CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-54 Bestemmingsplan Raadhuisstraat ong.- bijlage 2.2 Toelichting bestemmingsplan

RAAD 14 oktober 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-54 Bestemmingsplan Raadhuisstraat ong.15.616 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

pagina 27 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

lokaal kleiig, grindig of humeus. De doorlatendheid is matig. Het 1e watervoerende pakket is 43 meter dik, en bestaat uit matig fijn tot uiterst grof zand, lokaal grindig. De doorlatendheid is goed. Uit de meeste boorprofielen blijkt dat de bodem tot 1,0 m-mv vrijwel altijd bestaat uit matig fijn en matig siltig zand, matig humeus. Uit een enkele peilbuis (boring 03) bleek vanaf 1,20 tot 1,60 mmv de bodem te bestaan uit veen. Uit vijf peulbuizen (boring AG02, AG03, AG05, AG06 en AG07) bleek vanaf circa 0,8 mv de bodem te bestaan uit matig grof zand (gemeten tot maximaal 2,0 m-v). Het Grondwaterzakboekje (Bot, 2011) geeft een zeer globale schatting van het doorlaatvermogen van de gevonden grondsoorten. Matig fijn zand kent een doorlatendheid van 3 tot 15 meter per dag. Matig grof zand kent een doorlatendheid van 5 tot 30 meter per dag. Veen kent een doorlatendheid van 0,001 tot 0,1 meter per dag. Infiltratie wordt in principe reëel geacht indien de doorlatendheid van de bodem meer dan 0,8 meter per dag bedraagt. Er moet echter rekening gehouden worden dat de grond matig humeus bevonden wordt.

Figuur 4.1:

de provinciale kwel- en infiltratiekaart (plangebied rood omlijn, boring 03 aangeduid met gele stip).

De provinciale infiltratie kwel- en infiltratiekaart weergeeft voor het plangebied een lichtblauwe aanduiding. Dit houdt in dat binnen het plangebied er sprake is van ‘meestal kwel’. Doordat in kwelgebieden een constante aanvoer van grondwater is, kennen deze gebieden weinig bergingsmogelijkheden in de bodem en zijn ze gevoelig voor (grond)wateroverlast. De provinciale kwel- en infiltratiekaart is gebaseerd op berekeningen met het Waterdoelenmodel. Op basis van de

pagina 28 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

gemiddelde en de maximale jaarlijkse verticale stroming door de deklaag of eerste scheidende laag is de kwel- en infiltratiekaart tot stand gekomen. Uit het voorgaande kan niet met zekerheid worden gesteld dat infiltratie mogelijk is. Derhalve is aanvullend een doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd door Tritium Advies (Tritium Advies, Oriënterend doorlatendheidsonderzoek Raadhuisstraat ong. te Moergestel, projectkenmerk 2103/252/KB-01, versie 0 d.d. 7 mei 2021). Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat globaal tot plaatselijk 1,2 m-mv uit matig fijn, zwak tot matig siltig, zwak tot matig humeus zand. Daaronder bevindt zich tot 3,4 m-mv (maximaal verkende diepte) matig fijn tot zeer fijn en zwak siltig zand. Plaatselijk wordt vanaf 2,2 m-mv sterk zandig leem en vanaf 1,5 m-mv laagjes leem aangetroffen. Op basis van de tijdens het veldwerk waargenomen gleykenmerken (roest) en grondwaterstand, wordt op de locatie een GHG verwacht van circa 0,7 m-mv. Het doorlatendheidsonderzoek is uitgevoerd met het oog op een tweetal beoogde bergingsvoorzieningen. Een bergingsvoorziening ten noorden van het boogde gebouw en een bergingsvoorziening ten zuiden van het beoogde gebouw. In beide gevallen is beoogd een ondergrondse bergingsvoorziening te realiseren (onder rijbaan c.q. parkeerplaatsen).

Op basis van onderhavig doorlatendheidsonderzoek is uiteindelijk de bergingsvoorziening uitgewerkt en gedimensioneerd, e.e.a. zoals beschreven op pagina’s 33 en 34.

Figuur 4.2: Zoekgebied situering bergingsvoorzieningen (rood omlijnd noordelijke voorziening, blauw omlijnd zuidelijke voorziening)

pagina 29 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Uit de meetresultaten ter plaatse van de noordelijk gelegen bergingsvoorziening blijkt dat de doorlatendheid (K-waarde) van de teelaarde (matig fijn, zwak tot matig siltig, zwak tot matig humeus zand) op de aanlegdiepte van circa 0,6 m-mv circa 0,25 m/dag bedraagt (gemiddelde van meting 02 en 04) en daardoor zeer slecht te noemen is. Ter plaatse van de zuidelijk gelegen bergingsvoorziening blijkt dat de doorlatendheid (K-waarde) van de teelaarde (matig fijn, zwak siltig, zwak humeus zand) op de aanlegdiepte van circa 0,6 m-mv circa 1,1 m/dag bedraagt (gemiddelde van meting 06 en 07) en daardoor matig tot slecht te noemen is. De theoretische doorlatendheid op basis van de SCG-zeefkromme van het zand onder de bergingsvoorzieningen (0,8 - 2,00 m-mv) bedraagt circa 4,45 m/d en is goed te noemen. De doorlatendheid van de verzadigde zone ter plaatse van de noordelijk gelegen bergingsvoorziening bedraagt circa 0,29 m/dag en is zeer slecht te noemen. De doorlatendheid van de verzadigde zone ter plaatse van de zuidelijk gelegen bergingsvoorziening bedraagt circa 0,98 m/dag en is eveneens zeer slecht te noemen. Mogelijk vindt bij infiltratie in deze laag een merkbare opbolling van het grondwater plaats. Op basis van de huidige bodemopbouw, de te verwachte GHG (0,7 m-mv) en meetresultaten blijkt er slechts een beperkte bergingscapaciteit en doorlatendheid aanwezig te zijn.

Infiltratie van hemelwater op circa 0,6 m-mv is in beginsel erg lastig. Het ontwerpen en aanleggen van een infiltratievoorziening moet door een ervaren specialist worden uitgevoerd. Het bepalen of huidige ontwerp van het infiltratiesysteem voldoende functioneert valt buiten de reikwijdte en het doel van onderhavig onderzoek. De conclusies van het doorlatendheidsonderzoek betreffen: Voor het eventueel vergroten van de berging van hemelwater en de infiltratiecapaciteit kan eventueel gedacht worden aan: •

uitbreiden van de oppervlakte van het infiltratiesysteem;

•

plaatsing van dunnere infiltratiekratten waardoor deze hoger boven de GHG kan worden aangebracht;

•

het verbeteren van het oorspronkelijke bodemprofiel tot aan de freatische grondwaterspiegel (gemiddeld peil circa 1,2 m-mv). Bijvoorbeeld middels een combinatie van het verwijderen van humeuze en siltige bovenlaag en het aanvoeren van goed doorlatend materiaal zoals drainagezand.

•

Het terrein voorafgaande aan de nieuwbouw ophogen. Op deze wijze wordt de drooglegging verbeterd en neemt de dikte van de eventueel voor infiltratie te benutten onverzadigde zone toe.

Het doorlatendheidsonderzoek doet diverse suggesties ter vergroting van de infiltratiecapaciteit. Op basis van de resultaten is een oplossingsrichting gekozen voor een adequate bergingsvoorziening welke is uitgewerkt en gedimensioneerd, e.e.a. zoals beschreven op pagina’s 33 en 34. Oppervlaktewater Ten oosten van het plangebied is op circa 70 meter van het plangebied de waterloop ‘Reusel’ gelegen.

pagina 30 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Grondwater Het freatisch grondwater ligt op een stijghoogte van 9 m+NAP, en kent een oostelijke stromingsrichting. Het 1e watervoerende pakket ligt op een onbekende stijghoogte, en kent een oostelijke stromingsrichting. Op basis van het doorlatendheidsonderzoek ligt de GHG op circa 0,70 m-mv. Gelet op de ligging van het plangebied nabij de Reusel kan er mogelijk ondergronds kwel plaatsvinden bij hogere waterstanden in de Reusel ten opzichte van het maaiveld. Afvalwater Het afvalwater dat binnen het plangebied wordt geproduceerd wordt afgevoerd via het reeds aanwezige rioolstelsel. Waterbergingsopgave Het planvoornemen gaat gepaard met een wijziging van het watersysteem. In het plangebied worden nieuwe woningen gerealiseerd. Het plangebied is circa 2264 m² groot. In de huidige situatie is het terrein geheel onbebouwd. Door de beoogde nieuwbouw verandert de hydrologische situatie ter plaatse. Voor de waterparagraaf wordt uitgegaan van de meegeleverde schets. Er wordt worst-case van uitgegaan dat het gehele terrein verhard wordt. Tabel 4.1: gegevens verhardingen Huidige oppervlakte (m2)

Toekomstige oppervlakte (m2)

0

735

Terrein verharding

0

1329

Onverhard terrein

2264

200

Totaal

2264

2264

Oppervlaktes Daken

Momenteel is het terrein onbebouwd / onverhard. Het perceel beslaat een oppervlakte van circa 2264 m². In de toekomstige situatie wordt voorzien in een totale verharding (terreinverharding en woningen) van het perceel. Derhalve neemt de totale verharding binnen het plangebied toe met circa 2264 m². Omdat de toename van het verhard oppervlak groter is dan 500 m², geldt vanuit het waterschap een compensatieverplichting.

pagina 31 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Figuur 4.3: concept schets Raadhuisstraat.

Een belangrijk uitgangspunt is dat de zorgplicht begint bij de burger. Bij regenwater geldt dat lokale lozing van het regenwater in het milieu (al dan niet via een gemeentelijk regenwaterriool) de voorkeur geniet boven lozing op een gemengd stelsel. Voor de afvoer van hemelwater geldt het uitgangspunt 'hydrologisch neutraal ontwikkelen'. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, niet versneld mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Voor behandeling van dit water geldt conform het gemeentelijk beleid de waterkwantiteitstrits, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 4 het minst wenselijk is: 1. infiltreren; 2.

bergen;

3.

afvoeren naar oppervlaktewater;

4.

afvoeren naar riolering.

Dimensionering Conform het beleid van de gemeente en het waterschap geldt de volgende rekenregel voor verhardingen tot 10.000 m²: toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) = benodigde compensatie (in m3)

pagina 32 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

De Keurkaart weergeeft voor het gebied waar het plangebied gelegen in is een gevoeligheidsfactor van ‘1’. Derhalve geldt voor de regenrekel de volgende som: 2264 x 1 x 0,06 = 135,84. Op basis van de rekenregels bedraagt de minimale bergingseis 135,84 m³. Deze trits dient te worden doorlopen en er dient beargumenteerd te worden voor welke optie wordt gekozen. Als (volledige) infiltratie niet mogelijk is, is het noodzakelijk om water te bergen of af te voeren naar oppervlaktewater. Bij 'bergen' kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een buffersloot met een geknepen afvoer naar een nabij gelegen watergang. Mocht ook dit niet mogelijk zijn resteert het afvoeren van het hemelwater naar de riolering. Voor de dimensionering van eventuele infiltratie- of bergingsvoorzieningen zijn de volgende parameters van belang: •

de k-waarden van de ondergrond;

•

de afgekoppelde oppervlakken die worden aangesloten op de voorziening;

•

de te verwachten neerslag, evenals de intensiteit ervan.

Op basis van de voorgaande resultaten zoals beschreven in deze paragraaf is uitwerking gegeven aan de civieltechnische uitwerking van een infiltratievoorziening, bestaande uit relatief ondiepe kratten. Beoogd wordt om het oorspronkelijke bodemprofiel te verbeteren tot aan de freatische grondwaterspiegel (gemiddeld peil circa 1,2 m-mv) zoals geadviseerd in het doorlatendheidsonderzoek. Boven de GHG zal vervolgens ter plaatste van de parkeerplaatsen, en waar nodig om te kunnen voorzien in voldoende capaciteit eveneens ter plaatse van de rijbaan binnen het plangebied, infiltratiekratten (van beperkte diepte) worden geplaatst. Deze bergingsvoorziening zal in ieder geval ruimte bieden aan de berekende maatgevende berging van 135,84 m3. De beoogde infiltratiekratten hebben een diepte van circa 40 cm en kunnen 0,376 m3 per m2 bergen. De kratten zullen in één laag worden gerealiseerd. Er zal 362 m2 kratten worden aangelegd. Daarmee kan 136,11 m3 water worden geborgen. De (oppervlakte van de) parkeerplaatsen en rijbaan binnen het plangebied bieden voldoende ruimte om hierin te kunnen voorzien. Door het toepassen van een dekking van 30 cm komen de kratten volledig boven de GHG te liggen. Om te kunnen bepalen of de beoogde voorziening voldoende snel ook weer beschikbaar zijn voor opvolgende buiten is ook de leeglooptijd berekend.

Bij het berekenen van de leeglooptijd zijn de onderstaande uitgangspunten gehanteerd: -

K-waarde vanaf 0,80 m – maaiveld = ca. 4,45 m/d.

-

K-waarde grondverbetering tot 1,2 m minus maaiveld = minimaal 10 m/d (drainzand)

-

Wandoppervlakte infiltratievoorziening = 145 x 0,40 m = 58 m2

-

Bergingscapaciteit = ca. 136 m3.

Het infiltratieoppervlak bedraagt 58 m2. Uitgaande van de laagste K-waarde van 4,45 m/d bedraagt de infiltratiecapaciteit 258 m3 per dag. Dit betekent dat de bergingsvoorziening van 136 m3 in ca. 13 uur leeg is en weer beschikbaar is voor een nieuwe maatgevende bui.

pagina 33 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Tot slot wordt geadviseerd een noodoverstort op het laagste punt aan te leggen dat wordt aangesloten op het gemeentelijk riool in de Raadhuisstraat. Daarmee wordt voorzien in een hydrologisch neutraal planvoornemen. De exacte locatie, dimensionering en uitwerking van het (infiltratie)systeem wordt uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan. De inhoud van het plan, de inpassing in het waterhuishoudkundige systeem en de toe te passen methode wordt overleg met het waterschap uitgewerkt.

Figuur 4.4: concept waterhuishoudkundig-/riool plan (grasveld civiele techniek)

Conclusie Gezien het vorenstaande kan worden gesteld dat het aspect water na inachtneming van de voornoemde aandachtspunten geen beperkingen oplegt aan het beoogde planvoornemen en dan kan worden voorzien in een hydrologische neutrale oplossing. De exacte locatie, dimensionering en uitwerking van het (infiltratie)systeem wordt in het waterhuishoudkundig plan uitgewerkt.

pagina 34 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

4.5 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijk ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven, waarvan de richtafstanden vanuit de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' van invloed zijn op het plangebied. Wijze van meten van de richtafstanden De richtafstand geldt in eerste instantie vanaf de grens van het perceel waarop een milieubelastende bestemming c.q. functie rust tot de grens van het perceel waarop een woning (milieugevoelige bestemming) volgens het bestemmingsplan mogelijk is. Wanneer deze afstand niet toereikend is, wordt gekeken naar de maximale bouwmogelijkheden.

Categorie-indeling functiemenging De Staat van Bedrijfsactiviteiten (vanaf nu ‘SvB’) 'functiemenging' wordt gehanteerd in gebieden waar bedrijven en/of andere milieubelastende functies verspreid zijn gesitueerd tussen woningen en/of andere gevoelige functies. Onderstaand wordt hier meer in detail op ingegaan. Het gaat in dergelijke gebieden in het algemeen om relatief kleinschalige bedrijvigheid die op korte afstand van woningen kan worden toegestaan. De toelaatbaarheid van activiteiten wordt voor dergelijke gebieden in de VNG-uitgave (en de SvB 'functiemenging') bepaald met behulp van op deze situaties toelatingscriteria. Functiemengingsgebieden In bestaande gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar functiemenging wordt nagestreefd, wordt de SvB 'functiemenging' toegepast. Zoals in de VNG-uitgave reeds is aangegeven kan bij functiemengingsgebieden gedacht worden aan: •

stadscentra, dorpskernen en winkelcentra;

•

horecaconcentratiegebieden;

•

zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen;

•

(delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid.

Daarnaast kan ook in (delen van) woongebieden waar enige vorm van bedrijvigheid aanwezig of gewenst is de SvB 'functiemenging' worden toegepast.

pagina 35 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Figuur 4.5: de nabij liggende maatschappelijke en bedrijfsfuncties.

Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Moergestel. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich vanwege de diversiteit aan functies als een gemengd gebied. Dit betekent dat de te hanteren richtafstanden met één stap verlaagd mogen worden. In de nabije omgeving bevinden zich zowel woningen als relevante maatschappelijke en bedrijfsfuncties (zie figuur 4.5). De Raadhuisstraat betreft een oude lint met bedrijvigheid en woonfuncties naast elkaar gesitueerd. Derhalve kan ook gesproken worden in onderhavige situatie van functiemenging. Het plangebied grenst aan een gemengde functie (ten oosten van het plangebied). Binnen de functie ‘Gemengd - voorzieningen’ zijn verschillende bedrijvigheden toegestaan. In de bestaande situatie is hier een multidisciplinair medisch centrum met bijhorende parkeerfaciliteiten gelegen. Voor de activiteiten zoals deze worden verricht bij het medisch centrum kan het best aangesloten worden bij de functies ‘artsenpraktijk’ of ‘kliniek’. Deze vallen onder milieucategorie 1, wat een aan te houden afstand behelst van 0 meter in een gemengd gebied. Er wordt derhalve aan de aan te houden richtafstand voldaan in de toekomstige situatie. Ten noordoosten van het plangebied is een bedrijfsfunctie gelegen.

Hierbinnen zijn enkel bedrijven uit ten hoogste categorie B1 toegestaan zoals benoemd in het bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ van de Staat van Bedrijfsactiviteiten ‘functiemenging’. Categorie B1 betreft bedrijfsactiviteiten die naast of beneden woningen/andere gevoelige functies in een daarvoor omschreven gebied met functiemenging zijn toegestaan. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit 2012 toereikend zijn. Derhalve kan worden vastgesteld dat deze bedrijfsfunctie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

pagina 36 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Er liggen in de buurt van het plangebied verder verschillende maatschappelijke en centrumfuncties, zoals een fysiotherapeut, een herberg, een ijssalon, een bank en dergelijke. Deze liggen op voldoende afstand van het plangebied en vormen daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van circa 15 woningen aan de Raadhuisstraat ongenummerd te Moergestel.

4.6 Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de “Wet luchtkwaliteit” in beeld te worden gebracht. De “Wet luchtkwaliteit” voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties ter plaatse van het plangebied voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen. Rekenpunt 20373 (Raadhuisstraat, Oisterwijk) is het meest nabij het plangebied gelegen. Uit de controle blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2020 en 2030 niet worden overschreden. Draagt een project ‘Niet In Betekenende Mate’ (hierna: NIBM) bij aan de luchtverontreiniging, dan is geen toetsing aan de grenswaarde voor luchtkwaliteit nodig.

Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. Voor woningbouw is in de NIBM-regeling een grens opgenomen van 1500 nieuwe woningen met één ontsluitingsweg en 3000 nieuwe woningen met twee ontsluitingswegen. Plannen voor woningbouw met een omvang onder deze grens beschouwt de “Wet luchtkwaliteit” als ‘niet in betekenende mate’. Deze plannen mogen zonder verdere toetsing worden gerealiseerd. Beoordeling en conclusie Er worden in totaal 15 woningen gerealiseerd. Daarmee wordt de NIBM-grens niet overschreden. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. Tevens zal er geen sprake zijn van een negatief effect met betrekking tot het blootstellingscriterium. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde (her)ontwikkeling.

pagina 37 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

4.7 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: • het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; •

het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten

Vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden over spoor, weg, water en door buisleidingen. Daarnaast kunnen inrichtingen gevaarlijke stoffen opslaan. Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Figuur 4.6: Uitsnede van de risicokaart. Het plangebied is aangeduid met een rode markering.

pagina 38 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Inventarisatie Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is gebruik gemaakt van de “Risicokaart Nederland” - www.risicokaartnederland.nl (samenwerking van het Rijk, de provincies en de gemeenten). Op de uitsnede van de risicokaart zijn verschillende buisleidingen te vinden die mogelijk potentiele risicobronnen vormen voor het plangebied. 1. Tankstation Total van Esch De inrichting bevindt zich in het dorp Moergestel aan de Schoolstraat 52. De inrichting is niet QRAverplicht of –gemaakt. Derhalve is nader onderzoek naar de inrichting niet noodzakelijk. 2. PRB-leiding De dichtstbijzijnde buisleiding is circa 1,15 kilometer van het plangebied verwijderd. De buisleiding ligt op een dusdanig ruime afstand van het plangebied gelegen dat deze geen belemmering vormt voor het planvoornemen. 3. Rijksweg A58 (Knooppunt de Baars – afrit 8 (Oirschot)) De Rijksweg A58 is op circa 1,15 kilometer van het plangebied gelegen. Van de weg zijn voorts de gegevens in navolgende tabel 1 bekend: Tabel 4.2: gegevens Rijksweg A58 Stofcategorie

Hoeveelheden

Maximale effectafstand

(ketelwagens)

(m)

LF1

Brandbare vloeistoffen

16803

45

LF2

Zeer brandbare vloeistoffen

34358

45

LT1

Toxische vloeistoffen

767

730

LT2

Toxische vloeistoffen categorie 2

2662

LT3

Toxische vloeistoffen categorie 3

0

>4000

LT4

Toxische vloeistoffen categorie 4

0

>4000

GF1

Brandbare gassen

396

40

GF2

Brandbare gassen

266

280

GF3

Licht ontvlambare gassen

4065

355

GT2

Toxische gassen

0

245

GT3

Toxische gassen categorie 3

159

560

GT4

Toxische gassen categorie 4

543

>4000

GT5

Toxische gassen categorie 5

0

>4000

880

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de stof GT4 (toxisch). Deze stof heeft een invloedsgebied van 4 kilometer. Het plangebied is binnen deze invloedsgebieden gelegen, maar bevindt zich buiten de PR 10-6 contouren en plasbrandaandachtsgebieden. Er dient te worden getoetst aan artikel 7 van het Bevt. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (Veiligheidsregio OMWB) heeft een standaardadvies opgesteld. Dit standaardadvies kan gebruikt worden voor de verantwoording van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen. In navolgend overzicht is te zien wanneer het standaardadvies kan worden gebruikt.

pagina 39 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Tabel 4.3: Gebieden, toepassingsbereik standaardadvies (OMWB) Gebied

Verantwoording en advies

1

Op korte afstand van een risicobron (<30 m)

Verantwoording groepsrisico en advies Veiligheidsregio

2

Tussen 30 en 200 m van een risicobron

Verantwoording groepsrisico en standaard advies Veiligheidsregio

3

Buiten 200 of 750 m van een risicobron

Standaard verantwoording groepsrisico en standaard advies Veiligheidsregio

4

Buiten invloedsgebieden

Geen verantwoording groepsrisico en geen advies Veiligheidsregio

De Veiligheidsregio heeft een standaardadvies opgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van een Bevi inrichting en/of de infrastructuur. Het initiatief past binnen de werking van het Standaardadvies: “Ontwikkelingen buiten de 200 m van een categoriale Bevi inrichting, spoorlijn, autoweg, waterweg of buisleiding”. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio (d.d. 8 december 2017) is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt met in acht neming van het standaardadvies van de Veiligheidsregio geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Archeologie Met de erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. Tot 1 juli 2016 waren hiervoor verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden en zijn alle wetten en regels ten aanzien van het cultureel en archeologisch erfgoed gebundeld in 1 wet. Sinds 2007 zijn gemeenten wettelijk belast met de zorgplicht van het archeologisch erfgoed. Dat wil zeggen dat men rekening dient te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische resten.

pagina 40 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Figuur 4.7: uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied rood omlijnd).

Het plangebied is gelegen in de aanduiding ‘Waarde – archeologie 1’. Hiervoor geldt bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 centimeter én een groter verstoringsoppervlakte dan 50 m² een onderzoeksplicht. Derhalve heeft Transect een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Moergestel, Raadhuisstraat, Transect-rapport 2439, d.d. 30 oktober 2019). Dit onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 Op basis van het gecombineerd archeologisch bureau- en booronderzoek is een hoge verwachting vastgesteld op het aantreffen van archeologische resten in het plangebied. In een deel waar in het plangebied een oud poeltje gelegen heeft is een lage verwachting op archeologische resten. Transect adviseert op basis van de bevinden in het rapport om de bestaande dubbelbestemming op het gebied van archeologie te handhaven in het plangebied. Ten aanzien van de voorgenomen ingrepen wordt geadviseerd om een aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek middel van Proefsleuven (IVO-P). Hierbij dient rekening te worden gehouden dat in een deel van het plangebied de ondergrond verstoord is geraakt door een voormalige poel.

De kaders en wetgeving waarbinnen een proefsleuvenonderzoek moet worden uitgevoerd dienen vooraf te worden vastgelegd in Programma van Eisen (PvE). Dit document dient voor aanvang van het veldonderzoek te worden goedgekeurd door de bevoegde overheid, de gemeente Oisterwijk. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Oisterwijk, om op basis van de resultaten van dit onderzoek een besluit te nemen over de daadwerkelijke omgang met eventuele archeologische resten in het plangebied. Te allen tijde geldt dat, mochten er tijdens graafwerkzaamheden archeologisch relevante vondsten worden aangetroffen, dit gemeld moet worden aan het bevoegd gezag.

pagina 41 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

4.9 Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is het plangebied gelegen in het van provinciaal cultuurhistorisch belang landschap ‘Meijerij’. De regio bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. Een van de beeldbepalende aspecten van de Meierij is de populierenteelt, aanvankelijk vooral in de vorm van weg- of perceelrandbeplanting, later ook in de vorm van populierenbosjes. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Twee aspecten vormen kenmerken van de Meijerij: landgoederen en buitenplaatsen, en de populierenteelt. Het planvoornemen raakt geen belangen die samenhangen met deze kenmerken. De woonontwikkeling vindt plaats binnen stedelijk gebied. Historische stedenbouw bestaat uit een combinatie van de historisch gegroeide ruimtelijke structuur en de historische bebouwing. De Rootven, Kerkstraat en Schoolstraat zijn aangeduid als straten met een redelijk hoge waarde op het gebied van stedenbouw in Moergestel. De ontwikkeling vindt plaats aan de Raadhuisstraat.

Voor onderhavig planvoornemen is relevant dat het beschermd dorpsgebied met betrekking tot de Raadhuisstraat geldt voor Raadhuisstraat 21 tot en met 37 (oneven) en 12 tot en met 28 (even). Het plangebied is daarmee gelegen tegen het beschermde dorpsgebied van Moergestel (de omgeving Postelstraat - Raadhuisstraat) aan. Bij gebouwen gelegen in het beschermd dorpsgebied gaat om behoud van de uitstraling van gebouwen aan de straatzijde. Het gebied is gewaardeerd als zijnde van belang door architectuur / schoonheid, cultuurhistorische waarde en de wetenschap (stedenbouwkundige historie, architectuurhistorie). De bestemming tot Beschermd Dorpsgezicht is niet bedoeld om tot een bevriezing van de situatie te komen, maar als toetsingskader voor verdere veranderingen, waarbij de genoemde zaken en kenmerken als uitgangspunt kunnen dienen bij wijzigingen, (her)bestemmingen en adviezen. Het stedenbouwkundig ontwerp is aan de gemeente Oisterwijk voorgelegd en, na het verrichten van enkele aanpassingen, akkoord bevonden. Met deze planaanpassing is het gebouw qua positionering, omvang en maatvoering beter afgestemd op de maatverhoudingen van het perceel. Het gebouw past hierdoor nu beter in de beoogde parkachtige setting van de pastorietuin (Postelstraat 15) en het Antoniushuis.

De beoogde woonontwikkeling heeft geen negatieve invloed op dit Rijksmonument of op de bestaande stedenbouwkundige waarden in de omgeving. Conclusie Het planvoornemen doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.10 Milieueffectrapportage Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r.

pagina 42 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welke activiteiten direct een m.e.r.-plicht geldt. Verder zijn in onderdeel D van het Besluit m.e.r.-activiteiten aangewezen waarvoor het niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. In dit kader zijn voor deze activiteiten in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor de ontwikkeling in het plangebied is de categorie stedelijk ontwikkelingsproject het meest relevant. Op de D-lijst van het Besluit m.e.r. is in categorie 11.2 aangegeven dat een stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit is, wanneer de volgende drempelwaarden worden overschreden: •

een oppervlakte van 100 hectare of meer;

•

een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of;

•

een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De ontwikkeling betreft de realisatie van 15 woningen (appartementen). Drempelwaarde zoals omschreven ligt vele malen hoger dan onderhavige ontwikkeling. Evenwel dient het bevoegd gezag bij activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: •

de kenmerken van de projecten;

•

de plaats van de projecten;

•

de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusies Tritium Advies heeft een aanmeldnotitie-m.e.r. opgesteld (Tritium Advies, Aanmeldnotitie m.e.r.beoordeling Raadhuisstraat ongenummerd te Moergestel, gemeente Oisterwijk, documentkenmerk 1908/164/JOW-09.D, d.d. 6 augustus 2021) om inzicht te verkrijgen in de milieugevolgen van het planvoornemen. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de effecten van het project, wordt geconcludeerd dat de milieueffecten van het project niet van dusdanige omvang zijn dat sprake is van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen naar aanleiding van het planvoornemen te verwachten. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het opstellen van een MER.

4.11 Stikstofdepositie In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden. Dit zijn natuurgebieden met een Europese beschermingsstatus. Dit Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Veel van de gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante (negatieve) effecten’ op het beschermde

pagina 43 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

natuurgebied. Indien er sprake is van ‘significante effecten’ is een Wet natuurbescherming vergunning (Wnb-vergunning) noodzakelijk. In 2009 werd afgesproken het stikstofprobleem ‘programmatisch’ te gaan aanpakken. Dit heeft geleid tot ‘Programma Aanpak Stikstof’ (PAS). Met het PAS is ontwikkelingsruimte beschikbaar gesteld voor nieuwe economische ontwikkelingen (projecten). Tegelijkertijd zijn met het PAS maatregelen vastgesteld waarmee geborgd wordt dat de natuurlijke kenmerken van de natuurgebieden niet worden aangetast. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 is de basis voor het verlenen van vergunningen onder het PAS komen te vervallen. Derhalve moet worden gesteld dat vergunningen nog slechts kunnen worden verleend indien is aangetoond dat er géén sprake is van (een toename van) stikstofdepositie op een Natura 2000gebied. In dat geval is er in ieder geval geen sprake van significant negatieve effecten ten aanzien van stikstof en is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb) niet aan de orde. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen (gebiedsnummer 133) op circa 1 kilometer afstand.

Vanwege de nabijheid van dit Natura-2000 gebied is onder andere in de quickscan flora en fauna vastgesteld dat een stikstofdepositie berekening met het programma AERIUS dient te worden uitgevoerd om zo significant negatieve effecten op nabijgelegen Natura-2000 gebieden uit te sluiten. In dit kader is door Tritium Advies een stikstofdepositie berekening uitgevoerd (Tritium Advies, Raadhuisstraat te Moergestel, stikstof, 1908164JOW-08.4, 28 juni 2021). Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2020 blijkt dat er ten gevolge van de beoogde planontwikkeling geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve zijn ‘significante negatieve effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Een vergunning in het kader van de Wnb is derhalve niet aan de orde. De berekening toont aan dat het aspect stikstof geen beperkingen oplevert ten aanzien voor het beoogde planvoornemen.

4.12 Kabels en leidingen Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen voor de voorgenomen planontwikkeling.

pagina 44 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Hoofdstuk 5. Juridische planaspecten 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding ervan de primaire informatie geeft over waar gebouwd mag worden (bouwvlak voor bouwen tot een bepaalde goothoogte en bouwhoogte). Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan men in de regels teruglezen welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan. De ordening van regels is daartoe zodanig opgezet dat bij iedere bestemming een nagenoeg compleet beeld van de regels voor die bestemming is gegeven. Desondanks blijven aanvullend inleidende bepalingen en algemene bepalingen nodig.

5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De verbeelding is getekend op basis van een recente kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn aangegeven:

• • • •

de grens van het plangebied; de (dubbel)bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden; bouwvlakken; aanduidingen waarnaar in de regels wordt verwezen.

De gronden gelegen binnen de grens van het plangebied zijn geregeld binnen dit bestemmingsplan. Een bepaalde kleur geeft aan om welke bestemming het gaat. Deze kleur maakt daarom meteen duidelijk welk artikel uit de regels geraadpleegd moet worden. Bouwvlakken geven de begrenzing weer waarbinnen gebouwen opgericht mogen worden. In de bouwvlakken moeten hoofdgebouwen gesitueerd worden. De overige aanduidingen geven een specifieke situatie weer, waarvoor in de regels een aparte regeling is opgenomen.

pagina 45 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

5.3 Toelichting op de planregels De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: •

inleidende regels;

•

bestemmingsregels;

•

algemene regels;

•

overgangs- en slotregels.

Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 van de regels bevat bepalingen die, net als de in hoofdstuk 3 opgenomen “Algemene regels”, algemeen gelden voor alle bestemmingen zoals opgenomen in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen (artikel 1) en het artikel betreffende de wijze waarop bijvoorbeeld hoogtematen en oppervlaktematen moeten worden gemeten en berekend. In Hoofdstuk 3 zijn onder andere procedureregels, algemene gebruiksregels en flexibiliteitsbepalingen opgenomen. In Hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en de slotregel opgenomen. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden planregels gegeven voor de binnen het plangebied bestaande functies. Per planregel zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan of wijziging) toegestaan. Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, goothoogte en dergelijke) en wordt gebouwd binnen het aangegeven bouwvlak, kan hiervoor in de regel zonder meer een omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend.

Binnen iedere bestemming is een aantal algemene voorzieningen toegestaan, zoals voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, tuinen, erven en verhardingen, voorzieningen voor openbaar nut, en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. In iedere bestemming zijn bouwregels opgenomen voor bouwwerken ten behoeve van voorzieningen van openbaar nut. Binnen iedere bestemming is een aantal algemene regels opgenomen. Het betreft de bevoegdheid om nadere eisen te stellen, algemene afwijkingen van de bouwregels en algemene wijzigingsbevoegdheden. Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: -

Een anti-dubbeltelregel;

-

Algemene bouwregels: hierin wordt de maximale hoogte van een bouwlaag vastgelegd. Ook wordt geregeld dat indien in de bestaande situatie bepaalde afmetingen afwijken van de regels, deze afwijkingen als maatgevend gelden;

pagina 46 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

-

Algemene afwijkingsregels: hierin worden afwijkingsmogelijkheden voor regels voor maten en bouwgrenzen beschreven;

-

Algemene wijzigingsregels: hierin wordt beschreven dat het bevoegd gezag de in de plan opgenomen bestemming kan wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein.

Overgangs- en slotbepaling Dit hoofdstuk bevat: - Overgangsrecht; - Slotregel.

5.4 Beschrijving bestemmingen Wonen Binnen deze bestemming is het wonen in een woning toegestaan, alsmede bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, tuinen, toegangswegen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Er gelden daarnaast regels met betrekking tot uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen, dienstverlening en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, huisvesting voor mantelzorg en logies en ontbijt. Waarde – Archeologie – 1 Binnen deze bestemming zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarde.

pagina 47 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Hoofdstuk 6. Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: •

de bouw van een of meer woningen;

•

de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;

•

de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1000 m² of met een of meer woningen;

•

de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;

•

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1500 m² bedraagt;

•

de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m².

Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk wanneer de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd zijn. Ten behoeve van dit plan is een anterieure overeenkomst gesloten met initiatiefnemer. In deze overeenkomst is het kostenverhaal opgenomen. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve in dit geval niet noodzakelijk. Het voorliggend bestemmingsplan is dan ook financieel haalbaar.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog De gemeente Oisterwijk heeft aangegeven dat belang wordt gehecht aan het houden van een omgevingsdialoog. Beerens Advies heeft in opdracht van PPO een omgevingsdialoog met betrekking tot het planvoornemen gehouden. De volgende partijen hebben op- of aanmerkingen gehad op het planvoornemen: •

Bewonerscommissie (alle omwonenden).

pagina 48 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

•

Woonstichting Leystromen (eigenaar medisch centrum en daarboven gelegen woningen);

•

Particulier (namens woonachtige in een deel van het medisch centrum);

•

Zuydervest Capital (ontwikkelaar van het naastgelegen terrein van de voormalige pastorie);

•

SVO (seniorenvereniging Oisterwijk (en Moergestel);

•

MCM (Medisch Centrum Moergestel).

De partijen hebben op verschillende vlakken input geleverd met betrekking tot het planvoornemen. Voor een volledig overzicht van input en overwegingen wordt verwezen naar de bijlage. Uit het Omgevingsdialoog is gebleken dat PPO mogelijkheden zal verkennen ten aanzien van het verkeer en parkeren. Daarnaast wil PPO graag in gesprek blijven met bovengenoemde stakeholders en zal deze dan ook in het vervolgtraject informeren. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleggen met het bestuur van de bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het vooroverleg met de provincie zal digitaal worden afgedaan en vindt plaats met de terinzagelegging van het bestemmingsplan. Bij de terinzagelegging wordt evenals het waterschap op de hoogte gebracht. Zienswijzen Conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening wordt het ontwerp wijzigingsplan gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegd. Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen belanghebbende over het wijzigingsplan hun zienswijze naar voren brengen.

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 11 december 2020 tot en met 21 januari 2021 voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn 13 reacties ingediend. De ingediende reactie zijn samengevat en voorzien van antwoord in de nota van zienswijzen. De ingediende reacties hebben geleid tot aanpassingen in de toelichting, regels en verbeelding van het plan. Waarbij de grootste wijziging is het terugbrengen van het aantal appartementen van 21 naar 15. De nota van zienswijzen is als bijlage bij dit plan gevoegd.

pagina 49 van 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10540077/1