21-71 Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte- bijlage 5.2 Toelichting
Tekst van het document
Om te voldoen aan de eisen van opvang, buffering en infiltratie kan een open regenwaterbuffer of een wadi aangelegd worden. Bij de bouw van de woning zal geen gebruik gemaakt worden van uitlogende materialen zoals zink, koper en lood op die plaatsen waar dit in aanraking kan komen met afstromend hemelwater. De afmetingen van de open regenwaterbuffer of wadi zullen worden afgestemd op het extra verhard oppervlak. Het is niet wenselijk dat schoon hemelwater op het gemeentelijk rioolstelsel wordt geloosd.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
4.5.1 Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en (nieuwe) milieugevoelige functies in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze rapportage gebruikgemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige woongebieden,
33/53
gemengde gebieden en rustige buitengebeiden. 4.5.2 Onderzoek Het plangebied is te kenmerken als een rustig buitengebied. Bij de geplande ontwikkeling wordt een bedrijfshindergevoelige functie gerealiseerd, namelijk een woning. Bedrijfshindergevoelige functie Wat betreft de te ontwikkelen bedrijfshindergevoelige functie is de (eventuele) aanwezigheid van bedrijven in de directe omgeving van belang. In het plangebied zijn geen (agrarische) bedrijven gevestigd. Ook in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen agrarische of reguliere bedrijven aanwezig. Afhankelijk van de bedrijfssituatie vallen agrarische bedrijven onder de werking van een algemene maatregel van bestuur (AMvB), zoals het "Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer" of onder de werking van de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder (voorheen Veehouderij en Hinderwet). Om zowel de milieuhygiënische situatie als de belangen van deze agrarische bedrijven te waarborgen dienen bepaalde afstanden tot milieugevoelige bestemmingen zoals woningen te worden aangehouden. In de AMvB en de richtlijn worden afstanden genoemd van 10, 25 en 50 meter genoemd die aangehouden moeten worden tussen agrarische bedrijven en woningen van derden. Voor intensieve veehouderijbedrijven geldt echter een grotere aan te houden afstand.
Binnen een straal van 500 meter ten opzichte van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven of intensieve veehouderijbedrijven gevestigd. De afstand tot het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bedraagt zelfs ruim 2 kilometer. De realisatie van de woning wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van dergelijke bedrijven. Andersom vormt de realisatie van de woning niet voor een beperktere bedrijfsvoering van agrarische bedrijven. 4.5.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het project.
4.6
(Spoor)wegverkeerslawaai
4.6.1 Beleid en normstelling De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Binnen de geluidszone van een gezoneerde (spoor)weg dient de geluidsbelasting aan de gevel van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. Volgens artikel 74 van de Wgh is de breedte van een geluidszone afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (stedelijk of buitenstedelijk) of het type spoor.
34/53
4.6.2 Onderzoek Binnen het plangebied wordt een nieuwe woning mogelijk gemaakt. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) betreft deze ontwikkeling het realiseren van een geluidsgevoelige functie en dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van een (spoor)weg (met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden). De Merodelaan heeft in het Gemeentelijk Verkeers en Vervoerplan de functie van verblijfsweg (30 km/uur) zodat de Merodelaan als gedezoneerd is te beschouwen. Op basis van jurisprudentie dient echter in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Omdat de intensiteit op het onderhavig gedeelte van de weg ook na realisering van de nieuwe woning zeer laag is (circa 100 mvt/ etmaal) kan worden aangenomen dat de geluidsbelasting aan de gevels zodanig laag is dat zonder berekening mag worden verwacht dat de contour van de voorkeurgrenswaarde (50 dB(A)) zich bevindt binnen het wegprofiel. Er kan dan ook worden gesproken van een aanvaardbaar geluidsniveau. 4.6.3 Conclusies Het (spoor)wegverkeerslawaai vormt, geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1 Beleid en normstelling Wet Milieubeheer In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2-jaargemiddelde) en fijn stof (PM10-jaar- en daggemiddelde) van belang. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. NIBM In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
35/53
een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) 4.7.2 Onderzoek Wet Milieubeheer Op basis van de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) geldt ter plaatse van het plangebied een gemiddelde concentratie van 14 ug/m3 voor stikstofdioxide en 18,5 ug/m3 voor fijn stof (PM10). De normen voor stikstofdioxide en fijn stof liggen beide op 40 ug/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). Er is derhalve geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de streefwaarde. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft de luchtkwaliteit. 4.7.3 Onderzoek NIBM De ontwikkeling maakt de realisatie van 1 woning mogelijk. Deze ontwikkeling is dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een beperkte verkeersaantrekkende werking zorgt. Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Op het plan is daarom het besluit NIBM van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven. 4.7.4 Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
4.8
Archeologie
4.8.1 Beleid en normstelling Archeologiebeleid Oisterwijk Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente beschikt over een vastgestelde archeologische beleidsnota. In november 2018 is het archeologiebeleid van de gemeente Oisterwijk geactualiseerd. Een belangrijk onderdeel van het gemeentelijke archeologiebeleid vormt de Archeologische verwachtingskaart Oisterwijk. Op de beleidskaart worden de verschillende verwachtingen vertaald naar verwachtingszones en gekoppeld aan concrete vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden, worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Door middel van het hanteren van verschillende vrijstellingsgrenzen wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. Het archeologisch kaartbeeld is echter niet statisch.
In de loop der tijd zal de kennis over het bodemarchief toenemen.
36/53
4.8.2 Onderzoek De archeologische verwachtingskaart Oisterwijk is een archeologisch verwachtingsmodel, waaraan grenzen zijn gekoppeld tot waar voorgenomen bodemingrepen worden vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. Omdat er sprake is van een gedifferentieerde archeologische verwachting, is er ook sprake van gedifferentieerde vrijstellingszones. Het Archeologische beleid van Oisterwijk bevat een verwachtingskaart, een beleidskaart met bijbehorende matrixnormen.
Figuur 4.1 uitsnede archeologische verwachtingskaart (plangebied aangeduid met nr.: 22.178)
37/53
Figuur 4.2: uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied rood omlijnd)
Figuur 4.3: Ondergrenzen gemeente Oisterwijk (rood omlijnd is van toepassing)
Het plangebied bevind zich in een zone waar, volgens de gemeentelijk archeologische verwachtingskaart, een hoge archeologische verwachting geldt. In het gebied geldt een archeologische onderzoeksplicht voor ingrepen met een verstoringsoppervlakte groter dan 1.000 m2 en dieper dan 50 cm onder het maaiveld. Door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. is in mei 2007 een archeologisch vooronderzoek (bureau- en inventariserend veldonderzoek) uitgevoerd. Vanwege nieuwe archeologische wetgeving, gemeentelijke eisen en nieuwe archeologische informatie is het bureauonderzoek uit 2007 niet meer conform de wettelijke verplichtingen. Daarom is het betreffende onderzoek geactualiseerd. De gegevens van het destijds uitgevoerde
38/53
veldonderzoek zijn daarbij nog wel gebruikt en verwerkt. Het (geactualiseerde) onderzoeksrapport is opgenomen als Bijlage 3 bij deze toelichting. De resultaten van dat onderzoek worden hieronder beschreven. Het plangebied ligt op een hoger gelegen, redelijk goed ontwaterde rug die aan de zuidkant grenst aan het beekdal van de Achterste Stroom en aan de noordkant grenst aan de Voorste Stroom. Op deze rug zijn tot op heden geen archeologische resten aangetroffen. In de tijd dat ten noorden van de Voorste Stroom de eerste gronden werden ontgonnen, bleef het gebied rondom onderhavig plangebied onontgonnen. Het gebied werd wel gebruikt. Er werd waarschijnlijk onder andere hout gehaald, plaggen gestoken voor in de potstal en vee geweid. Als gevolg hiervan is de oorspronkelijke bosvegetatie uiteindelijk gedegenereerd tot een heidevegetatie. Het gebied wordt ook wel 'De Kleine Heide' genoemd. 'De Grote Heide' ligt ten zuiden van de Achterste Stroom. Vanaf het begin van de 17e eeuw is De Kleine Heide ontgonnen. Het plangebied maakte deel uit van een groot perceel dat in gebruik was als boerenerf met opstallen. In het plangebied zelf stond geen gebouw. Vanaf 1832 stond in het plangebied zelf een gebouw (dit gebouw was tot 1861 bewoond). In het plangebied heeft ook een kippenhok gestaan; onduidelijk is of dit kippenhok het zelfde gebouw betreft als het voormalige woonhuis.
Tijdens het veldwerk zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Aangezien de ontginningsgeschiedenis van het plangebied tot in detail bekend is en tijdens het veldwerk geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen, wordt niet verwacht dat al gevolg van de geplande bouwwerkzaamheden archeologische resten verstoord zullen worden. 4.8.3 Conclusie Er wordt in het archeologisch onderzoek geconcludeerd dat het aspect archeologie de uitvoering van de ontwikkeling niet belemmert. Op basis van dat onderzoek wordt het plangebied dan ook vrijgegeven.
4.9
Cultuurhistorie
4.9.1 Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Hiertoe dient middels bestudering van kaarten bepaald te worden of binnen (de invloedsfeer van het plangebied) Rijksmonumenten (historische gebouwen, sluizen, tuinbeelden en grafstenen), Archeologische Rijksmonumenten, Werelderfgoederen en beschermde stads- en dorpsgezichten aanwezig zijn. Ook het voorkomen van gebieden met landschappelijke waarden en beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, Wetlands, Beschermde Natuurmonumenten, Nationale Parken, Nationale Landschappen en de Ecologische Hoofdstructuur dient bepaald te worden.
39/53
4.9.2 Onderzoek De invloed van het planvoornemen op eventueel aanwezig cultuurhistorische elementen is onderzocht op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart (hierna: CHW) van de provincie Noord-Brabant.
Figuur 4.4: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart (met plangebied rood omlijnd) Archeologische landschappen Voor de beoordeling van dit aspect wordt verwezen naar paragraaf 4.8. Cultuurhistorische landschappen Het plangebied is gelegen binnen het cultuurhistorische landschap 'Het Groene Woud', tevens aangewezen als Nationaal Landschap. Kenmerkend voor dit landschap is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen en buitenplaatsen en watermolens. Binnen dit landschap is het belangrijk de kleinschalige karakteristieken te behouden en worden eisen gesteld aan uitbreidingen van dorpskernen. Daarnaast wordt gestreefd naar het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving van het landschap.
40/53
Een belangrijke voorwaarde voor de realisatie van de Ruimte voor Ruimte woning is dat de woning moet passen binnen de ruimtelijke structuur ter plaatse. In hoofdstuk 2 is daar uitvoerig op ingegaan. De beoogde woning grenst enerzijds direct aan de landelijke woning aan de Merodelaan 37 en sluit in ieder geval qua maatvoering aan op die karakteristiek. Anderzijds sluit het plangebied aan op de woonbebouwing van Oisterwijk direct ten noorden van de Merodelaan. De realisatie van 1 vrijstaande woning op een perceel dat momenteel geen specifiek agrarisch gebruik kent en reeds landschappelijk is ingepast, wordt ter plaatse dan ook landschappelijk aanvaardbaar geacht. De realisatie van de woning heeft ook geen invloed op de instandhouding van het cultuurhistorische landschap Het Groen Woud. Historische geografie Een aantal landschappelijke lijnen is gewaardeerd gezien de cultuurhistorische waarden. De Merodelaan is op de Cultuurhistorische waardenkaart (hierna: CHW) aangemerkt als een lijn met een redelijke hoge historische geografie. De realisatie van de woning aan de Merodelaan heeft geen invloed op de weg zelf aangezien deze niet wordt gewijzigd. Historische groenstructuren Het plangebied is gelegen binnen een gebied dat is aangeduid als historisch groen.
Dit historisch groen wordt ter plaatse en in de directe nabijheid vorm gegeven door de aanwezigheid van oudere beplanting langs de beek met eik, Amerikaanse eik, beuk, els, hazelaar, vogelkers, populier; schietwilg, sleedoorn, wilde lijsterbes, els en wilg. Verder is in de nabijheid van het plangebied een imposante laanbeplanting aanwezig van deels vier rijen eiken, grotendeels uit 1850-1900. Binnen het plangebied zelf is geen sprake van een van bovengenoemde oudere beplanting. Bij de verdere landschappelijke inpassing van de woning wordt voor zover mogelijk gebruikt gemaakt van de gebiedseigen boom- en plantsoorten. Monumenten Nabij het plangebied bevindt zich een gemeentelijk monument. Dit monument wordt voor afbraak of wijziging behoed door middel van in de gemeentelijke monumentenverordening opgenomen voorschriften. Het betreft het monument aan de Merodelaan 37 (woning kortgevelboerderij), aangrenzend aan het plangebied. De realisatie van de Ruimte voor Ruimte-woning heeft geen invloed op de instandhouding van het gemeentelijke monument. 4.9.3 Conclusie Zoals hiervoor beschreven heeft het planvoornemen geen negatieve invloed op de instandhouding van de genoemde cultuurhistorische waarden. Het aspect 'cultuurhistorie' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.10 Ecologie 4.10.1 Beleid en normstelling Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
41/53
Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.
GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
42/53
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee, voor het op of in de bodem brengen van meststoffen en voor agrarische beregening uit grondwater. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening.
Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. Ten aanzien van de bunzing, hermelijn en wezel wordt in hetzelfde kader een tijdelijke vrijstelling verleend tot 1 oktober 2017. 4.10.2 Onderzoek Huidige situatie en plannen In de huidige situatie kan het terrein vergeleken worden met een tuin. De tuin is afgeschermd met een beukenhaag. In het grasland zijn enkele fruitbomen aangeplant. Op de grens van het terrein staan enkele bomen. Ten behoeve van de ontwikkeling vinden de volgende activiteiten plaats: verwijderen van fruitbomen; verwijderen deel van de beukenhaag ten behoeve van nieuwe ontsluiting; bouwrijp maken terrein; bouw van woning. De bomen en struweel rondom het terrein blijven behouden. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied. Wel is, op een afstand van ruim 700 meter het natura 2000-gebied 'Kampina en Oisterwijkse vennen' gelegen. Bij nieuwe projecten moet onderzocht worden of er sprake kan zijn van een mogelijk significant effect door depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden.
Een project dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied heeft in potentie een significant effect waarvoor een Wnb-vergunning moet worden aangevraagd. Een Aerius berekening is gemaakt voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. De resultaten van die berekeningen zijn opgenomen in de Notitie Onderzoek Stikstofdepositie Merodelaan zoals opgenomen in
43/53
Bijlage 4 bij deze toelichting. Op basis van het onderzoek wordt geconcludeerd dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg als de gebruiksfase is gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen. Soortenbescherming
Figuur 4.5: Foto plangebied Op basis van een locatiebezoek d.d. 22 maart 2018, algemene ecologische kennis en verspreidingsatlassen/gegevens (onder andere www.ravon.nl en www.waarneming.nl) zijn de huidige ecologische waarden door ir. J.J. van den Berg vastgesteld. Het terrein kan een functie bieden als leefgebied voor algemene soorten als veldmuis en egel. Voor deze soorten geldt een vrijstelling in provincie Noord-Brabant. Het terrein kan verder een functie vervullen als foerageergebied voor vleermuizen, aangezien de groenstructuur zoveel mogelijk wordt behouden worden geen effecten verwacht. In de bomen rondom het terrein kunnen vogels broeden, indien broedgevallen aanwezig zijn dienen de werkzaamheden te worden uitgevoerd wanneer de jongen het nest hebben verlaten of door een afstand van minimaal 20 meter rondom het nest aan te houden. Overige soorten worden niet verwacht. Door rekening te houden met soorten en zorgvuldig te handelen is geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. In aanvulling op bovenstaande onderbouwing is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage van die quickscan zijn opgenomen in Bijlage 5 van deze toelichting.
In het onderzoek is in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren.
44/53
Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Wel wordt geadviseerd extra aandacht te besteden aan de reuzenberenklauw bij het verwijderen van de aanwezige beplanting. Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling.
Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Op en in de aanwezige nestkast zijn sporen van mogelijk beschermde zoogdieren aangetroffen. Om uit te sluiten dan wel aan te tonen of een beschermde soort gebruik maakt van de kast, is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Het aanvullend onderzoek naar de steenuilenkast is opgenomen als Bijlage 6 bij deze toelichting. Op basis van dat aanvullend onderzoek kan worden geconcludeerd dat de aanwezige steenuilenkast niet in gebruik is als verblijfpaats van beschermde soorten, waardoor geen verplichtingen bestaan vanuit de Wet natuurbescherming. Een ontheffing in het kader van de Wnb is niet noodzakelijk. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden.
In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van weilanden en akkers en tuinen van woningen. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen. Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen
45/53
voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. 4.10.3 Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde soorten of natuurgebieden.
4.11 Kabels en leidingen 4.11.1 Beleid en normstelling Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden. 4.11.2 Onderzoek In het plangebied en in de directe nabijheid van het plangebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen, rioolwatertransportleidingen, drinkwatertransportleidingen, of hoogspanningsleidingtracé. Ook zijn er geen straalpaden ten behoeve van de telecommunicatie aanwezig. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit plan. Wel zijn in het plangebied diverse niet planologische leidingen (rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen) gesitueerd. Deze kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs/ in combinatie met aanwezige infrastructuur. Met deze ondergrondse infrastructuur zal bij de werkzaamheden rekening worden gehouden. 4.11.3 Conclusie De eventuele aanwezigheid van kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.12 Externe veiligheid 4.12.1 Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een
46/53
ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicorelevante inrichtingen Relevant is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing of bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen Relevant is de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (circulaire RVGS) en in de toekomst ook het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid (BTEV). Op basis van de circulaire RVGS geldt het volgende: Voor bestaande situaties gelden er plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten de grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar en de streefwaarde van 10-6 per jaar. In nieuwe situaties geldt ter plaatse van kwetsbare objecten de grenswaarde voor het PR van 10-6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR geldt een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Vooruitlopend op het BTEV zijn in de circulaire RVGS veiligheidsafstanden opgenomen uit het Basisnet Weg en het Basisnet Water1. In het BTEV worden tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Aan de hand van de Basisnetten wordt al geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.
Buisleidingen Relevant is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
47/53
4.12.2 Onderzoek Conform de risicokaart zijn er in of nabij het plangebied geen inrichtingen gelegen die onder Bevi vallen. In (de omgeving) van de locatie zijn geen bedrijven gevestigd die onder het Besluit risicozware ongevallen (BRZO) in het kader van de Wet milieubeheer vallen. Ook kent het plangebied of de omgeving geen bedrijven waar sprake is van grootschalige opslag gevaarlijke stoffen (CPR 15.2 en 15.3). Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt evenmin plaats. Derhalve wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen gevolgen heeft voor voorliggende woningbouwontwikkeling. 4.12.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.13 Duurzaamheid De beoogde ontwikkeling aan de Merodelaan betreft de bouw van een vrijstaande woning aan de rand van het bestaand stedelijk gebied van Oisterwijk. Met de realisatie van de woning wordt voorzien in een deel van de actuele volkshuisvestelijke opgave. Hierdoor wordt voorkomen dat dit in het landelijk gebied moet worden gezocht. Het bouwplan voorziet daarmee in duurzaam ruimtegebruik. Ten aanzien van de nieuwe woning geldt dat deze gasloos (all-electric) zullen worden uitgevoerd.
4.14 Conclusie omgevingsaspecten Op basis van paragrafen 4.1 tot en met 4.12 kan worden geconcludeerd dat de omgevingsaspecten, na het treffen van eventueel noodzakelijke maatregelen, geen belemmeringen vormen voor de realisatie van een Ruimte voor Ruimte woning aan de Merodelaan ongenummerd. Onder de noodzakelijk maatregelen wordt bedoeld: In het kader van de bodemkwaliteit; De sanering van de bovenste laag grond (tot 0,5 m-mv) in de noordelijke strook (40 bij 12,5 meter). Voordat de omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend, dient aangetoond te zijn dat de gronden hier schoon zijn. In het kader van de waterhuishouding; de realisatie van een open regenwaterbuffer of wadi met een capaciteit van 42 m³. In de regels van dit bestemmingsplan is de realisatie van een infiltratievoorziening als voorwaardelijke verplichting opgenomen.
48/53
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Algemeen
Dit bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. De SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro gemaakt moeten worden. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden, met inachtneming van de aanpassingen die voortvloeien uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijks als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld.
5.2
Toelichting op de bestemming
5.2.1 Wonen Om de Ruimte voor Ruimte woning mogelijk te maken dient de geldende bestemming gewijzigd te worden naar de bestemming 'Wonen'. De bestemming zal aansluiten bij andere woonbestemmingen binnen de gemeente Oisterwijk. De gronden die bestemd zijn als 'Wonen' zijn primair bedoeld voor het wonen. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen. Tevens zijn de gronden bestemd voor bij de woning behorende aanbouwen, aangebouwde bijgebouwen, vrijstaande bijgebouwen en voor bouwwerken geen gebouwen zijnde. Gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen de op de verbeelding opgenomen bouwvlakken. Er zijn nadere eisen opgenomen ten aanzien van de situering van aan-, uit- en bijgebouwen, waarmee een koppeling wordt gelegd met de beeldkwaliteitscriteria in bijlage 1 bij de regels. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' geldt de voorwaardelijke verplichting dat het gebruik van de gronden uitsluitend is toegestaan indien de bestaande landschappelijke inpassing in stand wordt gehouden. De bestemming heeft tevens als doel om ruimte te bieden voor aan huis verbonden beroepen en het realiseren van parkeervoorzieningen op eigen terrein. Waterberging wordt binnen het plangebied/de bestemming 'Wonen' direct mogelijk gemaakt.
Daarnaast geldt een voorwaardelijke verplichting voor de aanleg van de noodzakelijke waterbergingsvoorziening van 42 m³. Deze voorziening mag binnen de bestemming 'Wonen' of de bestemming
49/53
'Groen' worden aangelegd. De gronden mogen pas voor wonen in gebruik worden genomen nadat deze voorziening is aangelegd. Het beeldkwaliteitsplan wordt gekoppeld aan de welstandsnota van Oisterwijk. Door het hieraan te koppelen kunnen bij de nieuwbouw eisen worden gesteld ten aanzien van kwaliteit. Deze eisen komen te vervallen na realisatie van de nieuwbouw aangezien de gemeente Oisterwijk geen welstandcommissie heeft. Voor het plan wordt een supervisor benoemd die het bouwplan toetst aan het beeldkwaliteitsplan. Daar waar mogelijk is het beeldkwaliteitsplan door middel van de regels van dit bestemmingsplan vastgelegd. Dit betreft voornamelijk de regels ten aanzien van de maatvoeringen. Een groot deel van de beeldkwaliteitseisen kunnen op deze manier ambtelijk getoetst worden. 5.2.2 Groen Aan de oostzijde van het perceel is de bestemming 'Groen' opgenomen. Deze strook maakt onderdeel uit van het perceel en zal geen openbaar karakter krijgen. De afwijkende bestemming van de strook heeft tot gevolg dat de strook niet als 'erf' mag worden ingericht zoals bedoeld in artikel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Hiermee wordt voorkomen dat vergunningsvrije bouwwerken op de betreffende strook kunnen worden opgericht. Feitelijk betekent dit dat de strook onderdeel zal zijn van de tuin, zij het dat er geen bouwwerken mogen worden opgericht.
Hierdoor blijft het doorzicht naar het achterliggende landschap gewaarborgd en blijft de groenstrook gehandhaafd. Ook hier geldt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' de voorwaardelijke verplichting dat het gebruik van de gronden voor de bestemming 'Wonen' uitsluitend is toegestaan indien de bestaande landschappelijke inpassing in stand wordt gehouden.
50/53
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. 6.1.1 Inspraak en overleg Omgevingsdialoog Voordat dit bestemmingsplan formeel in procedure is gelegd, heeft de omgevingsdialoog plaatsgevonden. Normaal gesproken wordt men in het kader van deze omgevingsdialoog gedurende een informatieavond van een dergelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht. Vanwege de Coronacrisis is er helaas geen mogelijkheid geweest een plenaire avond in te plannen. Daarom is men geïnformeerd met behulp van een brief over het planvoornemen, de te doorlopen procedure en de mogelijkheden voor het indienen van reacties en eventuele zienswijzen zodra de formele procedure is gestart. De omgevingsdialoog is dus met name bedoeld om omwonenden te informeren. Op 26 maart 2020 is aan 18 adressen aan de Merodelaan en de Wierdsmalaan, in de omgeving van de kavel aan de Merodelaan, een brief gezonden met de toelichting op de plannen van de gemeente voor de start van een bestemmingsplanherziening aan de Merodelaan.
In Bijlage 7 van deze toelichting is zowel het verslag van de omgevingsdialoog als de verstuurde informatiebrief opgenomen Vooroverleg In het kader van het wettelijke vooroverleg is het concept ontwerpbestemmingsplan aan de verschillende overlegpartners zoals de provincie en het waterschap voorgelegd. Op basis van de reactie van de provincie is onder andere een nadere onderbouwing in deze toelichting opgenomen met betrekking tot de nieuwe bebouwing in de kernrandzone. Ook het waterschap De Dommel heeft op het concept ontwerpbestemmingsplan gereageerd. De gemaakte opmerkingen zijn verwerkt in de toelichting van dit bestemmingsplan.
6.1.2 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 17 juli 2020 tot en met 27 augustus 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode werd een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Binnen inzagetermijn zijn 3 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn in de nota van zienswijzen samengevat en voorzien van een gemeentelijke beantwoording. De nota van zienswijzen is opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting. De zienswijzen zijn deels gegrond verklaard en hebben geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan.
51/53
6.1.3 Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). 6.2.1 Financiële haalbaarheid De gemeente Oisterwijk heeft de gronden binnen het plangebied in eigendom. Zij zijn ook de initiatiefnemer van onderhavige bestemmingswijziging. Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de verkoop van de woning of het bouwperceel. Hiermee kan het bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht. 6.2.2 Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De grond is in eigendom van de gemeente.
De door de gemeente gemaakte kosten worden doorberekend bij de kaveluitgifte.
52/53
Eindnoten
1. Het Basisnet houdt in dat er in Nederland trajecten worden aangewezen waarover het transport van gevaarlijke stoffen ongelimiteerd moet kunnen plaatsvinden, terwijl er daarnaast ook delen worden aangewezen waar slechts beperkt transport mag plaatsvinden, omdat hier juist de bebouwing nabij de infrastructuur voorrang krijgt.
53/53