1.a Het vast te stellen bestemmingsplan - Toelichting
Tekst van het document
Het plangebied is niet gelegen binnen een contour van 2 kilometer van een geitenhouderij, is niet gelegen binnen een endotoxinecontour en ook op basis van het aspect ‘geur’ kan worden gesteld dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Derhalve kan worden gesteld dat geen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn. Stap 5 is dan ook niet van toepassing.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
29
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
Stap 4b Als er geen gezondheidsrisico’s te verwachten zijn, is sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de toekomstige woningen wat betreft risico’s voor de gezondheid. Stap 7b is dan ook van toepassing. Stap 5 Als er wel gezondheidsrisico’s te verwachten zijn voor de toekomstige bewoners, dan dient onderzocht te worden wat mogelijke oplossing zijn via het ruimtelijk spoor. Niet van toepassing. Stap 6 In stap 6 wordt beoordeeld of veehouders niet onevenredig in de belangen worden geschaad. Dat is in onderhavige situatie niet het geval. Dit aspect is reeds nader toegelicht in paragraaf 4.2. Stap 7 In stap 7 wordt een positief dan wel negatief besluit genomen door het bevoegd gezag. Uit de doorlopen stappen kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Niemand wordt onevenredig in de belangen geschaad. Gesteld kan dan ook worden dat op grond van het aspect ‘gezondheid’ het plan mogelijk is. 4.3.2.2
Gewasbeschermingsmiddelen
In de omgeving van het plangebied zijn geen gronden gelegen waarop gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Dit aspect is dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.
4.3.3 Conclusie Op basis van gezondheid in relatie tot endotoxine, geitenhouderijen en gewasbeschermingsmiddelen zijn geen risico’s te verwachten. Het aspect gezondheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling.
4.4
Geluid
4.4.1 Inleiding 4.4.1.1
Wegverkeerslawaai
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een geluidszone langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. De Wgh geldt niet voor 30-km wegen en voor woonerven. De systematiek van de zonering Wet geluidhinder voor wegverkeer houdt in dat langs een (toekomstige) verkeersweg een geluidszone ligt waarbinnen in een aantal situaties bescherming wordt geboden aan geluidsgevoelige bestemmingen. Deze bescherming geldt in de volgende situaties: via een ruimtelijk besluit de aanleg van een weg mogelijk maken; via een ruimtelijk besluit een geluidsgevoelige bestemming in de zone realiseren; de reconstructie/wijziging van een bestaande weg.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
30
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
4.4.1.2
Industrielawaai
Zonering van industrielawaai in het kader van de Wet geluidhinder is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers zijn gevestigd enerzijds en woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen anderzijds. Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel bedrijven als aan bewoners/gebruikers van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Bedrijven kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de bedrijven toe.
4.4.2 Onderzoek 4.4.2.1
Wegverkeerslawaai
Het plangebied is gelegen binnen de geluidzones van de wegen Bedrijfsweg, Molenbaan en Pannenschuurlaan. Ten behoeve van de beoogde woningen is dan ook door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde onderzoek: “Wet geluidhinder Uit de toets in het kader van de Wet geluidhinder kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder.” Cumulatie Wet geluidhinder Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige wegen met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In het onderhavige geval betreft dit de Bedrijfsweg, Molenbaan en Pannenschuurlaan. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de ‘methode Miedema’. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Pannenschuurlaan, bedraagt 66 dB, VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
31
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie ‘slecht’ en daarmee dient bezien te worden of maatregelen mogelijk zijn. Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Karakteristieke geluidwering van de gevel
Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.” De onderzoeksrapportage (Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV, rapportnummer M222444.001.002.R1/JME, d.d. 25 januari 2023) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. 4.4.2.2
Industrielawaai
Ten aanzien van de naastgelegen basisschool wordt in principe niet voldaan aan de richtafstand zoals gesteld in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De buitenruimte van de basisschool bevindt zich direct tegen het plangebied. Derhalve is door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd naar de mogelijkheden voor woningbouw direct naast de betreffende basisschool. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen hieruit voort: “Uit de resultaten blijkt dat na het treffen van maatregelen (geluidscherm 2 meter hoogte) tussen de basisschool en het plangebied voldaan kan worden aan stap 3 van de VNGpublicatie bedrijven en milieuzonering. De basisschool wordt door de toevoeging van de woningen binnen de richtafstand niet verder in haar belangen geschaad. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de toekomstige situatie ten aanzien van dit onderzoek aangegeven randvoorwaarden akoestisch inpasbaar geacht kan worden. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.” De betreffende memo (Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV, documentnummer M222444.001.007/JME, d.d. 5 december 2023) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
32
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
4.4.3 Conclusie Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai volgt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt echter niet overschreden. Voor wat betreft het aspect industrielawaai wordt voldaan aan de voorwaarden voor woningbouw in de directe nabijheid van een basisschool, mits een geluidscherm wordt gerealiseerd tussen de school en de nieuwbouw.
4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1 Inleiding Het beleid van de provincie Noord-Brabant gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch bodemonderzoek te worden verricht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden met een verhoogd risico op bodemverontreiniging, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van geconstateerde belemmeringen uit dit onderzoek kan vervolgens worden nagegaan welke maatregelen moeten worden genomen om die belemmeringen weg te nemen (functiegericht saneren).
4.5.2 Onderzoek Met de beoogde herontwikkeling worden alle opstallen binnen het plangebied gesloopt, waarvoor in de plaats 13 nieuwe woningen worden gerealiseerd. Nieuwe gevoelige functies worden dan ook beoogd. Derhalve is door Lankelma Geotechniek Zuid BV een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde onderzoek: “Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. In het kader van de Wet bodembescherming zijn aanvullende procedures noodzakelijk. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er, ons inziens, vanuit milieuhygiënisch oogpunt derhalve belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van deze locatie. Wanneer men (graaf)werkzaamheden en/of wijzigingen uit gaat voeren, dient men rekening te houden met de volgende zaken: - voorafgaand aan het uitvoeren van werkzaamheden ter plaatse van de asbestverontreiniging dient een BUS-melding te worden ingediend bij het bevoegd gezag. Deze dient in te stemmen voordat met de werkzaamheden mag worden begonnen; - wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring).
Op basis van dit onderzoek is de grond, behoudens rond de boring B10 (industrie) indicatief als zijnde klasse achtergrondwaarde (AW) bestempeld. De ondergrond is indicatief bestempeld als klasse AW2000;
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
33
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
- het verlenen van een omgevingsvergunning is ter competentie aan het bevoegd gezag.” De onderzoeksrapportage (Lankelma Geotechniek Zuid BV, rapportnummer 2002808, d.d. 12 februari 2021) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
4.5.3 Conclusie Binnen het plangebied is plaatselijk asbestverontreiniging aangetroffen. Bij aanvang van de werkzaamheden zal worden aangetoond dat na accordering op de nog in te dienen BUS-melding de bodem op juiste wijze is gesaneerd. Alsdan vormt de bodemkwaliteit ter plaatse geen bezwaar meer voor de woningbouw ter plaatse. Dit hangt eveneens samen met een asbestinventarisatie welke nog zal plaatsvinden bij de bestaande gebouwen. De sloop van deze gebouwen zal gecertificeerd gebeuren, waarbij ook het eventueel aanwezig asbest op de juiste manier wordt afgevoerd.
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1 Inleiding Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en de bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is bepaald dat plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit niet afzonderlijk hoeven te worden getoetst aan de grenswaarden voor de buitenlucht. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is aangegeven wanneer sprake is van een niet in betekenende mate (NIBM) bijdrage. Dit is het geval als het project maximaal 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide (NO2) is.
In de praktijk vertaalt zich dit naar een jaargemiddelde bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. De door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil ontwikkelde NIBM-tool kan worden benut om te beoordelen of er nader onderzoek plaats moet vinden naar de kwaliteit van de buitenlucht.
4.6.2 Onderzoek Als gevolg van de beoogde herontwikkeling neemt het aantal wooneenheden met daar bij behorende vervoersbewegingen van personenvervoer toe met 11. Navolgend is een worst-case berekening op basis van de NIBM-tool opgenomen voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit. Hierbij is rekening gehouden met 7,8 vervoersbewegingen pet etmaal per vrijstaande koopwoning, 7,4 vervoersbewegingen per etmaal per twee-onder-een-kapwoningen en 4,5 per sociale huurwoning. VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
34
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
Jaar van planrealisatie
2023
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
82
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,04
PM10 in μg/m3
0,01
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Tabel 1: NIBM-tool
De beoogde herontwikkeling voorziet in een toename van vervoersbewegingen in de omgeving. Dit plan draagt echter niet in betekenende mate bij aan de verandering van de luchtkwaliteit in de directe omgeving van het plangebied. De beoogde herontwikkeling valt dan ook binnen het begrip NIBM. Niettemin dient ter plaatse van het plangebied sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijn stof: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³. de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 µg/m³. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde . de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³. Navolgende figuren geven de jaargemiddelde concentratie van PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.
Figuur 16: Fijn stof PM10 2020 (Bron: Atlas leefomgeving)
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
35
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
Figuur 17: Fijn stof PM2,5 2020 (Bron: Atlas leefomgeving)
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 van 16-17 µg/m³. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt 9-10 µg/m³. Gesteld kan worden dat hiermee de luchtkwaliteit ter plaatse acceptabel is en dat de beoogde herontwikkeling in het kader van blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijn stof geen bezwaar is. De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 µg/m³. Navolgende figuur geeft de jaargemiddelde concentratie van NO2 ter plaatse van het plangebied en directe omgeving weer.
Figuur 18: Stikstofdioxide NO2 2020 (Bron: Atlas leefomgeving)
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
36
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
Ter plaatse van het plangebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 12-14 µg/m³. Geconcludeerd kan worden dan de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
4.6.3 Conclusie Op basis van een wordt-case berekening met de NIBM-tool kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip NIBM valt en de veranderingen in luchtkwaliteit als gevolg van de beoogde herontwikkeling niet verder hoeft te worden onderzocht. Gesteld kan ook worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van luchtkwaliteit. De beoogde herontwikkeling is dan ook in het kader van luchtkwaliteit geen bezwaar.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1 Inleiding Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze risico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) voor individuen en kent een duidelijke maat en norm. Het groepsrisico (GR) voor grotere groepen mensen is minder concreet en kent een richtwaarde. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: Bedrijven; Vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water); Hoogspanningslijnen; Ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen).
4.7.2 Onderzoek 4.7.2.1
Bedrijven
Het plangebied is op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant niet aangewezen als gelegen in een risicogebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Het op deze risicokaart aangegeven dichtstbijzijnde risico-object betreft een LPG-tankstation gelegen op een afstand van circa 1,1 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen de risicocontour van dit bedrijf. 4.7.2.2
Vervoer gevaarlijke stoffen
Vervoer over het spoor Door de kern van Oisterwijk loopt het spoortracé Breda – Boxtel. Over dit traject kunnen gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 760 meter tot dit spoortracé. Dit tracé is op zodanig grote afstand gelegen dat beïnvloeding normaliter niet kan plaatsvinden. Wel is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied vanwege toxische scenario’s. Een verantwoording van het groepsrisico is dan ook aan de orde. Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grotere doorgaande wegen in de gemeente waarover dergelijke
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
37
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
transporten zullen plaatsvinden zijn de autosnelweg A58 en de autosnelweg A65, overgaand in de autoweg N65 (Tilburg-'s-Hertogenbosch). Het plangebied is het meest dicht bij de autoweg N65 gelegen, op circa 750 meter ten noordwesten het plangebied. Het plangebied ligt op een dermate grote afstand van de routes dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. Vanwege het transport van toxische stoffen en Bleve bedraagt het invloedsgebied meer dan 4 kilometer. Het plangebied ligt binnen deze zone. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Vervoer over het water In de omgeving van het plangebied is geen waterweg aanwezig waarover gevaarlijke stoffen vervoer worden. 4.7.2.3
Hoogspanningslijnen
Op een afstand van ruim 3 kilometer ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een 150 kV hoogspanningslijn. Het plangebied valt buiten het invloedsgebied van deze hoogspanningslijn. 4.7.2.4
Ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen)
De meest dicht bij het plangebied gelegen buisleiding bevindt zich op ruim 1 kilometer ten noorden van het plangebied. Dit betreft een ondergrondse brandstofleiding van de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij. Het plangebied is niet gelegen binnen de risicocontour van deze leiding.
4.7.3 Verantwoording groepsrisico Inleiding Het plangebied bevindt zich op grote afstand van de risicobronnen, in dezen het spoor (Tilburg-Boxtel) en de autoweg (N65). Op deze afstand is het toxisch scenario maatgevend en voor de autoweg N65 tevens het effect als gevolg van een BLEVE. Ontwikkeling groepsrisico Als gevolg van de beoogde herontwikkeling neemt het aantal wooneenheden toe met 12. Het plan is niet specifiek bestemd voor zeer kwetsbare personen. Er is sprake van een beperkte toename van de personendichtheid. Vanwege de grote afstand tot de risicobron zal een toename van personendichtheden ook niet significant doorwerken in de rekenkundige hoogte van het groepsrisico. De beschouwing van het groepsrisico en de verantwoording daarvan is om deze reden dan ook niet noodzakelijk. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is op deze grote afstand tot de risicobron geen item. Op deze afstand heeft een toe- of afname van personendichtheid geen invloed op het groepsrisico. Verder is de kans te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden vele malen kleiner dan 1/1.000.000. Veiligheidsmaatregelen aan de bron zijn daarom niet realistisch.
De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden aan de bron ter beperking van de effecten van de calamiteit. Het bestrijdbaarheidsvraagstuk in relatie tot de ontwikkeling op deze grote VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
38
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
afstand van de risicobron wordt daarom niet verder beschouwd. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Blootstelling aan een toxisch gas en een BLEVE zijn het bepalende scenario. In geval van een calamiteit dienen personen te schuilen. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. De beoogde woningen zullen goed geïsoleerd worden, waardoor ze een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. Belangrijk is wel dat luchtbehandelingsinstallaties met één druk op de knop uit te schakelen zijn. Verder dient in geval van een calamiteit tijdig gewaarschuwd te worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van NL-alert.
4.7.4 Conclusie Er bestaan in het kader van bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen en ondergrondse (gas)leidingen (c.q. buisleidingen) geen bezwaren voor de beoogde herontwikkeling. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft voor de gemeente Oisterwijk een standaard groepsrisicoverantwoording opgesteld. Het standaardadvies van de Veiligheidsregio is hierop afgestemd. Dit standaard advies is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.
4.8
Ecologie
4.8.1 Inleiding Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) regelt sinds 2015 de ruimte voor economische ontwikkelingen die gepaard gaan met de uitstoot van stikstof nabij Natura 2000-gebieden. Enerzijds heeft het PAS tot doel het behoud en herstel van de Natura 2000-gebieden.
Anderzijds creëert het PAS door de reductie van stikstof ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen, zoals de verbreding van een snelweg, woningbouw of de uitbreiding van een veehouderij. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
39
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
bestuursrechtspraak van de Raad van State einduitspraken gewezen in enkele procedures tegen het Programma Aanpak Stikstof. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) daaraan stelt. De Afdeling heeft bepaald dat de PAS niet meer gehanteerd kan worden als toetsingskader voor projecten. Het Hof oordeelt dat zeker gesteld moet zijn dat een ontwikkeling geen nadelige gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen.
Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden.
4.8.2 Onderzoek 4.8.2.1
Algemeen
Door Brabant Eco is een Ecologische quickscan uitgevoerd. Hierin komt zowel de gebiedsbescherming als de soortenbescherming aan bod. In navolgende subparagrafen worden de conclusies en aanbevelingen uit dit onderzoek toegelicht. De rapportage (Brabant Eco, rapportnummer 2021-BE-0894, d.d. 26 mei 2021) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. 4.8.2.2
Gebiedsbescherming
Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1,4 kilometer ten zuiden van het Natura 2000gebied ‘Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ en op circa 2,2 kilometer ten noorden van ‘Kampina & Oisterwijkse Bossen en Vennen’. Op circa 740 meter is het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Navolgende conclusie wordt getrokken in de uitvoerde quickscan: “Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000 gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Het is niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebied. Een toets met compensatieplicht is daarmee niet aan de orde.” Tevens is onderzoek uitgevoerd naar stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de beoogde herontwikkeling. Een AERIUS berekening is uitgevoerd van zowel de uitvoerfase als de VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
40
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
gebruiksfase. Hiervoor is gebruik gemaakt van realistische aannames met gebruikmaking van input van het betreffende bouwbedrijf. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de beoogde herontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. De uitgevoerde AERIUS berekeningen zijn als bijlage bij deze toelichting gevoegd, met daarbij tevens de input vanuit het bouwbedrijf. 4.8.2.3
Soortenbescherming
Navolgende conclusies en aanbevelingen komen voort uit het uitgevoerde ecologisch onderzoek: “Voorkomende diersoorten Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat er algemeen beschermde broedvogels in het plangebied voorkomen. Er zijn mogelijk nestlocaties aanwezig voor vleermuizen. Voor de overige soortgroepen, waaronder uilen, huismus en gierzwaluw zijn geen overtredingen te verwachten ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Advies en aanbevelingen Nader onderzoek Op basis van het veldonderzoek en de analyse van de bestaande situatie kan het voorkomen van beschermde flora worden uitgesloten. Er wordt aanbevolen om een nadere inventarisatie door middel van extra veldonderzoek op het gebied van vleermuizen uit te voeren. Nader onderzoek naar andere faunasoorten is niet noodzakelijk. Wet natuurbescherming - De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is hiervoor niet noodzakelijk. - In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000 gebieden voor. Ook effecten op het Natuurnetwerk Nederland zijn er niet. Een nadere toetsing is dus niet aan de orde. - Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren.
Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. Er zijn nesten van duiven waargenomen tijdens de veldronde. - In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen. Deze maatregelen dienen ervoor om negatieve gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen of te verzachten. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren de kans te geven om te vluchten. - Bij onvoorziene omstandigheden dient er direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
41
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
Natuurinclusief bouwen Diverse fauna soorten staan onder druk door steeds verder afnemende broed- en nestgelegenheid. Natuurinclusief bouwen is een verzamelterm voor tal van maatregelen en manieren om natuur te integreren bij de bouw van woningen, kantoren en andere gebouwen. Natuurinclusief bouwen bevorderd de biodiversiteit en ons leefklimaat.” Naar aanleiding hiervan heeft ter plaatse van het plangebied tevens een aanvullend vleermuisonderzoek plaatsgevonden. Navolgende conclusies en aanbevelingen komen hieruit voort: “De voorgenomen ontwikkelingen zullen geen invloed hebben op vleermuizen. Er worden geen verblijfplaatsen aangetast. Ook worden geen essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied aangetast. Daarmee kan gesteld worden dat de duurzame instandhouding van de aangetroffen vleermuissoorten niet in gevaar komt. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van de plannen is daarmee niet nodig. Er zijn geen zomer-, kraam-, paar-, of winterverblijfplaatsen aangetroffen in het plangebied. Zodoende worden er met de renovatie geen verbodsartikelen overtreden van de Wet natuurbescherming en is een ontheffingsverzoek bij bevoegd gezag niet noodzakelijk.” De volledige rapportage van het aanvullend vleermuisonderzoek (Brabant Eco, rapportnummer 2021BE-0894, d.d. 15 september 2021) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
4.8.3 Conclusie Op basis van de ecologische quickscan en later het aanvullend vleermuisonderzoek kan worden gesteld dat als gevolg van de beoogde herontwikkeling geen flora- en faunawaarden verloren gaan. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling indien de algemene regels voor de zorgplicht in acht worden genomen.
4.9
Water
4.9.1 Inleiding Nederland is groot geworden door het leven met en de strijd tegen het water. In de 20e eeuw is, doordat er te weinig rekening is gehouden met het waterbelang, veel ruimte aan het water onttrokken en veel afvalwater direct of indirect geloosd op oppervlaktewater. Om de toekomst van Nederland veilig te stellen is het nodig om te anticiperen op klimaatsveranderingen en bij de ruimtelijke planvorming goed rekening te houden met water. De waterbeheerder (Waterschap De Dommel) heeft de taak, kennis en kunde om daar zorg voor te dragen. Daarom is het belangrijk om het waterschap vroegtijdig te betrekken bij de planvorming. 4.9.1.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027 Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de watertransitie met als doel een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
42
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Hierbij ligt in tegenstelling tot eerder beleid met name de nadruk op de volgende focuspunten: van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de
flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied; van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt
over meerdere opgaven in een gebied; van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
4.9.1.2
Keur Waterschap De Dommel
Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen het plangebied is de ‘Keur Waterschap De Dommel’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. 4.9.1.3
Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen hanteren dezelfde beleidsuitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², 500 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². 4.9.1.4 Hydrologisch neutraal bouwen Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’. Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie).
Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Bij zeer grote neerslaghoeveelheden zal de genoemde voorziening het aangeboden water echter onvoldoende kunnen verwerken. Een noodoverloopconstructie kan er dan voor zorgen dat het overtollige water gecontroleerd naar een plek wordt afgevoerd waar het geen overlast kan veroorzaken. 4.9.1.5
Gemeentelijk beleidskader
Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat in de belangstelling. Thema’s zoals ‘water in de stad’ en ‘water als ordenend principe’ zijn beleidsspeerpunten op alle VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
43
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
overheidsniveaus. Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankerd in het ‘Besluit op de ruimtelijke ordening 1985’. Het belangrijkste instrument vanuit het Waterschap is de Keur 2015 van Waterschap de Dommel. In het Verbreed Gemeentelijk Riolerings Plan (V-GRP) 2015-2019 heeft de gemeente Oisterwijk haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Het bovenstaande resulteert in een voorkeursvolgorde voor het verwerken van hemelwater waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5. Afvoeren naar de riolering Op grond van de gemeentelijke ‘Verordening afvoer hemelwater en grondwater 2022’ wordt een eigenaar van een perceel bij omgevingsvergunningplichtige bouwactiviteiten of na het aanbrengen van water afvoerende verharding verplicht al het hemelwater dat op het betreffende perceel valt op eigen terrein te verwerken. De eigenaar heeft daarbij vrije keuze in de toe te passen voorziening. Rekening dient wel te worden gehouden met 0,06 mm per m² verhard oppervlak, en binnen 48 uren dient te berging weer leeg te zijn.
4.9.2 Onderzoek 4.9.2.1
Oppervlakte verharding
Uitgangspunt bij nieuwbouw is dat er hydrologisch neutraal wordt gebouwd. Dit betekent dat het hemelwater (dat valt op daken en verhardingen) niet versneld mag worden afgevoerd naar het oppervlaktewater of naar het riool. Met de beoogde herontwikkeling zal worden voorzien in circa 2.000 m² oppervlakteverharding, bestaande uit 611 m² verharding in openbaar gebied en voor het overige voor de woningen met bijgebouwen. 4.9.2.2
Bodem en grondwater
De bodem ter plaatse van het plangebied bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand. Ter plaatse vindt geen grondwateronttrekking plaats. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) bedraagt circa 80 centimeter beneden maaiveld. In de omgeving van het plangebied zijn geen A- of Bwatergangen gelegen. Wel is op een afstand van ruim 200 meter ten westen van het plangebied een schouwsloot gelegen aan de Kerkhovenbaan. Deze loopt verder richting het plangebied (richting het oosten) over in een oude watergang zonder status. 4.9.2.3
Afvalwater
In de omgeving van het plangebied is sprake van een vrijverval rioleringsstelsel. Hierop kan enkel huishoudelijk afvalwater worden geloosd. Afspraken over de aansluiting van de riolering worden gemaakt tussen de gemeente Oisterwijk en initiatiefnemer. 4.9.2.4
Hemelwater
Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
44
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Het schoon hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem, dan wel tijdelijk opgeslagen in de aan te leggen lavakoffers en gedoseerd afgevoerd naar oppervlaktewater. Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. Binnen het plangebied zal slechts schoon hemelwater infiltreren in de bodem. 4.9.2.5
Infiltratievoorzieningen
Op basis van het waterschaps- en gemeentelijk beleid geldt een bergingsvereiste van 60 mm per vierkante meter verharding. Alle woningen dienen op eigen terrein een infiltratievoorziening aan te leggen. De woningen krijgen vanuit deze infiltratievoorziening op eigen terrein een bovengrondse overstortvoorziening (exfiltratievoorziening) en vindt plaats op het gemeentelijke HWA-riool in de Bieslook. In het openbaar gebied wordt 611 m² verharding aangebracht. Hiermee ontstaat een bergingsopgave van 37 m³. Door de hoge GHG (circa 80 centimeter beneden maaiveld) zal de wateropgave in het openbare gebied worden ingevuld door het toepassen van een waterbergende fundering. Voor alle waterbergingsvoorzieningen, zowel op eigen terrein als in openbaar gebied, bedraagt de leeglooptijd 48 uur. In het in de bijlage opgenomen beeldkwaliteitsplan is tevens aandacht besteed aan de hemelwaterberging binnen het plangebied. Een nadere detaillering van het rioolsysteem inclusief waterbergende fundering vindt plaats in de civieltechnische voorbereidingsfase.
4.9.3 Conclusie Met de beoogde herontwikkeling zal hydrologisch neutraal worden gebouwd, waarbij het verhard oppervlak per saldo wel zal toenemen, maar dat hemelwater op eigen terrein zal infiltreren. Binnen het plangebied zal slechts schoon hemelwater infiltreren in de bodem en wordt het afvalwater middels nieuwe aansluitingen geloosd op de bestaande drukriolering.
4.10 Archeologie 4.10.1
Inleiding
De omgang met het archeologisch erfgoed is geregeld in de Erfgoedwet (2016). Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische resten, indien een bestemmingsplan dat voorschrijft. Om een goede afweging te kunnen maken van het archeologisch belang is ten eerste een verwachtingskaart voor de gemeente Oisterwijk opgesteld. De verwachtingskaart geeft inzicht in het archeologisch erfgoed van de gemeente. Op de verwachtingskaart is aangegeven wat de archeologische verwachtingen zijn als laag, middelhoog, hoog verwachtingsvol gebied. De verwachtingskaart kan worden gezien als een archeologisch bureauonderzoek voor het grondgebied van de gemeente Oisterwijk.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
45
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
4.10.2 Onderzoek Ter plaatse van het plangebied is sprake van een middelhoge verwachtingswaarde. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Oisterwijk. Het plangebied is aangeduid met een zwarte cirkel.
Figuur 19: Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingskaart gemeente Oisterwijk
De verwachtingskaart is vertaald in een beleidskaart. Op de beleidskaart is opgenomen hoe wordt omgegaan met archeologie in de betreffende verwachtingsvolle gebieden. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de beleidskaart. Het plangebied is aangeduid met een zwarte cirkel.
Figuur 20: Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Oisterwijk
Het plangebied is hierop aangeduid als categorie ‘Waarde – Archeologie 5; 2500 m²’. Ter plaatse geldt derhalve een onderzoeksplicht bij bodemingrepen over een oppervlakte van meer dan 2.500 m².
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
46
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
Deze ondergrens wordt als gevolg van de beoogde herontwikkeling niet overschreden. Het plangebied voor herontwikkeling kent weliswaar een oppervlakte van circa 4.280 m². Niet het volledige perceel wordt geroerd. Bovendien is in de huidige situatie reeds sprake van circa 600 m² aan bebouwing, alwaar gesteld kan worden dat de bodem reeds is geroerd. Met de beoogde herontwikkeling wordt voorzien in circa 1.000 m² aan nieuwe bebouwing, welke deels een overlap zal hebben met de huidige 600 m². Wel zal nog sprake zijn van kabels en leidingen en ondergrondse lavakoffers ten behoeve van hemelwaterinfiltratie. De totale verstoringsoppervlakte zal echter nooit boven de 2.500 m² reiken. Bij de uiteindelijke bouwaanvraag dient te blijken of deze ondergrens wordt overschreden.
4.10.3 Conclusie Ter plaatse van het plangebied geldt een onderzoeksplicht naar archeologische waarden bij bodemingrepen over een oppervlakte van meer dan 2.500 m². De bodem is grotendeels reeds geroerd ter plaatse van de bestaande bebouwing. Bodemingrepen reiken niet tot meer dan 2.500 m² extra. Ter plaatse van het plangebied zal deze ondergrens voor archeologisch onderzoek dan ook niet worden overschreden. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ blijft niettemin behouden om ook in de toekomst deze verplichting te waarborgen. Bij de uiteindelijke bouwaanvraag wordt hieraan als eerste getoetst, waarmee helderheid wordt geboden over de uiteindelijke bodemverstoring. Alsdan wordt bepaald of onderzoek noodzakelijk is. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten kan nooit volledig worden uitgesloten in een gebied waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. Daarom dient men bij het aantreffen van archeologische waarden hiervan melding te maken als opgenomen in artikel 53 van de Monumentenwet.
4.11 Cultuurhistorie 4.11.1 Inleiding Naast de Rijks- en gemeentelijke monumenten is een aantal gebouwen binnen de gemeente door de provincie aangewezen als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.
4.11.2 Onderzoek 4.11.2.1 Inleiding Binnen het plangebied is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Als gevolg van de sloop van de bestaande bebouwing gaan dan ook geen waarden verloren. In de omgeving van het plangebied is wel een aantal cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken aanwezig. Deze worden navolgend nader toegelicht. 4.11.2.2 Woonhuis Langvennen Oost 114;116 Op een afstand van circa 80 meter ten zuidoosten van het plangebied is de cultuurhistorisch waardevolle boerderij Langvennen Oost 114;116 gesitueerd. Dit betreft een inmiddels gesplitst woonhuis van omstreeks 1948. De beoogde herontwikkeling heeft geen effect op deze woning of de waarden hiervan.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
47
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
4.11.2.3 Woonhuis Langvennen Oost 147;149 Op een afstand van circa 200 meter ten zuidoosten van het plangebied is de cultuurhistorisch waardevolle boerderij Langvennen Oost 147;149 gesitueerd. Dit betreft een eveneens inmiddels gesplitst woonhuis van omstreeks 1900. De beoogde herontwikkeling heeft ook geen effect op deze woning of de waarden hiervan. 4.11.2.4 Molen Langvennen Oost 120 Schuin tegenover het plangebied, op een afstand van circa 45 meter tot het plangebied is een molen gesitueerd. Dit betreft een ronde stenen stellingkorenmolen uit 1895, genaamd ‘Kerkhovense Molen’. Vanwege de windvang en het zicht op de cultuurhistorisch waardevolle molen gelden restricties ten aanzien van nieuwe bebouwing in de omgeving van deze molen. Rekening dient dan ook te worden met de zogenoemde ‘molenbiotoop’. Bestaande bebouwing in de omgeving is toegelaten, maar bij nieuwbouw geldt dat binnen een straal van 100 meter vanuit het middelpunt van de molen niet gebouwd mag worden en binnen een afstand van 100 tot 200 meter tot een bouwhoogte van maximaal 7 meter. Voor zover bebouwing of beplanting echter wordt gesitueerd die overeenkomt met de hoogte van aanwezige bebouwing of beplanting, dan zijn die bouwwerken en is de beplanting direct toegestaan, aldus het vigerende bestemmingsplan ‘Woongebieden’.
De beoogde woningen bevinden zich grotendeels binnen de contour van 100 meter vanuit het middelpunt van de woning. Navolgend is een studie weergegeven van de huidige ten opzichte van de nieuwe hoogte bebouwing en beplanting in de nabijheid van de molen.
Figuur 21: Studie naar huidige en beoogde hoogten ten opzichte van de molenbiotoop (Bron: Grasveld Tuin- en Landschapsarchitecten)
In de huidige situatie is op korte afstand van de molen reeds sprake van hoge opgaande beplanting, tot circa 16 meter hoog. De bestaande bebouwing binnen de contour van 100 meter bedraagt in de huidige situatie circa 10 meter. Als gevolg van de beoogde herontwikkeling zal flink wat opgaande beplanting worden verwijderd. De maximale hoogte van beplanting binnen het plangebied zal dan aanzienlijk lager zijn dan in de huidige situatie. Vanuit het plangebied zal daarmee enkel sprake zijn van een verbetering voor wat betreft de windvang. Ook het zicht op de molen zal enkel verbeteren door het verwijderen van hoge opgaande landschapselementen. Dit is tevens nader onderzocht en onderbouwd in het onderzoek naar de molenbiotoop. De onderzoeksrapportage (Windonderzoek Kerkhovense Molen, EAGM, VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
48
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
projectnummer 523007, d.d. 1 mei 2023, herzien 23 mei 2023) is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De bebouwingsmogelijheden komen niet dichter tot de molen en niet hoger dan in de huidige situatie. De beoogde herontwikkeling heeft daarmee geen negatief effect op de waardevolle molen tegenover het plangebied. Niettemin blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ conform vigerend bestemmingsplan behouden, om ook deze regels in de toekomst zeker te stellen.
4.11.3 Conclusie Er zullen geen cultuurhistorische waarden verloren gaan met de herontwikkeling van het plangebied.
4.12 M.e.r-beoordeling 4.12.1 Inleiding De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden.
In dit besluit is de nieuwe procedure voor vormvrije-mer beoordelingen opgenomen. In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling.
4.12.2 Toets 4.12.2.1 Toets aan drempelwaarden Op grond van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage dient een MER te worden opgesteld bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
49
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen dan wel de realisatie van een bedrijfsvloeroppervlakte met een omvang van meer dan 200.000 m². De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied overschrijdt deze drempelwaarden niet. Een milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. 4.12.2.2 Vormvrije m.e.r. beoordeling Omdat de activiteit is aan te merken als activiteit D 11.2 maar omdat de activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. De aanmeldnotitie is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
4.12.3 Conclusie Op grond van deze toelichting is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Gelet op de kenmerken van het plan, de locatie van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten moet worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. De effecten blijven beperkt tot het plangebied. Verwezen wordt naar de aanmeldnotitie welke als bijlage bij deze toelichting is gevoegd.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
50
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
5. JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING 5.1
Inleiding
Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.
5.2
Algemene toelichting verbeelding
De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken en functieaanduidingen opgenomen.
5.3
Algemene toelichting regels
Voor de regels bij dit bestemmingsplan is aangesloten bij de systematiek van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en bij het vigerende bestemmingsplan ‘Woongebieden’ van de gemeente Oisterwijk’. De planregels zijn verdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 geeft de inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsplanregels weergegeven. In dit hoofdstuk worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld. In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen waaronder de antidubbeltelbepaling en algemene afwijkingsregels. In hoofdstuk 4 zijn de overgangsregels en de slotregel opgenomen. Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels Begrippen
In dit artikel zijn de bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemene spraakgebruik onvoldoende vast gedefinieerd zijn en waarbij derhalve verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels voor kan komen. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken en percelen gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De regels in een bestemming zijn conform de SVBP als volgt opgebouwd en benoemd: 1. 2.
Bestemmingsomschrijving Bouwregels
3. 4.
Nadere eisen Afwijken van de bouwregels
5. 6.
Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
51
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
7.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8. 9.
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid
Een bestemmingsregel hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit verschilt per bestemming. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in bedrijfsgebouwen, bedrijfswoningen, bijgebouwen, overige bebouwing en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor een toetsing van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen overzichtelijk is. In de planregels betreft artikel 3 de regels inzake de bestemming ‘Groen’, artikel 4 bevat regels inzake de bestemming ‘Verkeer’. Artikel 5 betreft regels inzake de bestemming ‘Wonen – Woningen’, artikel 6 bevat regels inzake de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ en artikel 7 gaat over de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’. Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel In dit artikel zijn regels opgenomen ten opgenomen ter voorkoming van het dubbeltellen van gronden bij het toestaan van een bouwplan, bij het beoordelen van latere bouwplannen. Artikel 9 Algemene bouwregels In artikel 7 zijn regels gegeven voor het overschrijden van de bouwgrenzen, bestaande maten, en afstanden van woningen tot wegen en spoorwegen. Artikel 10 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene gebruiksregels met betrekking tot gebruik strijdig met de bestemming gegeven. Artikel 11 Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening In dit artikel is geregeld dat bij stedenbouwkundige aspecten paragraaf 2.5 van de Bouwverordening van toepassing kunnen zijn. Artikel 12 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels voor het afwijken van de regels gegeven waarvoor burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning kunnen verlenen. Artikel 13 Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt een algemene wijzigingsregel gegeven ten behoeve van het overschrijden van bestemmingsgrenzen. Artikel 14 Overige regels In artikel 14 is opgenomen dat de wettelijke regelingen waar in de regels naar verwezen wordt, luiden zoals op het moment van vaststelling van onderhavig bestemmingsplan.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
52
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
Hoofdstuk 4 Artikel 15
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
In artikel 15 wordt omschreven hoe wordt omgegaan met het bestaand gebruik en met de bestaande bebouwing ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Artikel 16
Slotregel
In artikel 16 worden de regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’.
VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv
53
Bestemmingsplan ‘Kerkhovenbaan/Pannenschuurlaan’ - Toelichting
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemers van het plan. De gemeente Oisterwijk zal middels een overeenkomst in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt en zes weken ter inzage liggen. Naar aanleiding van eventuele zienswijzen op het bestemmingsplan kan een heroverweging plaatsvinden op deze onderdelen plaats en kan besloten worden onderhavig bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen.
6.3
Overleg ex artikel 3.1.1. Bro
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Waterschap De Dommel en de provincie Noord-Brabant zijn in het kader van het vooroverleg betrokken bij onderhavig bestemmingsplan. Dit overleg heeft niet geleid tot aanpassingen in dit bestemmingsplan.