CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-60B Vaststellen Transitievisie Warmte gemeente Oisterwijk- bijlage

RAAD 16 december 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-60 Transitievisie Warmte14.238 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TRANSITIEVISIE WARMTE GEMEENTE OISTERWIJK

Transitievisie Warmte gemeente Oisterwijk

Opdrachtgever:

Maurice van de Sande

Organisatie:

Gemeente Oisterwijk

Datum:

04-10-2021

Contactpersoon:

Koen van Waes / Arthur Hofstad

Telefoon:

+31 682228960

E-mail:

k.vanwaes@hetenergiebureau.nl / Arthur@hofstadadvies.nl

Website:

www.hetenergiebureau.nl

E-mail:

info@hetenergiebureau.nl

Postadres:

Postbus 6252 5600 HG Eindhoven

Bezoekadres:

Achtseweg Zuid 159 R 5651 GW Eindhoven Pollartstraat 19 6041 GC Roermond

KvK-nummer:

17212433

1

SAMENVATTING De gemeente Oisterwijk wil in 2050 aardgasvrij zijn. Dat is geen proces dat van vandaag op morgen lukt, maar stapsgewijs bouwen we naar dat doel toe. De gemeente wordt aardgasvrij omdat we in Europa (Klimaatakkoord Parijs) en in Nederland (Nationaal Klimaatakkoord) hebben afgesproken om de CO2-uitstoot terug te dringen tot bijna nul en de stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde te beperken. Aardgas is geen duurzame energiebron en is in Nederland verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de CO2-uitstoot in de gebouwde omgeving. Daarom gaat Nederland en daarmee ook Oisterwijk werken aan een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050. De Transitievisie Warmte is hierin de eerste stap. Het terugdringen van de CO2-uitstoot en het realiseren van een aardgasvrije gebouwde omgeving is vanuit het landelijke Klimaatakkoord regionaal uitgewerkt in de Regionale Energie en Klimaatstrategie (REKS) Hart van Brabant. Vervolgens vindt nu de lokale uitwerking plaats met de Transitievisie Warmte. Om de warmtetransitie haalbaar, betaalbaar en zo logisch mogelijk te laten verlopen hebben we een globale planning opgesteld. Hierin geven we op hoofdlijnen een richting voor hoe, en in welke volgorde de verschillende wijken en buurten stappen gaan zetten richting aardgasvrij. De gemeente staat niet alléén voor deze transitie.

Samen met onze inwoners, ondernemers en andere belangrijke stakeholders gaan we hiermee aan de slag. Opgave: tot 2030 20% besparen op aardgas in de gebouwde omgeving Deze Transitievisie Warmte (hierna: TVW), die is opgesteld in samenwerking tussen gemeente, inwoners, ondernemers en de overige georganiseerde stakeholders1, geeft richting aan de warmtetransitie. De opgave die voor ons ligt is groot en complex. In de komende jaren, tot 2030, moeten er duurzame alternatieven gevonden worden voor grofweg 4,2 miljoen kubieke meter aan aardgas in de Oisterwijkse woningen. Daarnaast moet er ongeveer 1,3 miljoen kubieke meter aardgas in de bedrijven & instellingen (scholen, kantoren, winkels enz.)2 worden bespaard. Voor zowel de woningen als de bedrijven & instellingen (woningen en bedrijven & instellingen vormen samen de gebouwde omgeving, het focusgebied van de TVW) is dit ± 20% van het huidige aardgasverbruik. Met het behalen van die reductie gaan we mee in de landelijke doelstelling uit het Klimaatakkoord om in 2030 de eerste 20% van de bestaande gebouwenvoorraad (anno 2019, de inwerkingtreding van het Klimaatakkoord) aardgasvrij te hebben en/of aardgas te besparen. De totale opgave voor de gebouwde omgeving in Oisterwijk is het vinden van een duurzaam alternatief voor een jaarlijks verbruik van ± 28 miljoen kubieke meter aardgas.

Dit geldt voor de gehele gebouwde omgeving, dus zowel voor woningen als bedrijven & instellingen.

1

Onder andere woningcorporaties, netbeheerder Enexis, het waterschap, energiecoöperaties en ondernemers-

verenigingen. Voor een compleet overzicht van de betrokken stakeholders zie bijlage 5. 2

In de TVW zijn gebouwen van bedrijven en instellingen opgenomen waar aardgas voornamelijk wordt gebruikt voor

het verwarmen van het gebouw. Bedrijven waar aardgas voornamelijk in de bedrijfsprocessen gebruikt wordt (voornamelijk industrie) volgen een ander traject buiten de TVW. 2

Naast de doelstelling om in 2030 ± 20% van de gebouwde omgeving aardgasvrij te maken, is er ook nog een doelstelling om CO2 te reduceren. Het Klimaatakkoord stelt dat in 2030 een reductie van 49% op de CO2-uitstoot ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. Naast de warmtetransitie moet er dus ook door maatregelen in de mobiliteit, de industrie en de landbouw een reductie van de uitstoot plaatsvinden. Wanneer er in 2030 20% op het aardgasverbruik in de gebouwde omgeving wordt bespaard, zorgt dat voor een jaarlijkse CO2-reductie van ongeveer 6% op het totaal. Prioriteringscriteria voor de transitie: inzetten op draagvlak en ‘geen spijt maatregelen’ In samenwerking met de georganiseerde stakeholders hebben we de prioriteringscriteria voor de warmtetransitie bepaald. Daarbij is uiteraard gekeken naar de kosten en de technische geschiktheid van de woningen en gebouwen. Naast het inzetten op zogenaamde ‘geen spijt maatregelen’ maatregelen die al op korte termijn uitgevoerd kunnen worden en waar je geen spijt van krijgt, zoals het isoleren van een woning en het plaatsen van zonnepanelen - is uit de sessies met de stakeholders vooral de aanwezigheid van draagvlak belangrijk gebleken.

Andere belangrijke prioriteringscriteria die zijn meegenomen zijn de aanwezigheid van duurzame warmtebronnen, het woningbezit van de woningcorporaties, de kosten en betaalbaarheid van de maatregelen, de aanwezigheid van natuurlijke momenten (bijvoorbeeld geplande infrastructurele werkzaamheden in de wijk), de technische staat van woningen en gebouwen en eventuele lopende duurzaamheidsinitiatieven in wijken en buurten. Globale planning De opgave is, zoals gezegd, groot en niet alles kan tegelijk. Op basis van de gezamenlijk vastgestelde prioriteringscriteria en een uitgebreide analyse van zowel lokale als nationale data, hebben we gezocht naar de Oisterwijkse wijken en buurten die het best scoorden op deze criteria. Op basis daarvan hebben we een globale planning gemaakt voor de gemeente Oisterwijk. Uit de analyse komt naar voren dat de buurten 3 in de omgeving Bunders, omgeving Dotterplein/ Wildemanstraat, omgeving Europalaan/Hondsbergselaan, omgeving Klompven/Eikenven en de kernen Moergestel en Haaren het meest geschikt lijken te zijn om de warmtetransitie te starten (de zogenaamde kansrijke wijken en buurten). Dit betekent niet dat we in deze wijken en buurten ook per se gaan starten met het daadwerkelijk aardgasvrij maken van de woningen.

Op basis van de uitkomsten van de analyse gaan we in de kansrijke wijken en buurten als eerste het gesprek aan met de inwoners en ondernemers. In die gesprekken wordt bepaald of er voldoende draagvlak is om de warmtetransitie te starten en zo ja, of en hoe een wijkuitvoeringsplan opgesteld kan worden. Hierbij betrekken wij ook de overige stakeholders, waaronder de woningcorporaties, energiecoöperaties en de netbeheerder. Van deze wijken en buurten is op dit moment alleen in de omgeving Bunders en omgeving Dotterplein/Wildemanstraat een kansrijke collectieve warmtebron (collectieve oplossing) aanwezig in de vorm van aquathermie (warmte uit oppervlaktewater) uit de Voorste Stroom. Uit aanvullend onderzoek moet blijken wat de daadwerkelijke kansen van de Voorste Stroom zijn. Mogelijk dat er bijvoorbeeld vanuit ecologisch oogpunt belemmeringen zijn. Ook in de omgeving Boxtelsebaan/Waterhoef is mogelijk een collectieve warmtevoorziening toe te passen, in de vorm van warmte van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) in Haaren (thermisch energie uit afvalwater). Deze buurt

3

Buurtbegrenzing en -benaming volgens het CBS. In de volksmond kunnen buurtbenamingen afwijken.

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

3

komt weliswaar niet uit de analyse naar voren als een kansrijke buurt, maar het is wel goed om de RWZI als potentiële warmtebron te onderzoeken. Verder zijn er nog een aantal wijken en buurten waar de bebouwing in principe wel geschikt is voor een warmtenet, maar waar verder onderzoek moet uitwijzen of er ook een geschikte warmtebron is die kan worden ingezet (bijv. ondiepe geothermie of zonthermie). Voor de meeste andere wijken voorzien we (met de huidige kennis en stand der techniek) een individuele elektrische warmtepomp als warmte-oplossing. In een aantal gevallen kunnen gebouwen mogelijk onvoldoende geïsoleerd worden en is een hybride warmtepomp nodig of de inzet van groen gas/waterstof (zie kaart in paragraaf 4.3.1). Van groen gas en waterstof is de potentie op dit moment nog onbekend waardoor we vooralsnog de stelling innemen dat groen gas en waterstof alleen op die plekken moeten worden toegepast waar een andere warmtevoorziening echt niet mogelijk is. Dit zijn in ieder geval de transportsector en de industrie. De toekomst moet uitwijzen of waterstof ook in de gebouwde omgeving kan worden toegepast. In de REKS Hart van Brabant is al een eerste stap in het inventariseren van kansen en mogelijkheden voor waterstof gezet. Dit zal in de komende periode een vervolg krijgen.

In de andere wijken en buurten (die op dit moment lager scoren dan de kansrijke wijken) kan gemeentebreed ook worden gewerkt aan een collectieve aanpak4. Dit betekent dat de woningen en gebouwen in deze wijken en buurten niet in z’n geheel in één keer worden aangepakt, maar dat de inwoners voornamelijk hun eigen tempo bepalen. Aanpak: uitvoerbaar, realistisch en participatie Als gemeente streven we naar een uitvoerbare en realistische TVW, waarbij onze inwoners en ondernemers nadrukkelijk worden betrokken. Woningen en gebouwen kunnen technisch nog zó geschikt zijn om aardgasvrij te worden, wanneer de burger niet wil of niet kan, zal er niets gebeuren. We zetten daarom in op een uitgebreid participatietraject. In de kansrijke wijken en buurten wordt na vaststelling van de TVW in eerste instantie het gesprek gevoerd met de inwoners en ondernemers: hoeveel draagvlak is er om gezamenlijk aan de slag te gaan met de warmtetransitie, wat is hiervoor nodig? We zetten in op een kleinschalige en gebiedsgerichte aanpak. We houden niet noodzakelijk vast aan de CBS-buurtgrenzen, maar gaan op zoek naar logische(r) clusters. De analyse van de TVW is daarom al schetsmatig op straatniveau uitgewerkt, waardoor de visie uitstekend aansluit op de vervolgstappen (o.a. wijkuitvoeringsplannen5).

De analyse is erop gericht om het draagvlak en de participatie voorop te stellen en met op maat gemaakte informatie de wijken en buurten in te gaan. Daarbij is altijd de eerste stap: het nemen van

4

Een aanpak waarbij iedereen individueel en op eigen tempo kan toewerken naar aardgasloos maar waarbij wel

wordt gekeken naar voordelen van een collectieve aanpak. Denk aan het realiseren van collectieve inkoopacties, een voorbeeldwoning, een gerichte informatievoorziening, enz. 5

In landelijke bronnen wordt de term wijkuitvoeringsplannen gehanteerd. Volgens het CBS bestaat een wijk uit één of

meerdere buurten. In de praktijk zal een buurt of hele wijk niet in één keer aardgasloos worden. Dat betekent dat de term ‘wijkuitvoeringsplan’ een vertekend beeld geeft. Om geen onduidelijkheid te veroorzaken sluiten we wel aan bij de landelijke benaming. In de praktijk dekt de term ‘uitvoeringsplan’ of ‘gebiedsuitvoeringsplan’ de lading beter. TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

4

‘geen spijt maatregelen’. Op het moment dat een woning of gebouw een voldoende isolatieniveau (zuinig energielabel) bereikt, kan de laatste stap naar aardgasvrij gezet worden. Vervolgstappen na de Transitievisie Warmte 2050 lijkt nog ver weg, en veel warmtetechnieken lijken nog niet voor handen in Oisterwijk, maar tegelijkertijd moet er ook veel gebeuren. Daarom is het van groot belang om op korte termijn al wel te starten met de eerste, haalbare stappen. Allereerst gaan we in gesprek met de inwoners en ondernemers van de kansrijke wijken en buurten. Hierbij betrekken wij ook alle overige relevante stakeholders. Samen met alle betrokken partijen onderzoeken we of er voldoende draagvlak is om de eerste stappen te gaan zetten richting een aardgasvrije wijk. In wijken waar dat het geval is starten we met het opstellen van een wijkuitvoeringsplan. Daarin wordt verder uitgewerkt hoe de transitie daadwerkelijk gaat plaatsvinden. Ook dit doen we uiteraard samen met de stakeholders. Op basis van de ervaringen in de eerste wijken kunnen vervolgens ook in de overige kansrijke wijken en buurten wijkuitvoeringsplannen worden opgesteld. Daarnaast ontwikkelen we een collectieve, gemeentebrede aanpak voor alle woningen en gebouwen in onze gemeente, die is gericht op de ‘geen spijt maatregelen', zoals isoleren, plaatsen van zonnepanelen, etc.

Immers: alle energie die niet wordt gebruikt, hoeft ook niet te worden opgewekt. Deze collectieve aanpak kan zowel op het niveau van de gehele gemeente worden uitgewerkt, maar ook op clusterniveau, waarin in gebieden met dezelfde bebouwing bijv. collectieve inkoopacties worden georganiseerd, een gerichte informatievoorziening wordt opgezet of een voorbeeldwoning wordt gerealiseerd. Tenslotte is het nodig om verder onderzoek te (laten) doen naar kansrijke warmtetechnieken voor een warmtenet, zoals aquathermie uit de Voorste Stroom en thermische energie uit afvalwater uit de RWZI in Haaren. Dit zijn warmtebronnen die vanuit de uitgevoerde analyses als kansrijk worden gezien.

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

5

Inhoud Samenvatting ....................................................................................................................................... 2 1

Waarom een visie op warmte? ........................................................................................ 8

1.1

Internationale en nationale afspraken ................................................................................................. 8

1.2

Regionale uitwerking .................................................................................................................................... 8

1.3

De gaskraan gaat dicht ............................................................................................................................... 9

1.4

Transitievisie Warmte (TVW) ..................................................................................................................... 9

2

De basis voor de transitie .............................................................................................. 10

2.1

Omvang van de opgave ...........................................................................................................................10

2.2

Woningen .........................................................................................................................................................11

2.3

Werkelijke opgave woningen .................................................................................................................11

2.4

Bedrijven & instellingen ............................................................................................................................12

2.5

Rol gemeente .................................................................................................................................................12

3

Het proces: van analyse tot gesprek ............................................................................13

4

Hoe? De duurzame alternatieven .................................................................................. 15

4.1

Isolatie ................................................................................................................................................................15

4.2

Alternatieve technieken .............................................................................................................................15

4.3

Bronnen in de gemeente Oisterwijk: de Voorste Stroom en de RWZI .............................16

4.3.1

Voor kansrijke bron ook afzetgebied nodig ...................................................................................16

4.3.2

Groen gas .........................................................................................................................................................17

4.3.3

Waterstof ..........................................................................................................................................................18

5

De stapsgewijze aanpak ..................................................................................................19

5.1

Prioriteringscriteria wijken en buurten...............................................................................................19

5.2

Uitkomsten multicriteria-analyse ..........................................................................................................20

5.3

Omgeving Klompven/Eikenven & omgeving Europalaan/Hondsbergselaan .................21

5.4

Omgeving Bunders & omgeving Dotterplein/Wildemanstraat .............................................21

5.5

Kernen Moergestel & Haaren ................................................................................................................22

5.6

Collectieve aanpak Oisterwijk .................................................................................................................22

5.6.1

Collectieve aanpak in specifieke clusters..........................................................................................23

5.6.2

Wijken waar de laatste stappen naar aardgasloos gezet kunnen worden .....................23

5.6.3

Wijken waar nog geïsoleerd kan/moet worden ...........................................................................24

5.6.4

Wijken waar nog geïsoleerd kan worden én waar de inkomens gemiddeld laag zijn25

5.7

Planning wijken en buurten ....................................................................................................................26

6

Kosten en baten warmtetransItie.................................................................................. 28

6.1

Betaalbaarheid technieken .......................................................................................................................28

6.2

Positieve effecten warmtetransitie .......................................................................................................30

7

Communicatie & participatie ......................................................................................... 31

7.1

Het sociale spoor in de ontwikkeling van de TVW .....................................................................31

7.2

Wat willen inwoners? ..................................................................................................................................32

7.3

Kansen sociale infrastructuur ..................................................................................................................32

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

6

7.4

Conclusies: hoe richten we participatie binnen de warmtetransitie in? ...........................32

7.5

Inwoners bereiken ........................................................................................................................................33

8

Warmtevisie ....................................................................................................................... 34

8.1

Ambitie: mee in de landelijke doelstelling ......................................................................................34

8.2

Participatie: de wijken in en samen werken aan draagvlak ....................................................34

8.3

Financiële koers .............................................................................................................................................34

8.4

Vervolgstappen ..............................................................................................................................................35

Bijlage 1 MCA criteria ...................................................................................................................... 37 Bijlage 2 Gevoeligheidsanalyse ......................................................................................................39 Bijlage 3 Begrippen en afkortingen .............................................................................................. 40 Bijlage 4 Samenhang overige beleidstrajecten ...........................................................................44 Bijlage 5 Overzicht sessies stakeholders ...................................................................................... 47

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

7

1 WAAROM EEN VISIE OP WARMTE? 1.1 Internationale en nationale afspraken In het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 zijn internationale afspraken gemaakt over het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen om de opwarming van de aarde tegen te gaan. In het Nederlandse Klimaatakkoord van 2019 zijn de internationale afspraken vertaald naar Nederlandse afspraken. De belangrijkste afspraken zijn dat Nederland haar CO2-uitstoot in 2030 met 49% wil terugdringen ten opzichte van 1990 en in 2050 met 95%. Inmiddels is op Europees niveau besloten dat een versnelling van de reductie noodzakelijk is (naar 55% in 2030). Deze versnelling is nog niet verankerd in de Nederlandse klimaatdoelstellingen. Aardgas is een fossiele brandstof en momenteel de belangrijkste warmtebron voor ruimteverwarming in ons land. Bij het verstoken van aardgas komt CO2 vrij. Eén van de landelijke afspraken is dan ook dat in 2050 alle woningen en gebouwen in Nederland aardgasvrij moeten zijn. In 2030 is er een tussenstap afgesproken van 1,5 miljoen aardgasvrije woningen en gebouwen. Dit is ongeveer 20% van de bestaande woningvoorraad. Het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving maakt onderdeel uit van de doelstellingen in het Klimaatakkoord om de CO2-uitstoot terug te dringen.

Naast de warmtetransitie moet er ook door maatregelen in de mobiliteit, de industrie en de landbouw een reductie van de uitstoot plaatsvinden. Er zijn voor de gemeente Oisterwijk uit landelijke data geen cijfers over de totale CO2-uitstoot in 1990 bekend. Op dit moment zorgt de gebouwde omgeving voor ongeveer de helft van de totale CO 2uitstoot in Oisterwijk6. Wanneer er in 2030 20% op het aardgasverbruik in de gebouwde omgeving wordt bespaard, zorgt dit voor een jaarlijkse CO2-reductie van ongeveer 10.000 ton (zie ook hoofdstuk 2). Dit is ongeveer 6% van het totaal. Dit betekent dat we naast een besparing op het verbruik van aardgas ook nog flink moeten besparen op elektriciteitsgebruik en besparingen moeten realiseren in andere sectoren om aan de algehele doelstelling van het Klimaatakkoord te voldoen. Landelijk zijn er in vergelijking met 1990 geen besparingen op de CO2-uitstoot gerealiseerd, waardoor er de komende jaren nog een flinke opgave ligt7.

1.2 Regionale uitwerking De uitwerking van het landelijke Klimaatakkoord vindt voor een groot deel op regionaal en lokaal niveau plaats. Om de regionale uitwerking vorm te geven, werkt Oisterwijk in de REKS-regio Hart van Brabant samen met andere gemeenten, de provincie en de waterschappen. Specifiek in het kader van dit warmtetraject is de samenwerking met Hilvarenbeek en Goirle intensief. In de regio wordt ook gezamenlijk nagedacht over warmte, bijvoorbeeld als warmtebronnen meer dan één gemeente kunnen bedienen.

6

Gebouwde omgeving: 85.483 ton, Verkeer en vervoer: 69.104 ton, Industrie, energie, afval en water: 7.719 ton &

Landbouw, bosbouw en visserij: 7.997 ton (Klimaatmonitor 2019). 7

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/37/co2-uitstoot-in-2017-gelijk-aan-die-in-1990

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

8

In juni 2021 heeft de gemeenteraad van Oisterwijk de Regionale Energie- en Klimaatstrategie (REKS) vastgesteld. Het onderdeel Warmte is in de REKS uitgewerkt in de vorm van een Regionale Structuur Warmte (RSW). Deze TVW is afgestemd met het regionaal RSW-traject en in de intergemeentelijke samenwerking met Goirle en Hilvarenbeek.

1.3 De gaskraan gaat dicht De warmtetransitie is niet alleen nodig vanwege de internationale, nationale en regionale afspraken om klimaatverandering tegen te gaan. De Nederlandse gaskraan wordt ook steeds verder dichtgedraaid om de kans op aardbevingen als gevolg van aardgaswinning in Groningen te verminderen. Hier moeten we op anticiperen. Importeren is duur en maakt ons voor onze energievoorziening afhankelijk van andere landen. Overigens raakt vroeg of laat ook daar het aardgas op.

1.4 Transitievisie Warmte (TVW) In het Nederlandse Klimaatakkoord is afgesproken dat iedere gemeente voor het eind van 2021 een TVW heeft opgesteld. De visie beschrijft hoe we in de gemeente van het aardgas af kunnen gaan en wáár we het beste kunnen starten. Dit vormt de basis voor de uitvoeringsplannen op wijk- en buurtniveau. Met de vaststelling van de TVW is de warmtetransitie tot 2050 niet in beton gegoten. Omdat we niet alle wijken en buurten tegelijk kunnen aanpakken en (technische) inzichten nog continu veranderen, wordt de TVW elke vijf jaar geactualiseerd.

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

9

2 DE BASIS VOOR DE TRANSITIE 2.1 Omvang van de opgave De gemeente Oisterwijk heeft 32.390 inwoners die in 14.150 woningen wonen. Verder is er ongeveer 372.802 m2 aan dienstverlenende bedrijven (kantoren, onderwijs, detailhandel enz.) en ongeveer 41.763 m2 aan industrie in de gemeente aanwezig 8. Al deze gebouwen, het verkeer en vervoer, de industrie en landbouw verbruiken samen jaarlijks 2.474 TJ aan energie. In figuur 1 staan de verhoudingen van het energiegebruik per sector in Oisterwijk weergegeven. De woningen (onderdeel van de gebouwde omgeving) gebruiken in Oisterwijk ruim 21.700.000 m3 aardgas en 45.800.000 kWh elektriciteit.

Gebouwde omgeving Industrie, Energie, Afval en water

42%

2.474 TJ

50%

Landbouw, bosbouw en visserij Verkeer en vervoer

4% 4%

Figuur 1: weergave van de verhouding van het energiegebruik per sector van de gemeente Oisterwijk (bron: Klimaatmonitor, 2019)

Wat betreft het energiegebruik zijn woningen en dienstverlenende bedrijven vergelijkbaar. Beiden gebruiken voornamelijk aardgas voor warm tapwater en om de gebouwen te verwarmen. Daarom zal de alternatieve aanpak voor warmte voor de woningen en de dienstverlenende bedrijven min of meer vergelijkbaar zijn. 337 TJ

In de industrie wordt voornamelijk proceswarmte gebruikt (energie die nodig is voor de productieprocessen). Het verduurzamen van deze energie vraagt een volledig andere aanpak. Dat is de reden dat de TVW enkel de alternatieve warmtevoorziening voor woningen en dienstverlenende bedrijven beschrijft.

8 PBL, Startanalyse Leidraad Transitievisie Warmte

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

10

2.2 Woningen De gebouwde omgeving zorgt voor het grootste aandeel van het energiegebruik. Ongeveer de helft van het energiegebruik van de gebouwde omgeving wordt door woningen gebruikt en hiervan is het grootste deel gebaseerd op aardgas. Het jaarlijkse energiegebruik van de woningen in Oisterwijk is ongeveer 846 TJ (zie figuur 2). Dit verbruik is verdeeld over ongeveer 21.700.000 m3 aardgas en 44.300.000 kWh elektriciteit. De huidige opgave in de warmtetransitie voor de gemeente Oisterwijk is dus het vinden van duurzame alternatieven voor het jaarlijkse aardgasgebruik in woningen van ongeveer 21.700.000 m3. Voor 2030 is de doelstelling dat we 20% op dit verbruik gaan besparen. Dit betekent dat we in 2030 in de Oisterwijkse woningen een besparing van ongeveer 4.200.000 m 3 aardgas bereikt moeten hebben. Dit staat gelijk aan het gemiddeld jaarlijks verbruik van ongeveer 2.800 woningen.

19%

Aardgas

846 TJ

Elektriciteit

81%

Figuur 2: weergave van de verhouding van het energiegebruik in woningen in de gemeente Oisterwijk (Klimaatmonitor, 2019)

2.3 Werkelijke opgave woningen Wanneer er – buiten het huidige landelijke en lokale beleid, geen extra maatregelen genomen worden, neemt het huidige gasverbruik tot 2030 al met ongeveer 9% af (1% per jaar). Dit heeft te maken met autonome ontwikkelingen en energiebesparende maatregelen die zorgen voor een verlaging van het energiegebruik. Denk aan: 

sloop van oude woningen en gasloze nieuwbouw (sinds 2018);

isolatie van bestaande woningen;

verbetering van warmteleverende installaties.

De werkelijke (warmte)opgave voor de woningen in 2030 is dus niet het vinden van duurzame alternatieven voor een jaarlijks gasgebruik in de gemeente Oisterwijk van 21.700.000 m3, maar voor een jaarlijks gasgebruik van ongeveer 19.747.000 m3 (- 9%). Tegenover de daling van het aardgasgebruik staat daarentegen een stijging van het elektriciteitsgebruik. Dit wordt mede

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

11

veroorzaakt door een toename van elektrisch koken en elektrisch verwarmen 9. Het totale gebruik van aardgas en elektriciteit kost de Oisterwijkse inwoners jaarlijks (uitgaande van een stijging van de huidige kosten voor energie met 2,2% per jaar10) ongeveer € 31.100.000,-.

2.4 Bedrijven & instellingen De gebouwde omgeving bestaat naast woningen ook uit bedrijven & instellingen (kantoren, scholen, detailhandel, enz.). Er zijn in de gemeente Oisterwijk 1.142 bedrijven & instellingen. In deze gebouwen wordt jaarlijks voor ongeveer 388 TJ aan energie verbruikt, verdeeld over 6.700.000 m3 aardgas en 48.500.000 kWh elektriciteit. Samen met het aardgasgebruik in woningen moet er dus een duurzaam alternatief gevonden worden voor een jaarlijks aardgasverbruik in de gebouwde omgeving van ongeveer 28.400.000 m3 aardgas. Vertaald naar de doelstelling voor 2030 (20% besparing) betekent dit dat we in de bedrijven & instellingen jaarlijks ongeveer 1.300.000 m3 aardgas moeten besparen. Dit staat gelijk aan het verbruik van ongeveer 220 bedrijfspanden.

2.5 Rol gemeente De opgave is dus groot. Om op nationaal niveau te komen tot een volledig aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050, zal voor 2030 ca. 20% van alle woningen in Nederland van het aardgas af moeten. Voor Oisterwijk betekent dit in theorie dat tot 2030 ongeveer 2.800 woningen en 220 bedrijven & instellingen aardgasvrij gemaakt moeten worden. Wij vertalen dit naar een meer realistische en haalbare ambitie: we reduceren net zoveel aardgas als 2.800 woningen en 220 bedrijven & instellingen gebruiken (5,5 miljoen kubieke meter aardgas verdeeld over 4,2 miljoen kuub voor woningen en 1,3 miljoen kuub voor bedrijven & instellingen). Een deel van deze woningen en gebouwen zal voor 2030 al daadwerkelijk aardgasvrij zijn. Voor alle andere woningen en gebouwen focussen we in eerste instantie op het zo goed mogelijk isoleren en aardgasvrij-ready maken ervan. Dit is voor de korte en lange termijn evengoed een stevige opgave die ervoor zorgt dat we snel aan de slag moeten. Het vraagt van de gemeente een actieve rol die in elk geval bestaat uit twee verplichte onderdelen: 1.

De gemeente heeft een informatieplicht: woningeigenaren hebben (veel) tijd nodig om zich voor te bereiden. De gemeente zal informeren over de logische eerste stappen die woningeigenaren kunnen nemen (isoleren, zonnepanelen en elektrisch koken). Waar mogelijk worden deze stappen via verschillende initiatieven gestimuleerd;

2.

De gemeente heeft een analyse/onderzoeksplicht. Vanuit het Rijk is aan de gemeenten opgedragen om uit te zoeken wáár en op welke manier gestart kan worden met de eerste acties naar aardgasvrij wonen.

9

Ook het elektrisch rijden gaat een vlucht nemen en zorgt daarmee voor een stijgend elektriciteitsverbruik en een

grotere belasting op het elektriciteitsnetwerk. Netbeheerder Enexis heeft dit in beeld en werkt aan scenario’s om het netwerk te versterken. 10 Gemiddelde jaarlijkse stijging energieprijs over de laatste 15 jaar, CBS

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

12

3 HET PROCES: VAN ANALYSE TOT GESPREK De TVW is opgebouwd uit twee sporen: een sociaal spoor en een technisch-economisch spoor (zie figuur 3). Het is dus meer dan enkel een technische analyse. Door in een vroeg stadium te beginnen met communicatie over de warmtetransitie en door het sociale spoor wordt de uiteindelijke participatie verbeterd. Dit leidt tot een sneller resultaat met meer draagvlak.

Figuur 3: Het proces voor de ontwikkeling van de Transitievisie Warmte gevisualiseerd.

De analyses brengen de huidige stand van zaken en kansen in beeld. Waar kunnen de woning- en gebouweigenaren samen met de gemeente het beste starten met verduurzamen naar aardgasvrij (of aardgasvrij-ready11) en waar duurt dit aanmerkelijk langer? Bovendien wordt gekeken welke technieken realistisch zijn en welke niet. De analyse is gemaakt door de beschikbare open data te combineren met lokale (gesloten) data. Belangrijke bronnen zijn de Startanalyse van het Rijk, het CBS, de Klimaatmonitor, de Warmteatlas, het warmtebronnenregister, de Energietransitieviewer van Geodan, maar zeker ook de lokale input van de gemeente en andere betrokken stakeholders (o.a. inwoners, ondernemers(verenigingen), woningcorporaties, netbeheerder, waterschap en energiecoöperaties). Een overzicht van alle stakeholders zie bijlage 5. De analyse is uitgevoerd op drie niveaus: buurtniveau, straatniveau en postcode6 niveau. Gemeenten hebben een regierol als het gaat om de warmtetransitie. Maar zij kunnen deze grote verandering niet zonder andere partijen bereiken. Samenwerking is dan ook heel belangrijk. Daarom

11

Woningen en gebouwen worden door middel van energiebesparende maatregelen en het (wanneer nodig)

aanpassen van radiatoren klaar gemaakt om de laatste stap naar aardgasloos te zetten. TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

13

hebben wij deze TVW samen met alle genoemde stakeholders opgesteld. Samen met deze stakeholders gaan we de TVW ook uitvoeren. Naast een technische, economische analyse is ook een sociale analyse gemaakt. Bij de sociale analyse is een beeld gevormd van het sociale karakter van een wijk of buurt. Daarvoor is gestart met openbare data en cijfers (demografie, koopkracht, leeftijd). Daarna zijn de zachtere kenmerken van de wijken en buurten in beeld gebracht. Denk daarbij aan: wat speelt er, zijn er initiatieven, hoe is de wijk georganiseerd? De bestaande sociale infrastructuur is het speelveld dat je nodig hebt om uiteindelijk bewoners steeds meer mee te nemen in de warmtetransitie. De vertegenwoordigers van de sociale netwerken zijn immers de oren en ogen van de wijk/buurt en kunnen anderen aanwakkeren tot actie.

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

14

4 HOE? DE DUURZAME ALTERNATIEVEN Er zijn meerdere alternatieve technieken en bronnen die in de toekomst in Oisterwijk het aardgas kunnen vervangen. In dit hoofdstuk wordt hiervan een overzicht gegeven. Naast het inzetten op alternatieve technieken en bronnen ligt voor het merendeel van de woningen en gebouwen de focus in eerste instantie op het treffen van ‘geen spijt maatregelen’, zoals isoleren en het plaatsen van zonnepanelen. Op het moment dat een woning of gebouw een voldoende isolatieniveau bereikt, kan de laatste stap naar aardgasvrij eenvoudiger gezet worden.

4.1 Isolatie Het isolatiepakket dat nodig is om een woning of gebouw voor te bereiden op een andere, duurzame manier van verwarmen, is niet voor elke woning of gebouw hetzelfde. Het hangt af van de huidige staat van het pand maar ook van het toekomstige type warmtesysteem. Er zijn verschillende maatregelen te treffen als het gaat om isolatie, zoals vloerisolatie, gevelisolatie, dakisolatie, naad- en kierdichting, goede ventilatie en het vervangen van ramen en kozijnen. Het is hierbij belangrijk om inwoners en ondernemers te informeren over het isolatieniveau dat hoort bij het toekomstige warmtesysteem (het systeem dat met de huidige inzichten het meest voor de hand ligt) en over de handelingsmogelijkheden die zij hebben. Het is bijvoorbeeld aan te raden om duurzaamheidsmaatregelen op een natuurlijk moment te treffen, zoals bij een renovatie of verbouwing. Door werkzaamheden te combineren wordt geld bespaard én de overlast beperkt. Er is immers maar één moment van overlast. Het Oisterwijkse Energieloket kan hierin een belangrijke informerende en adviserende rol spelen.

4.2 Alternatieve technieken Er zijn op dit moment grofweg drie manieren om woningen en gebouwen zonder aardgas te verwarmen: 

All-electric, individuele elektrische alternatieven. Dit zijn onder andere de elektrische warmtepomp (met de bodem of de buitenlucht als bron), de elektrische cv-ketel, infraroodpanelen en de hybride warmtepomp (tussenoplossing, deels mogelijk eindoplossing);

Collectieve systemen, op basis van bijv. restwarmte uit de industrie, zonthermie, aquathermie, thermische energie uit afvalwater, biomassa of geothermie. Uitleg van deze begrippen zie bijlage 3.

Hernieuwbaar gas, o.a. groen gas en waterstof.

Er is nadrukkelijk gekeken naar de beschikbaarheid van groen gas en waterstof als energiedrager. De huidige beschikbaarheid van groen gas en waterstof is voorlopig niet groot. Op termijn (na 2030) kan dat mogelijk anders zijn en zal de mogelijke toepassing ervan bij een actualisatie van deze TVW moeten blijken. Waarschijnlijk zullen er in de toekomst nog meer nieuwe innovatieve en duurzame

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

15

warmtetechnieken worden ontwikkeld die op termijn nieuwe oplossingen bieden voor de verwarming van de gebouwde omgeving.

4.3 Bronnen in de gemeente Oisterwijk: de Voorste Stroom en de RWZI Uit de analyse blijkt dat er in Oisterwijk twee mogelijk potentiële warmtebronnen zijn die onderzocht kunnen worden als bron voor een collectieve warmtevoorziening. Het betreft de Voorste Stroom in Oisterwijk (aquathermie) en de RWZI in Haaren (thermische energie uit afvalwater). De Voorste Stroom kan volgens de huidige gegevens voldoende warmte genereren voor ongeveer 675 woningen12. De grootste belemmering voor deze bron is de mogelijke ecologische waarde van de Voorste Stroom. Wat zijn de gevolgen van aquathermie voor flora en fauna in deze stroom? Dit moet in een nader onderzoek worden meegenomen. De RWZI in Haaren kan energie leveren voor de verwarming van ongeveer 3.100 woningen. De afstand tot de bebouwing waar de afzet van de energie plaats moet vinden, kan de grootste belemmering zijn om een warmtenet rendabel te maken. Het onderzoek van bureau IF Technology beschrijft dat de omgeving Boxtelsebaan/Waterhoef binnen acceptabele afstand ligt voor de toepassing van thermische energie uit afvalwater uit de RWZI. Nader onderzocht moet worden hoe het tracé van het warmtenet er precies uit zou kunnen komen te zien. Het ligt voor de hand om in deze omgeving (ca.

1.345 woningequivalenten) te starten, om vervolgens uit te zoeken hoe ver het warmtenet naar het westen en ten noorden van de Voorste Stroom doorgetrokken kan worden. De ontwikkeling van collectieve trajecten zoals hiervoor genoemd is niet eenvoudig en neemt veel tijd in beslag (zo’n 8 tot 10 jaar).

4.3.1 Voor kansrijke bron ook afzetgebied nodig De warmte uit een duurzame warmtebron moet uiteindelijk ook kunnen worden afgezet in woningen en gebouwen. Dat wil zeggen dat woningen en gebouwen geschikt moeten zijn of geschikt kunnen worden gemaakt om de warmte te gebruiken. De warmte wordt met een warmtenet naar de woningen en gebouwen gebracht. Om de aanleg van een warmtenet rendabel te maken is er een bepaalde bebouwingsdichtheid nodig. In de gebieden in onderstaande figuur is deze bebouwingsdichtheid aanwezig, waardoor warmtenetten op aquathermie (Voorste Stroom) en thermische energie uit afvalwater (RWZI) mogelijk rendabel kunnen zijn. Dit zal nog nader onderzocht moeten worden. Voor de zwart gearceerde gebieden geldt dat de bebouwing in principe geschikt is voor een warmtenet, maar dat nader onderzoek moet uitwijzen of er ook een geschikte bron (bijvoorbeeld ondiepe geothermie of zonthermie) aanwezig is.

12 Haalbaarheidstudie aquathermie Oisterwijk, IF Technology, 30 november 2020

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

16

Zoekgebieden (met rode stippellijn omlijnde gebieden) voor mogelijke warmtenetten op RWZI Haaren of (met blauwe stippellijn omlijnde gebieden) aquathermie uit de Voorste Stroom. Naast deze gebieden zijn er nog andere gebieden waar de bebouwing geschikt is voor een warmtenet, maar waar aanvullend onderzoek moet uitwijzen of er ook een geschikte bron is (zwart gearceerde buurten). In verreweg de meeste gebieden voorzien we met de huidige kennis en stand der techniek een individuele warmtepomp. Daar waar dit niet mogelijk is, kan een hybride warmtepomp of groen gas/waterstof de uiteindelijke alternatieve techniek voor aardgas zijn.

4.3.2 Groen gas Het verbranden of vergisten van in de gemeente aanwezige biomassastromen zoals snoeihout en huishoudelijk afval kan hoge temperatuur (HT) warmte leveren via groen gas. Groen gas is een kansrijke warmtebron voor de gemeente Oisterwijk. Het is echter ook een warmtebron waarover nog veel onduidelijk is. In de Regionale Structuur Warmte (in de REKS) wordt gesteld dat groen gas regionaal ingezet moet worden, maar het is ook goed voor te stellen dat er op landelijk niveau gekeken wordt hoe en waar het beschikbare groen gas wordt ingezet. De volledige potentie van groen gas is op dit moment nog onbekend. Vooralsnog nemen we daarom de stelling in dat groen gas alleen op die plekken toegepast moet worden waar een andere warmtevoorziening echt niet mogelijk is.

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

17

4.3.3 Waterstof Waterstof kan net als groen gas voorzien in hoge temperatuur (HT) warmte. Dit kan betekenen dat er minder aanpassingen (isoleren) aan de woningen en gebouwen gedaan hoeven te worden. Echter, het is ook voor gebouwen waar waterstof wordt toegepast (evenals bij groen gas) goed om deze zoveel mogelijk te isoleren. Enerzijds is op dit moment absoluut nog niet duidelijk wat de potentie van waterstof is. Mogelijk dat er naast waterstof voor de transportsector en de industrie maar beperkt waterstof voor de gebouwde omgeving beschikbaar is. Hoe meer gebouwen goed geïsoleerd zijn, hoe meer gebouwen we met eenzelfde hoeveelheid waterstof kunnen bedienen. Anderzijds gaat waterstof net als aardgas geld kosten. Hoe minder je als bewoner of bedrijf hoeft af te nemen, hoe beter het is voor de energie-rekening. Daarnaast kost de productie van waterstof heel veel elektriciteit. Elektriciteit die duurzaam moet worden opgewekt, bijvoorbeeld met windmolens en zonnevelden. Voor woningen en gebouwen die voldoende geïsoleerd kunnen worden is het wellicht beter om met alternatieve technieken zoals een warmtepomp verwarmd te worden. Waterstof passen we dan toe in die gebouwen waar echt geen andere techniek mogelijk is (bijv. de transportsector en de industrie). De toekomst moet uitwijzen of waterstof ook in de gebouwde omgeving kan worden toegepast.

In de REKS is al een eerste stap in het inventariseren van kansen en mogelijkheden voor waterstof gezet. Dit zal de komende periode een vervolg krijgen. Het is verstandig om de ontwikkelingen rondom waterstof goed in de gaten te houden en bij elke herziening van de TVW de kansen en mogelijkheden van waterstof opnieuw te onderzoeken.

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

18

5 DE STAPSGEWIJZE AANPAK Een belangrijk onderdeel van de TVW is een planning waarin is opgenomen wanneer en in welke wijken en buurten wordt gestart met de warmtetransitie.. Starten met de warmtetransitie betekent in de eerste plaats dat we in Oisterwijk werk gaan maken van energiebesparing in onze woningen en gebouwen. Hiervoor ontwikkelen we een collectieve aanpak die is gericht op de ‘geen spijt maatregelen’, zoals isoleren, plaatsen van zonnepanelen, etc. Deze collectieve aanpak kan zowel op het niveau van de gehele gemeente uitgewerkt worden, maar ook op clusterniveau, waarin in gebieden met dezelfde bebouwing bijv. collectieve inkoopacties worden georganiseerd, een gerichte informatievoorziening wordt opgezet of een voorbeeldwoning wordt gerealiseerd. Daarnaast gaan we in de kansrijke wijken en buurten (zie hierna) het gesprek aan met de inwoners, ondernemers en andere stakeholders over hoe we de warmtetransitie in kunnen vullen, en onderzoeken we of er voldoende draagvlak is om de eerste stappen te gaan zetten richting een aardgasvrije wijk. Daarbij is het belangrijk om inzicht te verkrijgen in welke alternatieve warmtevoorzieningen voor de verschillende buurten het meest geschikt zijn. Om een weloverwogen keuze te kunnen maken tussen meerdere alternatieven is in samenwerking met de stakeholders een multicriteria-analyse (MCA) uitgevoerd.

Bij het uitvoeren van deze MCA is uitgegaan van de stand van zaken zoals die ten tijde van uitvoering (voorjaar 2021) bekend was. Ontwikkelingen in wijken buurten gaan echter door, waardoor na verloop van tijd ook anders gescoord kan worden op de verschillende criteria. Minimaal iedere vijf jaar worden deze criteria opnieuw gewogen en meegenomen in een geactualiseerde TVW.

5.1 Prioriteringscriteria wijken en buurten Voor de prioritering van wijken en buurten sluiten we grotendeels aan bij de criteria die in de landelijke Handreiking van het landelijke Expertisecentrum Warmte worden genoemd. We hanteren in Oisterwijk de volgende criteria: 

Koppelkansen (natuurlijke momenten zoals geplande riool- en infrastructurele werkzaamheden)

Technische staat van de woningen en gebouwen;

Aandeel corporatiewoningen;

Aanwezigheid duurzame bronnen;

Jaarlijks inkomen huishoudens;

Maatschappelijke kosten (en baten) en de betaalbaarheid van de maatregelen;

Draagvlak.

In bijlage 1 wordt beschreven wat deze criteria inhouden. Niet alle criteria zijn even belangrijk. Daarom zijn in overleg met de stakeholders aan de verschillende criteria weegfactoren toegekend. In totaal konden 100 punten verdeeld worden over de acht criteria. Figuur 4 laat zien wat de criteria zijn en wat de weegfactor is die de samenwerkingspartners hieraan hebben toegekend.

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

19

18%

Koppelkansen

15%

Technische categorisering 15% 17%

Aandeel corporatiewoningen Aanwezigheid duurzame bronnen

9% 17%

9%

Jaarlijks inkomen huishoudens Maatschappelijke kosten en baten Draagvlak

Figuur 4: Prioriteringscriteria en de weegfactoren.

5.2 Uitkomsten multicriteria-analyse Met de prioriteringscriteria en de bijbehorende weegfactoren is een multicriteria-analyse (MCA) uitgevoerd. Het toekennen van scores per criterium is in samenspraak met alle stakeholders uitgevoerd. Dit heeft geleid tot een ‘ranking’ van alle wijken en buurten in de gemeente Oisterwijk (zie figuur 5).

Figuur 5: ‘Ranking’ van de buurten.

Deze ranking geeft de mate van

geschiktheid aan van de gehele buurt voor de transitie naar

aardgasvrij. Het lijkt het meest logisch om de transitie naar aardgasvrij te starten in de wijken en buurten met de hoogste scores (de zogenaamde kansrijke wijken en buurten). Dat is ook de reden dat we in deze buurten het eerste in gesprek gaan met inwoners en bedrijven. Soms zijn de verschillen tussen wijken en buurten echter erg klein. We hebben daarom een MCAvalidatie (gevoeligheidsanalyse) uitgevoerd. Een methodiek waarmee we in het ‘mengpaneel’ bewust TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

20

elk criterium 1 keer belangrijker maken. We kijken daarmee hoe robuust de wijken in de top-6 blijven. Deze gevoeligheidsanalyse staat in bijlage 2 weergegeven. Na de validatie zien we dat de volgende wijken en buurten het meest robuust in de top-6 staan en daarmee als kansrijk worden aangemerkt: 1.

Omgeving Klompven/ Eikenven

2.

Omgeving Europalaan/ Hondsbergselaan

3.

Omgeving Bunders (waaronder de SMILE wijk Bunders-Dotterveld)

4.

Omgeving Dotterplein/ Wildemanstraat (waaronder de SMILE wijk Bunders-Dotterveld)

5.

Kern Moergestel

6.

Kern Haaren

Het lijkt dan ook slim om in deze kansrijke wijken en buurten het gesprek met inwoners en ondernemers aan te gaan om te onderzoeken of er draagvlak is om stappen te zetten richting een aardgasvrije wijk en om vervolgens een wijkuitvoeringsplan op kunnen stellen. De keuze om een wijkuitvoeringsplan op te stellen wordt gemaakt in samenspraak met de inwoners en ondernemers.

5.3 Omgeving Klompven/ Eikenven & omgeving Europalaan/ Hondsbergselaan In de buurten in de omgeving Klompven/ Eikenven en de omgeving Europalaan/ Hondsbergselaan staan nagenoeg uitsluitend vrijstaande woningen. In een deel van de woningen kan gezien het bouwjaar

(naoorlogs)

nog

relatief

veel

energie

bespaard

worden.

Desondanks

zijn

de

maatschappelijke kosten relatief laag. Dit komt waarschijnlijk door de aanwezigheid van een aanzienlijk aantal relatief jonge woningen. In deze woningen hoeven geen isolatiemaatregelen meer te worden getroffen en kan direct de stap naar aardgasloos worden gezet. Hierdoor komen deze buurten als één van de kansrijke buurten uit de MCA. Naast de isolatieopgave is het waarschijnlijk ook nodig om het warmte-afgiftesysteem (het systeem dat warmte verspreidt in de woning, zoals radiatoren of vloerverwarming) in deze woningen aan te passen. Door de lage woningdichtheid (veel vrijstaande woningen) ligt het niet voor de hand om in deze buurten een warmtenet aan te leggen omdat er relatief veel infrastructuur voor weinig woningen aangelegd moet worden. De warmtekoers voor deze buurten is daarom de individuele elektrische warmtepomp, die iedereen op zijn of haar eigen tempo kan plaatsen. Dit kan een luchtwarmtepomp zijn, maar door de ruime opzet van de straten is een bodemwarmtepomp (al dan niet klein-collectief) waarschijnlijk ook mogelijk.

5.4 Omgeving Bunders & omgeving Dotterplein/ Wildemanstraat In de wijk Bunders-Dotterveld loopt al enkele jaren het project ‘Bunders-Dotterveld energieneutraal’ (het vervolg op het SMILE-project in deze wijk). Deze wijk ligt in de CBS-buurten omgeving Bunders & omgeving Dotterplein/ Wildemanstraat. In deze buurten staan veel naoorlogse woningen met een energielabel D. Dit betekent dat er nog een isolatieopgave ligt. Ook moeten waarschijnlijk de warmteafgiftesystemen aangepast worden. Daarom kan het beste worden gestart met het nemen van ‘geen

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

21

spijt maatregelen’, bijv. isoleren en het plaatsen van zonnepanelen. Hierbij kan worden voortgeborduurd op het lopende project ‘Bunders-Dotterveld energieneutraal’. In een groot deel van beide buurten zijn mogelijk kansen voor een warmtenet op basis van aquathermie uit de Voorste Stroom. Dit wordt de komende jaren onderzocht. Wanneer een warmtenet niet mogelijk is, dan kan gedacht worden aan individuele warmteoplossingen. Een volledig elektrische warmtepomp ligt daarbij het meest voor de hand. Een mogelijke tussenstap is een hybride warmtepomp waarmee al 70-80% van het aardgasgebruik gereduceerd kan worden. De warmtekoers voor deze buurt is dan ook: 1. Continueren project ‘Bunders-Dotterveld energieneutraal’ en met de buurtbewoners en andere stakeholders in gesprek gaan over individuele en collectieve kansen (isolatie en warmtetechniek); 2. De mogelijke kansen van een warmtenet (aquathermie uit de Voorste Stroom) verder onderzoeken, en; 3. Wanneer een warmtenet niet haalbaar is, de focus leggen op individuele warmtepompen in de buurt.

5.5 Kernen Moergestel & Haaren In de kernen Moergestel en Haaren vinden we geen kansrijke grootschalige warmtebronnen, zodat een collectieve warmtevoorziening niet voor de hand ligt. De kernen bestaan uit een variatie van woningtypen en bouwjaren, waardoor een onderverdeling van warmteclusters gemaakt moet worden. Zo vinden we in beide kernen straten waar relatief nieuwe woningen staan. Deze woningen hoeven niet meer aanvullend geïsoleerd te worden en kunnen gelijk (bijvoorbeeld tijdens een vervangmoment van de CV-ketel) worden voorzien van een individuele elektrische warmtepomp. Een mogelijke tussenstap is de hybride warmtepomp waarmee 70-80% van het aardgasgebruik gereduceerd kan worden. De overige woningen en gebouwen moeten waarschijnlijk wel nog eerst geïsoleerd worden. Afhankelijk van de bebouwing kan dit mogelijk collectief worden opgepakt. Denk aan gezamenlijke inkoopacties, een voorbeeldwoning in de wijk en een gerichte informatievoorziening, etc. (zie ook paragraaf 5.6). Een deel van de gebouwen (de oudere woningen en gebouwen) kan mogelijk niet voldoende geïsoleerd worden om uiteindelijk met een elektrische warmtepomp te worden verwarmd. Voor die gebouwen is een hybride warmtepomp de eindoplossing. In een aantal gevallen wordt een gebouw mogelijk in de toekomst nog volledig verwarmd met groen gas of waterstof. Voor alle gebouwen geldt: eerst zoveel mogelijk isoleren.

5.6 Collectieve aanpak Oisterwijk Omdat er maar een beperkt aantal wijken of buurten is met een mogelijke collectieve warmteoplossing, starten we ook met een collectieve aanpak voor alle woningen en gebouwen in onze gemeente, die is gericht op de zogenaamde ‘geen spijt maatregelen', zoals isoleren, plaatsen van zonnepanelen, etc. Deze collectieve aanpak kan zowel op het niveau van de gehele gemeente (gemeentebreed) worden uitgewerkt, maar ook op clusterniveau (zie hieronder). In eerste instantie concentreren we ons op het creëren van een handelingsperspectief voor alle inwoners van Oisterwijk. TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

22

5.6.1 Collectieve aanpak in specifieke clusters Naast een aanpak voor de gehele gemeente (gemeentebreed) gaan we ook aan de slag met een collectieve aanpak op clusterniveau. We zoeken daarbij naar buurten en wijken met eenduidige bebouwing waarin een collectieve informatievoorziening en ontzorging van bewoners en ondernemers opgezet kan worden. Denk aan het realiseren van een voorbeeldwoning, collectieve inkoopacties en gerichte informatie over hoe bewoners en ondernemers hun pand kunnen isoleren en de laatste stap naar aardgasvrij kunnen zetten. In de volgende paragrafen beschrijven we de kansen voor het ontwikkelen van een collectieve clusteraanpak. Deze kan worden opgedeeld in drie categorieën: 

Wijken met eenduidige bebouwing waar de laatste stap naar aardgasvrij gezet kan worden;

Wijken met eenduidige bebouwing waar nog geïsoleerd kan/moet worden;

Wijken met een isolatieopgave én gemiddeld lagere inkomens.

5.6.2 Wijken waar de laatste stappen naar aardgasloos gezet kunnen worden In wijken met veel dezelfde woningen en gebouwen die na 1992 zijn gebouwd (vanaf dat moment worden gebouwen conform het Bouwbesluit met voldoende isolatie gebouwd om zonder aanvullende isolatie met een warmtepomp verwarmd te kunnen worden) is het mogelijk om een collectieve aanpak op te zetten wat betreft informeren en ontzorgen bij het zetten van de laatste stappen naar aardgasvrij (oranje gebieden op de onderstaande kaart). Denk aan het gericht informeren, het realiseren van een voorbeeldwoning en collectieve inkoopacties van zonnepanelen, warmtepompen, etc. Let op, de kaart laat niet alle woningen gebouwd na 1992 zien, maar alleen de gebieden waar veel dezelfde woningen van na 1992 staan. In deze gebieden kan door de eenduidige bouw een collectieve aanpak opgezet worden. Dit geldt ook voor de andere categorieën die in paragraaf 5.6.3 en 5.6.4 beschreven worden.

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

23

Figuur 6: gebieden waar een collectieve aanpak mogelijk is en waar de laatste stap naar aardgasvrij gezet kan worden.

5.6.3 Wijken waar nog geïsoleerd kan/moet worden In wijken met veel dezelfde woningen en gebouwen die voor 1992 zijn gebouwd is het mogelijk om een collectieve aanpak op te zetten wat betreft informeren en ontzorgen bij het isoleren van gebouwen (rode gebieden op de onderstaande kaart). Denk hierbij aan het gericht informeren, het realiseren van een voorbeeldwoning en collectieve inkoopacties van isolatiemaatregelen. De aanwezigheid van woningen in eigendom van woningcorporaties kan helpen bij het opzetten van collectieve acties. Woningcorporaties hebben veel woningen in bezit waarmee ze collectieve acties aan kunnen zwengelen.

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

24

Figuur 7: gebieden waar een collectieve aanpak mogelijk is en waar nog geïsoleerd kan worden.

5.6.4 Wijken waar nog geïsoleerd kan worden én waar de inkomens gemiddeld laag zijn Het isoleren van woningen kost geld. In veel gevallen zijn de benodigde investeringen fors. Huishoudens met een laag inkomen kunnen deze investering niet altijd zelf doen. Dit, terwijl de energieprijzen blijven stijgen. Het is goed om speciale aandacht aan deze groep inwoners te geven om ‘energiearmoede’ te voorkomen. In de roze gebieden (zie onderstaande kaart) liggen veel dezelfde woningen die nog een isolatieopgave hebben (woningen gebouwd voor 1992) én waar de inkomens veelal laag zijn. Het is nu nog niet duidelijk hoe de aanpak er precies uit gaat zien.

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

25

Figuur 8: gebieden waar een collectieve aanpak mogelijk is en waar nog geïsoleerd kan worden in combinatie met gemiddeld lage inkomens (voornamelijk in Oisterwijk).

5.7 Planning wijken en buurten In de voorgaande paragrafen is beschreven met welke buurten en wijken we zouden kunnen starten met de warmtetransitie (de kansrijke wijken en buurten) en welke (collectieve) aanpak we hanteren voor de overige buurten.

Vóór 2030 In de kansrijke wijken en buurten (de groene buurten in de kaart op de volgende pagina) gaan we vanaf 2022 in gesprek met de inwoners en ondernemers. In die gesprekken wordt bepaald of er voldoende draagvlak is om de warmtetransitie (op weg dus naar aardgasvrij) te starten en zo ja, hoe er een wijkuitvoeringsplan opgesteld kan worden. In dat plan wordt verder uitgewerkt hoe de transitie daadwerkelijk gaat plaatsvinden. Hierbij betrekken wij naast de inwoners en ondernemers ook de TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

26

overige stakeholders, waaronder de woningcorporaties, energiecoöperaties en de netbeheerder. Op basis van de ervaringen in de eerste wijken kunnen vervolgens ook in de overige kansrijke wijken en buurten wijkuitvoeringsplannen worden opgesteld.

Ná 2030 Voor de blauwe gebieden op de kaart zullen we op termijn, na 2030, ook een wijkuitvoeringsplan opstellen. Dit zijn stedelijke gebieden die net als de kansrijke wijken en buurten vanwege het grote aantal woningen en bedrijven mogelijk op termijn in aanmerking komen voor een collectieve warmteoplossing.

Eigen tempo De roze gebieden (voornamelijk de buitengebieden) doorlopen een geheel eigen tempo, veelal op basis van een individuele aanpak. Deze gebieden betreffen veel vrijstaande woningen in gebieden met lage woningdichtheden. De diversiteit is ook nog eens erg groot. Het is waarschijnlijk dat deze woningen – voorlopig - niet collectief van het aardgas af gaan, maar dat de woningeigenaren hier hun eigen moment voor kiezen. Ter verduidelijking is op de onderstaande kaart ook de SMILE wijk Bunders-Dotterveld weergegeven (gebied omlijnd met blauwe stippellijn). Deze wijk maakt onderdeel uit van de CBS-buurten Omgeving Bunders & Omgeving Dotterplein/Wildemanstraat. Bij de actualisatie van de TVW (elke vijf jaar) kan de planning voor de buurten specifieker worden, omdat dan meer kennis en informatie beschikbaar is.

TRANSITIEVISIE WARMTE OISTERWIJK

27

6 KOSTEN EN BATEN WARMTETRANSITIE 6.1 Betaalbaarheid technieken De benodigde investeringen voor de warmtetransitie zijn grofweg te verdelen in twee groepen: investeringen in de woningen en investeringen in de openbare ruimte. Investeringen in de woningen bestaan uit het toepassen van isolatiemaatregelen en het aanschaffen of aanpassen van installaties. De investeringen in de openbare ruimte bestaan uit investeringen in het realiseren of toegankelijk maken van een duurzame warmtebron en investeringen in de infrastructuur. Dat kan bijvoorbeeld het uitbreiden van het bestaande elektriciteitsnetwerk zijn, maar ook het realiseren van een warmtenet. Indirect gaan deze kosten uiteraard ook bij de bewoners landen (via belastingen en opslagen). In de onderstaande tabel (tabel 1) is een indicatie gegeven van de verhouding van de investeringen voor het opwekken van de energie (energiebron), de infrastructuur voor het transporteren van de energie en de benodigde aanpassingen in het gebouw.

Tabel 1: Indicatie van de verhouding van de investeringen. Energiebron

Infrastructuur

Gebouw

Elektrische warmtepomp 1

€

€€

€€€

Elektrische CV-ketel 1

€

€€

€€€

Infraroodpanelen 1

€

€€

€€€

Hybride warmtepomp

€€€

€€

€

Aquathermie2

€

€€€

€€

Zonthermie2

€

€€€

€€

Thermische energie afvalwater

€

€€€

€€

Geothermie

€€€

€€

€

Groen gas

€€€

€€

€

Waterstof

€€€

€

€

1. Sterk afhankelijk van lokale energieopwek (op eigen dak) of decentrale opwek (bijv. windmolens en grootschalige zonnevelden) 2. Afhankelijk van het temperatuurniveau van het systeem kunnen er meer kosten verplaatsen richting het gebouw

De kansrijke wijken en buurten sorteren voornamelijk voor op individuele technieken. De kosten voor deze warmtescenario’s zijn tegen de huidige situatie afgezet. Hiervoor zijn uitgebreide berekeningen gemaakt die met name bij de wijkuitvoeringsplannen met de woningeigenaren besproken kunnen worden. Bondig samengevat laten we hieronder zien hoe de energielasten zich zullen ontwikkelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10760154/2