 liter per uur, kunnen deze werktuigen worden ingezet voor in totaal 100 uur. Deze inzet van uren zal in werkelijkheid lager liggen voor de bouw van één woning. De ureninschatting betreft dus een worst-case benadering. Deze mobiele werktuigen zijn ingevoerd als vlakbron. De totale emissie bedraagt circa 5,6 kg NOx in het rekenjaar 2020. Daarnaast is rekening gehouden met 50 vrachtwagenbewegingen per jaar voor het afleveren en ophalen van materiaal en materieel en 10 motovoertuigbewegingen licht verkeer per etmaal voor het bouwpersoneel.

De rijroute is ingevoerd tot de Moergestelseweg, daar waar het (vracht)verkeer met zekerheid zal opgaan in het heersende verkeersbeeld. Uit de berekeningen blijkt dat de aanlegfase een rekenresultaat oplevert dat 0,00 mol/ha/jaar bedraagt voor het rekenjaar 2020. De Aerius-berekening is als bijlage bij deze notitie gevoegd. Gebruiksfase De gebruiksfase is de fase waarin de woning wordt bewoond. De woning zal niet worden aangesloten op het gasnetwerk, waardoor de emissie van stikstof uitsluitend veroorzaakt wordt door de verkeersaantrekkende werking. Worst-case is uitgegaan van een verkeersaantrekkende werking van 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De berekening is uitgevoerd voor het rekenjaar 2021. De rijroute is tot de Burgemeester Vogelslaan ingevoerd, omdat de verkeersbewegingen van het lichte verkeer daar zeker op zullen gaan in het heersende verkeersbeeld. De totale emissie NOx als gevolg van deze verkeersaantrekkende werking bedraagt bijna 1 kg NOx per jaar. Daarmee is duidelijk dat de aanlegfase de maatgevende fase is, onder de genoemde uitgangspunten. Uit de berekeningen blijkt dat de gebruiksfase een rekenresultaat oplevert dat 0,00 mol/ha/jaar bedraagt.

Zaaknummer: 20031336

pagina 2 van 3

Conclusie en voorwaarden Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanlegals de gebruiksfase is gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar, bij de genoemde uitgangspunten. Bij een dergelijke projectbijdrage zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van deze uitgangspunten in het onderzoek blijkt dat er geen Wnb-vergunning nodig is voor het aspect stikstof. Voor de ruimtelijke procedure is de haalbaarheid in voldoende mate aangetoond. Een belangrijk uitgangspunt is dat de aannemer gebruik maakt van stageklasse IV-werktuigen (bouwjaar 2014 en later). Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, wanneer een aannemer in beeld is, kan dit nagegaan worden. Mocht de aannemer geen gebruik maken van mobiele werktuigen in deze stageklasse, dan dient een nieuwe Aerius-berekening te worden uitgevoerd omdat de resultaten wezenlijk anders kunnen zijn. Met vriendelijke groet, de heer M. van der Wielen Adviseur RO

Zaaknummer: 20031336

pagina 3 van 3

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Gebruiksfase Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RgizYhsAd4X8 (24 april 2020) pagina 1/5

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

OMWB

Spoorlaan 181, 5000AB Tilburg

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Merodelaan te Oisterwijk

RgizYhsAd4X8

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

24 april 2020, 07:49

2021

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

< 1 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

1 RvR woning Merodelaan Gebruiksfase

Gebruiksfase

RgizYhsAd4X8 (24 april 2020) pagina 2/5

Resultaten

Locatie Gebruiksfase

Emissie Gebruiksfase

Bron Sector

Verkeersaantrekkende werking Wegverkeer | Binnen bebouwde kom

Resultaten

Gebruiksfase

Emissie NH3

Emissie NOx

< 1 kg/j

< 1 kg/j

RgizYhsAd4X8 (24 april 2020) pagina 3/5

Resultaten

Emissie (per bron)

Naam

Gebruiksfase

Locatie (X,Y) NOx NH3

Resultaten

Soort

Voertuig

Standaard

Licht verkeer

Gebruiksfase

Verkeersaantrekkende werking 141750, 398445 < 1 kg/j < 1 kg/j

Aantal voertuigen Stof

Emissie

8,0 / etmaal NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

RgizYhsAd4X8 (24 april 2020) pagina 4/5

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019A_20200403_6c571f9654 Database versie 2019A_20200403_6c571f9654 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2019A

Resultaten

Gebruiksfase

RgizYhsAd4X8 (24 april 2020) pagina 5/5

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10540056/1