CConstaterende datOisterwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-113 OVVGB pluimveehouderij Rosepdreef 9, Oisterwijk - bijlage ruimtelijke onderbouwing

RAAD 3 juni 2021, gemeente OisterwijkBij agendapunt: 21-113 OVVGB wijziging pluimveehouderij Rosepdreef 9, Oisterwijk15.680 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Projectafwijkingsprocedure

Rosepdreef 9, 5062 TB te Oisterwijk

Colofon

Gemeente

Oisterwijk

Plangebied

Rosepdreef 9, 5062 TB te Oisterwijk

Datum

26-10-2020 / 27-01-2021

Status

Definitief

Opgesteld door

Van Dun Advies BV Dorpsstraat 54 5113 TE Ulicoten T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@vandunadvies.nl I. www.vandunadvies.nl

Auteur

Anke van den Berg

Projectleider

Peter Monster

Projectnummer

01211-E026

Inhoudsopgave 1.

INLEIDING..................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................... 5 1.2 Geldend planologisch regime ........................................................................................ 5 1.3 Procedure ....................................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer ...................................................................................................................... 7 2. PLANBESCHRIJVING ..................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ......................................................................................................... 8 2.2 Beoogde situatie ............................................................................................................ 8 3. BELEIDSKADER ............................................................................................................ 11 3.1 Provinciaal beleid .........................................................................................................11

3.1.1 3.1.2 3.1.3

Omgevingsvisie Noord-Brabant ...................................................................................11 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................................11 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ............................................................12

3.2 Gemeentelijk beleid ......................................................................................................16

4.

3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4

Veehouderijbeleid Oisterwijk 2016 ..............................................................................16 Omgevingsvisie Oisterwijk ..........................................................................................17 Bestemmingsplan ......................................................................................................18 Categorieënbesluit .....................................................................................................19

4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4

Waterrelevant beleid ..................................................................................................20 Bestaande waterhuishoudkundige situatie ...................................................................22 Beoogde waterhuishoudkundige situatie .....................................................................23 Beoogde waterhuishoudkundige situatie gemeentelijk hemelwaterbeleid .......................24

4.3.1 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) ................................................................................24 Wet natuurbescherming .............................................................................................25

4.4.1 4.4.2

Kwetsbare gebieden ..................................................................................................27 Besluit emissiearme huisvesting .................................................................................28

4.6.1 4.6.2

Cultuurhistorie en aardkunde .....................................................................................29 Archeologie ...............................................................................................................30

4.9.1 4.9.2 4.9.3

Individuele hinder ......................................................................................................31 Cumulatieve geurhinder .............................................................................................32 Woon- en leefklimaat .................................................................................................32

MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN.............................................. 20 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ..........................................20 4.2 Waterhuishouding ........................................................................................................20

4.3 Natuur ...........................................................................................................................24 4.4 Ammoniak .....................................................................................................................27 4.5 Bodemkwaliteit .............................................................................................................29 4.6 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie ................................................................29 4.7 Landschappelijke inpassing .........................................................................................30 4.8 Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................30 4.9 Geur ...............................................................................................................................31

4.10 Luchtkwaliteit ...............................................................................................................33 4.11 Geluid ............................................................................................................................35 4.12 Verkeer en parkeren .....................................................................................................35 4.13 Externe veiligheid .........................................................................................................36

4.13.1 Regelgeving ..............................................................................................................36 4.13.2 Toetsing aan beleid ...................................................................................................37

4.14 Technische infrastructuur ............................................................................................37 4.15 Volksgezondheid ...........................................................................................................37 5. UITVOERBAARHEID ..................................................................................................... 39 5.1 Financiële uitvoerbaarheid .................................................................................................39 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................39 6. PLANOLOGISCHE AFWEGING ...................................................................................... 40 7. BIJLAGEN..................................................................................................................... 41

1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. 1.1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer exploiteert een pluimveehouderij op de locatie aan de Rosepdreef 9 te Oisterwijk. Conform de vigerende omgevingsvergunning, verleend op 20-08-2013, mogen er op locatie 19.310 vleeskalkoenen worden gehouden in 4 stallen. Initiatiefnemer is voornemens een nieuwe omgevingsvergunning milieu aan te vragen waarbij het mogelijk wordt gemaakt dat in de bestaande stallen zowel kalkoenen als vleeskuikens kunnen worden gehouden middels een of/of-vergunning. Eén van de huidige bedrijfsgebouwen zal in de toekomst leeg komen te staan. In de beoogde situatie worden er óf 17.345 vleeskalkoenen óf 85.000 vleeskuikens gehouden in 3 bestaande stallen. Door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State op 30 november 2016 over het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied, correctieve herziening’ is het bestemmingsplan op onderdelen vernietigd. De uitspraak heeft betrekking op een aantal zaken waaronder het schrappen van een afwijkingsbevoegdheid waardoor er geen verandering in diersoorten, dieraantallen en stalsystemen meer is toegestaan. Het veranderen van genoemde is alleen nog mogelijk middels het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan.

Wanneer dit mogelijk wordt gemaakt door middel van een omgevingsvergunningsprocedure (projectafwijkingsbesluit) dient de gemeenteraad een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af te geven aan het College van Burgemeester en Wethouders alvorens laatstgenoemde de vergunning kan verlenen. Door de gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk is een categorieënbesluit genomen waarin aanvragen voor het buitenplans afwijken middels een omgevingsvergunning, onder voorwaarden, zonder Vvgb kan worden verleend door het College van Burgemeester en Wethouders. Dit categorieënbesluit is in het onderhavige geval niet aan de orde aangezien sprake is van een toename van het aantal dieren. Om deze reden dient de gemeenteraad een Verklaring van geen bedenkingen af te geven. Om de ingediende aanvraag van 17 september 2018 te kunnen verlenen is een buitenplanse afwijking derhalve noodzakelijk. Dit is de aanleiding van onderhavige ruimtelijke onderbouwing, als aanvulling bij de reeds ingediende aanvraag omgevingsvergunning. De afwijking is gericht op het wijzigen van dieraantallen, -soorten en stalsystemen. 1.2 Geldend planologisch regime Momenteel is het bestemmingsplan ‘Buitengebied correctieve herziening’ het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van de planlocatie. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 16-04-2015.

Op 14-12-2017 is een geconsolideerde versie van het bestemmingsplan opgesteld, deze versie heeft geen juridisch bindende status. De regels en verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied correctieve herziening’ zijn vigerend voor de locatie aan de Rosepdreef 9. Ter plaatse van de planlocatie zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap, natuur en cultuurhistorie’ - Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ - Dubbelbestemming ‘Waarde – Natuur attentiegebied’ - Bouwvlak ‘Bouwvlak’ - Functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ - Functieaanduiding ‘Specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ - Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 12’ - Gebiedsaanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderij 2’

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

5

Afbeelding 1: Uitsnede vigerend bestemmingsplan

1.3 Procedure Voor het gewenste initiatief dient een projectafwijkingsprocedure te worden ingediend naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State. Op 30 november 2016 heeft de Raad van state uitspraak gedaan over de correctieve herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Door deze uitspraak is een deel van een bestemmingsplanregel geschrapt, waardoor er geen verandering in diersoorten, dieraantallen en stalsystemen is toegestaan. Hierdoor kan de gemeente Oisterwijk geen (directe) medewerking verlenen aan aanvragen die betrekking hebben tot het veranderen van diersoorten, dieraantallen, stalsystemen en bouwactiviteiten met betrekking tot de veehouderij. Hierdoor zal iedere aanvraag, op grond van de systematiek in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gezien worden als een verzoek om medewerking op grond van een buitenplanse procedure, een projectafwijkingsbesluit. De mogelijkheid voor een projectafwijkingsbestluit is opgenomen in artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3 van de Wabo. Hierbij geldt dat d.m.v. een goede ruimtelijke onderbouwing een omgevingsvergunning kan worden verleend. Voorwaarde voor deze vergunning is dat de gemeenteraad heeft verklaard hiertegen geen bedenkingen te hebben. Voor dergelijke aanvragen dient dus eerst een verklaring van geen bedenkingen af gegeven te worden door de raad.

Hierdoor wordt een dergelijk initiatief twee keer door de gemeenteraad behandelt. Eén keer voor een ontwerp verklaring van geen bedenkingen en één keer voor het afgeven van een definitieve verklaring van geen bedenkingen. Het verkrijgen van een omgevingsvergunning middels deze procedure duurt minimaal één jaar. In artikel 6.5 lid 3 van de Bor wordt de mogelijkheid aan de raad geboden om een lijst van categorieën vast te stellen waarvoor een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is. Als een aanvraag past binnen deze lijst, is het college dan zelf bevoegd te beoordelen of een activiteit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hierdoor kan op basis van artikel 2.27 van de Wabo alsnog een omgevingsvergunning worden verleend door het bevoegd gezag. Door de gemeenteraad van de gemeente Oisterwijk is, zoals in het bovenstaande reeds is vermeld, een categorieënbesluit genomen waarin aanvragen voor het buitenplans afwijken middels een omgevingsvergunning, onder voorwaarden, zonder Vvgb kan worden verleend door het College van

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

6

Burgemeester en Wethouders. Dit categorieënbesluit is in het onderhavige geval niet aan de orde aangezien sprake is van een toename van het aantal dieren. Om deze reden dient de gemeenteraad een Verklaring van geen bedenkingen af te geven. 1.4 Leeswijzer In voorliggende toelichting is in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, het vigerend planologische regime en de te doorlopen procedure is beschreven. Hierna is in het tweede hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de bestaande en beoogde situatie. In hoofdstuk 3 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt het van toepassing zijnde beleid uiteengezet, welke het provinciaal en gemeentelijk beleid betreft. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieuhygiënische en planologische aspecten beschreven. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in het daaropvolgende hoofdstuk.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

7

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen het plangebied. 2.1 Bestaande situatie De planlocatie is gelegen aan de Rosepdreef 9 in het buitengebied van Oisterwijk. De locatie is kadastraal bekend als OTW01, sectie C, nummers 475, 476, 477 en 819. In het buitengebied van de gemeente Oisterwijk zijn naast verschillende agrarische bedrijven, ook natuur en recreatie aanwezig. Daarnaast zijn er in de omgeving van de projectlocatie een camping, een vakantiepark en een ezelfarm gelegen. De locatie is gelegen op een afstand van circa 2,3 kilometer van de bebouwde kom van Oisterwijk. Op locatie zijn momenteel een bedrijfswoning en 5 bedrijfsgebouwen aanwezig waarvan er 4 in gebruik zijn voor het huisvesten van vleeskalkoenen. In onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied in de omgeving weergegeven.

Afbeelding 2: Luchtfoto projectlocatie

2.2 Beoogde situatie In de beoogde situatie wordt er een of/of vergunning aangevraagd waardoor de initiatiefnemer óf vleeskalkoenen óf vleeskuikens kan huisvesten in de bestaande stallen. Er zijn momenteel 4 stallen in gebruik voor het huisvesten van vleeskalkoenen, in de beoogde situatie wordt stal 3 in gebruik genomen als opslag. Stallen 4, 5 en 7 blijven in gebruik voor het huisvesten van dieren, zie onderstaande situatietekening met stalnummers. De dierverblijven worden niet vergroot. Wanneer er vleeskuikens worden gehouden worden er warmtewisselaars geplaatst.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

8

Afbeelding 3: Situatietekening bebouwing met gebouwnummers De voorkeur van de initiatiefnemer gaat uit naar vleeskalkoenen. Echter heeft in het verleden op het bedrijf een besmetting plaatsgevonden met de ‘Blackhead bacterie’. Het is een erg besmettelijke aandoening, dus wanneer het koppel eenmaal in aanraking is geweest met de ziekte, kan dit grote gevolgen hebben. Kalkoenen zijn vele malen gevoeliger voor deze aandoening dan kippen. Aangezien in de stallen waar kalkoenen worden gehouden ook vleeskuikens gehouden kunnen worden, is het bedrijfseconomisch van groot belang dat de mogelijkheid bestaat om snel om te kunnen schakelen van kalkoenen naar vleeskuikens. Wanneer de ziekte voorkomt kunnen de kalkoenen geruimd worden en kunnen de stallen na het ontsmetten worden gebruikt voor het houden van vleeskuikens. Wanneer dit niet mogelijk is zal het bedrijf geen inkomsten meer hebben, waardoor het bedrijf financieel niet gezond kan blijven. In onderstaande diertabellen zijn de vergunde en beoogde situaties weergegeven. Tabel 1: Diertabel vergunde situatie, d.d. 20-08-2013 Stal nr.

Huisvestingssysteem Code

Diercategorie

Aantal dieren

Houderij/hoktype

Ammoniak

Geur (OUE/s)

Fijnstof PM10 (g/jaar)

Totaal kg NH3 619,5

OUE/s /dier 1,55

Totaal OUE/s 2743,5

g/dier /jaar 86

Totaal gram 152220

3 F 4.5

stal met verwarmingssysteem vleeskalkoenen met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V6)

1770

Kg NH3 per dier 0,35

4 F 4.5

stal met verwarmingssysteem vleeskalkoenen met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V6)

6470

0,35

2264,5

1,55

10028,5

86

556420

5 F 4.5

stal met verwarmingssysteem vleeskalkoenen met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V6)

6250

0,35

2187,5

1,55

9687,5

86

537500

7 F 4.5

stal met verwarmingssysteem vleeskalkoenen met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V6)

4820

0,35

1687

1,55

7471

86

414520

29930,5 totaal gram

1660660

totaal NH3

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

6758,5 totaal OUE/s

9

Tabel 2: Diertabel beoogde situatie, houden van vleeskalkoenen Stal nr.

Huisvestingssysteem Code

Diercategorie

Aantal dieren

Houderij/hoktype

Ammoniak

Geur (OUE/s)

Fijnstof PM10 (g/jaar)

Totaal kg NH3 2239,65

OUE/s /dier 1,55

Totaal OUE/s 9918,45

g/dier /jaar 86

Totaal gram 550314

4 F 4.5

stal met verwarmingssysteem vleeskalkoenen met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V6)

6399

Kg NH3 per dier 0,35

5 F 4.5

stal met verwarmingssysteem vleeskalkoenen met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V6)

6186

0,35

2165,1

1,55

9588,3

86

531996

7 F 4.5

stal met verwarmingssysteem vleeskalkoenen met warmteheaters en ventilatoren (BWL 2009.14.V6)

4760

0,35

1666

1,55

7378

86

409360

26884,75 totaal gram

1491670

totaal NH3

6070,75 totaal OUE/s

Tabel 3: Diertabel beoogde situatie, houden van vleeskuikens Stal nr.

Huisvestingssysteem Code

Diercategorie

Aantal dieren

Houderij/hoktype

Ammoniak

Geur (OUE/s)

Fijnstof PM10 (g/jaar)

Totaal kg NH3 631,89

OUE/s /dier 0,33

Totaal OUE/s 9929,7

g/dier /jaar 19,14

Totaal gram 575923

4 E 5.11

stal met luchtmengsysteem voor vleeskuikens droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2010.13.V7) met 13% fijnstofreductie (BLW 2012.03.V6)

30090

Kg NH3 per dier 0,021

5 E 5.11

stal met luchtmengsysteem voor vleeskuikens droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2010.13.V7) met 13% fijnstofreductie (BLW 2012.03.V6)

31365

0,021

658,665

0,33

10350,45

19,14

600326

7 E 5.11

stal met luchtmengsysteem voor vleeskuikens droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2010.13.V7) met 13% fijnstofreductie (BLW 2012.03.V6)

23545

0,021

494,445

0,33

7769,85

19,14

450651

28050 totaal gram

1626900

totaal NH3

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

1785 totaal OUE/s

10

3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het provinciaal en gemeentelijk beleid. Gezien het initiatief dusdanig klein van aard is dat het geen invloed heeft op nationaal beleid, wordt dit beleidskader niet beschreven. 3.1 Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.1.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant

De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:

‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:

‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door de reeds aanwezige zorgvuldige landschappelijke inpassing van het plangebied is een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.1.2

Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014

De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

11

voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Verordening ruimte Noord-Brabant en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie Afbeelding 4, ligt het plangebied in de groenblauwe mantel. De groenblauwe structuur omvat samenhangende gebieden in Noord-Brabant, waaronder de ecologische hoofdstructuur, waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden. De structuur bestaat voornamelijk uit beken en andere waterlopen en uit bos- en natuurgebieden. Daarnaast liggen ook gebieden met een andere functie (zoals agrarisch of recreatie) binnen de groenblauwe mantel, als die gebieden van belang zijn voor de natuur- en waterfuncties. De agrarische sector is één van de grootste en belangrijkste grondgebruikers binnen de groenblauwe mantel. Nieuwe ontwikkelingen binnen dit gebied zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren en waar mogelijk bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het landschap.

Afbeelding 4: Uitsnede structuurvisie 2010 - partiële herziening 2014, plangebied met rode pijl aangegeven

De locatie is reeds landschappelijk ingepast en er vinden geen bouwtechnische wijzigingen plaats waardoor de bestaande landschappelijke kwaliteiten van de groenblauwe mantel in de omgeving behouden en versterkt worden. Ook worden de belangrijke natuur-, bodem- en waterfuncties gerespecteerd. Daarom sluit het initiatief aan bij de ambitie van de provincie voor de groenblauwe structuur.

3.1.3

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 14 februari 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 22 februari 2020 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveau’s zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.

Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waar

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

12

een plangebied in is gelegen. In dit geval is het plangebied gelegen binnen de aanduidingen zoals aangegeven in onderstaande afbeelding.

Afbeelding 5: Uitsnede Iov, hfs 3. Plangebied weergegeven met roze kruisje

De voorwaarden behorende bij deze aanduidingen zijn opgenomen in de volgende artikelen - 3.13 toedeling activiteiten en functies in stiltegebied - 3.26 attentiezone waterhuishouding - 3.29 cultuurhistorische waarden - 3.32 landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel - 3.49 veehouderij in landelijk gebied - 3.51 afwijkende regels beperkingen veehouderij - 3.52 aanvullende regels stalderen Gezien de beoogde ontwikkeling voorziet in wijzigingen van diersoorten, dieraantallen en stalsystemen in bestaande bedrijfsbebouwing wordt niet uitgebreid aan de bovengenoemde artikelen getoetst. De locatie is reeds landschappelijk ingepast en de omgevingsaspecten wijzigen niet. Met de interne wijziging van de veehouderij wordt voorzien van een afname van de emissies van ammoniak, geur en fijnstof bij beide beoogde situaties (vleeskalkoenen óf vleeskuikens) ten opzichte van de vergunde situatie. Er is geen sprake van een nieuw dierverblijf waardoor artikelen 3.51 en 3.51 niet van toepassing zijn. Voor de volledigheid wordt er getoetst aan artikel 3.49, een veehouderij in landelijk gebied. Veehouderij in Landelijk gebied (artikel 3.49) Een bestemmingsplan binnen het werkingsgebied landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van, een vestiging van of een omschakeling naar een veehouderij, als wordt voldaan aan de voorwaarden die zij opgenomen in artikel 3.49:

a. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan;

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

13

De regels voor een zorgvuldige veehouderij zijn van toepassing bij uitbreiding van de oppervlakte dierenverblijf. Met de beoogde situatie wordt het oppervlakte dierverblijf niet vergroot, derhalve is deze voorwaarde niet van toepassing.

b. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt;

In zowel de bestaande als de beoogde situatie heeft het bouwvlak een oppervlakte van circa 1,9 hectare. De ontwikkeling voorziet niet in wijzigen van het bouwvlak. Derhalve is deze voorwaarde niet van toepassing.

c.

de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving;

Het plan draagt bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de aspecten die effect hebben op de omgeving.

d. mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is;

In de huidige en toekomstige situatie vindt er geen mestbewerking plaats. Dit is reeds verankerd in het bestemmingsplan.

e. is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;

De toetsing aan deze voorwaarde is opgenomen in paragraaf 4.9 (geur). Uit deze toetsing blijkt dat er in de beoogde bedrijfsopzet geen sprake is van een overschrijding van de normen.

f.

is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m3;

Bij uitspraak van 12 februari 2020 in de zaak "Buitengebied Mill en Sint Hubert, herziening 2018" (ECLI:NL:RVS:2020:452) heeft de Afdeling bepaald dat deze voorwaarde onverbindend is verklaard. Derhalve is toetsing aan deze voorwaarden niet meer van toepassing.

g. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat;

De locatie is reeds landschappelijk ingepast. De aanwezige groenvoorziening bedraagt minimaal 10% van het bouwvlak, derhalve wordt voldaan aan deze voorwaarde.

h. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling.

Voor onderhavige ontwikkeling is een omgevingsdialoog gevoerd. De omgevingsdialoog is als bijlage 6 toegevoegd, vanwege privacyregels zijn de namen van omwonenden geanonimiseerd.

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik; - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

14

Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8. Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht.

Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6)

Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag is gelegen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De wijzigingen vinden plaats in bestaande bedrijfsgebouwen, er worden geen nieuwe gebouwen in gebruik genomen. Alle bestaande bebouwing zijn binnen het bouwvlak gesitueerd.

Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7)

De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting.

Meerwaardecreatie (artikel 3.8)

Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. De locatie is reeds landschappelijk ingepast, dit wordt in stand gehouden. Er wordt geen (waardevolle) bebouwing gesloopt. Met de ontwikkeling nemen de emissies van zowel ammoniak, geur én fijnstof af wat direct ten goede komt aan de leefomgeving.

Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9)

Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

15

aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Oisterwijk is ‘werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant’ van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 1 ontwikkeling wat betekent dat er geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap vereist is. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov. Conclusie In deze paragraaf is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de regels zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Zoals blijkt uit deze toelichting kan worden voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een bestemmingplan. 3.2 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is vervat in het gemeentelijk veehouderijbeleid, de omgevingsvisie, het bestemmingsplan en het categorieënbesluit.

3.2.1

Veehouderijbeleid Oisterwijk 2016

In de raadsvergadering van 21 april 2016 heeft de gemeenteraad de nota ‘Veehouderijbeleid Oisterwijk 2016’ vastgesteld als opvolger van het interim beleid veehouderij uit 2014. Met het vaststellen van het interim beleid werd het college destijds opgedragen om: “samen met de raad en alle belanghebbenden (boeren en burgers) een zorgvuldig proces op te starten om te komen tot een voor de gemeente Oisterwijk passend beleid”. Dit heeft geleid tot het ‘Veehouderijbeleid Oisterwijk 2016’ Om te komen tot een goede afweging van belangen en gevolgen van het veehouderijbeleid is gewerkt met scenario’s. Immers, het veehouderijbeleid heeft effect op andere functies en de wijze waarop de gemeente in bepaalde mate actief beleid gaat voeren. Bij de scenario’s is steeds uitgegaan van een aantal uitgangspunten: 1. Alle scenario’s zijn duurzaam. De accenten van duurzaamheid verschillen per scenario; 2. Het scenario moet redelijkerwijs haalbaar zijn; 3. Het buitengebied moet leefbaar en economisch vitaal zijn om kwaliteit te behouden. Na vaststelling van de startnotitie is gestart met het interviewen van belangengroepen en experts. Daarna zijn twee stemavonden gehouden waarbij de belangrijkste thema’s aan bod kwamen, die in de interviews naar voren zijn gekomen. Als laatste is een werkgroep van belanghebbenden bij elkaar gekomen om gedetailleerdere input te geven op de inhoud en het proces.

Om te komen tot dit beleid zijn drie scenario’s ontworpen: 1. Duurzame groei; 2. Duurzame consolidatie; 3. Duurzame krimp. Elk van de scenario’s is vanuit een andere visie ingegeven, maar elk scenario is haalbaar, duurzaam en gaat uit van behoud van kwaliteit van het buitengebied. Duurzame groei veehouderij De visie voor dit scenario is dat het agrarische karakter van het platteland waardevol is voor de ondernemer en de bezoeker. In dit scenario behoud het buitengebied zijn agrarische karakter met bijbehorende teelten. Dat is ook gezien vanuit recreatie van belang. Recreanten kunnen blijven genieten van de afwisseling tussen kernen, natuur en een herkenbaar platteland.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

16

Duurzame consolidatie veehouderij Dit scenario is ingegeven vanuit de visie dat een vitaal platteland belangrijk is en dat veehouderij daar een belangrijk onderdeel van is, net als wonen en recreatie. Echter, het plafond is wel bereikt. Niet alleen vanwege geur en fijnstof, maar ook de toename van bijvoorbeeld zwaar transport, dat onlosmakelijk verbonden is met de groei van bedrijven, is ongewenst. Dat laatste is niet in regelgeving gevat maar het kan wel degelijk een effect hebben op de leefbaarheid van het platteland. Centrale mestverwerking is in dit scenario maatwerk. Mestverwerking is qua geur goed te normeren (geen veehouderij, maar strengere industrienormen) en te controleren, maar qua zwaar transport kan de aan- en afvoer van mest leiden tot overlast. Duurzame krimp De visie voor dit scenario is dat veehouderij en Oisterwijk niet goed samengaan, tenzij grondgebonden. De effecten van de bestaande bedrijven op het Natura 2000-gebied zijn té significant en het Natura 2000-gebied is té overbelast. Ook is het effect van de veehouderij op de leefbaarheid van Oisterwijk niet langer meer te accepteren. De gemeente wil toe naar een duurzame gemeente waarbij het streven is dat eenieder fijn kan wonen. Daarin neemt de gemeente de verantwoordelijkheid en neemt een actieve regierol om bedrijven te laten beëindigen.

Er mag geen uitbreiding meer plaatsvinden van het aantal vierkante meters gebouwen die voor veehouderij worden gebruikt. Nieuwe stallen mogen alleen worden neergezet als zij dezelfde of minder vierkante meters hebben als de oude stallen. De uitwerking van de drie scenario’s staat uitgebreid in de nota en de daarbij behorende bijlagen. De gemeente heeft met de vaststelling van het beleid gekozen voor het scenario ‘Duurzame groei’. Naast bovenstaande uitleg van het scenario betekent dit scenario onder meer dat voor het behouden van vitale bedrijven, mogelijkheden worden geboden om het bouwvlak te veranderen en op het bestaand bouwvlak te ontwikkelen. Maar vergroten van het bouwvlak wordt, ook buiten het bestemmingsplan om, niet toegestaan. De nota stelt dat voor geur geldt dat het plafond bereikt is. De gemeente werkt naar een geurverordening toe waarbij de huidige achtergrondbelasting wordt gebruikt als uitgangspunt. Qua gezondheid wil de gemeente geen risico nemen. Op advies van de GGD wordt in een zone van 250 meter rondom de kernen geen ontwikkeling meer toegestaan. Dat betekent een zogenaamd ‘slot op de muur’: Er mag geen extra bebouwing meer worden gerealiseerd ten behoeve van de veehouderij, ook al is er nog ontwikkelruimte op het bouwvlak.

Ondanks dat op dit moment is het nog niet in te schatten of het juridisch houdbaar is, is de gemeente toch voornemens in te zetten op deze zonering. In deze zone mogen alleen nieuwe stallen worden neergezet als zij dezelfde of minder vierkante meters hebben als de oude stallen. Het beoogd initiatief heeft betrekking op het intern wijzigen van dieraantallen, diersoorten en stalsystemen in bestaande stallen. Er is geen sprake van uitbreiding bebouwing. Daarnaast worden alle emissies verminderd ten opzichte van de vergunde situatie. Het initiatief is passend binnen de visie van de gemeente Oisterwijk.

3.2.2

Omgevingsvisie Oisterwijk

De gemeente Oisterwijk heeft op 22 december 2016 de omgevingsvisie vastgesteld. In de omgevingsvisie wordt per gebied ingegaan op verschillende thema’s. Deze thema’s vormen de basis voor het beleid dat de gemeente in het gebied wil voortzetten. Uit de omgevingsvisie blijkt dat de locatie is gelegen binnen het gebied ‘Beekdal van de Rosep’ en ‘Bossen, Heide en Vennen’. Het gebied ‘Beekdal van de Rosep’ is gelegen in de nabijheid van een kleine beek ‘De Rosep’. De beek loopt aan de oostzijde van gemeente Oisterwijk langs en door natuurgebieden. Bij het gebied ‘Bossen, Heide en Vennen’ is er sprake van hoger gelegen zandgronden welke intensief zijn begraasd. Hierdoor zijn er uitgestrekte heidevelden en stuifzanden ontstaan. Een groot deel van de heide- en stuifzandgebieden zijn later bebost waardoor een afwisselend landschap is ontstaan. Dit landschap is waardevol voor natuur en recreatie.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

17

Het veehouderijbeleid binnen de gemeente is gericht op een duurzaam groei waarbij wordt ingezet op de ontwikkellijn ‘gemengde plattelands economie’. Vanuit de aspecten gezondheid en geur is in het veehouderijbeleid bepaald dat binnen een straal van 250 meter van de woonkernen geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de veehouderij is toegestaan. Daar waar er geen sprake is van nieuwe bebouwing kan worden gesteld dan de omgevingskwaliteiten, zoals opgenomen in de omgevingsvisie, niet worden aangetast. De ontwikkeling voldoet aan de omgevingsvisie van Oisterwijk.

3.2.3

Bestemmingsplan

Zoals al in de inleiding van deze toelichting beschreven is voor het plangebied het bestemmingsplan ‘Buitengebied correctieve herziening’ geldend. Hier zijn de volgende aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschap, natuur en cultuurhistorie’ - Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ - Dubbelbestemming ‘Waarde – Natuur attentiegebied’ - Bouwvlak ‘Bouwvlak’ - Functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ - Functieaanduiding ‘Specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ - Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 12’ - Gebiedsaanduiding ‘overige zone – beperkingen veehouderij 2’

Afbeelding 6: Uitsnede vigerend bestemmingsplan In het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling van initiatiefnemer niet rechtstreeks mogelijk, er was een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om de dieraantallen, diersoorten en/of stalsystemen te wijzigen. Deze bevoegdheid is vernietigd waardoor het afwijken van dieraantallen, diersoorten en/of stalsystemen niet direct is toegestaan. Voor dergelijke ontwikkelingen kan er middels een projectafwijkingsbesluit, artikel 2.12, lid 1 onder a onder 3 van de Wabo, een omgevingsvergunning worden verleend. Conform het vigerende bestemmingsplan is er een intensieve veehouderij op locatie toegestaan. Er is geen sprake van het uitbreiden/nieuwbouwen van bedrijfsgebouwen, derhalve is toetsing aan de regels van het bestemmingsplan niet noodzakelijk.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

18

3.2.4

Categorieënbesluit

De mogelijkheid voor een projectafwijkingsbestluit is opgenomen in artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3 van de Wabo. Hierbij geldt dat d.m.v. een goede ruimtelijke onderbouwing een omgevingsvergunning kan worden verleend. Voorwaarde voor deze vergunning is dat de gemeenteraad heeft verklaard hiertegen geen bedenkingen te hebben. In artikel 6.5 lid 3 van de Bor wordt de mogelijkheid aan de raad geboden om een lijst van categorieën vast te stellen waarvoor een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is. Als een aanvraag past binnen deze lijst, is het college dan zelf bevoegd te beoordelen of een activiteit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hierdoor kan op basis van artikel 2.27 van de Wabo alsnog een omgevingsvergunning worden verleend door het bevoegd gezag. De gemeente Oisterwijk heeft, op basis van artikel 2.27 lid 1 van de Wabo en artikel 6.5 lid 3 van de Bor, een categorieënbesluit opgenomen. In dit categorieënbesluit zijn alle aanvragen opgenomen welke betrekking hebben op de wijziging van het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen. Er kan gebruik worden gemaakt van dit categorieënbesluit wanneer het aantal dieren en de emissies niet toenemen én de bedrijven niet zijn gelegen binnen 250 meter van een dorpskern.

De beoogde ontwikkeling aan de Rosepdreef 9 is gelegen op een afstand groter dan 250 meter van de kernen, voorziet niet in toename van ammoniakemissie maar wel in toename van dieraantallen. Voor deze ontwikkeling is het categorieënbesluit niet van toepassing, dit betekent dat er voor de ontwikkeling een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist is.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

19

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Voor de beoogde bedrijfsopzet dient een omgevingsvergunning, met o.a. de activiteit ‘handelingen in strijd met regels ruimtelijke ordening’, te worden verleend. Een omgevingsvergunning wordt in het kader van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als een project. In hetzelfde besluit staat vervolgens beschreven wanneer een project onder de m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht valt. Voor verschillende diercategorieën worden hier aantallen weergegeven wanneer dergelijke plichten van toepassing zijn bij een oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren (categorie C 14 en D 14 Besluit m.e.r.).

Bij de volgende dieraantallen (oprichting, wijziging of uitbreiding) geldt een m.e.r.-plicht of m.e.r.beoordelingsplicht: M.e.r.-beoordelingsplicht (D14): - 40.000 stuks vleeskuikens of vleeskalkoenen. M.e.r.-plicht (C14): - 85.000 stuks vleeskuikens. In de beoogde bedrijfsopzet is sprake van een uitbreiding met 85.000 vleeskuikens, indien er voor dit scenario wordt gekozen in de óf/óf vergunning. Er is daarom sprake van een m.e.r.(beoordelings)plichtig besluit. Voor de beoogde bedrijfsopzet is een MER-beoordelingsnotitie ingediend bij de gemeente Oisterwijk, op 17 juli 2018 heeft het college van Oisterwijk besloten dat er geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden (Kenmerk: 2016-0761). 4.2 Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.

In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1

Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

20

de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.1.3 is het plangebied gelegen in de ‘attentiezone waterhuishouding’. Er worden regels gesteld voor het verzetten van grond, aanleg van drainage, verlagen van de grondwaterstand en het beperken van verhard oppervlakte. Met de beoogde situatie worden enkel diersoorten- en aantallen gewijzigd in bestaande bebouwing. Er vinden geen activiteiten plaats waarvoor regels zijn opgesteld. Derhalve heeft de ontwikkeling geen negatieve invloed op de waterhuishouding.

De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieuen Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP). Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - Voldoende water voor mens, plant en dier; - Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in Afbeelding 7 heeft het plangebied in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor de groenblauwe mantel’ toegekend gekregen.

Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘groenblauwe mantel’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor deze deelfunctie geldt beperkt beschermingsbeleid. Dit houdt in, dat binnen deze gebieden in beginsel waterhuishoudkundige ingrepen mogen plaatsvinden, mits deze zijn gericht op het verbeteren van de condities voor natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities. Het ruimtelijk beleid in de groenblauwe mantel is vooral gericht op ontwikkeling van groenblauwe waarden. Het initiatief betreft het intern wijzigen van een intensieve veehouderij waarbij er geen bouwkundige wijzigingen plaatsvinden. De locatie is reeds landschappelijk ingepast waardoor naast een verbetering van de landbouwkundige condities ook de conditie van de natuur in stand wordt gehouden. Daarnaast is een deel van het plangebied gelegen in ‘zoekgebied voor behoud en herstel watersystemen’ conform de PMWP, dit zoekgebied is om de waterloop gelegen. Gezien de ontwikkeling enkel voorziet in interne wijzigingen, zijn er geen negatieve effecten voor het watersysteem te verwachten.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

21

Afbeelding 7: Uitsnede kaart 'gezondheid - 1', PMWP

Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft het plangebied geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen het plangebied. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap de Dommel is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van het plangebied. Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema’s. - Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); - Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is.

Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; - Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; - Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; - Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik. Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met al de partners in het gebied wil uitbreiden en ‘grenzeloos’ organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.

4.2.2

Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

22

oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. De locatie is gelegen in de nabijheid van een A- en B-watergang conform de legger van Waterschap de Dommel, zie onderstaande afbeelding.

Afbeelding 8: Uitsnede 'Legger oppervlaktelichamen' van Waterschap de Dommel

4.2.3

Beoogde waterhuishoudkundige situatie

Zoals aangegeven is waterschap de Dommel de beheerder van de kwaliteit en kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater binnen het plangebied. Middels de Keur van Waterschap de Dommel welke in werking is getreden op 1 maart 2015, is bepaald bij welke ontwikkelingen mitigerende maatregen getroffen moeten worden. Deze mitigerende maatregelen kunnen onder andere bestaan uit het treffen van een retentievoorziening. De Keur van Waterschap de Dommel schrijft voor dat voor een toename van minder dan 2.000 m² verhard oppervlak geen mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze mitigerende maatregelen zijn wel van toepassing bij elke toename van het verhard oppervlak, indien de locatie is gelegen in een keurbeschermingsgebied of attentiegebied. De planlocatie is niet gelegen in een keurwaterbeschermingsgebied of attentiegebied. In de beoogde situatie zal er geen sprake zijn van toename in verhard oppervlak. Omdat er geen sprake is van een toename in verhard oppervlak dient er geen compenserende maatregel getroffen te worden om het hemelwater op te vangen. Conform de Keur Waterschap de Dommel is het verboden, om zonder vergunning, activiteiten uit te voeren in de nabijheid van een oppervlaktelichaam welke de toestand van het oppervlaktelichaam verslechterd.

Hierbij zijn verbodsregels gesteld voor onder andere het oppervlaktelichaam te wijzigen, de regulerende werking te belemmeren, grondwerkzaamheden uit te voeren in de directe nabijheid en vegetatie te verwijderen. Met de beoogde ontwikkeling worden de wijzigingen uitgevoerd in bestaande bebouwing, in de nabijheid van het oppervlaktelichaam worden geen wijzigingen uitgevoerd, er wordt voldaan aan de Keur Waterschap de Dommel. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Binnen 5 meter van de naastgelegen watergang A ‘de Rosep’ worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt.

Ruimtelijke onderbouwing Rosepdreef 9 te Oisterwijk

23

4.2.4

Beoogde waterhuishoudkundige situatie gemeentelijk hemelwaterbeleid

De watertoets is in principe bedoeld voor hemelwater. Het beleid binnen de gemeente Oisterwijk is daarbij over het algemeen het leidend principe. De initiatiefnemer voor een werk of plan wordt geacht de voorkeursvolgorde te doorlopen. Als hergebruik en infiltratie niet mogelijk zijn dan is afvoer naar oppervlaktewater mogelijk. In dat geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Daarbij kan gedacht worden aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot op eigen terrein. Deze voorzieningen mogen gerealiseerd worden met een geknepen afvoer naar een bermsloot of watergang. De ontwikkeling voorziet in wijzigingen in bestaande bebouwing, er wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Zowel in de huidige als in de beoogde situatie wordt het hemelwater geïnfiltreerd op omliggende gronden en perceelsloten. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10018900/3