21-17 Beleidsnota Inburgering Oisterwijk - bijlage 1.1 WRR-Policy Brief
Tekst van het document
Alle gemeenten die in het kader van dit onderzoek benaderd zijn, vragen tevens aandacht voor het wegvallen van de gemeentelijke regie bij inburgering. Hierdoor vervalt niet alleen de mogelijkheid om gecombineerde instrumenten in te zetten, waarbij taal aan werk(ervaring) wordt gekoppeld, maar doet zich ook een aantal ongunstige neveneffecten voor: • Veel statushouders beginnen laat met hun inburgering, omdat zij drie jaar de tijd hebben om aan de verplichtingen te voldoen. • Statushouders kiezen niet altijd voor het beste of het meest effectieve taaltraject dat hun de meeste kansen biedt op verdere integratie. • Incidenteel bestaan er wachtlijsten bij taalaanbieders waardoor het lang duurt voordat statushouders kunnen deelnemen. Tot slot is aandacht nodig voor maatschappelijke begeleiding. Veel gemeenten ervaren dat de bestaande vergoeding per inburgeringsplichtige statushouder ontoereikend is om de begeleiding van vluchtelingen goed vorm te geven.
Verschillende integratieroutes Diverse gemeenten ontplooien nieuwe initiatieven om statushouders vroegtijdig te begeleiden naar een baan, bij voorkeur al tijdens de wachtperiode voor uitplaatsing naar de gemeente of zo snel mogelijk na vestiging in de gemeente. Ook voor statushouders bij wie een directe matching met een baan niet voor de hand ligt, zijn andere routes mogelijk om hun kansen op de arbeidsmarkt te versterken. Er zijn verschillende groepen te onderscheiden, waarvoor uiteenlopende integratieroutes naar de arbeidsmarkt van toepassing zijn. Daarbij merken we op dat voor een deel van de vluchtelingen deelname aan de Nederlandse arbeidsmarkt niet in het verschiet zal liggen vanwege een te grote afstand tot de Nederlandse arbeidsmarkt en bijkomende sociaal-medische problematiek. Ook voor deze groep geldt dat een vooruitzicht op maatschappelijke participatie belangrijk is om sociale uitsluiting te voorkomen. In het vervolg schetsen we vier routes. Route 1: directe arbeidsbemiddeling Er is een (kleine) groep statushouders die gezien haar kwalificaties, werkervaring en beheersing van het Engels direct kan instromen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Toch lukt het deze nieuwkomers lang niet altijd om snel de weg naar werk te vinden. Gemeenten wijzen erop dat er winst geboekt kan worden in de informatieoverdracht vanuit de centrale opvang aan gemeenten.
Het systematisch optekenen en vroegtijdig overdragen van gegevens over de opleidingsachtergrond en werkervaring kan ertoe leiden dat gemeenten eerder met werkgevers uit de regio in contact kunnen treden over het mogelijk plaatsen van statushouders (zie kader 4).
p.32 | WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen
Goede screening van kandidaten, maar ook van beschikbare vacatures, is een belangrijke voorwaarde om tot een succesvolle match te komen.27 Daarbij kan het om banen gaan, maar ook om werkstages. Zo gaat in Amsterdam een kleinschalige pilot van start met statushouders die aan deze gemeente gekoppeld zijn, maar nog in de centrale opvang verblijven. De pilot is erop gericht om de statushouders te matchen met werkgevers in de regio en richt zich specifiek op moeilijk vervulbare of onvervulbare vacatures.
Kader 4: Het matchen van statushouders en werkgevers In Eindhoven hebben gemeente, COA, Vluchtelingenwerk en UWV het initiatief genomen om in de centrale opvang gerichte informatie te verzamelen over de opleiding, de werkervaring en de talenkennis van de statushouder. Bij interessante profielen wordt er getracht om de statushouder zo snel mogelijk in contact te brengen met geïnteresseerde bedrijven. Zo nodig wordt de procedure gestart om diploma’s te verifiëren. Er hebben zich inmiddels al vrij veel geïnteresseerde bedrijven gemeld. Zij hebben zich bereid verklaard statushouders werk te bieden. Het gaat overigens niet altijd om betaalde banen, maar ook om werkervaringsplaatsen en stages.
Route 2: ondersteuning bij hoger en middelbaar beroepsonderwijs Er is een groep statushouders bij wie een gerichte investering in een Nederlandse (hogere of middelbare beroeps)opleiding het perspectief op duurzame intrede op de Nederlandse arbeidsmarkt aanzienlijk vergroot. Daarvoor is een goede begeleiding bij de studiekeuze en tijdens de studie van vitaal belang. Daarnaast geldt uiteraard dat er aandacht nodig is voor taalbeheersing, zodat taal geen struikelblok wordt voor het volgen van een opleiding. Er zijn verschillende initiatieven op dit vlak: • De Stichting voor Vluchtelingenstudenten UAF biedt al sinds vele jaren ondersteuning aan hoger opgeleide vluchtelingstudenten: in de vorm van taal- en schakeltrajecten, financiële steun en begeleiding tijdens de studie en bij de overstap naar de arbeidsmarkt. • Vanuit het hbo/wo bestaan er initiatieven gericht op het verbeteren van de aansluiting van de opleiding bij de achtergrond van vluchtelingenstudenten, bijvoorbeeld door de vorming van een voorbereidend jaar in het hbo/wo voor anderstaligen en het opzetten van buddytrajecten. • Voor het mbo wordt onder meer ingezet op combinatietrajecten, waarbij taaltraining wordt gekoppeld aan een beroepsopleiding. De MBO Raad verzamelt en verspreidt goede voorbeelden.
27. Zie in dit verband ook het advies Verloren Tijd van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken. Den Haag, maart 2013.
WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen | p.33
Een van de aandachtspunten is het oplossen van de knelpunten rondom diplomawaardering. In de praktijk is de status van het advies van EP-Nuffic niet altijd duidelijk, waardoor adviezen vaak niet worden opgevolgd en vluchtelingen op een lager niveau moeten instromen. De financiering van een opleiding kan ook een belemmering vormen. Statushouders die willen studeren, kunnen tot hun dertigste een beroep doen op studiefinanciering. Oudere vluchtelingen die willen studeren, zijn echter vaak afhankelijk van de mogelijkheden die de gemeente biedt om te studeren met behoud van uitkering. In de praktijk blijkt dat gemeenten heel verschillend omgaan met het aanbieden van deze mogelijkheid. Gemeenten kunnen echter nadrukkelijk voor deze mogelijkheid kiezen (zie kader 5). Kader 5: Specifiek beleidskader voor statushouders Amsterdam heeft al een aantal jaren een specifiek vluchtelingenbeleid. Alle nieuwe statushouders volgen gedurende drie maanden een taal- en oriëntatietraject (Taal en Oriëntatie voor Vluchtelingen, kortweg: TOV). Daarnaast bestaat er voor hoger opgeleiden de mogelijkheid om een opleiding te volgen via het UAF. De gemeente financiert de begeleiding door het UAF en biedt daarnaast de mogelijkheid om met behoud van uitkering te studeren indien er geen recht op studiefinanciering is.
Amsterdam is ook van plan om voor het mbo op 1/2-niveau een gecombineerd traject van inburgering en beroepsopleiding op te zetten. Het gaat om het inzetten van een doorlopende leerlijn, direct na vestiging in de gemeente, gekoppeld aan het TOV-traject. Na drie jaar sluit de vluchteling zijn inburgering en beroepsopleiding af. Er wordt alleen opgeleid in arbeidsmarktrelevante beroepen. Dit initiatief is gericht op een grote groep nieuwe statushouders.
Route 3: arbeidsmarktactivering Er is een grote groep statushouders met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor hen behoort directe matching naar werk om uiteenlopende redenen niet tot de mogelijkheden. Voor deze nieuwkomers zijn verschillende activerings- en toeleidingsactiviteiten nodig om betaald werk in zicht te krijgen. Voor sommige vluchtelingen is in dat kader ook aandacht voor hun sociaal-psychische problematiek noodzakelijk omdat die de weg naar werk belemmert. Er bestaan voor gemeenten verschillende mogelijkheden om de arbeidstoeleiding van deze groep te verbeteren: • Gemeenten krijgen een regierol bij de inburgering in de vorm van advisering over trajecten en monitoring van voortgang, zodat inburgering beter verbonden kan worden met activering en arbeidstoeleiding. • Gemeenten experimenteren met de inzet van duale trajecten, waarbij de vluchteling zelf het taaldeel van een traject financiert vanuit het sociale leenstelsel van inburgering. p.34 | WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen
•
• •
Gemeenten werken met gespecialiseerde klantmanagers met een kleinere caseload die een intermediaire rol tussen de statushouder en welwillende werkgevers kunnen vervullen. Gemeenten begeleiden statushouders op de werkvloer, bijvoorbeeld in de vorm van een job coach die kan helpen bij bepaalde problemen of spanningen. Gemeenten werken regionaal samen, eventueel ook met specialistische organisaties zoals Vluchtelingenwerk.
Sommige gemeenten zetten nu reeds extra middelen in voor asielzoekers met een verblijfsstatus. Voorbeelden zijn te vinden in Amsterdam met het taal- en oriëntatieprogramma voor alle nieuwe statushouders (zie kader 5) en de gemeente Amersfoort (kader 6). Met de inzet van deze extra middelen hoopt men de integratie van statushouders te bespoedigen en daarmee het risico op bijstandsafhankelijkheid te verkleinen.
Kader 6: Inburgering en trajectbegeleiding in één hand De gemeente Amersfoort heeft zowel de maatschappelijke begeleiding als de inburgering en trajectbegeleiding belegd bij NVA (Nederlands spreken Voor Anderstaligen), een regionaal centrum voor duurzame inburgering. Dit betekent dat het onderdeel arbeidsintegratie van de gemeente voor de groep van statushouders aan NVA is uitbesteed. Er zijn zeven professionele trajectbegeleiders bij NVA in dienst. De begeleiding door NVA vindt plaats naast de inburgering (activiteiten worden tegelijkertijd aangeboden, maar zijn afgestemd op het taalonderwijs). Werkervaring opdoen tijdens het inburgeringstraject is daarmee goed mogelijk. NVA organiseert jaarlijks ongeveer honderd trajecten.
Route 4: maatschappelijke participatie Niet alle statushouders zullen uiteindelijk een plek op de arbeidsmarkt verwerven. Een deel van deze groep zal hierin niet slagen, een ander deel richt zich om uiteenlopende redenen niet op betaald werk. Veel gemeenten maken zich juist om deze groep grote zorgen. De kans op een gebrekkige integratie is bij het ontbreken van een betaalde baan namelijk groot. Deze statushouders zijn in belangrijke mate aangewezen op het lokale sociaal beleid. Daarnaast zijn er middelen in het kader van de wettelijke taak voor maatschappelijke begeleiding. De uitvoering hiervan is veelal belegd bij lokale Vluchtelingenwerkorganisaties. Gemeenten geven in meerderheid aan dat zij onvoldoende middelen hebben om de integratie van deze groep asielzoekers voldoende vooruit te helpen. Respondenten benadrukken tevens dat men deze statushouders niet goed in het vizier heeft. Deze groep wordt overwegend bereikt met algemene maatregelen. Verschillende respondenten vragen zich echter af of dergelijke maatregelen specifiek genoeg zijn om een antwoord op de noden van deze groep te kunnen bieden. Weliswaar bestaan er extra middelen in het kader WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen | p.35
van de maatschappelijke begeleiding, maar deze worden als ontoereikend beschouwd. Veel gemeenten vullen dit budget dan ook met eigen middelen aan. In het recente bestuursakkoord tussen Rijk en gemeenten van 27 november 2015 over de verhoogde asielinstroom is de bijdrage per statushouder verhoogd van € 1.000 naar € 2.370 voor de jaren 2016 en 2017. Het gaat om een eenmalige vergoeding aan gemeenten.28 De recent aangekondigde plannen van het kabinet komen dus deels tegemoet aan voornoemde problematiek.29 Het kabinet zal extra investeren in de maatschappelijke begeleiding, waarmee ook een extra impuls aan de integratie van statushouders wordt gegeven. Bovendien is het kabinet voornemens het participatieverklaringstraject breed in te voeren. Dit traject zal deel gaan uitmaken van de verplichte inburgering. Hiermee krijgen gemeenten er een nieuwe uitvoeringstaak bij. De evaluatie van de pilot participatieverklaring heeft uitgewezen dat gemeenten door middel van dit beleid in staat zijn de integratie van statushouders op verschillende manieren te versterken. Dat gebeurt onder andere door hen actief in contact te brengen met zowel lokale maatschappelijke organisaties zoals welzijnsinstellingen en vrijwilligersorganisaties als met relevante taalaanbieders (Witkamp et al. 2015).
Voorwaarde is wel dat gemeenten lokale en op participatie gerichte initiatieven toevoegen aan de landelijk verplichte onderdelen van deze participatieverklaring. Het gaat daarbij in het bijzonder om het ondertekenen van de verklaring en het aanbieden van een cursus over normen en waarden.
3.3
Het vraagstuk van criminaliteit is niet of nauwelijks aan de orde gekomen tijdens de OPENBARE ORDE EN gesprekken op lokaal niveau. Het probleem van HET CREËREN VAN overlast door statushouders wordt door geen van de benaderde gemeenten als structureel MAATSCHAPPELIJK en onbeheersbaar aangemerkt. Respondenten DRAAGVLAK spreken van incidenten die slechts (zeer) beperkt in aantal voorkomen. Dat is in het licht van de eerdere analyse begrijpelijk (zie paragraaf 2.2): de aantallen statushouders zijn op het totaal aantal burgers in gemeenten nog beperkt. Daarnaast wordt gewezen op het feit dat statushouders, in tegenstelling tot de meeste andere niet-westerse migranten, niet of nauwelijks ruimtelijk geconcentreerd wonen. 28. Zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2015/11/27/kamerbrief-over-bestuursakkoordverhoogde-asielinstroom. 29. Brief van 27 november 2015 van de minister van SZW aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der StatenGeneraal. Integratie en participatie van vergunninghouders. Kenmerk: 2015-0000298184.
p.36 | WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen
Gemeenten vragen vooral aandacht voor het creëren van maatschappelijk draagvlak voor het huisvesten van statushouders. Duidelijk is dat men zich zeer bewust is van mogelijke onrust onder bewoners in buurten waar sprake is van snel groeiende aantallen asielmigranten. In bepaalde gemeenten heeft vooral de eerste opvang van asielmigranten voor de nodige onrust gezorgd. Dit speelde bijvoorbeeld in Rotterdam, waar de komst van een grote groep asielmigranten in tijdelijke opvang de gemoederen behoorlijk bezig heeft gehouden. De gemeente benadrukt dat hier een aantal factoren aan ten grondslag ligt: het grote aantal personen, de ruimtelijke concentratie en de snelheid waarmee deze noodopvang werd georganiseerd. Ten aanzien van de kleinschalige en meer verspreide huisvesting van statushouders heeft de Maasstad geen noemenswaardige problemen ondervonden.
4
Nederland staat voor de uitdaging om de groeiende groep statushouders GEEN TIJD VERLIEZEN: zo snel mogelijk te geleiden naar AANBEVELINGEN VOOR HET een plaats in de samenleving. De analyse van het recente verleden geeft BESPOEDIGEN VAN DE INTEGRATIE daarvoor twee belangrijke redenen: VAN STATUSHOUDERS (1) de gebrekkige participatie van statushouders op de arbeidsmarkt; en (2) het feit dat velen van hen voor langere tijd in Nederland zullen verblijven.30 De analyse van het recente verleden wijst ook uit dat vooral in de eerste periode van het verblijf in Nederland de arbeidsparticipatie heel laag is. Hier valt winst te boeken. De minister van SZW heeft eind november een brief naar de Tweede Kamer gestuurd waarin voorstellen worden gedaan die moeten bijdragen aan een snelle integratie en actieve participatie van asielzoekers.31 De aanbevelingen in deze policy brief liggen in dezelfde lijn. Gepleit wordt voor een grotere rol voor de gemeenten, het versterken van de bestaande uitvoering en het treffen van extra maatregelen.
30. Landen als Duitsland (Thränhardt 2015), Zweden (Bevelander en Pendakur 2014) en Engeland (Phillimore 2011; Bakker 2015) worstelen ook met de integratie van asielmigranten op de arbeids- en huisvestingsmarkt. 31. Brief van 27 november 2015 van de minister van SZW aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der StatenGeneraal. Integratie en participatie van vergunninghouders. Kenmerk: 2015-0000298184. Zie ook de brief van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 27 november 2015. Huisvesting van vergunninghouders. Tweede Kamer, kenmerk: 2015-0000708166.
WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen | p.37
Hierna schetsen we diverse maatregelen, die deels al in de praktijk worden gebracht. Het gaat vooral om huisvesting en de toeleiding tot arbeid. Voor de bestrijding van criminaliteit onder statushouders is geen nieuwe aanpak nodig. Men dient er – gezien het relatief grote aandeel van jonge mannen onder hen – rekening mee te houden dat de criminaliteit onder statushouders hoger is dan onder de doorsnee-inwoners van Nederland. Het is echter niet nodig om in te zetten op een specifieke aanpak van de criminaliteit onder statushouders. Het gangbare politiebeleid volstaat.
Rol van gemeenten: meer regie Met het nieuwe inburgeringsbeleid (vanaf 1 januari 2013) is de gemeentelijke regierol verdwenen. Gemeenten hebben hun integratiebeleid omgevormd tot algemeen beleid en integratiebudgetten voor specifieke groepen zijn verdwenen (Scholten 2015). Gemeenten constateren dat statushouders pas laat beginnen met hun inburgering en dat er nauwelijks nog wordt geïnvesteerd in duale of gecombineerde trajecten van leren en werken. Om te komen tot een meer effectieve en efficiënte integratie is het gewenst dat de rol van de gemeenten wordt versterkt. Die grotere rol zal op een aantal manieren gestalte moeten krijgen. Ten eerste: een belangrijke stap is dat gemeenten inzicht krijgen in de kenmerken en aspiraties van statushouders. Dat inzicht zouden gemeenten kunnen benutten om statushouders gericht advies te geven over inburgering en over het te volgen taaltraject. De gemeente monitort vervolgens periodiek de voortgang. Ten tweede: het participatieverklaringstraject gaat verplicht deel uitmaken van het inburgeringsexamen in de Wet inburgering. Dit biedt aanknopingspunten om in contact te komen met statushouders die in de gemeente zijn komen wonen. Uit de evaluatie van de pilot participatieverklaring blijkt dat deelnemende gemeenten dit beleid kunnen gebruiken om de integratie van statushouders te versterken (Witkamp et al. 2015).
Ten derde: voor gemeenten worden de komende jaren extra middelen beschikbaar gesteld voor maatschappelijke begeleiding van statushouders. Ook dit kan bijdragen aan de versterking van de gemeentelijke rol. Ten vierde kunnen gemeenten een rol spelen bij de vormgeving van duale trajecten van leren en werken door inschakeling van werkgevers in hun gemeente. En ten slotte kunnen gemeenten een meer actieve rol vervullen als het gaat om de arbeidstoeleiding van groepen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Een meer actieve rol van de gemeenten past in de tendens tot decentralisatie en onderkent dat het de gemeenten zijn waar de gevolgen van het huidige asielvraagstuk het meest indringend tot uiting komen. Een grotere regierol ligt daarom voor de hand. Dat betekent niet dat de eigen verantwoordelijkheid van statushouders wordt gereduceerd. Zij hebben dezelfde plichten als andere burgers om te pogen in hun eigen onderhoud p.38 | WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen
te voorzien. Daarnaast spelen ook andere partijen een rol, zoals de rijksoverheid, werkgevers, onderwijsinstellingen, corporaties, maatschappelijke organisaties (waaronder VluchtelingenWerk), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), organisaties van vluchtelingen en vrijwilligers.
Geen tijd verliezen (1): benut de periode in de opvangcentra In de periode van afwachting van de beslissing of een asielzoeker in aanmerking komt voor een vergunning kunnen reeds activiteiten worden ondernomen die gunstig zijn voor de participatie (ACVZ 2013). Nu al kunnen volwassen asielzoekers in afwachting van hun verblijfsvergunning met de hulp van vrijwilligers een begin maken met het leren van de Nederlandse taal. Op dit moment, eind 2015, bezien beleidsmakers of de mogelijkheden om tijdens de procedure Nederlands te leren, kunnen worden verruimd. Gezien het belang van de Nederlandse taal voor opleiding en werk is dit een belangrijk streven. Bij een groot deel van de huidige asielzoekers wordt het asielverzoek ingewilligd, wat een vroege investering in het leren van de Nederlandse taal rechtvaardigt. Er is een groot aantal vrijwilligers beschikbaar om statushouders te helpen. Zij kunnen goede diensten bewijzen door asielzoekers gedurende de asielprocedure de eerste beginselen van de Nederlandse taal bij te brengen.32 Verder valt het te overwegen om de voorwaarden om te mogen werken voor vluchtelingen zonder status aan te passen en gemeenten daarbij meer mogelijkheden of experimenteerruimte te geven (Gemeente Amsterdam 2015: 3).
Het gaat zowel om het verkorten van de periode van 6 maanden voor de tewerkstellingsvergunning als om het verruimen van het maximaal aantal van 24 weken dat een vluchteling zonder status mag werken. Tijdens de asielprocedure mogen asielzoekers wel vrijwilligerswerk doen. Organisaties die van hun diensten gebruik willen maken, kunnen bij het UWV een vrijwilligersverklaring aanvragen. Aan die mogelijkheid zou bredere bekendheid gegeven kunnen worden. Ook zou effectiever gebruik kunnen worden gemaakt van de periode dat statushouders, dus asielzoekers mét verblijfspapieren, nog in de centrale opvang moeten verblijven. Vroege signalering van opleiding, mentale gezondheid, arbeidservaring en verwachte route van participatie (zie paragraaf 3.2) kan bevorderlijk zijn voor een snelle integratie.
32. Voor minderjarige asielzoekers geldt dat zij 3 maanden na toekenning van de asielaanvraag toegang hebben tot onderwijs, tot het moment dat tegen hen of hun ouders een verwijderingsmaatregel wordt getroffen. Zij dienen onder vergelijkbare omstandigheden onderwijs te krijgen als kinderen van lidstaten (ACVZ 2013).
WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen | p.39
Geen tijd verliezen (2): bespoedig het huisvestingsproces van statushouders Integratie begint met huisvesting. Als statushouders een eigen woning hebben kunnen zij zich beter concentreren op onderwijs, werk en inburgering. De opgave is dan ook om de woningvoorraad zo snel mogelijk te vergroten. Hiervoor is het nodig dat innovatieve oplossingen worden bedacht. Naast vormen van zelfstandige huisvesting gaat het om allerlei vormen van tijdelijke en niet-zelfstandige bewoning. De ervaringen die opgedaan zijn bij het bouwen van woningen voor tijdelijke arbeidsmigranten zijn daarvoor bruikbaar. Voor een goede integratie in de buurt zijn beginselen van kleinschaligheid, spreiding en een goede mix van bewoners van belang.33 Betrek ook de bewoners bij de planvorming door hen vroegtijdig te informeren en een rol te geven bij de plannen van gemeenten met de buurt. Voorkom daarnaast verdringing van bewoners door statushouders in de sociale huursector. Dat is van betekenis voor het maatschappelijk draagvlak, zeker bij toenemende aantallen statushouders in de nabije toekomst.
Geen tijd verliezen (3): kies een parallelle aanpak Een andere manier om het integratieproces op tempo te houden is om aanpakken te bedenken waarin het leren van de taal, het volgen van een opleiding en (het vinden van) werk niet na elkaar, maar op hetzelfde moment plaatsvinden. Een parallelle aanpak heeft nadrukkelijk de voorkeur boven een sequentiële aanpak. De gemeente Amersfoort combineert inburgering en toeleiding naar werk (zie kader 6). De gemeente Amsterdam maakt het mogelijk om tegelijkertijd te studeren en in te burgeren. Het mes snijdt hier aan twee kanten: de taal wordt sneller geleerd en het integratieproces wordt versneld. Geen tijd verliezen (4): screen regelmatig de bijstandsdata Alles moet erop gericht zijn om te voorkomen dat het aantal statushouders in de bijstand te hoog oploopt. Gezien de grote afstand tot de arbeidsmarkt van een deel van de statushouders zal instroom in de bijstand niettemin aanzienlijk zijn. Statushouders hebben recht op een bijstandsuitkering. Zij hebben dezelfde rechten en plichten als autochtone Nederlanders. Dit betreft dus ook de toetsen en plichten vanuit de Participatiewet zoals de sollicitatie- en scholingsplicht en de vermogens- en partnertoets. Vanwege de bijstandsafhankelijkheid van veel statushouders valt het te overwegen om binnen het cliëntenbestand van de bijstand periodiek vast te stellen in hoeverre statushouders
33. Recentelijk heeft Genderhof in Eindhoven de inspiratieprijsvraag Flexwonen 2015 uit handen van minister Blok mogen ontvangen. Genderhof is een complex waar meerdere doelgroepen (ouderen, EU-arbeidsmigranten, statushouders en studenten) samenleven.
p.40 | WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen
uitstromen naar werk en of hier verschillen bestaan met andere migrantengroepen en autochtone Nederlanders. Achterblijvende uitstroom zou aanleiding kunnen zijn voor het ontwikkelen van een op statushouders gerichte aanpak.
Geen tijd verliezen (5): stimuleer het behalen van een Nederlands diploma De diplomawaardering verloopt niet zonder problemen. Adviezen worden niet altijd door onderwijsinstellingen overgenomen en vaak moeten statushouders op een lager niveau instromen. Een snelle procedure van diplomawaardering is daarom een eerste stap. Daarnaast zijn er binnen onderwijsinstellingen initiatieven om de aansluiting tussen het onderwijs en de achtergrond van statushouders te verbeteren. Dit neemt de vorm aan van een voorbereidend jaar waarin aandacht wordt besteed aan verbetering van de kennis van de Nederlandse taal en aan de voorbereiding op de opleiding die de student in het jaar erna gaat volgen. Sommige gemeenten maken het mogelijk om met behoud van uitkering te studeren indien er geen recht op studiefinanciering is. Dit biedt statushouders die ouder zijn dan 30 jaar de mogelijkheid om met financiële ondersteuning een studie te volgen. De activiteiten die de gemeente Amsterdam op dit terrein heeft ontplooid (zie kader 5) kunnen tot voorbeeld strekken voor andere gemeenten.
Geen tijd verliezen (6): houd rekening met beschikbaarheid van werk Het huidige spreidingsbeleid voor statushouders leidt tot een suboptimale afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.34 Statushouders worden in principe over Nederland gespreid zonder rekening te houden met de mate waarin er voor hen lokaal wel of geen werk beschikbaar is. Het is het overwegen waard om een betere koppeling tot stand te brengen tussen statushouders en regionale arbeidsmarkten (zie kader 4 over Eindhoven). Bevelander en Lundh (2007) hebben voor Zweden laten zien dat asielmigranten een grotere kans op betaalde arbeid hebben indien zij terechtkomen in gebieden met een lage werkloosheid en met een relatief sterke vraag naar laaggeschoolde arbeid. Geen tijd verliezen (7): breng relevante partijen bij elkaar De opgave van deze tijd is om functionele netwerken te ontwikkelen waarin expertise wordt gebundeld om statushouders op een efficiënte manier aan het werk te helpen of toe te rusten voor de arbeidsmarkt. De te ontwikkelen beleidsmaatregelen moeten vallen binnen de kaders van het algemeen beleid. Geen doelgroepenbeleid, maar targeting within universalism. De situatie in Eindhoven (zie kader 4), waar de gemeente, het COA, Vluchtelingenwerk en het UWV de handen ineen hebben geslagen, is een goed voorbeeld van wat we hier voor ogen hebben. Langs die weg kunnen vraag en aanbod op 34.
Zie ook het pleidooi van Hans Sondaal (waarnemend voorzitter van de ACVZ) in het Financieel Dagblad van 14 september 2015: http://fd.nl/opinie/1118397/geef-vreemdeling-een-woning-in-een-regio-waar-werk-is.
WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen | p.41
de arbeidsmarkt beter bij elkaar worden gebracht. Dit is voor statushouders relatief lastig vanwege hun grotere afstand tot de arbeidsmarkt, het ontbreken van functionele netwerken en de ‘koudwatervrees’ van werkgevers. Projecten waar job- en headhunting samenkomen zijn daarom kansrijk: werkgevers die vacatures aanbrengen, een UWV of een uitzendbureau dat kandidaten aandraagt en een partij die faciliteert. De gemeente zou die laatste rol goed kunnen vervullen. Personen afkomstig uit de eigen groep statushouders en (opkomende) vluchtelingenorganisaties kunnen een bijdrage leveren aan de implementatie van het integratiebeleid en ook aan het creëren van draagvlak onder de lokale bevolking. Dat vergt waarschijnlijk wel enige investering: zij hebben enige financiële ondersteuning nodig om in staat te zijn een rol te spelen in de succesvolle integratie van de groep. In Rotterdam (zie kader 2) worden vluchtelingen ingezet als ‘maatje’ voor andere vluchtelingen in het inburgeringstraject. Bij de opvang van asielmigranten speelt daarnaast de samenleving – bijvoorbeeld kerken en maatschappelijke organisaties – een belangrijke rol. Deze organisaties kunnen van betekenis zijn bij inspanningen op het terrein van de integratie, bijvoorbeeld bij het ondersteunen van de inburgering. In den lande zijn diverse vrijwilligersprojecten gestart om statushouders Nederlands te leren.
Ook is het denkbaar om werkgeversnetwerken (denk aan de Kamer van Koophandel en regionale verenigingen en lokale kringen van VNO-NCW) en de uitzendbranche te betrekken bij arbeidsmarktprojecten. Kortom, bij de vorming van slagvaardige en praktische netwerken kunnen uiteenlopende partijen een rol hebben. Al deze aanbevelingen kunnen niet morgen worden uitgevoerd. Toch is er geen tijd te verliezen. Veel burgers hebben zorgen over de grote instroom van asielzoekers. En veel burgers zijn bereid om de integratie van statushouders te bespoedigen. Het is van belang om die positieve opstelling optimaal te benutten. Want het maatschappelijk draagvlak voor het asielbeleid zal sterk afhankelijk zijn van de mate waarin statushouders voor zichzelf kunnen zorgen en een bijdrage kunnen leveren aan de Nederlandse samenleving.
p.42 | WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen
LITERATUURLIJST ACVZ (2007) Secuur en snel. Voorstel voor een nieuwe asielprocedure, Den Haag: ACVZ. ACVZ (2013) Verloren tijd. Advies over dagbesteding in de opvang voor vreemdelingen, Den Haag: ACVZ. Althoff, M. en W.J.M. de Haan, m.m.v. S. Miedema (2006) Criminaliteitspatronen en criminele carrières van asielzoekers, Den Haag: Elsevier. Andriessen, I., E. Nievers, L. Faulk en J. Dagevos (2010) Liever Mark dan Mohammed? Onderzoek naar arbeidsmarktdiscriminatie van niet-westerse migranten via praktijktests, Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. Andriessen, I., en J. Dagevos (2014) ‘Disadvantages in the labour market of ethnic minority men and women,’ blz. 63-76 in T. Lowell (red.) Racism: Global perspectives, coping strategies and social implications, Hauppage (NY): Nova Science Publishers. Bakker, L., J. Dagevos en G. Engbersen (2013) ‘The Importance of Resources and Security in Socio-Economic Integration of Refugees’, Journal of International Migration and Integration 15, 3: 431-448. Bakker, L., G. Engbersen en J. Dagevos (2014) ‘In Exile and in Touch: Economic and Socio-Cultural Transnational Activities of Refugees in a Comparative Perspective’, Comparative Migration Studies 2, 3: 261-282. Bakker, L. (2016, te verschijnen) Seeking sanctuary in the Netherlands: Opportunities and obstacles to refugee integration, Rotterdam: Erasmus University Rotterdam. Bevelander, P.
(2009) ‘In the Picture: Resettled Refugees in Sweden’, in P. Bevelander, M. Hagström and S Rönnqvist (red.) Resettled and Included? The Employment Integration of Resettled Refugees in Sweden, Malmö: University of Malmö. Bevelander, Pieter en Christer Lundh (2007) ‘Employment Integration of Refugees: The Influence of Local Factors on Refugee Job Opportunities in Sweden’, IZA Discussion Paper 2551: 2-43. Bevelander, P. en R. Pendakur (2014) ‘The labour market integration of refugees and family reunion immigrants: A comparison of outcomes in Canada and Sweden’, Journal of Ethnic and Migration Studies 40, 5: 689-709. Black, R., K. Koser, K. Munk, G. Atfield, L. D’Onofrio en R. Tiemoko (2004) Understanding voluntary return. Londen: Home Office Online Report 50/04. Blom, M. en R. Jennissen (2014) ‘The involvement of different ethnic groups in various types of crime in the Netherlands’, European Journal of Criminal Policy Research 20, 1: 51-72. Boom, J. de, G. Engbersen en A. Leerkes (2006) Asielmigratie en criminaliteit, Den Haag: Elsevier.
WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen | p.43
Boom, J. de, E. Snel en G. Engbersen (2010) ‘Asielmigratie, verblijfsstatussen en criminaliteit’, Tijdschrift voor Criminologie 52, 2: 153-169. Borghans, L. en B. ter Weel (2003) ‘Criminaliteit en etniciteit’, Economisch Statistische Berichten 88, 4419: 548-550. Casserino, J. (2004) Theorising Return Migration: A Revisited Conceptual Approach to Return Migrants, EUI working papers, San Domenico di Fiesole, European University Institute. CBS (2015) ‘CBS: Zeven van de tien Somaliërs in de bijstand’, 30 juni http://www.cbs. nl/nl-nl/menu/themas/dossiers/allochtonen/publicaties/artikelen/archief/2015/ zeven-van-de-tien-somaliers-in-de-bijstand.htm. Croes, M. en R. Jennissen (te verschijnen) ‘Extra werk aan de winkel! De Nederlandse politie en de toenemende asielinstroom’, Tijdschrift voor de Politie. Dagevos, J. (2011) ‘Positie op de arbeidsmarkt’, blz. 108-125 in E. Dourleijn en J. Dagevos (red.) Vluchtelingengroepen in Nederland: Over de integratie van Afghaanse, Iraanse, Iraakse en Somalische migranten, Den Haag: SCP. DNB (2015) Economische ontwikkelingen en vooruitzichten. December 2015, nummer 10. Amsterdam: de Nederlandsche Bank NV. Dourleijn, E. en J. Dagevos (2011) Vluchtelingengroepen in Nederland: Over de integratie van Afghaanse, Iraanse, Iraakse en Somalische migranten, Den Haag: SCP. Duin, C. van, L. Stoeldraijer en J.
Ooijevaar (2015) Bevolkingstrends april 2015, Bevolkingsprognose 2014–2060: veronderstellingen migratie, Den Haag: CBS. Engbersen, G., A. Leerkes en E. Snel (2014) ‘Ethnicity, migration and crime in the Netherlands’, blz. 766-790 in S. M. Bucerius en M. Tonry (eds.) Oxford Handbook on Ethnicity, Crime, and Immigration, Oxford: Oxford University Press. Gemeente Amsterdam (2015) Actieplan ondernemerschap en werk: Kansen voor en door vluchtelingen, Amsterdam: Gemeente Amsterdam. Gould, E.D., B.A. Weinberg en D.B. Mustard (2002) ‘Crime rates and local labor market opportunities in the United States’, Review of Economics and Statistics 84, 1: 45-61. Graaf-Zijl, M. de, A. van der Horst en D. van Vuren (2015) Langdurige werkloosheid. Afwachten én hervormen. CPB Policy Brief 2105/11. Haas H. de, en T. Fokkema (2011) ‘The effects of integration and transnational ties on international return migration intentions’, Demographic Research 25, 24: 755-782. Hartog, J en A. Zorlu (2009) ‘How Important is Homeland Education for Refugees’ Economic Position in the Netherlands?’, Journal of Population Economics 22: 219-46. Hessels, T. (2005) ‘Voormalig Joegoslaven in Nederland’, Bevolkingstrends 53, 1: 98-103. Hirschi, T. en M. Gottfredson (1983) ‘Age and the explanation of crime’, American Journal of Sociology 89, 3: 552-584.
p.44 | WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen
Hüttl, P. en A. Leandro (2015) ‘How will refugees affect European economies?’ Bruegel Blog Post http://bruegel.org/2015/10/how-will-refugees-affect-european-economies/ Jennissen, R. en K. Oudhof (2008) ‘De arbeidsmarktpositie van niet-westerse immigratiecohorten in de eerste jaren van verblijf in Nederland’, Migrantenstudies 24, 4: 273-287. Jennissen, R., M. Blom en A. Oosterwaal (2009) ‘Geregistreerde criminaliteit als indicator van de integratie van niet-westerse allochtonen’, Mens & Maatschappij 84, 2: 207-233. Jennissen, R. en L. van Wissen (2015) ‘The distribution of asylum seekers over Northern and Western European countries, 1985-2005’, Genus: Journal of Population Sciences 71, 2: 109-132. Kanas, A. en F. van Tubergen (2009) ‘The Impact of Origin and Host County Schooling on the Economic Performance of Immigrants’, Social Forces 88, 2: 893-915. Klaver, J. en I. van der Welle (2009) IntegratieBarometer 2009: Een onderzoek naar de integratie van vluchtelingen in Nederland, Amsterdam: Vluchtelingenwerk. Klinthäll, M. (2007) ‘Refugee return migration: return migration from Sweden to Chile, Iran and Poland 1973–1996’, Journal of Refugee Studies 20, 4: 579-598. Laban, C.J., I.H. Komproe, H.B. Gernaat en J.T.
de Jong (2008) The impact of a long asylum procedure on quality of life, disability and physical health in Iraqi asylum seekers in the Netherlands, Social Psychiatry and psychiatric epidemiology 43, 7: 507-515. Leerkes, A., E. Boersema, M. Galloway en M. van Londen (2014) Afgewezen en uit Nederland vertrokken? Een onderzoek naar de achtergronden van variatie in zelfstandige terugkeer onder uitgeprocedeerde asielzoekers, Den Haag: WODC. Lochner, L. en E. Moretti (2004) ‘The effect of education on crime: Evidence from prison inmates, arrests, and self-reports’, American Economic Review 94, 1: 155-189. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2015a) Kamerbrief van de Minister voor Wonen en Rijksdienst, Vreemdelingenbeleid, Kamerstukken (20152016), 19637, nr. 2053, 2 oktober. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2015b) Kamerbrief Aanbieding bestuursakkoord verhoogde asielinstroom, 27 november. Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (2015c) Kamerbrief van de Minister voor Wonen en Rijksdienst Huisvesting van vergunninghouders, 27 november. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2015) Kamerbrief Integratie en participatie van vergunninghouders, 27 november. Phillimore, J. (2011) ‘Refugees, Acculturation Strategies, Stress and Integration’, Journal of Social Policy 40, 3: 575-593.
Regioplan (2015) De integratie van statushouders op lokaal niveau belemmeringen en oplossingen, Amsterdam: Regioplan.
WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen | p.45
Scholten, P. (2015) ‘De integratie van vluchtelingen wordt enorme lokale uitdaging’, Binnenlands Bestuur 36, 41. Sociaal-Economische Raad (2014) Arbeidsmigratie. Advies 14/09. Den Haag 2014. Soede, A. en C. Vrooman (2010) ‘Armoede volgens de budgetbenadering’, blz 43-66 in SCP en CBS (red.) Armoedesignalement 2010, Den Haag: SCP. Sondaal, H. (2015) ‘Geef vreemdeling een woning in een regio waar werk is’, Het Financieele Dagblad, 14 september. Sprangers, A., H. Nicolaas en J. Korpel (2009) ‘Toename asielverzoeken in Nederland sterker dan in EU’, Bevolkingstrends 57, 2: 22-25. Thränhardt, D. (2015) Die Arbeitsintegration von Flüchtlingen in Deutschland: Humanität, Effektivität, Selbstbestimmung, Berlin: Bertelsmann Stiftung. UNHCR (1997) The State of the World’s Refugees 1997-98: A Humanitarian Agenda, Oxford: Oxford University Press. UNHCR (2013) UNHCR Global trends 2013: War’s human cost, Genève: UNHCR. UNHCR (2015) Syria regional refugee response, Genève: UNHCR. Vogels, R. (2011) ‘Onderwijspositie’, blz. 81-107 in E. Dourleijn en J. Dagevos (red.) Vluchtelingengroepen in Nederland: Over de integratie van Afghaanse, Iraakse, Iraanse en Somalische migranten, Den Haag: SCP. Vroome, T. de, en F. van Tubergen (2010) ‘The Employment Experience of Refugees in the Netherlands’, International Migration Review 44, 2: 376-403. Vroome, T. de, M. Coenders, F. van Tubergen en M.
Verkuyten (2012) ‘Economic Participation and National Self-Identification of Refugees in the Netherlands’, International Migration Review 45, 3: 615-638. Vroome, T. de en F. van Tubergen (2014) ‘Settlement Intentions of Recently Arrived Immigrants and Refugees in the Netherlands’, Journal of Immigrant and Refugee Studies 12, 1: 47-66. Wijkhuijs, V., M. Kromhout, R. Jennissen en H. Wubs (2011) ‘Asielzoekers’, blz. 177250 in R.P.W. Jennissen (red.) De Nederlandse migratiekaart: Achtergronden en ontwikkelingen van verschillende internationale migratietypen, Den Haag: BJu. Witkamp, B., M. Vanoni, A. Odé, F. Kriek en J. Klaver (2015) Evaluatie Pilot Participatieverklaring, Regioplan, juli 2015. Zolberg, A.R., A. Suhrke en S. Aguayo (1989) Escape from violence: Conflict and the refugee crisis in the developing world, Oxford: Oxford University Press.
p.46 | WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen
BIJLAGE 1: BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Asielzoeker Persoon die een aanvraag om toelating als vluchteling heeft ingediend. Asielmigrant Asielzoeker, statushouder of uitgenodigde vluchteling die is opgenomen in het gemeentelijk bevolkingsregister. Statushouder Asielzoeker van wie het verzoek is ingewilligd en die een (legale) verblijfsstatus heeft gekregen. Vluchteling Niet-Nederlander die naar Nederland is gekomen en van wie op grond van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 1951 is vastgesteld dat hij of zij in het herkomstland gegronde vrees heeft voor vervolging, vanwege een godsdienstige of politieke overtuiging, nationaliteit, ras of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Niet-westerse migrant Migrant met als herkomstgroepering een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije.
Bron: CBS, http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/bevolking/links/2012-bt-btmve-begrippenlijst-buitenlandse-migratie.htm
WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen | p.47
BIJLAGE 2: AFKORTINGEN ACVZ Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken CBS Centraal Bureau voor de Statistiek COA Centraal Orgaan opvang asielzoekers EP-Nuffic Europees Platform - Netherlands universities foundation for international cooperation EUR Erasmus Universiteit Rotterdam EVRM Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden GBA Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens GZZA Gemeentelijk Zelfzorgarrangement Halt Het ALTernatief Hbo Hoger beroepsonderwijs HKS Herkenningsdienstsysteem Mbo Middelbaar beroepsonderwijs NVA Nederlands Spreken voor Anderstaligen SCP Sociaal en Cultureel Planbureau SER Sociaal-Economische Raad SSB Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden SZW Sociale Zaken en Werkgelegenheid TOV Taal en Oriëntatie voor Vluchtelingen UAF University Assistance Fund UNHCR United Nations High Commissioner for Refugees UWV Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen VNG Vereniging van Nederlandse Gemeenten VNO-NCW Verbond Nederlandse Ondernemingen – Nederlands Christelijk Werkgeversverbond Vw Vreemdelingenwet Wo Wetenschappelijk onderwijs WODC Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum WRR Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid
p.48 | WRR-Policy Brief 4 | Geen tijd verliezen