CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij RM d.d. 30 november 2021 Erratum Verordening fysieke leefomgeving Z-21-146019 Oegstgeest

Oordeelsvorming Ruimte 2 december 2021, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest43.679 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

als het gaat om een terras bij een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 van de Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest 2020: die openbare inrichting; d. een uittreksel van de Kamer van Koophandel; en e. een aanduiding en beschrijving van de overkappingen, afscheidingen, parasols, zonneschermen, windschermen, meubelen en andere voorzieningen en objecten die aanwezig zijn op of bij het terras. Artikel 3.79 (beoordelingsregel vergunning) 1. Onverminderd artikel 3.10 wordt de vergunning geweigerd als de activiteit: a. in strijd is met het van toepassing zijnde bestemmingsplan van de gemeente Oegstgeest; of b. niet in de onmiddellijke nabijheid van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 van de Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest 2020 wordt verricht. 2. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing als voor de activiteit een omgevingsvergunning voor een project als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend. 3. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid is ingediend, houdt het college de aanvraag om de vergunning voor het exploiteren van het terras aan totdat op de aanvraag om de omgevingsvergunning een besluit is genomen. 4.

Als niet binnen acht weken nadat de aanvrager door het college in kennis is gesteld van de mogelijkheid van het tweede lid, een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend, wordt de vergunning voor het exploiteren van het terras geweigerd. 5. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als het gaat om het exploiteren van een terras voor een beperkte tijdsduur. Artikel 3.80 (vergunningvoorschriften) Aan een vergunning kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden over: a. de afmetingen en situering van het terras; en b. de voorzieningen en objecten die aanwezig mogen zijn op of bij het terras. § 3.4.8 Reclame plaatsen

Artikel 3.81 (aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het op of aan een onroerende zaak reclame maken of voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding. Artikel 3.82 (verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame) 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak reclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. 3. Reclame rondom sportvelden is er niet op gericht om gezien te worden vanaf de openbare weg door situering of afmetingen. § 3.4.9 Gebruiken en veranderen van openbaar water en waterstaatswerken Artikel 3.83 (aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het gebruiken of veranderen van openbaar water en waterstaatswerken. Artikel 3.84 (specifieke zorgplicht) De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.83, in ieder geval in dat: a. geen gevaar ontstaat voor de veiligheid op het water; b. geen schade wordt toegebracht of verandering wordt aangebracht aan het openbaar water of waterstaatswerk; c. het beheer en onderhoud van het openbaar water of waterstaatswerk niet wordt belemmerd; d.

geen hinder of gevaar wordt veroorzaakt voor het scheepvaartverkeer; e. de vrije doorgang niet wordt belemmerd; en f. als objecten worden geplaatst: die objecten voldoende zichtbaar en stabiel zijn. Artikel 3.85 (melding plaatsen voorwerpen) 1. Het is verboden een steiger, meerpaal of ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water aan te leggen of in stand te houden zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2. Een melding bevat: a. naam, adres en contactgegevens van degene die de activiteit verricht; en b. een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. Artikel 3.86 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1. Het is verboden zonder vergunning met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op de door het college aangewezen gedeelten van het openbaar water. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. buiten de periode vanaf Goede Vrijdag tot en met de herfstvakantie voor de regio Midden zoals geadviseerd door de rijksoverheid; b. als de eigenaar van het vaartuig de eigenaar of huurder is van het perceel waaraan de ligplaats grenst en het gaat om ten hoogste twee vaartuigen; of c de eigenaar van het vaartuig de eigenaar of huurder van de ligplaats is. Artikel 3.87 (ligplaatsen vaartuigen) 1.

Met het oog op het behoeden van de staat en werking van openbare wateren voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wateren en het behouden en bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte wordt met een vaartuig geen ligplaats ingenomen of ter beschikking gesteld, tenzij het gaat om een ligplaats in een door het college aangewezen gedeelte van het openbaar water. 2. Artikel 3.86, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. Het college kan over het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats: a. nadere regels stellen in het belang van de volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. Artikel 3.88 (nakoming aanwijzingen) De rechthebbende op een vaartuig volgt de aanwijzingen op die door of namens het college worden gegeven: a. bij het innemen van een ligplaats; of b. bij het uitvoeren van werkzaamheden door de gemeente aan of nabij de ligplaats.

AFDELING 3.5 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT CULTUREEL ERFGOED § 3.5.1 Algemeen Artikel 3.89 (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beheer en behoud van cultureel erfgoed dat van bijzonder belang is voor de gemeente Oegstgeest vanwege de esthetische, cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. § 3.5.2 Beschermde gemeentelijke monumenten en voorbeschermde monumenten Artikel 3.90 (aanwijzing activiteiten) Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1 worden aangewezen: a. het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een beschermd gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument; en b. het herstellen of gebruiken van een beschermd gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Artikel 3.91 (specifieke zorgplicht) De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.90, in ieder geval in dat: a. alle maatregelen worden getroffen om beschadiging of vernieling van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument te voorkomen; en b. onderhoud wordt verricht voor de instandhouding van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument. Artikel 3.92 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1.

Het is verboden zonder vergunning een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument: a. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen; of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover het gaat om: a. noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; b. alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; of c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: 1°. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; 2°. doen van begravingen of asbijzettingen; of 3°. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.

3. Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument. Die regels kunnen inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een verplichting om voorafgaand aan de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, een melding te doen aan het college. Artikel 3.93 (overeenstemming over kerkelijke monumenten) Een vergunning voor een kerkelijk monument wordt alleen verleend in overeenstemming met de eigenaar.

§ 3.5.3 Beschermde gemeentelijke dorpsgezichten Artikel 3.94 (aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het slopen van bouwwerken of delen van bouwwerken in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht. Artikel 3.95 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1. Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht te slopen. 2. Het verbod is niet van toepassing op het slopen van bouwwerken waarvoor ingevolge artikel 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen vergunning voor het bouwen daarvan is vereist. Artikel 3.96 (beoordelingsregels) Onverminderd artikel 3.10 kan de vergunning worden geweigerd als niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. § 3.5.4 Vangnet archeologie Artikel 3.97 (vangnet archeologie) 1. Dit artikel is alleen van toepassing op het verrichten van activiteiten op een locatie waarvoor geen regels ter bescherming van archeologische monumenten of archeologische vondsten zijn gesteld in het van toepassing zijnde bestemmingsplan. 2. Het is verboden de bodem dieper dan 50 cm onder het maaiveld te verstoren in een archeologisch monument of op een locatie waar archeologische vondsten worden verwacht, tenzij: a.

voor de activiteit een omgevingsvergunning voor een project als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; b. het gaat om een verstoring: 1°. in een gebied met een gematigde archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 250 m2; 2°. in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2; 3°. in een gebied met archeologische waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 25m 2; 4°. door een bouwactiviteit; of 5°. van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteit geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische vondsten wordt voorkomen; of d. met een vooronderzoek is aangetoond dat: 1°. het behoud van de archeologische vondsten in voldoende mate kan worden gewaarborgd;

2°. de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of 3°. er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 3. Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.

AFDELING 3.6 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT FLORA EN FAUNA § 3.6.1 Algemeen Artikel 3.98 (oogmerken) 1. De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming. 2. De regels over het vellen van houtopstanden in paragraaf 3.6.2 zijn ook gesteld met het oog op: a. de instandhouding van het bosareaal in de gemeente Oegstgeest; b. de leefbaarheid van gebieden; en c. de volgende waarden van houtopstanden: 1°. de natuur- en milieuwaarde; 2°. de landschappelijke waarde; 3°. de cultuurhistorische waarde; 4°. de dendrologische waarde; 5°. de beeldbepalende waarde; 6°. de stads- en dorpsschoon waarde; en 7°. de recreatieve waarde. § 3.6.2 Vellen van houtopstanden Artikel 3.99 (aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het vellen van houtopstanden. Artikel 3.100 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen, monumentale of waardevolle houtopstand) 1. Het is verboden zonder vergunning een monumentale of waardevolle houtopstand te vellen. 2. Het verbod geldt niet voor: a. het vellen van een houtopstand dat is vereist op grond van de Plantenziektenwet of een bestuurlijke sanctie van het college; b. het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vormen knotbomen; c. dunning op basis van een door college goedgekeurd beheerplan, van houtopstanden in eigendom van de gemeente; of d.

velling van dode of niet meer te herstellen houtopstand in eigendom van de gemeente, waarvan de toestand door een boomdeskundige is vastgesteld. Artikel 3.101 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen, overige houtopstand) 1. Onverminderd artikel 3.100 is het verboden zonder vergunning een andere dan een monumentale of waardevolle houtopstand te vellen, als het gaat om: a. een boom met een stamdiameter van ten minste 15 cm in een boomgebied; b. hakhout dat deel uitmaakt van een boomgebied; c. houtopstand aangeplant op grond van de artikelen 3.105 en 3.106; of d. houtopstand aangelegd op grond van een anterieure overeenkomst die de gemeente heeft gesloten met een andere partij. 2. Het verbod geldt niet voor: a. gevallen als bedoeld in artikel 3.100, tweede lid; b. velling op basis van een goedgekeurd vervangingsplan houtopstanden die eigendom zijn van de gemeente;

c. het vellen van houtopstanden die eigendom zijn van de Stichting ‘Het Zuid-Hollands Landschap’ of waarvan die stichting de zakelijk gerechtigde is, in opdracht van die stichting en op basis van een door het college goedgekeurd beheerplan; of d. het vellen van: 1°. fruitbomen, tenzij het gaat om hoogstamfruitbomen; 2°. windschermen om boomgaarden die in werking zijn; 3°. naaldbomen, niet ouder dan twintig jaar, bedoeld om te dienen als kerstbomen; 4°. kweekgoed; 5°. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: i. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; ii. bestaan uit ten minste 10.000 stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en iii. zijn aangelegd na 1 januari 2013. Artikel 3.102 (bijzondere aanvraagvereisten vergunning) 1. Bij de aanvraag om een vergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de startdatum van het vellen; b. een toelichting waarom het vellen van de houtopstand nodig is; c. de oppervlakte van de te kappen houtopstand in vierkante meters; d. een specificatie van: 1°. het aantal te kappen bomen; 2°. de soortaanduiding van de bomen; en 3°. de leeftijd van de bomen; e.

als sprake is van rijbeplanting: de onderlinge plantafstand in de rij in meters; f. een kaart, foto of tekening van de locatie waarop de te vellen houtopstand is geïdentificeerd; g. een aanduiding van de stamdiameter in centimeters van iedere boom; h. een schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de houtopstand, als dat een ander is dan de aanvrager; i. een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of andere toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van het project; en j. een plan voor herbeplanting met ten minste de volgende gegevens: 1°. de locatie en de oppervlakte in vierkante meters van de herbeplante houtopstand; 2°. een specificatie van: i. het aantal herbeplante bomen; ii. de soortaanduiding van de herbeplante bomen; en iii. de maat en kwaliteit van de herbeplante bomen; en 3°. een toelichting op geplande uitvoering van de herplanting. 2. Aanvullend op het eerste lid, kan het college de aanvrager verzoeken om de volgende gegevens en bescheiden te verstrekken: a. de resultaten van een bomeneffectanalyse; b. een compensatieplan; of c. een rapportage van een boomdeskundige met de resultaten van een nader onderzoek naar de houtopstand. Artikel 3.103 (beoordelingsregels) 1. De vergunning kan worden verleend als: a.

het vellen is vereist vanwege een vordering tot verwijdering van de houtopstand op grond van artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek; of b. de houtopstand direct gevaar oplevert die noodkap noodzakelijk maakt. 2. Als de alternatieven tot behoud van de houtopstand voldoende zijn onderzocht en niet uitvoerbaar zijn kan een vergunning voor het vellen van een monumentale of waardevolle houtopstand, onverminderd het eerste lid, worden verleend: a. als het gaat om het vellen van een monumentale houtopstand: als een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen het belang van behoud van de houtopstand;

b. als het gaat om het vellen van een waardevolle houtopstand: als een algemeen maatschappelijk belang of een zwaarwegend individueel belang van niet tijdelijke aard opweegt tegen het belang van behoud van de houtopstand; of c. als volgens een boomdeskundige: 1°. de verwachte levensduur van de houtopstand minder is dan 5 jaar; 2°. instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of ernstige schade; of 3°. er sprake is van noodzakelijke maatregelen tot behoud van de houtopstand, die niet vallen onder regulier periodiek onderhoud. 3. Een vergunning voor het vellen van een andere dan een monumentale of waardevolle houtopstand kan, onverminderd het eerste lid, worden verleend als het belang dat is gediend bij het vellen opweegt tegen een waarde als bedoeld in artikel 3.98, tweede lid, onder c. Artikel 3.104 (termijn vergunning) 1. In afwijking van artikel 3.9 geldt een vergunning voor het vellen van een houtopstand voor een periode van drie jaar. 2. Na het verstrijken van die periode is het verboden de activiteit voort te zetten als het vellen nog niet is afgerond, tenzij voor het vellen een nieuwe vergunning is verstrekt. Artikel 3.105 (vergunningvoorschriften) 1.

Aan een vergunning wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat binnen een bij dat voorschrift gestelde termijn en volgens de door het college gegeven aanwijzingen wordt overgegaan tot het herplanten van houtopstand, tenzij daarvan met redenen omkleed wordt afgeweken. 2. Als herplanten niet mogelijk is op of in de nabijheid van de locatie waarop de houtopstand wordt geveld, kan aan de vergunning een voorschrift worden verbonden die inhoudt dat een geldelijke bijdrage moet worden geleverd aan een fonds, waarvan de hoogte is gebaseerd op de maximale boomwaarde van de gevelde houtopstand. 3. Als herplanten slechts gedeeltelijk mogelijk is kan aan de vergunning een voorschrift worden verbonden die inhoudt dat een geldelijke bijdrage moet worden geleverd aan een fonds, waarvan de hoogte is gebaseerd op de maximale boomwaarde van de gevelde houtopstand minus de kosten van het materiaal voor het herplanten. 4. Als aan de vergunning het voorschrift, bedoeld in het eerste lid, is verbonden wordt ook bepaald binnen welke termijn houtopstand die is herplant en niet is aangeslagen moet worden vervangen. 5. In de vergunning kan worden bepaald dat pas met het vellen van de houtopstand mag worden begonnen als: a. alle vergunningen, ontheffingen en andere toestemmingen die nodig zijn om het project te realiseren, onherroepelijk zijn; of b.

de voortgang van het project waar het vellen van de houtopstand onderdeel van uitmaakt, voldoende is gewaarborgd. Artikel 3.106 (herplantplicht) 1. Als het vellen van houtopstand is vereist op grond van de Plantenziektenwet of een bestuurlijke sanctie van het college, kan het college aan de rechthebbende op de houtopstand met een maatwerkvoorschrift de verplichting opleggen tot herbeplanting binnen een bepaalde termijn. 2. In het maatwerkvoorschrift kan het college aanwijzingen geven over de wijze waarop de herbeplanting moet worden verricht. Artikel 3.105, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3. Als de verplichting is opgelegd geldt die ook voor de rechtsopvolger van de rechthebbende. Artikel 3.107 (instandhoudingsplicht) 1. Als een houtopstand waarvoor de verboden gelden van de artikelen 3.100 en 3.101 ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het college aan de rechthebbende met een maatwerkvoorschrift de verplichting opleggen om binnen een daarbij gestelde termijn en volgens de daarbij gegeven aanwijzingen:

a. maatregelen te treffen om die dreiging weg te nemen; b. de resultaten van een bomeneffectanalyse te verstrekken. 2. Als de verplichting is opgelegd geldt die ook voor de rechtsopvolger van de rechthebbende. Artikel 3.108 (bestrijding van ziekten) Als een houtopstand gevaar oplevert voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van ziekteverspreiders, kan het college de rechthebbende met een maatwerkvoorschrift de verplichting opleggen om binnen een daarbij gestelde termijn en volgens de daarbij gegeven aanwijzingen: a. de houtopstand te vellen; b. de gevelde houtopstand: 1°. te behandelen om verspreiding van de boomziekte te voorkomen; 2°. op te slaan en te vervoeren. Artikel 3.109 (noodkap) Als een houtopstand door instabiliteit ernstig gevaar oplevert voor personen of zaken, kan het college de rechthebbende met een maatwerkvoorschrift de verplichting opleggen om binnen een daarbij gestelde termijn en volgens de daarbij gegeven aanwijzingen noodkap te verrichten. Artikel 3.110 (bescherming gemeentelijke houtopstanden) Het is verboden houtopstand die eigendom is van de gemeente te bekladden, te beplakken of te snoeien of aan die houtopstand voorwerpen aan te brengen, als daardoor schade kan ontstaan aan de houtopstand. Artikel 3.111 (afstand tot erfgrenslijn) 1. De afstand, bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is: a.

voor bomen: 0,5 m; b. voor heesters en heggen: nihil; en c. voor houtopstanden die voor 20 juni 2020 zijn aangeplant en: 1°. die staan vermeld op de groene kaart of de bomenlijst; of 2°. waarvoor het verbod geldt van artikel 3.101: 0,0 m. 2. Onder de bomen, bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen ook bomen met een stamdiameter van minder dan 15 cm. Artikel 3.112 (wijze van meten) 1. De stamdiameter van een boom worden gemeten op een hoogte van 130 cm boven het maaiveld. Bij meerstammigheid wordt de stamdiameter van de dikste stam gemeten. 2. De afstand van een boom tot de erfgrens wordt gemeten vanaf het hart van de stam.

HOOFDSTUK 4 BEHEER EN ONDERHOUD AFDELING 4.1 ONDERHOUD- EN INSTANDHOUDINGSVERPLICHTINGEN § 4.1.1 Algemeen Artikel 4.1 (toepassingsbereik) Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, beheren, onderhouden, vervangen en in stand houden van onderdelen van de fysieke leefomgeving die zijn aangewezen in deze afdeling. Artikel 4.2. (oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid; b. het beschermen van de gezondheid; en c. het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om: 1°. het beschermen tegen milieuverontreiniging; en

2°. het voorkomen of beperken van hinder. Artikel 4.3 (normadressaat) Aan deze afdeling wordt voldaan door de rechthebbende op een onderdeel van de fysieke leefomgeving. Artikel 4.4 (specifieke zorgplicht) De rechthebbende op een onderdeel van de fysieke leefomgeving die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dat onderdeel nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 4.2, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; en b. voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. § 4.1.2 Sloten, andere wateren en niet-openbaar vuilwaterriool Artikel 4.5 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het onderhouden en in stand houden van sloten, andere wateren, niet-openbare vuilwaterriolen en putten. Artikel 4.6 (specifieke zorgplicht voor toestand sloten en andere wateren) De zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor de rechthebbende op een perceel met een sloot of ander water in ieder geval in dat daarvoor voldoende zorg wordt gedragen zodat die sloot of ander water geen gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor derden oplevert.

Artikel 4.7 (specifieke zorgplicht voor toestand van niet-openbaar vuilwaterriool en putten) De zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor de rechthebbende op een gebouw in ieder geval in dat voldoende zorg wordt gedragen voor het niet-openbaar vuilwaterriool en de putten buiten het gebouw zodat die geen gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor derden opleveren.

AFDELING 4.2 GEDOOGPLICHTEN

Artikel 4.14 (voorzieningen voor verkeer en verlichting) De rechthebbende op een bouwwerk gedoogt het op of aan dat bouwwerk aanbrengen, onderhouden, wijzigen of verwijderen van voorwerpen, borden of voorzieningen voor het verkeer of de openbare verlichting. HOOFDSTUK 5 FINANCIËLE BEPALINGEN (gereserveerd)

HOOFDSTUK 6 PROCESREGELS AFDELING 6.1 ADVIES § 6.1.1 Advisering over cultureel erfgoed Artikel 6.1 (gemeentelijke monumenten)

1. Het college stelt de Monumentencommissie, bedoeld in de Verordening op de monumentencommissie, in de gelegenheid advies uit te brengen: a. over het voornemen, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, om een monument of een archeologisch monument aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument; of b. bij toepassing van artikel 2.2, vijfde lid, over het besluit tot aanwijzing. 2. De commissie brengt binnen acht weken schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing als advies is uitgebracht op grond van het eerste lid, aanhef en onder b. Artikel 6.2 (rijksmonumenten) 1. Het college stelt de Monumentencommissie, bedoeld in de Verordening op de monumentencommissie, in de gelegenheid advies uit te brengen over een ontvangen aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 2. De commissie brengt het advies binnen acht weken uit. Artikel 6.3 (gemeentelijke dorpsgezichten) 1. Het college stelt de Monumentencommissie, bedoeld in de Verordening op de monumentencommissie, in de gelegenheid advies uit te brengen over het voornemen om een dorpsgezicht aan te wijzen als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht op grond van artikel 2.5. 2. De commissie brengt het advies binnen acht weken uit.

§ 6.1.2 Advisering over welstand Artikel 6.4 (taken welstandscommissie) Er is een welstandscommissie die voor het beoordelen van aanvragen om omgevingsvergunningen voor bouwactiviteiten het college adviseert over redelijke eisen van welstand. Artikel 6.5 (samenstelling welstandscommissie) 1. De welstandscommissie bestaat uit de leden die door de Stichting Dorp, Stad en Land uit haar midden zijn voorgedragen. 2. De welstandscommissie kiest uit haar midden een voorzitter en secretaris die deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit of cultuurhistorie. 3. Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen. 4. De leden zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur. 5. Over de uit te brengen adviezen wordt alleen besloten in aanwezigheid van ten minste twee leden. Artikel 6.6 (openbaarheid van vergaderen) De agenda voor elke vergadering wordt tijdig op een geschikte wijze bekendgemaakt. Artikel 6.7 (mondelinge toelichting) 1. De welstandscommissie kan de aanvrager om een omgevingsvergunning in de gelegenheid stellen om de aanvraag toe te lichten. 2. Tijdens de beraadslagingen heeft de aanvrager geen spreekrecht. Artikel 6.8 (termijn van advisering en motivering) 1. De welstandscommissie brengt binnen vier weken na ontvangst van het verzoek van het college schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. 2.

Als de termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 3.9, tweede lid, van de Wat algemene bepalingen omgevingsrecht is verlengd, kan het college de termijn voor het uitbrengen van advies verlengen. Artikel 6.9 (afdoening onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie)

1. De welstandscommissie kan de advisering overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden, voor zover de advisering gaat over aanvragen om omgevingsvergunningen ten aanzien waarvan het standpunt van de welstandscommissie bekend is. 2. De welstandscommissie blijft verantwoordelijk voor de uitgebrachte adviezen. 3. Als er twijfel is over het standpunt van de welstandcommissie over een aanvraag, legt het lid of leggen de leden het verzoek om advies voor aan de welstandscommissie. Artikel 6.10 (vorm van het advies) 1. Het advies van de welstandscommissie is ondertekend door de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter. 2. In daartoe voorkomende gevallen, ter beoordeling van de voorzitter, worden de adviezen zowel door de voorzitter als door de secretaris ondertekend. 3. Het advies wordt door het college bij de aanvraag om de omgevingsvergunning gevoegd. Artikel 6.11 (jaarlijkse verantwoording) 1. In aanvulling op artikel 12b, derde lid, van de Woningwet bevat het jaarverslag van de welstandscommissie ook een weergave van: a. de werkwijze van de welstandscommissie; b. de wijze waarop uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; c. de aard van de beoordeelde aanvragen om omgevingsvergunningen; en d. de bijzondere projecten. 2.

De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen over het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel 6.12 (vergoeding) De leden van de welstandscommissie ontvangen een vergoeding overeenkomstig de afspraken die daarover zijn gemaakt met de stichting Dorp, Stad en Land.

AFDELING 6.2 MAATSCHAPPELIJK DRAAGVLAK

Artikel 6. (participatie bij vervangingsplan houtopstanden) Een vervangingsplan houtopstanden komt tot stand met inzet van burgerparticipatie.

AFDELING 6.3 MELDINGEN EN MAATWERKVOORSCHRIFTEN Artikel 6. (kennisgeving melding en maatwerkvoorschrift) Het college geeft in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van meldingen en maatwerkvoorschriften als bedoeld in hoofdstuk 3. HOOFDSTUK 7 HANDHAVING Artikel 7.1 (toezichthouders) Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de personen die daartoe bij besluit van het college zijn aangewezen. Artikel 7.2 (strafbepaling) Overtreding van artikel 3.3, 3.6, derde lid, of 3.12 of een bij of krachtens een artikel in de paragrafen 3.3.2 en 3.3.3 of de afdelingen 3.4 tot en met 3.6 en 4.1 gestelde regel, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of met hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 7.3 (economisch delict)

Overtreding van een bij of krachtens een artikel in paragraaf 3.3.4 gestelde regel is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onder 3°, van de Wet op de economische delicten HOOFDSTUK 8 OVERGANGSRECHT Artikel 8.1 (overgangsrecht) 1. Besluiten genomen krachtens een verordening als bedoeld in artikel 9.1, de Algemene plaatselijke verordening 2020 of de Erfgoedverordening 2017, of een voorganger van een van die verordeningen, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2. Een aanvraag om een besluit krachtens een verordening als bedoeld in artikel 9.1, de Algemene plaatselijke verordening 2020 of de Erfgoedverordening 2017, die voor de inwerkingtreding van deze verordening is ingediend en waarop nog geen besluit is genomen, wordt behandeld volgens deze verordening, voor zover deze verordening een overeenkomstig besluit kent. 3.

Een bestuurlijke sanctie die voor de inwerkingtreding van deze verordening is opgelegd voor een overtreding of dreigende overtreding van een bij of krachtens een verordening als bedoeld in artikel 9.1, de Algemene plaatselijke verordening 2020 of de Erfgoedverordening 2017, of een voorganger van een van die verordeningen, geldende bepaling, geldt als een bestuurlijke sanctie die is opgelegd voor een overtreding of dreigende overtreding van een bij of krachtens deze verordening geldende bepaling, voor zover deze verordening een overeenkomstige bepaling kent.

HOOFDSTUK 9 INTREKKING VAN VERORDENINGEN EN NIEUWE GRONDSLAG NADERE REGELS Artikel 9.1 (intrekking van verordeningen) De volgende verordeningen worden ingetrokken: a. Afvalstoffenverordening 2021 gemeente Oegstgeest; b. Bomenverordening Oegstgeest 2019; c. Bouwverordening; en d. Bouwverordening 2010. Artikel 9.2 (nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten) De volgende besluiten berusten op de daarbij aangegeven bepalingen van deze verordening: a. Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen van 2 maart 2021 (Gemeenteblad 2021, 76489): de artikelen 3.86 en 3.87; b. Aanwijzingsbesluit parkeerverbod grote voertuigen van 5 december 2017 (Gemeenteblad 2018, 55340): artikel 3.63, tweede lid; c. Aanwijzingsbesluit parkeerverbod kampeermiddelen e.a. van 5 december 2017 (Gemeenteblad 2018, 55338): artikel 3.63, eerste lid; d. Aanwijzingsbesluit te koop aanbieden van voertuigen van 5 december 2017 (Gemeenteblad 2018, 55337): artikel 3.61, eerste lid; e. Aanwijzingsbesluit verbod parkeren anders dan op de rijbaan van 2 maart 2021 (Gemeenteblad 2021, 76431): artikel 3.65; en f. Verzameluitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2021 gemeente Oegstgeest: artikelen 2.9, 3.34, derde lid, 3.35, onder b, 3.36, eerste lid, onder g, vierde en vijfde lid, 3.37, 3.38 en 3.39.

HOOFDSTUK 10 SLOTBEPALINGEN Artikel 10.1 (citeertitel) Deze verordening wordt aangehaald als Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest. Artikel 10.2 (inwerkingtreding)

Deze verordening treedt in werking de dag na de dag van bekendmaking in het elektronisch gemeenteblad. Aldus besloten in de vergadering van de raad van de gemeente Oegstgeest, (…) 2021.

De griffier, De voorzitter,

BIJLAGE I BEGRIPSBEPALINGEN In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:              

 

       

achtererfgebied: achtererfgebied als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; archeologisch monument: archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; beheerplan: beschrijving van inrichting en uit te voeren werkzaamheden om tot een optimale ontwikkeling te komen van houtopstanden en boomgebieden; beschermd gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is aangewezen op grond van artikel 2.2; beschermd gemeentelijk dorpsgezicht: dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van artikel 2.5; bijbehorend bouwwerk: bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; bomeneffectanalyse: standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouwactiviteiten of aanlegactiviteiten voor een boom volgens het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen, verricht door een boomdeskundige; bomenlijst: bomenlijst als bedoeld in artikel 2.12, eerste en derde lid; boom: levend of afgestorven houtig en opgaand gewas met een stamdiameter van ten minste 15 cm, waarbij artikel 3.112 van toepassing is; boomdeskundige: natuurlijk persoon met een geldig European Tree Worker certificaat van een erkend instituut; boomgebied: op de groene kaart aangewezen hoofdgroenstructuur, beschermd gemeentelijk dorpsgezicht, beschermd gemeentelijk monument, rijksmonument, park, volkstuincomplex,

begraafplaats of een andere groeneenheid; boomkroon: bovenste gedeelte van een houtopstand, dat de takken met bladeren omvat en wordt gedragen door de stam van de houtopstand; boomwaarde: monetaire of vervangingswaarde van een houtopstand, getaxeerd volgens de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; bouwwerk: constructie van enige omvang of een gedeelte daarvan, van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oegstgeest; dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden; dunning: velling uitsluitend bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei van overblijvende bomen; gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; geluidgevoelig gebouw: woning en ander geluidsgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, met uitzondering van gebouwen behorende bij een inrichting; geluidgevoelige ruimte: geluidsgevoelige ruimte als bedoeld in artikel 1 van de

Wet geluidhinder; groene kaart: groene kaart als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid; hakhout: vanuit landschappelijk of cultuurhistorisch oogpunt als hakhout aangelegde beplanting van meerdere stobben loofhoutopstand die dicht bij de grond periodiek wordt teruggezet of gesnoeid, zodanig dat de stobben opnieuw kunnen uitlopen; hoofdgebouw: hoofdgebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; hoofdgroenstructuur: als boomgebied op de groene kaart vermelde lijnvormige structuur van houtopstanden;

 

         

    

 

  

houtopstand: een of meer bomen, boomvormers of andere houtachtige gewassen; huis-aan-huisblad: ongeadresseerd blad dat met een vaste frequentie gratis huis aan huis wordt verspreid in een geografisch beperkt gebied, waarvan ten minste 10% van de inhoud bestaat uit informatie over en nieuws uit het eigen verspreidingsgebied, niet zijnde reclame; inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer; kandelaberen: tot op de hoofdtakken snoeien van een houtopstand; knotten: afzagen van de kroon van een houtopstand; kweekgoed: houtopstanden die bedrijfsmatig worden gekweekt en zijn bedoeld voor verkoop; monument: monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; monumentale houtopstand: houtopstand die als monumentaal is opgenomen op de bomenlijst; NEN: norm die door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut is uitgegeven; noodkap: met het oog op de veiligheid met spoed vellen van een houtopstand; omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; ongeadresseerd reclamedrukwerk: reclamedrukwerk dat gratis huis aan huis wordt verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde: a.

een huis-aan-huisblad of informatieblad over werkzaamheden of activiteiten in de buurt die voor de bewoners of gebruikers van een woning, bedrijf of woonschip in die buurt van belang zijn om te weten; of b. drukwerk van vrijwilligers of niet-commerciële organisaties; ongewoon voorval: gebeurtenis, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van het normale verloop van een activiteit, zoals een storing, ongeluk, calamiteit, waardoor significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan; openbaar water: water dat voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk is; openbare ruimte: ruimte die openstaat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; reclame: openbare aanprijzing of werving van goederen, diensten of denkbeelden; vellen: rooien, kappen, verplanten, snoeien van meer dan 20 procent van de boomkroon of het wortelgestel, met inbegrip van de eerste maal kandelaberen of knotten, of het verrichten van handelingen die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van een houtopstand kunnen veroorzaken; vervangingsplan houtopstanden: door het college of de raad voor een locatie voor een periode van drie jaar vastgesteld plan voor het vervangen

van houtopstanden die eigendom zijn van de gemeente; voorbeschermd gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument waarvoor het college de zakelijk gerechtigden in kennis heeft gesteld van het voornemen, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, om het aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument; waardevolle houtopstand: houtopstand die als waardevol is opgenomen op de bomenlijst; wegen: voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden die in beheer zijn bij de gemeente Oegstgeest, met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten; zelfstandige eenheid houtopstanden: houtopstanden die in ruimtelijke zin een aaneengesloten geheel vormen.

TOELICHTING VERORDENING FYSIEKE LEEFOMGEVING

ALGEMEEN In 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wetgeving voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat volgens de Omgevingswet in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving worden na invoering van de Omgevingswet samengebracht in één omgevingsplan. Het omgevingsplan bundelt bestemmingsplannen, beheersverordeningen en regels uit (andere) lokale verordeningen die gaan over activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen of direct beïnvloeden. Daarmee wordt de regelgeving voor inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties overzichtelijker en zijn de regels makkelijker te vinden. Deze verordening brengt de regels over de fysieke leefomgeving uit de verschillende verordeningen, nadere regels, aanwijzingsbesluiten en beleidsregels samen. Het is een logische tussenstap naar opname van die regels in het omgevingsplan. Het gaat om regels die eerder al zijn vastgesteld door de raad.

Bij het omzetten zijn de regels geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst, die aansluit bij de Omgevingswet. Het gaat vooral om redactionele en technische wijzigingen. Regels uit de volgende verordeningen zijn omgezet in deze verordening: - Afvalstoffenverordening - Algemene Plaatselijke Verordening Oegstgeest 2020; - Bomenverordening Oegstgeest 2019; - Bouwverordening; en - Erfgoedverordening Oegstgeest 2017. De Afvalstoffenverordening, Bomenverordening, Bouwverordening en Bouwverordening 20101 worden ingetrokken. De Algemene Plaatselijke Verordening en de Erfgoedverordening blijven wel bestaan maar in afgeslankte vorm. Het intrekken en wijzigen van die verordeningen is geregeld in hoofdstuk 9 van de Verordening fysieke leefomgeving. In dat hoofdstuk zijn ook artikelen opgenomen die nadere regels, aanwijzingsbesluiten en beleidsregels van het college intrekken of daaraan een nieuwe grondslag geven. De regels in de Rioolverordening en de Leidingverordening gemeente Oegstgeest 2017 zijn niet opgenomen in deze verordening. Die verordeningen bevatten ook regels over activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen en zullen dan ook moeten worden opgenomen in het omgevingsplan.

Die verordeningen zijn echter in regionale afstemming tot stand gebracht en de inhoud van die verordeningen sluit nauw aan bij de riool- en leidingverordeningen van de andere gemeenten in de regio. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen die regels na regionale afstemming worden toegevoegd aan het omgevingsplan van Oegstgeest. De volgende regelingen krijgen een grondslag in deze verordening en blijven dan ook bestaan: - Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen; - Aanwijzingsbesluit parkeerverbod grote voertuigen; - Aanwijzingsbesluit parkeerverbod kampeermiddelen e.a.; - Aanwijzingsbesluit te koop aanbieden van voertuigen; en - Aanwijzingsbesluit verbod parkeren anders dan op de rijbaan.

Deze verordening is per abuis niet ingetrokken met de inwerkingtreding van de (nieuwe) Bouwverordening in 2012. 1

De inhoud van de volgende regelingen die worden ingetrokken met een apart besluit van het college van burgemeester en wethouders, is in zijn geheel beleidsneutraal opgenomen in deze verordening:  Nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020 van 2 maart 2021 (Gemeenteblad 2021, Z6393);  Standplaatsenbeleid gemeente Oegstgeests (versie juni 2021);  Terrassenbeleid Gemeente Oegstgeest van 19 maart 2007; en  Reclamenota (versie juni 2021) Aan het slot van deze toelichting zijn transponeringstabellen opgenomen voor de verordeningen waarvan de inhoud is opgenomen in deze Verordening fysieke leefomgeving. De structuur van deze verordening biedt enerzijds een goede wettelijke basis, zodat de (professionele) gebruikers er bij inwerkingtreding goed mee kunnen werken en sluit anderzijds aan op het stelsel van de Omgevingswet en het toekomstige omgevingsplan. De bouwstenen zijn zichtbaar gehouden, zodat later de regels per onderdeel verwerkt kunnen worden in het omgevingsplan. Met deze verordening wordt een belangrijke stap gezet richting de Omgevingswet. Om dit te onderstrepen zijn bepalingen over de specifieke zorgplicht van de Omgevingswet opgenomen in deze verordening.

ARTIKELSGEWIJS HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 (begripsbepalingen) Artikel 1.1 gaat over de begrippen die in deze verordening worden gebruikt. Deze bepaling vormt de grondslag voor een bijlage die bij deze verordening wordt opgenomen. Die bijlage bevat definities van belangrijke begrippen die op meerdere plaatsen in deze verordening worden gebruikt. De definities gelden ook voor zover die begrippen in op deze verordening gebaseerde regelgeving worden gebruikt. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid is ervoor gekozen om de begripsbepalingen gebundeld op te nemen in een bijlage in plaats van deze in hoofdstuk 1 zelf te verwerken zoals veelal gebruikelijk is. Omdat deze verordening niet is gebaseerd op de Omgevingswet zijn de begripsbepalingen van die wet, de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en de Omgevingsregeling niet van toepassing op deze verordening. Omdat een aantal van die begripsbepalingen in deze verordening wordt gebruikt zijn die omschreven in bijlage I bij deze verordening. Daarnaast zijn in bijlage I de begripsbepalingen opgenomen van de verordeningen die deze verordening vervangt, met uitzondering van de begripsbepalingen die niet meer relevant zijn. Artikel 1.2 (toepassingsbereik) Het toepassingsbereik van deze verordening wordt bepaald door artikel 1.2 en is geïnspireerd door artikel 1.2 van de Omgevingswet.

In de memorie van toelichting bij die wet is aangegeven dat dit artikel spoort met de benaderingswijze die wordt gehanteerd in het verdrag van Aarhus. Dit verdrag maakt systematisch gezien onderscheid tussen, voor zover hier van belang: a. de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht, water, bodem, landschappen en natuurgebieden; b. activiteiten die de elementen van het milieu aantasten of kunnen aantasten; en

c. de toestand van de menselijke gezondheid en veiligheid en de menselijke levensomstandigheden, voor zover deze worden of kunnen worden aangetast door de toestand van de elementen van het milieu of, via die elementen, door activiteiten als bedoeld onder b. Deze driedeling uit het verdrag is ook terug te vinden in de opzet van artikel 1.2. Eerste lid In het eerste lid is vastgelegd dat deze verordening betrekking heeft op enerzijds de fysieke leefomgeving (onderdeel a) en anderzijds activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (onderdeel b). Het begrip ‘fysieke leefomgeving’ zelf wordt niet gedefinieerd in de Omgevingswet en ook niet in deze verordening. Dit begrip geeft de buitenste randen van het toepassingsgebied van de verordening aan. In latere artikelen van deze verordening wordt dit begrip verder ingekleurd en afgebakend. Ook van het begrip ‘activiteit’ (onderdeel b) is geen definitie opgenomen. Wat hieronder wordt verstaan blijkt uit de context van de artikelen in deze verordening waarin het begrip activiteit wordt gebruikt. Doorgaans zal het gaan om een feitelijke handeling. Tweede lid Het tweede lid bevat in beginsel alle fysieke onderdelen van de fysieke leefomgeving.

Ter voorkoming van mogelijke rechtsvragen is er voor gekozen in het tweede lid een niet-uitputtende opsomming van de onderdelen van de fysieke leefomgeving op te nemen. Een limitatieve opsomming zou de vraag kunnen oproepen of een regel in wel verbindend is omdat het fysieke voorwerp dat de regels beogen te beschermen naar het oordeel van een belanghebbende niet tot één van de benoemde onderdelen van de fysieke leefomgeving zou behoren. Zo zou bijvoorbeeld een belanghebbende kunnen stellen dat een dode boom geen natuur is en derhalve voor het kappen geen vergunning nodig is. Met de gekozen open formulering hoeft in een dergelijk geval alleen de vraag beantwoord te worden of het gemeentebestuur redelijkerwijs tot het standpunt heeft kunnen komen dat dit voorwerp een onderdeel is van de fysieke leefomgeving. Derde lid Het derde lid van artikel 1.2 kleurt het toepassingsgebied van deze verordening nader in. Deze bepaling is opgenomen om te verhelderen welke aspecten, verband houdend met activiteiten in de fysieke leefomgeving, in ieder geval door de verordening kunnen worden gereguleerd. Het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving (onderdeel a) is de grootste, meest directe invloed die de mens kan uitoefenen op de fysieke leefomgeving.

Te denken valt aan de gevolgen van activiteiten als de aanleg van een weg, het bouwen van woningen, ontgrondingen en het kappen van bomen. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen (onderdeel b) wordt genoemd omdat hulpbronnen vaak beperkt voorhanden zijn, door bijvoorbeeld schaarste. Gebruik van een natuurlijke hulpbron, zoals een delfstof, plant of dier uit de natuur, water of wind, sluit vaak ander gebruik van die hulpbron uit en heeft daarmee gevolgen voor andere gebruikers van de fysieke leefomgeving. Onderdeel b heeft geen betrekking op gevolgen ter plaatse van de winning, oogst, vangst of benutting van een natuurlijke hulpbron, zoals het wijzigen van onderdelen van de leefomgeving, emissies, hinder of risico’s. Die gevolgen worden gedekt door de onderdelen a en c van dit lid. Gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen eveneens voortvloeien uit activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt, zoals de uitstoot van verontreinigende stoffen, het veroorzaken van geluid of stank en het werken met gevaarlijke stoffen waardoor risico’s voor mens en milieu ontstaan (onderdeel c). Gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen voortvloeien uit een ‘doen’ maar ook uit een ‘niet doen’, zoals het achterwege laten van (voldoende) beschermende maatregelen bij het verrichten van een activiteit of door het nalaten van een activiteit (onderdeel d).

Bij het nalaten van een activiteit kan bijvoorbeeld worden

gedacht aan het niet onderhouden van bouwwerken of installaties waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt. Vierde lid Gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen ook betrekking hebben op gevolgen voor de mens. Beschermende regels van deze verordening hebben betrekking op de fysieke leefomgeving, maar zijn uiteindelijk grotendeels gericht op het beschermen van de veiligheid en gezondheid van de mens en de omgevingskwaliteit voor de mens. Slechts een beperkt deel de regels is exclusief gericht op bescherming van de fysieke leefomgeving door de intrinsieke waarde die de mensheid daaraan toekent. De mens wordt hier eenmalig genoemd naast de gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Deze opzet betekent dat overal waar deze verordening regels stelt over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen voor de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, dit ook de bevoegdheid impliceert om ook gevolgen voor de mens erbij te betrekken, voor zover de mens wordt of kan worden beïnvloed door of via de fysieke leefomgeving. Artikel 1.3 (doelen van de verordening) De doelen van artikel 1.3 zijn overgenomen uit de Omgevingswet. Het doel ‘het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit’ (onderdeel a) benadrukt de opdracht tot het waarborgen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

Het doel in onderdeel b – ‘het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’ – ziet op het benutten van de fysieke leefomgeving door de mens. De aanhef van het artikel bevat algemene eisen die fungeren als verbindende schakels tussen beide doelen. De eerste algemene eis is dat de toepassing van deze verordening moet plaatsvinden met het oog op duurzame ontwikkeling. Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. De tweede algemene eis houdt in dat de twee doelen van deze verordening in onderlinge samenhang moeten worden nagestreefd. Dit betekent dat bij de toepassing van de verordening acht moet worden geslagen op de onderlinge verhoudingen tussen onderdelen van de fysieke leefomgeving of de gevolgen van activiteiten op de leefomgeving. Het artikel sluit aan op het motto van de Omgevingswet: ‘ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit’. De ‘ruimte voor ontwikkeling’ komt tot uitdrukking in het uitgangspunt van duurzaamheid en ligt daarnaast besloten in ‘ter vervulling van maatschappelijke behoeften in onderdeel b; de ‘waarborgen voor kwaliteit’ zijn vooral terug te vinden in onderdeel a.

De in deze bepaling neergelegde maatschappelijke doelen geven richting aan de uitvoering en toepassing van deze verordening. Dit geldt zowel voor bedrijven en burgers (denk aan de specifieke zorgplichten) als voor het college. Een belangrijke beperking, voor wat betreft het college, is dat als elders in deze verordening specifieke kaders voor de uitoefening van taken en bevoegdheden zijn gegeven, die kaders voorgaan. Deze meer specifieke kaders zijn dan leidend bij de uitvoering van dat onderdeel van deze verordening. Die kaders worden geacht een invulling te zijn van de algemene doelbepaling van artikel 1.3. Opmerking verdient dat noch uit artikel 1.3 noch uit meer specifieke kaders voor het uitoefenen van bevoegdheden conclusies kunnen worden getrokken over het onderlinge gewicht van de betrokken belangen. Doel a staat niet in de weg aan activiteiten die vooral doel b dienen, zoals de ontwikkeling van een weg ter vervulling van de maatschappelijke functie ‘mobiliteit’. Doel b staat niet in de weg aan overheidsmaatregelen die vooral doel a dienen, zoals het vaststellen van algemene regels over activiteiten die het milieu belasten. Toepassing van de verordening vereist het zoeken naar oplossingen die zoveel mogelijk tegemoet komen aan beide doelen en de belangen daarachter. En waar dat niet kan, het maken van een belangenafweging. De uitkomst

van de door het college te verrichten belangenafweging zal per geval verschillen. Het college moet op grond van artikel 3:4, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtstreeks bij een besluit betrokken belangen afwegen, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. De uitkomst van die belangenafweging moet worden gemotiveerd (zie afdeling 3.7 Awb). Dit is primair een bestuurlijke afweging en daarbij past een terughoudende toets door de rechter. Artikel 3:4 Awb is in beginsel ook van toepassing op het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften (de schakelbepaling van artikel 3:1, eerste lid, Awb), zoals nadere regels die het college kan vaststellen op basis van en ter uitwerking van deze verordening.

HOOFDSTUK 2 AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING AFDELING 2.1 CULTUREEL ERFGOED § 2.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister Artikel 2.1 (gemeentelijk erfgoedregister) [artikelen 2, 10, tweede lid, 12, eerste en derde lid, 18, vierde lid, Erfgoedverordening] Het gemeentelijk erfgoedregister bevat de door het college aangewezen monumenten en dorpsgezichten. Daarnaast is ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangt het college deze informatie in afschrift van de Minister van OCW bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister. De kans op dubbeling, fouten of regelmatige aanpassing is niet erg groot, aangezien op grond van artikel 3 van de ‘Beleidsregel aanwijzing rijksmonumenten en wijziging rijksmonumentenregister Erfgoedwet’ een terughoudend aanwijzingsbeleid wordt gevoerd. De laatste aanwijzing dateert van 30 september 2002. Artikel 2.1 geeft uitvoering aan artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening of de Erfgoedverordening. In deze verordening is alleen het cultureel erfgoed geregeld dat volgens de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving.

Het beschermen van het overige culturele erfgoed (cultuurgoederen en verzamelingen) blijven geregeld in de Erfgoedverordening. Het woord “onherroepelijk” in artikel 2.1, vijfde lid, betekent dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen. De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. § 2.1.2 Beschermde gemeentelijke monumenten Artikel 2.2. (aanwijzing beschermde gemeentelijke monumenten) [artikelen 5, 6 en 11, eerste en tweede lid, Erfgoedverordening] Eerste en tweede lid Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument. Een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. De

formulering van het artikel is ontleend aan de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Het college heeft beleidsvrijheid bij de aanwijzing. Er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. Derde en vierde lid Ieder monument is gezien de definitie een onroerende zaak (het gebouw).

Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door het college van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Vanaf het moment dat het college de zakelijk gerechtigden in kennis heeft gesteld van het voornemen om het monument of archeologisch monument aan te wijzen, is er sprake van een voorbeschermd gemeentelijk monument (zie de definitie daarvan in bijlage I). Vanaf dat moment geldt de bescherming van paragraaf 3.5.2. In de artikelen in die paragraaf zijn de voorbeschermde gemeentelijke monumenten namelijk gelijk gesteld met de beschermde gemeentelijke monumenten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10869908/1