CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij RV d.d. 13 april 2021 Transitie Warmte 1.0 Z-18-116626 Oegstgeest

Besluitvormende raadsbijeenkomst 7 juni 2021, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Vaststellen Lokale Warmtevisie - Transitievisie warmte 1.022.085 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De lage 2 procent rente krijg je bij geen enkele bank maar dus we bij de overheid. Het geld gaat naar een speciale rekening waar de aannemer geld uit mag putten. Wie door de huidige leennormen moeilijk of geen financiering kan krijgen, kan hier terecht.  Hypothecaire leningen: deze zijn rendabel vanaf €15.000,- vanwege de bijbehorende administratie- en advieskosten.  Naar verwachting komt er in 2021 vanuit het Nationaal Warmtefonds een Energiebespaarhypotheek beschikbaar waarbij bewoners met weinig tot geen leenruimte het mogelijk wordt gemaakt om verduurzamingsmaatregelen te financieren zolang deze worden uitgevoerd in het kader van een gemeentelijke wijkaanpak. De financiële positie van de aanvragende bewoner bepaalt met welk maandbedrag de hypotheek maandelijks moet worden terugbetaald. Mocht er nog een restschuld zijn bij verkoop van de woning of aan het einde van de looptijd van de hypotheek dan wordt deze kwijtgescholden.11

11

Kamerbrief over Nationaal Isolatieprogramma en Warmtefonds van 01-03-2021

21

Overig  Collectieve inkoop acties (o.a. via het Regionaal Energieloket) zorgen voor lagere kosten per maatregel, zoals isolatie en zonnepanelen.  Gebouwgebonden financiering (GGF) is nu nog niet mogelijk, maar de mogelijkheden om het Burgerlijk Wetboek aan te passen en leningen overdraagbaar te maken, worden op nationaal niveau onderzocht. De intentie bestaat om de aanpassing in 2022 gereed te hebben.12 GGF is een methode om leningen te verstrekken voor maatregelen waarmee warmte kan worden bespaard. De besparing op energiegebruik, zal ook een financiële besparing opleveren waarmee de lening na een periode afgelost kan worden. De lening wordt aan het gebouw gekoppeld, niet aan de bewoners, en kan daarom voor een langere periode worden aangegaan en doorgegeven worden aan nieuwe bewoners. Analyses tonen aan dat dit voor enkele isolatiemaatregelen interessant kan zijn, maar dat het volledig transitiegereed maken van een woning (uitgaande van 70°C) niet met GGF mogelijk zal zijn. Naast GGF zullen dus ook andere middelen nodig. Zo wordt oa. ook gekeken naar mogelijkheden rond vrijwillige erfpacht. Deze hulpmiddelen zijn belangrijk om in te zetten, maar duidelijk wordt ook dat ze nog niet toereikend zijn om bewoners financieel volledig te ondersteunen in het aardgasvrij maken van de woning. De vraag is echter of dat ook zal gaan gebeuren.

Duurzame, toekomstbestendige en comfortabel verwarmde woningen worden steeds hoger gewaardeerd, dus er zijn naast besparing op de energierekening meer financiële voordelen aanwezig.

12

Klimaatakkoord.

Houd het volgende in gedachten Een wijk of gebied is niet van de ene op de andere dag aardgasvrij Met de transitievisie warmte wordt een tijdsaanduiding geschetst voor de eerste wijken waarin we starten met de warmtetransitie. Let wel, het jaar dat is aangeduid om te starten is het jaar dat we met de voorbereidingen gaan beginnen om toe te werken naar wonen zonder aardgas. Dit betekent niet dat in dat jaar de overstap naar aardgasvrij al gemaakt wordt. Starten betekent in dit geval samen met de belangrijke stakeholders in de wijk te beginnen met het opstellen van een concreet plan van aanpak voor de wijk. Daarbij worden ook bewoners in de wijk betrokken. In het plan van aanpak worden keuzes gemaakt over de techniek, de organisatie, de financiering, de koppeling met andere opgaven in de wijk en de communicatie- en participatieaanpak. Het totale proces naar een aardgasvrije wijk kan vijf á tien jaar en soms zelfs langer duren, afhankelijk van de complexiteit en de daaraan gekoppelde benodigde acties en investeringen en de grootte van het gebied. Hoe meer er geïsoleerd moet worden voordat een aardgasvrije technologie kan worden toegepast, hoe langer het over het algemeen zal duren voordat de wijk aardgasvrij is.

De complexiteit kan ook toenemen als er in een wijk veel verschillende vastgoedeigenaren aanwezig zijn, die allemaal op een voor hen natuurlijk moment in hun woning willen investeren. Daarnaast kan de overstap versneld worden als de Rijksoverheid ruimte creëert op het gebied van financiering en juridische mogelijkheden. Grenzen liggen niet vast We kiezen in de warmtetransitie voor een gebiedsgerichte aanpak, dus wijken, combinaties van wijken of juist delen van wijken staan centraal. Dit betekent natuurlijk niet dat de aanpak ophoudt bij de grens van een wijk, of dat een bewonersinitiatief altijd maar in één wijk mag plaatsvinden. De wijkgrenzen mogen daarom ook niet beperkend zijn. Ze kunnen wel helpen om richting te geven en kunnen gebruikt worden om de communicatie op te starten. Diversiteit binnen wijken is mogelijk Het feit dat een wijk is aangeduid als kansrijk voor een warmtenet, betekent niet dat elk gebouw in de wijk op een warmtenet aangesloten wordt. Wijken zijn niet altijd homogeen en het kan dus zijn dat in delen van een wijk andere oplossingen kostenefficiënter zijn. Er zal binnen de wijkuitvoeringsplannen nader worden onderzocht welke warmtealternatieven er voor die wijk zijn en of dat ook voor de hele wijk geldt. Zo zijn nieuwere woningen beter geïsoleerd en kunnen met een lagere temperatuur verwarmd worden dan oudere woningen.

We kijken per fase of particulieren en andere eigenaren mee kunnen en willen doen. Het is daarbij van belang dat er voldoende schaalgrootte is om te kunnen starten in een wijk. De minimale schaalgrootte die nodig is, is afhankelijk van de gekozen warmteoplossing. De route naar aardgasvrij is niet in beton gegoten De fasering die in deze kaart is aangegeven is een visie. Deze ligt dus niet vast. Wat zeker is, is dat we de komende jaren eerst beginnen in de wijken die als groen zijn gemarkeerd. De warmtetransitie is een proces van ervaring opdoen en leren in de eerste wijken. Initiatief nemen en rekening houden met flexibiliteit in de uitvoering en fasering zijn daarbij belangrijk. Ook vinden we het belangrijk om initiatieven in de gemeente, die passen binnen de uitgangspunten van deze transitievisie te stimuleren. Het kan dus ook zo zijn dat er in wijken die nu nog niet zijn aangegeven om voor 2025 te starten, toch al stappen worden gezet richting aardgasvrij. Er is keuzevrijheid, maar wel onder voorwaarden Voor particuliere woningeigenaren geldt dat zij in principe zelf mogen kiezen welke warmteoplossing ze willen toepassen. De praktijk zal echter ook uitwijzen dat er niet altijd keuze is. Zo is duurzaam gas maar beperkt beschikbaar, zal er niet in alle wijken een warmtenet mogelijk zijn en zal all-electric soms vragen om een netverzwaring die niet is voorzien.

Daarnaast is het ook goed om er rekening mee te houden dat het maatschappelijk niet kosteneffectief is om een dubbele energie-infrastructuur aan te leggen. We zullen daarom in een wijk waar een collectieve warmteoplossing is gepland, particulieren niet aanmoedigen om te kiezen voor een individuele warmtepomp. De wijkprioritering en de bijbehorende warmteoplossingen die we beschrijven, geven de voorkeursrichting aan waar we ons gezamenlijk voor in willen zetten om zo de warmtetransitie voor iedereen betaalbaar en uitvoerbaar te kunnen houden. Daarnaast is het ook goed om er rekening mee te houden dat het maatschappelijk niet kosteneffectief is om een warmtenet aan te leggen, waar maar een beperkt deel van de woningen, verspreid over de wijk, op aansluit. Niet ingekleurd betekent niet niks doen De noodzaak van het verbeteren van woningen door te isoleren, geldt voor alle woningen in alle wijken. De wijken die nu zijn aangemerkt als startwijken zijn daarom niet de enige wijken waar iets staat te gebeuren voor 2030. Individuele gebouweigenaren kunnen er altijd voor kiezen om zelf toe te werken naar de overstap om de woning aardgasvrij te maken. 22

5. Tussentijdse oplossingen en doelen In de delen van Oegstgeest die nog niet worden benoemd als kansrijke wijken om in te starten voor 2030, hoeft echter niet stilgezeten te worden. Minder energieverbruik binnen de gehele gemeente is essentieel om de warmtetransitie een stap verder te brengen. Immers, wat je niet nodig hebt, hoef je ook niet op te wekken. Dat iedere huizenbezitter start met het nemen van een aantal warmte besparende maatregelen is noodzakelijk. Alle natuurlijke momenten van onderhoud, verbouwing en verhuizing moeten worden benut, zodat de kosten zo laag mogelijk blijven. Alleen dan kunnen zoveel als mogelijk woningen in 10 tot 20 jaar op het niveau komen dat deze efficiënt, comfortabel en duurzaam verwarmd kunnen worden. Gezien de grote diversiteit van de bebouwing en bijbehorende eigenaren (grotendeels particulier bezit) in onze gemeente is energiebesparing een thema waar veel winst te boeken is. Om het vastgoed voor te bereiden op een aardgasvrije toekomst en tussentijds al CO2 te gaan besparen is het altijd aan te bevelen om te kijken naar isolatiemaatregelen, duurzame opwek met zonnepanelen op daken en mogelijk een hybride warmtepomp als de CV-ketel aan vervanging toe is. Daarmee wordt de woning bovendien toekomstbestendiger. Daarom zet de gemeente de komende tijd in op energiebesparende inkoopacties en zonnepanelen.

De woning kan op een later moment overgaan op het verwarmen met een duurzame bron. De woning kan uiteraard ook direct geschikt worden gemaakt voor het verwarmen op een lagere temperatuur, maar dit vergt hogere investeringen in een basis of hoog niveau van isoleren.

5.1 Inzet op vraagbeperking, verlagen temperatuurbehoefte en CO2 besparing Om over te stappen op andere verwarmingssystemen en maximaal gebruik te kunnen maken van duurzame bronnen die vaak een lagere temperatuur leveren dan de CV-ketel, is het nodig dat we onze huizen daar gereed voor maken. Daarom is het belangrijk dat woningen en gebouwen goed geïsoleerd worden en zullen in sommige gevallen ook de bestaande radiatoren of de gehele bestaande verwarmingsinstallatie vervangen moeten worden. Isolatie helpt bovendien om de warmtevraag te beperken, wat helpt om de opgave te verminderen. Ook hebben 23

goed geïsoleerde woningen een hoger niveau van comfort. Isoleren tot op een bepaald niveau kan daarom als een 'no regret' of ‘spijtvrije’ maatregel worden gezien. Het is no regret omdat, onafhankelijk van de toekomstige energieinfrastructuur in de wijk, de woning wordt voorbereid op een aardgasvrije toekomst. Dit noemen we ook wel ‘transitiegereed’. Belangrijk is wel om na te gaan welke voorlopige warmteoplossing er voor bepaalde wijken staat ingetekend. Mocht de wijk staan ingetekend voor een warmtenet waardoor hoge temperatuur warmte wordt aangevoerd, dan is er minder uitvoerige isolatie nodig en kan te veel isoleren leiden tot een onnodige investering die pas over lange tijd wordt terugverdient. Andere opties om de woning transitiegereed te maken zijn bijvoorbeeld duurzame opwek van energie door zonnepanelen op daken te plaatsen. Door zelf een deel van de benodigde energie op te wekken blijft weer meer energie over daar waar dat niet kan. Daarnaast zorgt dat ervoor dat er minder windmolens en zonnevelden hoeven worden gebouwd in de omgeving waar weinig vrije ruimte beschikbaar is. Een volgend aspect van het transitiegereed maken van de woning is het vervangen van de CV-ketel voor een hybride warmtepomp.

Deze warmtepomp maakt gebruik van een minimaal gedeelte gas om met name piekvraag op te vangen en levert daarom tussentijds al CO2 besparing op, zeker als het gaat om huizen waarbij het gasverbruik nog steeds hoog is. Een hybride warmtepomp gaat ongeveer 15 jaar mee en is daarmee een rendabele tussenoplossing als er in die wijk gedurende die tijd nog niet wordt gekeken naar een alternatief voor aardgas.

woning is dus 70°C ready. Bijna alle woningen gebouwd na 1990 voldoen aan dit niveau. Transitiegereed en 70°C ready We noemen een woning ‘transitiegereed’ als deze klaar is voor de warmtetransitie en geen grote maatregelen meer nodig heeft tot 2050. In die woningen zijn isolatiemaatregelen toegepast die nodig zijn voor het aardgasvrij maken van de woning. Deze maatregelen staan los van de uiteindelijke energie-infrastructuur die in de wijk aangelegd gaat worden. Het niveau transitiegereed kan stapsgewijs worden bereikt. Bijvoorbeeld door op natuurlijke momenten als een verbouwing of verhuizing het minimumisolatieniveau (65-80 kWh/m2) aan te brengen. Op dit niveau kan de woningen in veel gevallen verwarmd worden met midden temperatuur warmte en is daarmee dus ‘70°C ready’. In een vervolgstap (of direct) kan de woning transitiegereed worden gemaakt. De woning kan dan ook met temperaturen tussen de 40 en 70°C comfortabel worden verwarmd. (50-65 kWh/m2). Om de kosten van het transitiegereed maken te beperken, kan aanbevolen worden om deze te combineren met natuurlijke momenten van onderhoud, zoals een verbouwing of verhuizing. Bijlage B geeft een toelichting van verschillende isolatieniveaus en bijbehorende maatregelen. De vuistregel daarbij is: hoe lager de temperatuur van de warmte waarmee je een huis kunt verwarmen, hoe meer je de woning moet isoleren.

De bestaande woningenvoorraad in Oegstgeest kunnen we grofweg opdelen in vier niveaus van isolatie: 1 Woningen met slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/m2 of hoger). Er is een hoge temperatuur van circa 90°C nodig om ook op de koudste dagen deze woningen comfortabel warm te stoken. De meeste woningen gebouwd vóór 1990 zitten op dit niveau. 2 Woningen met een minimumisolatieniveau (65-80 kWh/m2). Bij het minimumniveau kunnen woningen comfortabel verwarmd worden met een maximumtemperatuur van 70°C (midden temperatuur). Het kan wel voorkomen dat er een aantal radiatoren vervangen moet worden voordat deze woningen daadwerkelijk met 70°C kunnen worden verwarmd. De 24

3 Woningen met een basisisolatieniveau (50-65 kWh/m2). Bij een basisniveau kan de woning zowel comfortabel worden verwarmd met een maximumtemperatuur van 70°C als met 40°C (laagtemperatuur). Voor laagtemperatuur zullen wel alle radiatoren vervangen moeten worden. De woning is daarmee toekomstbestendig omdat hij geschikt is voor meerdere alternatieve verwarmingstechnieken. De woning is dus transitiegereed. 4 Woningen met een hoog isolatieniveau en voorzien van een energiezuinig ventilatiesysteem (20-50 kWh/m2). Deze woningen zijn daarmee zeer geschikt om comfortabel te verwarmen met een maximumtemperatuur van 40°C. Dit zijn recent gebouwde woningen en woningen die nog gebouwd gaan worden in de komende jaren. Bij aanpassing van de bestaande bouw tot dit niveau moeten vaak de radiatoren worden vervangen. Warmtevraag uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter woonoppervlak (kWh/m2) Het kilowattuur (kWh) is een hoeveelheid energie. De meeste mensen associëren kWh met elektriciteit. Als je een lamp met een vermogen van 1 kW één uur laat werken heeft die lamp 1 kWh stroom gebruikt. In Europa is de afspraak gemaakt om zoveel als mogelijk alle vormen van energie uit te drukken in kWh. Zo kunnen verschillende soorten energie beter met elkaar vergeleken worden. Zo ook de warmtevraag.

Door deze uit te drukken in kWh per vierkante meter woonoppervlak (kWh/m2) kan de warmtevraag van verschillende woningtypes en woninggroottes goed met elkaar vergeleken worden. Het maakt daarbij niet uit of deze verwarmd worden met gas, met een warmtenet, of met een warmtepomp. De gemiddelde warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning in Nederland is circa 80 kWh/m2. Bij niet geïsoleerde woningen kan de gemiddelde warmtevraag oplopen tot boven de 130 kWh/m2. Bij zeer goed geïsoleerde nieuwbouw kan het gemiddelde naar onder de 30 kWh/m2.

Warm tapwater Naast warmte voor ruimteverwarming is er in een woning ook warm tapwater nodig. Warm tapwater heeft een energievraag tussen de 15 en 20 kWh/m2. Om warm tapwater veilig te kunnen gebruiken geldt dat er met de huidige stand der techniek en regelgeving een temperatuur van minimaal 55°C bij het tappunt nodig is. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in praktijk een temperatuur van 60-70°C kunnen leveren. Als de aanvoertemperatuur onvoldoende hoog is, moet er dus een aanvullende voorziening komen in de woning voor het opwekken of het boosten van de warmte voor warm tapwater. Hoe zit het met koeling? Klimaatverandering betekent dat het ook in Nederland warmer zal worden. Bovendien gaan we volop isoleren en is de nieuwbouw al heel goed geïsoleerd. Dat betekent dat ook de warmte beter wordt vastgehouden. Kortom, de vraag om koeling zal ook blijven stijgen. Er zijn diverse opties om te koelen. Een individuele warmtepomp biedt standaard de mogelijkheid om te koelen door koudere vloeistof door de leidingen te laten lopen (passief koelen) of warmte aan de woning te onttrekken (actief koelen). Ook bij collectieve oplossingen met een lagere temperatuurbron zoals oppervlaktewater is het mogelijk om te koelen. Ten slotte kun je er uiteraard voor kiezen om een aparte airconditioning in de woning te installeren.

Belangrijke kanttekening hierbij is dat daar extra elektriciteit voor nodig is die ook weer duurzaam opgewekt zal moeten worden.

5.2 Richting transitiegereed Wanneer een woning transitiegereed wordt gemaakt, worden meerdere maatregelen uitgevoerd. De bundeling van verschillende maatregelen (afhankelijk van bijvoorbeeld woningtype en bouwjaar), noemen we een maatregelpakket. De kosten van de maatregelpakketten zijn gebaseerd op de benodigde aanpassingen om een kwaliteitsniveau te halen dat nodig is om te kunnen verwarmen met een temperatuur die hoort bij een (midden temperatuur) warmtenet op 70°C en voor all-electric oplossingen. De temperatuur van 70°C is belangrijk omdat collectieve (warmtenet)technieken zoals een grote (wijk)warmtepomp, omgevingswarmte (denk aan bodemenergie of energie uit oppervlakte water), maximaal tot deze temperatuur kosteneffectief kunnen opwaarderen. Daarnaast blijkt dat de meeste woningen die nog radiatoren hebben voor hoge temperatuur en voorzien zijn van minimaal isolerende maatregelen, ook met 70°C verwarmd kunnen worden. Individuele warmtepompen zijn nog niet in staat om kosteneffectief een temperatuur van 70°C te behalen. Om de woning met een lagere temperatuur comfortabel te kunnen verwarmen zal daarom een hoger isolatieniveau en mogelijke aanpassing van radiatoren, nodig zijn. Als de woning al voldoet aan een bepaald kwaliteitsniveau worden deze kosten niet meegenomen.

Een wijk waar het gemiddeld isolatieniveau al hoog is, betekent kansen voor een snelle overgang naar aardgasvrij, omdat de kosten om de woning van het aardgas af te halen meevallen in vergelijking tot een woning die minder goed geïsoleerd is. Dus hoe recenter het bouwjaar, hoe lager de investeringskosten. Omdat het niet hard gesteld kan worden welke maatregelen er per woning genomen moeten worden, zijn er twee niveaus aangehouden per warmteoplossing. Per variant worden daarom de te nemen maatregelen, investeringen en besparingen als een bandbreedte gepresenteerd waarbinnen de meeste woningen zullen vallen.

Onderstaande tabel geeft een voorbeeld van de maatregelenpakketten horende bij een eengezinswoning uit 1950-1975, het meest voorkomende woningtype in Nederland:

25

Maatregelen Eengezinswoning 1950-1975 Kozijnen Beglazing Gevelpanelen Gevel Dak Vloer Ventilatie

Radiatoren Koken

Isolatie minimaal + warmtenet 70 °C Geen aanpassingen Dubbelglas / HR++ Geen aanpassingen

Isolatie basis + warmtenet 70 °C Geen aanpassingen HR++

Isolatie basis + all-electric (50 °C) Geen aanpassingen HR++

Isolatie hoog + all-electric (50 °C) Nieuw

Isolatie binnenzijde

Isolatie binnenzijde

Spouwisolatie

Spouwisolatie

Spouwisolatie

Nieuwe geïsoleerde panelen Spouwisolatie

Geen aanpassingen Vloer / bodemisolatie Geen aanpassingen Radiatoren deels vervangen Ombouw naar E-koken

HR++/ HR+++

Dak geïsoleerd

Dak geïsoleerd

Dak geïsoleerd

Vloer / bodemisolatie Mechanisch afzuiging met roosters in de gevel Geen aanpassingen Ombouw naar E-koken

Vloer / bodemisolatie Mechanisch afzuiging met roosters in de gevel Vervangen naar LT Ombouw naar E-koken

Vloer / bodemisolatie Mechanisch afzuiging met roosters in de gevel Vervangen naar LT Ombouw naar E-koken

Om het effect van isolatie en andere gebouwgebonden maatregelen te duiden, zijn de varianten berekend voor het transitiegereed maken van het meest voorkomende woningtype in Oegstgeest: de eengezinswoning uit 1950-1975. De tabel op de volgende pagina geeft de kosten en NCW13 weer voor het voorbereiden van de woning op een aardgasvrije verwarmingstechniek (isolatie, ventilatie en elektrisch koken) waarbij de CV-ketel behouden blijft. Hieruit blijkt dat:  de maatregelen in de minimale en basis variant lagere maandlasten opleveren, maar zich niet laten ‘terugverdienen’ binnen de voor deze berekening aangehouden doorlooptijd van 30 jaar  een basis of hoog isolatieniveau voorwaardelijk is voor een warmtepomp

13

De Netto Contante Waarde (NCW) ontstaat door de contante kosten (huidige waarde van toekomstige

kosten) af te trekken van de contante opbrengsten (huidige waarde van toekomstige opbrengsten).

26

 de maandelijkse kosten voor woningen die een hoog isolatieniveau vereisen voor de toepassing van bijvoorbeeld een warmtepomp hoger kunnen zijn dan men nu gewend is  de onrendabele kosten van de maatregelpakketten ‘minimaal’ en ‘basis’ mogelijk kunnen worden gedekt doordat de woning stijgt in waarde tov. woningen met een lager isolatieniveau en/of de afhankelijkheid van aardgas Eengezinswoning 19501975

Minimaal niveau 70 kWh/m2 € 11.000

Basisniveau 50 kWh/m2

Hoog niveau 40 kWh/m2

Totale investeringen

Huidig niveau 98 kWh/m2 n.v.t.

€ 22.000

€ 38.500

NCW corporatie

n.v.t.

€ 11.000

€ 22.000

€ 38.500

Jaarlijkse kosten jaar 1; corporatie Jaarlijkse kosten jaar 1; huurder NCW woningeigenaar

€ 200

€ 200

€ 200

€ 200

€ 2.136

€ 1.823

€ 1.604

€ 1.495

n.v.t.

€ 2.303

€ 7.476

€ 21.063

€ 2.951

€ 2.481

€ 2.721

€ 3.298

Jaarlijkse kosten jaar 1; woningeigenaar

Voor de woningen waar voor een individuele warmtepomp wordt gekozen, geldt geen algemeen advies. Hier dient per woning bekeken te worden in welke combinatie een aardgasvrije verwarming mogelijk kan worden. Denk daarbij aan:  comfortverhoging door het isoleren te combineren met het uitbreiden van de woning  de mogelijkheid te benutten van het koelen van de woning  het plaatsen van zonnepanelen om het pakket aan maatregelen terug te verdienen  het combineren van het uitvoeringsmoment met geplande natuurlijke vervangingsmomenten

6. Participatie en vraagstukken op weg naar het uitvoeringsprogramma In deze transitievisie warmte zijn de eerste stappen gezet om de kaders en de mogelijkheden van de warmtetransitie in Oegstgeest te schetsen. In het vorige hoofdstuk zijn een aantal kansrijke wijken benoemd waar gestart kan worden met de warmtetransitie in Oegstgeest. In dit hoofdstuk gaan we verder in op de eerste stappen richting de uitvoering, en de zaken waar we als gemeente rekening moeten houden om de komende jaren samen met onze partners verder te kunnen werken aan de overstap naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. Het duurzaam verwarmen van Oegstgeest gaat alleen lukken als we daar gezamenlijk aan blijven bouwen. Om de stap te maken naar de uitvoering hebben we iedereen in de gemeente Oegstgeest nodig. De warmtetransitie is een complex proces dat vraagt een solide samenwerking. Voor de verschillende wijken zullen we wijkuitvoeringsplannen opstellen samen met de organisaties, partijen en bewoners die actief zijn in de wijk. In de wijkuitvoeringsplannen maken we concrete afspraken op wijkniveau over de belangrijkste onderwerpen in de warmtetransitie om de overstap naar aardgasvrij te kunnen maken. Dit doen we bijvoorbeeld door het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie om de kansen voor het aardgasvrij maken van woningen en ander vastgoed in die wijk verder te verkennen.

Er zijn ook veel dingen die we nog niet weten en waar we de komende periode veel over bij willen leren. Daarom beginnen we met de stappen waarvan we nu al zien dat ze in ieder geval nodig zullen zijn, bijvoorbeeld goede voorlichting over wat bewoners zelf kunnen doen. Samen met de leden van de projectgroep hebben we de allereerste stappen die we de komende periode verder zullen moeten uitwerken, besproken. We hebben hierbij gesproken over het formuleren van de (tussentijdse) doelen en acties die nodig zijn om te starten in de eerste wijken: 1. Samenwerken in de warmtetransitie 2. Programmatisch werken 3. Benodigde capaciteit

27

6.1 Samenwerken in de warmtetransitie De warmtetransitie is ingewikkeld en wordt niet van de ene op de andere dag uitgevoerd. In de voorgaande hoofdstukken hebben we gezien dat het om veranderingen aan gebouwen en infrastructuur gaat, dat er energiebronnen nodig zijn, en dat er grote investeringen bij komen kijken. Deze transitie vraagt ook om nieuwe vormen van samenwerken met gebouweigenaren, met bewoners en met het bedrijfsleven. En om veranderingen binnen de gemeentelijke organisatie. Samenwerken in de warmtetransitie betekent meer dan het naast elkaar uitvoeren van de projecten van de individuele stakeholders. Om de warmtetransitie in goede banen te leiden en tegelijkertijd aan te sluiten bij andere thema’s in de gemeente en de wijken, zoals klimaatbestendigheid, het verbeteren van de openbare ruimte, het verhogen van de leefbaarheid en het versterken van de sociale cohesie dient er enerzijds gebiedsgerichte coördinatie te zijn op de (samenhang tussen) de specifieke projecten en opgaven. Anderzijds liggen er stevige uitdagingen op het vlak van samenwerking, strategie, communicatie & participatie en financiering.

De gemeente is regisseur van de warmtetransitie en zal als vervolg op deze TVW, samen met de belangrijkste partners in de gemeente en in de regio, een meerjarige programmastructuur moeten inrichten met bijbehorende uitvoeringsorganisatie, om de ambities in de visie te kunnen realiseren. Om daadkrachtig aan de eerste projecten in de wijken te kunnen beginnen en hier leerervaringen uit te trekken voor het vervolgproces is een programma-aanpak met programmasturing nodig.

6.1.1 Participatie bewoners Naast het betrekken van partners en stakeholders hebben we ook de bewoners van Oegstgeest betrokken bij de totstandkoming van deze transitievisie warmte. Zoals in de inleiding en verderop in deze visie genoemd is dit document een leidraad aan de hand waarvan we verder werken aan wijkuitvoeringsplannen. In deze wijkuitvoeringsplannen gaan we dieper in gesprek met de desbetreffende bewoners, publiekgroepen en belanghebbenden. Zodoende hebben we de participatie voor deze visie deels gericht op die tweede stap en langs de sporen informeren en raadplegen ingezet. Als onderdeel van het spoor informeren hebben we gezorgd voor voldoende informatievoorzieningen in de vorm van een webpagina met infographic over de transitievisie warmte. Daarnaast hebben we

voor bewoners en ondernemers aparte webinars verzorgd om hen mee te nemen in de transitievisie zelf en hoe deze visie staat ten opzichte van regionale documenten zoals de RES. Voor de raad hebben we een masterclass georganiseerd waarin zij onder andere zijn meegenomen in de Warmte Transitie Atlas, waarin geanalyseerde data een beeld geeft van de verschillende warmteoplossingen. In het spoor raadplegen hebben we een enquête uitgezet binnen heel Oegstgeest. Hierin werd onder andere gepeild in hoeverre bewoners op de hoogte zijn van de concept transitievisie warmte en de grotere energietransitie. We hebben in deze enquête een voorschot genomen op de komende wijkuitvoeringsplannen, daarom hebben we vragen gesteld met betrekking tot bereidheid om mee te gaan in de transitie en op welke termijn die zou moeten plaatsvinden. Ook hebben we gevraagd hoe bewoners betrokken zouden willen worden en wat voor hen de beste informatiekanalen zijn. De enquête is ingevuld door 154 bewoners verdeeld over alle wijken in Oegstgeest. De respondenten bestaan voornamelijk uit de groep 51- 70 jaar (43,5%) en 31-50 jaar (28,6%). Een ruime meerderheid van de respondenten (88%) beschikt over een koopwoning. We zien dat een kwart van de respondenten al maatregelen heeft genomen om aardgasvrij te wonen of is van plan dit op korte termijn te doen. Hiervan woont 4,5% al aardgasvrij.

Een derde van de respondenten heeft zich wel in aardgasvrij wonen verdiept maar (nog) niets gedaan of gepland. Ook zien we dat veel huurders (76,4%) het belangrijk vinden om te verduurzamen. Van deze groep beschikt 41,2% niet over financiële middelen en een kwart is bereid hier meer huur voor te betalen. Een groot deel van de respondenten vindt het met name belangrijk voor het milieu om stappen te zetten richting aardgasvrij. De respondenten zijn wel verdeeld over wanneer het wenselijk is voor hun wijk om van het gas af te gaan. De grootste groep (23,4%) wil dit op middellange termijn (10-20 jaar). 22,7% vindt korte termijn (0-10 jaar) wenselijk, terwijl een andere groep (19,5%) het liever op langere termijn ziet gebeuren. Daarnaast geeft 11,7% aan dat de gemeente dit zelf moet bepalen en geeft 1,3% aan het helemaal niet wenselijk te vinden. Een groot deel van de respondenten wil graag betrokken worden bij de overgang naar aardgasvrij. De helft (52,2%) wil bij een concreet plan voor hun buurt kunnen 28

reageren of vooraf mee kunnen denken over de oplossing in hun buurt (42,2%). Een kwart wil enkel geïnformeerd worden en niet reageren (16,9%). Een kleine groep (7,8%) wil pas betrokken worden als het over hun buurt gaat en 12,8% geeft aan het niet te weten of niet van het gas af te willen. Daarnaast geven de respondenten aan de voorkeur te geven aan de digitale nieuwsbrief om geïnformeerd te worden. Ook de Oegstgeester Courant, gemeentelijke website en digitale bijeenkomsten zijn gewenste informatiekanalen onder de respondenten. Een kleinere groep wil ook geïnformeerd worden via de Goed website en sociale media. In de wijkuitvoeringsplannen die volgen op de Transitievisie Warmte staan bewoners centraal. We zullen dan ook uitvoerig met bewoners in gesprek gaan over de mogelijkheden en keuzes voor hun wijk.

6.2 Programmatisch werken in Oegstgeest De warmtetransitie is geen op zichzelf staande opgave. Het is belangrijk dat ambities en plannen worden afgestemd met de ambities en plannen op andere thema’s. Het warmtetransitie programma wordt opgebouwd uit een aantal projecten. Dit zijn zowel gebiedsgerichte planmatige aanpakken, waarin verder wordt gewerkt aan wijkuitvoeringsplannen, als ook projecten die gemeentebreed nodig zijn om ook de rest van Oegstgeest voor te bereiden op de warmtetransitie. Daarom stellen we ons voor om programmatisch te werken op twee sporen, namelijk de gemeentebrede aanpak en de planaanpak voor de kansrijke wijken.

6.2.1 Communicatie en participatie Per wijkuitvoeringsplan, maar ook gemeentebreed dient een communicatie- en participatielijn opgesteld te worden. Gemeentebreed wordt ingezet op een communicatiestrategie die gericht is op het creëren van bewustwording en inzicht biedt zodat mensen weten wat komen gaat. Er moeten veel maatregelen getroffen worden en tussenstappen gezet om een woning aardgasvrij te maken. Denk aan isolatie en goede ventilatie, hybride warmtepompen bij vervanging van de CV-ketel, zonnepanelen op dak voor duurzame energieopwek, het uitbreiden van groepenkasten, elektrisch gaan koken, etc. Het Duurzaam Bouwloket zal worden ingezet om inwoners te

informeren over maatregelen die passen in het toekomstbeeld van Oegstgeest in 2050, zowel op technisch gebied als op het gebied van subsidies.

6.3 Benodigde capaciteit

We zullen aan de slag gaan met een ambassadeursstrategie. Een netwerk van ambassadeurs dat ingezet kan worden om inzicht te geven in wat de minimale benodigde maatregelen zijn, wat de voordelen ervan inhouden en welke financieringsmogelijkheden er bestaan. Daarnaast zoeken we een samenwerking met partners die dichtbij de doelgroepen staan. Denk hierbij aan onze energiecoaches, makelaars, VvE’s, zorginstellingen en de wijk- en buurtverenigingen.

Zowel bij de gemeente Oegstgeest als bij de betrokken stakeholders en uitvoerende partijen geldt de randvoorwaarde dat er voldoende capaciteit en middelen beschikbaar komen om tempo te kunnen maken nadat de TVW door de gemeenteraad is vastgesteld. Bovenstaand wordt al gezinspeeld op enkele aanvullende capaciteit die de gemeente nodig zal hebben om van start te gaan met de warmtetransitie. Gebaseerd op ervaringen met wijkuitvoeringsplannen in andere gemeentes, geeft onderstaande tabel een overzicht:

Per wijkuitvoeringsplan is het vervolgens nodig om op wijkniveau een eigen communicatie- en participatieplan op te stellen.

6.2.2 Gemeentebreed programma Uiteindelijk dient de hele gebouwde omgeving in Oegstgeest aardgasvrij te zijn. Alle woningen en ander vastgoed moet daarom op termijn worden voorbereid op de energietransitie. Dat is een grote klus waarbij het belangrijk is om eigenaren en bewoners zo goed mogelijk te ondersteunen. We zien een kans in het opzetten van een “natuurlijke momenten campagne” om woningen in stappen transitiegereed te maken. Het inzetten van de ambassadeurs en makelaars helpt om eigenaren en bewoners op die natuurlijke momenten de juiste keuzes te laten maken. Vanuit de gemeente wordt een duidelijk kader en planning geschetst wanneer verwacht wordt dat woningen geïsoleerd zijn. Met het aanpassen van het maatschappelijk vastgoed geven we een goed voorbeeld en in de prestatieafspraken met de woningcorporaties wordt een percentage transitiegereed vastgoed opgenomen. Op het gebied van de financiën zal de gemeente subsidiemogelijkheden uitlichten om het aantrekkelijker te maken om woningen transitiegereed te maken om zo de kosten voor particulieren te verminderen. Naast de betaalbaarheid, zien we het bereiken van VvE’s in deze aanpak als een punt van zorg.

29

Indicatie benodigde FTE’s voor uitvoering warmtetransitie Programmamanagement 0,5 Projectmanagement 1,0 Projectmedewerkers op onderdelen: Projectondersteuning 0,5 Communicatie & 0,5 participatie Realisatie & beheer 0,3 Welzijn 0,2 Financiën / 0,2 subsidieadviseur Totaal 3,2 Een aantal van deze fte’s zijn in te vullen met huidige capaciteit. Voor de totale activiteiten om de warmtetransitie te kunnen uitvoeren in een realistisch tempo, is naar verwachting minimaal 3 fte aan extra capaciteit nodig vanaf halverwege 2021. Het is belangrijk rekening te houden met deze extra inzet bij het voorbereiden van de gemeentelijke begroting.

Bijlagen

Bijlage A Warmteopties 1. Energie-infrastructuren Er zijn vier verschillende energie-infrastructuren denkbaar om de gebouwde omgeving te kunnen verwarmen: 1. Gasnet 2. All-electric 3. Bronnet 4. Warmtenet 1.1. Gasnet In veel wijken zal het gasnet nog wel even blijven liggen. Indien gekozen wordt om het bestaande gasnet te laten liggen, is het van belang om duidelijkheid te geven aan vastgoedeigenaren hoelang dit nog het geval zal zijn. Zo krijgen eigenaren de tijd om de noodzakelijke maatregelen te nemen. Als het gasnet voorlopig nog blijft liggen kan er eventueel naast de individuele HRketel ook een hybride warmtepomp geplaatst worden in de woning om het gasgebruik te beperken. Voorwaarde is wel dat de woning het basisisolatieniveau bereikt heeft, zodat de warmtepomp optimaal kan functioneren. 1.2. All-electric All-electric betekent dat er alleen een elektriciteitsnet naar de wijk toe komt. Woningen en gebouwen hebben een warmte-opwekinstallatie die alleen elektriciteit gebruikt. Omdat de warmte in de woning wordt opgewekt met bijvoorbeeld een warmtepomp of infrarood zal de vraag naar elektriciteit op koude dagen sterk toenemen in de wijk. De (over)capaciteit in het bestaande elektriciteitsnet is echter beperkt en deze is bijvoorbeeld ook nodig voor de realisatie van laadpalen voor elektrische mobiliteit. Het elektriciteitsnet zal dus

31

verzwaard moeten worden, niet alleen op wijkniveau, maar ook op gemeentelijk, regionaal, nationaal en internationaal niveau. Vaak bestaan er echter beperkingen om het elektriciteitsnet te verzwaren. Rekening houdend met het feit dat we in de toekomst warmte kunnen gaan opslaan in woningen, is het ook sterk de vraag of het verstandig is om op korte termijn al hele wijken gelijktijdig elektrisch te gaan verwarmen. Netverzwaring op wijkniveau vergt hoge investeringen, die in de toekomst mogelijk niet nodig blijken. All-electric is daarom een alternatief dat zich meer leent om organisch te ontwikkelen verspreid over meerdere buurten en wijken in een gemeente. Met name voor eengezinswoningen en gebouwen in buurten waar een collectieve warmteoplossing geen logische oplossing is en waarvan de woningen al goed geïsoleerd zijn, of bij kleinschalige nieuwbouwprojecten. Uitgaande van de huidige stand van de techniek kan alleen met warmtepompen of infrarood verwarmd worden als de woningen minimaal tot het basisisolatieniveau zijn aangepast, waarbij de warmtevraag voor ruimteverwarming 65 kWh/m2 of lager is. Bij warmtepompen moeten dan vaak ook de radiatoren vervangen worden door laagtemperatuur radiatoren.

Er bestaan verschillende typen warmtepompen: -lucht-water-warmtepompen gebruiken de buitenlucht als warmtebron -water-water-warmtepompen gebruiken water (WKO of bodemlus) als warmtebron -een combinatie met zonthermie Voor het benutten van energie uit buitenlucht is een buitenunit nodig. Voor het benutten van warmte uit de bodem moet er een bodemlus geboord worden onder de woning of in de tuin. Grotere gebouwen kunnen ook gebruik maken van een eigen warmte- en koude opslaginstallatie (WKO) om gebruik te maken van bodemenergie als warmtebron. Voor het benutten van zonthermie moeten er thermische zonnepanelen geplaats worden op het dak van de woning. Naast de warmtepomp of de infraroodpanelen komt er een boilervat van minimaal 150 liter voor warm tapwater in de woning. Bij de keuze voor een all-electric systeem moet deze ruimte dus wel beschikbaar zijn. Bij infraroodpanelen en luchtwater-warmtepomp zal het elektriciteitsnet meer verzwaard moeten worden dan bij water-water-warmtepompen.

Efficiëntie van warmtepompen en infraroodpanelen Een warmtepomp gebruikt de temperatuur van de omgeving als bron. Dat zorgt ervoor dat er meer energie in de vorm van warmte wordt opgewekt dan dat er aan elektriciteit wordt gebruikt. Van 1 kWh elektriciteit kan een warmtepomp 36 kWh aan warmte produceren (COP van 3-6). Bij infraroodpanelen is de omzetting van elektriciteit naar warmte één staat tot één, veel minder efficiënt dus. Infraroodpanelen hebben wel het voordeel dat ze alleen aan hoeven te staan op het moment dat er een persoon aanwezig is in de ruimte (in tegenstelling tot andere technieken) waardoor ze in praktijk wel wat efficiënter zijn dan doet vermoeden. Infraroodpanelen kunnen in de toekomst niet gecombineerd worden met een warmtebatterij in de woning, waardoor grootschalige toepassing lastig zal worden.

Nieuwe generatie warmtepompen Er komen steeds meer nieuwe generatie warmtepompen op de markt die een grotere temperatuursprong kunnen maken door gebruik te maken van andere koudemiddelen, zoals ammoniak (NH3) en CO2. De nieuwe generatie warmtepompen zijn ontwikkeld voor de industrie en worden daar al jaren toegepast. Het is dus al een bewezen techniek. Dit type warmtepompen is daarom uitermate geschikt voor het leveren van warmte aan een collectieve installatie in gebouwen of aan warmtenetten in wijken. Speciaal voor woningen is er nu ook een individuele lucht-water-warmtepomp op de markt met als koudemiddel CO2, die zonder problemen 70°C kan produceren. Voordeel is dat de bestaande radiatoren dan niet vervangen hoeven te worden. Nadeel is dat ze minder energie-efficiënt zijn. De verwachting is dat er ook water-water-warmtepompen voor woningen op de markt zullen komen met dezelfde eigenschappen. Om op grotere schaal individuele warmtepompen in wijken toe te passen is het van belang dat er technieken komen om warmte compact in de woning op de slaan. Dat vraagt de nodige innovatie en extra ruimte in de woning.

32

Zonthermie als bron voor een warmtepomp Met de nieuwe generatie zonthermische panelen wordt er, óók als er geen zon is, warmte geproduceerd. Dit kan doordat het paneel behalve uit zon- en daglicht ook heel goed warmte kan winnen uit de buitenlucht. Hierdoor kan ook ‘s nachts en in de winter voldoende warmte geleverd worden aan een water-waterwarmtepomp, zodat deze net zo efficiënt warmte kan produceren als een warmtepomp met een bodemlus. Voordeel is dat deze oplossing veel eenvoudiger te installeren is dan het boren van een bodemlus. De zonthermische panelen kunnen gecombineerd worden met zonnepanelen voor het opwekken van elektriciteit. Individuele oplossingen Naast all-electric oplossingen, kan gekozen worden voor andere individuele oplossingen. Als er geen gasnet is en ook geen warmtenet in de wijk ligt, bestaat het risico dat huiseigenaren de keuze maken om houtachtige biomassa te gebruiken, bijvoorbeeld voor een pelletkachel. Deze oplossing moet echter niet gestimuleerd worden in verband met de risico’s op uitstoot van fijnstof en schaarste en de betaalbaarheid van houtpellets op de langere termijn.

1.3. Bronnet Een bronnet is een aanvulling op all-electric. Een bronnet transporteert laagwaardige warmte naar meerdere woningen en gebouwen als bron voor een warmtepomp in de woning of het gebouw. Ook bij deze infrastructuur moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de wijk dus worden verhoogd. Aangezien een warmtepomp ook op woning- of gebouwniveau in veel gevallen een efficiënte bron kan hebben, zal een bronnet voor woningen in de meeste gevallen geen logische optie zijn. In wijken waar in hoge dichtheid gebouwd is, kan er mogelijk beperkt ruimte zijn voor potentiele bronnen, waardoor een bronnet een oplossing kan bieden. Echter is in dat geval vaak een warmtenet een logischere keuze. De verwachting is daarom dat een bronnet met name ingezet zal gaan worden als bron voor warmtepompen, die warmte leveren aan een warmtenet in een wijk of op een bedrijventerrein. 1.4. Warmtenet Een warmtenet is een infrastructuur van ondergrondse leidingen die warm water vervoeren naar meerdere gebouwen tegelijkertijd. Er is dan sprake van een collectieve warmtevoorziening. Aansluitingen op een warmtenet worden met name gerealiseerd op het moment dat woningen worden gebouwd. Er is nog weinig ervaring met het aansluiten van bestaande woningen. Bestaande warmtenetten in oudere wijken leveren een temperatuur van maximaal 90°C aan de woningen en gebouwen (hoge temperatuur).

Woningen in recentere wijken zijn beter geïsoleerd en dan kan volstaan worden met een aanvoertemperatuur die lager ligt, circa 70°C (midden temperatuur). Bij nieuw te bouwen wijken kan worden overwogen om de aanvoertemperatuur verder te verlagen naar 40°C (laagtemperatuur). In woningen moet dan wel een aanvullende boostervoorziening geplaats worden voor warm tapwater. In de praktijk zien we dat daarom vaak ook bij nieuwbouwwoningen wordt gekozen voor een midden temperatuur warmtenet. Om in een bestaande wijk een warmtenet te realiseren is er voldoende schaalgrootte en dichtheid van gebouwen nodig. Hoe hoger de temperatuur, die met de beschikbare warmtebron kan worden geleverd, hoe eenvoudiger de schaalgrootte kan worden bereikt, omdat woningen snelle geschikt zijn om aan te kunnen sluiten. Woningcorporaties kunnen vanwege geclusterd bezit en een

33

bepaalde mate van schaal, helpen om de slaagkans van een warmtenet in een wijk te vergroten in vergelijking met wijken waar voornamelijk particuliere woningeigenaren wonen. Bij een warmtenet komt er per gebouw of cluster van eengezinswoningen of kleinere gebouwen een afleverstation. Hier kan de temperatuur worden geregeld. De temperatuur van het net kan dus lokaal worden verlaagd als een gebouw daarvoor geschikt is.

2. Energiebronnen Bij iedere energie-infrastructuur hoort een andere energiedrager. Dit is respectievelijk gas (gasnet), elektriciteit (E-net) en/of water (warmtenet). Bij de verschillende energiedragers horen verschillende bronnen en (on)mogelijkheden om energie, die nodig is voor het verwarmen van woningen en gebouwen, op te slaan. Daarnaast is de meest geschikte bron en bijhorende energie-infrastructuur ook sterk afhankelijk van de schaalgrootte, die kan worden gerealiseerd. 2.1. Fossiele bronnen Tijdens de energietransitie blijven we afhankelijk van fossiele bronnen. Een goed voorbeeld van deze afhankelijkheid is een woning die zonnepanelen heeft liggen op het dak. Het grootste deel van de energie die wordt opgewekt door de panelen kan niet gelijktijdig worden gebruikt in de woning en wordt dus terug geleverd aan het elektriciteitsnet en elders gebruikt. Als het donker is of bewolkt en de panelen niet of nauwelijks elektriciteit produceren, wordt er elektriciteit uit het elektriciteitsnet gebruikt. Deze elektriciteit wordt centraal opgewekt met een mix van bronnen, nu nog circa 80% fossiel (aardgas en kolen). Dat neemt niet weg dat het goed is dat er zonnepanelen op daken worden geplaatst. Al het dakoppervlak in Nederland moet namelijk zoveel als mogelijk benut worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit. 2.2.

Alternatieve bronnen voor aardgas De alternatieve bronnen voor aardgas zijn beperkt, zeker voor de grote hoeveelheid aardgas, die nu in Nederland en de rest van de wereld gebruikt wordt. Naast biogas/groen gas wordt waterstof vaak genoemd als alternatief voor aardgas. Waterstof is geen bron maar een energiedrager en wordt gemaakt van aardgas of van elektriciteit. Het is in ieder geval tot 2030 niet te verwachten dat waterstof een grote rol gaat spelen als energiedrager in de gebouwde omgeving. Uiteraard wel

als grondstof voor de industrie en mogelijk als energiebron voor (zwaarder) transport en de industrie. Als we dus niet starten met het uitfaseren van gasnetten in de bestaande gebouwde omgeving is de kans heel groot dat dit een lock-in is op aardgas. 2.3. Alternatieve bronnen voor elektriciteit Net als in alle sectoren, gaat ook voor het verwarmen van de gebouwde omgeving, elektriciteit een nog grotere rol spelen dan nu het geval is. Met name voor het opwekken van warmte met warmtepompen in woningen, gebouwen en wijken zal de vraag naar elektriciteit stijgen. Voor een volledig duurzame samenleving zal deze elektriciteit dan wel verduurzaamd moeten worden. In Nederland zijn zon en wind daarvoor de meest logische bronnen op dit moment. Verduurzaming is een hele grote opgave. De huidige elektriciteitsmix in Nederland bestaat namelijk nog voor circa 80% uit fossiele bronnen. Daarnaast zijn we gewend dat elektriciteit altijd beschikbaar is, omdat kolen- en gascentrales het gehele jaar door kunnen leveren op basis van de vraag. Maar in de toekomst zal het elektriciteitsaanbod veel minder constant en ook deels seizoensafhankelijk zijn door een groter aandeel van zonne-energie en windenergie in de energiemix. Het opslaan van energie (elektriciteit en warmte) is dus noodzakelijk.

Bij de keuze voor de energie-infrastructuur is het daarom nodig om meer rekening te houden met de (on)mogelijkheid om energie op te slaan. Belangrijk daarbij is te vermelden dat voor het voeden van warmtepompen elektriciteit uit windenergie veel meer geschikt is dan zonne-energie, omdat in het stookseizoen het aanbod van wind vele malen hoger ligt. 2.4. Restwarmte Restwarmte komt vrij bij een productieproces. Er zijn vele verschillende soorten van restwarmte met ook verschillende temperaturen. Voor bestaande warmtenetten is restwarmte de meest voorkomende bron. Een mogelijk nadeel van restwarmte is de beschikbaarheid. Er zijn maar een beperkt aantal locaties waar restwarmte benut kan worden voor het verwarmen van de gebouwde omgeving en het is in sommige gevallen onzeker hoe lang de warmte beschikbaar blijft. Omdat restwarmte een relatief goedkope bron is, moet het daar waar mogelijk worden benut voor de ontwikkeling van warmtenetten. Het is dan wel van belang dat er een alternatieve duurzame warmtebron op locatie beschikbaar is, zodat de leveringszekerheid van warmte kan worden gegarandeerd voor een zeer lange tijd.

34

2.5. Biomassa Van biomassa in de vorm van bijvoorbeeld hout, bermgras, mest, slib, zeewier en mogelijk ook algen kan energie geproduceerd worden. De energie kan geproduceerd worden voor alle energiedragers en dus in alle sectoren, dus ook voor industrie en transport, worden ingezet. Biomassa is echter schaars. Voor biomassa geldt nog meer dan voor restwarmte dat de beschikbaarheid op langere termijn onzeker is. Als warmtebron voor de gebouwde omgeving moet er daarom zeer zorgvuldig mee omgegaan worden. Bovendien is het de vraag of biomassa direct ingezet moet worden als energiebron. Vaak zijn er andere routes waarin biomassa een hogere waarde heeft. Belangrijk is om de schaarse biomassa alleen in te zetten als transitiebron bij de ontwikkeling van nieuwe warmtenetten in de bestaande gebouwde omgeving eventueel in combinatie met nieuwbouw. En dan met name daar waar er geen alternatieve bron, zoals restwarmte beschikbaar is. Het is dan wel van belang dat er een alternatieve duurzame warmtebron op locatie beschikbaar is, zodat de leveringszekerheid van warmte gegarandeerd kan worden. De lokale warmtenetten op biomassa moeten daarom toewerken naar een aanvoertemperatuur van maximaal 70°C.

Bij een hogere aanvoertemperatuur is het advies om goede afspraken te maken met de vastgoedeigenaren, zodat de temperatuur voor het einde van de exploitatieduur van de biomassawarmtecentrale verlaagd kan worden. Het verbranden van hout of houtpellets in woningen is niet efficiënt en moet daarom voorkomen worden. Ook het inzetten van biomassa bij de ontwikkeling van een warmtenet voor een nieuwbouwwijk moet niet gestimuleerd worden. 2.6. Energie uit de bodem en diepere aardlagen Uit de bodem en uit diepere aardlagen kan warmte onttrokken worden. Een vuistregel; elke kilometer naar beneden, neemt de temperatuur met circa 30°C toe. Dus hoe dieper je boort, hoe hoger de temperatuur. Of je op een bepaalde diepte in Nederland deze warmte ook daadwerkelijk uit de aarde kan winnen, is sterk afhankelijk van de lokale eigenschappen van de aardlagen.

Bron Bodemlussen of WKO Ondiepe geothermie Diepe geothermie

Diepte Tot 250 meter 250-1000 meter 1-4 kilometer

Temperatuur 10 - 15 °C 20 - 40 °C 40 - 100 °C

Ultradiepe geothermie

4-6 kilometer

100 - 180 °C

Tabel A1 Bodemenergie en aardwarmte

Retournet diepe geothermie Uit een geothermieput van circa 2,5 kilometer diepte kunnen temperaturen van 70°C of hoger omhoog worden gepompt. Als hiermee bestaande woningen en gebouwen verwarmd worden, is de retourtemperatuur tussen de 40 en 50 °C. Het zou zonde zijn om deze warmte onbenut weer terug te pompen in de injectieput, waar het afgekoelde water weer wordt teruggepompt naar 2,5 kilometer diepte. In combinatie met een warmtenet kunnen gebouwen direct worden verwarmd met deze restwarmte. Ook kan met een wijkwarmtepomp de temperatuur verhoogd worden naar 70 °C, zodat het ook een oplossing is voor de bestaande woningbouw. Hierdoor wordt er meer warmte benut en wordt er maar 20 en 30 °C teruggepompt in de injectieput. 2.7. Aquathermie Met alle thermische energie uit water (aquathermie) kan in potentie een groot deel van de gebouwde omgeving in Oegstgeest worden voorzien. Dat kan de energie zijn uit oppervlakte-, afval- en drinkwater (TEO, TEA en TED). Om deze bronnen te kunnen benutten zullen er wel warmtenetten ontwikkeld moeten worden in wijken met een aanvoertemperatuur van maximaal 70°C. Voordeel is dat het op een kleinere schaal kan worden toegepast dan bij andere potentiële bronnen voor warmtenetten, zoals bij restwarmte en geothermie vaak het geval zal zijn. Door energie uit oppervlaktewater te onttrekken verbetert de waterkwaliteit en het verminderd ook hittestress.

Voorbeelden van energie uit afvalwater zijn warmte uit het riool (riothermie) en uit het gezuiverde afvalwater (effluentwater) bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Bij laagwaardige warmtebronnen, zoals aquathermie is het van belang om te vermelden dat er elektrische warmtepompen nodig zijn om de warmte op het vereiste temperatuurniveau te krijgen voor het verwarmen van de woningen en deze te voorzien van warm tapwater. Er is bij de

35

inzet van warmtepompen dus ook op termijn voldoende duurzame elektriciteit nodig. Verwarmen met oppervlaktewater Oppervlaktewater wordt in de zomer sterk opgewarmd. Deze warmte kan onttrokken worden en tijdelijk worden opgeslagen in WKO. In het stookseizoen kan deze warmte van circa 20°C gebruikt worden als bron voor een warmtepomp. De warmtepomp verhoogd de temperatuur naar het gewenste temperatuurniveau. Vanuit het WKO-systeem kunnen gebouwen ook gekoeld worden, maar dit is voor de werking van het systeem niet noodzakelijk. Een warmtepomp kan ook direct warmte onttrekken uit het oppervlaktewater zonder gebruik te maken van een WKO. Dit is minder efficiënt en hierdoor kan er ook minder warmte benut worden. 2.8. Zonthermie Tot nu toe heeft zonthermie nauwelijks een rol gespeelt in de warmtetransitie. Enkel voor de opwek van een deel van het warm tapwater (zonneboilers) is deze techniek kleinschalig in Nederland toegepast. Voor ruimteverwarming was simpelweg de overbrugging tussen zomer en winter te lang. Maar ook dit gaat veranderen. De nieuwe generatie thermische zonnepanelen kunnen gedurende een langere tijd warmte uit de omgeving halen, niet alleen uit zon, maar ook uit licht en buitenlucht. Dit is voldoende om zonder opslag een bron te kunnen zijn voor een warmtepomp in een woning, gebouw of in de wijk. Ook kunnen er collectoren gemaakt worden van asfaltwegen.

Door de ontwikkeling van warmteopslag kan (op termijn) zonthermie ook ingezet worden om een groot deel van het jaar een gebouw direct te verwarmen. Afhankelijk van het seizoen kunnen er temperaturen van tussen de 40 en 80°C worden gehaald in een warmtebuffer. Met beperkte inzet van een warmtepomp kan het gehele jaar door warmte voor ruimteverwarming en warm tapwater geleverd worden.

3. Energieopslag Warmteopslag wordt meestal geassocieerd met warmte- koudeopslag in de bodem (WKO). Echter worden er in WKO-systemen, op circa 50-250 meter diepte, temperaturen van maar 10-25ºC opgeslagen. Er is dus aanvullend een warmtepomp nodig om gebouwen en woningen met deze brontemperatuur te

kunnen verwarmen. Warmteopslag, waarmee direct kan worden verwarmd met temperaturen tussen de 30ºC en 90ºC, wordt echter nog weinig toegepast. De verwachting is dat dit zal sterk gaan veranderen, omdat de capaciteit van het elektriciteitsnet in Nederland haar beperkingen kent. 3.1. De noodzaak van warmteopslag De vraag naar warmte voor het verwarmen van gebouwen en woningen is zeer seizoensgebonden. De vraag naar warm tapwater is het gehele jaar vrij stabiel en heeft pieken in ochtend- en avonduren. Ruimteverwarming heeft echter een enorme dip in de zomer en een zeer hoge piekvraag op koude dagen. Warmteopslag maakt het mogelijk om het benodigde piekvermogen van een warmteopwekker, zoals een warmtepomp, te verkleinen. Een traditionele CV-ketel is een goedkope technologie waarbij het gebruikelijk is om het benodigde ketelvermogen te dimensioneren op de piek warmtevraag voor ruimteverwarming en/of het warm tapwater. Het huidige aardgasnet heeft hiervoor voldoende capaciteit. Het huidige elektriciteitsnet heeft deze capaciteit echter bij lange na niet. In het geval van de overstap van CV-ketels naar warmtepompen moet het huidige net dus verzwaard worden. Als dit beperkt, of zelfs voorkomen kan worden, bespaart dat de maatschappij veel geld.

Daarnaast werkt een warmtepomp het meest optimaal wanneer deze continue kan draaien en is de technologie minder geschikt om in een korte tijdspanne een grote hoeveelheid water te verwarmen. Daarom worden warmtepompen die nu al toegepast worden in woningen bijvoorbeeld al gecombineerd met een boilervat van circa 150 liter om warm tapwater voor één dag op te kunnen slaan. Door een warmtepomp te combineren met warmteopslag voor niet alleen warm tapwater maar ook ruimteverwarming kan de warmtepomp (nog) kleiner uitgevoerd worden, kan deze meer draaiuren maken en hoeft het elektriciteitsnet dus minder verzwaard te worden. De investering in een warmtepomp is nog relatief hoog, dus hoe kleiner de warmtepomp, hoe beter de businesscase. Een ander belangrijk aspect, dat meegenomen moet worden, is dat ook aan de bronzijde veel gaat veranderen. Nu is elektriciteit altijd beschikbaar, omdat kolenen gascentrales het gehele jaar door kunnen leveren op basis van de vraag. Maar in de toekomst is het aanbod van zonne-energie en windenergie veel minder constant en ook deels seizoen afhankelijk. Het voordeel dat een warmtepomp in combinatie met warmteopslag biedt, is de mogelijkheid voor vraagsturing. Wanneer

36

de elektriciteitsprijs laag is of er overschotten zijn van (zelf) opgewekte hernieuwbare elektriciteit, kan de warmteopslag gevuld worden voor gebruik op een later moment. Op momenten dat er een piek is in de elektriciteitsvraag wordt (ook) warmte vanuit de warmteopslag geleverd. Opslag is dus noodzakelijk om de elektriciteit, die een warmtepomp gebruikt, CO2-neutraal op te kunnen wekken. 3.2. Het toepassen van warmteopslag De ontwikkelingen op het gebied van warmteopslag staan niet stil. Om warmteopslag in woningen in combinatie met warmtepompen toe te kunnen passen, moet echter nog wel een grote sprong gemaakt worden. Voor een waterbuffer is er simpelweg geen ruimte en compacte technieken, die breed toepasbaar zijn in woningen, zijn nog niet marktrijp. Bij een collectieve oplossing voor een gebouw of bij een warmtenet in combinatie met een warmtepomp kan met de huidige stand van de techniek wel al warmte opgeslagen worden. Grote buffervaten boven of ondergronds kunnen als warmtebatterij dienen. Bij warmtenetten wordt deze techniek al toegepast. Er worden ook nieuwe compactere warmtedragers uitgetest en ontwikkeld, zoals phase change materials (PCM’s) en thermochemische warmtebatterijen.

Bijlage B Warmte Transitie Model 1. Het Warmtetransitiemodel in vogelvlucht Het Warmtetransitiemodel (WTM) van Over Morgen geeft beleidsmakers, adviseurs, energiebedrijven en netwerkbedrijven inzicht in de opties en kosten voor een aardgasvrije gebouwde omgeving. Het model geeft inzicht in twee aspecten: 1. De laagste maatschappelijke transitiekosten per buurt of wijk voor verschillende warmteopties 2. Gebieden die kansrijk zijn voor het starten van een collectieve warmtevoorziening in een gebied (potentie-eilanden) op basis van vastgoedkenmerken Het model heeft vijf essentiële kenmerken: Het WTM geeft inzicht in een aardgasvrije gebouwde omgeving. Het model is bedoeld om processen in de warmtetransitie te ondersteunen, te faciliteren en te versnellen. Het model kan ingezet worden in alle fases van het proces: van notie en urgentie, tot kansen en inzicht, tot gedragen visies en projecten, en uiteindelijk als ondersteunende tool in de uitvoering. Het WTM is een ruimtelijk model dat gebaseerd is op GIS. Het model voert analyses uit op gebouwen en buurten en maakt gebruik van openbare geografische data uit betrouwbare bronnen. Het model maakt inzichtelijk wat verschillen zijn tussen gebieden en hoe dat leidt tot andere warmteopties en kansen, en houdt daarbij rekening met de ruimtelijke samenhang van een gebied. 37

Het WTM maakt inzichtelijk wat de kosten zijn in een buurt als je nu begint, uitgaande van de huidige stand van de techniek, prijzen en marktomstandigheden. Het model onderscheidt twee alternatieve warmte-infrastructuren voor het gasnet (warmteopties): een warmtenet en een verzwaard elektriciteitsnet (all-electric). Het is gebaseerd op integrale maatschappelijke kosten van de energieketen, dus zowel bron, infrastructuur, levering en aanpassingen aan het vastgoed. Daarbij worden niet alleen de investeringen, maar ook onderhoud en operationele kosten meegenomen, inclusief de energierekening van de eindgebruiker, gedurende een periode van 30 jaar. Deze kosten worden uitgedrukt in bandbreedtes. De bandbreedtes houden rekening met zaken als onzekerheid in het prijspeil, het benutten van natuurlijke momenten en technische varianten binnen de warmteopties. Het WTM analyseert op gebouwniveau wat kansrijke gebieden zijn om te beginnen met een collectieve warmtevoorziening op gebiedsniveau. Deze analyse kijkt naast maatschappelijke kosten ook naar andere informatie, zoals eigendomssituatie, en houdt geen rekening met buurtgrenzen waardoor buurtoverstijgende kansen zichtbaar worden. Deze analyse leent zich bij uitstek om te combineren met informatie over investeringsplanningen, zoals riolering, gasnet, renovatie en sloop-nieuwbouw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10068355/1