Bijlage 5 bij RV d.d. 26 oktober 2021 Vaststellen bestemmingsplan De Geesten Z-18-118551 Oegstgeest
Tekst van het document
5.2
Vleermuizen
Verblijfplaatsen De aanwezige potentiële geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen op locaties 2, 3, 7, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17 en 18 worden mogelijk beschadigd of vernield door de sloop-, renovatie- en nieuwbouwwerkzaamheden en bomenkap. Vleermuizen kunnen significant negatieve effecten ondervinden als gevolg van deze werkzaamheden, omdat verblijfplaatsen verstoord of vernield kunnen worden. Het beschadigen en/of vernielen van verblijfplaatsen van vleermuizen leidt tot een overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming (Art. 3.5, lid 4). Op locaties 2, 3, 7, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17 en 18 dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Dit aanvullend soortgericht onderzoek dient uitgevoerd te worden wanneer de scope van het project in vergevorderd stadium is, aangezien de uitvoering van dit aanvullend soortgericht onderzoek gekoppeld is aan de ruimtelijke ontwikkeling die plaats gaat vinden. Aangezien op locaties 4 en 9 geen werkzaamheden plaatsvinden aan gebouwen en bomen, is geen sprake van negatieve effecten op zowel de korte als de lange termijn op potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen. Op deze locaties hoeven geen vervolgstappen genomen te worden. rps.nl Ref.: NL202007095.006-R21-898 | 04 oktober 2021 Pagina 29 van 41
Foerageergebied en vaste vliegroutes Op alle dertien locaties zijn geschikte plekken waargenomen die voor vleermuizen kunnen functioneren als foerageergebied en vaste vliegroute door de aanwezigheid van lijnvormige structuren, vrijstaande bomen en watergangen. Aangezien sloop-, renovatie- en nieuwbouwwerkzaamheden plaats gaan vinden en bomen gekapt worden, kan dit negatieve gevolgen hebben voor vleermuizen door verstoring van foerageergebied en vliegroutes. Het is op basis van deze quickscan niet te bepalen in hoeverre deze foerageergebieden en vliegroutes essentieel zijn voor vleermuizen. Er wordt aanbevolen om nader soortgericht onderzoek uit te voeren naar foerageergebied en vaste vliegroutes op alle dertien locaties.
5.3
Vogels
Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen Vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen hebben nesten die, ongeacht of broedactiviteit wel of niet plaatsvindt op het nest, gedurende het hele jaar beschermd zijn. Het verwijderen van bomen op de dertien locaties kan leiden tot het wegnemen van potentiële verblijfplaatsen voor boomvalk (alle locaties), buizerd (alle locaties), havik (alle locaties), sperwer (alle locaties), bosuil (locatie 2, 7, 14 en 18) en ransuil (locatie 14). Werkzaamheden met betrekking tot het verwijderen van struikachtige vegetatie kan negatieve effecten hebben op het foerageergebied van boomvalk, buizerd, havik, sperwer, bosuil en ransuil doordat leefgebied voor prooien van deze vogels hiermee verstoord of vernield raakt. Het wordt aanbevolen om een eenmalig veldbezoek uit te voeren naar de aanwezigheid van boomvalk, buizerd, havik, bosuil en ransuil wanneer de werkzaamheden concreet zijn. Uit dat eenmalige veldbezoek zal blijken of aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd moet worden. Ook vinden sloop-, renovatie- en nieuwbouwwerkzaamheden rondom gebouwen op locatie 2, 10, 12, 14 en 18 plaats, waarbij negatieve effecten voor huismus en gierzwaluw op kunnen treden door verstoring of vernieling van (potentiële) verblijfplaatsen.
Het wordt aanbevolen om aanvullend soortgericht onderzoek uit te voeren naar verblijfplaatsen van huismus en gierzwaluw op locatie 2, 10, 12, 14 en 18. De sloop-, renovatie- en nieuwbouwwerkzaamheden kunnen ook van invloed zijn als deze binnen de verstoringsafstand liggen van boomvalk, buizerd, havik, bosuil, ransuil, huismus en gierzwaluw. Indien werkzaamheden binnen deze verstoringsafstand uitgevoerd worden terwijl deze soorten aan het broeden zijn, bestaat de kans dat deze vogels het broeden afbreken en jongen overlijden, wat een overtreding is van de vogelrichtlijn (art. 3.1, lid 2 en lid 4). Er worden geen negatieve effecten verwacht op grote gele kwikstaart als gevolg van de werkzaamheden, aangezien hierbij geen foerageer-, leef- of voortplantingsgebied zoals watergangen en oevers worden verstoord of vernield. Broedvogels Broedvogels hebben nesten die alleen beschermd zijn wanneer broedactiviteit plaatsvindt op het desbetreffende nest. Het verwijderen van bomen en struikachtige vegetatie kan leiden tot verstoring of vernieling van (potentiële) verblijfplaatsen van diverse soorten broedvogels. Ook sloop-, renovatie- en nieuwbouwwerkzaamheden kunnen leiden tot verstoring en vernieling van verblijfplaatsen van broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een controle uitgevoerd te worden op aanwezige nesten van broedvogels op de locaties.
Voorzorgsmaatregelen voor broedvogels zijn opgenomen in hoofdstuk 6.
rps.nl Ref.: NL202007095.006-R21-898 | 04 oktober 2021 Pagina 30 van 41
5.4
Amfibieën
Algemene amfibieën Er vinden geen werkzaamheden plaats in de watergangen op de dertien locaties. Wel worden bomen en struikachtige vegetaties gekapt. Het is niet bekend op welke locaties dit plaatsvindt en welke hoeveelheden bomen en struikachtige vegetatie gekapt worden. Op de korte termijn kunnen de kap van bomen en struikachtige vegetatierustplaatsen van algemene amfibieën verstoren of vernielen. Op de langere termijn kunnen deze werkzaamheden de populatie van algemene amfibieënsoorten aantasten. Voor algemene amfibieën zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander geldt een vrijstelling van overtreding van verbodsbepalingen via een provinciale verordening van de provincie Zuid-Holland. Mits maatregelen worden getroffen om onnodig leed en verstoring te voorkomen of te beperken voor deze soorten, is een ontheffingsaanvraag niet nodig. Voorzorgsmaatregelen zijn opgenomen in hoofdstuk 6. Rugstreeppad Rugstreeppad is niet aangetroffen tijdens de veldbezoeken op de dertien locaties. Echter kunnen gedurende de werkzaamheden de locaties (onbedoeld) geschikt raken voor rugstreeppad. Bij aanwezigheid van gronddepots tijdens de uitvoering kan geschikt winterbiotoop voor rugstreeppad ontstaan. Verstoring en/of beschadiging van rustplaatsen van rugstreeppad is een overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming (Art. 3.5, lid 4).
Bij aanwezigheid van ondiepe laagtes (regenplassen) kan geschikt voortplantingsbiotoop voor rugstreeppad ontstaan. Verstoring en/of beschadiging van voortplantingsplaatsen van rugstreeppad is een overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming (Art. 3.5, lid 4). Daarnaast kunnen individuen verstoord en/of gedood worden tijdens de werkzaamheden, wat leidt tot een overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming (art. 3.5, lid 1 en 2). Er wordt aanbevolen om zand dat afgevoerd wordt of gebruikt wordt voor de bouw, niet tijdelijk te stallen op de werklocaties en/of de locaties af te schermen. Hiermee wordt voorkomen dat locaties op de lange termijn geschikt worden als winterbiotoop voor rugstreeppad. De voorzorgsmaatregelen zijn opgenomen in hoofdstuk 6.
5.5
Ongewervelde diersoorten
Indien geen bomenkap plaatsvindt, zijn op zowel de korte als de lange termijn geen negatieve effecten op grote vos aan de orde. Potentiële voortplantingsplaatsen en aanwezig foerageergebied blijven dan behouden en worden niet aangetast door de uitvoering van de werkzaamheden. Indien bomen verwijderd worden kan potentieel voortplantingsgebied van grote vos op locatie 12, 14 en 16 verstoord of vernield raken. Het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen van grote vos leidt tot een overtreding van de Wet natuurbescherming (art. 3.10, lid b). Door het verwijderen van bomen kan ook het foerageergebied in het plangebied aangetast worden, dit is afhankelijk van het aantal te verwijderen bomen. In de directe omgeving is ook geschikt foerageergebied voor grote vos aanwezig, dit blijft behouden omdat hier geen werkzaamheden plaatsvinden. Wanneer bekend is welke bomen waar gekapt zouden worden, dient een aanvullende effectanalyse uitgevoerd te worden voor grote vos. Daaruit zal blijken of bomen met potentiële voortplantingsplaatsen voor grote vos verwijderd worden en hoeveel foerageergebied van grote vos wordt beschadigd of verloren gaat. Vervolgens wordt beoordeeld of een aanvullend soortgericht onderzoek naar het voorkomen van grote vos nodig is en of andere vervolgstappen genomen moeten worden.
rps.nl Ref.: NL202007095.006-R21-898 | 04 oktober 2021 Pagina 31 van 41
5.6
Overzicht van de in het plangebied aanwezige beschermde natuurwaarden
Van de in tabel 5.1 opgenomen diersoorten mag, gezien het voorgaande, worden aangenomen of is met zekerheid vastgesteld dat zij binnen het plangebied voorkomen en welke functie het plangebied heeft voor deze soorten. In de laatste kolom is opgenomen welke vervolgstappen nodig zijn om een overtreding op de verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming te voorkomen. tabel 5.1: aangetroffen en te verwachten beschermde en/of bedreigde fauna
Nederlandse naam
Bescherming Wnb*
Grondgebonden zoogdieren Alg. grondgebonden zoogdieren Art 3.10 met prov. vrijstelling
Functie plangebied
Vervolgstappen
Foerageergebied, leefgebied, Alg. voorzorgsmaatregelen (zie voortplantingsgebied H6)
Eekhoorn
Art 3.10
Foerageergebied, leefgebied, Aanvullend soortgericht voortplantingsgebied onderzoek
Kleine marterachtigen
Art 3.10 met prov. vrijstelling
Foerageergebied, leefgebied, Alg. voorzorgsmaatregelen (zie voortplantingsgebied H6)
Boommarter
Art 3.10
Foerageergebied, leefgebied, Aanvullend soortgericht voortplantingsgebied onderzoek
Diverse vleermuissoorten
Art 3.5
Foerageergebied, voortplantingsgebied, vliegroutes
Vogels Diverse broedvogels
Art 3.10
Boomvalk
Art. 3.1
Bosuil
Art. 3.1
Verblijfplaats, Alg. voorzorgsmaatregelen (zie foerageergebied, leefgebied H6) Foerageergebied, leefgebied Alg. voorzorgsmaatregelen (zie en voortplantingsgebied H6) Foerageergebied, leefgebied Alg. voorzorgsmaatregelen (zie en voortplantingsgebied H6) Alg.
Buizerd
Art. 3.1
Foerageergebied, leefgebied Alg. voorzorgsmaatregelen (zie en voortplantingsgebied H6)
Gierzwaluw
Art. 3.1
Foerageergebied, leefgebied Aanvullend soortgericht en voortplantingsgebied onderzoek
Havik
Art. 3.1
Huismus
Art. 3.1
Ransuil
Art. 3.1
Sperwer
Art. 3.1
Foerageergebied, leefgebied Alg. voorzorgsmaatregelen (zie en voortplantingsgebied H6) Foerageergebied, leefgebied Aanvullend soortgericht en voortplantingsgebied onderzoek Foerageergebied, leefgebied Alg. voorzorgsmaatregelen (zie en voortplantingsgebied H6) Foerageergebied, leefgebied Alg. voorzorgsmaatregelen (zie en voortplantingsgebied H6)
Vleermuizen
Amfibieën Algemene amfibieën
Art 3.10 met prov. vrijstelling
Aanvullend soortgericht onderzoek
Foerageergebied, leefgebied Alg. voorzorgsmaatregelen (zie en voortplantingsgebied H6)
Ongewervelden
rps.nl Ref.: NL202007095.006-R21-898 | 04 oktober 2021 Pagina 32 van 41
Grote vos
Art 3.10
Foerageergebied, leefgebied, Geen bomenkap: Alg. voortplantingsgebied voorzorgsmaatregelen (zie H6) Bomenkap op locatie 12, 14, 16: uitvoeren aanvullende effectanalyse, mogelijk volgt hieruit een aanvullend soortgericht onderzoek naar grote vos en dienen vervolgstappen genomen te worden.
* Artikel 3.1: soorten beschermd onder de Vogelrichtlijn, Artikel 3.5: soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, Artikel 3.10: andere soorten (Nationaal beschermd)
rps.nl Ref.: NL202007095.006-R21-898 | 04 oktober 2021 Pagina 33 van 41
6
QUICKSCAN SOORTEN – VOORZORGSMAATREGELEN
Negatieve effecten op beschermde dieren dienen zo veel mogelijk te worden voorkomen. In dit hoofdstuk zijn de voorzorgsmaatregelen opgenomen ter voorkoming van verstoring of schade aan beschermde natuurwaarden. Het nemen van de onderstaande opgenomen voorzorgsmaatregelen is noodzakelijk om een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren, kleine marterachtigen, en algemene amfibieën te voorkomen. Voor boommarter, eekhoorn, boomvalk, bosuil, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, ransuil, sperwer en grote vos is afhankelijk van de werkzaamheden het voldoende/onvoldoende om onderstaande voorzorgsmaatregelen op te volgen. Wanneer de voorzorgsmaatregelen niet afdoende zijn, kunnen mitigerende en/of compenserende maatregelen genomen worden. Hiermee wordt de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats gegarandeerd. Het nemen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is veelal ontheffingsplichtig en wordt separaat behandeld. Zorgplicht en voorzorgsmaatregelen voor vrijgestelde soorten Voor alle soorten en natuurwaarden, ongeacht bescherming via natuurwetgeving of niet, geldt te allen tijde de zorgplicht waarbij eenieder voldoende zorg in acht dient te nemen voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
Voor soorten met een provinciale vrijstelling dienen voorzorgsmaatregelen te worden genomen om onnodig leed te voorkomen of te beperken. Maatregelen die hieraan invulling geven, zijn: • Werken in één richting, zodat soorten de kans krijgen te vluchten naar een veilige omgeving. • Kort maaien van de aanwezige vegetatie (<10 cm) voorafgaand aan de start van de werkzaamheden. Hierdoor wordt beschutting voor broedvogels, algemene amfibieën en algemene grondgebonden zoogdieren tijdelijk weggenomen. Voorafgaand aan het maaien dient gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedende vogels of andere soorten. Vrijkomend maaisel moet worden afgevoerd of geplaatst buiten het werkterrein. • Werken buiten de kwetsbare periode(n) van de beschermde soort(en). Eekhoorn • Indien bekend is welke bomen gekapt gaan worden op locaties 2, 3, 10 en 14 dient, een aanvullend veldbezoek uitgevoerd te worden naar potentiële nestplaatsen voor eekhoorn. Broedvogels en vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen Het verstoren van broedende vogels en het wegnemen of vernielen van eieren is niet toegestaan onder de Wet natuurbescherming. Een vaste broedperiode of -seizoen bestaat niet, de kans op aanwezigheid van broedende vogels is het grootst in de periode maart-augustus. De periode en duur van het broeden zijn afhankelijk van de vogelsoort en de weersomstandigheden.
Kapwerkzaamheden worden bij voorkeur uitgevoerd in de periode september-februari. De kans dat nesten dan in gebruik zijn, is in die periode minimaal. Voorafgaand aan het verwijderen van de begroeiing met aanwezige nesten dient een ter zake kundige ecoloog een controle uit te voeren op aanwezigheid van broedende vogels.
rps.nl Ref.: NL202007095.006-R21-898 | 04 oktober 2021 Pagina 34 van 41
Om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen, dienen de volgende voorzorgsmaatregelen te worden nageleefd: • Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden moet het terrein gecontroleerd worden op de aanwezigheid van broedende vogels en nesten van vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen. o Op locatie 2, 10, 12, 14 en 18 dient een aanvullend soortgericht onderzoek naar huismus en gierzwaluw uitgevoerd te worden. o Voor boomvalk, buizerd, havik, sperwer en bosuil (locatie 2, 7, 14, 18) en ransuil (locatie 14) dient een eenmalig veldbezoek uitgevoerd te worden. Hieruit zal blijken of ook voor deze soorten een aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd moet worden. • Indien broedende vogels of nesten van vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen aanwezig zijn, zal in overleg met een ter zake kundige ecoloog worden bepaald welke afstand tot de broedlocatie aangehouden moet worden. • Wanneer geen broedende vogels en nesten van vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen aanwezig zijn, kan het plangebied ongeschikt worden gemaakt door het verwijderen van de aanwezige vegetatie.
• Wanneer verstoring van broedende vogels en wegnemen of vernielen van eieren of nesten van vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen niet voorkomen kan worden, dient het werk uitgesteld te worden tot de jonge vogels zijn uitgevlogen en het nest niet meer gebruikt wordt. • Voor vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen geldt dat indien soorten met deze status aanwezig zijn in het plangebied ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden, de werkzaamheden direct stilgelegd dienen te worden. De werkzaamheden mogen pas hervat worden wanneer/indien mitigerende of compenserende maatregelen getroffen zijn. Rugstreeppad Wanneer zanderig terrein met plassen water tijdens de werkzaamheden niet afgeschermd of opgeruimd wordt, is het mogelijk dat de rugstreeppad dit gebied zal bevolken. Dit is voornamelijk mogelijk in de periode april-september. Het creëren van geschikt voortplantingsgebied kan voorkomen worden door vorming van plassen (regen)water in het plangebied te voorkomen. Daarnaast kan voorkomen worden dat rugstreeppad het gebied kan gaan gebruiken door zo min mogelijk tijdens de werkzaamheden zandhopen aan te brengen. Dit zijn voor rugstreeppadden geschikte leefgebieden (bijvoorbeeld als overwinteringslocatie).
Afhankelijk van de locatie kan ook gekozen worden om de locatie af te schermen door middel van een amfibieënscherm om te voorkomen dat rugstreeppadden de locatie kunnen betreden en bevolken. Indien de exacte uitvoeringsplannen bekend zijn, kan hierover contact opgenomen worden met de begeleidende ecoloog om de mogelijkheden te bespreken. Indien rugstreeppad ten tijde van de uitvoering toch wordt aangetroffen, dienen de werkzaamheden stil te worden gelegd en dient de begeleidende ecoloog aan te geven welke vervolgstappen (met mogelijke ontheffingsaanvraag) moeten worden genomen. Vleermuizen en boommarter Door geen werkzaamheden gedurende nachtperiodes (zonsondergang tot opkomst) uit te voeren, wordt verstoring van voorbij vliegende en foeragerende vleermuizen en foeragerende boommarters voorkomen. Voor locaties 2, 3, 4, 12, 14 en 18 en/of indien bomenkap op locatie 7 plaatsvindt, dient een vervolgonderzoek naar boommarter uitgevoerd te worden.
rps.nl Ref.: NL202007095.006-R21-898 | 04 oktober 2021 Pagina 35 van 41
Grote vos Op locatie 12, 14 en 16 zijn potentiële voortplantingsplaatsen voor grote vos aanwezig. Om verstoring en vernieling van deze voortplantingsplaatsen te voorkomen dient, naast de algemene voorzorgsmaatregelen vanuit de zorgplicht, de hieronder beschreven maatregel nageleefd te worden: • Iep en zoete kers dienen ongemoeid te blijven op locatie 12, 14 en 16. Indien dit niet mogelijk is en wel bekend is welke bomen worden gekapt, dient een aanvullende effectanalyse uitgevoerd te worden. Hieruit zal blijken of een aanvullend soortgericht onderzoek naar grote vos uitgevoerd dient te worden en of andere vervolgstappen genomen moeten worden. Beschermde natuurwaarden Op locatie 2, 3, 4 en 18 is op de bebouwde plekken geen geschikt habitat voor paddenstoelen, rondom de bebouwde plekken is wel geschikt habitat aanwezig. Echter, door het aanwezige intensieve maaibeheer ontstaat veel bodemverdichting en raakt vegetatie, waar paddenstoelen mycorrhiza mee vormen, beschadigd, wat ook negatieve gevolgen voor de paddenstoelen kan hebben. Hierdoor is naar verwachting geen optimaal habitat aanwezig op en rondom deze locaties. Locatie 4 wordt gehandhaafd. Negatieve effecten op aanwezig geschikt habitat voor paddenstoelen zijn hierdoor uitgesloten voor deze locatie. Op locatie 2, 3 en 18 wordt aanwezig geschikt habitat mogelijk beschadigd als gevolg van werkzaamheden.
Paddenstoelen vallen buiten de richtlijnen van de Wet Natuurbescherming en genieten geen wettelijk beschermde status. Echter, vanuit de bijzondere waarden zijn wel voorzorgsmaatregelen in het kader van de zorgplicht opgenomen ten behoeve van instandhouding van de paddenstoelen. Deze maatregelen dienen gehandhaafd te worden ten tijde van de uitvoering van de werkzaamheden. De uitgangspunten zijn: • Alleen gebruik maken van aangegeven rijroutes voor het vervoeren van materiaal en materieel om bodemverdichting te voorkomen. Op locatie 2, 3 en 18 worden rijbewegingen buiten de paden zoveel mogelijk beperkt. • Materiaal dient alleen gestald te worden op vooraf ingericht werkterrein. • Het is niet toegestaan buiten de begrenzing van projectlocaties te treden.
rps.nl Ref.: NL202007095.006-R21-898 | 04 oktober 2021 Pagina 36 van 41
7
CONCLUSIE EN ADVIES
7.1
Conclusie
De gemeente Oegstgeest wil haar bestemmingsplan Wilhelminapark en De Geesten (NL.IMRO.0579.BPWilhelminaprkGst-VA01) gaan vernieuwen. Voor dit plangebied is een quickscan uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming om na te gaan welke beschermde soorten er voorkomen/verwacht kunnen worden. In paragraaf 1.3 zijn onderzoeksvragen geformuleerd. Vanuit het uitgevoerde onderzoek zijn daarop de volgende antwoorden te geven: 1. Welke beschermde soorten zijn binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden aanwezig of op basis van de aanwezige biotopen niet uit te sluiten? a. Algemene grondgebonden zoogdieren, eekhoorn, kleine marterachtigen, boommarter, diverse vleermuissoorten, diverse broedvogels, boomvalk, bosuil, buizerd, gierzwaluw, havik, huismus, ransuil en grote vos. Beschermde vaatplanten, mossen en korstmossen, reptielen en vissen zijn uitgesloten in het plangebied. 2. Is aanvullend soortgericht onderzoek noodzakelijk om te kunnen vaststellen of beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden aanwezig zijn? Zo ja, voor welke soorten? a. Indien sprake is van bomenkap op locatie 2, 3, 10 en 14, dient een vervolgonderzoek naar eekhoorn uitgevoerd te worden. In §7.2 zijn deze vervolgstappen beschreven. i.
De initiatiefnemers welke verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling, dienen de vervolgonderzoeken uit te laten voeren voordat de aanvraag van de omgevingsvergunning en uitvoering van de werkzaamheden. b. Indien bomenkap op locatie 12, 14, 16 plaatsvindt, dient een aanvullende effectanalyse voor grote vos uitgevoerd te worden. Hieruit zal blijken of sprake kan zijn van negatieve effecten op grote vos en of een vervolgonderzoek naar het voorkomen van grote vos uitgevoerd moet worden. In §7.2 is beschreven hoe een onderzoek naar grote vos uitgevoerd dient te worden. i. De initiatiefnemers welke verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling, dienen de effectanalysen en eventuele vervolgstappen uit te laten voeren voordat de aanvraag van de omgevingsvergunning en uitvoering van de werkzaamheden. c. Voor locaties 2, 3, 4, 12, 14 en 18 en/of indien bomenkap op locatie 7 plaatsvindt, dient een vervolgonderzoek naar boommarter uitgevoerd te worden. i. De initiatiefnemers welke verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling, dienen de effectanalysen en eventuele vervolgstappen uit te laten voeren voordat de aanvraag van de omgevingsvergunning en uitvoering van de werkzaamheden. d. Voor locaties 2, 3, 7, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17 en 18 dient een vervolgonderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. i.
De initiatiefnemers welke verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling, dienen de effectanalysen en eventuele vervolgstappen uit te laten voeren voordat de aanvraag van de omgevingsvergunning en uitvoering van de werkzaamheden. e. Op locatie 2, 10, 12, 14 en 18 dient een aanvullend soortgericht onderzoek naar huismus en gierzwaluw uitgevoerd te worden. Voor boomvalk, buizerd, havik, sperwer en bosuil (locatie 2, 7, 14, 18) en ransuil (locatie 14) dient een eenmalig veldbezoek uitgevoerd te worden. Hieruit zal blijken of ook voor deze soorten een aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd moet worden. i. De initiatiefnemers welke verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling, dienen de effectanalysen en eventuele vervolgstappen uit te laten voeren voordat de aanvraag van de omgevingsvergunning en uitvoering van de werkzaamheden. rps.nl Ref.: NL202007095.006-R21-898 | 04 oktober 2021 Pagina 37 van 41
3.
4.
5.
Welke effecten ondervinden de aanwezige en te verwachten beschermde soorten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep, betreft het hier negatieve effecten die leiden tot overtreding van verbodsbepalingen? a. Negatieve effecten die kunnen leiden tot overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming betreffen: i. Opzettelijk verstoren of (onbedoeld) doden van vleermuizen, vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen en rugstreeppad (indien deze zich bevindt op één van de locaties). ii. Beschadigen of vernielen van verblijf- of rustplaatsen van boommarter, vleermuizen, broedvogels en vogels met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaatsen. Welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te voorkomen en daarmee overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen? a. Hoofdstuk 6 behandelt enkele voorzorgsmaatregelen ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren, algemene amfibieën en broedvogels. Is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk? a. Mogelijk is een ontheffing nodig. i.
Ten aanzien van diverse vleermuissoorten (locaties 2, 3, 7, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17 en 18) dient aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden wanneer de scope van het project in vergevorderd stadium is om een volledige toetsing uit te voeren aan de ruimtelijke ingreep en te bepalen of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Op basis van deze vervolgstappen mogen werkzaamheden tot nader order niet gestart worden. ii. Ten aanzien van grote vos dient een aanvullende effectanalyse uitgevoerd te worden indien bomenkap plaatsvindt op locatie 12, 14 en/of 16. Hieruit zal blijken of een vervolgonderzoek nodig is en of vervolgstappen, zoals een ontheffingsaanvraag, nodig zijn. Op basis van deze vervolgstappen mogen werkzaamheden tot nader order niet gestart worden. iii. Ten aanzien van boommarter Locatie 2, 3, 4, 12, 14, 18, mogelijk locatie 7) dient aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden wanneer de scope van het project in vergevorderd stadium is om een volledige toetsing uit te voeren aan de ruimtelijke ingreep en te bepalen of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Op basis van deze vervolgstappen mogen werkzaamheden tot nader order niet gestart worden. iv.
Ten aanzien van eekhoorn (indien bomenkap locatie 2, 3, 10 en 14 plaatsvindt) dient aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden wanneer de scope van het project in vergevorderd stadium is om een volledige toetsing uit te voeren aan de ruimtelijke ingreep en te bepalen of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Op basis van deze vervolgstappen mogen werkzaamheden tot nader order niet gestart worden. v. Ten aanzien van huismus en gierzwaluw (locatie 10, 12, 14, 18) en het aanvullend veldbezoek voor boomvalk, buizerd, havik, sperwer, bosuil en ransuil dient aanvullend soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden wanneer de scope van het project in vergevorderd stadium is om een volledige toetsing uit te voeren aan de ruimtelijke ingreep en te bepalen of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Op basis van deze vervolgstappen mogen werkzaamheden tot nader order niet gestart worden.
7.2
Advies vervolgstappen
De initiatiefnemers welke verantwoordelijk zijn voor de ontwikkelingen op de locaties dienen een nader onderzoek uit te laten voeren naar onderstaande soorten voor onderstaande locaties voordat de omgevingsvergunning kan worden aangevraagd en de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. Indien het voorkomen van onderstaande beschermde soorten wordt vastgesteld tijdens het nader onderzoek, volgt mogelijk nog een aanvullende toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming. rps.nl Ref.: NL202007095.006-R21-898 | 04 oktober 2021 Pagina 38 van 41
Grote vos Indien iepen en/of zoete kers worden gekapt en uit de aanvullende effectanalyse blijkt dat een vervolgonderzoek uitgevoerd dient te worden, dient een aanvullend veldbezoek uitgevoerd te worden op locatie 12, 14 en 16 om vast te stellen of deze bomen potentieel geschikt zijn als voortplantingsplaats voor grote vos. Dit veldbezoek dient plaats te vinden in de periode dat grote vos de rupsenfase doorloopt, namelijk in de periode eind april tot half juli. Mogelijk is een aanvullende toetsing aan de Wet Natuurbescherming hiervoor noodzakelijk. Eekhoorn Wanneer bomen gekapt worden dient een eenmalig veldbezoek plaats te vinden in januari/februari (wanneer bomen bladerloos zijn) om vast te stellen of potentieel geschikte voortplantingsplaatsen voor eekhoorn aanwezig zijn op de locaties 2, 3, 10 en 14. Indien potentieel geschikte voortplantingsplaatsen worden aangetroffen voor eekhoorn, dient een nader onderzoek naar het voorkomen van eekhoorn uitgevoerd te worden. Mogelijk is een aanvullende toetsing aan de Wet natuurbescherming hiervoor noodzakelijk. Boommarter Vanwege de omvang van het plangebied op locaties 2, 3, 4, 12, 14, 18 en mogelijk locatie 7 dient per locatie een apart aanvullend onderzoek naar boommarter uitgevoerd te worden.
Middels een onderzoek met behulp van cameravallen dient duidelijkheid verkregen te worden over de aan- of afwezigheid van boommarter in het plangebied. De uitvoering van het onderzoek ziet er per locatie als volgt uit: • Twee wildcamera’s dienen geplaatst te worden. Een lokmiddel (blikje met vis) dient gebruikt te worden. • De camera’s dienen zodanig geplaatst te worden dat deze optimaal gegevens kunnen verzamelen. • De camera’s dienen vier weken op dezelfde plaats te blijven hangen. • Het onderzoek dient plaats te vinden in de meest actieve periode van boommarter, namelijk mei tot en met augustus. Vleermuizen Op basis van de uitgevoerde quickscan kan geen duidelijkheid gegeven worden over eventuele vliegroutes en foerageergebied en aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen in de gebouwen en bomen op locaties 2, 3, 7, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17 en 18. Middels een vleermuizenonderzoek conform het Vleermuisprotocol (versie 2021) dient duidelijkheid verkregen te worden over het werkelijke gebruik en de functie van de locaties als verblijfplaats en vliegroute voor vleermuizen. Met de gegevens uit dit aanvullend onderzoek dient een toetsing plaats te vinden naar de effecten van het project op vleermuizen.
Op grond van ligging en aard van de locaties is het noodzakelijk om per locatie een onderzoek te doen in de volgende perioden: • Kraamperiode: 15 mei – juli: vaststellen aanwezigheid kraam- en zomerverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. • Paarperiode: augustus – september: vaststellen paarverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. De locaties dienen gedurende de kraamperiode tweemaal ’s avonds en eenmaal ’s ochtends te worden geïnventariseerd. Tussen deze bezoeken wordt een tussenperiode van 10 – 20 dagen gehanteerd. Tijdens de paarperiode dienen de locaties tweemaal ’s avonds, ruim na zonsondergang te worden geïnventariseerd. Tussen deze bezoeken wordt een tussenperiode van 10 – 20 dagen gehanteerd. Met deze onderzoeksinspanning kan een voldoende duidelijk beeld worden verkregen van de locaties. rps.nl Ref.: NL202007095.006-R21-898 | 04 oktober 2021 Pagina 39 van 41
Huismus Vanwege de omvang van het plangebied op locatie 10, 12, 14, 18 dient per locatie een apart aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Het onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd conform het Kennisdocument Huismus van BIJ12. De volgende onderzoeksinspanning dient uitgevoerd te worden: • In de periode 1 april tot 20 juni dienen twee veldbezoeken uitgevoerd te worden. • De veldbezoeken vinden plaats bij goede (weers-)omstandigheden: - geen regen, harde wind of te lage temperaturen. - tijdens geluidsluwe momenten. - tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst (voorkeur) en 1 à 2 uur voor zonsondergang. - tussen de twee veldbezoeken zit een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Bij het veldbezoek dient ook in beeld gebracht te worden waar welke elementen van de functionele leefomgeving aanwezig zijn. Dit zijn plekken om te foerageren, slapen, stofbaden nemen en drinken zoals struiken, hagen, klimop, kale grond, waterplassen. Gierzwaluw Vanwege de omvang van het plangebied op locatie 10, 12, 14, 18 dient per locatie een apart aanvullend onderzoek naar gierzwaluw uitgevoerd te worden. Het onderzoek naar de gierzwaluw dient uitgevoerd te worden conform het Kennisdocument Gierzwaluw van BIJ12. De volgende onderzoeksinspanning is nodig: • In de periode 15 mei tot 15 juli vinden drie veldbezoeken plaats, met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen.
• Voor de veldbezoeken gelden de volgende voorwaarden: - minimaal 1 inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli (jongen aanwezig). - tussen 2 uur voor zonsondergang tot zonsondergang. - tijdens goede (droge) weersomstandigheden.
rps.nl Ref.: NL202007095.006-R21-898 | 04 oktober 2021 Pagina 40 van 41
8
BRONNEN
Geraadpleegde internetpagina’s: • www.vogelbescherming,nl • www.zoogdierenvereniging.nl • www.ravon.nl • www.vlinderstichting.nl • www.verspreidingsatlas.nl • www.ndff-ecogrid.nl
rps.nl Ref.: NL202007095.006-R21-898 | 04 oktober 2021 Pagina 41 van 41
Bijlage 1. Natuurwetgeving Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Al enige jaren is sprake van decentralisatie op het gebied van de diverse ‘groene taken’. Met de Wet natuurbescherming is de tendens van decentralisatie formeel bekrachtigd en zijn enkele nieuwe instrumenten toegevoegd. De Wet natuurbescherming moet op termijn (2018) opgaan in de Omgevingswet. De bepalingen en instrumenten uit de Wet natuurbescherming zijn hier al (grotendeels) op voorbereid. Het bevoegd gezag gaat over naar de provincie. Ten aanzien van projecten op nationale schaal blijft de Rijksdienst van Ondernemend Nederland bevoegd gezag. Voor de Wet natuurbescherming zijn ten aanzien van de Soortenbescherming twee richtlijnen en een nationaal beschermingsregime van toepassing: ● Vogelrichtlijn; ● Habitatrichtlijn; ● Nationale soorten. Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn is een Europese richtlijn die in 1979 is vastgesteld en is gericht op de bescherming van vogelsoorten binnen de Europese Unie (EU). De richtlijn verplicht de lidstaten tot de instandhouding van de in het wild levende vogelsoorten op hun grondgebied en heeft betrekking op de bescherming van vogels, hun eieren, nesten en leefgebieden.
De richtlijn draagt tevens zorg voor de extra bescherming van broed- en trekvogels die: ● met uitsterven worden bedreigd; ● gevoelig zijn voor veranderingen in de leefomgeving; ● als bijzonder zeldzaam beschouwd worden; ● bescherming nodig hebben vanwege de eisen die ze aan hun habitat stellen. Verbodsbepalingen Artikel 3.1 Lid 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Lid 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Lid 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Lid 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.
Habitatrichtlijn De Europese Habitatrichtlijn is complementair aan de Vogelrichtlijn en richt zich op de bescherming van bijzondere planten- en diersoorten (uitgezonderd vogels) en hun leefgebieden. Deze richtlijn is inclusief het Verdrag van Bern (bijlage II) en het Verdrag van Bonn (bijlage I). De in de Habitatrichtlijn genoemde maatregelen zijn gericht op: ● het behoud van natuurlijke habitat en ecosystemen; ● de bescherming van leefgebieden van bepaalde dieren en planten. Met de richtlijn wordt getracht een Europees ecologisch netwerk tot stand te brengen (Natura 2000), zodat migratie van planten- en diersoorten binnen de EU mogelijk wordt gemaakt. In bijlage I van de Habitatrichtlijn wordt de beschermde habitat genoemd. In bijlage II zijn de planten- en diersoorten genoemd, waarvan de habitat beschermd moet worden om deze soorten in stand te houden. Een aantal van deze soorten heeft een prioritaire status, wat inhoudt dat niet alleen de soort, maar ook de leefomgeving hiervan als beschermd beschouwd moet worden. In bijlage IV worden de soorten genoemd die strikte bescherming genieten. Het is verboden deze soorten te doden, te vangen, te verontrusten of hun habitat aan te tasten. Veel soorten uit bijlage IV zijn ook genoemd in bijlage II. Verbodsbepalingen Artikel 3.5 Lid 1.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Lid 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Lid 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Lid 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Lid 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationale soorten De nationale soorten betreffen een bescherming van een lijst met zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers (onderdeel A) en planten (onderdeel B). Het betreffende bevoegd gezag stelt in een verordening vast voor welke van deze soorten de verbodsbepalingen onverminderd gelden en voor welke soorten een vrijstelling geldt.
Verbodsbepalingen Artikel 3.10 Lid 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Rode lijsten Op Rode lijsten staan soorten die worden bedreigd in hun voortbestaan. In Nederland is inmiddels voor negen soortgroepen een Rode lijst gepubliceerd in de Staatscourant: ● vogels; ● dagvlinders; ● zoogdieren; ● reptielen en amfibieën; ● paddenstoelen; ● libellen; ● krekels en sprinkhanen; ● korstmossen; ● zoetwatervissen. De Rode lijsten komen voort uit het Verdrag van Bern. Dit verdrag vraagt bijzondere aandacht voor soorten die met uitsterven worden bedreigd en kwetsbaar zijn. Rode Lijst soorten genieten geen wettelijke bescherming. Provinciale en gemeentelijke overheden en terreinbeherende instanties worden geacht rekening te houden met de Rode lijsten bij het uitvoeren van beheer en het formuleren van beleid.
Bijlage 2. Verspreidingskaarten
Locatie 2, 3 en 4 met waarnemingen uit de quickscan
Locatie 7 met waarnemingen uit de quickscan
Locatie 9, 10 en 11 met waarnemingen uit de quickscan
Locatie 12 en 14 met waarnemingen uit de quickscan
Locatie 15, 16 en 17 met waarnemingen uit de quickscan
Locatie 18 met waarnemingen uit de quickscan
Bijlage 3. Quickscan soorten 2020
Postbus 75 4140 AB Leerdam Prins Mauritsstraat 17 4141 JC Leerdam T +31 88 99 04 800
QUICKSCAN FLORA & FAUNA WNB-SOORTENBESCHERMING Locaties in gebied Endegeest - Oegstgeest
Ref.: NL202007095-R21-064 25 januari 2021
Gemeente Oegstgeest
RPS advies- en ingenieursbureau bv
Contactpersoon
de heer J. Snepvangers
Auteur
S. Tummers, J. Willemsen
Adres
Rhijngeesterstraatweg 13
Projectleider
J. Janse
2342 AN OEGSTGEEST
Projectreferentie Versie
NL202007095-R21-064 Definitief
Totaal aantal pagina’s
30
Handtekening
Handtekening
Akkoord Sanne Tummers Adviseur ecologie
Akkoord Jan Janse Projectleider
Dit rapport is vertrouwelijk. Geen enkel deel van dit rapport mag aan derden openbaar worden gemaakt zonder schriftelijke toestemming van RPS advies- en ingenieursbureau bv of van de opdrachtgever. Alleen aan het originele complete rapport kunnen rechten worden ontleend. Dit rapport mag UITSLUITEND in zijn geheel worden gereproduceerd.
rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 2 van 30
INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING ................................................................................................................................... 5 Aanleiding en achtergrond ........................................................................................................... 5 Doel van het onderzoek ............................................................................................................... 5 Onderzoeksvragen ....................................................................................................................... 5 Leeswijzer .................................................................................................................................... 5
2 2.1 2.1.1 2.2
PROJECTOMSCHRIJVING ........................................................................................................ 6 Plangebied ................................................................................................................................... 6 Beschrijving slooplocaties en percelen ........................................................................................ 7 Werkzaamheden en planning ...................................................................................................... 9
3 3.1 3.2 3.3 3.4
WERKWIJZE QUICKSCAN SOORTEN .................................................................................... 10 Bureaustudie .............................................................................................................................. 10 Veldbezoek ................................................................................................................................. 10 Effectanalyse voorgenomen ingreep.......................................................................................... 11 Maatregelen ............................................................................................................................... 11
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.5.1 4.5.2 4.6 4.7 4.8 4.9
AANWEZIGE EN TE VERWACHTEN SOORTEN .................................................................... 12 Vaatplanten ................................................................................................................................ 12 Mossen en korstmossen ............................................................................................................ 13 Grondgebonden zoogdieren ...................................................................................................... 13 Vleermuizen ............................................................................................................................... 15 Vogels ........................................................................................................................................ 16 Vogelsoorten met jaarrond beschermde voortplantings- of verblijfplaats .................................. 16 Broedvogels ............................................................................................................................... 17 Reptielen .................................................................................................................................... 18 Amfibieën ...................................................................................................................................
18 Vissen ......................................................................................................................................... 19 Ongewervelde diersoorten ......................................................................................................... 19
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
EFFECTANALYSE .................................................................................................................... 21 Grondgebonden zoogdieren ...................................................................................................... 21 Vleermuizen ............................................................................................................................... 21 Vogels ........................................................................................................................................ 22 Amfibieën ................................................................................................................................... 23 Ongewervelde diersoorten ......................................................................................................... 23 Overzicht van de in het plangebied aanwezige beschermde natuurwaarden ........................... 23
6
VOORZORGSMAATREGELEN ................................................................................................ 26
7 7.1 7.2
CONCLUSIE EN ADVIES .......................................................................................................... 28 Conclusie .................................................................................................................................... 28 Advies vervolgstappen ............................................................................................................... 29
8
BRONNEN ................................................................................................................................. 30
rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 3 van 30
BIJLAGEN 1. 2.
Natuurwetgeving Foto’s plangebied
rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 4 van 30
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding en achtergrond
In het gebied Endegeest, te Oegstgeest, worden een aantal ontwikkelingen beoogd. Voor een drietal ontwikkellocaties is sprake van het verwijderen van bomen en begroeiing, al dan niet in combinatie met sloop van gebouwen. Enkele andere ontwikkelingen in het gebied Endegeest brengen weinig verandering in het ‘natuurlijk groen’ van het gebied. Delen van Endegeest, en het grotere gebied De Geesten, liggen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Aan de ontwikkeling van locatie 3, die is gelegen in het NNN, is tevens de sloop van kleinschalige bebouwing op enkele andere locaties (in Endegeest) verbonden. Bij alle ruimtelijke ingrepen moet worden getoetst of er sprake is van strijdigheid met de Wet natuurbescherming (bijlage 1). Voor het onderhavige project is daarom een quickscan uitgevoerd. De meeste van de beoogde ontwikkelingen bevinden zich niet in het NNN of betreffen vervangende nieuwbouw; deze ontwikkellocaties zijn niet meegenomen in deze quickscan. De quickscan is gericht op het onderdeel ‘Soortenbescherming’.
1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van de quickscan soorten is inzicht te krijgen in de beschermde planten- en diersoorten die voorkomen of kunnen voorkomen binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden en wat de effecten zijn van de ingreep op deze soorten. De gegevens voortvloeiend uit de quickscan soorten geven duidelijkheid of een aanvullend onderzoek en een daaruit volgende toetsing aan de Wet natuurbescherming (natuurtoets) noodzakelijk is.
1.3
Onderzoeksvragen
Het uitvoeren diverse ruimtelijke ontwikkelingen kan gevolgen hebben voor de ter plaatse voorkomende beschermde flora en fauna. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. De onderzoeksvragen zijn als volgt: 1. Welke beschermde soorten zijn binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden aanwezig of op basis van de aanwezige biotopen niet uit te sluiten? 2. Is aanvullend soortgericht onderzoek noodzakelijk om te kunnen vaststellen of beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden aanwezig zijn? Zo ja, voor welke soorten? 3. Welke effecten ondervinden de aanwezige en te verwachten beschermde soorten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep, betreft het hier negatieve effecten die leiden tot overtreding van verbodsbepalingen? 4. Welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om negatieve effecten te voorkomen en daarmee overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen? 5. Is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk?
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is het plangebied beschreven en is de ligging van het plangebied en de onderzoekslocaties weergegeven. In hoofdstuk 3 is de onderzoeksmethode beschreven. In hoofdstuk 4 wordt de soortenanalyse beschreven van de soorten die verwacht worden en welke soorten waargenomen zijn tijdens het veldbezoek. In hoofdstuk 5 wordt de effectanalyse besproken, in hoofdstuk 6 zijn voorzorgsmaatregelen beschreven die noodzakelijk zijn om de werkzaamheden uit te voeren zonder overtreding op de verbodsbepalingen en tot slot hoofdstuk 7 waar de conclusies beschreven zijn. rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 5 van 30
2
PROJECTOMSCHRIJVING
2.1
Plangebied
Het te onderzoeken plangebied bestaat uit acht potentiële slooplocaties en drie percelen aan de zuidwestzijde van Oestgeest (gemeente Oestgeest, provincie Zuid-Holland, Amersfoortcoördinaat: 91-465). Het plangebied betreft het gebied Endegeest, met onder meer het terrein van Kasteel Endegeest en bestaat uit een afwisseling van diverse gebouwen, grazige vegetatie, bomen en struiken (inheems en uitheems), verharde en onverharde infrastructuur. Langs het kasteel ligt een gracht welke in verbinding staat met een watergang welke door het gebied loopt. In figuur 2.1 is een luchtfoto weergegeven met de globale ligging van het plangebied. In figuur 2.2 is op de topografische kaart de ligging van de slooplocaties (met letter-code) en percelen (cijfer-code) weergegeven.
figuur 2.1: luchtfoto van het plangebied (Bron: PDOK Viewer).
Het plangebied ligt deels binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS). Op ca. 4 km afstand ligt het Natura 2000-gebied ‘Meyendel en Berkheide’. Mogelijke effecten van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen op dat Natura 2000-gebied worden separaat behandeld.
rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 6 van 30
figuur 2.2: topografische kaart met de ligging van de verschillende locaties (A t/m H) en percelen (1 t/m 3). (Bron: PDOK Viewer).
2.1.1
Beschrijving slooplocaties en percelen
Locatie A (binnen perceel 1) Locatie A betreft de locatie van de voormalige Juliana school, en omvat meerdere gebouwen met diverse (ook voormalige) functies. Bij het hoofdgebouw zijn verschillende bijgebouwen en schuren gebouwd. Rondom is een tuin aanwezig met verschillende soorten planten en struiken. De bebouwing staat in een bosrijk gebied ten noorden van de Endegeesterstraatweg. Locatie B Op locatie B is een relatief klein gebouw gelegen voor behandeling en verzorging. Naast het gebouw is een tuin aanwezig en rond het gebouw staan verschillende hoge en (mogelijk) monumentale bomen. Verder zijn er ruigtes en andere ‘rommelhoekjes’ rond het gebouw te vinden. rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 7 van 30
Locatie C Locatie C betreft het ‘Kwadrant’ (een voormalige woning) gelegen langs de Kasteellaan. Rond het kleine gebouw staan verschillende hoge bomen met daaronder grasvelden. De watergang ten westen van het bouwwerk is breed met veel ruigtes langs de waterkant. Watervegetatie is niet aanwezig in de watergang. Locatie D Op locatie D staat een houten schuur/opslagplaats. Rond deze schuur staan verschillende bomen en struiken. De enige vegetatie die rond de schuur aanwezig is betreft ruigtes samen met enkele struiken. De watergang ten oosten van de schuur is niet begroeit met oever- of watervegetatie. Locatie E Op locatie E staat een klein houten gebouwtje. Dit gebouwtje is gelegen naast een brug met wandel- en fietspad over een watergang. Rond het gebouwtje staan verschillende hoge struiken. In de omgeving van locatie E staan verschillende hoge bomen. Locatie F en G Locatie F en G maakt onderdeel uit van het Weidepaviljoen, een verzorgingsgebouw, waarvan de twee uitbouwen (met plat dak) worden verwijderd. Het gebouw met de uitbouw staat tussen hoge bomen ten zuidoosten van het kasteel. Rond het gebouw lopen verschillende wandel- en fietspaden. Verder zijn grasvelden aanwezig en rond het gebouw is een tuin aangelegd met verschillende soorten planten en struiken. Locatie H Op locatie H staat het theehuis bestaande uit één bouwlaag. Rond het kleine gebouw is een tuin gelegen.
Om het huis en tuin ligt een grasveld met kort gemaaid gras. Ten oosten van het bouwwerk is een watergang gelegen, deze watergang heeft geen watervegetatie en weinig oevervegetatie. Perceel 1 Op perceel nummer 1 staan diverse gebouwen en ligt een parkeerterrein in een bosrijk gebied met veel bomen, struiken en ruigtes. De parkeerplaats is geasfalteerd en voorzien van hagen en struiken ter afscheiding van verschillende parkeervlakken. Verder zijn er wandel- en fietspaden op het perceel, de Endegeesterstraatweg ligt ten oosten en zuidoosten van het perceel. Perceel 2 Perceel 2 is gelegen ten noorden van de Zwaluwlaan. Het is een open terrein met op verschillende plekken bomen en struiken met daaronder grasveld. Omstreeks 2014-2015 zijn de destijds aanwezige gebouwen op deze locatie gesloopt (evenals gebouwen rondom de Grasmuslaan). Ten noorden van het perceel is een bosrijk gebied gelegen en ten zuiden, westen en oosten staan hoge bomen, struiken en verschillende gebouwen. Op het perceel is alleen een betonnen kunstwerk aanwezig en verder geen bebouwing. Perceel 3 Perceel 3 is gelegen ten westen van het kasteel en is gelegen in een bosrijk gebied. Op het perceel staan verschillende hoge bomen met daartussen struiken en bosschages. De ondergroei bestaat uit ruigtes, op enkele plekken ontbreekt de ondergroei.
Een houten gebouw (schuur of opslagplaats, locatie D) is aanwezig, verder zijn geen gebouwen aanwezig op het perceel. Aan de zuidkant van het perceel zijn watergangen en sloten aanwezig. Langs deze watergangen staat weinig tot geen vegetatie, met enkel watervegetatie van onder andere waterlelie en gele plomp.
rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 8 van 30
2.2
Werkzaamheden en planning
Op de acht potentiële slooplocaties vinden sloopwerkzaamheden van kleine of grote gebouwen plaats. De twee percelen langs de Goudvinklaan (nr. 2) en Koolmeeslaan (nr. 3) betreffen potentiële bouwlocaties, waarbij perceel 3 (momenteel) in het NNN ligt. Het perceel ten noorden van de Endegeesterstraatweg (nr. 1) betreft de gedeeltelijke sloop van gebouwen, nieuwbouw (ter plaatse van locatie A) en herinrichting van het terrein. Exacte werkzaamheden en ruimtelijke inrichting zijn nog niet bekend. Zo mogelijk worden de volgende werkzaamheden uitgevoerd: • Sloopwerkzaamheden. • Kap van houtige vegetatie, waaronder bomen en struiken. • Nieuwbouw met bijbehorende herinrichting van het betreffende perceel. • Herinrichting terreinen. Planning Het is nog niet bekend wanneer werkzaamheden worden gestart en wat de doorlooptermijn is.
rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 9 van 30
3
WERKWIJZE QUICKSCAN SOORTEN
Om de onderzoeksvragen te kunnen beantwoorden, wordt een bureaustudie uitgevoerd naar bestaande, beschikbare verspreidingsgegevens. Daarnaast vindt een veldbezoek plaats. In dit hoofdstuk is de werkwijze van de quickscan soorten beschreven.
3.1
Bureaustudie
Grote delen van Nederland zijn in de afgelopen jaren reeds onderzocht op aanwezige beschermde soorten. De gegevens afkomstig van deze onderzoeken worden grotendeels gepubliceerd in boeken (soortverspreidingsatlassen), rapportages of zijn op internet (o.a. Verspreidingsatlas NDFF) te raadplegen. Beschikbare gegevens in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn geraadpleegd. Door deze bestaande verspreidingsgegevens te raadplegen, wordt inzicht verkregen in de aanwezige beschermde soorten in of in de directe omgeving van het plangebied. De beschikbare gegevens zijn beoordeeld op de bruikbaarheid. Verspreidingsgegevens van vissen, amfibieën, reptielen, zoogdieren, vogels, insecten en weekdieren mogen maximaal 5 jaar oud zijn, planten maximaal 10 jaar. Hierbij gelden echter enkele uitzonderingen waardoor verspreidingsgegevens van sommige soorten niet ouder dan 1 of 3 jaar mogen zijn. De bestaande gegevens worden veelal op uurhok- (5*5 km) of kilometerhokniveau (1*1 km) weergegeven. Een nadeel hiervan is dat dan nog niet met zekerheid bekend is of de betreffende planten- of diersoort ook daadwerkelijk in het plangebied voorkomt en wat de functie van het gebied is voor deze soort. Daarnaast kan het voorkomen dat gebieden niet onderzocht zijn (of slechts op enkele soortgroepen), of dat de verspreidingsgegevens niet beschikbaar zijn gesteld.
3.2
Veldbezoek
Inzicht in het voorkomen van beschermde soorten wordt verkregen door het uitvoeren van een oriënterend veldbezoek. Het veldbezoek is uitgevoerd door ter zake kundige1 ecologen van RPS. In het onderstaande overzicht is weergegeven door welke ecoloog en op welke data het veldbezoek heeft plaatsgevonden. Daarbij zijn voor de volledigheid ook de weersomstandigheden vermeld (bron: www.knmi.nl). tabel 3.1: uitgevoerd veldonderzoek met weersomstandigheden
Weersomstandigheden
Onderzoeker
Onderzoeken
Datum
Temp.
Windkracht
Bewolking
Ter zake kundige Doel onderzoeken
30 april 2020 13 mei 2020
12 °C 11 °C
4 – 5 bft 4 – 5 bft
Ja Nee
Dhr. J. Willemsen Dhr. J. Willemsen
1
Quickscan Quickscan
Een ecologisch deskundige is een persoon die in een bepaalde situatie en voor specifieke soorten gevraagd wordt te adviseren en/of begeleiden, en daarbij aantoonbare ervaring en kennis heeft. De persoon voldoet aan één of meerdere eisen die door het Ministerie van LNV zijn gesteld aan een ter zake kundige. RPS is daarnaast lid van de Branchevereniging Netwerk Groene Bureaus.
rps.nl Ref.: NL202007095-R21-064 | 25 januari 2021 Pagina 10 van 30
Het veldonderzoek is op basis van zicht- en geluidswaarnemingen uitgevoerd, vanaf het maaiveld. Waar dit mogelijk was, is een inspectiecamera gebruikt om holtes en spleten te kunnen inspecteren als potentieel leefgebied voor verschillenden faunsoorten. De werkzaamheden worden naar verwachting enkele op land uitgevoerd, maar waar werkzaamheden in de buurt van water plaatsvinden is een schepnet gebruikt om de watergangen te bemonsteren. Dit gaat om de locaties C en D en perceel 2. Daarnaast is met het veldbezoek een beeld verkregen van de aanwezige biotopen en het landgebruik van het gebied. Met deze informatie wordt beoordeeld of de planten- en diersoorten die in de bestaande verspreidingsgegevens (zoals de NDFF) zijn genoemd, ook in het plangebied kunnen voorkomen of verwacht kunnen worden. Daardoor is het mogelijk de quickscan soorten in een periode van het jaar uit te voeren waarin niet alle soortgroepen aanwezig of actief zijn.
3.3
Effectanalyse voorgenomen ingreep
Met de verzamelde gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is beoordeeld of de voorgenomen ingreep (voor zover bekend voor een deelgebied) leidt tot negatieve effecten op de aanwezige en/of te verwachten beschermde soorten en hun leefgebied. In hoeverre het mogelijk is om een complete effectanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en duidelijkheid over de uit te voeren werkzaamheden en uitvoeringsplanning. In deze analyse zijn de effecten zowel op de korte termijn (ten tijde van de werkzaamheden) als op de lange termijn (na afloop van de ingreep) meegenomen. Vervolgens is beoordeeld of overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming aan de orde is.
3.4
Maatregelen
Negatieve effecten op beschermde planten en dieren dienen zo veel mogelijk te worden voorkomen. Indien negatieve effecten door de voorgenomen effecten aan de orde zijn, worden in eerste instantie voorzorgsmaatregelen opgenomen om de negatieve effecten alsnog te voorkomen. Wanneer voorzorgsmaatregelen niet afdoende zijn om overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen, dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen in een aparte natuurtoetsrapportage opgenomen te worden.