CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-54 Bestemmingsplan Raadhuisstraat ong.- bijlage 2.2 Toelichting bestemmingsplan

RAAD 14 oktober 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-54 Bestemmingsplan Raadhuisstraat ong.15.616 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Bestemmingsplan Raadhuisstraat ongenummerd te Moergestel Gemeente Oisterwijk

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Toelichting Bestemmingsplan ‘Raadhuisstraat ong. te Moergestel’

in opdracht van Peters Projectontwikkeling T.a.v. de heer G. Wittenberg Postbus 41 5374 ZG SCHAIJK betreffende de locatie Raadhuisstraat ong. te Moergestel Gemeente Oisterwijk documentkenmerk 1908/164/JOW-01 versie vastgesteld vestiging, datum Nuenen, 6 augustus 2021

opgesteld door:

gecontroleerd door:

drs. R. Schumacher

ing. J.A. Welmers

Junior projectleider ruimtelijke ordening

Senior projectleider ruimtelijke ordening

Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies.

Tritium Advies BV Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid

Tritium Advies is gevestigd in:

T.

088 44 02 900

E.

info@tritium.nl

Arkel >> Neer >> Nuenen >>

I.

www.tritium.nl

Prinsenbeek >> Rijkevoort

KvK-nr.

17108024

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Inhoudsopgave pagina Inhoudsopgave

3

Hoofdstuk 1. Inleiding

4

1.1 Aanleiding

4

1.2 Ligging

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan

5

1.4 Leeswijzer

6

Hoofdstuk 2. Beleidskader

7

2.1 Rijksbeleid

7

2.2 Provinciaal beleid

10

2.3 Gemeentelijk beleid

15

Hoofdstuk 3. Planbeschrijving

17

3.1 Ruimtelijke- en functionele structuur

17

3.2 Toekomstige situatie

18

Hoofdstuk 4. Planologisch relevante (milieu)aspecten

21

4.1 Bodem

21

4.2 Flora en fauna

22

4.3 Geluid

24

4.4 Water

25

4.5 Bedrijven en milieuzonering

35

4.6 Luchtkwaliteit

37

4.7 Externe veiligheid

38

4.8 Archeologie

40

4.9 Cultuurhistorie

42

4.10 Milieueffectrapportage

42

4.11 Stikstofdepositie

43

4.12 Kabels en leidingen

44

Hoofdstuk 5. Juridische planaspecten

45

5.1 Inleiding

45

5.2 Toelichting op de verbeelding

45

5.3 Toelichting op de planregels

46

5.4 Beschrijving bestemmingen

47

Hoofdstuk 6. Uitvoerbaarheid

48

6.1 Economische uitvoerbaarheid

48

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

48

pagina 3 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Hoofdstuk 1. Inleiding 1.1 Aanleiding Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld ten behoeve van de ontwikkeling van maximaal 15 koopappartementen, geschikt voor senioren, met bijhorende bergingen en parkeerplaatsen aan de Raadhuisstraat ong. te Moergestel, gemeente Oisterwijk. Het terrein is momenteel geheel onbebouwd.

1.2 Ligging Het plangebied is gelegen aan de Raadhuisstraat te Moergestel. De Raadhuisstraat is de doorgaande weg door Moergestel, overgaand in de wegen Rootven en Oirschotseweg. Het plangebied ligt in het noordoostelijke deel van het dorp. De locatie betreft het kadastrale perceel gemeente Moergestel, sectie B, nummer 3695 en heeft een oppervlakte van circa 2264 m².

Figuur 1.1: Ligging locatie en omgeving (perceel rood omcirkeld).

pagina 4 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Figuur 1.2 Kadastrale kaart (perceel blauw uitgelicht).

Het perceel is geheel onbebouwd. Om het perceel heen zijn verschillende maatschappelijke functies en woonfuncties gelegen. Ten westen van het plangebied liggen verschillende centrumfuncties. Direct ten oosten van het plangebied is een uitbreiding van Moergestel gelegen, evenals het buitengebied.

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is gelegen in het vigerende bestemmingsplan ‘Kom Moergestel’ van de gemeente Oisterwijk, vastgesteld op 10 april 2018. In dit bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming ‘Gemengd – voorzieningen’. Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ opgenomen in het plangebied.

pagina 5 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Figuur 1.3: Vigerend bestemmingsplan (perceel is rood omlijnd).

Binnen het vigerende bestemmingsplan is de realisatie van de nieuwe appartementen binnen het plangebied niet mogelijk. Derhalve dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden om de ontwikkeling zoals beoogd alsnog mogelijk te maken.

1.4 Leeswijzer Het eerste hoofdstuk ‘Inleiding’ geeft kort weer waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft. Tevens wordt hier de ligging van de beoogde ontwikkeling in de omgeving weergegeven en wordt ingegaan op het vigerend bestemmingsplan. In het tweede hoofdstuk ‘Beleidskader’ komen de meest relevante beleidskaders aan bod. Vervolgens komen in hoofdstuk 3 ‘Planbeschrijving’ de huidige situatie en de nieuwe situatie aan bod. Voorts worden de aspecten bodem, geluid, archeologie en andere mogelijke planologische belemmeringen besproken in hoofdstuk 4 (Milieuaspecten). In de juridische planbeschrijving (hoofdstuk 5) worden de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan toegelicht. De uitvoerbaarheid wordt in hoofdstuk 6 toegelicht.

pagina 6 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Hoofdstuk 2. Beleidskader 2.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In de structuurvisie schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervangt verschillende nota's, zoals de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Verder vervallen met de SVIR de ruimtelijke doelen en uitspraken uit de Agenda Landschap, Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: • de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; •

de bereikbaarheid verbeteren;

•

zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden.

De structuurvisie benoemt met name Rijksdoelen en nationale belangen. De (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking wordt overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen de provinciale kaders. De sturing op verstedelijking, zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk los. Alleen in stedelijk regio's rond de mainports zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, heeft het Rijk een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Onderhavig plan sluit aan bij de structuurvisie, gezien het niet in strijd is met de nationale belangen. Besluit ruimtelijke ordening Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, eerste tranche (Barro) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro vloeit voort uit de ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het kabinet heeft in de genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen moet worden ingezet. Het gaat daarbij om het beschermen van de nationale belangen.

Deze algemene regels, vastgelegd in het Barro, werken zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. In het wetsvoorstel tot wijziging van de Wro (Spoedwet Wro; TK 32 821) is, naar aanleiding van het Raad van State-advies over het Barro, eerste tranche, de wettelijke grondslag voor het provinciaal medebewind en ontheffingen verbeterd. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State voorziet het Barro thans ook in een bij dit besluit behorende ministeriële regeling (Rarro). In deze regeling is de begrenzing opgenomen van de gebieden uit een aantal titels uit het

pagina 7 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Barro waarvoor een reservering of een vrijwaring geldt. De aanduiding van deze gebieden is opgenomen in het Barro. Ladder voor duurzame verstedelijking Het locatiebeleid is uit het Barro meer in algemene zin overgeheveld naar het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Daarin is per 1 oktober 2012 in artikel 3.1.6 een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden (de ‘ladder duurzame verstedelijking’). Als eerste dient bepaald te worden of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Onderhavig planvoornemen voorziet in maximaal 15 koopappartementen. De beoogde ontwikkeling is binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking te verdelen in de categorie ‘wonen’. Doorwerking plangebied De ladder hoeft alleen te worden doorlopen indien sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling'. Het onderhavige plan maakt planologisch beschouwd 15 woningen mogelijk. Op basis van jurisprudentie staat vast dat er sprake van stedelijke ontwikkeling is als het om meer dan 12 woningen gaat. In onderhavige situatie is er daarmee sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking.

Als een stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ligt en voorziet in een behoefte is voldaan aan de Ladder. De raad van de gemeente Oisterwijk heeft op 19 juli 2016 de ‘Herijkte woonvisie 2011 – 2021’ vastgesteld. Dit is een herijking van de oorspronkelijke Woonvisie 2011 – 2021, wat noodzakelijk werd geacht vanwege de ontwikkelingen op de woningmarkt en wetgeving op het gebied van het wonen. De nieuwbouwproductie van Oisterwijk is gebaseerd op de regionale woningbouwafspraken gemaakt in de regio Hart van Brabant en de ambities geformuleerd in het coalitieprogramma. Er wordt rekening gehouden met de actuele marktomstandigheden. In het Regionaal Kwalitatief Woningbehoefte onderzoek (17 september 2018) wordt kennis en inzicht in de woonwensen en behoeften van de inwoners van de regio Hart van Brabant uiteengezet. Het onderzoek heeft als doel om inzicht te bieden in de vraag- en aanbodbalans voor de regio op het gebied van woningen en de woonmilieus. De woningvraag is benaderd vanuit een mix van fysieke, socio-demografische, culturele- en gedragscomponenten. Uit het rapportage is gebleken dat bewoners van de regio Hart van Brabant zeer tevreden zijn over hun woonomgeving en woning. Ouderen zijn wel meer tevreden dan jongeren. Er zijn echter tekorten aan verschillende woonmilieus.

Men wil betere stedelijke wijken (luxe stadswijk, rustige stadswijk), minder standaard (suburbane) wijken, en meer ruimte en interactie met de natuur (landelijk). Ook is er meer vraag naar verschillende woningtypes. De doelgroep voor de middeldure huursector is ruimer dan de voorraad. Door gebrek aan koopwoningen en strengere toewijzingen voor sociale huurwoningen accepteert deze groep hoge woonlasten. Zij vinden een woning in de duurdere huursector, in de koopsector of in de sociale huursector. Het generieke tekort aan woonaanbod leidt voor deze groep tot niet-passend wonen en vraagt om aandacht. Oplossingen hiervoor worden gezien in het bevorderen van doorstroming, het vergroten van het aanbod van middeldure huurwoningen, het vergroten van het aantal koopwoningen en toevoegen van sociale woningen. Verder zijn Regionale Agenda Wonen Deel A in het Regionaal Ruimtelijk Overleg Midden-Brabant kwantitatieve woningbouwafspraken gemaakt tussen 8 gemeenten (waaronder Oisterwijk) op

pagina 8 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

15 december 2016. De agenda is opgesteld door de provincie, samen met de Regio Hart van Brabant. In dit deel A is het regio specifieke gedeelte opgenomen, in de Regionale Agenda Wonen – deel B is een algemeen Brabants beeld geschetst van de woningmarkt en de opgaven die daar de komende jaren liggen. De feitelijke woningvoorraad per 1 januari 2016 lag voor Oisterwijk op 11.105. De prognose laat een benodigde woningvoorraad zien van 11.795 woningen. Er is in de prognose sprake van een groei van 690 woningen tussen 2016 en 2025. Indien sloop wordt meegerekend resulteert dit in een benodigde capaciteit van 780 woningen. In het RRO Midden-Brabant van 7 juni 2012 is afgesproken dat gemeenten zich richten op een realistisch programma met als uitgangspunt de actuele provinciale prognose. De actuele prognose dateert uit 2014. De huidige regionale woningbouwafspraken zijn vastgesteld in het RRO van 17 december 2015 voor de periode 2015 t/m 2024. Onderdeel van deze regionale afspraken is de herverdeling tussen de gemeente Tilburg en de gemeenten Dongen, Goirle en Oisterwijk (2009). De gemeente Oisterwijk neemt in principe 200 woningen over van de gemeente Tilburg. De komende jaren kennen de meeste gemeenten in de regio Midden-Brabant nog een groei in de woningbehoefte. Deze groei wordt wel steeds minder dan voorheen. Daarnaast is de kwalitatieve vraag naar woningen steeds dynamischer.

In de Regio Midden-Brabant ligt voor de gemeente Oisterwijk de benodigde toevoeging van de woningvoorraad 2016 tot en met 2025 op 690 woningen. De restant sub-regionale herverdeling per 1 januari 2016 ligt op 45. Daarnaast is er extra ruimte voor woningbouw ingepland in verband met de afronding pilot BBSC Oisterwijk. De regionale woningbouwafspraken van 2016 tot en met 2025 ligt daarmee op 835 woningen. De regionale woningbouwafspraken zijn in dit geval relevant. Binnen het RRO Midden-Brabant is afgesproken dat binnen de regio Hart van Brabant (waar de gemeente Oisterwijk deel van uitmaakt) in de periode 2016 – 2025, 835 woningen bijgebouwd moet worden. Daarnaast wordt gericht op een gezonde woningmarkt waar optimaal wordt ingespeeld op de woonwensen van mensen. Er is een tekort aan geschikte koopwoningen waardoor mensen hogere woonlasten accepteren. Uit het kwalitatief woningbehoefteonderzoek dat verricht is in opdracht van de regio Hart van Brabant blijkt dat er in Moergestel veel vraag is middeldure koopappartementen. Tegelijk toont het onderzoek aan dat er een (klein) overschot is aan dure appartementen in het dorp. Toch is het voorstelbaar cq. zien wij mogelijkheden om in te stemmen met het programma, dat naar aanleiding van zienswijzen is aangepast.

Enquête SVO Er is nauw contact tussen ontwikkelaar PPO en de seniorenvereniging Oisterwijk (SVO) over het plan voor appartementen op de onderhavige locatie. De SVO peilt ook zelf onder haar achterban de woningbehoefte. Hiervoor is recent een enquête uitgezet (27 juni 2021). Uit deze enquête, ingevuld door meer dan 520 mensen, komt naar voren dat ook voor de dure koopappartementen voldoende interesse is. Bijna 30% van de respondenten geeft aan binnen nu en 10 jaar te willen verhuizen. Van de mensen die aangeven bereid te zijn om te verhuizen geeft ruim 28% aan graag naar een appartement te willen. Opvallend is dat verreweg de meeste respondenten nu nog in een grondgebonden woning wonen (circa 88%).

pagina 9 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Het merendeel van de respondenten zou het appartement het liefste kopen. De middeldure sector is daarbij verreweg het populairst, gevolgd door de dure koopsector. Er blijkt dus wel degelijk vraag te zijn naar dure appartementen in Moergestel. Daarnaast zijn diverse andere argumenten aan te dragen om in te stemmen met het aangepaste programma: • Er wordt door het programma te wijzigen tegemoet gekomen aan (veel van de) zienswijzen; het parkeren kan op eigen terrein worden opgelost en er kan op de tweede verdieping een set-back worden aangebracht om het volume te verkleinen. •

Alle appartementen zijn geschikt voor senioren (gaan voldoen aan woonkeur plus keurmerk

•

Door de bouw van appartementen voor senioren te faciliteren, wakkeren we de

rollatorgeschikt); doorstroming op de woningmarkt aan. Hiermee komen grondgebonden (gezins)woningen vrij die geschikt zijn voor starters en (jonge) gezinnen. Memo segmentatie programma Door Jurgens & Van Bemmelen (makelaarskantoor te Tilburg) is een memo opgesteld (Jurgens & Van Bemmelen B.V., memo t.b.v. segmentatie appartementen +300K, 22.07.2021) welke de behoefte naar (dure) appartementen onderschrijft. De conclusie luidt: Gemeente Oisterwijk/ Moergestel doet er verstandig aan medewerking te verlenen aan het ontwikkelen van dure appartementen (+300K). De toenemende vergrijzing vergroot de vraag naar levensloopbestendige woningen met relevante voorzieningen. De vrijgekomen eengezinswoningen leiden tot doorstroming waardoor uiteindelijk starters meer kansen hebben tot de woningmarkt binnen de gemeente. De memo is als separate bijlage bij onderhavig bestemmingsplan opgenomen. Conclusie De beoogde ontwikkeling van 15 koopwoningen (appartementen) in het dure- en middensegment welke plaatsvindt in stedelijk gebied past derhalve binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoeftevraag. Hiermee wordt voldaan aan de door de Ladder gestelde kaders.

2.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant De Omgevingsvisie Noord-Brabant is op 14 december 2018 vastgesteld en is tot stand gekomen met inbreng van professionals, inwoners, overheden en marktpartijen. De omgevingsvisie bevat de agenda richting 2030 en 2050. Deze visie beschrijft Brabant in 2050: welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend. In de Omgevingswet ziet de provincie de gemeente als eerstverantwoordelijke betreffende het ontwikkelen en beschermen van de fysieke leefomgeving. De provincie ziet vanuit een toegevoegde waarde in hoofdzaak drie rollen voor zichzelf: richting geven met betrekking tot visievorming, het benoemen van doelen en randvoorwaarden benoemen, het stimuleren van kennisontwikkeling en –onderzoek en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Hierbij zijn de hoofdopgaven van de Omgevingsvisie belangrijk: energietransitie, klimaatproof

pagina 10 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

worden, een slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Hiernaast benoemt de Omgevingsvisie hoe de provincie wil denken en handelen onder de nieuwe Omgevingswet. De Omgevingswet bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, bijvoorbeeld voor natuur, water, veiligheid, ruimtelijke ordening en dergelijke, staan momenteel in bestaande plannen van de provincie. Grote delen van die beleidsplannen horen vanuit het systeem van de Omgevingswet thuis in een programma. Beleid en maatregelen worden uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via de op te stellen omgevingsverordening. De uitwerking van beleid, de vertaling naar concrete acties en de inzet van instrumenten vormen samen een programma. De programma’s vormen de kern voor de uitvoering. De keuze welke programma’s worden uitgewerkt staat momenteel niet vast. Structuurvisie ruimtelijke ordening Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Sinds de vaststelling in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de ‘Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014’.

Provinciale Staten hebben niet een geheel nieuwe visie opgesteld, omdat de bestaande structuurvisie recentelijk is vastgesteld en de visie en sturingsfilosofie voor het overgrote deel nog actueel zijn. Onder andere de ‘Transitie van stad en platteland, een nieuwe koers’, het intrekken van de reconstructie- en gebiedsplannen en de ‘transitie naar een zorgvuldige veehouderij 2020’ zijn verwerkt in de partiële herziening. De kwaliteiten binnen de provincie Noord-Brabant zijn sturend bij de te maken ruimtelijke keuzes. Deze ruimtelijke keuzes zijn van provinciaal belang en zijn geformuleerd als: • het versterken van regionale contrasten tussen klei, zand en veenontginningen; •

ontwikkeling van een vitaal en divers platteland;

•

het creëren en behouden van een robuust water en natuursysteem;

•

het realiseren van een betere waterveiligheid door preventie;

•

de koppeling van waterberging en droogtebestrijding;

•

het geven van ruimte voor duurzame energie;

•

de concentratie van verstedelijking;

•

het ontwikkelen van een sterk stedelijk netwerk: Brabantstad;

•

het creëren van groene geledingszones tussen steden;

•

het ontwikkelen van goed bereikbare recreatieve voorzieningen;

•

het ontwikkelen van economische kennisclusters;

•

internationale bereikbaarheid;

•

de beleefbaarheid van stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur.

pagina 11 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Figuur 2.1: Uitsnede Structuurvisie Ruimtelijke ordening (plangebied blauw omlijnd).

De provincie Noord-Brabant heeft in de Omgevingsvisie, vastgesteld op 14 december 2018, hoofdopgaven benoemd. Concrete doelen zoals benoemd in de Structuurvisie zijn nog van toepassing. Omgevingsverordening Noord-Brabant Naast één omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet ook één omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (beleids)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Denk bijvoorbeeld aan het beschermen van belangrijke waarden als het drinkwater of de natuurgebieden. Dit zijn onderwerpen die de provincie moet regelen in een omgevingsverordening. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt echt klaar te zijn, maakt de provincie eerst een Interim omgevingsverordening. Deze Interim omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is beleidsneutraal. Alleen aanpassingen die nodig zijn vanwege de samenvoeging of vanwege al vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie, worden meegenomen. Doordat de Omgevingswet volgens huidige planning in 2021 in werking treedt, kan er nog geen invulling worden gegeven aan deze wet. De Interim Omgevingsverordening is vastgesteld op 25 oktober 2019.

Daarmee zijn de 6 provinciale vorderingen (waaronder de Verordening Ruimte) vervallen.

pagina 12 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Kaart 1 Rechtstreeks werkende regels: milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen Voor het plangebied geldt geen attentiezone waterhuishouding of andere relevante aanduidingen. Het aspect ‘milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen’ vormt vanuit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant geen belemmering voor het planvoornemen. Kaart 2 Rechtstreeks werkende regels: landbouw Het plangebied is binnen het thema ‘landbouw’ gelegen binnen de aanduiding ‘stedelijk gebied’ en ‘stalderingsgebied’. Binnen deze kaart gelden regels met betrekking tot de aanduiding ‘stedelijk gebied’ voor veehouderijen in stedelijk gebied. Er worden geen veehouderijen binnen het plangebied mogelijk gemaakt. Derhalve vormt het aspect ‘landbouw’ vanuit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant geen belemmering voor het planvoornemen. Kaart 3 instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Het plangebied is gelegen binnen stedelijk gebied, in een landelijke kern. Aan het stedelijk gebied zijn verschillende voorschriften verbonden. De relevante voorschriften worden hieronder besproken: •

Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied bevat een onderbouwing dat: o de ontwikkeling past binnen de regionaal gemaakte afspraken; o het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. In paragraaf 2.1 is op beide aspecten ingegaan. Het planvoornemen betreft een duurzame stedelijke ontwikkeling en past binnen de regionaal gemaakte afspraken.

•

Een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in ofwel Stedelijk gebied ofwel Landelijk gebied en daarmee de ecologische waarden en kenmerken van een gebied gelegen in het Natuur Netwerk Brabant aantast, moet ingaan op enerzijds hoe de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en anderzijds hoe de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd. Met het planvoornemen worden geen gebieden aangetast die gelegen zijn in het Natuur Netwerk Brabant. Tritium Advies heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie hoofdstuk 4) waarin is geconcludeerd dat het plangebied op circa 60 meter van een Natuur Netwerk Brabant-gebied gelegen is. Tussen dit gebied en het plangebied is een zorgcentrum gelegen. Gezien de aard van de ingreep (herontwikkeling binnen de bebouwde kom) is een negatief effect niet te verwachten.

De voorschriften met betrekking tot veehouderijen en windturbines zijn niet van toepassing. Er wordt voldaan aan de voorschriften met betrekking tot het stedelijk gebied. Met betrekking tot de aanduiding ‘landelijke kern’ behoort het planvoornemen te passen binnen het regionaal overleg. Dit is behandeld in paragraaf 2.1. Derhalve vormt het aspect ‘stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ vanuit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant geen belemmering voor het planvoornemen. Kaart 4 instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een aanduiding met betrekking tot natuur en stiltegebieden. Derhalve vormt het aspect ‘natuur en stiltegebieden’ geen belemmering voor het planvoornemen.

pagina 13 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Kaart 5 instructieregels gemeenten: grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging Het plangebied is niet gelegen binnen een aanduiding met betrekking tot grondwaterbeschermingsgebieden. Derhalve vormt het aspect ‘grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging’ geen belemmering voor het planvoornemen. Kaart 6 instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied Het plangebied is niet gelegen binnen een aanduiding met betrekking tot de basiskaart ‘Landelijk gebied’. Derhalve vormt het aspect ‘Landelijk gebied geen belemmering voor het planvoornemen. Kaart 7 instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding ‘stalderingsgebied’. Er worden binnen het plangebied geen (vergroting van) hokdierhouderijen voorzien. Derhalve wordt voldaan aan de voorwaarden voor specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen. Kaart 8 instructieregels voor waterschappen: watersystemen, -veiligheid en -berging Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding ‘norm wateroverlast Stedelijk gebied’. Er dient rekening gehouden te worden met de norm voor wateroverlast. Voor bebouwing die is gelegen binnen stedelijk gebied geldt, met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als norm een overstromingskans van: 1.

1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen;

2.

1/10 per jaar voor overige gebieden.

Voor het plangebied geldt derhalve een overstromingskansnorm van éénmaal per 10 jaar (voor bebouwing). Conclusie Het planvoornemen betreft de realisatie van 15 woningen (appartementen). Het planvoornemen past binnen de regionaal gemaakte afspraken en betreft een duurzame stedelijke ontwikkeling (zie paragraaf 2.1). Gesteld kan worden dat voldaan wordt aan de voorwaarden en het planvoornemen niet in strijd is met het provinciaal beleid en de provinciale belangen. Brabantse Agenda Wonen De Brabantse Agenda Wonen (september 2017) maant gemeenten tot spoed bij de ontwikkeling van woningen, gezien de flinke woningbouwopgave die de provincie ziet - vooral tot 2030. Hierbij is kwaliteit belangrijker dan de aantallen. Verder ligt de prioriteit bij inbreidingslocaties binnen bestaand stedelijk gebied. De opgave is onder meer het wonen zo goed mogelijk te laten bijdragen aan het versterken van ruimtelijke kwaliteit van dorpen. Het richtinggevend principe is het ruim baan geven aan ‘goede woningbouwplannen’ binnen het bestaand stedelijk gebied van steden en dorpen: woningbouw op geschikte inbreidings-, herstructurerings- en transformatielocaties en in leegstaand vastgoed, die aansluit op een actuele vraag en snel in aanbouw kan worden genomen. Door demografische ontwikkelingen (veroudering, huishoudensverdunning) wordt de woonopgave gedifferentieerder.

Deze vraag richt zich meer op de stadscentra en dorpskernen. De komende jaren is het zaak dit ‘demografisch momentum’ te verbinden met binnenstedelijke transformatieopgaven en de aanpak van leegstandsvraagstukken in stad en dorp. Het plan betreft 15 woningen binnen bestaand stedelijk gebied. De beoogde ontwikkeling sluit in aantal woningen en doelgroep aan bij de actuele vraag en de gestelde woningbouwopgave van het

pagina 14 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Hart van Brabant. De voorgestane ontwikkeling is zodoende in overeenstemming met het beleid uit de Brabantse Agenda Wonen.

2.3 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie gemeente Oisterwijk Op 22 december 2016 is door de gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk de Omgevingsvisie vastgesteld. De gemeente heeft hierin een beleidskader opgesteld waarbinnen initiatiefnemers (burgers, ondernemers, bestuurders) worden uitgenodigd om hun plannen op te stellen. De gemeente bepaalt niet meer waar wat ergens moet komen, maar geeft enkel aan binnen welke kaders projecten de meeste slagingskans hebben. De visie dient als: •

inspiratie voor ondernemers, bestuurders en inwoners;

•

richtinggevend kader voor toekomstig gemeentelijk ruimtelijk ordeningsbeleid;

•

toetsingskader voor individuele verzoeken en initiatieven die niet passen binnen de bestemmingsplannen;

•

input voor overleg met de Provincie en de regio over de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente;

•

basis voor kostenverhaal (grondexploitatie-instrument).

De Omgevingsvisie heeft de locatie opgenomen in het gebied ‘Moergestel’. De woongebieden zijn allemaal groen en ruim opgezet. Dit zorgt ervoor dat het fijn wonen is in Oisterwijk. De woongebieden kennen met name onderlinge verschillen door de grote van de woningen en percelen. Specifieke kwaliteiten van dit woongebied zijn: •

de kern Moergestel is compleet; alle soorten gebieden en functies (centrum, lintbebouwing, woongebieden, bedrijventerreinen, sportvoorzieningen, zorgfuncties) komen er voor;

•

de oude linten (Schoolstraat - Oirschotseweg - Raadhuisstraat - Rootven - Tilburgseweg Oisterwijkseweg) zijn nog goed zichtbaar en herkenbaar. Daarnaast is de aanwezigheid van de kerkpaadjes een kwaliteit. Ook het centrale St. Jansplein met de kerk is een karakteristieke plek in het dorp;

•

de bebouwing is kleinschaliger dan in Oisterwijk en is ruim opgezet. Er is veel afwisseling in de bebouwing; hoewel duidelijk te zien is dat enkele straten in dezelfde periode zijn bebouwd is er geen sprake van monotone buurten;

•

de kern is ingebed in het groen. Daarnaast is de Reusel een groen/blauwe ader die langs/door het dorp gaat;

•

de kern is dorps; de bebouwing is over het algemeen laag met een lage bebouwingsdichtheid. Vaak is nog sprake van zandbermen en zijn de percelen door middel van groen afgescheiden;

•

bedrijventerrein De Sonman kent een hoge ruimtelijke kwaliteit met een eigentijdse uitstraling en veel groen.

Ten aanzien van (de kwaliteit van) het “Oisterwijks wonen” is in de Omgevingsvisie beschreven dat inbreiding boven uitbreiding gaat. Hierbij spelen kwaliteit, groen en een gezonde leefomgeving een centrale rol. De hoge woonkwaliteit moet in de toekomst vastgehouden worden. Inbreiding moet zorgvuldig gebeuren en in balans zijn met de kwaliteiten.

pagina 15 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Conclusie Met de realisatie van 15 woningen wordt binnen bestaand bebouwd gebied op passende wijze voldaan aan de doelstellingen uit de Omgevingsvisie. Woonvisie ‘Herijkte woonvisie 2011 – 2021’ Op 19 juli 2016 heeft de gemeente Oisterwijk haar Woonvisie herijkt. Sinds de vaststelling van de Woonvisie 2011 - 2021 hebben zich de nodige ontwikkelingen voortgedaan op de woningmarkt en de wetgeving op het gebied van wonen. Dit is voor de gemeente Oisterwijk de aanleiding geweest om haar Woonvisie te herijken. Centrale uitgangspunten van het woonbeleid 2011 - 2021 zijn: •

de hoofddoelstelling van het woonbeleid in Oisterwijk is zorgdragen voor een zodanig groot en gedifferentieerd aanbod van woningen dat dit aansluit bij primair de vraag van de Oisterwijkse woonconsument en secundair de vraag van woonconsumenten elders uit de regio;

•

de gemeente zet in op duurzame investeringen in kwaliteit. Voor het wonen betekent dit een streven naar een evenwichtige samenstelling van de bevolking, een hierop afgestemd woningaanbod met ruimte voor jong en oud en specifieke doelgroepen. Oisterwijk, Moergestel en Heukelom moeten hun eigen identiteit behouden;

•

de nieuwbouwproductie van Oisterwijk is gebaseerd op de regionale woningbouwafspraken gemaakt in de regio Hart van Brabant en de ambities geformuleerd in het coalitieprogramma, maar houdt rekening met de actuele marktomstandigheden;

•

woningbouw moet bijdragen aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Belangrijke manieren waarop dit gebeurt zijn de herontwikkeling van binnenstedelijke locaties en behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen;

•

de groep huishoudens met lage inkomens is een belangrijke aandachtsgroep in het woonbeleid. Dat geldt ook voor de groep huishoudens met een laag middeninkomen die door de toewijzingsregels niet meer terecht kan bij Leystromen. Binnen deze primaire en secundaire doelgroepen verdienen starters, senioren en bijzondere doelgroepen extra aandacht;

•

verduurzaming van de bestaande woningvoorraad is een belangrijke doelstelling van het woonbeleid, zowel vanwege milieudoelstellingen als vanwege beperking van de woonlasten;

•

de uitvoering van het woonbeleid wordt gewaarborgd door een nauwe samenwerking tussen de gemeente en de partners in het woonbeleid.

De realisatie van 15 woningen ligt binnen het bebouwd gebied van Moergestel en betreffen koopwoningen in het dure (9) en middensegment (6). Naar dit soort type woningen is in kwalitatieve als kwantitatieve zin vraag (zie paragraaf 2.1). De beoogde ontwikkeling past binnen de uitgangspunten zoals beschreven in het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid.

pagina 16 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Hoofdstuk 3. Planbeschrijving In voorliggend hoofdstuk wordt de bestaande en toekomstige situatie van het plangebied beschreven.

3.1 Ruimtelijke- en functionele structuur Ruimtelijke structuur Het plangebied ligt in het noordoostelijke deel van het dorp Moergestel en wordt gezien als een complete kern. Dit betekent dat er verschillende soort gebieden voorkomen, zoals het centrum, lintbebouwing, woongebieden, bedrijventerreinen en een sportcomplex. Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘regulier woongebied’. Binnen de aangegeven ruimtelijke hoofdstructuur zijn diverse deelgebieden te onderscheiden met bepaalde gebiedseigen kenmerken in relatie tot de functie of stedenbouwkundige opzet van het gebied.

Figuur 3.1: Ligging plangebied (blauw omcirkeld) in deelgebied.

pagina 17 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘Oude Linten’. Het profiel van oude linten past goed in het dorpskarakter door de gedifferentieerde opbouw een boombeplanting. De overgangen tussen het centrumgebied en de uitlopers van de linten zijn duidelijk door de sfeerverschillen, profielversmalling, verdichting van de bebouwing en functieverandering. Over het algemeen is de bebouwing langs de linten gevarieerd. Eén gebied is zeer homogeen van bebouwingswijze, namelijk de villa's langs de Raadhuisstraat. Functionele structuur Het plangebied zelf is onbebouwd. Grenzend ten oosten aan het plangebied is het Medisch Centrum Moergestel gelegen. Ten westen van het plangebied bevindt zich de woonbebouwing van Moergestel. Ten zuiden ligt een pastorie met bijhorende pastorietuin en verschillende (te realiseren) nieuwbouwprojecten. De straat Raadhuisstraat wordt gekenmerkt door veel groen en vrijstaande (grote) woningen.

3.2 Toekomstige situatie Beoog wordt om binnen grofweg het gebied gelegen tussen de Raadhuisstraat en de Postelweg / Bosstraat een kwalitatief groen park, rondom de voormalige pastorie, te realiseren met daarin een drietal nieuwe gebouwen. Er wordt daarmee kwaliteit toegevoegd aan dit deel van Moergestel en het groen en De Reusel worden meer beleefbaar gemaakt. Het gebied is nu niet of maar zeer beperkt toegankelijk. In de toekomst wordt het gebied openbaar toegankelijk.

Figuur 3.2: Impressie totaalontwikkeling.

pagina 18 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Voorgaande impressie (figuur 3.2) toont een eerste impressie van de totaalvisie waarbij 3 nieuwe woongebouwen in een groene omgeving worden geprojecteerd rondom de bestaande pastorie. Binnen dit planconcept worden de plannen uitgewerkt waarvan onderhavig bestemmingsplan de eerste deeluitwerking omvat, e.e.a. zoals hieronder beschreven. De eerste fase van deze totaalvisie omvat voorliggend planvoornemen. Er wordt in de toekomstige situatie op het momenteel onbebouwde perceel een nieuwbouwproject (15 koopappartementen) met 3 bouwlagen gerealiseerd. Op de bovenste (3e) bouwlaag van het plan wordt een set-back gerealiseerd. Er worden 9 appartementen met een gebruiksoppervlakte van circa 110-135 m² en 6 appartementen met een gebruiksoppervlakte van circa 73 m² gerealiseerd. De 9 grotere koopappartementen vallen in het dure segment (vanaf € 300.000). De 6 kleinere koopappartementen vallen in het middensegment (tussen € 200.000 en € 300.000).

Figuur 3.3: Plantekening van het beoogde appartementencomplex.

Parkeren Het benodigd aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied wordt bepaald aan de hand van de Nota Parkeernormen van de gemeente Oisterwijk (vastgesteld op 15 augustus 2016). Tabel 2.1 weergeeft de berekening betreffende het benodigd aantal parkeerplaatsen. Het gebied is gelegen in weinig stedelijk gebied in rest bebouwde kom (Moergestel). Voor het planvoornemen gelden de volgende parkeerkencijfers: Tabel 2.1: Benodigde parkeerplaatsen beoogde ontwikkeling Type gebouw Appartementen (koop, appartement,

Norm

Aantal

1,9

6

Benodigde parkeerplaatsen 11,4 parkeerplaatsen

2,1

9

18,9 parkeerplaatsen

midden) Appartementen (koop, appartement, duur)

Parkeerplaatsen totaal benodigd

30,3 parkeerplaatsen

* Inclusief 0,3 parkeerplaats per persoon voor bezoekers

pagina 19 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Er is een ontwerp gemaakt waarbij 14 parkeerplaatsen aan de achterkant en 17 parkeerplaatsen aan de voorkant zijn opgenomen. In totaal worden daarmee 31 parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd. Er zijn voor deze ontwikkeling 30,3, afgerond 31, parkeerplaatsen benodigd. Het planvoornemen voorziet daarmee volledig in de parkeerbehoefte op eigen terrein.

pagina 20 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Hoofdstuk 4. Planologisch relevante (milieu)aspecten 4.1 Bodem Door Tritium Advies is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (Tritium Advies, verkennend bodemonderzoek Raadhuisstraat ongenummerd te Moergestel, projectkenmerk 1908/197/KB-01, versie 0 d.d. 23 oktober 2019). Hieruit is het volgende gebleken: Verkennend bodemonderzoek Zintuiglijk zijn verdeeld over de locatie in zowel de boven- als de ondergrond vanaf het maaiveld tot plaatselijk 1,7 m-mv bijmengingen aangetroffen met puin, kooldeeltjes en baksteen. Naar aanleiding van het aantreffen van de puinbijmengingen in de bodem is het verkennend bodemonderzoek uitgebreid met een verkennend asbestonderzoek. Omdat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen de bijmengingen ter plaatse van het gedempte oppervlaktewater en het overige terrein is deze puinhoudende grond gecombineerd geanalyseerd. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de puinhoudende bovengrond lichte verontreinigingen aanwezig zijn met koper, lood, zink en PAK. Het grondmengmonster van de kolengruishoudende ondergrond bleek in eerste instantie matig verontreinigd te zijn met PAK. Na uitsplitsing van het grondmengmonster blijkt enkel één deelmonster licht verontreinigd te zijn met PAK. In het grondwater zijn lichte verontreinigingen aangetoond met barium, xylenen en cis + trans-1,2dichlooretheen.

De aangetoonde verontreinigingen in de grond en het grondwater zijn in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is. De aangetroffen gehaltes zijn echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Verkennend asbestonderzoek Zintuiglijk is zowel op het maaiveld als in de uitkomende grond (fractie > 20 mm) geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In de fijne fractie (< 20 mm) van de grond is analytisch eveneens geen asbest aangetoond. In één indicatief ondergrondmonster zijn in de fractie < 0,5 mm met de optische lichtmicroscoop verdachte vezels (chrysotiel) waargenomen. Echter kan worden aangenomen dat deze vezels niet leiden tot een verontreiniging met asbest. Aangezien in de puinhoudende grond zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetoond mag worden geconcludeerd dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Opgemerkt wordt dat in de strook met dichte begroeiing geen boringen en inspectiegaten konden worden geplaatst. Er zijn echter geen aanwijzingen dat de bodemkwaliteit op die plek anders zal zijn dan op het onderzochte terreindeel.

Resumé De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen naar mening van Tritium Advies geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de afgifte van een omgevingsvergunning.

pagina 21 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. Een indicatie van de hergebruiksmogelijkheden is weergegeven in hoofdstuk 3 van het in de bijlage opgenomen verkennend bodemonderzoek.

4.2 Flora en fauna Door Tritium Advies is een quickscan flora en fauna uitgevoerd om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het is voorts noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden. Op basis van de ecologische waarden van een planlocatie blijkt uit een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) of er een overtreding te verwachten is op basis van de Wnb. Tevens wordt vastgesteld of er meer soortgegevens nodig zijn door middel van inventarisatie en of er een uitgebreide studie noodzakelijk is naar de effecten van een ruimtelijke ingreep. Derhalve is voor onderhavig planvoornemen een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Tritium Advies, quickscan flora en fauna Raadhuisstraat Moergestel, projectkenmerk 1908/164/JOW-02.A, versie A d.d. 29 juli 2021). Uit de quickscan flora en fauna blijkt het volgende: Effecten beschermde soorten Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNB. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water.

Het plangebied is op circa 60 meter van een NNB-gebied gelegen. Tussen het NNB-gebied en het plangebied is echter een zorgcentrum gelegen. Gezien de aard van de ingreep (herontwikkeling binnen de bebouwde kom) is een negatief effect niet te verwachten. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is op circa 1 kilometer van het plangebied gelegen (bij Natura 2000-gebieden moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied zijn meerdere wegen, woningen en akkers gelegen. Gezien de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied kan een significant negatief effect met betrekking tot stikstofdepositie echter niet uitgesloten worden. Om uit te kunnen sluiten dat het planvoornemen een negatief effect heeft op het Natura 2000-gebied, is een AERIUS berekening noodzakelijk. Deze is door Tritium Advies uitgevoerd, en wordt in een aparte paragraaf behandeld. Soorten Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood.

Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren.

pagina 22 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn geen vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen van vogels waarvan de nest- en verblijflocaties jaarrond zijn beschermd. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden. Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels.

Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Er zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van akkers, weilanden en vennen. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten indien de bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Gezien het vorenstaande zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot vleermuizen.

Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot amfibieën, reptielen en vissen.

pagina 23 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Ongewervelden/overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen. Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als “veilige” periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden.

Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen). Conclusie In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: •

de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen;

•

om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd;

•

nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk;

•

een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk;

•

voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft.

4.3 Geluid Door Tritium Advies is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Tritium Advies, akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Raadhuisstraatstraat ong. te Moergestel, projectkenmerk 1908/164/JOW-01, versie 3 d.d. 3 augustus 2021). Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai blijkt het volgende: Voor wegverkeerslawaai is het plan gelegen binnen de geluidzone van het gedeelte van de Oirschotseweg met een snelheidsregime van 50 km/uur. Het plan is tevens gelegen in de nabijheid van diverse 30 km/uur wegen.

pagina 24 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Voor de 30 km/uur wegen Raadhuisstraat, Postelsestraat en het gedeelte van de Oirschotseweg, met een snelheidsregime van 30 km/uur, geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe appartementen de richtwaarde van 48 dB niet overschrijdt. Voor het gezoneerde deel van de Oirschotseweg geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe appartementen overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde. Aangezien in onderhavige situatie geen sprake is van een procedure hogere waarde wordt voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.

4.4 Water Inleiding Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water een sturende factor in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze waterparagraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Provinciaal beleid Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het PMWP zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Het PMWP staat voor: •

voldoende water voor mens, plant en dier;

•

schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht);

•

bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's;

•

verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.

Waterbeheerplan Waterschap de Dommel 2016 - 2021 'Waardevol Water' Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu- en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.

pagina 25 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's: •

Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen);

•

Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater;

•

Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren;

•

Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;

•

Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met alle partners in het gebied wil uitbreiden en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. Wat zijn de belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode? •

voldoende water voor landbouw en natuur;

•

wateroverlast en hittestress;

•

kringloopdenken;

•

steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen;

•

vergroten waterbewustzijn.

Het waterbeheerplan is te vinden op de website van het waterschap: www.dommel.nl. Keur Waterschap de Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater, die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. De Keur van het waterschap is onder andere van toepassing wanneer direct of indirect wordt geloosd naar een oppervlaktelichaam. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.

Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt

pagina 26 van 49

documentkenmerk: 1908/164/JOW-01, bestemmingsplan

dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Gemeentelijk beleid De gemeente Oisterwijk kent met betrekking tot de bergingseis geen beginlimiet en gaat uit van het 100 procent compenseren van de bestaande en nieuwe verharding. Indien hergebruik en infiltratie van hemelwater binnen het plangebied niet mogelijk is, dan is op basis van gemeentelijk beleid de afvoer naar oppervlaktewater mogelijk. In dat geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2015 – 2019 is als beleidsdoestelling geformuleerd dat de gemeente verantwoordelijk is voor de kwaliteit (van het water) van de openbare ruimte en het woon- en leefmilieu. Het stedelijk afval-, hemel- en grondwater draagt hieraan mee. De gemeente Oisterwijk waarborgt de hiermee verbonden maatschappelijke belangen op de volgende wijze: •

het beschermen van de volksgezondheid door het verwijderen van stedelijk afvalwater uit de directe leefomgeving;

•

droge voeten en voldoende water door het inzamelen en verwerken van hemelwater (en mogelijk grondwater). Hierbij verwijdert de gemeente water uit de bebouwde omgeving of voegt de gemeente water toe aan de omgeving;

•

het bewerkstelligen van schoon water en een schone bodem door de aanleg van voorzieningen. Dit voorkomt dat ongezuiverd stedelijk afvalwater of verontreinigd regenwater op of in de bodem terecht komt;

•

het verzorgen van mooi en natuurlijk water door de inrichting en het onderhoud van waterpartijen. Het doel hierbij is een zo aantrekkelijk en natuurlijk mogelijk beeld van water in de openbare ruimte waardoor de belevingswaarde toeneemt of gelijk blijft;

•

voor bergingsberekening in het kader van de watertoets moet uitgegaan worden van alle aanwezige verharding (100% afkoppelen). Uitgangspunt bij deze berekeningen is de neerslag met herhalingstijd T=10 + 10 % en de T=100 + 10%.

Voor nieuwbouw geldt dat het afvalwater en regenwater gescheiden moet worden ingezameld. De ontwikkeling dient ‘hydrologisch neutraal’ te zijn. Het af te koppelen hemelwater wordt zoveel mogelijk in het plangebied geïnfiltreerd. Indien dit niet mogelijk is wordt, volgens de voorkeursvolgorde, het hemelwater verwerkt volgens de trits. Als dit niet mogelijk is op eigen terrein wordt de zorgplicht overgenomen door de gemeente Oisterwijk. De kosten voor de opvang en buffering van het water worden dan volledig doorberekend. Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2015 -2019 is in 2019 bij raadsbesluit verlengd met uitzondering van bijlage 8. Plangebied Bodem Uit het verkennend bodemonderzoek, uitgevoerd door Tritium Advies, blijkt de maaiveldhoogte te liggen op 11 m+NAP. De deklaag kent een 12 meter en bestaat uit zeer fijn tot zeer grof zand,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10540077/1