CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij RM d.d. 30 november 2021 Erratum Verordening fysieke leefomgeving Z-21-146019 Oegstgeest

Oordeelsvorming Ruimte 2 december 2021, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest43.679 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Vijfde lid Dit lid biedt het college de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen zonder eerst de zakelijk gerechtigden in kennis te stellen van het voornemen. In dat geval wordt de adviescommissie pas ingeschakeld voor het (definitieve) besluit tot aanwijzing (zie artikel 6.1). De bescherming van paragraaf 3.5.2 geldt vanaf het moment van aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft geen opschortende werking en daarmee kan deze spoedeisende aanwijzing niet eenvoudig worden omzeild. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming na 26 weken. Zevende lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Omgevingswet en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt

naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 2.3 (beslistermijn, inhoud en bekendmaking) [artikelen 9 en 10 Erfgoedverordening] Voor de termijn waarbinnen het college een besluit neemt over de aanwijzing van een monument en een archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument is aangesloten bij de termijn in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. De ontvangst van de aanwijzing is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Artikel 2.4 (wijzigen en vervallen van een aanwijzing) [artikel 12, tweede en derde lid, Erfgoedverordening] Dit artikel bepaalt dat op het vervallen of wijzigen van een aanwijzing dezelfde procedure geldt als voor de aanwijzing zelf. Voorts is in dit artikel bepaald dat de aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister.

§ 2.1.3 Beschermde gemeentelijke dorpsgezichten Artikelen 2.5 tot en met 2.7 [artikel 18 Erfgoedverordening] Deze artikelen regelen de aanwijzing van dorpsgezichten door de gemeenteraad. Die aangewezen dorpsgezichten moeten vervolgens met het van toepassing zijnde bestemmingsplan worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen van gemeentelijke dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan. Artikel 2.8 (wijzigen en vervallen van een aanwijzing) [artikel 19 Erfgoedverordening] Dit artikel bepaalt dat op het vervallen of wijzigen van de status als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als voor de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, door de minister of de provincie wordt aangewezen als beschermd dorpsgezicht.

AFDELING 2.2 AFVALBEHEER Artikel 2.9 (aanwijzing inzamelplaats huishoudelijke afvalstoffen) [artikel 5 Afvalstoffenverordening 2021] In dit artikel wordt geregeld dat op ten minste een plaats, ook buiten kantooruren of in het weekend, gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Hiertoe is het gemeentebestuur op grond van artikel 10.27 Wet milieubeheer verplicht in verband met de in artikel 3.36 geboden mogelijkheid om niet telkens per week en bij elk perceel in te zamelen. Op de inzamelplaats kunnen alle bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden achtergelaten.

AFDELING 2.3 INFRASTRUCTUUR EN OPENBARE RUIMTE Artikel 2.10 (vaste standplaatsen) [hoofdstuk 3 Standplaatsenbeleid 2019] In Oegstgeest zijn zeven locaties voor vaste standplaatsen beschikbaar. In de tabel hieronder zijn deze locaties weergegeven met de bezetting in januari 2019, de dagen waarop de standplaatsen worden ingenomen, de oppervlakte van de standplaatsen en de aanwezige voorzieningen. Locatie

Product

Dagen

Oppervlakte

Voorzieningen

De Kempenaerstraat, hoek Koninginnelaan (K1)

Groente en fruit

Vrijdag

25 m2

Elektra

Kaas

Zaterdag

24 m2

Elektra

2

Elektra

Marktterrein Lijtweg bij winkelcentrum Lange Voort 1

Marktterrein Lijtweg bij winkelcentrum Lange Voort 2

Irislaan (winkelcentrum Lange Voort 3)

Noten, tapenade en olijven

Donderdag

25 m

Bloemen Vis

Dinsdag Vrijdag en zaterdag

25 m2 37 m2

Elektra Elektra

Brood en gebak

Donderdag

32 m2

Elektra

Groente en fruit Kaas

Woensdag Donderdag

2

12 m 24 m2

Electra Elektra

Loempia’s

Vrijdag en zaterdag

10 m2

Elektra

Kip en Rib Bloemen

Woensdag Donderdag,

18 m2 Donderdag 10 m2 Zaterdag 32 m2 10 m2

Elektra Geen

2

10 m 25 m2

Geen Elektra

(ntb)

Geen

20 m2

Geen

Zaterdag Landproducten

Boerhaaveplein

Klinkenbergerplas

Nieuw-Rhijngeest

Groente en fruit Snacks

Woensdag

Vrijdag Woensdag tot en met zondag Snacks Elke dag voor de periode van 1 april tot 1 oktober. Buiten die periode: tijdelijke standplaats voor ten hoogste 30 dagen Niet concurrerend met Maandag t/m aanbod van het zondag winkelcentrum

Geen

Gezien de kleinschaligheid van het winkelcentrum Nieuw-Rhijngeest en het belang van het behoud van een gevarieerd voorzieningenaanbod, is het wenselijk dat de branchering van de standplaats complementair is aan het aanbod van het winkelcentrum. Artikel 2.11 (tijdelijke standplaatsen) [hoofdstuk 3 Standplaatsenbeleid 2019] In Oegstgeest zijn drie locaties voor tijdelijke standplaatsen beschikbaar. In de tabel hieronder zijn deze locaties weergegeven met de bezetting in januari 2019, de periode waarin deze standplaatsen kunnen worden ingenomen, de oppervlakte van de standplaatsen en de aanwezige voorzieningen. Locatie Parkeerplaats naast Lijtweg 4 (apotheek)

Product Poffertjeskraam

Periode Ten hoogste zes weken

Oppervlakte 160 m2

Kerstbomenverkoop

Ten hoogste zes weken

60 m2

Parkeerplaats Lijtweg (het markt en evenemententerrein)

Onderzoekswagen

Klinkenbergerplas

Producten uit alle branches zijn toegestaan

Twee 90 m2 maanden aaneengeslote n, een keer in de anderhalf jaar Tussen (ntb) oktober en april voor een periode van ten hoogste 30 dagen

Voorzieningen

Elektra

Op de dagen dat een vaste standplaats niet wordt ingenomen door een standplaatshouder is het een tijdelijke standplaatshouder toegestaan deze in te nemen. Voor een tijdelijke standplaats geldt dat deze niet door een vaste standplaatshouder mag worden ingenomen. Naast de genoemde locaties zijn er andere locaties die gedurende het jaar een als tijdelijke standplaats worden ingenomen, bijvoorbeeld voor pannenkoekenverkoop door de scouting, de fietsersbond Oegstgeest, kentekengraveerders, kerstbomenverkoop, oliebollenverkoop en demonstraties van (elektrische) fietsen. De tijdelijke standplaats voor de verkoop van oliebollen mag worden ingenomen tussen 15 november en 15 januari. Toelaatbaarheid standplaatsen volgens bestemmingsplan Er is een aantal locaties waar de bestemmingsplannen het mogelijk maken om na toestemming van het college een standplaats in te nemen. Met omgevingsvergunningen is bijvoorbeeld toestemming verleend om een standplaats in te nemen voor een koffiekar, een ijscokar en kleinschalige verkoop van bloemen. Voor de De Kempenaerstraat gaat het om twee locaties:  de kruising De Kempenaerstraat met de Terweeweg; en

de kruising De Kempenaerstraat met de Spaargarenstraat.

Een omgevingsvergunning voor deze twee locaties wordt alleen verleend als:  jaarlijks ten hoogste 13 dagen een standplaats wordt ingenomen; en  de standplaats niet groter is dan 9 m2. Meerdere standplaatsen in de Kempenaerstraat zijn wenselijk omdat standplaatsen een bijdrage leveren aan een gevarieerd aanbod van detailhandelsgoederen. Echter vanwege de relatief beperkte ruimte in vergelijking met andere locaties voor standplaatsen binnen de gemeente, zijn deze twee verscherpte voorwaarden opgenomen. Voor 13 dagen is gekozen vanwege de gevoeligheden die spelen rondom deze standplaats. 13 dagen per jaar zorgt voor verlevendiging van de Kempenaerstraat en vormt geen onevenredig zware belasting voor de omgeving van de standplaatsen. Bovendien heeft de afgelopen jaren al een bloemenstalletje in de Kempenaerstraat gestaan. Vanwege de beperkte ruimte op beide standplaatsen is een maximum afmeting van 9 m2 opgenomen als voorwaarde.

Daarnaast gelden de volgende voorwaarden van het bestemmingsplan Oranje Nassau:  de standplaatsen belemmeren het wegverkeer niet;  ongehinderde toegang op het trottoir is aanwezig;  als een standplaats leidt tot opheffing van een parkeerplaats, mag dat geen onevenredige afbreuk doen aan het voorzieningenniveau van de openbare parkeerplaatsen;  het assortiment van een standplaats leidt niet tot geuroverlast voor de omliggende detailhandel;  het gebruik past qua aard, milieubelasting en uitstraling in de woonomgeving; en  de standplaats voldoet aan de bouwvoorschriften, bedoeld in artikel 12.2.2 van het bestemmingsplan Oranje Nassau. Voor de standplaats op de kruising De Kempenaerstraat en de Terweeweg geldt dat een deel van de grond in particulier eigendom is. Voordat deze standplaats mag worden ingenomen dient de eigenaar van deze grond daar toestemming voor hebben gegeven. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat voor de genoemde locaties niet alleen een omgevingsvergunning is vereist voor het afwijken van het bestemmingsplan (conform de voorwaarden van het bestemmingsplan) maar ook een vergunning op grond van artikel 3.69 van deze verordening.

AFDELING 2.4 HOUTOPSTANDEN Artikel 2.12 (groene kaart en bomenlijst) [artikel 2 Bomenverordening] Het vaststellen van de groene kaart en de bomenlijst is van belang voor de toepassing van de regels over het vellen van houtopstanden. Verwezen wordt naar de toelichting op de regels in paragraaf 3.6.2. HOOFDSTUK 3 ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING AFDELING 3.1 INLEIDENDE BEPALINGEN Artikel 3.1 (toepassingsbereik) [tweede lid: alle bepalingen in verordeningen met een uitzondering voor activiteiten in opdracht van bestuursorganen] In dit artikel is het toepassingsbereik geregeld van de regels in hoofdstuk 3. Die regels zijn alleen van toepassing op activiteiten die zijn aangewezen in de afdelingen 3.2 tot en met 3.6. Dat betekent bijvoorbeeld dat de inleidende bepalingen in afdeling 3.1 alleen gelden voor activiteiten die in die afdelingen zijn aangewezen. De specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geldt dus niet voor

alle activiteiten in de fysieke leefomgeving maar alleen voor activiteiten die in die afdelingen zijn aangewezen. In het tweede lid zijn uitgezonderd de activiteiten die worden verricht door of vanwege de gemeente Oegstgeest voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak. In deze verordening kunnen daarop uitzonderingen worden gemaakt. Dat wordt tot uitdrukking gebracht met de zinsnede ‘tenzij in deze verordening anders is bepaald’. Op dit moment is alleen in artikel 3.32, tweede lid, een uitzondering gemaakt voor het inzamelen van afvalstoffen. Die activiteit wordt namelijk verricht voor de uitoefening van de publiekrechtelijke taak die is geregeld in de Wet milieubeheer om afvalstoffen bij huishoudens in te zamelen. Artikel 3.2 (normadressaat) [alle bepalingen in verordeningen die regelen wie aan de regels moet voldoen] Artikel 3.2 bepaalt tot wie de regels van hoofdstuk 3 zijn gericht. In de Omgevingswet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. In artikel 3.2 wordt daarbij aangesloten. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever.

Degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van deze verordening, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden. Artikel 3.3 (specifieke zorgplicht) Degene die een activiteit verricht heeft een specifieke zorgplicht. Van degene die een activiteit verricht die is aangewezen in de afdelingen 3.2 tot en met 3.6, wordt een inspanning verwacht om zelf te beoordelen of het handelen nadelige gevolgen heeft en ook hoe die gevolgen redelijkerwijs kunnen worden voorkomen of beperkt. Onder handelen wordt uiteraard ook het nalaten om te handelen verstaan. De formulering van de specifieke zorgplicht sluit aan bij de formulering van de algemene zorgplicht van artikel 1.7 van de Omgevingswet. De specifieke zorgplicht is gekoppeld aan de bepalingen in hoofdstuk 3 waarin de oogmerken zijn opgenomen waarop de regels in hoofdstuk 3 zien. Die oogmerken zijn geregeld in de algemene paragrafen van de afdelingen 3.2 tot en met 3.6. De specifieke zorgplicht heeft geen betrekking op belangen die geen onderdeel uitmaken van die oogmerken en is daardoor specifieker dan de algemene wettelijke zorgplicht. Zo ziet de zorgplicht bijvoorbeeld niet op de kwaliteit van het zwemwater. Dat oogmerk valt wel onder de algemene zorgplicht in de Omgevingswet.

Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het college zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie toelichting op artikel 3.11) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het college degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving2.

Artikel 3.4 (ontheffing en aanwijzing) [diverse artikelen in de APV 2020 en de artikelen 3, tweede lid, en 4, tweede lid, Afvalstoffenverordening 2021] 2

Stb. 2018, 293, p. 526-527.

Als in hoofdstuk 3 een (absoluut) verbod is opgenomen voor het verrichten van een bepaalde activiteit of handeling, is het mogelijk om daarvoor een ontheffing te krijgen van het college. Het gaat daarbij niet om verboden in dit hoofdstuk om zonder vergunning of aanwijzing een activiteit te verrichten. In die gevallen is namelijk al geregeld dat een vergunning of aanwijzing mogelijk is en zijn veelal ook de voorwaarden geregeld waaraan moet worden voldaan om een vergunning of aanwijzing te verkrijgen (beoordelingsregels). Bij de aanwijzing gaat het om het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. In artikel 3.34 is bepaald dat het verbod om huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen niet geldt voor de inzameldienst of andere inzamelaar die door het college is aangewezen. Volgens het derde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdige beslissing) niet van toepassing op de aanwijzing. Dat betekent dat bij overschrijding van de termijn voor het geven van de beschikking (acht weken volgens artikel 3.5) de aanwijzing niet van rechtswege is verkregen. Het expliciet regelen van deze uitzondering is nodig omdat volgens artikel 28 van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op een aanvraag om een vergunning, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Volgens de Dienstenwet, die geldt voor dienstverrichters, moet een aanwijzing worden beschouwd als een vergunning in de zin van die wet en de dienstenrichtlijn. Inzamelaars van afvalstoffen kunnen worden beschouwd als dienstverrichters. Zonder deze uitzondering zou paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht dus gelden voor de aanwijzing van inzamelaars en dat is ongewenst vanwege de publieke belangen die hiermee zijn gemoeid. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is op grond van het derde lid ook niet van toepassing op ontheffingen en vergunningen. Volgens het vierde lid is die paragaaf wel van toepassing op de ontheffingen die worden verleend van de verboden in de artikelen 3.61, tweede lid, en 3.63, eerste en tweede lid. Het gaat daarbij om het verbod om op de weg een voertuig te plaatsen die is voorzien van reclame en om het verbod om recreatieve of grote voertuigen te parkeren. Dat is een voortzetting van de regels in de Algemene plaatselijke verordening 2020. Volgens het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 ook van toepassing op vergunningen die worden verleend op grond van de artikelen 3.43 (gebruiken van de weg) en 3.54 (veranderen van de weg). Artikel 3.5 (bevoegd gezag en beslistermijn) [artikel 1:2 APV 2020] Het college van burgemeester en wethouders is in het eerste lid aangewezen als bevoegd gezag.

Als in hoofdstuk 3 een melding verplicht is gesteld dan moet die melding worden gedaan aan het college. Daarnaast neemt het college de besluiten over het stellen van een maatwerkvoorschrift, de toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen, de aanvraag om een vergunning of ontheffing en het wijzigen van de tenaamstelling van een vergunning of ontheffing. Op grond van het tweede lid moet het college binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag een besluit nemen, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Die termijn kan op grond van het derde lid met ten hoogste acht weken worden verlengd. De beslissingstermijn van acht weken is een termijn van orde. Uit het overschrijden van die termijn vloeien derhalve geen rechtsgevolgen voort. Dat is alleen anders als het gaat om een aanvraag om een ontheffing van de verboden in de artikelen 3.61, tweede lid, en 3.63, eerste en tweede lid. Daarop is namelijk volgens artikel 3.4, vierde lid, paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 3.6 (voorschriften en beperkingen) [artikel 1:4 APV 2020 en de artikelen 3, tweede lid, en 4, tweede lid, Afvalstoffenverordening 2021] Volgens dit artikel kunnen aan een vergunning, ontheffing en aanwijzing voorschriften en beperkingen worden verbonden.

Volgens het tweede lid kunnen die voorschriften en beperkingen alleen strekken tot bescherming van de belangen met het oog waarop de

vergunning, ontheffing of aanwijzing verplicht is gesteld. Deze belangen kunnen worden afgeleid van de artikelen in de afdelingen 3.2 tot en met 3.6 waarin de oogmerken zijn opgesomd met het oog waarop de regels in die afdelingen zijn gesteld. Dat betekent bijvoorbeeld dat aan een vergunning voor het aanleggen van een weg (artikel 3.54, aanhef en onder a) alleen voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden die strekken ter bescherming van de belangen die in artikel 3.40 zijn opgesomd (bijvoorbeeld het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid). En het zal dan ook niet zijn toegestaan om voorschriften aan die vergunning te verbinden met het oog op de landschappelijke waarde. Dat is namelijk niet een in artikel 3.40 genoemd oogmerk. In het derde lid is bepaald dat het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking van een vergunning, ontheffing of aanwijzing. Als blijkt dat een voorschrift of beperking niet wordt nageleefd kan het college daartegen handhavend optreden. Artikel 3.7 (persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing) [artikel 1:5 APV 2020] Volgens dit artikel geldt een vergunning of ontheffing alleen voor degene aan wie zij is verleend. In deze verordening kan van die regel wel worden afgeweken. Afwijkingen zijn bijvoorbeeld opgenomen in de regels over het innemen van standplaatsen (paragraaf 3.4.6).

Volgens artikel 3.74 kan de vergunning voor het innemen van een standplaats op naam worden gesteld van een ander dan degene aan wie zij is verleend. In het tweede en derde lid van dat artikel zijn de voorwaarden geregeld waaraan moet worden voldaan. Artikel 3.8 (intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing) [artikel 1:6 APV 2020, artikel 11 Beleidsregels standplaatsen, artikelen 15 en 20, vierde lid, Erfgoedverordening, artikel 8 Bomenverordening] Onder bepaalde omstandigheden kan een vergunning of ontheffing worden ingetrokken of gewijzigd. De omstandigheden waarbij dat mogelijk is, zijn opgesomd in de onderdelen a tot en met f. Het betreft hier een alternatieve opsomming dat tot uitdrukking wordt gebracht met het woordje ‘of’ aan het sloten van onderdeel e. Dat betekent dat slechts aan een voorwaarde hoeft te worden voldaan om de vergunning of ontheffing te kunnen intrekken of wijzigen. Artikel 3.9 (termijn vergunning en ontheffing) [artikel 1:7 APV 2020] In de regel geldt een vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd. Dat is alleen anders als in deze verordening is geregeld dat een vergunning of ontheffing slechts geldt voor een bepaalde termijn. Een vergunning voor het innemen van een standplaats wordt bijvoorbeeld verleend voor een periode van vijf jaar en een vergunning voor het vellen van een houtopostand voor drie jaar.

Daarnaast kan het zijn dat de aard van de vergunning of ontheffing zich verzet tegen een vergunning voor onbepaalde tijd. Daarvan is volgens het tweede lid in ieder geval sprake als het aantal vergunningen of ontheffingen dat wordt verleend is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 3.10 (algemene beoordelingsregels) [ artikel 1:8 APV 2020] In de afdelingen 3.2 tot en met 3.6 is voor verschillende activiteiten een vergunning of ontheffing verplicht gesteld. Voor die activiteiten is vaak ook geregeld aan welke criteria moet worden voldaan om een vergunning te kunnen verkrijgen. Die criteria worden in de Omgevingswet beoordelingsregels genoemd. Dat zijn de regels die worden toegepast bij het beoordelen van vergunningaanvragen. In de afdelingen 3.2 tot en met 3.6 staan veelal bijzondere beoordelingsregels die zijn toegespitst op de desbetreffende activiteit. Daarnaast zijn er algemene beoordelingsregels die bij het beoordelen van alle vergunningaanvragen worden toegepast. Die algemene beoordelingsregel is opgenomen in artikel 3.10. Eerste lid

Met ‘de belangen’ worden bedoeld de belangen die zijn opgesomd in de artikelen met het opschrift ‘oogmerken’. Bij de beoordeling van een aanvraag om een vergunning voor het aanleggen van een uitrit naar de weg (artikel 3.57) zal het college dus bijvoorbeeld de belangen betrekken die zijn opgesomd in artikel 3.40. Die vergunning kan het college onder andere weigeren vanwege het belang van het behouden van de verkeersveiligheid (artikel 3.40, eerste lid, onder b) of de bescherming van het openbaar groen (artikel 3.40, tweede lid). Een ander voorbeeld is het vellen van een monumentale houtopstand. Die activiteit is vergunningplichtig op grond van artikel 3.100. Op grond van artikel 3.10 in samenhang met artikel 3.98, eerste lid, kan de vergunning voor het vellen worden geweigerd met het oog op de natuurbescherming. Tweede lid Het tweede lid is bedoeld om te voorkomen dat het college in een zeer korte tijd een aanvraag moet beoordelen omdat het voornemen bestaat om binnen drie weken na het doen van de aanvraag te beginnen met de activiteit. Als de aanvraag minder dan drie weken voor de beoogde datum van het begin van de activiteit is ingediend, kan het college de vergunning of ontheffing dan ook weigeren als daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 3.11 (maatwerkvoorschriften) Eerste en tweede lid Het eerste lid geeft het college de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen over de regels in hoofdstuk 3. De mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften wordt breed opengesteld voor alle artikelen in dit hoofdstuk. Maatwerkvoorschriften kunnen de algemene regels in hoofdstuk 3 niet alleen aanvullen, maar er ook van afwijken. De bevoegdheid om af te wijken van de algemene regels is gegeven in het tweede lid. Met een maatwerkvoorschrift mag niet worden afgeweken van de specifieke zorgplichten in hoofdstuk 3 (artikelen 3.3, 3.33, 3.42, 3.53, 3.84 en 3.91). Daarmee zou namelijk buiten de oogmerken van dit hoofdstuk worden getreden. Wel mag er met maatwerkvoorschriften invulling worden gegeven aan de specifieke zorgplichten van dit hoofdstuk. Derde lid Maatwerk houdt altijd rekening met de oogmerken in de afdelingen 3.2 tot en met 3.6 en mag daar niet mee in strijd zijn. Vierde lid Als op een activiteit zowel algemene regels van toepassing zijn als een vergunningplicht, wordt maatwerk op de algemene regels in de vergunning opgenomen in de vorm van een vergunningvoorschrift. Dit zorgt ervoor dat het maatwerk optimaal wordt afgestemd op de andere vergunningvoorschriften, zodat de activiteit als geheel integraal beoordeeld en geregeld wordt.

Voor zover de vergunning ook ziet op algemeen geregelde activiteiten voorkomt dit een stapeling van de vergunning met losse maatwerkvoorschriften. De voorkeur voor integratie van maatwerk in de vergunning is geregeld in het vierde lid van dit artikel. Daarin is bepaald dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld als het mogelijk is om over het onderwerp een voorschrift aan de vergunning te verbinden. Die mogelijkheid is er steeds voor zover er voor een activiteit een vergunningplicht geldt. Voorschriften kunnen immers niet alleen bij het verlenen van de vergunning worden gesteld, maar ook door wijziging van de vergunning. Een aanvraag om een maatwerkvoorschrift over een (gedeelte van) een activiteit waarvoor al een vergunning is verleend, moet dus worden beschouwd als een aanvraag om de voorschriften van die vergunning te wijzigen. En het ambtshalve toepassen van de bevoegdheid van dit artikel leidt bij die activiteit tot het ambtshalve wijzigen van de verleende vergunning.

Artikel 3.12 (ongewoon voorval) Eerste lid Zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval moet het college direct worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Ongewoon voorval wordt in bijlage I bij deze verordening omschreven als een gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. Het gaat dus om voorvallen met een duidelijk negatief gevolg voor de fysieke leefomgeving. De definitie beperkt ongewone voorvallen tot afwijkende gebeurtenissen die significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen hebben. Dat betekent dat de regels er niet toe verplichten om het bevoegd gezag te informeren over gebeurtenissen die afwijken van het normale verloop van een activiteit maar die geen significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben. Zie voor verdere uitleg over ongewone voorvallen afdeling 3.6 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving.3 Tweede lid In het tweede lid is bepaald welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het college moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is.

Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf. Derde lid Het derde lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt voor ongewone voorvallen waarop de Wet milieubeheer van toepassing is. Die wet bevat namelijk zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen.

AFDELING 3.2 BOUWACTIVITEITEN § 3.2.1 Algemeen Artikel 3.13 (oogmerken) Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over bouw-, aanleg-, en sloopactiviteiten in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.13 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 3.13 werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 3.11. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels. Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht. § 3.2.2 Bouwen op verontreinigde bodem Artikel 3.14 (aanwijzing activiteiten) [artikelen 2.1.5, tweede lid, en 2.4.1 Bouwverordening]

3

Stb. 2018, 293.

Artikel 8, tweede lid, onder c, van de Woningwet geeft de gemeenteraad de opdracht om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In artikel 8, derde lid, van de Woningwet is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. Met paragraaf 3.2.2 wordt uitvoering gegeven aan deze opdracht van de Woningwet. Bij de uitwerking is zoveel mogelijk geanticipeerd op de bepalingen die met het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet zijn toegevoegd aan de regels van de bruidsschat (omgevingsplan van rijkswege). Voor de inwerkingtreding van deze verordening was deze materie geregeld in de Bouwverordening. Eerste lid In het eerste lid is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is, aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. De definities van bodemgevoelig gebouw en bodemgevoelige locatie zijn gegeven in het tweede en derde lid (zie de toelichtingen hieronder). Het gaat hier alleen om de vergunningplichtige bouwwerken. Dat betekent bijvoorbeeld dat deze paragraaf niet van toepassing is op het bouwen van bijbehorende bouwwerken van ten hoogste 50 m2.

De waarde van 50 m2 sluit aan bij de onderste afbakening die in het Besluit omgevingsrecht is opgenomen voor bijbehorende bouwwerken: iedereen met een tuin tot 100 m2 mag 50% hiervan vergunningvrij bebouwen en hoeft hiervoor geen bodemonderzoek te verrichten. Deze grens van 50m2 gaat niet over het bouwen van een hoofdgebouw, alleen om bijbehorende bouwwerken als onderdeel van of bij reeds bestaande hoofdgebouwen. Dat sluit niet uit dat het verstandig kan zijn om een bodemonderzoek te doen, zeker als er informatie is die aanleiding geeft tot een vermoeden dat er (historische) verontreiniging aanwezig kan zijn. Het moment waarop een nieuw hoofdgebouw wordt gebouwd, is het passende moment om bodemonderzoek te verrichten en maatregelen te treffen. Voor de realisatie van een bodemgevoelig gebouw is het nodig met een verkennend bodemonderzoek vast te stellen of de locatie geschikt is voor de nieuwbouw. Met het bodemonderzoek moet de hele bodemgevoelige locatie worden onderzocht Tot slot zijn uitgezonderd de activiteiten die naar aard en omvang gelijk zijn aan de activiteiten, bedoeld in artikel 2 of 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Deze uitzondering is in overeenstemming met artikel 8, derde lid, onder b, van de Woningwet.

Tweede lid Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Voor de definitie van ‘gebouw’ wordt in bijlage I verwezen naar de Woningwet. Die wet omschrijft ‘gebouw’ als bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Een bouwwerk is een constructie van enige omvang of een gedeelte daarvan, van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren (zie bijlage I). Voorbeelden van gebouwen die buiten de reikwijdte van het begrip bodemgevoelig gebouw vallen, zijn een transformatorhuisje, een gemaal, een schuur bij een woning of een loods waar alleen kort wordt geladen of gelost en waar de rest van de tijd geen personen of werknemers verblijven. Een ander element in de definitie van ‘bodemgevoelig gebouw’ is dat het gaat om een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de grond raakt. De ratio hiervan is dat daar blootstelling kan plaatsvinden en risico’s voor de gezondheid kunnen optreden.

Het gaat bijvoorbeeld niet om een uitbouw op de eerste verdieping of een dakkapel, omdat bij dergelijke bouwactiviteiten de gezondheidsrisico’s door de bodemkwaliteit niet toenemen. Blootstelling kan bij een woonschip of woonwagen plaatsvinden, voornamelijk door het direct aangrenzende terrein of de tuin, net als bij andere woningen met een tuin. Hoewel een woonschip strikt genomen niet de grond raakt,

kunnen er wel vergelijkbare gezondheidsrisico’s optreden als bij grondgebonden woningen met een tuin en daarom zijn ze expliciet toegevoegd aan het begrip bodemgevoelig gebouw. Derde lid Het derde lid bepaalt wat in ieder geval onder een bodemgevoelige locatie moet worden verstaan. Een bodemgevoelige locatie is een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een bestemmingsplan, een beheersverordening of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Bovendien valt een onmiddellijk aan een woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein onder de definitie van een bodemgevoelige locatie. De term ‘toelaten’ geeft aan dat hieronder ook een gebouw of deel van een gebouw wordt verstaan dat nog niet aanwezig is. Voor het gemak wordt hierna uitgegaan van het voorbeeld van een woning. Dit betekent dat al wordt aangesloten bij het moment dat een woning is geprojecteerd, dat wil zeggen dat de functie wonen is toegedeeld aan de locatie. Dat kan een andere functie zijn dan de huidige functie, bijvoorbeeld als gevolg van functiewijziging al dan niet na sloop van bestaande bebouwing. Ook als een woning nog niet feitelijk aanwezig is, kan er dus sprake zijn van een bodemgevoelige locatie.

Een bodemgevoelige locatie is ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. Omdat het aaneengesloten terrein van één eigenaar kan bestaan uit meerdere kadastrale percelen, is ervoor gekozen om niet uit te gaan van het kadastrale perceel. Dit sluit aan bij de regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond in de Woningwet. De tuin is bij uitstek gevoelig voor contact door mensen met bodemverontreiniging, bijvoorbeeld door het naar binnen lopen (huisstof), spelende kinderen, tuinieren en verbouwen van voedselgewassen. Het bouwen van een gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt ook kortweg aangeduid als: bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Artikel 3.15 (aanvraagvereisten) [Artikel 2.1.5, eerste, derde, vierde en vijfde lid, Bouwverordening] De aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor het bouwen zijn geregeld in de Regeling omgevingsrecht. Volgens artikel 2.4 van die regeling moet bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden verstrekt. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er op de locatie waar de bouwactiviteiten zullen worden verricht sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.

Als er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging moeten voor het in gebruik nemen van het gebouw sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen waarmee de gezondheidsrisico’s voor de gebruikers van het bouwwerk worden beperkt. Van een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval sprake bij een sanering overeenkomstig: a. het Besluit uniforme saneringen; of b. een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd. Op grond van artikel 4.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht hoeven de gegevens en bescheiden waarover het bevoegd gezag reeds beschikt niet bij de aanvraag te worden verstrekt. Met het derde lid, onder a, is die regel verbijzonderd door aan te geven dat de uitzondering alleen geldt als de resultaten van een verricht bodemonderzoek voldoende actueel en bruikbaar zijn. Bij een ‘te oud’ onderzoek met resultaten die naar verwachting geen representatief beeld meer geven van de verontreinigingssituatie, is deze uitzondering dus niet van toepassing en zal een nieuw bodemonderzoek moeten worden verricht. Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725 wordt verricht - ook wel historisch onderzoek genoemd - voor

het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan op grond van het derde lid, onder b, worden afgeweken van de verplichting tot het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Het vierde lid, onder b, richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707 ontwikkeld. De strekking van het vijfde lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt voordat de bestaande bebouwing is gesloopt en eventueel door deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd. Het gevolg van het vijfde lid is dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden verstrekt bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarom behoort dit onderzoek tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Artikel 3.16 (specifieke beoordelingsregel) [artikel 2.4.1 Bouwverordening] Wanneer er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging op de locatie waar de bouwactiviteit wordt verricht, kan de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit alleen worden verleend als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

Van een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval sprake bij een sanering overeenkomstig: a. het Besluit uniforme saneringen; of b. een saneringsplan als bedoeld in artikel 39 van de Wet bodembescherming waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd. Artikel 3.17 (vergunningvoorschriften) [artikel 2.4.2 Bouwverordening] In dit artikel is geregeld welke voorschriften in ieder geval aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden als er sprake is van het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waar sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Op grond van onderdeel a wordt in een vergunningvoorschrift geregeld dat het gebouw of een gedeelte daarvan alleen in gebruik mag worden genomen als sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen. Het gaat daarbij om maatregelen ter bescherming van de gebruikers van het gebouw. Als verontreiniging in de bodem achterblijft kan worden gedacht aan een isolerende verhardingslaag waardoor contact met de aanwezige verontreiniging kan worden voorkomen. Tevens moet aan de vergunning het voorschrift worden verbonden dat voor ingebruikname van het gebouw of een gedeelte daarvan, aan het college informatie wordt verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen.

Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn getroffen. Daartoe dient het voldoen aan deze informatieplicht als voorwaarde voor ingebruikname. De Wet bodembescherming en het Besluit uniforme saneringen kennen een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de bodemsanering. De strekking is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het college informeert dat en hoe de sanering is uitgevoerd. Dit geeft het college de gelegenheid om adequaat en tijdig toezicht te houden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.

AFDELING 3.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN

§ 3.3.1 Algemeen Artikel 3.24 (oogmerken) Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.24 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 3.24 werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de toelichting op artikel 3.11. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels. Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht. § 3.3.2 Geluidhinder en lichthinder door festiviteiten Artikel 3.25 (aanwijzing activiteiten) In dit artikel is het vieren van festiviteiten aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikelen 3.26 en 3.27 [artikelen 4:2 en 4:3 APV 2020] In de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn de geluidwaarden opgenomen die door het verrichten van activiteiten niet mogen worden overschreden.

Op grond van artikel 2.21van dat besluit kunnen in een gemeentelijke verordening festiviteiten worden aangewezen waarvoor de geluidwaarden niet gelden omdat naleving daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Van die mogelijkheid is met artikel 3.26 gebruik gemaakt voor de zogenoemde collectieve festiviteiten. Dat zijn festiviteiten die niet aan een inrichting of een klein aantal inrichtingen zijn verbonden en die door het college zijn aangewezen. Op grond van artikel 3.26 kan het college de dagen of dagdelen aanwijzen in verband met de viering van collectieve festiviteiten waarop de geluidwaarden niet van toepassing zijn. Een zelfde uitzondering kan het college maken voor de verplichting om de verlichting bij een gelegenheid voor sportbeoefening in de buitenlucht uit te schakelen (artikel 3.148 Activiteitenbesluit milieubeheer). Voor het maken van een uitzondering op de geluidwaarden van de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en op de verplichting om de verlichting uit te schakelen van artikel 3.148 van dat besluit voor incidentele festiviteiten biedt artikel 3.27 een regeling. Op grond van dit artikel kan per kalenderjaar tijdens ten hoogste zes incidentele festiviteiten worden afgeweken van die geluidwaarden en de verplichting om de verlichting uit te schakelen.

Onder een incidentele festiviteit wordt verstaan een festiviteit die aan een inrichting of een klein aantal inrichtingen is verbonden. Voordat een incidentele festiviteit plaatsvindt moet het college in kennis worden gesteld. Dat moet ten minste twee weken voor het begin ervan met een door het college vastgesteld formulier. Bovendien moeten de omwonenden binnen een straal van 50 m ten minste 48 uur voor het begin ervan in kennis worden gesteld. De uitzonderingen op de geluidwaarden voor incidentele festiviteiten gelden op grond van artikel 3.27, vijfde lid, niet op zondag tot en met donderdag na 23.59 uur en op vrijdag en zaterdag na 01.00 uur. De uitzondering op de verplichting om de verlichting uit te schakelen geldt niet na 23.59 uur. In het vierde lid van artikel 3.27 zijn de geluidwaarden opgenomen die door de incidentele festiviteit niet mogen worden overschreden. In de leden 6 en 8 zijn aanvullende eisen gesteld om de geluidhinder te beperken. Artikel 3.28 (wijze van geluidmeten) [artikel 4:4 APV 2020]

In dit artikel is geregeld dat de metingen en berekeningen ter controle van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 3.26 en 3.27, moeten worden verricht volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, van het ministerie van VROM, uitgave 1999. In het tweede tot en met het vijfde lid is een aantal van de handleiding afwijkende en daarop aanvullende eisen opgenomen. § 3.3.3 Geluidhinder door toestellen of geluidsapparaten en laden en lossen Artikel 3.29 (aanwijzing activiteiten) In het eerste lid zijn het gebruiken van toestellen of geluidsapparaten waardoor geluidhinder wordt veroorzaakt en het laden en lossen aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het tweede lid zondert de activiteiten in een inrichting uit van de reikwijdte van de regels in deze paragraaf. Bij een inrichting gaat het volgens bijlage I om een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer. Artikel 3.30 (geluidhinder door toestellen of geluidsapparaten) [artikel 4:6 APV 2020] Op grond van dit artikel is het verboden om toestellen of geluidsapparaten waardoor geluidhinder wordt veroorzaakt te gebruiken. Van dit verbod kan het college ontheffing verlenen op grond van artikel 3.4. Artikel 3.31 (geluidhinder door laden en lossen) [artikel 4:6 APV 2020] In dit artikel zijn regels gesteld over het laden en lossen.

Het is niet toegestaan om tussen 23:00 uur en 07:00 uur te laden of te lossen. Een uitzondering geldt voor het laden en lossen op een markt op een dag waarop markt wordt gehouden. § 3.3.4 Afvalbeheer Artikel 3.32 (aanwijzing activiteiten) In het eerste lid zijn het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, het ter inzameling aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, andere activiteiten met afvalstoffen en activiteiten waardoor zwerfafval kan ontstaan aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De regels in deze paragraaf geven uitvoering aan de verplichting van artikel 10.23 van de Wet milieubeheer, waarin de gemeenteraad wordt opgedragen om in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast te stellen. In het tweede lid is een uitzondering gemaakt op artikel 3.1, tweede lid, dat bepaalt dat de regels in hoofdstuk 3 niet van toepassing zijn op activiteiten die door of vanwege de gemeente Oegstgeest worden verricht voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak.

Het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen die naar aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, is namelijk een publiekrechtelijke taak die in artikel 10.21 van de Wet milieubeheer is opgedragen aan het gemeentebestuur. Het is van belang om voor die activiteit regels te stellen over het inzamelen. Om die reden is in het tweede lid een uitzondering opgenomen op artikel 3.1, tweede lid. Artikel 3.33 (specifieke zorgplicht) [artikelen 14 tot en met 20 Afvalstoffenverordening 2021] In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geconcretiseerd voor de activiteiten die zijn geregeld in deze paragraaf.

Op grond van artikel 10.25, onder a en b, van de Wet milieubeheer kunnen gemeenten in hun afvalstoffenverordening de zwerfafvalproblematiek regelen. Er is sprake van facultatief medebewind. Gemeenten hebben hiertoe de bevoegdheid, maar geen wettelijke plicht. Zwerfafval ontstaat niet alleen door illegale dumping maar kan ook ontstaan uit huishoudelijk afval, bijvoorbeeld als dat verkeerd is aangeboden of als ter inzameling gereedstaand huishoudelijk afval is doorzocht of omgeschopt. Zwerfafval komt ook in de openbare ruimte terecht via het publiek rondom winkels, eet- en drinkgelegenheden, evenementen of reclame- en promotiecampagnes. Met de specifieke zorgplicht wordt zwerfafval voorkomen en bestreden. Op grond van artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (hierna: BBA) moeten gemeenten in hun afvalstoffenverordening bepalen dat een autowrak, zijnde een huishoudelijke afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan autodemontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of aan een persoon die in een ander land dan Nederland is gevestigd (onder strikte voorwaarden). Op grond van artikel 7 van het BBA worden autowrakken afkomstig van huishoudens uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval. De onderdelen f en g hebben als doel om de verspreiding van ongewenst drukwerk te voorkomen.

Daarmee wordt uitvoering gegeven aan een van de maatregelen in de door de gemeenteraad van Oegstgeest vastgestelde ‘notitie voorgenomen maatregelen VANG’ van 19 december 2019. Inwoners hebben met de komst van de nieuwe JA - sticker de volgende mogelijkheden om hun voorkeur ten aanzien van de ontvangst van commercieel reclamedrukwerk en/of de huis-aan-huis bladen kenbaar te maken: Overzicht stickers JA/JA sticker Geen sticker NEE/JA sticker NEE/NEE sticker

Ongeadresseerd reclamedrukwerk gewenst Ja Nee Nee Nee

Ongeadresseerde huis-aanhuisbladen Ja Ja Ja Nee

In bijlage I zijn de definities opgenomen van huis-aan-huisblad en ongeadresseerd reclamedrukwerk. Met ongeadresseerd reclamedrukwerk wordt in deze verordening bedoeld al het reclamedrukwerk dat zonder adres wordt aangeboden. Onder deze definitie vallen alle aanduidingen zonder toevoeging van een feitelijk adres, zoals ‘aan de bewoners van dit pand of gebouw’. Drukwerk van vrijwilligers- en niet commerciële organisaties, waaronder ook politieke partijen, valt niet onder de definitie van ‘ongeadresseerd drukwerk’. De gemeente kiest voor dit onderscheid omdat de huis- aan-huisbladen en pamfletten een belangrijke functie voor onder meer de nieuwsverspreiding op lokaal niveau en de sociale cohesie in de buurt hebben. Daarbij hebben deze bladen een lage frequentie. In de definitie van de ‘huis-aan-huisblad’ is een norm gehanteerd van 10% aan inhoudelijk buurtgericht nieuws. Hiermee sluit deze verordening aan op de norm die landelijk door de Stichting Reclamecode wordt gehanteerd. In onderdeel f is bepaald dat bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk uitsluitend is toegestaan als de ontvanger onmiskenbaar met een JA/JA - sticker duidelijk heeft gemaakt het ongeadresseerde reclamedrukwerk te willen ontvangen. Daarbij gaat het niet alleen om de bezorging maar ook om het laten bezorgen. De adverteerders dienen zich ook aan de systematiek van de JA/JA-sticker te houden.

In onderdeel g is bepaald dat huis-aan-huisbladen mogen worden bezorgd, tenzij de ontvanger onmiskenbaar duidelijk heeft gemaakt deze bladen niet te willen ontvangen. Artikel 3.34 (inzamelen huishoudelijke afvalstoffen) [artikelen 3 en 4 Afvalstoffenverordening 2021]

In het eerste lid is een verbod opgenomen voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, geldt dit verbod niet voor de inzameldienst die door het college is aangewezen voor het inzamelen. De zorg voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen berust volgens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer op de gemeenteraad en het college. De aangewezen inzameldienst zal aan die zorg praktische uitvoering geven. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, geldt het verbod ook niet voor een andere inzamelaar dan de inzameldienst:  die door het college is aangewezen voor het inzamelen;  die op grond van nadere regels van het college is vrijgesteld van het verbod; of  die op grond van artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onder b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer verplicht is tot inname van de huishoudelijke afvalstoffen. Het gaat hier om inzamelaars die bepaalde bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen mogen inzamelen. Inzamelen is op de eerste plaats toegestaan voor inzamelaars die daartoe zijn aangewezen door het college. Het gaat dan om een beschikking waaraan op grond van artikel 3.6 voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. Een aanwijzing wordt niet van rechtswege verleend als sprake zou zijn van niet tijdig beslissen. Dat is geregeld in artikel 3.4, vijfde lid.

Op de tweede plaats kan het college bepaalde personen of organisaties vrijstellen bij nadere regels. In het tweede lid, aanhef en onder b, is het mogelijk gemaakt dat er met generieke vrijstellingen kan worden gewerkt voor bijvoorbeeld scholen die papier inzamelen of voor andere organisaties of personen die bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen inzamelen als inzamelaar. Op de derde plaats zijn er producenten van bijvoorbeeld witgoed voor wie op grond van de Wet milieubeheer verplichtingen bestaan tot inname van afgedankte producten. Het gaat dan om de producentenverantwoordelijkheid. Vanzelfsprekend kan daarvoor geen verbod gelden. De aanwijzing van inzamelaars verschilt qua karakter van de aanwijzing van de inzameldienst. Het gaat bij de inzamelaars om personen of organisaties die om verschillende redenen behulpzaam willen zijn bij de taak om huishoudelijk afval in te zamelen. Deze aanwijzing heeft – anders dan de aanwijzing van de inzameldienst – het karakter van een vergunning en gaat niet gepaard met een uitvoeringsplicht.

Artikel 3.35 (aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen) [artikel 6 Afvalstoffenverordening 2021] Dit artikel regelt dat het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen niet anders mag geschieden dan door afgifte aan de aangewezen inzameldienst of aan een andere inzamelaar als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, of door achterlating op een door het college aangewezen inzamelplaats. De inzamelplaatsen worden aangewezen op grond van artikel 2.9. Dit tot de gebruikers van percelen waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan gerichte verbod is het spiegelbeeld van de in die artikelen tot de inzameldienst en andere inzamelaars gerichte verboden. Artikel 3.36 (gescheiden inzamelen en aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen)[artikelen 7 en 8 Afvalstoffenverordening 2021] Dit artikel regelt welke bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk moeten worden ingezameld, met welke frequentie en op welke locatie. Deze locatie kan zijn bij elk perceel, nabij elk perceel of een van deze met uitzondering van bepaalde gebieden van de gemeente.

Artikel 10.21 van de Wet milieubeheer schrijft voor dat het gemeentebestuur, al dan niet samen met het gemeentebestuur van andere gemeenten, ervoor zorgt dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Grove huishoudelijke afvalstoffen zijn daarvan uitgezonderd. GFT-afval moet volgens dit artikel verplicht afzonderlijk wordt ingezameld. De gemeenteraad kan volgens artikel 10.21, derde lid, van de Wet milieubeheer besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. Deze vrijheid is ingeperkt door artikel 3 van de Regeling afgedankte elektrische en

elektronische apparatuur. Dat verplicht gemeenten ertoe om afgedankte elektrische en elektronische apparatuur van particuliere huishoudens gescheiden in te zamelen. Bij de uitoefening van de bevoegdheden met betrekking tot afvalstoffen dient het gemeentebestuur bovendien rekening te houden met het Landelijk afvalbeheersplan (hierna: LAP). In het LAP zijn bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen benoemd, die door de consument gescheiden dienen te worden. In het Landelijke afvalbeheerplan 3 (hierna: LAP-3) is gesteld dat ‘het gewenste beleid betekent voor burgers dat zij in ieder geval glas, gft-afval, textiel, papier en karton en gevaarlijke afvalstoffen zouden moeten scheiden. In Oegstgeest stellen we dat de volgende afvalfracties gescheiden dienen te worden aangeleverd:  groente-, fruit- en tuinafval;  papier en karton;  glas;  textiel;  elektrische of elektronische apparatuur; en  klein chemisch afval. Daarnaast kan het college anderen bestanddelen aanwijzen die afzonderlijk moeten worden ingezameld op grond van het eerste lid, onder g. Het vierde lid biedt de mogelijkheid om meer maatwerk te kunnen geven.

Op grond van artikel 10.26 van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 10.21, in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bepalen dat:  huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld nabij elk perceel;  huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld met een daarbij aangegeven regelmaat;  in een gedeelte van het grondgebied van de gemeente geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld. Het regelen van de frequentie en de locatie van inzameling wordt in beginsel overgelaten aan het college. De raad bepaalt wel welke bestanddelen in ieder geval afzonderlijk ingezameld dienen te worden. Tenzij het college in het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer, zoals een operationele nascheiding, bepaalde bestanddelen achterwege wenst te laten. Dit is onder meer van belang omdat dit artikel aan burgers het verbod oplegt om die bestanddelen ongescheiden ter inzameling aan te bieden. Het derde lid regelt het spiegelbeeld van het eerste id. Wat gescheiden moet worden ingezameld, moet ook gescheiden worden aangeboden. Concrete omschrijvingen van de bestanddelen kunnen door het college in de nadere regels op grond van het vierde lid worden gegeven om discussies te slechten en om in het kader van de handhaving houvast te bieden.

Ook kan van de vrijstellingsmogelijkheid van het vijfde lid gebruik worden gemaakt om te regelen dat bepaalde hoeveelheden (fracties) van de bestanddelen mogen voorkomen bij de inzameling van andere bestanddelen. Artikel 3.37 (plaats, dag en tijd van aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen) [artikel 9 Afvalstoffenverordening 2021] De plaatsen, dagen en tijden voor de inzameling worden door het college bepaald. Het gaat hier om een besluit van algemene strekking. Op grond van het tweede lid kunnen de plaatsen, dagen en tijden voor de verschillende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen verschillen. Artikel 3.38 (inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen) [artikel 10 Afvalstoffenverordening 2021] Er is een onderscheid tussen inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen. Inzamelmiddelen dienen het ter inzameling aanbieden door een huishouden, zoals een minicontainer, afvalemmer, plastic afvalzak. Inzamelvoorzieningen dienen het collectief ter inzameling aanbieden door meerdere

huishoudens, zoals een verzamelcontainer of een wijkcontainer, voor het inzamelen daarvan. Op grond van dit artikel kunnen inzamelmiddelen worden voorgeschreven. Ook kunnen hier regels worden gesteld over het gebruik van inzamelvoorzieningen. Artikel 3.39 (aanbieden, overdragen en achterlaten van bedrijfsafvalstoffen) [artikelen 11, 12 en 13 Afvalstoffenverordening 2021] De inzameldienst kan ook bedrijfsafvalstoffen of bepaalde bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen inzamelen. Anders dan bij huishoudelijke afvalstoffen geldt voor bedrijfsafvalstoffen geen zorgplicht voor de gemeente. Inzameling van bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst is daarom een daarvan te onderscheiden activiteit waarbij de inzameldienst tegen vergoeding afval inzamelt bij bedrijven. In de praktijk gaat het daarbij veelal om afval uit de KWD-sector of bouwen sloopafval (voor zover dit niet wordt gerekend tot het huishoudelijk afval). Alleen de bedrijven die betalen voor de gemeentelijke inzamelvoorzieningen mogen hun bedrijfsafvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst. Het college kan, net als bij huishoudelijke afvalstoffen, regels stellen over de wijze waarop de afvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden. De basis voor het stellen van regels over de inzameling van bedrijfsafvalstoffen kan worden gevonden in artikel 10.23, derde lid, van de Wet milieubeheer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10869908/1