CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 bij RV d.d. 26 oktober 2021 Vaststellen bestemmingsplan De Geesten Z-18-118551 Oegstgeest

Gezamenlijke Oordeelsvorming Burger en Ruimte 11 november 2021, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Vaststellen Ontwerpbestemmingsplan De Geesten24.760 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 11 van 30

4

AANWEZIGE EN TE VERWACHTEN SOORTEN

Hieronder is beschreven welke beschermde of bedreigde soorten in het gebied voorkomen of verwacht kunnen worden. Onderstaande is het resultaat van de bureaustudie en het veldonderzoek. Afhankelijk van in welke periode van het jaar het veldonderzoek heeft plaatsgevonden, is het mogelijk om per soort aan te geven wat de functie van het plangebied is voor de soort (bijvoorbeeld leef-, voortplantingsen/of foerageergebied). In bijlage 2 zijn enkele foto’s weergegeven van het plangebied. Voor het plangebied is per soortgroep eerst vermeld welke waarnemingen van soorten bekend zijn vanuit de NDFF. Vervolgens is beschreven welke soorten (en/of sporen en geluiden) tijdens het veldbezoek zijn waargenomen. Dit laatste is gekoppeld aan de verschillende locaties en percelen. Op basis van de aanwezige biotopen wordt tot slot aangegeven voor welke soorten het plangebied een functie heeft, bijvoorbeeld als voortplantingsbiotoop, winterbiotoop of onderdeel van een groter foerageergebied.

4.1

Vaatplanten

Waarnemingen in NDFF: muurbloem. (Rode Lijst: meerdere waarnemingen soorten binnen het terrein waarin het plangebied ligt (onder andere wit bosvogeltje, gulden sleutelbloem) Verspreidingsgebied: tabel 4.1: aangetroffen (+) of niet aangetroffen soort (-) tijdens het veldbezoek, een * geeft aan of de soort wel te verwachten is op basis van aanwezigheid van geschikt biotoop.

Locatie A Soort Muurbloem (g)

B -

C -

D -

E -

F -

G -

H -

-

P1

P2

P3

-

-

-

g: groeiplaats

Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde vaatplanten waargenomen op de acht verschillende locaties en de drie percelen. Soorten die waargenomen zijn, zijn algemeen in Nederland voorkomende soorten, soorten zoals hondsdraf, madeliefje, paarse dovenetel, Engels raaigras, straatgras en glanshaver. Verschillende bomen en struiken zijn waargenomen, soorten zoals zomereik, witte paardenkastanje, taxus en beuk. In de tuinen, perken, grasvelden en rond gebouwen zijn gecultiveerde vaatplanten zoals kornoelje, potentilla en rozensoorten waargenomen. In de watergangen in het plangebied zijn weinig tot geen waterplanten waargenomen met enkele groeiplaatsen van waterlelie (mogelijk cultivar), gele plomp en smalle waterpest. Verder zijn geen waterplanten waargenomen. Uit gegevens komt naar voren dat op perceel 1 de rode lijstsoort wit bosvogeltje (orchidee) is waargenomen. Tijdens het veldonderzoek is deze soort niet waargenomen. Wit bosvogeltje is een soort van bosrijke gebieden waar het onder andere langs wandelpaden wordt waargenomen. Overige rode lijstsoorten zoals gulden sleutelbloem zijn ook niet waargenomen tijdens het veldonderzoek. Rode lijstsoorten hebben geen wettelijk beschermde status.

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 12 van 30

Muurbloem Uit verspreidingsgegevens komt naar voren dat muurbloem is waargenomen ten oosten van het plangebied. Muurbloem is een soort voorkomend in stedelijk gebied waar het groeit tussen stenen op (stads)muren, kades en afgravingen. Vaak op muren en kades waar de voegen verwijderd of uitgesleten zijn. Tijdens het veldonderzoek is geen muurbloem waargenomen. In het plangebied zijn geen stadmuren of kades aanwezig waar de muurbloem op kunnen groeien. De aanwezige muren bevatten volle voegen of de muren zijn van gladde platen. Het voorkomen van muurbloem in het plangebied kan uitgesloten worden door afwezigheid van geschikte omstandigheden. N.B. Bij perceel 1 zijn planten waargenomen van de invasieve soort Japanse duizendknoop. Deze soort kan zich sterk uitbreiden wanneer onzorgvuldig wordt omgegaan met maaisel en/of worteldelen van deze plant.

4.2

Mossen en korstmossen

Waarnemingen in NDFF: (Rode Lijst soort: groene schotelkorst ten oosten van locatie aan de Endegeesterstraatweg) Verspreidingsgebied: Tijdens het veldonderzoek zijn in het gehele plangebied, op de acht locaties en op de drie percelen geen beschermde mossen en korstmossen waargenomen. Soorten zoals muurzonnetje, eikenmos, gewoon purperschaaltje, grauwe rijpmos, bleek boomvorkje, gewone dikkopmos, witstippelschildmos en gewone zijdemos zijn waargenomen. Dit zijn in Nederland algemeen voorkomende soorten. Het voorkomen van beschermde soorten in zowel de graslanden, op bomen en op beton, asfalt en muren worden niet verwacht door de afwezigheid van geschikte omstandigheden zoals substraat en ondergrond. Tijdens het veldonderzoek zijn geen rode lijstsoorten waargenomen. De gemelde rode lijstsoort groene schotelkorst is tijdens het veldonderzoek niet waargenomen. De groeiplaats van deze soort ligt buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden aan perceel 1 en locatie A. Op andere locaties en percelen in het plangebied is groene schotelkorst niet waargenomen.

4.3

Grondgebonden zoogdieren

Waarnemingen in NDFF: bosmuis, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn en veldmuis Verspreidingsgebied: bunzing, dwergmuis, eekhoorn, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, noordse woelmuis, rosse woelmuis, veldmuis, vos, waterspitsmuis, wezel, boommarter, woelrat tabel 4.2: aangetroffen (+) of niet aangetroffen soort (-) tijdens het veldbezoek, een * geeft aan of de soort wel te verwachten is op basis van aanwezigheid van geschikt biotoop.

Locatie A Soort Bosmuis (f, l, v) Eekhoorn (f, l, v) Egel (f, l, v) Haas (f, l, v) Huisspitsmuis (f, l, v) Konijn(f, l, v) Veldmuis (f, l, v) Bunzing (f, l, v) Dwergmuis (l)

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -

B

C

D

E

F

G

H

P1

P2

P3

+/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -

+/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 13 van 30

Locatie A Soort Gewone bosspitsmuis (f, l, v) Hermelijn (f, l, v) Noordse woelmuis (l) Rosse woelmuis (f, l, v) Vos (f, l, v) Woelrat (l) Boommarter (f, l, v) Waterspitsmuis (l) Wezel (f, l, v)

-/* -/* -/* -/* -/* -/*

B

C

D

E

F

G

H

P1

P2

P3

-/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/*

f (foerageergebied), l (leefgebied), v (voortplantingsbiotoop/nest/verblijfplaats)

Algemene muizensoorten Tijdens het veldonderzoek is geconstateerd dat leefgebied voor verschillende algemene muizensoorten aanwezig is in het plangebied op alle acht de locaties en de drie percelen. Tijdens het veldonderzoek zijn op locatie B en perceel 2 bosmuizen waargenomen. Overige muizensoorten zijn niet waargenomen. De locaties en percelen zijn geschikt voor muizensoorten door de aanwezigheid van ruigtes, houtstapels, bebouwing, strooisel laag, organische materiaal en grasvelden. Deze plekken zijn voor algemene muizensoorten geschikt als zowel leefgebied, maar ook om te foerageren en zich te kunnen voortplanten. Ook is het niet uitgesloten dat de muizen in de verschillende te slopen panden en gebouwen (locaties A t/m H) kunnen voorkomen. Soorten zoals veldmuis en huisspitsmuis worden ook in woningen en gebouwen aangetroffen. De te slopen gebouwen zijn geschikt als leef-, foerageer- en voortplantingsgebied. Het voorkomen van verschillende algemene muizensoorten in het plangebied en op de drie locaties kan niet uitgesloten worden. Voor dwergmuis zijn geen geschikte omstandigheden ,zoals rietvelden en hoge dichte oevervegetatie, aanwezig. Noordse woelmuis en waterspitsmuis Noordse woelmuis en waterspitsmuis komen voor in natte rietlanden, moerassen en drassige hooilanden. De watergangen in en rondom het plangebied hebben geen geschikte vegetatie voor beide soorten.

Ook zijn er weinig tot geen oeverplanten aanwezig, waardoor geen beschutting beschikbaar is voor de noordse woelmuis en waterspitsmuis. Algemene grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldonderzoek is geconstateerd dat leefgebied voor verschillende algemene grondgebonden zoogdieren als haas, konijn, egel, ree en vos aanwezig is in en rond het plangebied en op alle locaties en percelen. Leefgebied voor deze soorten is door de aanwezigheid van struiken, bosschages, tuinen, perken, grasvelden, strooisellaag en houtstapels aanwezig in en rondom het plangebied. Tijdens het veldonderzoek zijn geen algemene grondgebonden zoogdieren waargenomen. Voor deze soorten functioneren de locaties, percelen en de directe omgeving van het plangebied als foerageergebied, leefgebied en voortplantingsgebied. Het voorkomen van verschillende algemene grondgebonden zoogdieren in het plangebied en op de locaties en percelen kan niet uitgesloten worden. Kleine marterachtige Kleine marterachtig, zoals wezel, bunzing en hermelijn kunnen in en rond het plangebied voorkomen door de aanwezigheid van ruigtes, houtstapels, struiken, tuinen en grasvelden. Geschikte omstandigheden zijn op alle acht de locaties en de drie percelen waargenomen. Op meerdere plekken zijn geschikte plekken gevonden waar deze soorten kunnen foerageren en een verblijfplaats kunnen hebben. Zowel leefgebied,

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 14 van 30

voortplantingsgebied als foerageergebied komt voor in en rond het plangebied. Het voorkomen van kleine marterachtigen in het plangebied kan niet uitgesloten worden. Boommarter Uit verspreidingsgegevens komt naar voren dat boommarter in en rond het plangebied kan voorkomen. Boommarters leven in bosrijk gebied met hoge, dikke en oude bomen waar (spechten)holtes aanwezig zijn. Boommarters kiezen hun rustplaatsen vaak in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten zitten vaak in oude spechten- of eekhoornholen, regelmatig in inrottingsholten en soms in gebouwen die in of aan de rand van het bos staan. In het plangebied zijn op en langs de percelen 1 t/m 3 bomen waargenomen met holtes en spleten welke mogelijk geschikt kunnen zijn voor boommarters. Ten aanzien van de gebouwen kan niet met zekerheid worden uitgesloten of deze een functie hebben als vaste rust- en verblijfplaats voor boommarter. Daarnaast zijn ruigtes en struiken aanwezig waar deze soort in en rondom kan foerageren naar onder andere muizen en kleine vogeltjes. Het voorkomen van boommarter in en rond de acht locaties en de drie percelen kan niet uitgesloten worden.

4.4

Vleermuizen

Waarnemingen in NDFF: gewone dwergvleermuis en rosse vleermuis Verspreidingsgebied: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, watervleermuis. tabel 4.3: aangetroffen (+) of niet aangetroffen soort (-) tijdens het veldbezoek, een * geeft aan of de soort wel te verwachten is op basis van aanwezigheid van geschikt biotoop.

Locatie A Soort Gewone dwergvleermuis (f, l, v) -/* Rosse vleermuis (f, l, v) -/* Ruige dwergvleermuis (f, l, v) -/* Laatvlieger (f, l, v) -/* Gewone grootoorvleermuis (f, l, v) -/* Meervleermuis (f, l, v) -/* Watervleermuis (f, l, v) -/*

B

C

D

E

F

G

H

P1

P2

P3

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

f (foerageergebied), l (leefgebied), v (voortplantingsbiotoop/nest/verblijfplaats)

Verblijfplaatsen Tijdens het veldonderzoek zijn meerdere geschikte locaties waargenomen in en rond het plangebied welke geschikt zijn voor vleermuizen om in te verblijven. Op de percelen 1 t/m 3 staan verschillende bomen welke gaten, scheuren en spleten bevatten die geschikt kunnen zijn als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Op perceel 1 staan verschillende bomen waarvan de schors loshangt. Dit zijn ook geschikte plekken voor vleermuizen om te verblijven. Op alle locaties met de gebouwen zijn geschikte plekken gevonden voor vleermuizen om in te verblijven. Deze gebouwen hebben scheuren, gaten en spleten waar vleermuizen mogelijk geschikte verblijfplaatsen kunnen hebben. Het is niet uitgesloten dat geschikte verblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn op de locaties A, B, C, D, E, F, G en H en de percelen 1 t/m 3, óf binnen de invloedssfeer van de ontwikkelingen op de locaties en percelen.

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 15 van 30

Foerageergebied en vaste vliegroutes In het gehele plangebied, op alle acht de locaties en de drie percelen, zijn meerdere structuren aanwezig zoals bosranden, bosschages, watergangen, open plekken tussen bos, struiken en bomen in rijen die door vleermuizen gebruikt worden om te foerageren en mogelijk functioneren als onderdeel van een vliegroute. De combinatie van verschillende watergangen en de aanwezige verschillende vegetaties bieden een diversiteit aan biotopen om te foerageren. De open plekken in het bosrijke gebied met verschillende hoge en lage vegetaties, waar verschillende soorten insecten voorkomen, biedt een beschutte ligging waar vleermuizen ook bij harde wind kunnen foerageren. De acht locaties en de drie percelen kunnen een functie voor vleermuizen hebben ten aanzien van foerageergebied en/of ter oriëntatie op hun vliegroute tussen verblijfplaats en foerageergebied elders. In hoeverre het plangebied en de daarbij horende percelen en locaties een functie heeft als (essentieel) foerageergebied of (essentiële) vliegroute en welke vliegroutes precies worden gebruikt, is op basis van de quickscan niet te beoordelen.

4.5

Vogels

4.5.1

Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats

Waarnemingen in NDFF: boomvalk (nest in 2017 ten zuiden van het plangebied, tussen 2017 en 2020 geregeld meldingen van waarnemingen foeragerend/rustend/overvliegend ), buizerd (verschillende meldingen voornamelijk in bosgebied in westzijde), gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar en sperwer. Verspreidingsgebied: bosuil, ransuil en kerkuil. tabel 4.4: aangetroffen (+) of niet aangetroffen soort (-) tijdens het veldbezoek, een * geeft aan of de soort wel te verwachten is op basis van aanwezigheid van geschikt biotoop.

Locatie A Soort Boomvalk (f, l, v) Buizerd (f, l, v) Gierzwaluw (f, l, v) Grote gele kwikstaart (f, l) Havik (f, l, v) Huismus (f, l, v) Ooievaar Ransuil (f, l, v) Bosuil (f, l, v) Kerkuil (f, l) Sperwer (f, l, v)

-/* -/* +/* -/* -/* +/* -/* -/* -/* -/*

B

C

D

E

F

G

H

P1

P2

P3

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* +/* -/* -/* +/* -/* -/* -/* -/*

-/* +/* +/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/* -/*

f (foerageergebied), l (leefgebied), v (voortplantingsbiotoop/nest/verblijfplaats),

Tijdens het veldonderzoek zijn foeragerende gierzwaluwen boven percelen 1 en 2 waargenomen. Daarnaast is boven perceel 2 een overvliegende buizerd waargenomen. Rond de gebouwen van locatie A en perceel 1 zijn foeragerende huismussen gezien. Tijdens het veldonderzoek zijn geschikte leefgebieden aangetroffen voor verschillende vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats waaronder buizerd, sperwer, bosuil, grote gele kwikstaart en huismus, in en rondom het plangebied.

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 16 van 30

Op en rond de verschillende locaties en de percelen zijn hoge bomen aanwezig waar soorten zoals boomvalk, buizerd, ransuil, sperwer en havik hun nesten kunnen bouwen. Tijdens het veldonderzoek zijn geen nesten van deze soorten waargenomen. Het uitgevoerde veldbezoek voor deze quickscan betreft een eenmalige inspectie. Het is niet uitgesloten dat bij uitvoering van werkzaamheden in 2021 (of volgende jaren) wel nesten aanwezig zijn in die bomen, die functioneren als voortplantings- of verblijfplaatsen van deze soorten. Het bosrijke gebied ten noorden van perceel 2 is geschikt voor sperwers door de aanwezigheid van (dichte) struiken en hoge bomen waar deze soort zijn nest kan maken en kan foerageren. Het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geschikt voor boomvalk, buizerd, ransuil, sperwer en havik als onderdeel van een groter foerageergebied. Voor bosuil zijn in de verschillende hoge bomen langs percelen 1 en 2 holtes gevonden die mogelijk door deze soort gebruikt kunnen worden om te rusten of te broeden. Daarnaast maakt het plangebied en de directe omgeving daarvan onderdeel uit van een mogelijk grote foerageer- en leefgebied voor bosuilen. Voor grote gele kwikstaart is binnen het plangebied geen geschikt broedbiotoop aanwezig, door afwezigheid van min of meer stromend water met geschikte holtes onder een brug, in een kademuur of tussen boomwortels.

Wel kan het plangebied door grote gele kwikstaart gebruikt worden als onderdeel van een grote foerageer- en leefgebied. Van ooievaar is het grote nest doorgaans goed te zien. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen nesten van ooievaar waargenomen. Doordat het plangebied vrij besloten is, wordt niet verwacht dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het foerageergebied van ooievaar. Voor kerkuil zijn geen geschikte plaatsen voor vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig binnen het plangebied. De dichtstbijzijnde gebouwen, waar kerkuilen voor hun nest afhankelijk van zijn, staan op meer dan 250 meter afstand van het plangebied. De gebouwen op de acht locaties hebben geen functie als vaste rusten verblijfplaats voor kerkuil. Voor gierzwaluw en huismus zijn geschikte plaatsen voor vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig op de locatie A en in het gebouw waar locatie F en G op aansluiten. Het gebouw op locatie A heeft losliggende dakpannen en spleten en scheuren waar beide soorten mogelijk in kunnen broeden. Tijdens het veldonderzoek zijn beide soorten op deze locatie en perceel 1 waargenomen. Tijdens het veldbezoek kon niet geconstateerd worden of beide soorten hier ook daadwerkelijk broeden. Het gebouw waar locatie F en G op aansluiten is potentieel geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor huismus en gierzwaluw, vanwege de bouwstijl en het pannendak.

De overige locaties en percelen kunnen door huismus en gierzwaluw gebruikt worden als onderdeel van hun foerageer- en leefgebied, geschikte nestlocaties voor deze soorten zijn op de overige locaties niet aanwezig.

4.5.2

Broedvogels

Waarnemingen in NDFF: div. waarnemingen van o.a. appelvink, boomkruiper, fitis, groene specht, grote bonte specht, kauw, koolmees, krakeend, meerkoet, tjiftjaf, zanglijster en zwartkop. Verspreidingsgebied: diverse struweel-, bos- en watervogels. Tijdens het veldonderzoek zijn meerdere broedvogels waargenomen. Soorten zoals merel, zwarte kraai, zanglijster, halsbandparkiet, kokmeeuw en kauw. Van meerdere broedvogels zijn op de verschillende rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 17 van 30

locaties en percelen nesten waargenomen. Tijdens het veldonderzoek waren zowel nesten in gebruik als verlaten. Op perceel 1 zijn nesten van zowel merel en houtduif waargenomen als een nest in het gebouw gelegen op perceel 1. Ten noorden van perceel 2 zijn in het bosrijke gebied nesten van verschillende broedvogels waargenomen. Op perceel 2 zelf zijn in de bomen geen nesten waargenomen. Op perceel 3 zijn nesten van verschillenden struweel- en boom broedende soorten zoals merel, houtduif en ekster waargenomen. Het eksternest is in een hoge eikenboom waargenomen en was niet in gebruik ten tijde van het veldonderzoek. De overige nesten zijn in de struiken en bosschages waargenomen. Alleen op locatie A is in een gebouw een nest van een kauw waargenomen. Het nest is gelegen in een holte boven het raam aan de kant van de Endegeesterstraatweg. Verder zijn op locatie A geen nesten van broedvogels in en rond de gebouwen waargenomen. Op de andere locaties B t/m H zijn geen nesten van broedvogels waargenomen in de gebouwen of bijgebouwen. Rond de gebouwen zijn wel nesten waargenomen, deze nesten waren tijdens het veldonderzoek niet in gebruik. In en langs de oevers van de watergangen zijn geen nesten van broedvogels waargenomen. Het gehele plangebied is geschikt voor algemene broedvogels door de aanwezigheid van bomen, struiken, ruigtes, gebouwen, waterkanten en grasvelden.

4.6

Reptielen

Waarnemingen in NDFF: Verspreidingsgebied: Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde reptielen waargenomen in en rond het plangebied. Broeihopen, sporen of andere aanwijzingen van reptielen zijn niet aangetroffen in en rond het plangebied. Het plangebied is gelegen buiten het bekende verspreidingsgebied van beschermde reptielen zoals ringslang en levendbarende hagedis. Het voorkomen van beschermde reptielen in en rond het plangebied is uitgesloten.

4.7

Amfibieën

Waarnemingen in NDFF: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander (ook overwinterend waargenomen). Verspreidingsgebied: rugstreeppad. tabel 4.5: aangetroffen (+) of niet aangetroffen soort (-) tijdens het veldbezoek, een * geeft aan of de soort wel te verwachten is op basis van aanwezigheid van geschikt biotoop.

Soort Bruine kikker (f, l, v) Gewone pad (f, l, v) Kleine watersalamander (f, l, v) Rugstreeppad (f, l, v)

Locatie A

B

C

D

E

F

G

H

P1

P2

P3

-/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/*

-/* -/* -/* -/*

f (foerageergebied), l (leefgebied), v (voortplantingsbiotoop/nest/verblijfplaats).

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 18 van 30

Tijdens het veldonderzoek zijn, zowel op zicht als op geluid, geen amfibieën waargenomen op de verschillende locaties en percelen. Algemene amfibieën Voor amfibieën zijn geschikte plaatsen aanwezig om te foerageren en als voortplantingsbiotoop. De verschillende watergangen in het plangebied zijn geschikt voor amfibieën om in voort te planten en om te foerageren. De oevers van deze watergangen zijn op meerdere plakken vrij steil, maar er zijn ook flauwe taluds waar amfibieën het water kunnen verlaten. Langs perceel 2 zijn deze taluds flauw genoeg voor amfibieën om in en uit de waterkant te kunnen gaan. De watergangen zijn ongeveer 1 meter diep (enkele plekken meer dan 1 meter diep), maar hebben weinig tot geen waterplanten. In het gehele plangebied zijn geschikte locaties aanwezig waar amfibieën kunnen overwinteren. Door de aanwezigheid van ruigtes, strooisel laag, houtstapels, ‘rommel’ hoekjes in tuinen en perken en bladafval zijn er geschikte plekken waar amfibieën onder en tussen kunnen kruipen om te kunnen overwinteren. Vanwege de aanwezigheid van geschikt biotoop functioneert het plangebied met de acht locaties en drie percelen, maar ook de omgeving hiervan, als leef- en voortplantingsbiotoop voor verschillende algemene amfibieënsoorten.

Rugstreeppad In de huidige situatie is het plangebied en de drie locaties niet geschikt als leefgebied voor rugstreeppad door de afwezigheid van goed vergraafbare grond. Ten tijde van de uitvoering van bouw- en grondwerkzaamheden , waarbij goed vergraafbare grond aanwezig is, is het niet uit te sluiten dat rugstreeppad vanuit de omgeving richting het plangebied trekt tijdens het actieve seizoen (periode mei-september). Door het ontbreken van geschikt biotoop worden soorten zoals poelkikker, heikikker en kamsalamander niet verwacht in en rond het plangebied. Daarnaast ligt het plangebied buiten de bekende verspreidingsgebied van poelkikker, heikikker en kamsalamander waardoor voorkomen van deze soorten uitgesloten is.

4.8

Vissen

Waarnemingen in NDFF: Verspreidingsgebied: Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde vissen waargenomen en gevangen. Ook zijn geen algemeen voorkomende soorten zoals stekelbaars en baars waargenomen of gevangen. Op de locaties C en D en perceel 2 waar werkzaamheden in de buurt van het water worden uitgevoerd is met behulp van een schepnet naar vissen gevangen. Hier zijn geen vissen aangetroffen. De watergangen in het plangebied zijn geschikt voor algemeen voorkomende vissen. Ondanks dat geen exemplaren gevangen zijn tijdens het veldonderzoek kunnen deze wel voorkomen in de watergangen. Door de afwezigheid van geschikte omstandigheden zoals helder water en watervegetatie is voorkomen van zwaar beschermde vissen uitgesloten. Daarnaast ligt het plangebied buiten de bekende verspreidingsgegevens van onder andere grote modderkruiper.

4.9

Ongewervelde diersoorten

Waarnemingen in NDFF: grote vos. Verspreidingsgebied: grote vos, platte schijfhoren. rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 19 van 30

tabel 4.6: aangetroffen (+) of niet aangetroffen soort (-) tijdens het veldbezoek, een * geeft aan of de soort wel te verwachten is op basis van aanwezigheid van geschikt biotoop.

Locatie A Soort Grote vos (f, l, v) Platte schijfhoren (l)

-/* -

B

C

D

E

F

G

H

P1

P2

P3

-/* -

-/* -

-/* -

-/* -

-/* -

-/* -

-/* -

-/* -

-/* -

-/* -

f (foerageergebied), l (leefgebied), v (voortplantingsbiotoop/nest/verblijfplaats).

Tijdens het veldonderzoek zijn geen beschermde ongewervelden diersoorten waargenomen. De enige ongewervelden die zijn waargenomen zijn citroenvlinder, gewone wesp en groot koolwitje. Dit zijn algemeen in Nederland voorkomende soorten. Uit verspreidingsgegevens komt naar voren dat grote vos en platte schijfhoren voorkomen in en rond de verschillende locaties en percelen. Grote vos Grote vos is een dagvlindersoort die voorkomt in bosrijke gebieden waar de waardplant iep, zoete kers en wilg voorkomt. Tijdens het veldonderzoek zijn geen exemplaren van grote vos waargenomen. Wel zijn de waardplanten van deze soort in en rond het plangebied gezien. Op meerder plekken staan wilgen langs de kant van het water en in het bosrijke gebied zijn op enkele plekken iepen waargenomen. Dit geldt voor alle locaties en percelen. Door het voorkomen van waardplant voor de grote vos is het niet uitgesloten dat grote vos in en rond het plangebied kan voorkomen. Platte schijfhoren Platte schijfhoren is een soort van heldere, licht stromende wateren met veel onderwatervegetatie. De wateren moeten niet voedselrijk en troebel zijn. De aanwezige watergangen in het plangebied zijn allemaal troebel door organisch materiaal. In het water ligt veel organisch materiaal zoals takken en bladeren en is weinig tot geen rwatervegetatie aanwezig. Daarnaast is het water stilstaand tot heel licht stromend.

Door de afwezigheid van geschikte omstandigheden zoals helder, licht stromend water en waterplanten is het uitgesloten dat platte schijfhoren voorkomt in en rond het plangebied. Voor andere beschermde ongewervelden diersoorten zijn geen waardplanten of specifieke abiotische omstandigheden aanwezig, zodat voorkomen van overige beschermde ongewervelden in het plangebied uitgesloten kan worden.

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 20 van 30

5

EFFECTANALYSE

De exacte ruimtelijke ontwikkelingen zijn voor de onderzochte acht locaties en drie percelen nog niet bekend. Naar verwachting vindt sloop van (delen van) gebouwen, nieuwbouw en herinrichting van percelen plaats. Een dergelijke voorgenomen ruimtelijke ingreep kan effecten hebben op aanwezige beschermde soorten. Doordat de concrete ontwikkelingen nog niet bekend zijn, is in dit hoofdstuk op hoofdlijnen aangegeven of negatieve effecten te verwachten zijn op zowel de korte (tijdens de uitvoering) als op de lange termijn (na de uitvoering).

5.1

Grondgebonden zoogdieren

Algemene grondgebonden zoogdieren Door herinrichting van percelen en het uitvoeren van sloop- en bouwwerkzaamheden kunnen algemene muizensoorten, grondgebonden zoogdieren en kleine marterachtigen ten tijde van de werkzaamheden negatieve effecten ondervinden waarbij individuen verstoring ondervinden, verblijfplaatsen en leefgebied weggenomen kunnen worden. Afhankelijk van de bouwplannen en herinrichting van percelen kan de ruimtelijke ontwikkeling op de lange termijn leiden tot een toe- of afname van beschikbaar leefgebied. De algemene grondgebonden zoogdieren (zoals muizen, kleine marterachtigen, egel, haas, konijn) zijn vrijgesteld van de verbodsbepalingen via een provinciale verordening van de Provincie Zuid-Holland. Het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor deze soorten is bij ruimtelijke ingrepen niet aan de orde. Wel dient te worden voldaan aan de zorgplicht om onnodig leed te voorkomen, waarvoor in hoofdstuk 6 enkel voorschriften zijn opgenomen. Boommarter Indien voor de ruimtelijke ontwikkeling bomen en bosschages moeten worden verwijderd, kan dit leiden tot negatieve effecten op boommarter met verstoring van individuen, het wegnemen van vaste rust- en verblijfplaatsen en wegnemen van foerageer- en leefgebied. Dit leidt tot overtreding van verschillende verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

Om duidelijkheid over de daadwerkelijke aanwezigheid van de boommarter en de functie van het plangebied voor deze soort te verkrijgen, geldt het advies om een aanvullend soortonderzoek voor boommarter uit te voeren.

5.2

Vleermuizen

Verblijfplaatsen Het verwijderen van bomen op de drie percelen ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot het wegnemen van vaste rust- en verblijfplaatsen in bomen. Daarnaast kan het verwijderen van bomen in de directe nabijheid van te behouden bomen, met geschikte holtes voor verblijfplaatsen van vleermuizen, leiden tot aantasting van het aanwezige microklimaat waardoor op indirecte wijze verblijfplaatsen ongeschikt raken. Voorgaande kan ook aan de orde zijn voor de potentiële kap van bomen rondom de acht locaties waar sloop en nieuwbouw gepland is. De kapwerkzaamheden kunnen leiden tot wegnemen en/of ongeschikt maken van verblijfplaatsen, verstoren en mogelijk doden van vleermuizen. Dit leidt tot overtreding van verschillende verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Op de locaties A, B, C, D, E, G, G en H zijn geschikte plekken gevonden voor vleermuizen om in te verblijven. De sloop en bij locatie F en G mogelijke herstelwerkzaamheden aan de gevels van het te behouden gebouw kan leiden tot het vernielen en/of ongeschikt maken van verblijfplaatsen, verstoren en rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 21 van 30

mogelijk doden van vleermuizen. Dit leidt tot overtreding van verschillende verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Foerageergebied en vaste vliegroutes De herinrichting van de percelen én de acht locaties kan leiden tot wegnemen en/of aantasting van foerageergebied en vliegroutes. Dit kan een indirect negatief effect hebben op (kraam)kolonies in en in de omgeving van het plangebied. Zo mogelijk heeft het plangebied een essentiële foerageerfunctie voor kolonies in het bebouwde gebied van Oegstgeest en Leiden. Negatieve effecten op essentieel foerageergebied en/of essentiële vliegroutes leidt tot overtreding van verschillende verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Afhankelijk van de toekomstige ruimtelijke inrichting van het terrein kan het plaatsen van andere en/of meer buitenverlichting (dan in de huidige situatie) ook effect hebben op het functioneren van het leefgebied (waaronder foerageergebied en vliegroutes) van vleermuizen, wat indirect negatieve effecten kan hebben op het functioneren van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in en in de omgeving van het plangebied. Deze negatieve effecten leiden ook tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

Om een gerichte effectanalyse en toetsing aan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming uit te kunnen voeren is het noodzakelijk om een aanvullend soortonderzoek uit te voeren voor vleermuizen. Met dit onderzoek moet duidelijkheid worden verkregen welke vleermuissoorten voorkomen en welke functies het plangebied heeft voor die vleermuissoorten.

5.3

Vogels

Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen Het verwijderen van bomen op de drie percelen ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling en de herinrichting kan leiden tot het wegnemen van leefgebied van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, havik, ransuil, bosuil, kerkuil en sperwer. Daarnaast kan de kap van bomen leiden tot het wegnemen van vaste rust- en verblijfplaatsen van boomvalk, buizerd, havik, ransuil, bosuil en sperwer. Het verwijderen van bomen in de directe nabijheid van te behouden bomen, met geschikte holtes en/of verblijfplaatsen van deze vogelsoorten, kan leiden tot aantasting van het aanwezige biotoop waardoor op indirecte wijze verblijfplaatsen ongeschikt raken. Voorgaande kan ook aan de orde zijn voor de potentiële kap van bomen rondom de acht locaties waar sloop en nieuwbouw gepland is. De kapwerkzaamheden kunnen leiden tot wegnemen en/of ongeschikt maken van verblijfplaatsen. Dit leidt tot overtreding van verschillende verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. De sloop van gebouwen op locatie A (en perceel 1) kan leiden tot het wegnemen van vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus en gierzwaluw. De sloop van locatie F en G kan afhankelijk van de uitvoeringsperiode leiden tot verstoren van de individuen en verblijfplaatsen van deze twee soorten, wanneer deze een verblijfplaats hebben in het aangrenzende gebouw.

Om een gerichte effectanalyse en toetsing aan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming uit te kunnen voeren is het noodzakelijk om een aanvullend soortonderzoek uit te voeren naar de betekenis van de bomen en struiken voor vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats. Daarnaast dient te worden onderzocht of de gebouwen op locatie A en het aangrenzende gebouw bij locatie F en G een functie hebben als vaste rust- en verblijfplaats voor huismus en gierzwaluw. rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 22 van 30

Broedvogels Het overgrote deel van de vogels broedt in de periode maart-juli met uitloop in augustus. Incidenteel kunnen vogels echter ook in de tweede helft van het jaar nog tot broeden komen en bij enkele vogelsoorten start de broedperiode reeds in januari of februari. Een vast broedseizoen is dan ook niet aan de orde. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Deze verbodsbepaling geldt te allen tijde, ongeacht de periode van het jaar. Om overtreding van deze verbodsbepaling te voorkomen, zijn in hoofdstuk 6 voorzorgsmaatregelen opgenomen.

5.4

Amfibieën

Algemene amfibieënsoorten In de periode oktober-maart kunnen overwinterende exemplaren aanwezig zijn in de aanwezige ruigtes, strooisel laag, houtstapels, ‘rommel’ hoekjes en onder bladafval in tuinen en perken. Vanaf maart kunnen in de watergangen nabij de locaties volwassen exemplaren voor voortplanting aanwezig zijn en vanaf april ook larven, juvenielen van algemene amfibieën (zoals gewone pad, bruine kikker). Het uitvoeren van werkzaamheden voor sloop, bouw en herinrichting kan leiden tot het doden van overwinterende individuen. Vooralsnog is te verwachten dat geen werkzaamheden plaatsvinden in de watergangen, waardoor verstoring van voortplanting niet aan de orde is. Voor algemene amfibieën geldt een vrijstelling van overtreding van verbodsbepalingen via een provinciale verordening van de provincie Zuid-Holland. Mits voldaan wordt aan het naleven van de zorgplicht is voor deze soorten een ontheffingsaanvraag niet nodig. Voorzorgsmaatregelen zijn opgenomen in hoofdstuk 6. Rugstreeppad Het uitvoeren van diverse graaf- en bouwwerkzaamheden kan leiden tot het (onbedoeld) creëren van geschikt leefgebied voor rugstreeppad, met ondiepe laagtes (regenplassen) en vergraafbare bodem. In de periode mei tot en met september kan daardoor geschikt voortplantingsbiotoop ontstaan en bij aanwezigheid van gronddepots kan in de periode oktober – april geschikt winterbiotoop aanwezig zijn.

Verstoring van voortplantingsactiviteit van rugstreeppad is een overtreding van een verbodsbepaling. Het wegnemen van gronddepots, die kunnen functioneren als winterbiotoop van rugstreeppad, leidt tot doden van individuen, wat ook een overtreding van een verbodsbepaling is. In hoofdstuk 6 zijn voorzorgsmaatregelen opgenomen om te voorkomen dat het geschikt raakt als leefgebied voor rugstreeppad en overtreding van verbodsbepalingen wordt voorkomen. Wanneer het nemen van dergelijke voorzorgsmaatregelen niet mogelijk is, is een verdere toetsing aan de Wet natuurbescherming nodig, met aanvraag van een ontheffing.

5.5

Ongewervelde diersoorten

Het verwijderen van de waardplanten iep, zoete kers en wilg bij kapwerkzaamheden voor de herinrichting en bouwwerkzaamheden, kan negatieve effecten hebben op de voortplanting van de dagvlinder grote vos. Dit betreft een overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Indien iepen, zoete kers en wilgen moeten worden gekapt, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de daadwerkelijke aanwezigheid van grote vos, waarna zo nodig een verdere toetsing plaatsvindt.

5.6

Overzicht van de in het plangebied aanwezige beschermde natuurwaarden

Van de in tabel 5.1 opgenomen diersoorten mag, gezien het voorgaande, worden aangenomen of is met zekerheid vastgesteld dat zij binnen het plangebied voorkomen en welke functie het plangebied heeft voor rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 23 van 30

deze soorten. In de laatste kolom is opgenomen welke vervolgstappen nodig zijn om een overtreding op de verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming te voorkomen. tabel 5.1: aangetroffen en te verwachten beschermde fauna

Nederlandse naam

Bescherming Wnb*

Functie plangebied

locatie

Vervolgstappen

geheel plangebied

alg. voorzorgsmaatregelen

art 3.10

leefgebied, geheel plangebied foerageergebied, potentieel verblijfplaats

aanvullend soortgericht onderzoek

art 3.5

leefgebied, geheel plangebied foerageergebied, potentieel verblijfplaats

aanvullend soortgericht onderzoek

boomvalk

art 3.1

aanvullend soortgericht onderzoek

buizerd

art 3.1

leefgebied, perceel 1, 2, 3 en foerageergebied, omgeving alle potentieel locaties verblijfplaats leefgebied, perceel 1, 2, 3 en foerageergebied, omgeving alle potentieel locaties verblijfplaats

gierzwaluw

art 3.1

A, F, G: A, F, G, geheel potentieel plangebied verblijfplaats geheel plangebied: foerageergebied

aanvullend soortgericht onderzoek

havik

art 3.1

aanvullend soortgericht onderzoek

huismus

art 3.1

ransuil

art 3.1

leefgebied, perceel 1, 2, 3 en foerageergebied, omgeving alle potentieel locaties verblijfplaats A, F, G: A, F, G, geheel potentieel plangebied verblijfplaats geheel plangebied: foerageergebied leefgebied, perceel 1, 2, 3 en foerageergebied, omgeving alle potentieel locaties verblijfplaats

Grondgebonden zoogdieren alg. grondgebonden zoogdieren art 3.10, met prov. leefgebied vrijstelling boommarter

Vleermuizen div. vleermuizen

Vogels

aanvullend soortgericht onderzoek

aanvullend soortgericht onderzoek

aanvullend soortgericht onderzoek

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 24 van 30

Nederlandse naam bosuil

Bescherming Wnb* art 3.1

Functie locatie plangebied leefgebied, perceel 1, 2, 3 en foerageergebied, omgeving alle potentieel locaties verblijfplaats

kerkuil

art 3.1

aanvullend soortgericht onderzoek

sperwer

art 3.1

leefgebied, perceel 1, 2, 3 en foerageergebied, omgeving alle potentieel locaties verblijfplaats leefgebied, perceel 1, 2, 3 en foerageergebied, omgeving alle potentieel locaties verblijfplaats

div. broedvogels Amfibieën

art 3.1

broedbiotoop

geheel plangebied

voorzorgsmaatregelen

alg. amfibieën

art 3.10 met prov. vrijstelling

geheel plangebied

alg. voorzorgsmaatregelen

rugstreeppad

art 3.5

voortplantings- geheel plangebied en winterbiotoop, leefgebied ten tijde van graaf-en bouwwerkzaamh.

voorzorgsmaatregelen, met mogelijke ontheffing

Ongewervelden Grote vos

art 3.10

voortplantingsbiotoop

aanvullend soortgericht onderzoek bij kap van iepen en wilgen

perceel 1, 2, 3 en omgeving alle locaties

Vervolgstappen aanvullend soortgericht onderzoek

aanvullend soortgericht onderzoek

* Artikel 3.1: soorten beschermd onder de Vogelrichtlijn, Artikel 3.5: soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, Artikel 3.10: andere soorten (Nationaal beschermd).

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 25 van 30

6

VOORZORGSMAATREGELEN

Negatieve effecten op beschermde dieren dienen zo veel mogelijk te worden voorkomen. In dit hoofdstuk zijn de voorzorgsmaatregelen opgenomen ter voorkoming van verstoring of schade aan beschermde natuurwaarden. Het nemen van de onderstaande opgenomen voorzorgsmaatregelen is noodzakelijk om een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van broedvogels en rugstreeppad te voorkomen. Ten aanzien van boommarter, vleermuizen, vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats en de vlindersoort grote vos dient eerst aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om een volledige toetsing uit te voeren en te bepalen of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Gezien deze vervolgstappen is het tot nader order niet toegestaan werkzaamheden te starten. Zorgplicht Voor alle soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving of niet, geldt te allen tijde de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht dient te nemen voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Maatregelen die invulling geven aan de algemene zorgplicht zijn: • Werken in één richting, zodat soorten de kans krijgen te vluchten naar een veilige omgeving. • Kort maaien van de aanwezige vegetatie (<10 cm) voorafgaand aan de start van de werkzaamheden.

Hierdoor wordt beschutting voor broedvogels, algemene amfibieën en algemene grondgebonden zoogdieren tijdelijk weggenomen. Vrijkomend maaisel moet worden afgevoerd of geplaatst buiten het werkterrein. • Werken buiten de kwetsbare periode(n) van de beschermde soort(en). Broedvogels Het verstoren van broedende vogels en het wegnemen of vernielen van eieren is niet toegestaan onder de Wet natuurbescherming. Een vaste broedperiode of -seizoen bestaat niet, de kans op aanwezigheid van broedende vogels is het grootst in de periode maart-augustus. De periode en duur van het broeden zijn afhankelijk van de vogelsoort en de weersomstandigheden. Kapwerkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd in de periode september-februari. De kans dat nesten dan in gebruik zijn, is in die periode kleiner. Voorafgaand aan het verwijderen van de begroeiing met aanwezige nesten dient een ter zake kundige ecoloog een controle uit te voeren op aanwezigheid van broedende vogels. Om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen, dienen de volgende voorzorgsmaatregelen te worden nageleefd: • Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden moet het terrein gecontroleerd worden op de aanwezigheid van broedende vogels. • Indien broedende vogels aanwezig zijn, zal in overleg met een ter zake kundige ecoloog worden bepaald welke afstand tot de broedlocatie aangehouden moet worden.

• Wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn, kan het plangebied ongeschikt worden gemaakt door het verwijderen van de aanwezige vegetatie. • Wanneer verstoring van broedende vogels en wegnemen of vernielen van eieren niet voorkomen kan worden, dient het werk uitgesteld te worden tot de jonge vogels zijn uitgevlogen en het nest niet meer gebruikt wordt. rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 26 van 30

Rugstreeppad Wanneer zanderig terrein met plassen water tijdens de werkzaamheden niet afgeschermd of opgeruimd wordt, is het mogelijk dat de rugstreeppad dit gebied zal bevolken. Dit is voornamelijk mogelijk in de periode april-september. Het creëren van geschikt voortplantingsgebied kan voorkomen worden door vorming van plassen (regen)water in het plangebied te voorkomen. Daarnaast kan voorkomen worden dat rugstreeppad het gebied kan gaan gebruiken door zo min mogelijk, tijdens de werkzaamheden, zandhopen aan te brengen. Dit zijn voor rugstreeppadden geschikte leefgebieden (bijvoorbeeld als overwinteringslocatie). Indien rugstreeppad ten tijde van de uitvoering toch wordt aangetroffen, dienen de werkzaamheden stil te worden gelegd en dient de begeleidende ecoloog aan te geven welke vervolgstappen (met mogelijke ontheffingsaanvraag) moeten worden genomen.

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 27 van 30

7

CONCLUSIE EN ADVIES

7.1

Conclusie

In het gebied Endegeest, te Oegstgeest, worden een aantal ontwikkelingen beoogd. Voor een drietal onderzochte ontwikkellocaties is sprake van het verwijderen van bomen en begroeiing, al dan niet in combinatie met sloop van gebouwen, onder andere op acht onderzochte potentiële slooplocaties. Voor dit plangebied is een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd om na te gaan welke beschermde soorten voorkomen en/of verwacht kunnen worden. In paragraaf 1.3 zijn onderzoeksvragen geformuleerd. Vanuit het uitgevoerde onderzoek zijn daarop de volgende antwoorden te geven: 1. Welke beschermde soorten zijn binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden aanwezig of op basis van de aanwezige biotopen niet uit te sluiten? a. Algemene grondgebonden zoogdieren, boommarter, verschillende soorten vleermuizen, verschillende vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats, broedvogels, algemene amfibieën, rugstreeppad en de vlindersoort grote vos. 2. Is aanvullend soortgericht onderzoek noodzakelijk om te kunnen vaststellen of beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden aanwezig zijn? Zo ja, voor welke soorten? a. Voor boommarter, vleermuizen, vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats en grote vos is aanvullend soortgericht onderzoek noodzakelijk. 3.

Welke effecten ondervinden de aanwezige en te verwachten beschermde soorten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep, betreft het hier negatieve effecten die leiden tot overtreding van verbodsbepalingen? a. Negatieve effecten die kunnen leiden tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming betreffen: i. het wegnemen van vaste rust- en verblijfplaatsen van mogelijk aanwezige boommarter, vleermuizen, vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats. ii. het wegnemen/vernielen van nesten van broedende vogels. iii. het wegnemen van voortplantingsbiotoop van grote vos. iv. wegnemen van voortplantings- en winterbiotoop van rugstreeppad (met het doden van individuen) ten tijde van graaf- en bouwwerkzaamheden. v. wegnemen en/of verstoren van foerageergebied/leefgebied van boommarter, vleermuizen en vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats. 4. Welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te voorkomen en daarmee overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen? a. Hoofdstuk 6 behandelt enkele voorzorgsmaatregelen ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren, algemene amfibieën, broedvogels en rugstreeppad. 5. Is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk? a. Mogelijk is een ontheffing noodzakelijk.

Ten aanzien van boommarter, vleermuizen, vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats en de vlindersoort grote vos dient eerst aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om een volledige toetsing uit te voeren en te bepalen of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Gezien deze vervolgstappen is het tot nader order niet toegestaan werkzaamheden te starten. N.B. Bij perceel 1 zijn planten waargenomen van de invasieve soort Japanse duizendknoop. Deze soort kan zich sterk uitbreiden wanneer onzorgvuldig wordt omgegaan met maaisel en/of worteldelen van deze plant.

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 28 van 30

7.2

Advies vervolgstappen

Voor verschillende soorten dient een aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Dit onderzoek is veelal gebonden aan specifieke perioden waarbij meerdere onderzoeksrondes moeten worden uitgevoerd. Pas wanneer het volledige onderzoek is uitgevoerd, kunnen conclusies worden getrokken over de aanwezigheid van soorten en de functie van het plangebied (met de specifieke locaties en percelen) voor die soorten. Beknopte informatie over benodigd soortgericht onderzoek Voor boommarter wordt het aanvullend onderzoek uitgevoerd met behulp van cameravallen. Daarnaast worden geschikte holtes in bomen en gebouwen onderzocht op gebruikssporen met een inspectiecamera. Doordat de boommarter het gehele jaar actief is, is het uit te voeren onderzoek niet gebonden aan een vaste periode. Voor vleermuizen wordt het onderzoek uitgevoerd conform het vastgestelde Vleermuisprotocol (versie februari 2017). Hiervoor worden in de periode mei tot én met september vijf onderzoeksrondes uitgevoerd naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en het vaststellen van foerageergebied en vliegroutes. In de periode december t/m februari kan het noodzakelijk zijn om via een inspectiecamera onderzoek uit te voeren naar winterverblijfplaatsen in boomholtes. Afhankelijk van de hoogte waarop de holte aanwezig is, wordt hiervoor een hoogwerker ingezet.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats wordt de onderzoeksinspanning gekoppeld aan de vogelsoort, waarbij de beschikbare onderzoeksmethodes worden toegepast van de Kennisdocumenten van BIJ12. Afhankelijk van de soort moet in globaal de periode februari – juni verschillende onderzoeksrondes uitgevoerd worden. Voor de vlindersoort grote vos wordt het onderzoek gericht op waarnemingen van de vlinder (begin maartbegin september) en wordt gezocht naar de rupsen (eind april-half juli) van deze vlinder. De noodzaak voor dit onderzoek kan eerst nog met een tussenstap worden beoordeeld, waarbij wordt nagegaan of de waardplanten iep, zoete kers en/of wilg aanwezig zijn. Daarnaast is het zinvol om na te gaan of deze waardplanten gekapt moeten worden ten behoeve van de ruimtelijke ontwikkeling. Vervolgstappen Om vervolgens een effectanalyse uit te kunnen voeren met een toetsing aan de verbodsbepalingen om een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming te kunnen aanvragen, zijn de volgende gegevens nodig: 1. Definitieve plannen voor de ruimtelijke ontwikkeling (inclusief de te kappen bomen, sloop van gebouwen, nieuwbouwplannen, herinrichting van de buitenruimte e.d.). 2. Concrete planning voor de uitvoering (periode en doorlooptermijn). 3. Wat het wettelijk belang is van het project. 4.

Wat de alternatieven zijn, ten aanzien van locatie, plannen, werkwijze en uitvoeringsperiode. 5. Welke mitigerende en/of compenserende maatregelen genomen moeten worden om de negatieve effecten zo veel mogelijk te verzachten en/of te compenseren. 6. Of het plan, inclusief de te nemen mitigerende/compenserende maatregelen, niet leidt tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soort.

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 29 van 30

8

BRONNEN

Geraadpleegde internetpagina’s: • www.bij12.nl • www.zoogdiervereniging.nl • www.vleermuis.net • www.pdokviewer.nl

rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 30 van 30

Bijlage 1. Natuurwetgeving Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Al enige jaren is sprake van decentralisatie op het gebied van de diverse ‘groene taken’. Met de Wet natuurbescherming is de tendens van decentralisatie formeel bekrachtigd en zijn enkele nieuwe instrumenten toegevoegd. De Wet natuurbescherming moet op termijn (2018) opgaan in de Omgevingswet. De bepalingen en instrumenten uit de Wet natuurbescherming zijn hier al (grotendeels) op voorbereid. Het bevoegd gezag gaat over naar de provincie. Ten aanzien van projecten op nationale schaal blijft de Rijksdienst van Ondernemend Nederland bevoegd gezag. Voor de Wet natuurbescherming zijn ten aanzien van de Soortenbescherming twee richtlijnen en een nationaal beschermingsregime van toepassing: • Vogelrichtlijn; • Habitatrichtlijn; • Nationale soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn is een Europese richtlijn die in 1979 is vastgesteld en is gericht op de bescherming van vogelsoorten binnen de Europese Unie (EU). De richtlijn verplicht de lidstaten tot de instandhouding van de in het wild levende vogelsoorten op hun grondgebied en heeft betrekking op de bescherming van vogels, hun eieren, nesten en leefgebieden.

De richtlijn draagt tevens zorg voor de extra bescherming van broed- en trekvogels die: • met uitsterven worden bedreigd; • gevoelig zijn voor veranderingen in de leefomgeving; • als bijzonder zeldzaam beschouwd worden; • bescherming nodig hebben vanwege de eisen die ze aan hun habitat stellen. Verbodsbepalingen Artikel 3.1 Lid 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Lid 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Lid 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Lid 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

Habitatrichtlijn De Europese Habitatrichtlijn is complementair aan de Vogelrichtlijn en richt zich op de bescherming van bijzondere planten- en diersoorten (uitgezonderd vogels) en hun leefgebieden. Deze richtlijn is inclusief het Verdrag van Bern (bijlage II) en het Verdrag van Bonn (bijlage I). De in de Habitatrichtlijn genoemde maatregelen zijn gericht op: • het behoud van natuurlijke habitat en ecosystemen; • de bescherming van leefgebieden van bepaalde dieren en planten. Met de richtlijn wordt getracht een Europees ecologisch netwerk tot stand te brengen (Natura 2000), zodat migratie van planten- en diersoorten binnen de EU mogelijk wordt gemaakt. In bijlage I van de Habitatrichtlijn wordt de beschermde habitat genoemd. In bijlage II zijn de planten- en diersoorten genoemd, waarvan de habitat beschermd moet worden om deze soorten in stand te houden. Een aantal van deze soorten heeft een prioritaire status, wat inhoudt dat niet alleen de soort, maar ook de leefomgeving hiervan als beschermd beschouwd moet worden. In bijlage IV worden de soorten genoemd die strikte bescherming genieten. Het is verboden deze soorten te doden, te vangen, te verontrusten of hun habitat aan te tasten. Veel soorten uit bijlage IV zijn ook genoemd in bijlage II. Verbodsbepalingen Artikel 3.5 Lid 1.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Lid 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Lid 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Lid 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Lid 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationale soorten De nationale soorten betreffen een bescherming van een lijst met zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers (onderdeel A) en planten (onderdeel B). Het betreffende bevoegd gezag stelt in een verordening vast voor welke van deze soorten de verbodsbepalingen onverminderd gelden en voor welke soorten een vrijstelling geldt.

Verbodsbepalingen Artikel 3.10 Lid 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde "houtopstanden").

Het verbod op het geheel of gedeeltelijk vellen van houtopstanden is niet van toepassing op: • Houtopstanden binnen de grenzen van de bebouwde kom; • Houtopstanden op erven of in tuinen; • Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • Naaldbomen, bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan 20 jaar; • Kweekgoed; • Uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs watergangen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • Dunnen van een houtopstand; • Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die bedoeld zijn voor de productie van houtige biomassa welke ten minste eens per tien jaar worden geoogst. En bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid als aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 meter en aangelegd na 1 januari 2013. De herplantplicht van houtopstanden geldt niet voor maatregelen ten behoeve van natuurontwikkelingen (in het kader van het halen van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden en opgelegde mitigatie of compensatie in het kader van vergunningen of ontheffingen) en het creëren of onderhouden van brandgangen. Provincies kunnen vrijstellingsregels of nadere regels voor een ontheffing voor herplantplicht opstellen. Rode lijsten Op Rode lijsten staan soorten die worden bedreigd in hun voortbestaan.

In Nederland is inmiddels voor negen soortgroepen een Rode lijst gepubliceerd in de Staatscourant: • vogels; • dagvlinders; • zoogdieren; • reptielen en amfibieën; • paddenstoelen; • libellen; • krekels en sprinkhanen; • korstmossen; • zoetwatervissen.

De Rode lijsten komen voort uit het Verdrag van Bern. Dit verdrag vraagt bijzondere aandacht voor soorten die met uitsterven worden bedreigd en kwetsbaar zijn. Rode Lijst soorten genieten geen wettelijke bescherming. Provinciale en gemeentelijke overheden en terreinbeherende instanties worden geacht rekening te houden met de Rode lijsten bij het uitvoeren van beheer en het formuleren van beleid.

Bijlage 2. Foto’s plangebied

Locatie A

Locatie C

Locatie D

Locatie E

Locatie F en G

Locatie H

Perceel 1: :

Perceel 2:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10706884/1