21-61 BP Kerkhovenbaan 6 - bijlage 6 Toelichting (aangepast)
Tekst van het document
4.4
Bodemkwaliteit
4.4.1 Inleiding Het beleid van de provincie Noord-Brabant gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch bodemonderzoek te worden verricht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden met
een
verhoogd
risico
op
bodemverontreiniging,
dan
dient
een
volledig
verkennend
bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van geconstateerde belemmeringen uit dit onderzoek kan vervolgens worden nagegaan welke maatregelen moeten worden genomen om die belemmeringen weg te nemen (functiegericht saneren).
4.4.2 Onderzoek De beoogde herontwikkeling betreft de sloop van de voormalige varkensstallen, en de herbestemming van de bestaande resterende bebouwing op het perceel Kerkhovenbaan 6. De bedrijfswoning van een
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
30
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
agrarisch bedrijf wordt omgezet in een bedrijfswoning voor een niet-agrarisch bedrijf. De hoofdfunctie betreft na herontwikkeling een bedrijf dat voorziet in opslagruimte. In opdracht van de initiatiefnemer heeft Bodeminzicht een vooronderzoek uitgevoerd op het perceel Kerkhovenbaan 6 te Heukelom. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen zoals deze zijn opgesteld in de Nederlandse Norm (NEN) 5725 [NNI,oktober 2017]. De NEN 5725 (versie oktober 2017) beschrijft de werkwijze voor het uitvoeren van het vooronderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van verontreinigingen in en de verwachte milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem. Daarnaast dient het milieuhygiënisch vooronderzoek als basis voor de hypothese over veld- en laboratoriumonderzoek. “Door middel van het uitgevoerde vooronderzoek is inzicht gekregen in verdachte locaties ten aanzien van bodemverontreinigingen op de onderzoekslocatie Kerkhovenbaan 6 te Heukelom. Op de onderzoekslocatie is sprake van twee voormalige bodembedreigende activiteiten die de bodemkwaliteit mogelijk hebben beïnvloed. Het betreft de voormalige opslag van smeerolie en een voormalige bovengrondse HBO-tank. Op basis van het vooronderzoek worden de opslag van smeerolie en de voormalige bovengrondse HBO-tank formeel als verdachte deellocaties beschouwd.
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt de hypothese gesteld dat de onderzoekslocatie, behoudens de twee verdachte deellocaties, onverdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging, en derhalve geen belemmering vormt voor de aanstaande bestemmingswijziging ter plaatse. Op basis van het vooronderzoek is de locatie onverdacht voor aanwezigheid van asbest in de bodem.”
4.4.3 Conclusie Voor de bestemmingsplanprocedure zijn er geen belemmeringen voor de haalbaarheid vanuit het aspect bodemkwaliteit.
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1 Inleiding Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
4.5.2 Onderzoek In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is bepaald dat plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit niet afzonderlijk hoeven te worden getoetst aan de grenswaarden voor de buitenlucht. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is aangegeven wanneer sprake is van een niet in betekenende mate (NIBM) bijdrage. Dit is het geval als het project maximaal 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide (NO2) is. In de praktijk vertaalt zich dit naar een jaargemiddelde bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. De door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil ontwikkelde NIBM-tool kan worden benut om te beoordelen of er nader onderzoek plaats moet vinden naar de kwaliteit van de buitenlucht. Het plan voorziet in een afname van activiteiten vanwege de sanering van de varkenshouderij en de daarbij behorende fijnstofproductie en vrachtbewegingen. Het aantal vervoersbewegingen in de vorm van personenvervoer neemt echter wel toe. Onderstaand is een worst-case berekening op basis van de NIBM-tool opgenomen voor de bijdrage van het ‘extra’ verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit. Hierbij is er vanuit gegaan dat zowel de pensionstalling als het bedrijfsverzamelgebouw als nieuwe activiteit worden gezien.
Op basis van deze berekening kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de verandering van de luchtkwaliteit in de directe omgeving van het plangebied. De beoogde herontwikkeling valt dan ook binnen het begrip NIBM.
4.5.3 Conclusie Op basis van een wordt-case berekening met de NIBM-tool kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de luchtkwaliteit niet verder hoeft te worden onderzocht.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze risico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) voor individuen en kent een duidelijke maat en norm. Het groepsrisico (GR) voor grotere groepen mensen is minder concreet en kent een richtwaarde. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: -
Bedrijven;
-
Vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water);
-
Hoogspanningslijnen;
-
Ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen).
4.6.2 Onderzoek 4.6.2.1
Bedrijven
Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Het op deze risicokaart aangegeven dichtstbijzijnde risico-object, is gelegen op een afstand van ruim 1.400 meter. Dit betreft een tankstation aan de Moergestelseweg 5. Het plangebied is niet gelegen in de risicocontour van dit bedrijf. 4.6.2.2
Vervoer gevaarlijke stoffen
Vervoer over het spoor Op het grondgebied van de gemeente Oisterwijk bevindt zich het spoortracé Breda – Boxtel. Over dit traject kunnen gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 800 meter tot dit spoortracé. In de Tabel Basisnet Spoor (bijlage II bij de Regeling Basisnet) is het risicoplafond voor dit baanvak vastgelegd: Risicoplafonds (in meters) Begin
Eind
coördinaten
coördinaten
Naam + trajectnummer
PR-plafond PR 10-6
136203:397263 140725:398944 Route 12, Tilburg aansl.-Eindhoven aansl. 1 Figuur 13: Uittreksel van Tabel Basisnet Spoor, voor het traject in de nabijheid van het plangebied
GR-plafonds PR 10-7
PR 10-8
17
150
Het plangebied valt wel binnen het invloedsgebied van de spoorweg. Vanwege het transport van toxische stoffen bedraagt het invloedsgebied van het spoor meer dan 4 kilometer. De locatie ligt binnen deze zone. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke transporten zullen plaatsvinden zijn de autosnelweg A58 en de autosnelweg A65, overgaand in de autoweg N65 (Tilburg-'s-Hertogenbosch). Het plangebied is het meest dicht bij de autoweg A65 gelegen. Deze route is gelegen op een afstand van circa 300 meter tot het plangebied. Wegvak
B58
Naam basisnet-wegtraject
A65: Knp. Vught – afrit 3 (Tilburg Noord)
PR-plafond (m)
0
GR-plafond (m)
48
Plasbrandaandachtsgebied aanwezig
NEE
Figuur 14: Informatie over het wegvak, voor het traject in de nabijheid van het plangebied
Het plangebied ligt op een dermate grote afstand van de routes dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. Het plangebied valt wel binnen het invloedsgebied van deze weg. Vanwege het transport van toxische stoffen en Bleve bedraagt het invloedsgebied meer dan 4 kilometer. De locatie ligt binnen deze zone. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Vervoer over het water Als er al een significant transport over Wilhelminakanaal plaatsvindt, is deze zo gering dat de risico’s aan de oever verwaarloosbaar zijn. Daarbij is de afstand tussen het plangebied en het kanaal dermate groot, zodat het plangebied duidelijk buiten het invloedsgebied van het kanaal is gelegen. 4.6.2.3
Hoogspanningslijnen
In de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningslijnen gelegen. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied van enige hoogspanningslijn. 4.6.2.4
Ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen)
Er zijn voor zover bekend geen ruimtelijk relevante leidingen gelegen binnen het plangebied. De meest dichtbij gelegen buisleiding betreft twee leidingen van de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij. Deze leidingen zijn gelegen op een afstand van circa 1.300 meter ten noordoosten van het plangebied. Voor de beoogde herontwikkeling van het plangebied bestaan derhalve geen beperkingen.
4.6.3 Verantwoording groepsrisico Inleiding Het plangebied bevindt zich op grote afstand van de risicobron. Op deze afstand is het toxisch scenario maatgevend en voor de autoweg A58 tevens het effect als gevolg van een BLEVE. Ontwikkeling groepsrisico Het plan ziet toe op het saneren van de intensieve veehouderij. De hoofdfunctie binnen het plangebied wordt opslag voor derden en de bestaande nevenfunctie paardenhouderij blijft gehandhaafd. Er is dan sprake van een zeer beperkte toename van de personendichtheid. Vanwege
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden ook niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden dan ook niet noodzakelijk. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Zoals gesteld heeft op deze afstand een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen is in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote afstand van de risicobron wordt daarom niet verder beschouwd. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Blootstelling aan een toxisch gas en een BLEVE zijn het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen.
De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. De bestaande bouwwerken zijn goed geïsoleerd, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van NL-alert.
4.6.4 Conclusie Er bestaan in het kader van bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen) geen bezwaren voor de beoogde herontwikkeling.
4.6.5 Standaard advies veiligheidsregio De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft voor de gemeente Oisterwijk een standaard groepsrisicoverantwoording opgesteld. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio is hierop afgestemd. Dit standaard advies is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
4.7
Ecologie
4.7.1 Inleiding Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten.
De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden.
4.7.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is op enige afstand van het Natura 2000 gebieden ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ en ‘Kampina & Oisterwijkse Bossen en Vennen’ gelegen. Het Natura 2000 gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ is gelegen op een afstand van circa 1.900 meter van het plangebied. Het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Bossen en Vennen’ is gelegen op een afstand van circa 2.300 meter van het plangebied. Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied weer ten opzichte van de beide Natura 2000-gebieden. Het plangebied is indicatief aangeduid middels een rode cirkel.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
Figuur 15: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’
Het plangebied is gelegen op een dermate afstand van het Natura 2000-gebied dat de beoogde herbestemming geen invloed heeft op dit gebied. De planontwikkeling leidt tot een aanzienlijke sanering van de ammoniakemissie vanaf het plangebied. De intensieve veehouderij met een ammoniakemissie van 5.371 kg verdwijnt waardoor de stikstofdepositie op voor gevoelige habitats afneemt. De niet-agrarische activiteit leidt tot een toename aan verkeersbewegingen, echter komen ook de vervoersbewegingen ten behoeve van de intensieve veehouderij te vervallen. Per saldo is sprake van een aanzienlijke vermindering van stikstof depositie.
4.7.3 Ecologische quickscan Door bureau Brabant Eco is een ecologische quickscan voor de locatie uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek (rapportnummer 2019BE-0723) zijn onderstaand weergegeven. Het rapport is als bijlage bij de toelichting gevoegd.
-
Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er algemeen beschermde broedvogels in het plangebied voorkomen. Voor de overige soortgroepen, waaronder vleermuizen, huismus en gierzwaluw zijn door het ontbreken van geschikt habitat en/of verblijfsindicatie, de aard en locatie van de ingreep of door een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming.
-
De
onderzoeksresultaten
geven
aan
dat
het
erf
Kerkhovenbaan
6
een
zekere
landschappelijke waarde heeft die met duurzame zorg gewaarborgd kan worden. Het erf functioneert aantoonbaar als leefgebied voor diverse soorten dieren, waarvoor verbeteringen
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
zullen
ontstaan.
De
intensieve
veehouderij
zal
plaatsmaken
voor
woonlocatie,
bedrijfsverzamelgebouw, paardenhouderij en weiland. -
De aangetroffen en potentieel voorkomende soorten zijn merendeels algemene cultuur volgende soorten, juridisch vallend onder het lichte beschermingsregime van de Wet natuurbescherming.
-
In het onderzoek wordt verder geconcludeerd dat de biotoop voor de huismus behouden blijft en dat het foerageergebied voor vleermuizen en andere soorten eveneens behouden blijft of wordt uitgebreid door de sloop van de stallen.
-
Doordat de toekomstige functie van het plangebied drastisch gaat veranderen zullen de kwalitatieve natuurwaarden en de biodiversiteit van het plangebied verbeteren. Het intensieve varkensbedrijf zal plaatsmaken voor weiland.
Het onderzoeksbureau komt tot het volgende advies: -
Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora en fauna zo goed als zeker worden uitgesloten. Mede hierdoor en aan de hand van de geplande functieverandering van het plangebied; het slopen van overbodig geworden varkensstallen, wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren.
-
De ingreep zal naar verwachting leiden tot een zeer beperkt en tijdelijk verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat het erf geschikt blijft als leefgebied en het relatief algemene soorten betreft. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk.
-
Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfsplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden.
-
In het kader van de vogelrichtlijn wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het om de periode 15 maart tot 15 juli.
-
Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. Deze maatregelen dienen ervoor om negatieve gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen of te verzachten.
-
Omdat niet kan worden uitgesloten dat de locatie in gebruik is als foerageergebied voor vleermuizen wordt geadviseerd om de werkzaamheden overdag uit te voeren.
-
Door het plaatsen van nestkasten of speciale dakpannen kan een positieve impuls gegeven worden aan de lokale populaties vogelsoorten. Vogelbescherming Nederland heeft een checklist ontwikkeld, waarmee iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken.(www.checklistgroenbouwen.nl).
-
De zorgplicht is altijd van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren de kans te geven om te vluchten -
Bij onvoorziene omstandigheden dient daarnaast direct contact opgenomen te worden met
-
In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura-2000 gebieden voor. Ook
een ter zake deskundige. effecten op het Natuurnetwerk Nederland zijn niet denkbaar. Een nadere toetsing is dus niet aan de orde.
4.7.4 Conclusie Op basis van de ecologische quick-scan kan het voorkomen van beschermde flora en fauna zo goed als zeker worden uitgesloten. Mede hierdoor en aan de hand van de geplande functieverandering van het plangebied; het slopen van overbodig geworden varkensstallen, wordt dan ook niet aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek uit te voeren. De initiatiefnemer heeft kennis genomen van de adviezen en zal hier bij de uitvoering van de sloopwerkzaamheden rekening mee houden.
4.8
M.e.r-beoordeling
4.8.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In dit besluit is de nieuwe procedure voor vormvrije-mer beoordelingen opgenomen.
In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
4.8.2 Toets aan drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied overschrijdt deze drempelwaarden niet.
4.8.3 Vormvrije m.e.r. beoordeling Op basis van de criteria die genoemd in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling wordt voor de beoogde ontwikkeling een vormvrije m.e.r.- beoordeling uitgevoerd. De criteria zijn in navolgende tabel aangegeven. Tabel 3.1: Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling 1.
Kenmerken van het project: a. Omvang van het project; b. Cumulatie met andere projecten; c. Gebruik van natuurlijke grondstoffen; d. Productie van afvalstoffen; e. Verontreiniging en hinder; f.
2.
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën.
Plaats van het project: a. Bestaand grondgebruik; b. Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (Wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van cultuurhistorisch, cultureel of archeologisch belang.
3.
Kenmerken van potentiele effect: a. Bereik van het effect (geografische onze en grootte van de getroffen bevolking); b. Grensoverschrijdend karakter van het effect; c. Waarschijnlijkheid van het effect; d. Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.
4.8.4 Kenmerken van het project Binnen het plangebied wordt de bestemming gewijzigd van ‘Agrarisch’ naar ‘Bedrijf’. Er vindt slechts sanering van bebouwing plaats. Er is sprake van één inrichting. De activiteiten (verhuur van bedrijfsverzamelgebouw en paardenstalling) vinden op één locatie plaats en worden door één bedrijf geëxploiteerd waarbij sprake is van een functionele, economische en bedrijfsmatige samenhang. In deze toelichting is aangetoond dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot verontreiniging en/of hinder. Met de sanering van de intensieve veehouderij vindt er enkel een afname voor deze aspecten plaats. Het risico op ongevallen is niet aanwezig. De beoogde ontwikkeling leidt dan ook niet tot een waarneembare toename van geur, gevaar, stof of geluid. VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
4.8.5 Plaats van het project Het plangebied is in de huidige situatie in gebruik voor de intensieve veehouderij met paardenhouderij en een bedrijfsverzamelgebouw als nevenfunctie. Binnen het plangebied worden geen waardevolle groenstructuren of cultuurhistorische kenmerken aangetast. De beoogde ontwikkeling past binnen de aard en schaal van het gebied.
4.8.6 Kenmerken van potentiële effect Het effect van de beoogde ontwikkeling op de omgeving is enkel positief te noemen en valt binnen de hiervoor gestelde normen. Er is geen sprake van een grensoverschrijdend karakter. Uit deze toelichting en de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de kans op negatief effect op de omgeving zeer klein is.
4.8.7 Conclusie Op grond van deze toelichting is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Gelet op de kenmerken van het plan, de locatie van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten moet worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. De effecten blijven beperkt tot het plangebied. In de bijlage is een vormvrije MER beoordeling opgenomen.
4.9
Water
4.9.1 Inleiding Nederland is groot geworden door het leven met en de strijd tegen het water. In de 20e eeuw is, doordat er te weinig rekening is gehouden met het waterbelang, veel ruimte aan het water onttrokken en veel afvalwater direct of indirect geloosd op oppervlaktewater. Om de toekomst van Nederland veilig te stellen is het nodig om te anticiperen op klimaatsveranderingen en bij de ruimtelijke planvorming goed rekening te houden met water. De waterbeheerder (Waterschap de Dommel) heeft de taak, kennis en kunde om daar zorg voor te dragen. Daarom is het belangrijk om het waterschap vroegtijdig te betrekken bij de planvorming.
4.9.2 Beleidskader Op Europees, nationaal en stroomgebiedsniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit). Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn beleidsspeerpunten op alle overheidsniveaus. Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankerd in het ‘Besluit op de ruimtelijke ordening 1985’. Het belangrijkste instrument vanuit het Waterschap is de Keur 2015 van Waterschap de Dommel. In het Verbreed Gemeentelijk Riolerings Plan (V-GRP) 2015-2019 heeft de gemeente Oisterwijk haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. Afvoeren naar de riolering Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe binnen het plan aan Kerkhovenbaan 6 te Heukelom, met water wordt omgegaan. Verder is opgenomen op welke wijze de inrichtingsmaatregelen bijdragen aan ‘Veiligheid, Voldoende en Schoon Water’.
4.9.3 Gebiedsomschrijving in relatie tot water Het buitengebied van de gemeente Oisterwijk is een zeer gevarieerd gebied met belangrijke landbouwkundige kwaliteiten, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en bijzondere ecologische en recreatieve betekenis. Navolgende figuur geeft de ligging van het plangebied weer op de Keurkaart van Waterschap De Dommel. Het plangebied is indicatief aangeduid met een rode cirkel.
Figuur 16: Uitsnede van de kaart bij de Keur 2015 van Waterschap de Dommel, met het plangebied in rood aangeduid.
De planlocatie is gelegen in een gebied dat is aangeduid als Beperkt invloedsgebied Natura 2000. Deze aanwijzing geeft aan dat er sprake is van een beperkte hydrologische relatie van het plangebied met het Natura 2000 gebied. De planontwikkeling leidt tot een vermindering van het verharde oppervlakte. Dit zal leiden tot een verbetering van de infiltratie van het hemelwater. De hydrologische situatie verbetert hierdoor.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
4.9.4 Huidige en toekomstige situatie van het plangebied 4.9.4.1
Verdeling verhard oppervlak
Uitgangspunt bij nieuwbouw is dat er hydrologisch neutraal wordt gebouwd. Dit betekent dat het hemelwater (dat valt op daken en verhardingen) niet versneld mag worden afgevoerd naar het oppervlaktewater of naar het riool. De beoogde herontwikkeling betreft de sanering van de intensieve veehouderij. Hiervoor worden gebouwen gesloopt. In onderstaande figuur is de te slopen oppervlakte stallen weergegeven.
Figuur 17: Te slopen en te behouden bebouwing
Oppervlaktes Daken
Huidig m²
Toekomstig m² 4.085
1.340
0
0
Terrein verharding
3.945
2.100
Openverharding
1.490
1.490
Onverhard terrein
6.140
10.730
Totaal
15.660 m²
15.660 m²
Groene daken
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de sloop van de voormalige varkensstallen (circa 2.745 m²) ter plaatse van het plangebied. Met de beoogde herontwikkeling wordt dan ook een afname van het verhard oppervlak verwacht van ten minste 2.745 m². Ook overtollige erfverharding wordt gesaneerd. 4.9.4.2
Bodem
De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied bedraagt circa 11 meter boven NAP. De grond ter plaatse van het plangebied betreft volgens de provinciale wateratlas een gooreerdgrond in lemig fijn zand (code pZn23). VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
4.9.4.3
Grondwater
Binnen het plangebied vindt geen grondwateronttrekking plaats. De Gemiddelde Laagste Grondwaterstand
(GLG)
ter
plaatse
bedraagt
200-250
cm-mv.
De
Gemiddelde
Hoogste
Grondwaterstand (GHG) ter plaatse bedraagt 40-140 cm-mv. 4.9.4.4
Oppervlaktewater
Ten noorden van het plangebied is aan de Kerkhovenbaan een B-watergang gelegen. Het plangebied is indicatief aangeduid met een rode cirkel.
Figuur 18: Ligging plangebied ten opzichte van oppervlaktewateren
Met de invoering van de nieuwe Keur is door het waterschap gekozen voor het verder vrijgeven van handelingen in B-wateren. Voor een aantal ingrepen in B-watergangen zijn algemene regels opgenomen en voor de meer ingrijpende handelingen is een vergunningplicht van toepassing. Met de beoogde herontwikkeling zullen geen handelingen plaatsvinden welke effect zullen hebben op deze Bwatergangen. 4.9.4.5
Afvalwater
In het buitengebied van de gemeente Oisterwijk is een drukrioleringsstelsel aanwezig. De bestaande bedrijfswoning is reeds aangesloten op de drukriolering. In de beoogde situatie wordt er geen extra huishoudelijk afvalwater geloosd op de bestaande drukriolering. 4.9.4.6
Hemelwater
Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Het schoon hemelwater wordt geïnfiltreerd in de
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
bodem, dan wel tijdelijk opgeslagen in een retentie en gedoseerd afgevoerd naar oppervlaktewater. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten,
parkeerplaatsen
en
terrassen
mag
niet
verontreinigd
zijn
met
chemische
bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. Binnen het plangebied zal slechts schoon hemelwater infiltreren in de bodem.
4.9.5 Vergunningen Ten behoeve van de beoogde herontwikkeling aan Kerkhovenbaan 6 te Heukelom wordt geen watervergunning vereist.
4.9.6 Infiltratievoorzieningen Binnen het plangebied zal het bebouwd oppervlak afnemen met 2.745 m². Op basis van het waterschapsbeleid worden geen eisen gesteld voor de toevoeging van extra verharding beneden de 2.000 m². De grenswaarde in de algemene regels voor het compenseren van nieuw verhard oppervlak wordt per 1 april 2021 aangepast van 2.000 m2 naar 500 m2. Daar waar zelfs sprake is van een afname van verharding zijn er dan ook geen extra eisen. De gemeente Oisterwijk kent echter geen beginlimiet en gaat uit van 100% van de bestaande en nieuwe verharding. Indien hergebruik en infiltratie van hemelwater binnen het plangebied niet mogelijk is, dan is op basis van gemeentelijk beleid de afvoer naar oppervlaktewater mogelijk. In dat geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Daarbij kan gedacht worden aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot op eigen terrein. Deze voorzieningen mogen gerealiseerd worden met een geknepen afvoer naar een bermsloot of watergang. Voor de beoogde herontwikkeling is een HNO berekening gemaakt voor de benodigde infiltratie van hemelwater binnen het plangebied. In navolgende figuur is de uitkomst van deze berekening weergegeven. Specificatie rekengegevens Toekomstig verhard oppervlak
3440,00
m²
Verhard oppervlak met correctie
0,00
m²
Correctiefactor verhard oppervlak
0,00
Gevoeligheidsfactor
1
Waking maximale waterspiegel t.o.v. maaiveld
0,10
m1
Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG)
10,70
m1 + NAP
Maaiveld toekomstig
11,00
m1 + NAP
Benodigde compensatie
206,40
m³
Tabel 1: HNO berekening benodigde infiltratie binnen plangebied
Uit de berekening blijkt dat voor de bestaande 3.440 m² bedrijfsbebouwing en erfverharding binnen het plangebied ruimte gevonden dient te worden voor het bergen van 206,4 m³ hemelwater. Het hemelwater op de erfverharding loopt af naar de bermen en infiltreert aldaar. Om te voldoen aan het principe van hydrologisch neutraal bouwen zal het hemelwater in de nieuwe situatie op eigen terrein worden geïnfiltreerd. Deze infiltratie kan worden bewerkstelligd door het schone hemelwater dat op de daken valt via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een ondergronds infiltratietransportriool. Vanuit dit transportriool zal het hemelwater onderweg in eerste VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
instantie zo veel mogelijk infiltreren in de ondergrond. Op het moment dat de capaciteit van het transportriool volledig is benut, voert deze het water af naar een nieuw aan te leggen infiltratieveld aan de oost- en westzijde van het perceel daar waar thans een varkensstal is gesitueerd. Dit infiltratieveld dient te worden aangelegd boven de GHG. In het geval is er onvoldoende ruimte is om boven het infiltratieriool een voldoende dragende laag voor bestrating te realiseren kan als alternatief een bovengrondse transport methode van hemelwater richting de voorziening worden gerealiseerd. Gedacht kan hierbij worden aan een goot in het grasland. Om de benodigde 206,40 m³ berging te kunnen realiseren zal het infiltratieveld een oppervlakte hebben van ten minste 2064,0 m². Vanaf de infiltratievoorziening wordt een afvoerpijp naar de kavelsloot aan de oostzijde aangelegd. Gerekend kan worden met een landbouwkundige afvoer van 2 l/s/ha. Ter plaatse van de beoogde infiltratievoorziening zijn de gronden ‘Agrarisch’ bestemd. De beoogde infiltratievoorziening is passend ter plaatse. Navolgende figuur geeft een voorbeeld van de infiltratievoorziening.
Figuur 6: Voorbeeld infiltratievoorziening (infiltratieveld of wadi)
4.9.7 Conclusie Met de beoogde herontwikkeling zal hydrologisch neutraal worden gerealiseerd, waarbij het verhard oppervlak per saldo zal afnemen. Binnen het plangebied zal slechts schoon hemelwater infiltreren in de bodem en wordt het afvalwater middels bestaande aansluitingen geloosd op de bestaande drukriolering.
4.10 Archeologie 4.10.1
Inleiding
Om te voldoen aan de Wet op de archeologische monumentenzorg, maar ook om vast te leggen hoe de gemeente Oisterwijk in uiteenlopende omstandigheden om wil gaan met historische bodemschatten, heeft de gemeente Oisterwijk archeologiebeleid opgesteld. Om een goede afweging te kunnen maken van het archeologisch belang is ten eerste een verwachtingskaart voor de gemeente Oisterwijk opgesteld. De verwachtingskaart geeft inzicht in het archeologisch erfgoed van de gemeente. Op de verwachtingskaart is aangegeven wat de archeologische verwachtingen zijn als laag, middelhoog, hoog verwachtingsvol gebied. De verwachtingskaart kan worden gezien als een archeologisch bureauonderzoek voor het grondgebied van de gemeente Oisterwijk.
4.10.2 Onderzoek Ter plaatse van het plangebied is sprake van een lage verwachtingswaarde. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Oisterwijk. Het plangebied is indicatief aangeduid met een rode cirkel.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
Figuur 20: Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingskaart gemeente Oisterwijk
De verwachtingskaart is vertaald in een beleidskaart. Op de beleidskaart is opgenomen hoe wordt omgegaan met archeologie in de betreffende verwachtingsvolle gebieden. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de beleidskaart. Het plangebied is indicatief aangeduid met een rode cirkel.
Figuur 21: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Oisterwijk
Ter plaatse van het plangebied is sprake van een ‘Gebied met lage verwachting; geen voorschriften, meldingsplicht’.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
4.10.3 Conclusie Met de beoogde herontwikkeling wordt niet voorzien in bebouwing, er wordt alleen bestaande bebouwing gesaneerd. Op grond van het gemeentelijk beleid moet geen nader archeologisch onderzoek worden verricht. Echter kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in een gebied waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. Daarom dient men bij het aantreffen van archeologische waarden hiervan melding te maken als opgenomen in artikel 53 van de Monumentenwet.
4.11 Cultuurhistorie 4.11.1 Inleiding Naast de rijks- en gemeentelijke monumenten is een aantal gebouwen binnen de gemeente door de provincie aangewezen als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.
4.11.2 Onderzoek Bij de beoogde herontwikkeling moet worden aangetoond dat geen cultuurhistorische bebouwing verloren gaat. Met de beoogde herontwikkeling worden slechts de varkensstallen gesloopt, van het type dat gebruikelijk was in de 70/80-er jaren. Daarmee is dan ook verzekerd dat er geen cultuurhistorische bebouwing verloren gaat met de sloop van stallen.
4.11.3 Conclusie Er zullen geen cultuurhistorische waarden verloren gaan met de herontwikkeling van het plangebied.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
5. JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1
Inleiding
Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
5.2
Algemene toelichting verbeelding
De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken en functieaanduidingen opgenomen.
5.3
Algemene toelichting regels
Voor de regels bij het bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 te Heukelom’ is aangesloten bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en bij het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Oisterwijk’. De planregels zijn verdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 geeft de inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsplanregels weergegeven. In dit hoofdstuk worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld. In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen waaronder de anti-dubbeltelbepaling en algemene afwijkingsregels. In hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en de slotregel opgenomen. Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1
Begrippen
In dit artikel zijn de bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemene spraakgebruik onvoldoende vast gedefinieerd zijn en waarbij derhalve verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels voor kan komen. Artikel 2
Wijze van meten
In dit artikel wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken en percelen gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
De regels in een bestemming zijn conform de SVBP als volgt opgebouwd en benoemd: 1.
Bestemmingsomschrijving
2.
Bouwregels
3.
Nadere eisen
4.
Afwijken van de bouwregels
5.
Specifieke gebruiksregels
6.
Afwijken van de gebruiksregels
7.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
8.
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
9.
Wijzigingsbevoegdheid
Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit verschilt per bestemming. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen, bijgebouwen, overige bebouwing en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor een toetsing van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen overzichtelijk is. In de planregels betreft artikel 3 de regels inzake de bestemming ‘Agrarisch’. Artikel 4 betreft regels inzake de dubbelbestemming ‘Bedrijf’. Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 5
Anti-dubbeltelregel
In dit artikel zijn regels opgenomen ten opgenomen ter voorkoming van het dubbeltellen van gronden bij het toestaan van een bouwplan, bij het beoordelen van latere bouwplannen. Artikel 6
Algemene bouwregels
In artikel 6 zijn regels gegeven voor het overschrijden van de bouwgrenzen, bestaande maten, en afstanden van woningen tot wegen en spoorwegen. Artikel 7
Algemene gebruiksregels
In dit artikel zijn algemene gebruiksregels met betrekking tot gebruik strijdig met de bestemming gegeven. Artikel 8
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel zijn algemene regels voor het afwijken van de regels gegeven waarvoor burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning kunnen verlenen. Artikel 9
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel wordt een algemene wijzigingsregel gegeven ten behoeve van het overschrijden van bestemmingsgrenzen. Artikel 10
Overige regels
In artikel 10 is opgenomen dat de wettelijke regelingen waar in de regels naar verwezen wordt, luiden zoals op het moment van vaststelling van onderhavig bestemmingsplan. Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Artikel 11
Overgangsrecht
In artikel 11 wordt omschreven hoe wordt omgegaan met het bestaand gebruik en met de bestaande bebouwing ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Artikel 12
Slotregel
In artikel 12 worden de regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan 6 Heukelom’, Gemeente Oisterwijk - Toelichting
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemers van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Oisterwijk zal middels een overeenkomst in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt en zes weken ter inzage liggen. Naar aanleiding van eventuele zienswijzen op het bestemmingsplan vindt een heroverweging op deze onderdelen plaats en kan besloten worden onderhavig bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen.
6.3
Overleg ex artikel 3.1.1. Bro
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Waterschap De Dommel en de provincie Noord-Brabant zijn in het kader van het vooroverleg betrokken bij onderhavig bestemmingsplan. Naar aanleiding van de vooroverlegreacties zijn de waterparagraaf en de regels van dit bestemmingsplan aangepast.
6.4
Omgevingsdialoog
Door initiatiefnemers is een omgevingsdialoog gevoerd. Een verslag hiervan is als bijlage toegevoegd bij deze toelichting.
6.5
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 2 april 2021 tot en met 13 mei 2021 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
51