Bijlage bij RV d.d. 13 april 2021 Transitie Warmte 1.0 Z-18-116626 Oegstgeest
Tekst van het document
De resultaten van het WTM worden gevisualiseerd in interactieve, online GIS-applicaties die betrokken partijen inzicht geven in de materie en concreet handelingsperspectief bieden. Het WTM van Over Morgen wordt door meer dan 100 gemeenten, provincies, woningcorporaties en netbeheerders gebruikt om de gebouwde omgeving te verduurzamen.
2. Modelontwerp, brondata en kengetallen Het WTM maakt zoveel mogelijk gebruik van openbare brondata uit betrouwbare bron. Daarnaast maakt het model gebruik van verschillende kengetallen om warmteopties te berekenen. Brondata en kengetallen komen samen in het model dat volgens logische regels is ontworpen. Dit hoofdstuk gaat dieper in op de brondata, kengetallen, en het modelontwerp.
2. Daarnaast voert het WTM een analyse uit die de gebouwendatabase doorzoekt op de meest kansrijke gebouwen om de slag te voor de ontwikkeling van een warmtenet in een gemeente op basis van een vooraf ingesteld filter. Deze analyse leidt tot de Kansenkaart. Samen met stakeholders kan het filter indien nodig aangepast worden
Kengetallen en uitgangspunten
2.1 Modelontwerp Het WTM is een op GIS gebaseerd model dat geschreven is in Python 3. Het model maakt voornamelijk gebruik van de ArcPy library en maakt daarnaast gebruik van enkele PostGIS-libraries. De basis voor het modelontwerp is een database van gebouwen. Deze database is gebaseerd op de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van het Kadaster14. Deze gebouwendatabase is verrijkt met gegevens uit verschillende bronnen. Ook is informatie toegevoegd op basis van kengetallen. De gebouwendatabase bevat zodoende van ieder gebouw in Nederland informatie over onder andere: Bouwjaar en gebouwtype Buurtkenmerken, zoals dichtheid en eigendomssituatie Gemodelleerd energieverbruik en energieprestatie, gevalideerd met werkelijke verbruiksgegevens Investeringsbandbreedtes voor verschillende bouwkundige en energetische maatregelen Bandbreedtes van de potentiele besparing en de onderhoudskosten De gebouwendatabase wordt regelmatig geactualiseerd op basis van nieuwe databronnen of nieuwe inzichten. Op basis van de gebouwendatabase worden twee typen analyses uitgevoerd: 1. Een analyse, die de laagste maatschappelijke transitiekosten per buurt of wijk berekent voor verschillende warmteopties. Dit doet het WTM op basis van financiële en technische rekenregels. Deze analyse leidt tot de Warmtekaart
14
Meer informatie: https://www.geobasisregistraties.nl/basisregistraties/adressen-en-gebouwen
38
Openbare databronnen
Database van gebouwde omgeving Filter
Kansrijke gebouwen en gebieden om aan de slag te gaan met een warmtenet
Rekenregels
Laagst maatschappelijke transitiekosten per wijk of buurt
Figuur B1: Overzicht van brondata
2.2 Brondata Het WTM maakt vrijwel geheel gebruik van open data uit betrouwbare bronnen. Daarnaast kan het model worden aangevuld met eigendomsgegevens en aanvullende vastgoeddata van bijvoorbeeld woningcorporaties, gemeenten en grootverbruikers. De resultaten kunnen in de kaart gecombineerd worden met kaarten van stakeholders, zoals planningen in de openbare ruimte of investeringsmomenten van vastgoed.
Bronhouder(s) Bron
Wat halen we eruit
CBS
Wijk- en Buurtkaart
Buurtgeometrie
Kadaster
Basisregistratie en Gebouwen
Adressen Pandgeometrie Oppervlaktes Gebouwfuncties Bouwjaar Basisregistratie Topografie Terreingeometrie (voor berekening (TOP10NL) bebouwingsdichtheid) Basisregistratie Kadaster Eigendomsgegevens (eigendomsgegevens) ACM Besluit maximumprijs Prijsinformatie gas en warmte levering warmte 2019 Bestaande warmteleveringsgebieden Essent/ Eneco/ Prijsinformatie elektriciteit Nuon Regionale Open Data Netbeheerders Gasverbruiken op postcodeniveau netbeheerders (kleinverbruiksdata) ter validatie van gemodelleerde energieverbruiken Over Morgen Marktkennis investeringskosten en operationele kosten op basis van kosten kentallen getoetst aan gerealiseerde projecten. Tabel B2: Overzicht van brondata
2.3 Kengetallen De gebouwendatabase wordt verrijkt met kengetallen over investeringskosten en operationele kosten en opbrengsten en een realistische besparingspotentie. Met deze kengetallen wordt de Warmtekaart berekend. Kengetallen worden bij woningbouw toegekend aan gebouwen op basis van een woningtype en -bouwjaar combinatie. Dit wordt een sleuteltype genoemd (tabel 2 en 3). Bij utiliteitbouw gebeurt dit op basis van energielabel en functie. Als er geen energielabel aanwezig is dan wordt dit bepaald op basis van het bijhorende bouwjaar. Daarnaast maken we nog onderscheidt tussen voor- en naoorlogs vastgoed. Bij utiliteitsbouw worden alleen investeringskosten berekend. Het 39
berekenen van de onrendabele top is bij utiliteit niet mogelijk, omdat het huidige verbruik niet bekend is en omdat de kosten, die gebruikers van utiliteit betalen voor energie sterk verschillen. De belangrijkste reden hiervoor is dat de energiebelasting, die betaald moet worden, sterk afhankelijk is van het gebruik. De kengetallen van het WTM zijn gebaseerd op technische en marktkennis van Over Morgen, aangevuld met kengetallen van commercieel beschikbare bouwkostendatabases. Bouwjaarklassen
Gebouwtype
<1920 1920-1950 1950-1975 1975-1990 1990-2005 ≥2005
Rijwoning Twee-onder-een-kapwoning Vrijstaande woning Meergezinswoning Utiliteitsbouw
Tabel B2: Combinaties van bouwjaarklassen en woningtypen vormen sleuteltypen in het WTM bij woningen.
Bouwjaarklassen
Energielabel
Functie
< 1945 1946-1973 1974-1981 1982-1992 1993-1999 2000-2003 2004-2005 > 2005
G G F E D C B A
Kantoren Winkels Gezondheidszorg Onderwijs Logies Sport Bijeenkomst
Tabel B3: Sleuteltypen voor utiliteitsbouw worden bepaald door combinaties van afgemelde energielabels en gebruiksfuncties. Indien labels niet bekend zijn, worden bouwjaarklassen gebruikt om een label te berekenen.
Bijlage C Warmtekaart De Warmtekaart: technisch-financiële analyse van warmteopties per buurt Het WTM berekent per wijk of buurt (CBS-wijk/buurt of postcodebuurt15) wat de totale maatschappelijke kosten zijn van warmteopties voor woningen. De verschillende kosten van de opties worden naast elkaar gelegd en vergeleken. De resultaten van deze analyse worden gevisualiseerd in de Warmtekaart. Aan het WTM ligt een afwegingskader ten grondslag. Dat betekent dat er al afwegingen hebben plaatsgevonden over de geschiktheid van warmteopties voordat deze worden berekend door het WTM. Dit hoofdstuk gaat eerst in op verschillende bouwkundige en installatietechnische aanpassingen op gebouwniveau, die randvoorwaarde zijn voor de warmtetransitie. Daarna worden de warmteopties besproken, en daarna wordt de afweging van warmteopties besproken.
1. Woningaanpassingen 1.1. Woningaanpassingen afhankelijk van het temperatuurniveau Het is in principe altijd nodig om de warmtevraag van gebouwen en woningen te beperken. Enerzijds om woningen geschikt te maken voor duurzamere warmtebronnen die doorgaans een lagere temperatuur leveren dan aardgasverwarming en anderzijds om schaarse warmtebronnen efficiënter te benutten (meer woningen per bron).
15
Een postcodebuurt is een gebied met dezelfde postcode. Indien CBS-buurten te grofmazig zijn worden
postcodebuurten als schaalniveau gekozen.
40
De warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning, hierna uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter gebruiksoppervlak (kWh/m2), wordt bepaald door de mate van isolatie, kierdichting en het ventilatiesysteem. De temperatuur die een woning nodig heeft om op de koudste dag van het jaar comfortabel warm te krijgen hangt hier voor een groot deel mee samen. Hoe beter de isolatie, kierdichting en hoe efficiënter het ventilatiesysteem, hoe geschikter de woning is om met een lagere temperatuur te kunnen verwarmen. In bestaande woningen moeten daarnaast in een aantal gevallen radiatoren worden vervangen, om verwarming op een lagere temperatuur mogelijk te maken. Dit is niet op voorhand op woningniveau met zekerheid vast te stellen. De gemiddelde huidige warmtevraag per jaar voor ruimteverwarming in Nederland is circa 80 kWh/m2 voor woningen. De warmtevraag voor ruimteverwarming is sterk afhankelijk van het bouwjaar. In tabel 4 staat de gemiddelde warmtevraag voor eengezinswoningen en meergezinswoningen. Deze tabel is gebaseerd op data over het werkelijke gasgebruik op postcodeniveau (Open Data Netbeheerders). Voor warmtapwater is de warmtevraag ca. 15-20 kWh/m2. Met name bij de woningvoorraad gebouwd voor 1990 is er nog een grote besparingspotentie. Gemiddeld oppervlak m2
Gemiddeld Gemiddelde gasverbruik warmtevraag ruimtem3 verwarming kWh/m2
Eengezinswoningen < 1920 ≥ 1920 - 1950 ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Nieuwbouw
170 135 125 130 145 155 120
1920 1800 1630 1390 1180 990 -
90 105 95 75 60 45 30
Meergezinswoningen < 1920 ≥ 1920 - 1950
85 80
1240 1180
95 95
≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Nieuwbouw Nederlands gemiddelde
75 70 90 90 70 115
1120 840 790 670 1470
90 70 50 40 25 80
Tabel C1: Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming van woningen in Nederland gerelateerd aan bouwjaar.
Onder eengezinswoningen wordt verstaan rijwoningen, twee-onder-eenkapwoningen en vrijstaande woningen. Meergezinswoningen zijn bijvoorbeeld galerijflats, portiekflats en portiekwoningen. De bestaande woningenvoorraad kunnen we grofweg opdelen in vier niveaus van isolatie: 1. Woningen met slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/m2 of hoger). Er is een hoge temperatuur van ca. 90°C nodig om op de koudste dagen deze woningen comfortabel warm te stoken. 2. Woningen die een minimumisolatieniveau hebben bereikt (65-80 kWh/m2). Bij het minimumniveau kunnen woningen comfortabel verwarmd worden met een maximumtemperatuur van 70°C (midden temperatuur). Het kan wel voorkomen dat er een aantal radiatoren vervangen moet worden voordat deze woningen daadwerkelijk met 70°C kunnen worden verwarmd. 3. Woningen die een basisisolatieniveau hebben bereikt (50-65 kWh/m2). Bij een basisniveau kan de woning zowel comfortabel worden verwarmd met een maximumtemperatuur van 70°C als met 40°C (laagtemperatuur) mits er een aantal beperkte, aanvullende maatregelen is genomen. De woning is daarmee toekomstbestendig en geschikt voor meerdere alternatieve verwarmingstechnieken. Woningen die reeds op dit niveau zitten zijn woningen gebouwd tussen 1990 en 2005. 4. Woningen met een hoog isolatieniveau en voorzien van een energiezuinig ventilatiesysteem (20-50 kWh/m2).
Deze woningen zijn daarmee zeer geschikt om comfortabel te verwarmen met een maximumtemperatuur van 40°C. Dit zijn recent gebouwde woningen na 2005 en woningen die nog 41
gebouwd gaan worden de komende jaren. Bij aanpassing van de bestaande bouw tot dit niveau moeten vaak de radiatoren worden vervangen. Naast isolatie zijn er aanvullende gebouwgebonden maatregelen nodig om de woning te verduurzamen en geschikt te maken voor duurzame verwarming: Elektrisch koken, zoals inductiekoken Kierdichting Voldoende (mechanische) ventilatie Voor warm tapwater geldt dat voor het veilig kunnen gebruiken van warm tapwater er met de huidige stand van de techniek en regelgeving een temperatuur van minimaal 55°C bij het tappunt nodig is. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in praktijk een temperatuur van 60-70°C kunnen leveren. Als de aanvoertemperatuur onvoldoende hoog is, moet er dus een aanvullende voorziening komen in de woning voor het opwekken of het boosten van de warmte voor warm tapwater. Samenvattend kan het volgende gesteld worden over de isolatieniveaus van woningen: Om een woning met 90°C (hoge temperatuur) te kunnen verwarmen zijn geen aanpassingen nodig. Om een woning comfortabel met 70°C (midden temperatuur) te kunnen verwarmen, moet dus het minimum- of basisolatieniveau bereikt zijn (5080 kWh/m2) Om een woning comfortabel met 40°C (laagtemperatuur) te kunnen verwarmen, moet een basis- of hoog isolatieniveau bereikt zijn (20-65 kWh/m2) 1.2.
Minimumisolatieniveau Tabel 5 geeft ter indicatie per bouwjaar de maatregelen die genomen moeten zijn voor een minimumisolatieniveau (65-80 kWh/m2). Bij alle isolatiemaatregelen geldt dat maximaal technisch geïsoleerd moet worden zonder dat onderdelen van de woning geheel vervangen hoeven te worden. De isolatiewaarde die behaald kan worden is dus sterk situatieafhankelijk, omdat alle woningen anders zijn. Op het gebied van isolatie zitten alle woningen gebouwd na 1990 en een deel gebouwd tussen 1975 en 1990 al vanaf het jaar dat ze gebouwd zijn op dit minimumniveau.
Vloer
Gevel
Kozijnen en glasDak
< 1920
Geen spouw
≥ 1920 – 1950 Kruipruimte isoleren indien aanwezig ≥ 1950 - 1975
Minimaal glas
HR++
Dak isoleren
Voldoet
Spouw Isoleren
Minimaal dubbel glas
Voldoet
Voldoet
Geen spouw
Minimaal glas
Spouw isoleren
Minimaal dubbel glas
Voldoet
Voldoet
≥ 2005 Meergezinswoningen < 1920 ≥ 1920 – 1950 ≥ 1950 - 1975
Kruipruimte isoleren indien aanwezig
HR++ Dak isoleren
≥ 1975 – 1990 ≥ 1990 – 2005
Voldoet
Voldoet
≥ 2005 Tabel C2: Indicatie minimumniveau maatregelen per bouwjaar en woningtype.
1.3. Basisisolatieniveau Tabel 6 geeft ter indicatie de maatregelen die genomen moeten zijn voor een basisisolatieniveau (50-65 kWh/m2). Bij alle isolatiemaatregelen geldt dat maximaal technisch geïsoleerd moet worden zonder dat onderdelen van de woning geheel vervangen hoeven te worden. het gebied van isolatie zitten alle woningen gebouwd na 1990 op dit niveau. Vloer
Gevel
Kozijnen en glasDak
Isolatie binnenzijde
Minimaal HR glas
Alle woningtypes < 1920 ≥ 1920 – 1950
42
Kruipruimte isoleren aanwezig
als
Voldoet
Voldoet
Voldoet
Tabel C3: Indicatie basisniveau maatregelen per bouwjaar.
Voldoet Voldoet
≥ 1990 - 2005 ≥ 2005
≥ 1975 – 1990 ≥ 1990 - 2005
Spouw Minimaal HR glas (na)isoleren
≥ 1950 – 1975 ≥ 1975 – 1990
Eengezinswoningen
Dak (na)isoleren
1.4. Hoog isolatieniveau In 2050 zal ook een deel van de voorraad op een hoog isolatieniveau hebben. Het grootste deel daarvan moet nog gebouwd worden de komende 30 jaar. Alle huidige en toekomstige nieuwbouw voldoet namelijk aan dit niveau. Het is de landelijke ambitie om jaarlijks 75.000 nieuwe woningen in Nederland bij te bouwen. Van de bestaande bouw zal maar een beperkt deel op dit niveau worden gebracht is de verwachting. Om dit niveau te kunnen halen moeten er namelijk grote en kostbare ingrepen gedaan worden aan de schil. Dit is voor veel huizenbezitters niet betaalbaar, technisch niet altijd mogelijk en ook niet altijd efficiënt vanuit het oogpunt van circulariteit. In gevallen dat er veel achterstallig onderhoud is en de kozijnen en het dak volledig vervangen moeten worden, kan het wel raadzaam zijn om deze optie te onderzoeken.
2. Welke warmteopties zijn afgewogen? In het model worden twee warmteopties afgewogen, die op basis van de huidige stand van de techniek realistisch zijn voor het aardgasvrij maken van een buurt: Een collectieve warmteoplossing, met een midden temperatuur warmtenet in de wijk Een all-electric oplossing met een warmtepomp per gebouw of woning Het bestaande aardgasnet blijft (voorlopig nog) liggen 2.1 Midden temperatuur warmtenet Een midden temperatuur warmtenet levert warmte van circa 70°C aan woningen en gebouwen. Alle woningen, die worden aangesloten moeten dus het minimumof basisolatieniveau hebben bereikt (50-80 kWh/m2). Het warmtenet kan dus naast warmte voor ruimteverwarming ook direct warmte voor warm tapwater leveren.
De bron en bijhorende opwekinstallatie waarmee dit net wordt gevoed is sterk afhankelijk van de locatie en de schaalgrote van het afzetgebied. Het WTM analyseert niet de beschikbaarheid van bronnen in een buurt, maar veronderstelt dat er altijd voldoende bronnen zijn. De potentiële bronnenmix in een gebied moet dus apart gevalideerd worden. Het verdient hier de opmerking dat een 70˚Cwarmtenet wel degelijk kan starten als een warmtenet dat tijdelijk gevoed wordt door bronnen van 90˚C, bijvoorbeeld door een tijdelijke gasketel in de wijk, met een biomassacentrale of als er hoge temperatuur restwarmte beschikbaar is. Vastgoedeigenaren hebben dan de tijd om hun gebouwen te isoleren en het warmtenet kan dan dus sneller groeien. De kosten voor de infrastructuur van een warmtenet bestaan uit de aanleg van de hoofdleiding naar de wijk, de wijkinfrastructuur en onderstations en het aansluiten van de woning inclusief het plaatsen van een afleverset. Deze kosten kunnen sterk per buurt verschillen en zijn voor een groot deel afhankelijk van het type bebouwing en de dichtheid van de bebouwing. Deze worden deels terugverdiend door een positieve exploitatie van de verkoop van warmte aan de consument, gedurende een lange looptijd. Wat overblijft is de Bijdrage Aansluit Kosten (BAK) die de vastgoedeigenaar betaalt op het moment van aansluiten. In het WTM wordt gerekend met deze aansluitkosten.
Daarbij wordt rekening gehouden met schaal en dichtheid: hoe groter de lokale toepassingsschaal en hoe stedelijker de omgeving, hoe lager de kosten per woning. 2.2 All-electric All-electric betekent dat er alleen een elektriciteitsnet in de buurt is. Als dat het geval is, dan is er een warmteopwekinstallatie in de woning of het gebouw nodig die alleen elektriciteit gebruikt. Dit is dus een individueel systeem waar gebouweigenaren over besluiten. In het model is uitgegaan van een lucht-waterwarmtepomp, omdat dit in praktijk de meest toegepaste oplossing is. Naast de investeringskosten in de warmtepomp zijn ook de kosten meegenomen voor elektriciteitsnetverzwaring. Deze kosten zijn gebaseerd op een aantal praktijkcases, maar zullen per wijk uiteraard sterk kunnen verschillen. 2.3 Bestaande gasnet (voorlopig) laten liggen De derde warmteoptie is die van het bestaande gasnet. Deze warmteoptie is belangrijk omdat er buurten overblijven waar zowel all-electric als een midden temperatuur warmtenet zeer kostbare en daarom onrealistische warmteopties zijn met de huidige stand van de techniek. Het gaat dan met name om landelijke 43
buurten en om oude binnensteden. Aangezien het WTM een model is dat een uitspraak doet over welke warmteoptie logisch is om mee te starten in een wijk vanuit het oogpunt van kosten, is het ook logisch om buurten aan te wijzen waar je voorlopig nog niet start en het gasnet voorlopig nog blijft liggen.
3. Modelleren van het afwegingskader Het afwegingskader is geïmplementeerd in het WTM door middel van rekenregels. Op basis van de kengetallen per sleuteltype is per woning berekend wat de investeringen en besparingen zijn van de warmteopties. Deze investeringen en besparingen worden opgeteld per buurt. Utiliteitsgebouwen doen dus niet mee in deze berekening. Bij warmtenetten wordt rekening gehouden met schaal en dichtheid: hoe groter de toepassingsschaal en hoe hoger de dichtheid, hoe lager de kosten per woning. Op basis van de investeringskosten en de operationele kosten en opbrengsten wordt een onrendabele top berekend over een periode van 30 jaar met een financiering met 1,5% rente. De onrendabele top is het deel van de investering dat niet kan worden terugverdiend met de inkomsten en besparingen van de investering. Vrijwel altijd zullen duurzame warmteopties nog leiden tot een onrendabele top op buurtniveau. Als de financieringsperiode wordt verkort naar bijvoorbeeld 15 jaar dan zal de onrendabele top dus verder stijgen. De omvang van de onrendabele top verschilt doorgaans sterk per buurt.
Bij de berekeningen worden de volgende kengetallen gebruikt: Tarieven 2019 Kosten aardgas per m3 € 0,81 Kosten elektriciteit per kWh € 0,23 Kosten warmte per GJ € 28,47 Vastrecht gas energieleverancier € 57,69 Vastrecht gas en meetkosten netbeheerder € 181,Exploitatieduur 30 Financieringsrente 1,5%
3.2 Allocatie van warmteopties Het optellen van alle kosten en besparingen per woning per buurt leidt tot een som, waarbij de sommen van warmtenet en all-electric worden vergeleken om de optie te vinden met de laagste maatschappelijke kosten.
Maatregelen woningniveau
Maatregelen aardgasvrij Bandbreedte
Bandbreedte
Tabel C4: Geselecteerde financiële kengetallen
3.1 Bandbreedtes in investeringskosten en besparingen Alle investeringskosten en de onrendabele top worden uitgedrukt in een gemiddelde bandbreedte met een onder- en bovengrens. Deze bandbreedte is nodig omdat er een bandbreedte wordt genomen in de te nemen maatregelen op woningniveau en in hoeverre maatregelen (kunnen) worden gecombineerd met natuurlijke momenten. Ook zijn er sterke verschillen in de investeringen in de aansluiting op een warmtenet, vanwege lokale omstandigheden, zoals het type bron en de te realiseren schaal. De bandbreedtes zijn zodanig breed dat zij rekening houden met de volgende aspecten: Technische variaties binnen warmteopties, afhankelijk van warmtebron, opslag, opwekker en infrastructuur Bestaande prijsverschillen op de markt Marktontwikkelingen zoals schaarste en inzetbaarheid van personeel, materiaal, etc. Het al dan niet benutten van natuurlijke momenten voor investeringen (woningrenovatie, aanpakken van de riolering, etc.) Reeds getroffen maatregelen in de woning Afwijking van de kengetallen als gevolg van sterk afwijkende woningen De omvang van de bandbreedte verschilt per maatregeltype, warmteoptie, woningtype en bouwjaarklasse, afhankelijk van de karakteristieken van die specifieke combinatie.
44
Ondergrens
Bovengrens Ondergrens
Bovengrens
Totale investering warmtetransitie Bandbreedte
Ondergrens
Bovengrens
Figuur C1: Schematische weergave van kostenbandbreedtes voor de warmtetransitie
Buurten waar een warmtenet lagere kosten heeft dan de all-electric variant, maar waarbij niet wordt voldaan aan een van de twee onderstaande voorwaarden, komen uit op de warmteoptie “Voorlopig nog gasnet”: Indien de bebouwingsdichtheid lager is dan 30 woningequivalenten per hectare, waarbij een woningequivalent gelijkstaat aan één woning en 100 m2 utiliteitsbouw Indien het gemiddelde bouwjaar ouder is dan 1920
3.3 De visualisatie van de Warmtekaart De resultaten van de kostentechnische analyse worden gevisualiseerd in de Warmtekaart. De Warmtekaart toont de voorkeursoptie op basis van de laagste maatschappelijke kosten, en toont ook de orde grootte van het verschil met het alternatief. Wanneer de kosten zeer dichtbij elkaar liggen, wordt dit ook weergegeven. Wanneer de gebruiker op een buurt klikt, zijn alle kosten en besparingen in detail te zien (met in achtneming van de bandbreedtes).
Figuur C2: Laagste maatschappelijke kosten per warmteoptie per buurt
45
Bijlage D Kansenkaart De Kansenkaart: inzicht handelingsperspectief
Warmtenet
in
concreet
Waar de Warmtekaart gericht is op het schetsen van een mogelijk eindbeeld per buurt op basis van de huidige stand van kennis en techniek, is er ook behoefte aan concreet handelingsperspectief voor de korte termijn. De Kansenkaart geeft daaraan invulling. De Kansenkaart heeft een nauwkeuriger schaalniveau dan de Warmtekaart. De Kansenkaart visualiseert kansrijke gebouwen en kijkt naar de clustering van deze gebouwen om te komen tot concrete kansgebieden voor de realisatie warmtenetten. Voor de realisatie van warmtenetten is namelijk voldoende schaal nodig. Voor all-electric is dit veel minder relevant, omdat dit een individuele warmteoptie is. Het model maakt eerst een selectie van kansrijke gebouwen met behulp van een filter, en vervolgens een clusteranalyse om te komen tot kansgebieden, die ook wel potentie-eilanden heten.
1. Selectie van kansrijke gebouwen Kansrijke gebouwen voor een warmtenet zijn de dragers van een nieuw te ontwikkelen of uit te breiden warmtenet. Het zijn gebouwen met een grote warmtevraag die relatief eenvoudig aan te sluiten zijn, bij voorkeur in collectief eigendom (corporatiebezit). De analyse kijkt bijvoorbeeld naar de aanwezigheid van blokverwarming en de bouwperiode als criteria.
46
Pandtype
Meergezinswoningen en Utiliteitsbouw
Bouwjaar
≥ 1950-2000 (meergezinswoningen) Geen bouwjaarcriterium (utiliteitsbouw)
Eigendom
Corporatie- of particulier bezit
Blokverwarming
Met of zonder (bij meergezinswoningen)
Grootte
≥ 5 woningen (meergezinswoningen) ≥ 1.000 m2 GBO (utiliteitsbouw)
Tabel D1: Criteria voor de selectie van kansrijke gebouwen per categorie. Deze criteria zijn niet gefixeerd: zij kunnen aangepast worden in afstemming met betrokken partijen.
2. Clustering tot potentie-eilanden Wanneer kansrijke gebouwen zijn geselecteerd op grond van de selectiecriteria kunnen in deze selectie ruimtelijke clusters worden gevonden. Deze clusters, ofwel potentie-eilanden, zijn om verschillende redenen relevant: Een potentie-eiland van kansrijke gebouwen is voor stakeholders herkenbaar als project- of kansgebied
Een potentie-eiland van kansrijke gebouwen kan buurtoverstijgend zijn: zo wordt het grensoverschrijdende karakter van de warmtetransitie zichtbaar en worden de “harde” grenzen van de Warmtekaart genuanceerd
De transitiekosten en onrendabele top kunnen ook per warmte-eiland worden gerapporteerd, zodoende wordt gelijk een indicatie gegeven van de kosten van een bepaald projectgebied. De clustering van kansrijke gebouwen tot potentie-eilanden wordt berekend volgens het DBSCAN algoritme. Voor de vorming van een potentie-eiland worden criteria gebruikt voor afstand en minimale omvang.
47