CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-71 Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte- bijlage 5.2 Toelichting

RAAD 14 oktober 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-71 Bestemmingsplan Ruimte voor Ruimte Merodelaan15.788 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Ruimte Voor Ruimte Merodelaan Oisterwijk

DATUM IMRO IDN

NL.IMRO.0824.BPRvRMerodelaan-VA01

PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

20171037

AUTEUR STATUS

ontwerp

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Plangebied

6

1.3

Planologische regeling

7

1.4

Leeswijzer

8

Projectbeschrijving

9

2.1

Huidige situatie

9

2.2

Ruimte voor Ruimte titel

13

2.3

Motivering planologische aanvaardbaarheid

15

2.4

Beeldkwaliteit

16

Hoofdstuk 3

Beleidskader

20

3.1

Rijksbeleid

20

3.2

Provinciaal beleid

22

3.3

Gemeentelijk beleid

24

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

27

4.1

Verkeer en parkeren

27

4.2

Milieueffectrapportage

28

4.3

Bodemkwaliteit

29

4.4

Water

30

4.5

Bedrijven en milieuzonering

33

4.6

(Spoor)wegverkeerslawaai

34

4.7

Luchtkwaliteit

35

4.8

Archeologie

36

4.9

Cultuurhistorie

39

4.10

Ecologie

41

4.11

Kabels en leidingen

46

4.12

Externe veiligheid

46

4.13

Duurzaamheid

48

4.14

Conclusie omgevingsaspecten

48

Juridische toelichting

49

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 5

3/53

5.1

Algemeen

49

5.2

Toelichting op de bestemming

49

Uitvoerbaarheid

51

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

51

6.2

Economische uitvoerbaarheid

52

Hoofdstuk 6

4/53

Toelichting

5/53

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Merodelaan ongenummerd bevindt zich een agrarisch perceel dat in eigendom is van de gemeente Oisterwijk. De gemeente is voornemens om in het kader van haar volkshuisvestelijke doelstelling en de ‘Ruimte voor Ruimte’- regeling ter plaatse een nieuwe woning te realiseren. Om de ontwikkeling van de Ruimte voor Ruimte woning mogelijk te maken moet het vigerende bestemmingsplan worden aangepast. Onderhavig bestemmingsplan schept een ruimtelijk kader waardoor de beoogde bouw van de woning mogelijk wordt gemaakt.

1.2

Plangebied

Het plangebied betreft het perceel aan de Merodelaan ongenummerd dat aan de zuidzijde van de Merodelaan is gesitueerd. De locatie ligt aan de rand van de kern Oisterwijk in het overgangsgebied naar het buitengebied met de Achterste stroom. De grens van het perceel aan de noordzijde wordt gevormd door de Merodelaan. Zowel de oostelijke als de zuidelijke grens wordt bepaald door de aangrenzende weilanden. De grens aan de westzijde bestaat uit de tuin behorende bij het woonperceel aan de Merodelaan 37. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Oisterwijk, sectie E, perceelnummer 4988. De situering van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

Figuur 1.1: Luchtfoto plangebied ten zuiden van de Merodelaan (Bron: kadastralekaart.com)

6/53

1.3

Planologische regeling

Het plangebied is momenteel juridisch-planologisch geregeld in de volgende bestemmingsplannen: Buitengebied, vastgesteld door de raad van de gemeente Oisterwijk d.d. 29 juni 2011; Buitengebied correctieve herziening, vastgesteld door de raad van de gemeente Oisterwijk d.d. 16 april 2015; Parapluplan Parkeren Oisterwijk, vastgesteld door de raad van de gemeente Oisterwijk d.d. 4 oktober 2018. Het bestemmingsplan Buitengebied en de correctieve herziening zijn d.d. 16 april 2015 tevens als geconsolideerde versie op www.ruimtelijkeplannen.nl geplaatst. Deze geconsolideerde versie heeft geen juridische status maar maakt wel inzichtelijk welke regels ter plaatse van het plangebied gelden.

Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied geconsolideerd (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) met plangebied rood omlijnd Op basis van het geldende bestemmingsplan kent het perceel de bestemming 'Agrarisch met waarden Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1' alsmede de dubbelbestemming 'Waarde - Natuur - Attentiegebied'. Binnen de geldende agrarische bestemming zijn de gronden voornamelijk bestemd voor: de uitoefening van (vollegronds)teeltbedrijven, en - buiten bouwvlakken - niet -intensieve veehouderij en paardenhouderij; behoud, versterking en ontwikkeling van aanwezige landschaps-, natuur en cultuurhistorische waarden.

7/53

Op basis van de dubbelbestemming zijn de gronden ter plaatse mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van de natte natuurparel. De realisatie van een woning is in strijd met de geldende bestemming. Voor de realisatie van de Ruimte voor Ruimte woning dient dan ook een afzonderlijke bestemmingsplanprocedure te worden doorlopen.

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het initiatief nader beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 schetst het relevante beleidskader voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten behandeld, waaraan de nieuwe ontwikkeling wordt getoetst. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten van het plan. In hoofdstuk 6 worden de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een definitieve afweging gemaakt en worden conclusies getrokken.

8/53

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

Dit hoofdstuk beschrijft de huidige en gewenste situatie in het plangebied. De gewenste situatie is het uitgangspunt voor onderhavig bestemmingsplan en dient op een goede manier in de huidige situatie ingepast te worden.

2.1

Huidige situatie

2.1.1 Stedenbouwkundige structuur Oisterwijk en woongebieden Oisterwijk kent een lineaire ruimtelijke opbouw Kenmerkend voor de ruimtelijke structuur van de kern Oisterwijk is de oostwest-richting van langgerekte lijnvormige elementen als de Voorste Stroom/Achterste Stroom, de spoorlijn, wegen en het dorpshart-centrum met het langgerekte marktplein (De Lind). Deze herkenbare lineaire ruimtelijke opbouw van de kern is weer nader verdeeld door de noord-zuid gerichte oude uitvalswegen Moergestelseweg, Pannenschuurlaan en Gemullehoekenweg. Hierdoor is er sprake van min of meer homogene deelgebieden die ieder, door een afgeronde ontwikkeling in verschillende perioden, ook specifieke ruimtelijke kenmerken hebben. Woongebieden Onder woongebieden wordt in dit geval het totale woongebied aan de zuid- en oostzijde van de kern Oisterwijk verstaan. Het woongebied wordt in het noorden begrensd door het centrumgebied en de spoorlijn Tilburg-Eindhoven. Het buitengebied grenst aan de overige zijden. Het woongebied betreft een omvangrijk woongebied dat grotendeels is gerealiseerd in de periode 1945 tot heden. Duidelijk herkenbaar zijn de diverse deelgebieden die veelal als zelfstandige woonwijken planmatig zijn opgezet. Ondanks de ontwikkelingsperiode van circa 50 jaar kan er gesproken worden van een ruimtelijk samenhangend gebied.

2.1.2 Functionele structuur Het woongebied zuid-oost is voor het overgrote deel een woongebied. Naast wonen en daaraan verbonden functies (verkeer, groen, wijkvoorzieningen) komen er betrekkelijk weinig andere functies voor. De niet-woonfuncties zijn voornamelijk geconcentreerd in het westelijk deel van de wijk Waterhoef en aan weerszijden van de Burgemeester Verwielstraat. 2.1.3 Bebouwingsstructuur Ondanks de ontwikkelingsperiode van circa 50 jaar vormt het woongebied een ruimtelijk samenhangend gebied. De kwaliteit van de woonomgeving is in algemene zin hoog. De herkenbare ruimtelijke structuur, de consequent toegepaste groenstructuur, de verweving/begrenzing met het landschap en de over het algemeen goede bereikbaarheid van het centrumgebied dragen daar in belangrijke mate toe bij. De Merodelaan is zowel gelegen in wijk de Bunders als in woonwijk Speijck-De Hondsberg. De Bunders is gesitueerd tussen het centrum en de Wolvensteeg en tussen de oorspronkelijke uitvalswegen Gemullehoekenweg en Moergestelseweg. Het gedeelte tussen het centrum en Wolvensteeg dateert uit de jaren zestig. Het oudste gedeelte (Burgemeester van Beckhovenstraat-Van Rijckevorsellaan) bevat vrijstaande en geschakelde woningen op smalle, diepe percelen. Het overige deel van dit gebied is wat ruimer verkaveld met

9/53

veel geschakelde woningen. In het zuidelijk deel tussen Scheepersdijk en Wolvensteeg zijn grote groene pleinen in het stratenpatroon opgenomen.

Figuur 2.1: Merodelaan Het plangebied ligt midden in de wijk de Bunders dat eveneens in de periode 1945-1955 is ontstaan. Dit gebied omvat het meest extensief bebouwde deel van Oisterwijk, gelegen op de overgang van de bebouwde kom naar het zuidelijk gelegen bossen- en vennengebied. Van meer recentere datum Is de uitbreiding nabij de Baerdijk/Merodelaan. Het woongebied De Bunders bestaat uit landhuizen op zeer grote percelen in een bosrijke omgeving. Het merendeel stamt uit de jaren vijftig. De tuinen vormen uitsparingen in het bos. De dichte boombeplanting langs de smalle wegen versterkt dit boskarakter. Langs de noordzijde van de Merodelaan zijn eveneens villa's gerealiseerd op zeer ruime percelen. Aan de zuidzijde staan, in de directe nabijheid van het plangebied, twee woningen, één direct aan de westzijde van het plangebied, één op zo'n 65 meter ten oosten van het plangebied. 2.1.4 De directe omgeving Zoals hiervoor beschreven maakt het plangebied deel uit van het buitengebied aan de rand van de kern Oisterwijk en het beekdal van de Achterste Stroom. Aan de noordzijde van de Merodelaan zijn bungalows gesitueerd die de bebouwde kom van Oisterwijk aankondigen. De bebouwing bestaat hier dus uit 1 bouwlaag met een platte afdekking. Meer richting het centrum van Oisterwijk komen hogere goot- en bouwhoogten voor, hoogten die gebruikelijk zijn in dergelijke kernen.

De gronden aan de zuidzijde van de Merodelaan kennen voornamelijk een agrarisch gebruik en hebben een overwegend groen karakter. Op enkele plaatsen in dit gebied zijn (voormalige) boerderijen groen ingepast in het landschap. Ten zuidoosten van het plangebied is volkstuincomplex De Lighallen gesitueerd. Ook deze volkstuin is optimaal landschappelijk ingepast. Het volkstuincomplex vormt in combinatie met de aangrenzende woning

10/53

aan de Merodelaan (Merodelaan 11) een geleidend element in het agrarisch gebied ten noorden van de Achterste Stroom, waardoor het agrarisch gebied aansluitend aan het plangebied is gescheiden van de oostelijker gelegen agrarische gronden. Door de aanwezigheid van de (voormalige) boerderijen, de volkstuin, het gebruik van de gronden ten behoeve van landbouw maar ook ten behoeve van beweiding, is het gebied rondom de planlocatie te kenmerken als een gemengd agrarisch gebied. De (voormalige) boerderijen aan de Merodelaan 11 en 37 zijn karakteristiek voor het bebouwingsbeeld ten zuiden van de Merodelaan. De boerderijen staan op relatief korte afstand tot de weg en bestaan uit 1 bouwlaag met een kap. Daarnaast zijn de boerderijen haaks op de Merodelaan gesitueerd.

Figuur 2.2: Situering plangebied (blauwe omlijning) t.o.v. omgeving (bron: Kadastralekaart.com)

11/53

Figuur 2.3: Foto van het gebied ten zuidoosten van de planlocatie (in zuidelijke richting genomen) met landbouwgrond, een weide en groen ingepaste percelen. 2.1.5 Het plangebied Het plangebied omvat het eerder omschreven perceel aan de Merodelaan ongenummerd. De locatie is weliswaar bestemd als agrarisch maar is niet ingericht ten behoeve van typisch agrarisch (akkerbouw) gebruik. Door de aanwezigheid van verschillende fruitbomen en regelmatige onderhouden grasland oogt het eerder als een tuin bij een (voormalige) boerderij. Het perceel wordt omzoomd door een beukenhaag aan de noord-, zuid en westzijde en houtopstanden aan de oostzijde. Zie ook de foto zoals opgenomen in figuur 2.4.

Figuur 2.4: Foto plangebied

12/53

2.2

Ruimte voor Ruimte titel

2.2.1 Locatiekeuze De regeling Ruimte voor Ruimte heeft tot doel dat de ruimtelijke kwaliteit verbeterd wordt door, in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij, de bouw van woningen op passende locaties toe te staan. Dit mag in afwijking van de programmering voor de woningbouw of, indien nodig, in afwijking van de regel dat geen burgerwoningen mogen worden toegevoegd aan het buitengebied. In paragraaf 2.3 is een uitgebreide onderbouwing opgenomen waarmee nader wordt ingegaan op de geschiktheid van de locatie voor de realisatie van een Ruimte voor Ruimte woning. Daarbij wordt tevens ingegaan op de planologische aanvaardbaarheid. 2.2.2 Voorwaarden Ruimte voor Ruimte Vanuit de provincie zijn diverse regels gesteld voor het realiseren van Ruimte voor Ruimte woningen. De vijf noodzakelijke voorwaarden waaraan voldaan moet worden (voordat de gemeente een aanvraag bij de provincie indient om planologische medewerking) zijn de volgende: 1. Om in aanmerking te komen voor de regeling Ruimte voor Ruimte moet op het moment van indiening van de aanvraag sprake zijn van beëindiging van de intensieve veehouderij. 2. Op het moment van indiening van de aanvraag moeten op de locatie(s) waar de voorgeschreven beëindiging van de intensieve veehouderij plaatsvindt, alle agrarische bedrijfsgebouwen zijn gesloopt.

Aangetoond dient te worden dat minimaal een gezamenlijke oppervlakte van 1.000 m² aan agrarische bedrijfsgebouwen is gesloopt. 3. Op de slooplocatie dient voldoende milieuwinst behaald te zijn. Aangetoond dient te zijn dat tenminste 3.500 kilogram fosfaat uit de markt is genomen als gevolg van doorhaling van de voor het bedrijf voor de slooplocatie(s) geregistreerde rechten voor intensieve veehouderij. 4. Zeker gesteld moet zijn dat de te slopen bedrijfsgebouwen niet worden vervangen door nieuwe bebouwing en dat aan de voormalige agrarische bedrijfslocaties een passende andere bestemming wordt toegekend. 5. Planologische medewerking wordt niet verleend als in redelijkheid langs andere wijze tot sanering van de bedrijfsgebouwen kan worden gekomen. 2.2.3 Toetsing aan voorwaarden Toetsing aan de vijf noodzakelijke voorwaarden levert de volgende conclusies op: 1. Er is 3.500 kilogram aan fosfaatrechten gekocht. Hierdoor is sprake van (gedeeltelijk) bedrijfsbeëindiging van één intensieve veehouderijbedrijf. 2. Ter plaatse van het voormalige intensieve veehouderijbedrijf aan Hoog Heukelom 9 zijn de bedrijfsgebouwen gesloopt. Daarmee is 1.360 m² aan bebouwing gesloopt. 3. Er is 3.502 kilogram fosfaat uit de markt gehaald als gevolg van doorhaling van de geregistreerde rechten voor de intensieve veehouderij. 4.

In het kader van het vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Oisterwijk is de bestemming van de gronden van het voormalige agrarische perceel inmiddels gewijzigd. 5. Voor het voormalige agrarische perceel is op geen enkele andere wijze subsidie of vergoeding ontvangen voor de sloop van de agrarische bedrijfsgebouwen. Evenmin is, in relatie tot deze sloop, op geen andere

13/53

wijze dan via de regeling Ruimte voor Ruimte een woning op een planologisch aanvaardbare locatie gerealiseerd. De provincie vraagt daarnaast ook om aan te tonen dat het bedrijf gedurende een periode van 3 jaar onafgebroken in bedrijf is geweest. In dit geval zijn hier met de provincie andere afspraken over gemaakt. Het bedrijf is in de periode voor de sloop in 2005 niet in bedrijf geweest. De Ruimte voor Ruimte procedure heeft voor 2005 lang stil gelegen. Op basis van bovenstaande voorwaarden is de provincie toch akkoord gegaan met de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimte-titel. De Ruimte-voor-ruimte-titel is d.d. 13 juni 2017 door de provincie Noord-Brabant bekrachtigd. Het akkoord bevonden toetsingsformulier is opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting. 2.2.4 Gemeentelijke criteria Vanuit gemeentelijk oogpunt zijn tevens diverse criteria geformuleerd waaraan de locatie moet voldoen. 1. Het bouwen van een vrijstaande woning op een ruime kavel dient te passen binnen de ruimtelijke structuur van een gebied. Bijvoorbeeld een kavel op een industrieterrein is minder passend, ook al voldoet een dergelijke kavel aan de provinciale criteria. 2. Het moet gaan om een locatie waarvan in redelijkheid kan worden verwacht dat deze niet op korte of middellange termijn voor bebouwing in aanmerking kan komen.

Bij een dergelijke kavel zou het immers de moeite waard kunnen zijn om te wachten teneinde de kavel te zijner tijd op een reguliere wijze te ontwikkelen. Daarnaast dient duidelijk te zijn dat de locatie in de toekomst niet voor andere bestemmingen nodig is. 3. De kavel moet tegen aanvaardbare kosten bouwrijp gemaakt kunnen worden. 2.2.5 Toetsing gemeentelijke criteria Toetsing aan de eerder geformuleerde gemeentelijke criteria voor het perceel aan de Merodelaan toont aan dat deze locatie hieraan voldoet. 1. De beoogde woning sluit aan op het landelijke karakter aan deze zijde van de Merodelaan. Ook de woningtypologie (zie ook paragraaf 2.4) sluit aan op de karakteristiek van de bestaande woningen aan de Merodelaan 11 en 37. Bovendien blijft er voldoende ruimte voor doorzichten naar het achterliggende landschap én is het woonperceel landschappelijk ingepast. Benadrukt wordt dan ook dat de Ruimte voor Ruimte-woning past binnen de ruimtelijke structuur van het gebied. 2. De locatie komt, buiten onderhavige Ruimte voor Ruimte regeling niet in aanmerking voor bebouwing. 3. Nutsvoorzieningen en (ontsluitings)wegen zijn in de directe nabijheid al aanwezig. 2.2.6 Conclusie Deze locatie voldoet aan de criteria en is derhalve haalbaar.

2.2.7 Medewerking provincie Op basis van het Toetsingsformulier Ruimte voor Ruimte zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting, heeft de provincie Noord-Brabant aangegeven akkoord te kunnen gaan met onderhavige Ruimte voor Ruimte titel. Voor de Ruimte voor Ruimte woning is nog geen concreet bouwplan voorhanden. Alvorens met die uitwerking te starten zal de bouwtitel juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt door middel van onderhavig

14/53

bestemmingsplan. Het bouwplan zal echter, buiten die hiervoor genoemde Ruimte voor Ruimte voorwaarden, ook aan enkele (beeldkwaliteits)eisen moeten voldoen. Deze eisen zijn opgenomen in onderstaande paragrafen.

2.3

Motivering planologische aanvaardbaarheid

2.3.1 Ligging in Oisterwijk De Merodelaan welke later overgaat in de Wolvensteeg is een lint aan de zuidzijde van de kern van Oisterwijk. Het westelijk deel, tot aan de Wierdsmalaan is volledig tweezijdig bebouwd met vooral ruime vrijstaande bungalowwoningen. Verderop in oostelijke richting is het lint aan de noordzijde hoofdzakelijk eenzijdig bebouwd met vrijstaande woningen en is de zuidzijde sporadisch bebouwd met een woonboerderij. Zo ook op de hoek van de Merodelaan en Wierdsmalaan. Op deze plek staat een grote boerderij in de lengterichting aan de Wierdsmalaan (en dus haaks op de Merodelaan) met daarnaast enkele bijgebouwen. Deze Merodelaan/Wolvensteeg vormt de overgang van dichtbebouwde woonwijken via een coulissenlandschap rond De Achterste Stroom naar het gebied van de Oisterwijkse bossen en vennen. In deze zone rond de Achterste Stroom ligt een aantal recreatieve functies zoals (volks)tuinen, faciliteiten voor hobbymatige paardensport en een enkele boomgaard. Dwars door dit gebied slingert zich de Achterste Stroom komend vanaf de zandvang nabij de Hondsbergselaan richting Essche stroom. Dit coulissenlandschap is een fraai groen gebied dat zich uitstrekt tot aan het villalint Heisteeg. Aan de west- en oostzijde wordt dit groene gebied begrensd door woonlinten Wierdsmalaan/Graaf Bernadottelaan en de Gemullehoekenweg.

Dit gebied wordt voor een groot deel aan het zicht onttrokken door woonpercelen met dichte beplanting (Heisteeg, deel Wierdsmalaan en deels langs de Gemullehoekenweg). Juist aan de zijde langs de Merodelaan/Wolvensteeg kan het landschap door zicht in enkele 'kamers' vanaf deze lanen worden ervaren. Door de schaarse bebouwing is er op een aantal plekken doorzicht en biedt dit een groen beeld. 2.3.2 Plangebied De locatie voor de beoogde nieuwe woning ligt direct naast de grote woonboerderij op de hoek van de Wierdsmalaan en de Merodelaan. Op deze locatie ligt momenteel een kleine boomgaard die rondom is afgezoomd met hagen. Door deze omzoming en het gebruik als boomgaard is de locatie landschappelijk gezien een besloten kamer en dit wordt ook als zodanig ervaren. De locatie ligt dan direct tegen bebouwd gebied en vormt de overgang naar het onbebouwde gebied van Achterste Stroom. Toevoeging van een woning op deze plek betekent dat er direct bij bebouwd gebied wordt aangehaakt. Een nieuwe woning op deze locatie is passend wanneer het watersysteem, de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken worden behouden of zelfs hersteld. De ontwikkeling van de nieuwe woning sluit dus direct aan op het bestaand stedelijk/bebouwd gebied. De ontwikkeling vormt in die zin de duidelijke afronding van de bebouwing op deze hoek.

Het is nadrukkelijk niet de intentie om de lint aan de zuidzijde van de Merodelaan verder te ontwikkelen. Benadrukt wordt dat dit de enige en laatste toevoeging van bebouwing is in dit gebied. Daarmee wordt geaccentueerd dat er sprake is van een overgangsgebied.

15/53

Om tot een fraaie en logische afronding te komen zullen uiteraard enkele duidelijke eisen gesteld moeten worden aan de verschijningsvorm van de nieuwe woning en de inrichting van het perceel. De woning zal moeten aansluiten bij de hoogte, vorm, architectuur en de sfeer van de naastgelegen woonboerderij. Dit betekent dat er aandacht wordt besteed aan de positionering, oriëntatie en een sterk landelijke architectuur die de overgang maakt van de harde lijn van de bungalows van het stedelijk gebied naar het landschap. Door de nieuwe woning haaks op de Merodelaan te plaatsen (net zoals de naastgelegen woonboerderij) blijft het volume langs de laan beperkt. Hierbij is ook de materialisering van belang zoals bijvoorbeeld baksteenarchitectuur, voorkeur voor een rieten kap en een hoogwaardige detaillering. In paragraaf 2.4 en in de bijlage Beeldkwaliteit bij de regels van dit bestemmingsplan wordt hier nader op ingegaan. Om de overgang goed vorm te geven zullen bijgebouwen aan de westzijde moeten worden geplaatst. Hierdoor ontstaat een fraaie oriëntatie van de woning op zowel de laan als het landschap en is erfbebouwing niet prominent aanwezig. In dit bestemmingsplan is een regeling opgenomen waarmee geborgd wordt dat de oostzijde van het perceel vrij blijft van erfbebouwing.

2.3.3 Conclusie Op deze manier wordt direct aangesloten op de stedelijke bebouwingsconcentratie, waarbij een fraaie overgang van dit verstedelijkt gebied naar de landelijke zone wordt vormgegeven. Er is duidelijk geen sprake van een aanzet tot verdere ontwikkeling van het bebouwd gebied, maar juist een passende afronding door de woning in te passen in het bestaande landschappelijk raamwerk.

2.4

Beeldkwaliteit

De nieuwe woning dient te worden ingepast in de omgeving van het plangebied aan de rand van de kern Oisterwijk. Daarbij dient met name aangesloten te worden op de bouwmassa's en typologie aan de zuidzijde van de Merodelaan. Hier is de woonbebouwing overwegend gerelateerd aan de (vroegere) agrarische functie. De bestaande woningen zijn hier ook vaak traditioneel van aard.

Figuur 2.5: Voorbeelden woningen in de omgeving. Het doel is de nieuwe woning hier zoveel mogelijk aansluiting op te laten vinden, zodat een logisch vervolg van de bebouwing aan deze zijde van de Merodelaan ontstaat. Deze aansluiting bij de traditionele woningen in de omgeving wordt vooral gezocht in een traditionele hoofdvorm van de nieuwe woning. Daarom is ervoor gekozen

16/53

om vanuit de beeldkwaliteit voor te schrijven dat de woning in verschijningsvorm in een van twee woningtypologieën kan worden ingedeeld. Die twee categorieën zijn langgevelboerderijen en dorpswoningen. Beide woningtypologiëen zijn op het betreffende kavel mogelijk. De beoogde beeldkwaliteit wordt tevens vastgelegd in de bijlage bij de regels van dit bestemmingsplan. 2.4.1 Woningtypen Langgeveltype De hoofdvorm van deze woningen wordt gekenmerkt door de volgende eigenschappen: De verhouding van het grondvlak, breedte in relatie tot de lengte is minimaal 1:1,7. Het dak is eenvoudig in haar uitstraling en staat haaks op de Merodelaan. Iedere woning heeft een zadeldak of schilddak. Samengestelde dakvlakken horen niet bij het langgeveltype en behoren dus niet tot de mogelijkheden. Wolfseinden behoren wel tot de mogelijkheden. Voor de woningen geldt een maximale goothoogte van 3,5 meter en een maximale bouwhoogte van 9 meter. Dakkappellen en dakramen zijn ondergeschikt aan het dakvlak.

Figuur 2.6: Schematische weergave van mogelijke dakvormen langgeveltype

Figuur 2.7: Referentiebeelden langgeveltype. (Bron: gemeente Oisterwijk) Let op: de bovenstaande beelden geven de beoogde sfeer weer. Voor de exacte kleuren wordt verwezen naar kleur- en materiaalgebruik. Dorpswoningen In het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de bebouwingsmogelijkheden in de rest van het buitengebied. Dat betekent dat een maximale goothoogte is toegestaan van 3 meter en een bouwhoogte van 9,5 meter. De verhouding echter van het grondvlak, breedte in relatie tot lengte hoeft bij de typologie Dorpswoningen in dit

17/53

geval niet minimaal 1:1,7 te zijn. Om de maximale bebouwingsmogelijkheden uit het bestemmingsplan te kunnen benutten is ervoor gekozen om vanuit beeldkwaliteitseisen het langgeveltype niet verplicht te stellen, maar ook een alternatief woningtype toe te staan, waarbij de bebouwingsmogelijkheden uit het bestemmingsplan meer worden benut. We noemen dit type de dorpswoningen. Voor dit woningtype zijn de volgende kenmerken voorgeschreven: Hoofdvorm bestaat uit 1 tot 1,5 bouwlagen, met daarop een kapdak. Voor de woningen geldt een maximale goothoogte van 3 meter en een maximale bouwhoogte van 9,5 meter. De woning staat haaks op de Merodelaan; Het dak mag zijn samengesteld uit meerdere dakvlakken. Schilddaken zijn niet toegestaan. Wolfseinden wel. De woning mag zowel in klassieke als eigentijdse vertalingen worden uitgevoerd. Klassiek wordt gekenmerkt door landelijke detaillering. Er wordt met nadruk geen jaren '30-stijl bedoeld. Eigentijds betekent vooral strak in detaillering en creatief gebruik van materialen. Dakkappellen en dakramen mogen prominenter aanwezig zijn dan bij het langgeveltype. Algemene uitgangspunten Bij beide typen geldt dat de nokrichting haaks op de Merodelaan staat en dat de woningen traditioneel of eigentijds mogen worden uitgevoerd. Kleurgebruik en materialisatie (richtlijn) De woning wordt uitgevoerd in traditionele materialen.

De gevels van het hoofdgebouw dienen uitgevoerd te worden in baksteen in een rode, roodbruine tot donkerbruine kleur. Daarnaast is een moderne toepassing van riet als gevelbekleding ook mogelijk. Kozijnen en deuren worden bij voorkeur uitgevoerd in hout. Daken mogen uitgevoerd worden in riet (natuurlijk riet) of dakpannen. Pannendaken worden uitgevoerd in roodoranje of donkergrijze keramische dakpannen. Een combinatiedak van riet en pannen behoort ook tot de mogelijkheden. Geglazuurde dakpannen passen niet bij de dorpse uitstraling van het plan. Deze worden dan ook niet toegestaan. Aan-, uit- en bijgebouwen Er dient een duidelijk onderscheid gemaakt te worden tussen hoofd- en bijgebouwen zowel in uitstraling, massa en positie. Bijgebouwen zijn vrijstaand, als ondergeschikte massa tegen het hoofdgebouw aan geplaatst of als onderdeel van het hoofdgebouw. Ten oosten van de woning zijn bijgebouwen niet toegestaan. Indien het bijgebouw tegen het hoofdgebouw aangebouwd wordt dient deze minimaal 5 meter achter de voorgevelrooilijn geplaatst te worden. De aan-, uit- en bijgebouwen worden in dezelfde stijl en materiaalgebruik of daaraan gerelateerd stijl als het hoofdgebouw vormgegeven. Erfafscheidingen

18/53

De groene erfafscheidingen ondersteunen de groenstructuur van de bestaande bomenrij aan de Merodelaan, aan de voorzijde van de kavel. Het is van belang voor de beeldkwaliteit en de landschappelijke inpassing van het plangebied, dat deze bomenrij behouden blijft. De erfafscheidingen worden als hagen of heggen uitgevoerd. De groene erfafscheidingen horen bij het agrarisch cultuurlandschap. De volgende soorten kunnen gebruikt worden als plantmateriaal: beuk, veldesdoorn, liguster, linde en gebiedseigen soorten. Gestreefd wordt de bestaande beukenhaag te handhaven.

Figuur 2.10: Referentiebeelden van hagen (Bron: gemeente Oisterwijk) Parkeren Parkeren vindt plaats op de kavel en niet in het openbaar gebied. In paragraaf 4.1 wordt hier nader op ingegaan.

19/53

Hoofdstuk 3

3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Regeling Beëindiging Veehouderijtakken In het kader van de aanpak van de mestproblematiek is de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV) opgesteld. Voor de beëindiging van verschillende takken van veehouderij kan subsidie worden aangevraagd. Indien een beëindigingsubsidie wordt aangevraagd, kan op aanvraag ook subsidie worden verstrekt voor de afbraak van stallen. De sloopsubsidie kan alleen worden verstrekt voor gebouwen binnen de reconstructiegebieden. Om de sloopsubsidies te kunnen financieren is de 'Ruimte voor Ruimte'-regeling in het leven geroepen. De provincies binnen de concentratiegebieden krijgen de mogelijkheid extra woningen te realiseren bovenop het reeds toegekend reguliere contingent, om met de opbrengsten daarvan de sloop van stallen te betalen. Op 31 maart 2000 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant ingestemd met het beginsel 'Ruimte voor Ruimte'. Aan de 'Ruimte voor Ruimte'-regeling zijn meerdere voordelen verbonden. De verstening van het platteland wordt teruggebracht, de milieukwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit worden verbeterd en er wordt een bijdrage geleverd aan het terugdringen van het mestoverschot. De gemaakte afspraken brengen met zich mee dat er in Noord-Brabant circa 2.700 extra woningen mogen worden gerealiseerd boven op de reguliere aantallen.

Dit aantal kavels wordt in twee tranches uitgegeven van respectievelijk 964 en 1.700 kavels. De tweede tranche bevat in totaal 1.700 kavels waarvan 1.100 kavels in het kader van de RBV (Regeling Beëindiging Veehouderijtakken), de regeling waarop ook de eerste tranche is gebaseerd, en 600 kavels in het kader van de verbrede aanpak Ruimte voor Ruimte. De verbrede aanpak houdt in dat de 'Ruimte voor Ruimte'-regeling ook kan worden ingezet ter financiering van de beëindiging en sanering van glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden, de sloop van niet meer voor intensieve veehouderij in gebruik zijnde agrarische bedrijfsgebouwen of de sloop van andere ongewenste bebouwing in het buitengebied. In paragraaf 3.2 wordt verder ingegaan op de aanpak van de provincie Noord-Brabant bij de financiering van de sloopsubsidies. 3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijk beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen draagt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken.

Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

20/53

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Deze 14 nationale belangen zijn: 1. Rijksvaarwegen; 2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam; 3. Kustfundament; 4. Grote rivieren; 5. Waddenzee en waddengebied; 6. Defensie; 7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; 8. Elektriciteitsvoorziening; 9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; 10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; 14. Ruimtereservering parallele Kaagbaan. De ontwikkeling van een enkele woning heeft geen invloed op 1 van de hierboven genoemde rijksbelangen. 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) is geregeld dat voor stedelijke ontwikkelingen - waaronder het bouwen van woningen - een onderbouwing in het bestemmingsplan noodzakelijk is (artikel 3.1.6. van het Bro). In de toelichting van een bestemmingsplan dat woningbouw mogelijk maakt, moet een onderbouwing worden opgenomen volgens de 'Ladder voor duurzame verstedelijking', die ook wel 'duurzaamheidsladder' wordt genoemd.

Via de duurzaamheidsladder stimuleert het Rijk de herstructurering van bestaand stedelijk gebied om de ontwikkeling van nieuwe terreinen te verminderen. Dit draagt bij aan economische dynamiek, zorgvuldig gebruik van ruimte en infrastructuur en behoud van de leefbaarheid van het stedelijk en landelijk gebied. Op 12 mei 2017, is het besluit tot wijziging van de ladder voor duurzame verstedelijking in het Staatsblad verschenen. De wijziging voorziet in een aanpassing van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en is in werking getreden op 1 juli 2017. De belangrijkste wijzigingen betreffen een vereenvoudiging door het loslaten van de afzonderlijke 'treden' en het vervangen van het begrip 'actuele regionale behoefte' door 'behoefte'. Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting.

Een plan om een enkele burgerwoning te bouwen wordt, vanwege de kleinschaligheid, door de Raad van State niet gezien als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro

21/53

(201311233/1/R4, r.o. 3.3, d.d. 27 augustus 2014). Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet noodzakelijk. Voor dit plan/project geldt dat de nieuwe woning voorziet in een behoefte.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’ Op 14 december 2018 hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant de Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie is overheid bindend en loopt vooruit op de invoering van de Omgevingswet in 2022. In de Omgevingsvisie verwoordt de provincie haar visie op de toekomst van Brabant tot aan 2050. Centraal staan hierbij de kernwaarden die de provincie geformuleerd heeft ten aanzien van haar handelen. De kernwaarden zijn: 1. Meerwaarde-creatie; 2. Technische- en sociale innovatie; 3. Kwaliteit voor kwantiteit; 4. Steeds beter; 5. Pro-actief. Beoordeling Met de Omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Het voorliggend initiatief betreft de ontwikkeling van een Ruimte voor Ruimte woning op basis van een provinciaal geaccordeerde Ruimte voor ruimte titel. De realisatie van de woning in de kernrandzone van Oisterwijk is in paragraaf 2.3 uitgebreid gemotiveerd en wordt als passend beoordeeld. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant.

3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: Iov N-B) is op 25 oktober 2019 vastgesteld. Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Iov N-B is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de huidige Verordening ruimte. De Iov N-B is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de Omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Iov N-B zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die nu nog zijn opgenomen in de Verordening ruimte.

22/53

Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Ook zijn hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen. Beoordeling In Artikel 3.80 ruimte-voor-ruimte van de Iov is aangegeven dat een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied onder voorwaarden (zie Bijlage 2) kan voorzien in één of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels.

Figuur 3.1: Iov kaart Landbouw met plangebied rood omcirkeld. (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Het plangebied is door de provincie aangemerkt als 'Landelijk gebied'. Een van de voorwaarden uit Artikel 3.80 is dat de Ruimte voor Ruimte kavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie moet liggen. In Artikel 1.1 Begripsbepaling is aangegeven wat onder 'bebouwingsconcentratie' wordt verstaan: kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster. Deze termen zijn ook in de begripsbepaling verklaard: Kernrandzone: overgangszone van bestaand stedelijk gebied naar het buitengebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een toenemende menging van functies. Bebouwingslint: min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten Stedelijk gebied Bebouwingscluster: vlakvormige verzameling van bebouwing, gelegen buiten Stedelijk gebied Uit de begripsbepaling blijkt dat een Ruimte voor Ruimte kavel ook in de kernrandzone kan worden gerealiseerd.

23/53

Het plangebied ligt in de dorpsrand. Het perceel wordt aan de noord en westzijde begrensd door bebouwing op korte afstand van elkaar en er is sprake van functiemenging met enkele woonboerderijen, volkstuinen, faciliteiten voor paardensport en een enkele boomgaard. In dit geval is dan ook sprake van de ligging in een kernrandzone. Een andere voorwaarde is dat de ontwikkeling plaatsvindt op een 'planologisch aanvaardbare locatie'. Wat dat betekent is niet gedefinieerd in de begripsbepaling en blijkt ook niet uit de toelichting bij Artikel 3.80. Aangenomen wordt dat het een locatie moet zijn die moet voldoen aan de diverse eisen die in Artikel 3.80 worden gesteld. Ook mag geen sprake zijn van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling. In dit geval wordt 1 ruimte voor ruimte woning ingepast in de dorpsrand. In paragraaf 2.3 wordt gemotiveerd dat sprake is van een planologisch aanvaardbare locatie. Conclusie Het planvoornemen voldoet dan ook aan de Iov van de provincie Noord-Brabant.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Oisterwijk De gemeenteraad heeft de Omgevingsvisie voor Oisterwijk vastgesteld op 22 december 2016. Een omgevingsvisie is een integrale visie waarin strategische hoofdkeuzen van beleid voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn staan. Met de beoogde inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de omgevingsvisie verplicht voor Rijk, provincies en gemeenten. Met de nieuwe omgevingsvisie wordt beoogd een beleidskader op te stellen, dat de inwoners, ondernemers én bestuurders inspireert. In het document worden de kaders omschreven, waarbinnen initiatiefnemers worden uitgenodigd om hun plannen op te stellen. Uitnodigingsplanologie wordt beoogd met de nieuwe visie. De gemeente bepaalt niet meer wat ergens moet komen, maar geeft enkel aan binnen welke kaders projecten de meeste slagingskansen hebben. Het is vervolgens aan de burger en/of ondernemer om hiermee aan de slag te gaan. De visie dient als: Inspiratie voor ondernemers, bestuurders en inwoners. Richtinggevend kader voor het toekomstig gemeentelijk ruimtelijk ordeningsbeleid. Toetsingskader voor individuele verzoeken en initiatieven die niet passen binnen de bestemmingsplannen. Input voor overleg met de Provincie en de regio over de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.

Het plangebied ligt in het beekdal van de Achterste Stroom tussen Wolvensteeg en Heisteeg waarvoor een gebiedsvisie is opgesteld. De Gebiedsvisie Achterste Stroom (d.d. 28 oktober 2013) is integraal onderdeel van de omgevingsvisie Oisterwijk. Via een burgerinitiatief heeft de bewonersgroep Wolvensteeg - Achterste Stroom - Heisteeg een visie ontwikkeld die past binnen Rijks-, provinciaal-, gemeentelijk- en waterschapsbeleid. De realisering van de visie leidt er toe dat het gebied rond de Achterste Stroom aantrekkelijker wordt voor mens en dier. Zowel ecologisch (versterken natuurlijke verbinding tussen natuurgebieden en toename van biodiversiteit), hydrologisch (realiseren van een natuurlijke beek) als recreatief (door beleefbare natuur aan de dorpskernrand) vindt

24/53

versterking plaats. De visie geeft inzicht in de bestaande waarden en functies in het gebied en het dient als toetsingsinstrument voor eventuele toekomstige ontwikkelingen. Er mist in feite een beleidsvisie die de verschillende bestemmingen en functies binnen het gebied verbindt met het oog op de toekomst en teneinde te voorkomen dat de bestaande en vaak kwetsbare waarden verloren gaan. Dit heeft uiteraard weer zijn directe weerslag op de uitstraling van de gemeente, de stand van de flora en fauna, en van de Achterste Stroom en op de leefomgeving van de bewoners. Dit houdt in dat de visie in beginsel conserverend van aard is, maar dat nieuwe ontwikkelingen wel degelijk mogelijk zijn, mits deze passend zijn bij en aansluiten op de bestaande functies én de bestaande waarden worden versterkt. Ten aanzien van bebouwing is het streefbeeld landelijk wonen in en aan de natuur waarbij de natuur beleefbaar is en blijft. De bebouwing aan de noordelijke grens van het gebied wordt gevormd door de bebouwing vanaf de Gemullenhoekenweg, “ de Groenenborch” , de Wolvensteeg en de Merodelaan. Dit vormt een natuurlijke overgang van de bebouwde kern naar de Stroom. Verdere bebouwing in dit gebied betekent het aantasten van het beekdal en is in strijd met het streefbeeld. Hierna wordt duidelijk dat de realisatie van een woning onder voorwaarden wel mogelijk is.

Beoordeling De Merodelaan is bebouwd met een tweetal lage rietgedekte woningen. Onderhavig initiatief voor de realisatie van een Ruimte voor Ruimte-woning wordt specifiek in de visie benoemd. Aangegeven wordt dat voor deze woning eisen moeten gelden ten aanzien van maximaal oppervlak, hoogte en soort dakbedekking. De nieuwe bebouwing moet in ieder geval een geheel vormen met de bestaande bebouwing ter plaatse. Daarnaast moeten doorzichten naar het achterland mogelijk blijven. Door middel van dit bestemmingsplan worden het maximale bebouwingsoppervlakte alsmede de maximale goot- en bouwhoogten vastgelegd. Daarnaast moet het planvoornemen voldoen aan de beeldkwaliteitsaspecten zoals opgenomen in paragraaf 2.4 van deze toelichting. Doordat voldaan wordt aan de beeldkwaliteitseisen, vormt de nieuwe woning een geheel met de overige bebouwing aan deze zijde van de Merodelaan. Bovendien is tussen de nieuwe woonkavel en de bestaande woning aan de Merodelaan 11 voldoende ruimte over om een ruim doorzicht naar het achterland te garanderen. Het planvoornemen voldoet dan ook aan de gebiedsvisie Achterste Stroom en daarmee ook aan de Omgevingsvisie Oisterwijk.

25/53

Figuur 3.1 Schets Gebiedsvisie Achterste Stroom

26/53

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Voor de ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en op andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld verkeer, archeologie en cultuurhistorie, ecologie).

4.1

Verkeer en parkeren

4.1.1 Normstelling De verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte is gebaseerd op CROW publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" uit 2012. De kencijfers uit deze publicatie worden gespecificeerd op basis van het type functie en de ligging van de functie. Er wordt uitgegaan van de maximale kencijfers van het CROW om zo een 'worst case' scenario door te rekenen. Bij het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) is het gemiddelde autobezit en adressendichtheid in Oisterwijk opgevraagd. De normen ten aanzien van parkeren zijn in de gemeente Oisterwijk vastgelegd in de Nota Parkeernormen 2016 die in het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Oisterwijk' is verankerd. 4.1.2

Onderzoek Verkeersgeneratie

Voor het aspect verkeer is het van belang dat wordt voorzien in een goede ontsluiting van het plangebied. Het plangebied wordt op dit moment ontsloten via de Merodelaan. Het perceel is via een opening in de haag te bereiken. In die situatie zijn geen wijzigingen voorzien. Vanuit de Merodelaan kan eenvoudig via de Baerdijk en de van Rijckevorsellaan de doorgaande wegenstructuur in Oisterwijk worden bereikt. De realisatie van de woning zal niet zorgen voor een onaanvaardbare toename van het verkeer in de straat. Het gaat om circa 6 motorvoertuigen per dag. Knelpunten in de ontsluiting zijn dan ook niet aanwezig. 4.1.3 Onderzoek Parkeren Voor parkeren is het van belang dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Voor onderhavige ontwikkeling geldt de Nota Parkeernormen 2016 zoals vastgelegd door middel van het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren Oisterwijk'. Op basis van deze Nota geldt voor een vrijstaande koopwining in de rest van de bebouwde kom een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning. Afgerond komt dit neer op 3 parkeerplaatsen per woning op eigen terrein. Het nieuwe woonperceel is voldoende groot om deze 3 noodzakelijke parkeerplaatsen op eigen terrein te kunnen realiseren. 4.1.4 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.

27/53

4.2

Milieueffectrapportage

4.2.1 Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

4.2.2 Onderzoek en conclusies In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 1 woning. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

28/53

4.3

Bodemkwaliteit

4.3.1 Beleid en normstelling Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Het Bouwstoffenbesluit en het Besluit Bodemkwaliteit stellen verder regels hoe om te gaan met vrijkomende grond- en materiaalstromen en hoe deze toe te passen. 4.3.2 Onderzoek Bodemkwaliteit Door Ingenieursbureau Mol is in 2007 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Ingenieursbureau Mol. Merodelaan (ong.), Oisterwijk, 15 mei 2007; rapportnummer: 50252). Hierbij is in de bovengrond een lichte tot matige verontreiniging met PAK aangetroffen. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. In het grondwater zijn verhoogde gehalten chroom en zink aangetroffen. Het mengmonster met de matige verontreiniging PAK in de bovengrond is uitgesplitst.

Hierbij zijn geen gehalten boven de tussenwaarde (waarde waarboven nader onderzoek noodzakelijk is) aangetroffen. Voor de bodemgebruikfunctie "wonen met tuin" geldt bij een standaardbodem een PAK gehalte van 2 mg/kg ds. De gemeten gehalten in de noordelijk gelegen strook (bovengrond zijn aanzienlijk hoger. Nader onderzoek in verticale richting is noodzakelijk om te bepalen of de ondergrond is verontreinigd met PAK. Nader onderzoek in horizontale richting wordt gezien de uitsplitsing van het mengmonster niet noodzakelijk geacht. Geadviseerd wordt de bovengrond in de noordelijke strook te verwijderen. Het grondwater is niet geschikt voor drink- of beregeningsdoeleinden. 4.3.3 Nader bodemonderzoek Door Ingenieursbureau Mol is op 27 juni 2007 een nader bodemonderzoek uitgevoerd (Ingenieursbureau Mol. Merodelaan (ong.), Oisterwijk, 27 juni 2007; rapportnummer 20252). Voor de bodemgebruikfunctie "wonen met tuin" geldt bij een standaardbodem een PAK gehalte van 2 mg/kg ds. De gemeten gehalten in de noordelijk gelegen strook (boven)grond zijn aanzienlijk hoger. De lichte en matige verontreiniging met PAK bevindt zich in de bovenste halve meter over een strook van 40 bij 12,5 meter.

Geadviseerd wordt, gezien de toekomstige bodemgebruikfunctie en om te voorkomen dat bij het bouwrijp maken van het terrein de grond wordt gemengd met schone grond, de bovenste laag (tot 0,5 m-mv) in de noordelijke strook (40 bij 12,5 meter), alvorens het bouwkavel wordt vrijgegeven, te verwijderen. Geadviseerd wordt het verwijderen van de strook onder milieukundige begeleiding te laten uitvoeren en hiervoor een beperkt saneringsplan voor te laten opstellen. Indien de grond elders wordt toegepast dient te

29/53

worden voldaan aan het Bouwstoffenbesluit. Het grondwater is niet geschikt voor drink- of beregeningsdoeleinden. De verontreinigde grond wordt verwijderd. Hiervoor wordt een beperkt saneringsplan opgesteld. Er is geen reden om aan te nemen dat, ten opzichte van de onderzochte situatie, tot op heden wijzigingen hebben voorgedaan. De gronden zijn nog niet gesaneerd maar er is ook geen reden om er van uit te gaan dat er in de tussentijd (nieuwe) bodemverontreinigende activiteiten hebben plaatsgevonden. 4.3.4 Conclusie Voor deze bestemmingswijziging zijn de mogelijke risico's voldoende in beeld gebracht. Er is geen sprake van een mogelijk ernstig geval van bodem verontreiniging, als er geen (nieuwe) bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Conform het beleid van de gemeente Oisterwijk dient voor de omgevingsvergunning een actueel bodemonderzoek aangeleverd te worden. De rapportages van bovengenoemde onderzoeken zijn te oud (>10 jaar). In het kader van de Wet bodembescherming is het niet verplicht de gehalten PAK af te graven. Het bouwbeleid van de gemeente Oisterwijk eist echter grond van betere kwaliteit. Voor deze bestemmingswijzing is de kwaliteit van de bodem voldoende onderzocht, voor de bouwvergunning dienen de onderzoeken geactualiseerd te worden. De genoemde gehalten PAK zoals eerder aangetroffen boven de tussenwaarde vormen geen belemmering.

4.4

Water

4.4.1 Inleiding Nederland is groot geworden door het leven met en de strijd tegen het water. In de 20e eeuw is, doordat er te weinig rekening is gehouden met het waterbelang, veel ruimte aan het water onttrokken en veel afvalwater direct of indirect geloosd op oppervlaktewater. Om de toekomst van Nederland veilig te stellen is het nodig om te anticiperen op klimaatsveranderingen en bij de ruimtelijke planvorming goed rekening te houden met water. De waterbeheerder (Waterschap de Dommel) heeft de taak, kennis en kunde om daar zorg voor te dragen. Daarom is het belangrijk om het waterschap vroegtijdig te betrekken bij de planvorming. 4.4.2 Beleidskader Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit). Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn beleidsspeerpunten op alle overheidsniveaus.

Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankerd in het ‘Besluit op de ruimtelijke ordening 1985’. Het belangrijkste instrument

30/53

vanuit het Waterschap is de Keur 2015 van Waterschap de Dommel. In het Verbreed Gemeentelijk Riolerings Plan ( V-GRP) 2015-2019 heeft de gemeente Oisterwijk haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. Afvoeren naar de riolering Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe binnen het plan "Ruimte voor Ruimte Merodelaan", met water wordt omgegaan. Verder is opgenomen op welke wijze de inrichtingsmaatregelen bijdragen aan ‘Veiligheid, Voldoende en Schoon Water’. In het laatste deel is een omschrijving en tekening opgenomen van de aan te leggen voorzieningen. 4.4.3 Gebiedsomschrijving in relatie tot water Bodem De bodem bestaat voornamelijk uit enkeerdgronden en zwaklemig fijn zand. In de natuurgebieden tussen Oisterwijk en Moergestel bestaat de bodem veelal uit leemarm zand in stuifduinen. De hoogstgelegen gronden liggen in de omgeving van Heuvelstraat, op circa 14,0 m + N.A.P. De laagstgelegen gronden liggen ten zuiden van de kern Oisterwijk, op circa 8,0 m + N.A.P. nabij het Klompven. Daarmee maakt het gebied deel uit van het deelgebied hoge zandgronden in Hoog-Nederland.

Grondwater Het plangebied is grotendeels als intermediair gebied aan te duiden. Dit betekent dat in het gebied afwisselend kwel- en infiltratie plaatsvindt. De kwel die in de intermediaire gebieden optreedt zal hoofdzakelijk ondiepe kwel zijn. Er is dan sprake van een opwaartse stroming van grondwater, bestaande uit in de omgeving geïnfiltreerde neerslag. Rondom en in de natuurgebieden komen delen voor die als infiltratiegebied zijn aan te merken. In de lagere gebieden van de beekdalen is sprake van een kwelsituatie. Het betreft hier ondiepe slootkwel. Het plangebied valt onder de hydrologische gevoelige delen van de Groene Hoofdstructuur, zoals de Oisterwijkse bossen en Vennen en het Moergestels Broek. De grondwaterstand in het gebied is vrij laag (oude akkerbouwcomplexen en jonge ontginningen) tot laag (hoge dekzandgronden: grondwatertrap VI). Oppervlaktewater Ten zuiden van het plangebied loopt de Achterste Stroom. Het plangebied en omgeving maakt onderdeel uit van het hoofdstroomgebied van de Dommel. De beken vinden hun oorsprong in de natte heide- en/of moerasgebieden van het Kempisch Plateau (België). De Voorste en Achterste Stroom komen ten oosten van Oisterwijk samen en vanaf dat punt heet de beek de Essche Stroom. Deze mondt uit in de benedenloop van de Dommel. De rechte sloten en grillige oude kreken vormen, behalve een belangrijk landschappelijk element, de structuur

31/53

om het water aan te voeren, te bergen en/of af te voeren. Het peilbeheer is hierbij afgestemd op de aanwezige grondgebruiksfunctie in het gebied. Behalve aan de eisen van het grondgebruik, met name landbouw en stedelijk gebied, wordt het peil tevens afgestemd op belangen van aanwezige natuurwaarden en waterbuffering. Voor zover bekend spelen er in het plangebied geen knelpunten met betrekking tot waterkwantiteit. Het diepe grondwater afkomstig van de hoge zandgronden heeft een bijzonder goede kwaliteit. Het oppervlaktewater in het plangebied, is net als in veel andere buitengebieden matig. Dit wordt onder meer veroorzaakt door uit- en afspoeling van meststoffen en bestrijdingsmiddelen uit de landbouw, riooloverstorten en effluent van RWZI's, verontreinigingen vanuit de stedelijke gebieden en de inlaat van gebiedsvreemd (en verontreinigd) inlaatwater. Afvalwater In de huidige situatie komt op de locatie geen afvalwater vrij. In de toekomstige situatie zal binnen het plangebied worden voorzien in een gescheiden rioolstelsel waarmee afvalwater separaat van het schone hemelwater wordt afgevoerd naar de dichtstbijzijnde RWZI. Hemelwater Aangezien in de huidige situatie geen verharding binnen het plangebied aanwezig is, wordt het hemelwater ter plaatse direct in de bodem geïnfiltreerd of afgevoerd naar de Achterste Stroom.

In de toekomstige situatie zal het hemelwater worden afgekoppeld van het afvalwater. In eerste instantie zal het schone hemelwater ter plaatse worden geïnfiltreerd. Binnen het plangebied zal daartoe een infiltratievoorziening in de vorm van een open regenwaterbuffer of een wadi worden aangelegd. In paragraaf 4.4.5 wordt de noodzakelijke omvang van deze infiltratievoorziening berekend. Vergunningen Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. 4.4.4 Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie Verdeling verhard oppervlak: Oppervlaktes Huidig m² Daken 0 Groene daken 0 Terreinverharding 0 Open verharding 0 Onverhard terrein 1.680 Totaal 1.680

Toekomstig m² 400 250 100 930 1.680

Het toekomstige oppervlak van de daken is gebaseerd op het maximaal bebouwingsoppervlak (hoofdgebouw en bijgebouwen) dat in de regels van dit bestemmingsplan is vastgelegd, rekening houdende met vergunningsvrije bouwmogelijkheden. Voor de terreinverharding is een aanname gedaan voor de oppervlakte van de oprit, paden en terrassen. Een even zo groot oppervlak als het toegestane dakoppervlak kan gezien worden als een

32/53

"worst-case" situatie. Voor eventuele paden in de tuin wordt uitgegaan van een open verharding. 4.4.5 Toelichting buffer- en infiltratievoorzieningen De bestaande bebouwde omgeving loost voornamelijk op een gemengde riolering. Het perceel Merodelaan is in de huidige staat volledig onverhard. Er is geen oppervlaktewater in de directe omgeving aanwezig in de vorm van bermslootjes. Overeenkomstig de uitgangspunten zoals opgenomen in de Keur 2015 en het beleid van de gemeente Oisterwijk geldt een compensatieplicht van 60 mm per m² extra verhard oppervlak. Onderzocht is hoe voor het bouwplan zo optimaal mogelijk met de waterhuishouding omgegaan kan worden. Het oppervlak van de nieuwe bebouwing is op basis van de gegevens zoals inzichtelijk gemaakt in paragraaf 4.4.4, maximaal 750 m2 (dakoppervlak zoals vastgelegd in de regels en inschatting terreinverharding) waarvan 100 m² zal bestaan uit halfverharding. Voor halfverharding mag een reductie van 50% worden toegepast. In totaal moet de volgende capaciteit aan waterberging worden gerealiseerd: 650 m² x 0,06 = 39 m³; 100 m² x 0.06 = 6 m³/2 = 3 m³. Er moet aan de hand van de uitgangspunten totaal 42 m3 waterberging gerealiseerd worden. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ter plaatse ligt tussen 1,20 en 1,40 m onder maaiveld. Er kan dan ook slechts beperkt geïnfiltreerd worden op eigen terrein.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10540049/1