CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-113 OVVGB pluimveehouderij Rosepdreef 9, Oisterwijk - bijlage ruimtelijke onderbouwing

RAAD 3 juni 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-113 OVVGB wijziging pluimveehouderij Rosepdreef 9, Oisterwijk15.680 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.3.1

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

24

specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen het bouwvlak geen NNB aanwezig, zie Afbeelding 9. Op de achtergelegen percelen, buiten het bouwvlak, is een NNB aanwezig. De beoogde ontwikkeling voorziet in wijziging dieraantallen zonder constructieve wijzigingen, dit heeft geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Daarbij wordt opgemerkt dat door de instandhouding van de aanwezige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving behouden zullen worden.

Afbeelding 9: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden' van de Iov

4.3.2

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. De provincie NoordBrabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd.

Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

25

Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kampina en Oisterwijkse Vennen, dat op een afstand van circa 400 meter ligt. De wijziging van de veehouderij kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van toepassing bij de ontwikkeling van veehouderijen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.

Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht

Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Het bedrijf is in het bezit van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming d.d. 06-062018, zie bijlage 2. Conform deze vergunning mogen er op locatie 85.000 vleeskuikens óf 17.345 vleeskalkoenen worden gehouden, dit komt overeen met de aangevraagde situatie. Er kan worden gesteld dat er voor de beoogde situatie reeds een vergunning Wet natuurbescherming is verleend.

Overige storingsfactoren

Vanwege een afstand van 400 meter tussen het plangebied tot het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied Kampina en Oisterwijkse vennen leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Daarnaast is er voor de beoogde situatie een vergunning Wet natuurbescherming verleend, waardoor kan worden gesteld dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn.

Conclusie

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

26

In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Echter vinden op de projectlocatie geen ruimtelijke ingrepen plaats. De wijzigingen in dieraantallen en stalsystemen vinden plaats in de bestaande bebouwing. De inpandige wijzigingen hebben geen invloed op de eventueel voorkomende beschermde soorten. Derhalve kan worden geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de beschermde soorten. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk.

Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen het plangebied is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4 Ammoniak Ammoniak is een belangrijk milieuthema bij veehouderijen. Er is wet- en regelgeving voor het beoordelen van het aspect ammoniak. Hierna wordt het initiatief getoetst aan deze wet- en regelgeving.

4.4.1

Kwetsbare gebieden

De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het exclusieve toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. In de Wav zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied liggen. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie. In Afbeelding 10 is een deel van de kaart met zeer kwetsbare gebieden weergegeven. Hierop is te zien dat het bedrijf is gelegen binnen een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. In het kader van de wet ammoniak en veehouderij kan het bedrijf niet uitbreiden in ammoniak.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

27

Afbeelding 10: Uitsnede kaart zeer kwetsbare gebieden Conform artikel 6 van de Wet ammoniak en veehouderij wordt een omgevingsvergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied. Echter is in artikel 7 van de Wav opgenomen dat een omgevingsvergunning niet wordt geweigerd, indien de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde. In de vergunde situatie is 6.758,5 kg NH3 vergund. In de beoogde situatie wordt er een of/of vergunning aangevraagd met vleeskuikens (1.785,0 kg NH3) of vleeskalkoenen (6.071 kg NH3). Aangezien in de beoogde situatie met zowel vleeskuikens als vleeskalkoenen de ammoniakemissie wordt verminderd ten opzichte van de vergunde situatie wordt er voldaan aan de artikel 7 van de Wet ammoniak en veehouderijl.

4.4.2

Besluit emissiearme huisvesting

Naast de regels voor bedrijven binnen de 250 meter-zones bevat de Wav generieke regelgeving voor de toepassing van emissiearme stalsystemen. Op 23 juni 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting vastgesteld (voorts Besluit). Dit Besluit vervangt het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en is op 1-8-2015 in werking getreden. In dit Besluit is onderscheid gemaakt tussen melk- en kalfkoeien (artikel 3) en varkens, kippen en kalkoenen (artikel 5). Binnen het Besluit zijn maximale emissiewaarden opgenomen, in bijlage 1 bij het Besluit, voor nieuwe stallen (kolom B en C) en zijn de maximale emissiewaarden voor bestaande stallen gewijzigd (kolom A). Voor intensieve veehouderijen geldt artikel 5 van het Besluit. Het onderscheid in bestaande en nieuwe stallen, met de daaraan gekoppelde maximale emissiewaarden, wordt gemaakt op basis van datum van realisatie van het dierenverblijf, dan wel verlening van de (omgevings-)vergunning voor het te bouwen dierenverblijf. −

Kolom A van het Besluit is van toepassing indien een dierenverblijf is opgericht voor 1 juli 2015. Hierbij geldt dat indien de omgevingsvergunning voor het bouwen van dit verblijf is verleend voor 1 juli 2015, het verblijf opgericht is voor 1 oktober 2016 ook Kolom A van toepassing is. Indien de omgevingsvergunning voor het bouwen ingediend is voor 1 juli 2015, voldoet aan de indieningsvereisten uit de Regeling omgevingsrecht (Mor), maar nog niet onherroepelijk is, maar wel wordt opgericht binnen 15 maanden na onherroepelijk worden, geldt ook Kolom A.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

28

− −

Kolom B geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 juli 2015, tenzij Kolom C van toepassing is. Kolom C geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 januari 2020 indien het bij oprichting onderdeel is van een IPPC-installatie.

In onderstaande tabel zijn de maximale emissiewaarde voor zowel vleeskuikens als vleeskalkoenen opgenomen.

Tabel 4: Maximale emissiewaarde zoals opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting Diercategorie

Vleeskuikens Vleeskalkoenen

Maximale emissiewaarde voor ammoniak als bedoeld in artikel 5, eerste lid in kg NH3 per dierplaats per jaar A B C 0,045 0,035 0,024 0,49 0,49

De stallen zijn allen opgericht voor 1 juli 2015, hierdoor is kolom A van het Besluit van toepassing. Voor vleeskuikens is de maximale emissiewaarde 0,045 kg NH3 per dierplaats per jaar. In de beoogde situatie is de ammoniak emissiefactor 0,021 kg NH3 per dierplaats per jaar, derhalve wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting. Voor vleeskalkoenen is geen maximale emissiewaarde opgenomen onder kolom A, derhalve kan gesteld worden dat er wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting. Het initiatief voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting wat betreft het huisvesten van vleeskuiken óf vleeskalkoenen. 4.5 Bodemkwaliteit Binnen de bedrijfsvoering vinden enkele bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hebben betrekking op het onderhoud aan de werktuigen en de opslag van mest en voer ten behoeve van de veehouderij. Op het bedrijf zullen bovendien kleine gebruikshoeveelheden medicijnen, reinigings- en ontsmettingsmiddelen aanwezig zijn. Deze worden opgeslagen in afsluitbare (koel)kasten. Door gebruik te maken van zeer reguliere voorzieningen, zoals vloeistofkerende vloeren, lekbakken en afgesloten kasten wordt het bodembedreigende risico verwaarloosbaar gemaakt. Door visuele controle, de aanwezigheid van absorptiemiddelen en de aanwezigheid van de bodembeschermende voorzieningen wordt het bodemrisico nog verder teruggebracht.

In het Activiteitenbesluit zijn regels opgenomen voor de bescherming van de bodemkwaliteit. Middels het treffen van de beschreven technische maatregelen en voorzieningen is er sprake van een verwaarloosbaar risico op bodemverontreiniging. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er daarom geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. 4.6 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.

4.6.1

Cultuurhistorie en aardkunde

Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie Afbeelding 11. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied. Tevens kan worden opgemerkt dat er alleen sprake is van wijzigingen binnen bestaande bebouwing.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

29

Afbeelding 11: Uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en mobiliteit' 4.6.2

Archeologie

De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het bestemmingsplan is ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ gelegen. Echter vinden er in de beoogde situatie geen wijzigingen plaats welke gevolgen heeft voor de archeologische waarden. De wijzigingen hebben enkel betrekking op interne wijzigingen in bestaande bebouwing. Daarom is een nader onderzoek niet noodzakelijk. 4.7 Landschappelijke inpassing Het plangebied is reeds landschappelijk ingepast door middel van een houtwal aan alle zijden. De ontwikkeling voorziet enkel in wijzigingen in bestaande stallen, er worden geen bouwkundige veranderingen aangebracht. Derhalve wordt het toevoegen van meer landschappelijke inpassing niet noodzakelijk geacht. 4.8 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming.

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen:

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

30

-

Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid).

Het plangebied ligt in omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Een pluimveebedrijf behoort tot milieucategorie 4.1 voor vleeskuikens, voor vleeskalkoenen is de milieucategorie 3.2. Als worst-case scenario wordt er vanuit gegaan dat er vleeskuikens worden gehouden op locatie. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in rustig buitengebied, is de grootste richtafstand 200 meter voor het aspect geur. Voor veehouderijen is in de Wgv een apart toetsingskader opgenomen voor geur. Dit wordt in de volgende paragraaf nader toegelicht. Voor de overige aspecten is de richtafstand 50 meter. De dichtstbij liggende woning van derden (Rosepdreef 13) bevindt zich op een afstand van ca. 86 meter van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van de pluimveehouderij op het perceel aan de Rosepdreef 9 te Oisterwijk. Er wordt voldaan aan de richtafstanden zoals opgenomen in de handreiking Bedrijven en milieuzonering. 4.9

4.9.1

Geur

Individuele hinder

De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels betreffende geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. Voor kleinere bedrijven zijn deze regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. De wetgeving heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting door het opnemen van geurnormen of vaste afstanden. Hierbij is het mogelijk dat de gemeenteraad afwijkende normen vaststelt in een gemeentelijke geurverordening. Met deze opgenomen normen moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De gemeente Oisterwijk heeft geen geurverordening vastgesteld om af te wijken van deze wettelijke normen. Binnen het plangebied worden dieren gehouden waarvoor in de wet geuremissiefactoren zijn opgenomen. Deze geuremissie wordt samen met de brongegevens van de stallen ingevoerd in het rekenprogramma V-stacks, dit programma rekent de geurbelasting uit op objecten in de omgeving. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de geurnormen die gelden op de woningen in de directe omgeving van het plangebied. Voor woningen die behoren tot andere veehouderijen (of op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij) zijn enkel vaste afstanden van toepassing.

In de bijlage van deze onderbouwing zijn de invoergegevens opgenomen. In deze bijlage is een uitdraai van de rekenresultaten afkomstig uit het rekenprogramma terug te vinden. In tabel 5 is een samenvatting van de resultaten en de toetsing opgenomen. De tabel geeft de geurbelasting ten opzichte van het geurgevoelig object weer en de bijbehorende geurnorm. Tabel 5: Rekenresultaten V-stacks vergunning, houden van vleeskalkoenen óf vleeskuikens Volgnr. GGLID Xcoord. Ycoord. Geurnorm Geurbelasting kalkoenen 4 Rosepdreef 7 144 448 396 908 14,0 3,2 5 Rosepdreef 18 144 609 396 661 14,0 5,7 6 Oirschotsebaan 35 143 867 396 673 14,0 0,5 7 Scheibaan 6 144 671 397 141 14,0 4,9 8 Wierdsmalaan 18 141 890 397 852 3,0 0,1

Geurbelasting kuikens 3,3 5,8 0,5 4,9 0,1

Zoals op te maken is uit de tabel vindt er geen overbelasting plaats op de geurgevoelige objecten. De volledige invoergegevens en rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage 3.1.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

31

De afstand vanaf het emissiepunt (warmtewisserlaar) tot geurgevoelige objecten die behoren tot andere veehouderijen (of op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij) bedraagt in de beoogde situatie minimaal 145 meter (Rosepdreef 13). De afstand tot dit object dient minimaal 50 meter te bedragen. Naast toetsing aan de geurnormen en vaste afstanden is in de Wet geurhinder en veehouderij ook een minimale afstand tussen de buitenzijde van een dierverblijf en een geurgevoelig object opgenomen (artikel 5 Wgv). Deze afstand dient minimaal 50 meter te bedragen indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom ligt en mvinimaal 25 meter tot geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. In de beoogde situatie bedraagt de afstand vanaf de buitenzijde van het dierenverblijf tot het dichtstbijzijnde object, (Rosepdreef 13), circa 87 meter. Het agrarisch bedrijf voldoet aan de geurnormen op alle geurgevoelige objecten. Daarnaast voldoet de veehouderij aan de vaste afstanden tot geurgevoelige objecten. Hierdoor zijn er wat betreft het aspect individuele geurhinder van het agrarische bedrijf geen beperkingen.

4.9.2

Cumulatieve geurhinder

Voor de veehouderij binnen het plangebied is door middel van V-Stacks gebied een berekening gemaakt waarbij de cumulatieve geurhinder is berekend. Voor de berekening zijn alle bedrijven meegenomen die een geuruitstoot hebben binnen een straal van twee kilometer rondom de geurgevoelige objecten. De gegevens van veehouderijen van derden zijn afkomstig uit de databestanden van Web-BVB van de gemeenten Oisterwijk en Boxtel. Voor het bedrijf van de initiatiefnemer zijn de werkelijke brongegevens binnen de inrichting ingevuld, deze zijn tevens opgenomen in de bijlage van deze toelichting. Er zijn zowel geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom als buiten de bebouwde kom geselecteerd. Uit de berekeningen blijkt dat sprake is van een cumulatieve geurbelasting van maximaal 6,185 OUE/m3 met het houden van vleeskalkoenen op het nabij gelegen geurgevoelige object, Rosepdreef 18. Het meest belaste geurgevoelige punt binnen de bebouwde kom, (Wierdsmalaan 18), heeft een cumulatieve geurbelasting van 0,217 OUE/m3. Tabel 6: Rekenresultaten V-stacks gebied, houden van vleeskalkoenen óf vleeskuikens Volgnr. GGLID AchtergrondAchtergrond-belasting belasting kalkoenen vleeskuikens 4 Rosepdreef 7 3,845 3,924 5 Rosepdreef 18 6,174 6,185 6 Oirschotsebaan 35 0,712 0,727 7 Scheibaan 6 1,652 1,674 8 Wierdsmalaan 18 0,217 0,217

De invoergegevens en rekenresultaten van de achtergrond geurberekening zijn toegevoegd in bijlage 3.2.

4.9.3

Woon- en leefklimaat

In het kader van de ruimtelijke procedure is het wenselijk dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Ook na de beoogde ontwikkeling dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat wordt bepaald door een vergelijking te maken met de geurbelasting als gevolg van het veelvoud van de veehouderijen in de omgeving van het betreffende geurgevoelige object (cumulatieve geurhinder) en de geurbelasting afkomstig van de veehouderij binnen het plangebied (voorgrondbelasting). Bij het bepalen van de geurhinder geldt als vuistregel dat de voorgrondbelasting maatgevend is indien deze ten minste de helft bedraagt van de cumulatieve geurhinder. In tabel 7 en 8 zijn de resultaten van beide berekeningen van de beoogde bedrijfsopzet weergeven en is bepaald welke belasting het meest bepalend in de toetsing van het woon- en leefklimaat.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

32

Tabel 7: Samenvatting geurgehinderden vleeskalkoenen Volgnr. GGLID VoorgrondAchtergrondbelasting belasting kalkoenen kalkoenen 4 Rosepdreef 7 3,2 3,845 5 Rosepdreef 18 5,7 6,174 6 Oirschotsebaan 35 0,5 0,712 7 Scheibaan 6 4,9 1,652 8 Wierdsmalaan 18 0,1 0,217

Meest maatgevende belasting Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Achtergrond

% geurgehinderden vleeskalkoenen 9% 14% 2% 12% 1%

Tabel 8: Samenvatting geurgehinderden vleeskuikens Volgnr. GGLID Voorgrondbelasting vleeskuikens 4 Rosepdreef 7 3,3 5 Rosepdreef 18 5,8 6 Oirschotsebaan 35 0,5 7 Scheibaan 6 4,9 8 Wierdsmalaan 18 0,1

Meest maatgevende belasting Voorgrond Voorgrond Voorgrond Voorgrond Achtergrond

% geurgehinderden vleeskuikens 9% 14% 2% 12% 1%

Achtergrondbelasting vleeskuikens 3,924 6,185 0,727 1,674 0,217

PRA Odournet BV heeft in opdracht van het ministerie van VROM de relatie tussen geurbelasting en geurhinder onderzocht. Aan de hand van de meest bepalende belasting is het percentage geurgehinderden berekend. Naar aanleiding van het percentage geurgehinderden kan vervolgens de kwaliteit van het woon- en leefklimaat worden berekend. Het RIVM hanteert bij haar milieurapportages voor het aspect geurhinder onderstaande milieukwaliteitscriteria: Tabel 9: Relatie percentage geurgehinderden en milieukwaliteit (bron: GGD-richtlijn geurhinder, 2002)

De gemeente Oisterwijk heeft geen geurverordening vastgesteld, hierdoor kan worden gesteld dat een voorgrondgeurbelasting van 3,0 OUe in de bebouwde kom en 14,0 OUe in het buitengebied als aanvaardbaar kan worden beschouwd. Dit komt overeen met een geurgehinderden percentage van 8% binnen de bebouwde kom en 25% in het buitengebied. De woning binnen de bebouwde kom, Wierdsmalaan 18, heeft een geurgehinderden van 1%, welke al aanvaardbaar wordt beschouwd. Buiten de bebouwde kom is de geurbelasting het hoogst op de woning aan de Rosepdreef 18 met een geurgehinderden van 14%, welke ook als aanvaardbaar wordt beschouwd. Ten aanzien van het aspect geur kan daarom worden gesteld dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat heerst in de beoogde situatie. 4.10 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

33

grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NOx als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Fijnstof, zowel PM10 en PM2,5 komt voornamelijk door emissie van huid-, mest-, voer- en strooiseldeeltjes uit de stallen. Dit gebeurt continu (24 uur per dag). De belangrijkste bron bij een veehouderij zijn de stallen. Het vrijkomen van fijnstof ten gevolge van overige activiteiten op het bedrijf zijn verwaarloosbaar ten opzichte van de emissie uit de stallen. Voor het bepalen van de concentraties fijnstof in de omgeving van veehouderijen, zijn gegevens nodig over de hoeveelheid fijnstof die dieren produceren. Deze hoeveelheid varieert per dier en is afhankelijk van het huisvestingssysteem zoals het type stal. De emissiefactoren voor fijnstof geven per huisvestingssysteem aan hoeveel fijnstof een bepaald dier per jaar produceert. De Animal Sciences Group (ASG) van de Universiteit Wageningen stelt de factoren op die door de overheid jaarlijks worden gepubliceerd. PM10 Met behulp van het rekenprogramma ISL3a, zie bijlage 4.1 en 4.2, zijn berekeningen gemaakt van de belasting van fijnstof PM10 van de beoogde bedrijfsopzet op de gevoelige objecten in de omgeving.

De berekeningen zijn gemaakt voor het houden van vleeskalkoenen óf vleeskuikens. Door middel van het invullen van de invoergegevens (brongegevens en gegevens beschermde objecten) wordt berekend wat het jaargemiddelde fijnstofconcentratie (microgram/m³) en het aantal overschrijdingsdagen ter plaatse van de rekenpunten is. Uit de uitgevoerde berekening voor PM10 volgt dat het jaargemiddelde concentratie fijnstof maximaal 18,82 µg/m3 bedraagt bij het houden van vleeskalkoenen, zie bijlage 4.1. De beoogde bedrijfsopzet voldoet dus ruimschoots aan de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie (40 µg/m3 conform Wet Luchtkwaliteit). Tevens volgt dat het aantal overschrijdingsdagen van het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 7,2 dagen bedraagt, wat eveneens ruimschoots voldoet aan de norm (35 dagen conform Wet Luchtkwaliteit). Uit de uitgevoerde berekening voor PM10 volgt dat het jaargemiddelde concentratie fijnstof maximaal 19,37 µg/m3 bedraagt bij het houden van vleeskuikens, zie bijlage 4.2. De beoogde bedrijfsopzet voldoet dus ruimschoots aan de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie (40 µg/m3 conform Wet Luchtkwaliteit). Tevens volgt dat het aantal overschrijdingsdagen van het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 8,3 dagen bedraagt, wat eveneens ruimschoots voldoet aan de norm (35 dagen conform Wet Luchtkwaliteit).

PM2,5

Vanaf 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM2,5 waaraan moet worden voldaan. Deze grenswaarde is opgenomen in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer en bedraagt 25 µg/m 3 voor het jaargemiddelde concentratie. In tegenstelling tot PM10 zijn voor PM2,5 geen normen opgenomen met betrekking tot overschrijdingsdagen. De term PM2,5, wordt gebruikt voor zwevende deeltjes in de atmosfeer met een (aerodynamische) diameter van 2,5 μm of kleiner. Fijn stof, PM 10, zijn de deeltjes met een diameter van 10 μm of kleiner. Hieruit volgt dat PM2,5 dus onderdeel is uit de totale fractie PM10. De fractie met een diameter vanaf 2,5 tot 10 μm draagt ook bij aan de totale massa van het PM10. Doordat PM2,5 een fractie betreft van PM10, wordt in de praktijk het toegestane aantal overschrijdingen van de etmaalgemiddelde grenswaarde voor PM10 vaak als eerste bereikt. In de praktijk blijkt dan ook dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook de grenswaarde van PM2,5 wordt nageleefd. Opgemerkt wordt dat in onderhavige aanvraag de totale emissie fijnstof PM 10 is berekend. De totale concentraties blijven ruimschoots onder de concentratie van 25 μg/m3 (inclusief de situatie zonder zeezoutcorrectie) waarmee met zekerheid kan gesteld kan worden dat de grenswaarde van 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie fijnstof PM2,5 niet overschreden wordt.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

34

Ten aanzien van luchtkwaliteit zijn er daarom geen bezwaren ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. Besluit emissiearme huisvesting Naast de regels voor bedrijven in de Wet milieubeheer en Wet Luchtkwaliteit zijn er met betrekking tot fijnstof PM10 regels opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting (voorts Besluit). Dit Besluit is op 23 juni 2015 en vanaf 1-8-2015 in werking getreden. Voor het bedrijf geldt artikel 7 (zwevende deeltjes) van het Besluit. De toetsing aan dit artikel geldt alleen voor nieuwe stallen die zijn opgericht op of na 1 juli 2015. Hieraan zijn maximale emissiewaarden gekoppeld die zijn opgenomen in Bijlage 2 van het Besluit. De toetsing aan de maximale emissiewaarden is niet van toepassing indien een dierenverblijf is opgericht op of na 1 juli 2015, waarbij geldt dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van dit verblijf is verleend voor 1 juli 2015 en het verblijf opgericht is voor 1 oktober 2016. Hetzelfde geldt indien de omgevingsvergunning voor het bouwen ingediend is voor 1 juli 2015, het voldoet aan de indieningsvereisten uit de Regeling omgevingsrecht (Mor), maar nog niet onherroepelijk is, maar wel wordt opgericht binnen 15 maanden na onherroepelijk worden. In de beoogde situatie is er geen sprake van een nieuwe stal, de wijzigingen worden in de bestaande stallen doorgevoerd.

Derhalve is toetsing aan artikel 7 van het Besluit emissiearme huisvesting niet van toepassing. 4.11 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. De geluidsproductie van een pluimveehouderij is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen, ventilatie en overige motoren binnen de inrichting. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. Voor de beoogde situatie is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er kan worden voldaan aan geluidsnormen in zowel de dag-, avond- en nachtperiode. Het akoestisch onderzoek is in bijlage 5 toegevoegd. 4.12 Verkeer en parkeren Binnen het plangebied dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor.

De ontwikkeling voorziet in een óf/óf situatie, met het houden van kalkoenen zal het aantal verkeersbewegingen naar alle waarschijnlijkheid afnemen. In het geval van vleeskuikens zal mogelijk sprake zijn van een geringe toename van het aantal transportbewegingen tot gevolg. Voer wordt in bulk aangeleverd, de mest wordt op een vast aantal momenten in het jaar afgevoerd, dieren worden op bepaalde momenten in het jaar gebracht en opgehaald, wat de voornaamste aan- en afvoerbewegingen zijn. Vleeskuikens hebben een kortere cyclus ten opzichte van kalkoenen, hierdoor zijn er meer aan- en afvoerbewegingen voor het transport van de dieren en mest. De mest wordt namelijk na iedere cyclus afgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Rosepdreef 9 te Oisterwijk. Een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door (agrarisch) bestemmingsverkeer. De Rosepdreef komt uit op de verbindingsweg tussen Oisterwijk en Spoordonk. Deze ontsluitingsroute beschikt over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van de beperkte toename in verkeersbewegingen. De gemeente Oisterwijk heeft het parkeerbeleid ‘Nota parkeernormen 2016’ vastgesteld op 24 augustus 2016. Het parkeerbeleid is het toetsingskader om de parkeerbehoefte te bepalen. Er zijn echter geen representatieve cijfers in opgenomen voor agrarisch bedrijven.

Eigen machines en werktuigen kunnen worden gestald in de daarvoor bestemde machine- en werktuigenberging.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

35

Vrachtwagens en tractoren van derden verblijven altijd maar kortstondig op het bedrijf, bijvoorbeeld voor voerlevering, diertransport of loonwerk. Voor dergelijk materieel is ruim voldoende erfverharding aanwezig. Voor het eigen personenvervoer wordt aangesloten bij de vereiste parkeergelegenheid bij een vrijstaande koopwoning, gelegen in het buitengebied. Hiervoor wordt een minimum van 2,4 parkeerplaatsen voorgeschreven. Op de inrit naar de bedrijfswoning is ruim voldoende ruimte om 3 auto’s te kunnen parkeren. Gemiddeld zullen er dagelijks 2 tot 4 bezoekers met personenvervoer naar het bedrijf toe komen. Te denken valt aan de veearts, vertegenwoordigers, adviseurs, privébezoekers etc. Normaliter zullen deze niet gelijktijdig op het bedrijf aanwezig zijn, maar zelfs als dit het geval zou zijn is er ruim voldoende erfverharding aanwezig voor in totaal 6 personenvervoersmiddelen, eigen vervoersmiddelen en van bezoekers, te parkeren. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op het bedrijf. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer.

4.13 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.

4.13.1 Regelgeving

De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.

De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar. Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

36

aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

4.13.2 Toetsing aan beleid

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. In zowel de huidige als de beoogde situatie is er in het plangebied een propaantank aanwezig met een opslagcapaciteit van 18 m3. Gezien er met de beoogde ontwikkeling enkel de dieraantallen en stalsystemen wijzigen, heeft dit verder geen invloed op de externe veiligheid. 4.14 Technische infrastructuur In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden. Er is geen sprake van nieuwbouw, derhalve heeft de beoogde ontwikkeling geen invloed op de technische infrastructuur. 4.15 Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt.

Iedere veehouderij moet voldoen aan diverse wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Bij naleving van de milieuwetgeving, het volledig benutten van de technische mogelijkheden en het management van de hygiënebarrière worden de volksgezondheidsrisico’s bij het initiatief tot een minimum beperkt. Vooralsnog wordt er daarom getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor diverse stoffen, zoals geur en fijnstof. Daar deze grenswaarden nationaal zijn vastgesteld en de beoogde bedrijfsopzet hieraan voldoet, mag er vanuit worden gegaan dat deze waarden de volksgezondheid afdoende beschermen. De afgelopen jaren zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de relatie tussen veehouderijen en gezondheidsklachten van omwonenden. Tot op heden is er geen eenduidige relatie te leggen tussen gezondheidseffecten van omwonenden als gevolg van veehouderijen in de omgeving.

Door het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) binnen de provincie Noord-Brabant is een handreiking (handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0) geschreven voor veehouderij en gezondheid. In deze handreiking zijn maatregelen opgenomen welke betrekking hebben op geur, fijnstof- endotoxine, zoönosen, transport en landschappelijke inpassing. Met betrekking tot bovenstaande aspecten is zoveel mogelijk rekening gehouden met de volksgezondheid. Alle emissiepunten zijn, grotendeels, aan de achterzijde van de stallen gerealiseerd. De stallen zijn zoveel mogelijk gesloten uitgevoerd. De gesloten bedrijfsvoering met hygiënesluis en compartimentering per diercategorie zorgt voor een verminderd risico van ziekte insleep en verspreiding. Op het bedrijf krijgen bezoekers enkel toegang tot de stal wanneer ze zich aan de hygiëne voorschriften houden inclusief persoonlijke beschermingsmiddelen (pbm). Daarbij wordt op het bedrijf de ongediertebestrijding strikt gehandhaafd en wordt er in samenwerking met de dierenarts die regelmatig op het bedrijf aanwezig is, een bedrijfsgezondheid- en bedrijfsbehandelplan opgesteld. Het transport van en naar de locatie vindt voornamelijk tussen 07.00 en 19.00 plaats, hierdoor wordt zo min mogelijk hinder voor omwonenden veroorzaakt.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

37

De locatie is reeds omringd door bomen en hagen, de bestaande groenvoorziening zal ook na de beoogde ontwikkeling blijven bestaan. Door de groenvoorziening rond het bedrijf is er niet direct zicht op de pluimveestallen en hebben bomen en struiken een positief effect op gezondheid. Daarnaast kan de aanwezigheid van groenvoorziening de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de directe omgeving verlagen. Geconcludeerd kan worden is dat de maatregelen, welke worden genoemd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0, momenteel al grotendeels worden toegepast. In de beoogde situatie zullen de toegepaste maatregelen blijven behouden.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

38

5. Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan uiteengezet. 5.1 Financiële uitvoerbaarheid Bij een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wabo (afwijkingsbesluit) hoort een ruimtelijke onderbouwing waarin (o.a.) de inzichten staan over de financiële uitvoerbaarheid van het plan. De voorgestane ontwikkeling aan de Rosepdreef betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond. 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. In dat kader is de gelegenheid tot inspraak geboden (in de vorm van publicatie van het ontwerpvergunning). Ook heeft vooroverleg plaatsgevonden met de daartoe aangewezen instanties. De initiatiefnemer heeft de beoogde plannen besproken met de omwonenden, de omgevingsdialoog is in bijlage 6 toegevoegd.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

39

6. Planologische afweging Deze ruimtelijke onderbouwing betreft de planologische verantwoording voor de voorgenomen wijziging van de veehouderij aan de Rospedreef 9 te Oisterwijk. De ontwikkeling bestaat uit het houden van 17.345 vleeskalkoenen óf 85.000 vleeskuikens in bestaande bebouwing. De ontwikkeling is niet rechtstreeks toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Door het afwijken van het bestemmingsplan is de ontwikkeling toch mogelijk (art. 2.12, lid1, sub a, onder 3 Wabo). Doordat de ontwikkeling niet past binnen de voorwaarden van het categorieënbesluit van de gemeente Oisterwijk is er een verklaring van geen bedenkingen benodigd. Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat met het initiatief geen nadelige gevolgen ontstaan voor milieu, mens en leefomgeving. Het initiatief is getoetst aan alle relevante beleidskaders op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleid op geen van deze niveaus vormt een belemmering voor het initiatief. In deze is getoetst aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en de gemeentelijke structuurvisie. Tevens is het initiatief getoetst aan alle relevante milieu-hygiënische en planologische aspecten. Hieruit is gebleken dat met het initiatief geen nadelige effecten ontstaan voor de omgeving.

De onderzoeken naar geluid, bodem, geur, ammoniak en luchtkwaliteit tonen aan dat het initiatief milieuhygiënisch aanvaardbaar is. Door de onderzoeken van natuur, archeologie, externe veiligheid en de waterparagraaf wordt aangetoond dat het initiatief planologisch aanvaardbaar is. De ontwikkeling voorziet in afname van emissies en vindt plaats in bestaande bebouwing, er vinden geen bouwkundige ingrepen plaats. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het initiatief een verantwoord initiatief betreft. Daarom kunnen de voorgenomen ontwikkelingen op de projectlocatie aan de Rosepdreef 9 doorgang vinden.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

40

7. Bijlagen 1. Plattegrondtekening beoogde situatie 2. Afschrift verleende Wnb-vergunning 3.1 Rekenresultaten en invoergegevens V-stacks vergunning 3.2 Rekenresultaten en invoergegevens V-stacks gebied 4.1 ISL3a fijnstofberekening PM10 vleeskalkoenen 4.2 ISL3a fijnstofberekening PM10 vleeskuikens 5. Rapportage akoestisch onderzoek 6. Omgevingsdialoog

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

41

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10018900/3