CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-158 Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor één woning aan Haarendijk 8 te Haaren- bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing

RAAD 16 december 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-158 Verklaring van geen bedenkingen Haarendijk 8 - aanvaard15.644 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Creatief met leefomgeving Sterk in omgevingsrecht

Ruimtelijke onderbouwing “Haarendijk 8” Haaren Gemeente Oisterwijk

www.burogkracht.nl

Almystraat 14 | 5061 PA Oisterwijk | 06 232 74 307 | info@burogkracht.nl | burogkracht.nl

22 juli 2021

2

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3

AANLEIDING LIGGING PLANGEBIED LEESWIJZER

HOOFDSTUK 2 2.1 2.2

PROJECTBESCHRIJVING

HUIDIGE SITUATIE BEOOGDE ONTWIKKELING

HOOFDSTUK 3 3.1 3.2 3.3

INLEIDING

BELEIDSKADER

RIJKSBELEID PROVINCIAAL BELEID GEMEENTELIJK BELEID

HOOFDSTUK 4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

5 5 5 5

7 7 8

10 10 11 13

16

4.1 INLEIDING 4.2 PARKEREN, ONTSLUITING EN VERKEERSGENERATIE 4.3 WATER 4.4 NATUUR 4.5 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 4.6 MILIEUZONERING 4.7 MILIEUEFFECTRAPPORTAGE EN VORMVRIJE M.E.R. BEOORDELING 4.8 GELUID 4.9 LUCHTKWALITEIT 4.10 BODEMKWALITEIT 4.11 EXTERNE VEILIGHEID 4.12 TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR 4.13 GEZONDHEID

16 16 17 19 20 21 23 23 24 26 26 27 27

HOOFDSTUK 5

30

5.1

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

OMGEVINGSVERGUNNING

30

HOOFDSTUK 6 UITVOERBAARHEID

31

6.1 6.2

31 31

FINANCIËLE HAALBAARHEID MAATSCHAPPELIJKE HAALBAARHEID

BIJLAGEN

32

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

3

4

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Aan de Haarendijk 8 in Haaren is de bouw van een nieuwe grondgebonden woning gepland. De bestemming van het terrein is vastgelegd in het bestemmingsplan “Kom Haaren” van de gemeente Haaren. De bestemming is “Detailhandel”. Binnen deze bestemming is het toegestaan om op de verdieping te wonen. Aangezien het om een nieuwe grondgebonden woning gaat, zal er ook op de begane grond gewoond gaan worden. Dit is strijdig met de regels uit het bestemmingsplan. Om de beoogde bouw van de nieuwe woning toch mogelijk te maken is een buitenplanse afwijking nodig. Een buitenplanse afwijking wordt onder andere getoetst aan een goede ruimtelijke ordening/ zorgvuldige belangenafwijking (Awb) en (milieu)wetgeving. Ter motivatie dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat voldaan wordt aan (milieu)wetgeving dient deze ruimtelijke onderbouwing. Hierbij geldt wel dat met het voorgenomen besluit geen nieuwe woning mogelijk wordt gemaakt, maar dat de afwijking louter het toestaan van bewoning van de begane grond betreft.

1.2

Ligging plangebied

De nieuwe woning is gelegen aan Haarendijk 8 in de bebouwde kom van het dorp Haaren. Onderstaande foto toont de ligging van de locatie.

Situering locatie aan Haarendijk 8 in de bebouwde kom van Haaren (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van het project. Hoofdstuk 3 is een opsomming van de planologische beleidskaders bestaande uit Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 gaat in op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 is de juridische planbeschrijving opgenomen. Hoofdstuk 6 beschrijft de uitvoerbaarheid (financieel en maatschappelijk) van het project. Het dorp Haaren is ten gevolge van de gemeentelijke herindeling per 1 januari 2021 onderdeel geworden van de gemeente Oisterwijk. De toetsing aan het gemeentelijk beleid (paragraaf 3.3.) heeft BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

5

met name plaats gevonden aan het beleid van de gemeente Haaren waartoe Haaren tot 1 januari 2021 behoorde. De gemeente Oisterwijk stemt met die toetsing in.

6

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving In dit hoofdstuk wordt zowel het gebied waar de ontwikkeling plaats gaat vinden als het project zelf beschreven.

2.1

Huidige situatie

Op de locatie aan Haarendijk 8 is op dit moment een bestaand gebouw aanwezig. Op de begane grond was voorheen een detailhandelszaak gevestigd alsmede een daarachter gelegen eerder ook vergunde woonruimte. Op de verdieping is de bestemde woonfunctie aanwezig. Het bestaande pand zal worden gesloopt. Achter het pand is een laagbouw (garageboxen) gelegen. Deze laagbouw zal ook worden gesloopt. Het perceel is nagenoeg geheel verhard. Alleen het deel gelegen zuidelijk van de laagbouw is onbebouwd en onverhard.

Foto van het pand aan de Haarendijk 8 (bron google.nl, maart 2019)

Luchtfoto van de locatie.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

7

2.2

Beoogde ontwikkeling

De beoogde ontwikkeling bestaat uit de sloop van het bestaande gebouw en achtergelegen laagbouw. Ter plaatse zal een nieuwe grondgebonden woning worden gerealiseerd bestaande uit een hoofdgebouw en een aanbouw. De nieuwe woning heeft ten opzichte van het bestaande pand een grotere afstand tot de weg en de naastgelegen westelijke bedrijfswoning. De voorgevel van de nieuwe woning wordt in de rooilijn gepositioneerd van de oostelijke woning. Hierdoor wordt beter aan gesloten op de bestaande stedenbouwkundige structuur dan dat het huidige pand doet. De volgende afbeelding toont in rood de ligging van het nieuwe hoofdgebouw en in grijs de aanbouw. Het gearceerde deel is de ligging van het bestaande pand en laagbouw.

Overzicht van de situatie met daarin de bestaande en huidige bebouwing. Bron: René van den Hout, Architect. De hoofdbouw van de nieuwe woning heeft een maximale bouwhoogte van circa 10 meter. De goothoogte van de hoofdbouw is circa 6 meter. De maximale bouwhoogte van de aanbouw is gelegen op 3 meter. Hiermee wordt aangesloten op de regels uit het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan heeft bepaald dat het terrein 100% mag worden bebouwd. Dit is niet het geval. Het bouwplan voldoet aan deze regel uit het bestemmingsplan. De volgende impressies geven een beeld van het bouwplan.

8

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Impressies van de nieuwe woning. Bron: René van den Hout, Architect.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

9

Hoofdstuk 3 Beleidskader De beleidscontext voor het plangebied en de beoogde ontwikkeling wordt gevormd door landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid samengevat.

3.1

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker vooropzet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. De SVIR is op 13 maart 2012 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd: • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur; • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen.

Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten, ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur en ruimte voor militaire terreinen en activiteiten. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Het bouwen van een woning aan Haarendijk 8 waarbij niet alleen op de verdieping maar ook op de begane grond wordt gewoond, doet geen afbreuk aan deze uitgangspunten en past in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: • Rijksvaarwegen; • Mainportontwikkeling Rotterdam; • Kustfundament; • Grote rivieren; • Waddenzee en waddengebied; • Defensie • Hoofdwegen en landelijke spoorwegen 10

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

• • • • • •

Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuur Netwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

Geen van de nationale belangen heeft betrekking op het project. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen die nieuwe woningen mogelijk maken, de treden van deze ladder doorlopen moeten worden. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro gaat in op duurzame verstedelijking en luidt als volgt: Lid 2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef onder i, van het Bro wordt in het Bro de de daarop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaven, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Het besluit maakt het mogelijk om één woning ter vervanging van een bestaande woning op de verdieping van een bestaand en te slopen pand te kunnen bouwen. Met de beoogde nieuwbouw worden de bebouwingsmogelijkheden niet vergroot en geen extra woningen bestemd. Daardoor vindt geen nieuw beslag op de ruimte plaats. Er is geen sprake van een “stedelijke ontwikkeling”. Toepassing van de Ladder is daarom niet nodig. Dit neemt niet weg dat de behoefte aan de nieuwe ontwikkeling in het kader van de uitvoerbaarheid van het besluit wel moet worden onderbouwd. De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van 1 woning. Het betreft geen planologische toevoeging aangezien wonen op de verdieping reeds is toegestaan. Omdat er geen woning wordt toegevoegd kan worden volstaan met de vaststelling dat reeds behoefte is aan wonen aan Haarendijk 8.

3.2

Provinciaal beleid

Brabantse Omgevingsvisie Vooruitlopend op de Omgevingswet heeft de Provincie Noord-Brabant reeds haar Omgevingsvisie opgesteld. De Omgevingswet heeft onder ander als doel om de overzichtelijkheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht te verbeteren. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. In de Brabantse Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie). De basis is dat deze elementen in balans zijn en blijven bij ruimtelijke transities. Draagvlak en draagkracht zijn hierbij belangrijke aspecten. De Brabantse Omgevingsvisie bestaat uit zeven hoofdstukken.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

11

In hoofdstuk 5 staat beschreven wat de kernwaarden zijn voor het handelen van de Provincie. Hierin wordt onder andere verwoord dat de Provincie gaat voor meerwaarde-creatie. Dit betekent dat uitdrukkelijk gekeken wordt naar de effecten van ontwikkelingen op sociale inclusiviteit, veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. De beoogde ontwikkeling betreft een goede bijdrage aan de verbetering van de omgevingskwaliteit doordat met de nieuwbouw uitdrukkelijk gekozen is voor een positionering gelijk aan de rooilijn van de oostelijk gelegen woning. Op deze manier is sprake van een versterking van de stedenbouwkundige lintstructuur van Haarendijk. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 juli 2022 in werking. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze in de Omgevingsvisie en de Omgevingswet.

Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de omgevingsvisie. Er heeft voor de Interim verordening geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moeten worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. De Interim omgevingsverordening is digitaal. Dit betekent dat alle regels gekoppeld zijn aan een op een digitale kaart weergegeven werkingsgebied. Door op een willekeurig punt in de kaart te klikken, kan iemand zien welke regels op die plek gelden. In hoofdstuk 3 zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening.

De instructieregels uit hoofdstuk 3 gelden niet alleen voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen en uitvoeringsbesluiten. Instructieregels voor het plangebied Op basis van kaart 3 voor gemeenten – stedelijke ontwikkeling en erfgoed is duidelijk dat het plangebied is gelegen in het “Landelijke kern” en dat sprake moet zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Hiervoor geldt dat de ontwikkeling moet passen in regionale afspraken en dat invulling moet worden gegeven aan de doelen op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie en veilige, gezonde woonomgeving. De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van 1 woning. Het betreft geen planologische toevoeging aangezien wonen op de verdieping reeds is toegestaan. Bevordering ruimtelijke kwaliteit Voor het plangebied gelden ook de instructieregels aan gemeente die overeenkomen met de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit: zorgvuldig ruimtegebruik, toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie. 12

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

In artikel 3.5 uit de omgevingsverordening is beschreven dat voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving rekening moet worden gehouden met: a. Zorgvuldig ruimtegebruik b. De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering c. Meerwaardecreatie Hierbij ligt het provinciaal belang vooral in het landelijk gebied. De ontwikkeling vindt plaats in een bestaande dorpskern. Het bouwplan voegt zich in het bestaand bebouwingspatroon van Haarendijk en wordt door een positie in de rooilijn van de bestaande oostelijk gelegen woning aangevuld. De bouwhoogten zijn afgestemd op de hoogten van de bestaande panden. De ontwikkeling past binnen de omgeving en er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik door het beter benutten van gronden in bestaand stedelijk gebied.

3.3

Gemeentelijk beleid

De gemeente Oisterwijk heeft na de gemeentelijke herindeling van 1 januari 2021 de verschillende beleidsdocumenten van de voormalige gemeente Haaren van toepassing verklaard voor het grondgebied dat hoort bij het dorp Haaren. Dit geldt ook voor de Structuurvisie Haaren, de Woonvisie 2017-2021 en de duurzaamheidsambities. In deze beleidsstukken is het volgende relevant voor de beoogde ontwikkeling. Structuurvisie Haaren De voormalige gemeente Haaren is een groene gemeente. Dit groene karakter dient behouden te blijven. Tegelijkertijd wil de gemeente haar ogen niet sluiten voor ontwikkelingen. De gemeente Haaren wenst daarom de ruimtevraag in zijn geheel te bekijken en daar een allesomvattend beleid voor hebben. Deze visie heeft zijn beslag gekregen in de Structuurvisie Haaren die op 22 januari 2015 door de gemeenteraad is vastgesteld. Deze structuurvisie is de concretisering van de abstracte doelen zoals verwoord in de in 2011 vastgestelde Toekomstvisie Haaren. Ten aanzien van het beleid inzake wonen en woonomgeving heeft de gemeente haar algemeen beleid als volgt verwoord; “Het beleid ten aanzien van wonen heeft betrekking op wonen in één van de vier dorpen binnen de gemeente Haaren en nadrukkelijk ook in het buitengebied. Doel van beleid is dat het voor iedereen fijn wonen is in de gemeente Haaren.

Een leefbare woonomgeving houdt in dat er een goede balans bestaat tussen woningvoorraad en woningbehoefte. Beschreven dominante trends als krimp, vergrijzing en de economische recessie kunnen consequenties hebben voor het type woningen dat gebouwd moet worden en hoe we met de bestaande voorraad omgaan. Voor de gemeente is daarom flexibiliteit in meerdere opzichten van belang, zodat aanpassing aan de veranderende eisen mogelijk is en ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd wordt.” De basisverantwoordelijkheid heeft de gemeente als volgt verwoord; “Het bieden van onderscheidende woonmilieus, voldoende woningaanbod en een woningvoorraad die toegankelijk is voor doelgroepen van beleid door middel van duurzame planontwikkeling”. Met de beoogde nieuwbouw wordt het aantal woningen niet vergroot aangezien wonen op de verdieping reeds is toegestaan. Met het bouwplan wordt een grondgebonden woning gebouwd in een bestaand woonmilieu dat zich onderscheid door veelal vrijstaande woningen op ruime percelen. Met de nieuwbouw zal de verharding afnemen. Het groen karakter van de gemeente wordt hierdoor versterkt. Het bouwplan voldoet aan de uitgangspunten van de Structuurvisie Haaren.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

13

Woonvisie Haaren 2017-2021 “Van Wensen naar Wonen” De vorige woonvisie van de voormalige gemeente Haaren, ‘Jouw kruiwagen naar mooi wonen’ is vastgesteld in 2011. Sindsdien hebben zich op de woningmarkt, mede onder invloed van de herziene Woningwet, de nodige ontwikkelingen voorgedaan. Deze ontwikkelingen vragen een actuele visie op het wonen in Haaren. Om die reden is de woonvisie geactualiseerd. De Woonvisie Haaren 2017-2021 geeft de visie voor de komende vijf jaren weer.

Nieuwbouw en woningbouwprogrammering De woonvisie beschrijft het volgende ten aanzien van de woningbouwprogrammering; “De huishoudensontwikkeling is een goede voorspeller van de woningvraag. Het bedienen van de huishoudensgroei van +/- 350 huishoudens, vergt een toevoeging van gemiddeld 60 woningen per jaar tot en met 2022. Op de lange termijn stabiliseert de huishoudensomvang, waarna ook deze langzaam terugloopt. Dit vraagt een zorgvuldige afweging rond nieuwbouw, woningen staan er namelijk voor een lange periode. Als het gaat om woningbouwplanning- en programmering maakt Haaren onderdeel uit van de regio Noordoost-Brabant. Met de provincie en de regiogemeenten maakt zij afspraken over het toe te voegen woningaanbod. Daarnaast hebben de gemeente en de provincie in 2008 een overeenkomst gesloten waarin zij aanvullende afspraken hebben gemaakt over toe te voegen plancapaciteit en het aantal te ontwikkelen woningen tot 2020. Dit leidde tot een ‘plus’ op de regionale aantallen. Na het verstrijken van de termijnen uit de overeenkomst wordt teruggevallen op de prognoses van de provincie. Binnen de bestaande plancapaciteit zijn de toegestane aantallen nagenoeg ingevuld. Dit is vastgelegd in ‘harde’ en ‘zachte’ plancapaciteit, waarbinnen plannen voor toevoeging van woningen in verschillende segmenten (huur/koop) en prijsklassen (goedkoop/middelduur/duur) zijn opgenomen.

Er is nog maar (zeer) beperkte ruimte voor nieuwe plannen.” Met het bouwplan worden in planologische zin geen woningen toegevoegd waardoor de woningbouwprogrammering geen relevantie heeft voor het voorgenomen besluit.

Duurzaamheidsambities gemeente Haaren Ten aanzien van de duurzaamheidsdoelstellingen heeft de gemeente een aantal duurzaamheidsambities. Deze ambities zijn de volgende: 1. De klimaatverandering te stoppen, door de concentratie CO2 in de atmosfeer terug te brengen (klimaatmitigatie): • Minder energie gebruiken • De benodigde energie duurzaam opwekken • CO2 uit de lucht halen en vastleggen in bomen, planten en de bodem 2. Onze leefomgeving voor te bereiden op de klimaatveranderingen (klimaatadaptatie) De ambities heeft de gemeente als volgt verwoord; Voor Haaren gelden gunstige omstandigheden voor de omschakeling richting volledig duurzaam opgewekte energie (ook wel de energietransitie genoemd). De gemeente heeft een grote oppervlakte met relatief weinig inwoners. Er is geen zware en energieslurpende industrie en er is een flink aantal betrokken inwoners en bedrijven actief bezig met verduurzaming. Dat biedt kansen om met een ambitieuze doelstelling aan de slag te gaan! Niet afwachten tot er vanuit de rijksoverheid doelstellingen en taken worden opgelegd, maar zelf achter het stuur gaan zitten en een voorbeeld vormen voor anderen. Op basis van de kennis en ervaring van Enexis en de kracht van de lokale energiecoöperatie DEH (Duurzame Energie Haaren) is het een haalbaar doel om in 2035 CO2-neutraal te zijn.

Een kanttekening is dat we hierbij uiteraard ook deels afhankelijk zijn van andere partijen en maatschappelijke en technologische ontwikkelingen om dit doel te bereiken. 14

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

De nieuwe woning wordt duurzaam. Dit wil zeggen dat op dit moment onderzocht wordt welke maatregelen in kunnen worden gezet om optimaal in te kunnen inspringen op de duurzaamheidsambities van de gemeente Haaren. Te denken valt aan een hogere isolatiewaarde, het toepassen van PV-panelen en uiteraard het toepassen van een gasloze verwarming. Overigens geldt dat met dit besluit wordt afgeweken van de regels dat louter op de verdieping gewoond mag worden. Voor het aspect bouwen heeft dit geen relevantie.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

15

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1

Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid, landschap en ruimtelijke ordening. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de beoogde ontwikkeling. De milieukwaliteit vormt dan ook een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de milieuhygiënische en overige planologische aspecten. Indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De eventuele onderzoeksrapportages zijn separate bijlagen. In deze ruimtelijke onderbouwing zijn de samenvattingen en conclusies opgenomen.

4.2

Parkeren, ontsluiting en verkeersgeneratie

De gemeente Oisterwijk streeft naar een evenwichtige balans tussen parkeervraag en -aanbod waarbij aan de parkeerbehoefte van diverse doelgroepen (bewoners, bezoekers en bedrijven) zoveel mogelijk wordt voldaan, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid in de wijk en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Hiervoor hanteert de gemeente Oisterwijk de normen uit de publicatie CROW, kencijfers parkeren en verkeersgeneratie. Deze publicatie is uitgangspunt voor het parkeerbeleid binnen de gemeente en is gehanteerd bij het samenstellen van de parkeerbalans. Parkeerbehoefte Voor de beoogde ontwikkeling speelt ook de vraag wat de nieuwe functies aan parkeerbehoefte met zich meebrengen en op welke wijze deze parkeervraag kan worden ingepast. Uitgangspunt daarbij is dat deze ruimtebehoefte in principe op het eigen terrein, dus niet in de openbare ruimte wordt opgevangen. Met behulp van de rekentool van het CROW is bepaald dat de locatie is gelegen in de zone “rest bebouwde kom” en dat de stedelijkheidsgraad voor Haaren is bepaald op “niet stedelijk”. Berekening benodigd aantal parkeerplaatsen De rekentool berekent een benodigd aantal parkeerplaatsen voor één woning van minimaal 2 en maximaal 3 parkeerplaatsen. Langs de woning is voldoende plaats beschikbaar voor de stalling van 3 parkeerplaatsen. Het is daarom aannemelijk dat er voldaan kan worden aan de gestelde parkeernorm.

Afbeelding met de ligging van de parkeerruimte bij de woning. Bron: René van den Hout, Architect. 16

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Ontsluiting De woning wordt direct ontsloten op Haarendijk. Met behulp van de rekentool, parkeren en verkeersgeneratie van het CROW is de verkeersgeneratie berekend. De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt 8 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. Dit aantal is gering in verhouding tot de bestaande motorvoertuigbewegingen op de bestaande weg. Daarbij geldt ook dat de detailhandel die in het bestaande pand aanwezig was een grotere verkeersgeneratie kende. Het aantal verkeersbewegingen neemt met de beoogde nieuwbouw af. Geconcludeerd worden dat de capaciteit van de omliggende wegen voldoende is om de verkeersgeneratie van 1 woning op te kunnen vangen. Het aspect “parkeren” en “ontsluiting” is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Overigens geldt dat met dit besluit wordt afgeweken van de regels dat louter op de verdieping gewoond mag worden. Voor het aspect parkeren en ontsluiting heeft dit geen relevantie.

4.3

Water

In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond, middels een hydrologisch onderzoek, dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Sinds juli 2003 is de watertoets wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening. Het besluit verplicht tot het opnemen van een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in de toelichting van alle ruimtelijke plannen. Ten aanzien van het beleid rond- en om water is het met name van belang of de wijzigingen een effect kunnen hebben op de hydrologische situatie. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd. Daarnaast zijn de algemene regels vastgelegd binnen de “Algemene regels waterschap De Dommel”. De beleidsregels aanvullend op de Keur zijn verder vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. De grenswaarde waaraan getoetst wordt is een toename van verharding (terrein en dakvlak) van meer dan 500 m².

Aanvullend op de beleidsregels gelden de “Hydrologische uitgangspunten bij de keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen”. Deze uitgangspunten resulteren in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. Afvoeren naar de riolering Vanuit de Algemene Regel is er geen verplichting tot aanleg van een retentievoorziening of infiltratievoorziening bij een verhardingstoename kleiner dan 500 m2. De gemeente Oisterwijk hanteert geen ondergrens bij bouwplannen. Het hemelwater dat op dakvlak en terreinverharding valt, mag niet worden aangeboden aam het (bestaande) rioolstelsel en moet volledig verwerkt moet worden op het eigen terrein. Om te bepalen wat de te bergen hoeveelheid hemelwater is, is inzicht gezocht in de verhardingstoename als gevolg van het planvoornemen. Met de gewenste nieuwbouw is er geen sprake van een toename van de verharding. Wat de beoogde ontwikkeling betekent voor de waterhuishouding is beschreven in deze waterparagraaf.

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

17

Grondwater Op basis van de Watertoetskaart is bepaald dat de projectlocatie is gelegen in een boringsvrije zone. Ontwikkelingen in dit gebied mogen de grondwaterkwaliteit niet in gevaar brengen. In de Interim verordening ruimte is de aanduiding “Boringsvrije zone” opgenomen. Boringen tot 70 meter diepte zijn toegestaan mits van tevoren gemeld. Voorts is op de themakaart Maximale boordiepte grondwateronttrekkingen van waterschap De Dommel te vinden dat de maximale diepte ter plaatse van de onderhavige locatie 78 m beneden maaiveld bedraagt voor grondwateronttrekkingen waarvoor op grond van de regels van het waterschap geen vergunning is vereist. Hemelwater Met de nieuwbouw neemt het verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie af. Omdat sprake is van een verhardingsafname en dus een toename die kleiner is dan vanuit de Algemene Regel wordt gesteld (een verhardingstoename kleiner dan 500 m2) is geen verplichting tot aanleg van een retentievoorziening of infiltratievoorziening. Vanuit de gemeentelijke hemelwater- en grondwaterverordening bestaat de plicht dus wel om het hemelwater op eigen terrein op te vangen en te infiltreren. De nieuwe woning gaat een dakvlak hebben van 116 m2 (hoofdgebouw) en aanbouw (180 m2). Hoewel de terreininrichting nog niet is uitgewerkt is het aannemelijk om uit te gaan van een terreinverharding van circa 100 m2 (terras en oprit).

De volgende tabel geeft de totale verharding in de toekomstige situatie weer.

Oppervlaktes

Oppervlaktes in m2

Daken

296

terreinverharding

100

onverhard terrein

742

Totaal

1138

Uitgaande van een maatgevende bui van 60 mm, kan bepaald worden dat per perceel (0,06 m x 396 m2) 23,76 m3 berging moet worden gerealiseerd. Er is op het perceel voldoende ruimte beschikbaar om te voorzien in een bergingsvijver. Deze vijver zal worden aangelegd in het zuiden van perceel. Deze vijver heeft een lengte van 18 meter en een gemiddelde breedte van 2,2 meter. De diepte is 0,6 meter. Al het hemelwater dat op het dakvlak en terreinverharding valt zal worden geloosd in deze vijver. Er is een overstort beschikbaar voor het lozen op het gemeentelijk riool. Onderstaande tekening maakt de ligging van de waterberging inzichtelijk.

18

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Ligging van de waterberging in het zuiden van het percee. René van den hout I architect.l

Afvalwater Het afvalwater zal gescheiden van het hemelwater op het gemeentelijk riool worden aangeboden. Overigens geldt dat met dit besluit wordt afgeweken van de regels dat louter op de verdieping gewoond mag worden. Voor het aspect water heeft dit geen relevantie.

4.4

Natuur

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving; de Wet natuurbescherming. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. De uitvoering van de Wet natuurbescherming ligt bij de Provincie. Gebiedsbescherming In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden zijn de Veluwe, Rijntakken (rivieren),de Waddenzee maar ook de Kampina en Oisterwijkse Vennen). Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning Natuurbeschermingswet wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Provincies hebben ervoor gekozen om deze gebieden te beschermen via het provinciale beleid. Ook de provincie Noord-Brabant heeft de gebieden in haar verordening toegewezen aan het Natuur Netwerk Brabant (NNB).

Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en de ecologische hoofdstructuur. Omdat de afstand tot natuurgebieden groot is, (minimaal 2 km tot de Kampina en Oisterwijkse Vennen) zijn er geen effecten zoals trillingen/ geluid te verwachten. Wel is inzicht gezocht in de effecten van stikstof als gevolg van de bouwactiviteiten en toekomstig gebruik van de woning. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

19

Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw, wegenbouw of de industrie) waar stikstof bij vrij komt. Ook voor de bouw van de nieuwe woning is het nodig inzicht te krijgen in de stikstofdepositie op in de omgeving van het plangebied gelegen Natura-2000 gebieden. Om een zorgvuldige afweging te maken bij nieuwe activiteiten wordt AERIUS Calculator ingezet. Hiermee kan berekend worden welke depositie een project veroorzaakt en op welke natuurgebieden die depositie neerslaat. Met het gebruik van AERIUS Calculator kunnen projecten doorgang vinden waar kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename, (groter dan 0,00 mol/ha/jaar) van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemming vereist voor het aspect stikstofdepositie. Daarnaast is het met AERIUS Calculator mogelijk om vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. Voor het project is daarom een AERIUS berekening opgesteld. De uitgangspunten, resultaten en conclusie van deze berekening is als bijlage aan deze onderbouwing gevoegd. De conclusie luidt als volgt: Uit de AERIUS berekening blijkt dat de ontwikkeling geen toename van stikstofdepositie kent boven de 0,00mol/ha/jr. Gelet op de afstand van ca.

2,0 km tot aan het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied de Kampina & Oisterwijkse Vennen heeft de gebruiksfase geen significant negatief effect op dit Natura 2000-gebied. De stikstofdepositie ter plaatse van het Natura-2000 gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen kent geen toename boven de 0,00 mol/ha/jr in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming staan verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden. Hiervoor verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen: Strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de voormalige Vogel- en Habitatrichtlijn. In de tweede categorie staan andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. Onder de Wet natuurbescherming worden 75 soorten vaatplanten beschermd. Vrijwel alle zoogdieren zijn beschermd. In het bijzonder geldt dat voor alle soorten vleermuizen. Het bestaande pand zal worden gesloopt maar beschikt niet over openingen en holtes in muren en daken doordat de bouwkundige staat goed is onderhouden. Het is daarom niet voorstelbaar dat in het pand geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn. Nadelige gevolgen voor natuurwaarden worden daarom niet verwacht. Overigens geldt dat met dit besluit wordt afgeweken van de regels dat louter op de verdieping gewoond mag worden.

Voor het aspect natuur heeft dit geen relevantie.

4.5

Archeologie en cultuurhistorie

De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een plantoelichting dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

20

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Archeologie Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Bij ingrepen waarbij de ondergrond ernstig wordt geroerd, moet worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. In het bestemmingsplan is geen dubbelbestemming Archeologie voor dit perceel opgenomen dat onderzoek naar de archeologische verwachtingswaarde bij bouwaanvragen verplicht. Direct zuidelijk en op korte afstand van de locatie is in het bestemmingsplan Buitengebied, herziening 2020 een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2 gelegen. Hiervoor is bepaald dat onderzoek naar archeologische waarden niet nodig is ter plaatse van bouwvlakken. Het bouwplan gaat uit van een de bouw ter plaatse van een bestaand gebouw. Gesteld kan worden dat ter plaatse van de bestaande bebouwing al een zekere mate van verstoring aanwezig is waardoor een onderzoek naar mogelijke archeologische resten niet noodzakelijk is. Daarnaast geldt dat het ten alle tijden mogelijk is dat tijdens (overige) werkzaamheden archeologische resten of sporen aangetroffen kunnen worden, dan moet hiervan terstond melding worden gemaakt bij de bevoegde overheid.

Als blijkt dat de aangetroffen resten of sporen gedocumenteerd dienen te worden, zal overleg plaatsvinden tussen de initiatiefnemer en de bevoegde overheid waarin besproken wordt welke tijd en ruimte beschikbaar is om op een gedegen manier onderzoek te plegen. Cultuurhistorie Binnen of in de nabijheid van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen of gebouwen aanwezig. Het bestaande pand kent geen monumentale status. Het aspect “archeologie en cultuurhistorie” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Overigens geldt dat met dit besluit wordt afgeweken van de regels dat louter op de verdieping gewoond mag worden. Voor het aspect archeologie en cultuurhistorie heeft dit geen relevantie.

4.6

Milieuzonering

Bij elk ruimtelijk besluit zal er sprake moeten zijn van een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent dat gevoelige functies (zoals wonen) geen overlast mogen hebben van in de omgeving aanwezige en toegestane bedrijven. Aan de andere kant moet ook gemotiveerd zijn dat de rechten van bestaande bedrijven in de omgeving niet geschaad worden door een besluit dat een nieuw gevoelig object mogelijk maakt. Omdat hier geen sprake is van de toevoeging van een woning kan worden volstaan met een inventarisatie van de omliggende bedrijfsactiviteiten.

Bedrijvigheid en richtafstanden Op basis van milieuzonering wordt bepaald welke categorieën bedrijfsvestigingen en/of inrichtingen mogelijk kunnen worden gemaakt. Dit houdt in dat er een voldoende ruimtelijke scheiding aanwezig dient te zijn tussen milieubelastende bedrijven en/of inrichtingen en woongebieden of woningen. Hoe zwaarder de toegestane milieucategorie, hoe groter de afstand. Zonering of functiemenging Bij het bepalen van deze afstand wordt gebruik gemaakt van de VNG - brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009 (VNG-brochure). In deze brochure worden onder meer richtafstanden aangegeven tot de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied. Bij een gemengd gebied geldt dat de in de brochure genoemde richtafstand met één stap kan worden verlaagd. Ook beschrijft de brochure gebieden waarbinnen functiemenging juist gewenst is bijvoorbeeld in stadscentra. Voor dit soort gebieden kent de brochure de systematiek van functiemenging. De projectlocatie is niet gelegen in een omgeving waar functiemenging wordt nagestreefd. Een beoordeling op basis van zonering is nodig. BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

21

Algemeen uitgangspunt Omdat de woonfunctie op de verdieping reeds is toegestaan geldt dat geen nieuw gevoelig object zal worden toegevoegd. Een beoordeling of sprake is van een goed woon,- en leefklimaat volstaat daarom. Zonering Westelijk van de projectlocatie geldt voor een aantal percelen de bestemming ‘Bedrijf”. Deze bestemmingen staat bedrijfsactiviteiten tot maximaal milieucategorie 2 toe. De richtafstand van categorie 2 bedraagt volgens de VNG-brochure 30 meter. Het perceel direct westelijk van de locatie (Haarendijk 6a-6d) is een autohandel en reparatiebedrijf gelegen dat tevens brandstoffen (geen LPG) verhandelt. De overige percelen liggen op grotere afstand van Haarendijk 8 dan 30 meter en voldoen aan de richtafstand.

Uitsnede bestemmingsplan met de in de omgeving aanwezige bedrijven. bron: ruimtelijkeplannen.nl Gemengd gebied Zoals beschreven kent de VNG-brochure verschillende omgevingstypen. Het gemengd gebied wordt als volgt beschreven: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingsgebied gemengd. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” Het gebied is te beschouwen als een “gemengd gebied”. Op het perceel is reeds (op de verdieping) wonen toegestaan. Direct naast woningen komen andere functies voor. De bepalende milieubelastende factor van de in de omgeving aanwezige bedrijven is het aspect geluid. De afstand mag met één afstandsmaat worden verlaagd tot 10 meter. Het deel van het bedrijf dat het dichtst op het perceel aan Haarendijk 8 is gelegen is in gebruik als bedrijfswoning bij het garagebedrijf.

Het verkooppunt voor brandstoffen en de bedrijfsactiviteiten zijn gelegen op een afstand groter dan 10 meter tot de nieuwe woning. Tussen de bedrijfswoning en de beoogde nieuwe woning is een pad aanwezig waarover voertuigen rijden. Dit zal voor de nieuwe woning niet tot geluidsoverlast leiden aangezien de nieuwe woning op de perceelsgrens een gesloten gevel heeft en de ramen op de verdieping op meer dan 10 meter van het pad zijn gelegen.

22

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Op basis van de VNG-brochure kan worden geconcludeerd dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat. Op de perceelgrens wordt een gesloten gevel opgenomen. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat in de huidige situatie nooit sprake is van enige geluidsoverlast als gevolg van de bedrijvigheid aan Haarendijk 6a-d. Een ander milieuaspect is geur. Ook voor dit aspect hanteert de VNG-brochure in gemengd gebied ene richtafstand van 10 meter. De bedrijfsactiviteiten die tot geurhinder kunnen leiden liggen allemaal op een grotere afstand tot de beoogde woning waardoor aangenomen kan worden dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat. De bouw van de nieuwe woning heeft geen consequenties voor de bedrijfsbelangen van het aanliggende bedrijf aan Haarendijk 6a-d aangezien op het perceel aan Haarendijk 8 reeds een woning is toegestaan. Aan Haarendijk 4 is een horecabedrijf (café) aanwezig. De richtafstand voor een café is op basis van de VNG-brochure 10 meter. Hieraan wordt voldaan. Conclusie Hiermee is gemotiveerd dat er met de beoogde nieuwbouw geen sprake is van nadelige gevolgen voor de belangen van de omliggende bedrijven en dat er geen milieuhinder te verwachten is voor de beoogde woning. Overigens geldt dat met dit besluit wordt afgeweken van de regels dat louter op de verdieping gewoond mag worden. Voor het aspect milieuzonering heeft dit geen relevantie.

4.7

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r. beoordeling

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk significant nadelig kan worden beïnvloed. In het Besluit m.e.r. wordt de realisatie van woningen aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject (D11.2). Naast de aanvliegroutes via het Besluit m.e.r. of de “passende beoordeling” (Wet natuurbescherming), kan ook een m.e.r.-plicht ontstaan via aanvullend binnen de Provinciale Milieuverordening opgenomen activiteiten. Noord-Brabant heeft echter geen aanvullende m.e.r.-plichtige activiteiten opgenomen. Op grond van de recente uitspraak van de Raad van State (119487/201901439-1-r1) is geoordeeld dat een ontwikkeling van twaalf vrijstaande woningen binnen de bebouwde kom, gelet op de omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is ook van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling (en aanmeldnotitie) behoeft daarom niet te worden uitgevoerd.

4.8

Geluid

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object, maar ook van een wijziging van bouwmogelijkheden nabij geluidbronnen, moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, vliegtuigverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: • Woningen; • Andere geluidsgevoelige gebouwen; • Geluidsgevoelige terreinen BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

23

Omdat door met de beoogde ontwikkeling geen nieuw geluidsgevoelig object wordt toegevoegd is geen onderzoek naar geluidseffecten nodig. Een beknopte beschrijving van de situatie kan volstaan. Wegverkeerslawaai Normen met betrekking tot verkeerslawaai worden thans in Nederland gebaseerd op de “regels op het gebied van het voorkomen of beperken van geluidhinder” (Wet geluidhinder). Krachtens deze wet worden zones aangegeven aan weerszijden van wegen. Binnen de zones wordt geëist, dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de betreffende weg ter plaatse van de gevels van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen een zekere maximale waarde niet overschrijdt. Buiten de zones worden geen geluidseisen gesteld met betrekking tot wegverkeerslawaai. Op basis van artikel 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande geluidsgevoelige bestemmingen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Er wordt geen nieuw geluidsgevoelig object toegevoegd omdat op de verdieping reeds een woning is toegestaan. Bovendien is Haarendijk een weg met een snelheidsregime van 30 km/uur. Wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur zijn niet-gezoneerd waardoor ook hierdoor onderzoek niet verplicht is. De nieuwe woning is verder van de weg gelegen dan dat het bestaande pand en de bovenwoning dat doet.

Hoe groter de afstand tot de weg, hoe kleiner de geluidsbelasting. De nieuwe woning zal, door de huidige eisen uit het bouwbesluit tevens voorzien zijn van een gevel met een betere geluidwerendheid dan de bestaande bovenwoning. De woning voorziet in een buitenruimte (achtertuin) aan de geluidluwe zijde. Er kan worden geconcludeerd dat sprake is van een goed woon-, en leefklimaat. Spoorweglawaai Dit aspect is niet aan de orde. Vliegtuiglawaai Dit aspect is niet aan de orde. Industrielawaai Dit aspect is niet aan de orde Het aspect “Geluid” is geen belemmering voor de beoogde nieuwbouw. Overigens geldt dat met dit besluit wordt afgeweken van de regels dat louter op de verdieping gewoond mag worden. Voor het aspect geluid heeft dit geen relevantie.

4.9

Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet Luchtkwaliteit in werking getreden. De luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm). In artikel 5.16 Wm staat een limitatieve opsomming van de bevoegdheden waarbij luchtkwaliteitseisen een directe rol spelen. Het gaat om ruimtelijke besluiten en milieuvergunningen die direct gevolgen voor de luchtkwaliteit hebben en daardoor kunnen bijdragen aan overschrijding van een grenswaarde. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitvoering van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16 van de Wm. Vaststelling van een bestemminsplan is mogelijk als: • De concentratie stoffen in de lucht door de voorgenomen ontwikkeling verbetert of gelijk blijft; • Bij beperkte toename van de concentratie, door een met de activiteit samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbeterd; • 24

De toename, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt. Dit is het geval als een project of activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

PM10 of NO2 (max1,2 μg/m3). Toetsing initiatief aan “niet in betekenende mate” begrip Projecten die “niet in betekenende mate” bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet afzonderlijk te worden getoetst op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van “niet in betekenende mate” ligt volgens de gelijknamige AMvB bij 3% van de grenswaarde van een stof. Hiervan is volgens de ministeriële regeling van “niet in betekenende mate” sprake bij de realisatie van minder dan 1500 woningen op één ontsluitingsweg of minder dan 3000 woningen op twee ontsluitingswegen. Dit besluit betreft het toestaan van de bouw en gebruik van een gebouw waarbij ook op de begane grond kan worden gewoond en niet het bestemmen van extra woningen. Dit besluit leidt daarom tot een ontwikkeling die kleiner is dan 1500 woningen met één ontsluitingsweg. De ontwikkeling zal dan ook 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Toetsing initiatief aan “goede ruimtelijke ordening” Naast de toetsing of het bouwplan een bijdrage levert aan de luchtkwaliteit dient beoordeeld te worden of sprake is van een goed woon-, en leefklimaat en daarmee of sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

De GGD geeft op lokaal niveau advies over luchtkwaliteit in relatie tot gezondheid en ruimtelijke ordening. Juist bij gevoelige bestemmingen nabij drukke wegen is het wenselijk dat de gemeente om advies vraagt aan de GGD. Toch is inzicht gezocht in de luchtkwaliteit. Dit is onderzocht door middel van de actuele kaartgegevens met betrekking tot de aspecten stikstofdioxide, fijnstof, zeer fijnstof en roet. (nsl-viewer). Hieruit blijkt dat ter plaatse van de N65 ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarden (stikstofdioxode: 40 μg/m3 en fijn stof: 40 μg/m3). Voor stikstofdioxide en PM10 is de achtergrondwaarde gelegen tussen 0 en 35 μg/m3 en voor zeer fijn stof (PM2,5) is de waarde gelegen lager 20 μg/m3. Omdat het plangebied op grotere afstand van de N65 is gelegen dan dat de meetpunten dat doen, kan worden geconcludeerd dat er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goede luchtkwaliteit.

Uitsnede kaart NSL-viewer Fijnstof (pm10) met in rood het plangebied; bron: nsl-monitoring.nl

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

25

Het aspect “Luchtkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Overigens geldt dat met dit besluit wordt afgeweken van de regels dat louter op de verdieping gewoond mag worden. Voor het aspect luchtkwaliteit heeft dit geen relevantie.

4.10 Bodemkwaliteit Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient inzicht te bestaan in de bodemkwaliteit teneinde de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor een beoogde (nieuwe) bestemming te kunnen aantonen. Bij een bestemmingswijziging is het van belang dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Ten behoeve van het toestaan van bewoning op de begane grond wordt de toegestane gebruiksvorm op het perceel niet verruimd. Wonen is immers reeds toegestaan. Het aspect “Bodemkwaliteit” is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Overigens geldt dat met dit besluit wordt afgeweken van de regels dat louter op de verdieping gewoond mag worden. Voor het aspect bodemkwaliteit heeft dit geen relevantie.

4.11 Externe Veiligheid De externe veiligheidsregelgeving is gericht op het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten alsmede het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), de Structuurvisie buisleidingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Basisnet. Om voldoende ruimte aan te houden tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid rondom een risicobron kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit.

Het groepsrisico (GR) bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit op het terrein van een inrichting of bij een transportmodaliteit. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Ten behoeve van het toestaan van bewoning op de begane grond is er op basis van de Risicokaart geïnventariseerd in hoeverre er sprake is van veiligheidsgevaren vanuit de omgeving. Er is echter geen toename van het aantal woningen (kwetsbare objecten) waardoor volstaan kan worden met deze inventarisatie.

26

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

Met behulp van de nationale risicokaart is gekeken of het plangebied is gelegen binnen de externe veiligheidscontouren van risicobronnen. Op circa 3300 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Tilburg – ’s-Hertogenbosch, Op circa 1.450 meter zuidelijk van de projectlocatie is de spoorlijn Tilburg – Eindhoven gelegen. Beide spoorwegen hebben geen risicocontour (plaatsgebonden risico) dat over de projectlocatie valt. De Rijksweg N65 bevindt zich op circa 2300 meter van het plangebied. Volgens de bijlage I uit de Regeling basisnet heeft deze weg geen plaatsgebonden risico en geen plasbrandaandachtsgebied (PAG). Overige in de omgeving gelegen risicobronnen hebben geen externe veiligheidscontour over het plangebied liggen. Het plangebied ligt vanwege toxische scenario’s zowel binnen het invloedsgebied van het spoor, zowel de spoorlijn Tilburg- ‘s-Hertogenbosch als de spoorlijn Tilburg-Eindhoven. De gemeente Oisterwijk heeft voor deze risicobronnen een Standaardverantwoording groepsrisico opgesteld. Deze beschouwd echter nog niet het grondgebied van de voormalige gemeente Haaren waar het dorp Haaren tot 1 januari 2021 deel van uitmaakte. Voor objecten buiten 200 meter vanaf categoriale installaties, transportroutes en buisleidingen kan deze standaard verantwoording worden gebruikt.

Vooruitlopend op de aanvulling hiervan kan al wel worden aangesloten bij de verantwoording. De standaardverantwoording is daarom van toepassing en is als bijlage aan de onderbouwing toegevoegd. Het aspect “externe veiligheid” is daarom geen belemmering. Overigens geldt dat met dit besluit wordt afgeweken van de regels dat louter op de verdieping gewoond mag worden. Voor het aspect externe veiligheid heeft dit geen relevantie.

4.12 Technische infrastructuur Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het wijzigingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. In of nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.

4.13 Gezondheid Ten aanzien van eventuele gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen in de nabijheid van het plangebied is een aantal aspecten van belang. In het bijzonder gaat het om eventuele risico’s als gevolg van varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) en geitenhouderijen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat met het voorgenomen besluit geen nieuwe woning wordt toegevoegd. Wonen is aan Haarendijk 8 reeds toegestaan. De beoordeling van eventuele gezondheidsrisico’s heeft daarom alleen betrekking op een beoordeling van het woon-, en leefklimaat ter plaatse. Varkens-, en pluimveehouderijen (endotoxinen) Een veehouderij in de omgeving van een woning kan effecten hebben op de gezondheid. Omwonenden van veehouderijbedrijven worden blootgesteld aan bepaalde micro-organismen en endotoxinen. Zowel micro-organismen en endotoxinen kunnen effecten op de gezondheid hebben. Het gaat dan vooral om effecten op de luchtwegen. Op basis van de “Notitie endotoxine toetsingskader 1.0” kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De concentratie endotoxine in het plangebied voldoet aan de adviesnorm van 30 EU/m3. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Geitenhouderijen

BuroGkracht, creatief met leefomgeving, sterk in omgevingsrecht

27

Mogelijk is er een verband tussen het langdurig verblijven in de nabijheid van een geitenhouderij en het krijgen van longontsteking. In de periode 2009-2013 is het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn op 7 juli 2016 gepubliceerd (hoofdrapport VGO). Gegevens van 110.278 patiënten, die ingeschreven stonden bij 27 huisartspraktijken in het VGO-onderzoeksgebied, zijn hiervoor geanalyseerd. Op 16 juni 2017 is een aanvullend VGO-rapport gepubliceerd. In het aanvullend VGO-onderzoek (VGO-2) zijn de onderzoeksgegevens statistisch uitvoeriger geanalyseerd. Onder andere is onderzocht of er in de jaren 2009-2013 een verband bestond tussen de woonafstand tot geitenhouderijen en het risico op longontsteking. Gemiddeld over deze onderzoeksjaren laten de aanvullende analyses een 29% verhoogde kans op longontsteking zien voor mensen die rondom een individuele geitenhouderij wonen, tot een afstand van 1,5 – 2 km (dit is vergeleken met bewoners zonder een geitenhouderij binnen deze afstand van de woning). Uit het onderzoek volgt dat het risico op longontsteking rond een geitenhouderij bijna drie keer groter is dan het risico op longontsteking tot een afstand van ca. 1 km rond een pluimveehouderij. De oorzaak van deze verhoogde kans op longontstekingen rondom geitenhouderijen kan door de onderzoekers niet worden aangegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10760443/1