Bijlage 11 bij RV d.d. 26 oktober 2021 Vaststellen bestemmingsplan De Geesten Z-18-118551 Oegstgeest
Tekst van het document
29
Aan de raad zal worden voorgesteld om het beeldkwaliteitsplan te verankeren in het gemeentelijk welstandsbeleid, zodat bouwplannen in het gebied moeten voldoen aan de in het Beeldkwaliteitsplan opgenomen algemene en bijzondere (welstands)criteria. De Monumentencommissie Oegstgeest heeft een advies gegeven ten aanzien van Landgoed Endegeest. De Monumentencommissie geeft in haar advies (kort gezegd) aan dat met de bouwhoogte wellicht moeilijk voldaan kan worden aan de vereiste paviljoenstructuur, die een ondergeschikte relatie met het kasteel veronderstelt. De Monumentencommissie geeft óók aan dat met toepassing van een (visueel)verlaagde dakgoot en specifieke architectonische middelen toch voldoende mogelijkheden zijn om een passend voorstel in te dienen. Hierbij is volgens de Monumentencommissie eventuele bijsturing van een kwaliteitsteam in een vroeg stadium van belang. Allereerst wordt benadrukt dat in het Beeldkwaliteitsplan (op pagina 33) staat dat de nieuwe bebouwing niet hoger wordt dan het kasteel, dat een nokhoogte van 19 meter heeft. Daarnaast zijn in het Beeldkwaliteitsplan – in navolging op de Gebiedsvisie – welstandscriteria opgenomen die zien op massa en hoofdvorm, architectuur, dakvorm en detaillering, materiaal en kleur en omgeving gebouw en terreininrichting.
Een samenspel tussen “massa en hoofdvorm”, architectuur vormen, dakvorm en detaillering, materiaal en kleur, vormen samen de criteria om te kunnen voldoen aan de paviljoenstructuur en de ondergeschiktheid aan het kasteel. Naar aanleiding van de raadsmotie d.d. 3 juni 2021 wordt een kwaliteitsteam samengesteld. In het Beeldkwaliteitsplan worden derhalve de kaders gegeven die ervoor zorgen dat de omliggende gebouwen zorgvuldig worden ontworpen (door – zoals volgt uit de welstandscriteria in het beeldkwaliteitsplan – onder meer door het gebruik van architectonische middelen) zodat de positie van het kasteel als hoofdmonument versterkt wordt. Het kwaliteitsteam zal hier ook in een vroeg stadium bij betrokken worden, juist om de kwaliteiten van het gebied te bewaken. Door indiener wordt betoogd dat – mede door de drie lagen met kap – de bouwmassa en het bouwvolume van circa 39.000 m² voor de genoemde 11 gebouwen niet passend is. Het door indiener genoemde bvo voor de genoemde 11 gebouwen wordt niet onderschreven. De huidige bvo is ca. 25.000 m2 en de situatie volgens ontwerpbestemmingsplan omvat ca. 38.000 m2. De toename van het bvo van de genoemde 11 gebouwen ten opzichte van het bestemmingsplan 2010 is echter ca. 13.000 m², dit is ca. 52%. De toename van het bvo ter plaatse van de bestemming Maatschappelijk, Maatschappelijk-1 en Maatschappelijk-2 is gezamenlijk ca. 8.000 m².
Het maximum bvo en bebouwd oppervlak is geborgd op de planverbeelding en in de planregels van het bestemmingsplan. Met de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt – waarbij het bvo toeneemt met 13.000 m² – wordt voldaan aan het amendement van de gemeenteraad van Oegstgeest van 28 mei 2019. In dit amendement is opgenomen dat het bebouwd oppervlak (of footprint, wat dus niet hetzelfde is als bvo) in Endegeest (dat totaal 233.508 m² beslaat) maximaal 12% mag bedragen.
30
De nieuwe bebouwingsmogelijkheden bedragen in totaal 27.665 m² bebouwd oppervlak en blijft daarmee onder de 12%, namelijk op 11,85%. Indieners stellen vervolgens dat een onderbouwing van de marktvraag c.q. economische uitvoerbaarheid van – zo begrijpen wij – zorgwoningen en de daarvoor benodigde bouwvolume ontbreekt. Indieners miskennen dat de onderbouwing van behoefte naar zorgwoningen is aangetoond in de Ladderonderbouwing (bijlage 4 bij de toelichting van het bestemmingsplan). Een wijzigingsbevoegdheid is daarom niet aan de orde. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 3. Indiener hecht waarde aan de openbaar toegankelijkheid van het gebied voor het dorp en haar inwoners. Indiener constateert dat de openbare toegankelijkheid niet juridisch afdwingbaar met de private eigenaar is geregeld. Indiener pleit ervoor, dat in het bestemmingsplan regels worden opgenomen, die voorkomen dat de eigenaar Oudendal het landgoed en haar monumenten zou kunnen afsluiten. Reactie: Het eisen van de openbare toegankelijkheid van het gebied is niet juridisch afdwingbaar. Het gebied rondom Kasteel Endegeest is overigens pas sinds enige jaren voor het publiek toegankelijk.
De toenmalige gebiedseigenaar heeft destijds het gebied toegankelijk gemaakt met als voorwaarde dat dit geen overlast mag bezorgen voor de eigenaren en/of gebruikers van het gebied. Deze afspraken handhaven de huidige eigenaren. Het bestemmingsplan wijzigt de toegankelijkheid van het gebied niet. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 4. Indiener geeft aan dat de status van gemeentelijk monument voor het entreegebouw en het Weidepaviljoen ten onrechte niet zijn verwerkt, terwijl hierover bindende raadsbesluiten zijn geformuleerd op 3 juni 2021. Reactie: Behalve het kasteel heeft nog geen enkel pand, zoals genoemd, de status van monument. De gemeente heeft momenteel voor een zestal panden de aanwijzingsprocedure gestart. Deze aanwijzingsprocedure is nog niet afgerond. Het bestemmingsplan kan niet vooruitlopen op mogelijke uitkomst van deze procedure. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
31
Samenvatting: 5. Indiener constateert dat onder meer de voetgangers-ontsluiting vanaf de kiosk/hoek Kempenaerstraat en het oostelijk fietspad naar de Wassenaarseweg niet dwingend in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Indiener pleit ervoor dat de aanleg van deze ontsluitingen, conform de intentie in de gebiedsvisie, ook in het bestemmingsplan de status krijgen dat dit (publiekrechtelijk) afdwingbaar wordt. Reactie: In de gebiedsvisie van 2021 staat één fietsverbinding aangegeven die van de Wassenaarseweg richting het weidepaviljoen loopt. In de verbeelding van het bestemmingsplan staan geen tracés voor fiets- en voetpaden aangegeven. Paden waren en blijven toegestaan in het vigerende en nieuwe bestemmingsplan in onder andere de bestemmingen ‘Groen’ en ‘Agrarisch’. Het verbeteren van de toegankelijkheid wordt niet geregeld in een bestemmingsplan. Tegen de aanleg van de fietsverbinding tussen weidepaviljoen en de Wassenaarseweg zijn meerdere zienswijze binnengekomen. De gemeente heeft na heroverweging van de diverse belangen besloten dit fietspad vooralsnog niet aan te leggen en onderzoekt of een alternatieve fietsverbinding mogelijk is. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Overige opmerkingen Samenvatting: 6.
Indiener stelt dat ‘Zorgwonen’ goed omlijnd is (Regels artikel 1.53), maar dat een wettelijk verplichte economische onderbouwing van de noodzaak daarvan niet gegeven is. Indiener is van mening dat in bijlage 4 van het plan een louter demografische analyse van zorgwonen wordt gegeven, op schaal van de Leidse regio. En dat een vertaling naar de lokale markt ontbreekt. Indiener trekt in twijfel dat er binnen Endegeest tot 2030 behoefte aan 150 zorgeenheden is. Volgens indiener zou de behoefte overeenkomen met ca. 9.000 m2 bvo op basis van in de markt gebruikelijke kengetallen (60 m2 per eenheid). Indiener is van mening, dat besluiten hierover in stappen/gefaseerd moeten worden genomen en met één gebouw te beginnen. En allereerst bestaande gebouwen een nieuwe functie Zorgwonen moeten krijgen. Het weidepaviljoen kan bijvoorbeeld op die manier tegelijk gemeentelijk monument worden, behouden blijven en een bijdrage leveren aan een invulling van een bredere zorgwoningbehoefte. Reactie: Voor de aangescherpte definitie van het begrip ‘Zorgwonen’ verwijzen wij u naar het aangepaste artikel 1.58 van de planregels. Tevens is een nieuwe planregel toegevoegd ten aanzien van het begrip ‘zorgwoning’ (artikel 1.59).
32
In het gehele plangebied mogen niet meer dan 150 nieuwe zorgeenheden worden toegevoegd. Uit het behoefteonderzoek naar nieuwe of uitbreiding van functies (volgens de Ladder voor Duurzame Verstedelijking 3) volgt dat in Leiden en Oegstgeest de behoefte aan zorgwoningen – vanuit somatische en psychogeriatrische cliënten die 24-uuurszorg nodig hebben – circa 217-228 woningen groot is. Ook vanuit de geestelijke gezondheidszorg, gehandicaptenzorg en specialistische zorg met posttraumatische stress stoornis en cliënten met autisme is er een groeiende behoefte. Het programma van 150 zorgeenheden past derhalve binnen de behoefte in Leiden en Oegstgeest. Het behoefteonderzoek is opgenomen als bijlage 4 van de toelichting en daarmee onderdeel van het bestemmingsplan. Hiermee is de behoefte naar zorgwoningen onderbouwd. Het maximaal aantal zorgwoningen is geborgd in de bestemmingen Maatschappelijk, Maatschappelijk-1 en Maatschappelijk-2. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 7. Indiener stelt dat het voor de concrete invulling van het gebied, de inrichting, de vorm en de aard van de bebouwing essentieel is dat bij elke beoordeling door de Welstandscommissie het Beeldkwaliteitsplan als specifiek document naast de generieke Welstandsnota strikt wordt gehanteerd.
Indiener verzoekt derhalve dat het Beeldkwaliteitsplan een formele bijlage bij het bestemmingsplan wordt. Reactie: Bij het vaststellen van het bestemmingsplan wordt ook het Beeldkwaliteitsplan vastgesteld. Het college zal aan de raad voorstellen om het Beelkwaliteitsplan te verankeren in het gemeentelijke Welstandsbeleid. Zoals dit eerder ook is gebeurd voor andere gebieden in Oegstgeest. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 8. Voor indiener is het belangrijk om te weten dat de vertaling van de inhoud van de gebiedsvisie naar het bestemmingsplan 1-op-1 is en als dit niet het geval is, wat dan de redenen zijn voor de meer actuele standpunten. Indiener vraagt zich af of er fouten gemaakt zijn bij de overdracht van teksten en tekeningen van het ene naar het andere document. Indiener noemt de volgende voorbeelden: De foutieve locatie van ‘het bouwvlak aan de Endegeesterstraatweg’; in het ontwerpbestemmingsplan lijken er nu twee bouwvlakken, dat is uitdrukkelijk niet de bedoeling; 3
Het Rijk vereist een zorgvuldige afweging van het ruimtegebruik. Overheden dienen op grond van het Besluit ruimtelijke ordening nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren aan de hand van de zogenoemde Ladder voor Duurzame Verstedelijking. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt als volgt: De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.
33
-
-
bij de bespreking van dit punt in de gebiedsvisie is duidelijk uitgedrukt, dat het bouwvlak verschoven dient te worden naar de zuidelijke locatie en dat daarmee het meer noordelijke bouwvlak uit het vigerende bestemmingsplan zou vervallen; Het ontbreken van de reconstructie van een noord-zuidlaan naar de hoofdingang van het kasteel, dit stond wel in de gebiedsvisie, daar abusievelijk ‘Kasteellaan’ genoemd; Het ontbreken van de in 2020 nog beoogde kasteeltuin aan de oostzijde van het kasteel; Het ontbreken van een beoogd oostelijk gelegen fietspad naar de Wassenaarseweg (wel in gebiedsvisie, niet in ontwerpbestemmingsplan); Het theehuis dat in het ontwerpbestemmingsplan niet meer maar in de gebiedsvisie wel is opgenomen.
Reactie: Verklaring voor de verschillen tussen de gebiedsvisie en het ontwerpbestemmingsplan: -
-
-
-
Het westelijk bouwvlak staat twee keer op de verbeelding van het bestemmingsplan, maar in de Regels is opgenomen, onder artikel 13.2.1 (f en g i.c.m. artikel 13.4), dat slechts één bouwvlak bebouwd mag worden. Het uitgangspunt is om het zuidelijke vlak te bebouwen. Als deze bebouwd wordt, kan automatisch het noordelijke vlak niet meer bebouwd worden. Binnen de bestemmingsomschrijving van de Bestemming ‘Groen’ is een reconstructie van de Noord-Zuid kasteellaan mogelijk. Het is aan de eigenaar van de gronden om hier invulling aan te geven. De oostzijde van het kasteel is onderdeel van de NNN-structuur. De aanleg van een kasteeltuin is binnen NNN-gebied niet toegestaan. Derhalve had de kasteeltuin niet in de gebiedsvisie opgenomen mogen worden en is daarom ook niet in het bestemmingsplan opgenomen. Fietsverbinding: Zie antwoord 5 Theehuis: op pagina 52 van de gebiedsvisie wordt het theehuis aangemerkt als een te slopen pand. In het bestemmingsplan is daar uiting aan gegeven door geen bouwvlak meer op te nemen in de Plankaart, het theehuis is wegbestemd.
Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 9. Indiener geeft aan dat zij spanning ziet bij de invulling binnen de kavel van de Julianaschool en direct naastliggende gebouwen. Kijkend naar het programma van eisen voor de schoolfunctie rijst de vraag hoe dit programma met voldoende architectonische beeldkwaliteit kan worden ingepast op die locatie. Indiener constateert dat in de gebiedsvisie een ambitieus programma is gespecificeerd, dat in het ontwerpbestemmingsplan ontbreekt. Reactie: Massastudies wijzen uit dat het programma van de Leo Kannerschool op de locatie van de Julianaschool architectonisch goed ingepast kan worden. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de architectuur getoetst aan de eisen van welstand/ Beeldkwaliteitsplan. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. 34
4.5 INDIENER ZIENSWIJZE 5 Samenvatting: 1. Indiener constateert dat in het ontwerpbestemmingsplan bij ieder bestaand of nog te bouwen gebouw op eigen terrein parkeervoorzieningen gerealiseerd moeten worden en drie locaties zijn aangewezen als parkeerterrein. Indiener vreest voor drukte in het groengebied door toenemend verkeer binnen landgoed Endegeest, wat een grote slag is voor inwoners van Oegstgeest en het bestaande GGZ Rivierduinen autistencentrum. Indiener pleit voor parkeervoorzieningen aan de randen van het gebied (ten noorden van de kwekerij) die makkelijk vanuit het zuiden bereikbaar zijn. Parkeren op het landgoed te minimaliseren en alleen voor het noodzakelijke toe te staan. Reactie: Gemeente dankt indiener voor het meedenken in de locatie van de parkeervoorziening. De door indiener voorgestelde parkeervoorziening ligt voor een groot deel in het (beschermde) Natuurnetwerk Nederland-gebied (NNN) waarin geen nieuwe verharding wordt toegestaan. De meest zuidelijke voorgestelde parkeervoorziening zou voor een deel mogelijk kunnen zijn, vanwege de ligging buiten het NNN-gebied. Echter richting deze parkeerlocatie leidt geen openbare weg en het betreft een gebied dat in erfpacht wordt uitgegeven door de gemeente Leiden aan een kwekerij.
Het parkeren op het landgoed zelf is gereguleerd in de planregels, zo is parkeren uitsluitend mogelijk op de aangewezen parkeerterreinen en/of binnen 10 meter van de gebouwen (onder voorwaarden, zie artikel 8.3.1. van de planregels). Anders dan indiener veronderstelt, dienen (nieuwe) parkeervoorzieningen uitsluitend te worden gerealiseerd, indien sprake is van nieuwe bouwplannen. Het is dus niet dat bij reeds bestaande gebouwen, zolang het gebruik niet wijzigt, parkeervoorzieningen moeten worden gerealiseerd. Voorts is vastgelegd in het Beeldkwaliteitsplan dat parkeren altijd uit het zicht dient plaats te vinden. In de vastgestelde Gebiedsvisie De Geesten (3 juni 2021) worden de groengebieden van Rhijngeest en Endegeest met elkaar verbonden om een betere ruimtelijke kwaliteit en ruimtelijke samenhang tussen NNN en de provinciale Landgoederenzone te bereiken. Deze groene corridor wordt voorzien ter hoogte van de parkeerplaats naast de voormalige Julianaschool. Echter uit de massastudie voor de Leo Kannerschool op de voormalige Julianalocatie is gebleken dat het geheel opheffen van het parkeerterrein niet mogelijk is. De Leo Kannerschool heeft namelijk een voorziening voor het schoolvervoer nodig. De mogelijkheden van het parkeerterrein naast de Julianaschool worden opnieuw bekeken.
Deze toets kan mogelijk leiden tot bijvoorbeeld een parkeervoorziening aan de rand van het gebied. Conclusie: Een ambtelijke aanpassing is op dit punt in het bestemmingsplanplan doorgevoerd. Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
35
Samenvatting: 2. Indiener vindt de aanleg van het nieuwe fietspad tussen het Leiden Bio Science Park en Spechtlaan ongewenst en onnodig. Indiener vreest voor onrust in het gebied. Volgens indiener brengt de aanleg van de fietsverbinding technische problemen met zich mee en moeten de volgende voorzieningen worden aangebracht: - een beveiligde oversteek over de Wassenaarseweg; - een brug over de sloot tussen de Wassenaarseweg en de paardenweide van Manege Moedig Voorwaarts; - een tweezijdige afrastering langs het gehele fietspad bij de doorkruising van de paardenweide; - veilige doorgangen voor paarden om het fietspad te doorkruisen; - een brug over het water aan de noordkant van de paardenweide. Indiener geeft aan dat indien parkeerterreinen aan de rand van het gebied (ten oosten van het kasteel) en de hierboven beschreven fietsverbinding worden uitgevoerd, kunnen volgens indienervoetgangers en fietsers ook gebruik maken van de parkeerterreinen voor stalling van de fietsen. Indiener is van mening dat een poging gedaan moet worden om te voorkomen dat de fietsverbinding vanaf de Wassenaarseweg een doorgaande fietsroute wordt. Reactie: De mogelijkheid om een fiets-/voetpad aan te leggen binnen de bestemmingen 'Groen' en 'Agrarisch' bestaat al in het thans vigerende bestemmingsplan.
Met het beoogde fietspad tussen Weidepaviljoen en de Wassenaarseweg nabij het revalidatiecentrum is bedoeld om het fietsnetwerk fijnmaziger te maken en daarmee het fietsverkeer te stimuleren. Tevens wordt hiermee het agglomeratieperspectief tussen Leiden Bio Science Park en Park Endegeest bevorderd voor langzaam verkeer. Tegen de aanleg van deze fietsverbinding zijn meerdere zienswijzen binnengekomen. De gemeente heeft na heroverweging van de diverse belangen besloten dit fietspad vooralsnog niet aan te leggen en onderzoekt of een alternatieve fietsverbinding mogelijk is. Conclusie: Nu in het ontwerpbestemmingsplan geen tracé is opgenomen voor de in de Gebiedsvisie genoemde fietsverbinding, leidt dit niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
36
4.6 INDIENER ZIENSWIJZE 6: MANEGE MOEDIG VOORWAARTS Samenvatting: 1. Manege Moedig Voorwaarts (indiener) richt zich specifiek tegen de beoogde aanleg van een hoofdfietsroute door het in de zuidoostelijke gedeelte van het plangebied gelegen weideland. Indiener verzoekt om de voorgestelde aanleg van de nieuwe, zuidoostelijke fietsroute geen onderdeel te laten uitmaken van het bestemmingsplan om de volgende redenen: a. De nieuwe fietsroute dwars door het weideland loopt dat integraal onderdeel van het managebedrijf uitmaakt; b. Het deels dicht tegen de bebouwingen van de manege aan komen te liggen. Daarmee een serieuze barrière is tussen het bebouwde gedeelte enerzijds, en de paardenweide anderzijds, wat de functionele en gezonde bedrijfsvoering van de manege in de weg staat; c. Indiener constateert dat dat in de gebiedsvisie gesproken wordt over ‘onverplichte fietspaden’, maar dit in de planregels niet juridisch-planologisch is geregeld; d. Een oversteek van paarden altijd begeleid moet worden en zou leiden tot onveilige situaties; e. Het doorgaande fietsverkeer (en bromverkeer) een onherroepelijke verstorende werking heeft op de rust en beschermde omgeving. Zo ook de rust van de paarden zal verstoren; f.
De nieuwe oversteek over de Wassenaarseweg een extra afremmende en optrekkende verkeersbeweging met zich meebrengt wat een negatieve impact heeft op het gezondheid van paardrijders en paarden; g. Het fietspad binnen de zichtas van Kasteel Endegeest ligt. Indiener is van mening dat dit niet in lijn is met de geldende status van ‘beschermd dorpsgebied’; h. De fietsroute een forse aantasting is van de landschappelijke en ecologische kwaliteit van het weideland; i. Aan beide kanten van het plangebied prachtige geoutilleerde fietspaden bevinden, die qua ligging voldoen aan alle eisen en doelstellingen van fietsverbindingen noord-zuid. Reactie: De mogelijkheid om een fiets-/voetpad aan te leggen binnen de bestemmingen 'Groen' en 'Agrarisch' bestaat al in het thans vigerende bestemmingsplan. Met het beoogde fietspad tussen het Weidepaviljoen en de Wassenaarseweg nabij het revalidatiecentrum is bedoeld om het fietsnetwerk fijnmaziger te maken en daarmee het fietsverkeer te stimuleren. Tevens wordt hiermee het agglomeratieperspectief tussen Leiden Bio Science Park en Park Endegeest bevorderd voor langzaam verkeer. Tegen de aanleg van deze fietsverbinding zijn meerdere zienswijzen binnengekomen. De gemeente heeft na heroverweging van de diverse belangen besloten dit fietspad vooralsnog niet aan te leggen en onderzoekt of een alternatieve fietsverbinding mogelijk is.
Conclusie: Nu in het ontwerpbestemmingsplan geen tracé is opgenomen voor de in de Gebiedsvisie genoemde fietsverbinding, leidt dit niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
37
Samenvatting: 2. Door indiener is geconstateerd dat merendeel van de bij de manege behorende weidegrond binnen het plangebied van het voorliggend ontwerpbestemmingsplan valt. Indiener is daarom van mening belanghebbende partij te zijn bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. Indiener is verbaasd dat de gemeente hen niet heeft benaderd om de gevolgen van de beoogde ontwikkeling voor de manege in kaart te brengen. Reactie: Voorafgaand is er geen overleg met u geweest omdat het ontwerpbestemmingsplan geen wijzigingen met zich mee heeft gebracht in de bestemming van uw gronden. Echter bent u altijd welkom om over de plannen te komen praten. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
38
4.7 INDIENER ZIENSWIJZE 7 Samenvatting: 1. Indiener stelt dat het westelijk bouwvlak nu is weergegeven op twee plekken. Om verwarring te voorkomen zal indiener de locatie met het coördinaat [9-693.1,465439.2] hierna het “oorspronkelijke westelijk bouwvlak locatie" noemen. De locatie met het coördinaat [91677.5, 465497.5], wordt aangehaald als het “mogelijke westelijk bouwvlak locatie". Indiener maakt bezwaar tegen het verplaatsen van het "oorspronkelijke westelijk bouwvlak locatie" naar de "mogelijke westelijk bouwvlak locatie" aangezien dat met zich meebrengt dat er eeuwenoude, kolossale bomen gekapt zullen moeten worden. Tevens stelt indiener dat de "mogelijke westelijke bouwvlak locatie" in strijd met de cultuurhistorische waarden van het gebied. Met de nieuwe locatie wordt voorbijgegaan aan het gemeentelijk monumentale woonhuis op Endegeesterstraatweg 16, dat pal tegenover het nieuwe mogelijke westelijke bouwvlak staat. Het plaatsen van een kolossaal gebouw zo dichtbij en in rechte lijn tussen het gemeentemonument en het kasteel doet afbreuk aan de cultuurhistorische waarde (én monetaire waarde) van het gemeentelijk monument en is tegenstrijdig met het beschermde dorpsgezicht.
Indiener verzoekt om het “mogelijke westelijk bouwvlak locatie” uit het bestemmingsplan te verwijderen, gezien deze in strijd is met de natuur- en cultuurhistorische waarden van het gebied en omdat onvoldoende onderzoek is gedaan naar deze nieuwe mogelijke locatie. Reactie: Bij de Bomenverordening 2019 is door het college een Bomenlijst vastgesteld, waarop monumentale en waardvolle houtopstand staan vermeld. Op de locatie van het “mogelijke westelijke bouwvlak” komen geen bomen voor die op de Bomenlijst staan vermeld. De vrees van indienen dat het mogelijke westelijke bouwvlak met zich brengt dat er eeuwenoude bomen moeten worden gekapt, is dus niet terecht. Voor zover ten behoeve van de bouw bomen niet zouden kunnen blijven staan, geldt dat een omgevingsvergunning vellen is vereist. Het kappen van bomen wordt beoordeeld bij de aanvraag van de omgevingsvergunning en valt daarmee buiten de scope van het bestemmingsplan. De Monumentencommissie heeft een positief advies uitgebracht ten aanzien van de locatie van het ‘mogelijke westelijk bouwvlak’. Met name de terugplaatsing ten opzichte van de rooilijn aan de Endegeesterstraatweg (een verschuiving van ca. 17 meter) wordt gewaardeerd alsmede dat wordt voorkomen dat er binnen ‘de ring’ van de Kasteellaan wordt ontwikkeld. Daarnaast zullen de nieuwe gebouwen een ondergeschikte relatie tot het kasteel hebben.
Hoewel de Monumentencommissie twijfels heeft geuit over de bouwvolumes, ziet zij door het toepassen van specifieke architectonische middelen en het betrekken van het kwaliteitsteam wel mogelijkheden tot de realisatie van dit bouwvlak. Anders dan indiener stelt, tast de locatie én de omvang van het ‘mogelijke westelijke bouwvlak’ niet het gemeentelijke monument aan de Endegeesterstraatweg 16 aan. Ook van aantasting van het rijksbeschermd dorpsgezicht is geen sprake.
39
Welstandscriteria ten aanzien van nieuwe bebouwing zijn vastgelegd in het Beeldkwaliteitsplan. Voorts ligt het nieuwe bouwvlak buiten NNN-gebied en is het betreffende gebied ook niet aangemerkt als vindplaats voor bijzondere paddenstoelen (zie pagina 32 van de Gebiedsvisie). Het westelijk bouwvlak is juist verplaatst om minder in het zicht te staan van de Endegeesterstraatweg en aan te sluiten op de ondersteunende bebouwing van landgoed Endegeest. De mogelijke locatie van het westelijke bouwvlak wordt niet uit het bestemmingsplan verwijderd. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 2. Indiener geeft aan dat het westelijk bouwvlak in het ontwerpbestemmingsplan wordt ingetekend met een bouwhoogte van maximaal 13,5 meter en een goothoogte van 10,5 meter. Indiener stelt dat het westelijk bouwvlak onmogelijk ondergeschikt kan worden genoemd aan het kasteel door de vergroting en verhoging van het geplande gebouw. Volgens indiener heeft de voorkant van het kasteel een goothoogte van acht meter, is qua bouwoppervlakte kleiner en kan niet meer als het belangrijkste gebouw worden gezien. Indiener geeft aan dat in de Gebiedsvisie en het Beeldkwaliteitsplan gebouwen in architectonische ensembles gevoegd worden om te laten zien dat de gebouwen eenzelfde "look & feel" krijgen.
De hoogte van het gebouw zou passen bij de “om het kasteel liggende gebouwen”, statig en hoog. Indiener is van mening dat het westelijk bouwvlak beter past bij het architectonische ensemble van de gebouwen en huizen aan de Endegeesterstraatweg. De hoogte van het gebouw is buiten proporties en zal dus beter passen als het een of twee verdiepingen lager is. Indiener verzoekt om een vermindering van bouwlagen en -hoogte van het westelijk bouwvlak, als volgt: - drie bouwlagen inclusief de kap (ofwel twee bouwlagen plus een kap er boven op); - goothoogte zeven meter en maximale bouwhoogte van 10,5 meter. Reactie: Op 3 juni 2021 is de Gebiedsvisie De Geesten vastgesteld door de gemeenteraad. Over het westelijke bouwvlak 4 staat in de gebiedsvisie dat de architectuur van nieuwe gebouwen of veranderde bestaande gebouwen passend moet zijn binnen de specifieke bestaande landgoedomgeving en de bestaande paviljoenstructuur hetgeen een logisch passende, ondergeschikte, relatie impliceert met het kasteel. De bebouwing dient zover mogelijk van de Endegeesterstraatweg gerealiseerd te worden. Er geldt een maximale bouwhoogte van 3 bouwlagen + kap.
4
Het westelijk bouwvlak ligt nabij Kasteel Endegeest, zie pagina 66 van de gebiedsvisie.
40
De goot- en bouwhoogten en toename van bouwvolumes zijn niet alleen op de planverbeelding en in de planregels geborgd, maar ook in het beeldkwaliteitsplan. Het beeldkwaliteitsplan fungeert als een gebiedsgericht welstandskader voor het plangebied en maakt onderdeel uit van de toelichting bij het bestemmingsplan. Aan de raad zal worden voorgesteld om het beeldkwaliteitsplan te verankeren in het gemeentelijk welstandsbeleid, zodat bouwplannen in het gebied moeten voldoen aan de in het beeldkwaliteitsplan opgenomen algemene en bijzondere (welstands)criteria. De Monumentencommissie Oegstgeest heeft een advies gegeven over het westelijk bouwvlak. De Monumentencommissie geeft in haar advies (kort gezegd) aan dat met de bouwhoogte wellicht moeilijk voldaan kan worden aan de vereiste paviljoenstructuur, die een ondergeschikte relatie met het kasteel veronderstelt. De Monumentencommissie geeft óók aan dat met toepassing van een (visueel)verlaagde dakgoot en specifieke architectonische middelen toch voldoende mogelijkheden zijn om een passend voorstel in te dienen. Hierbij is volgens de Monumentencommissie eventuele bijsturing van een kwaliteitsteam in een vroeg stadium van belang. Allereerst wordt benadrukt dat in het Beeldkwaliteitsplan (op pagina 33) staat dat de nieuwe bebouwing niet hoger wordt dan het kasteel, dat een nokhoogte van 19 meter heeft.
Daarnaast zijn in het Beeldkwaliteitsplan – in navolging op de Gebiedsvisie – welstandscriteria opgenomen die zien op massa en hoofdvorm, architectuur, dakvorm en detaillering, materiaal en kleur en omgeving gebouw en terreininrichting. Een samenspel tussen “massa en hoofdvorm”, architectuur vormen, dakvorm en detaillering, materiaal en kleur, vormen samen de criteria om te kunnen voldoen aan de paviljoenstructuur en de ondergeschiktheid aan het kasteel. Naar aanleiding van de raadsmotie d.d. 3 juni 2021 wordt een kwaliteitsteam samengesteld. In het Beeldkwaliteitsplan worden derhalve de kaders gegeven die ervoor zorgen dat de omliggende gebouwen – waaronder het westelijk bouwvlak – zorgvuldig worden ontworpen (door – zoals volgt uit de welstandscriteria in het Beeldkwaliteitsplan – onder meer door het gebruik van architectonische middelen) zodat de positie van het kasteel als hoofdmonument versterkt wordt. Doordat de nieuw te realiseren gebouwen aan die ontwerpeisen moeten voldoen, zullen de gebouwen met drie lagen met kap goed in de omgeving passen en ondergeschikt zijn aan het kasteel. Het kwaliteitsteam zal hier ook in een vroeg stadium bij betrokken worden, juist om de kwaliteiten van het gebied te bewaken. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 3.
Indiener is van mening dat het vergroten van het westelijk bouwvlak naar meer dan 800 m2 tot gevolg heeft dat het gebouw volledig buiten proporties valt van de omliggende gebouwen, zijnde de woningen aan de Endegeesterstraatweg en het kasteel. Indiener verzoekt om een maximum bouwoppervlak van 500 m2 te hanteren en om het bouwvlak verder naar achter (richting het kasteel) en schuin langs de sloot (tussen het mogelijke westelijk bouwvlak en naastliggende klinieken) te verplaatsen.
41
Reactie: Het oppervlak van het westelijk bouwvlak is verruimd van 500 m2 naar 810 m2, wat door de gemeenteraad met de Gebiedsvisie De Geesten d.d. 3 juni 2021 is vastgesteld. Zoals volgt uit de reactie hierboven (onder 2), zal het gebouw op het westelijk bouwvlak - door het toepassen van specifieke architectonische middelen en het betrekken van het kwaliteitsteam – ondergeschikt zijn aan het kasteel. Daarnaast is het bouwvlak ca. 17 meter naar achteren verschoven ten opzichte van de eerdere rooilijn. In de reactie onder 1 is aangegeven dat de Monumentencommissie positief heeft geadviseerd over de locatie van het westelijk bouwvlak en dat de terugplaatsing ten opzichte van de rooilijn aan de Endegeesterstraatweg gewaardeerd wordt. Het bouwvlak kan bovendien niet verder naar achter worden geschoven in verband met de aanwezigheid van gronden behorend bij Natuurnetwerk Nederland. De combinatie van de verruiming van het oppervlak (+310 m2) en de verschuiving van het bouwvlak (17 meter) maakt dat de locatie van het westelijke bouwvlak ruimtelijk passend is. De footprint van het westelijk bouwvlak wordt niet aangepast. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 4. De bestemmingsomschrijving van ‘Groen’, bevat ook onder regels, artikel 8.1.c "ondergeschikte functies zoals parkeren".
Indiener verzoekt om het aantal te parkeren auto’s buiten het gebouw te maximeren aan het vloeroppervlak van het betreffende gebouw. Bijvoorbeeld één auto per 200 m2 bvo. Achter het westelijk bouwvlak zouden er dan veertien parkeerplekken zijn. Indien meer parkeerplaatsen gewenst zijn, kunnen deze in het gebouw zelf worden opgenomen in een inpandige garage. Indiener constateert dat in het Beeldkwaliteitsplan en het ontwerpbestemmingsplan verschillende parkeerplaatsen staan. De voorkeur van indiener gaat uit naar de parkeerplaats ten zuidoosten van het westelijk bouwvlak zoals in het ontwerpbestemmingsplan is aangegeven. Derhalve verzoekt indiener: - Het bestemmingsplan enkel goed te keuren nadat grondig onderzoek naar de behoefte aan parkeergelegenheid is gedaan; - (Betere) borging is van de maximale parkeerruimte in het bestemmingsplan, hierbij verzoekt indiener artikel 8.1.c te wijzigen door toe te voegen: "met dien verstande dat parkeerplaatsen zijn gelimiteerd op maximaal 1 per 200 m2 bvo”; - Het parkeren te voorzien tussen het kasteel en het westelijk bouwvlak, niet tussen het westelijk bouwvlak en de Endegeesterstraatweg. Reactie: Het bestemmingsplan borgt dat bij ontwikkelingen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, volgens de door de gemeente vastgestelde parkeernormen.
Het aantal benodigde parkeerplaatsen is afhankelijk van datgene wat er wordt gerealiseerd, en is afhankelijk van het aantal m² BVO dat wordt gerealiseerd. De locaties waar parkeerconcentraties mogelijk zijn, zijn op de planverbeelding aangegeven. 42
Ook mogen parkeervoorzieningen onder voorwaarden gerealiseerd worden binnen tien meter van een gebouw. Verder zijn in de planregels de maximale ontwikkelmogelijkheden vastgelegd. In zowel het Beeldkwaliteitsplan (p.28) als op de planverbeelding bij het bestemmingsplan is een parkeerplaats ten zuidoosten van het oorspronkelijke westelijk bouwvlak weergegeven. Er is geen parkeerplaats tussen het oorspronkelijke dan wel mogelijke westelijke bouwvlak en de Endegeesterstraatweg mogelijk gemaakt. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 5. Indiener geeft aan dat er een rondweg is ingetekend in het ontwerpbestemmingsplan. De weg loopt van het poortgebouw via het kasteel terug naar de Endegeesterstraatweg langs het nieuw geplande westelijk bouwvlak. Indiener stelt dat er geen onderzoek gedaan is naar de verkeerssituatie van dit straatje.
Indiener verzoekt: - Geen aansluiting van de Kasteellaan aan de Endegeesterstraatweg (tegenover Endegeesterstraatweg 15/16) te maken; - Indien toch een aansluiting van de Kasteellaan op de Endegeesterstraatweg (tegenover Endegeesterstraatweg 15/16) komt, verzoekt indiener de volgende maatregelen te nemen, zodat het lommerrijke karakter van het park niet verloren gaat en het woongenot van/de rust voor de bewoners op de Endegeesterstraatweg in acht wordt genomen: o Eénrichtingsverkeer waarbij de auto's de Kasteellaan inrijden ter hoogte van Endegeesterstraatweg 15/16). Dit voorkomt dat indiener (nummer 16) en nummer 15 last hebben van koplampen die direct onze huizen binnen schijnen waar indiener en buren wonen en thuiswerken. Dit laatste zou hun woongenot aanzienlijk verminderen; o Een weg waar de fietsers voorrang hebben, en o Vrachtverkeer zal gemeden moeten worden. Reactie: Aan de door indiener genoemde ‘rondweg’ is de bestemming “verkeer-verblijfsgebied” toegekend, zoals in artikel 17.1 van de regels van het bestemmingsplan omschreven. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen fiets- en voetpaden en ontsluitingswegen. Het is een weg voor bestemmingsverkeer en dus niet bedoeld - en mag ook niet worden gebruikt - als ‘doorgaande weg’. Er zijn geen plannen om een aansluiting van de Kasteellaan naar de Endegeesterstraatweg te maken.
Om deze reden is deze aansluiting ook niet meegenomen in het verkeersonderzoek. Indien de eigenaar van Endegeest zou verzoeken om een aansluiting te mogen realiseren op de Endegeesterstraatweg, zal onderzocht moeten worden of het voor de ontsluiting van het gebied noodzakelijk en uit verkeersoogpunt ook wenselijk is. Dit valt echter buiten de scope van dit bestemmingsplan.
43
Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 6. Indiener verzoekt het asfalt rond het elektriciteitshuisje en de nieuwe plek van het mortuarium zoveel mogelijk te voorzien van groen dat hoog groeiend is en wintergroen blijft. Reactie: Het wijzigen van asfalt in groen rond de nieuwe plek van het mortuarium en het elektriciteitshuisje is aan de eigenaar van de locatie. De eigenaar heeft de intentie om het asfalt (na verplaatsen van het mortuarium) opnieuw in te richten. Waar mogelijk gaat de eigenaar voor een kwalitatief groene inrichting. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
44
4.8 INDIENER ZIENSWIJZE 8: PROVINCIE ZUID-HOLLAND Samenvatting: 1 Provincie Zuid-Holland (indiener) constateert dat Natuurnetwerk Nederland (NNN) op de verbeelding is aangeduid als ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’. Volgens indiener correspondeert de naamgeving op de verbeelding niet met artikel 29.1 NNN in het bestemmingsplan en moet op de verbeelding worden aangepast. Vervolgens geeft indiener aan dat onduidelijk is waarom dit met een aanduiding is geregeld en niet via (dubbel)bestemming natuur. Reactie: De aanduiding ‘milieuzone grondwaterbeschermingsgebied’ wordt gewijzigd in ‘Natuurnetwerk Nederland'. Dit betrof een omissie. De planologische bescherming is met de gebiedsaanduiding ‘overige zone – Natuurnetwerk Nederland’ hetzelfde als met een dubbelbestemming NNN/Natuur die dezelfde strekking qua regels zou kennen. De gebiedsaanduiding betreft het gehele NNN-gebied in De Geesten. Een dubbelbestemming Natuur is niet geheel passend, omdat een dubbelbestemming Natuur niet dient te worden geplaatst over functies die geen natuur (of groen) betreffen. Er zouden delen van het NNN-gebied geen dubbelbestemming krijgen, omdat de bestemmingen/functies Agrarisch, Wonen, Tuin, Maatschappelijk en Maatschappelijk-2 (of delen daarvan), en nog enkele andere functies, geen natuur(functie) betreffen.
Een dubbelbestemming NNN zou niet kloppen omdat het NNN geen functie op zich is, maar een duiding. Derhalve wordt in het bestemmingsplan De Geesten een gebiedsaanduiding ‘overige zone – Natuurnetwerk Nederland’ gehanteerd in plaats van een dubbelbestemming. Conclusie: Zienswijze leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 2 Indiener wil (nogmaals) wijzen op artikel 6.33 lid 2 van de Omgevingsverordening, waarin is opgenomen dat onbenutte bouw- en/of gebruiksrechten binnen de NNN-begrenzing niet opnieuw in de bestemming voor deze gronden kunnen mogelijk worden gemaakt. Indiener geeft aan dat een enkel bouwvlak binnen het NNN op de verbeelding nog niet geheel overeenstemt met dit artikel uit de Omgevingsverordening. Reactie: Bouwvlakken binnen NNN worden afgestemd op de aanwezige bebouwing en voldoen daarmee aan artikel 6.33 lid 2 van de Omgevingsverordening. Het onbenutte bouw- of gebruiksrecht (de uitbreidingsmogelijkheden) van deze gebouwen zal niet opnieuw bestemd worden. Conclusie: Zienswijze leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
45
Samenvatting: 3 Indiener constateert dat in de gebiedsvisie de nodige aandacht wordt besteed aan zeldzame paddenstoelen binnen het plangebied. Op kaarten in de gebiedsvisie is o.a. een ‘Prioritaire Zone 1 – onderzoeksgebied paddenstoelen’ aangegeven. Hiervan ziet indiener geen uitwerking in (de regels bij) het bestemmingsplan. Aanlegactiviteiten zijn nu alleen in de aanduiding NNN aan een omgevingsvergunningvereiste verbonden. Volgens indiener bevindt ‘Prioritaire Zone 1’ zich ook buiten NNN. Indiener wijst de gemeente in dit verband op de zorgplicht voor de Rode Lijst paddenstoelen en verzoekt dit in de Regels bij het bestemmingsplan tot uitdrukking te brengen. Reactie: Aan de gronden binnen de prioritaire zone, maar buiten het NNN, wordt een bijzondere aanduiding toegekend, gekoppeld aan een aanlegvergunningstelsel met de voorwaarde dat onderzoek moet worden gedaan naar aanwezige beschermde paddenstoelen en de voorwaarde dat de werkzaamheden de paddenstoelen niet onevenredig aantasten. Conclusie: Zienswijze leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 4 Indiener stelt dat volgens artikel 29.1.3. van de regels bij het bestemmingsplan verschillende zogenaamde aanlegactiviteiten aan een omgevingsvergunningvereiste zijn verbonden en wordt gesteld dat "het normale beheer en onderhoud" hiervan is uitgezonderd.
Indiener geeft aan dat dit artikel betrekking heeft op het NNN, waardoor zou moeten worden aangegeven dat hiermee het normale beheer en onderhoud vanuit oogpunt van natuur wordt bedoeld. Reactie: In artikel 28.1.3 (was 29.1.3.) onder ‘Toegestane werken en werkzaamheden’ wordt sub a aangevuld en aangepast naar: “het normale beheer en onderhoud met betrekking tot natuur”. Conclusie: Zienswijze leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 5 In bijlage 2 van het nu voorliggende ontwerpbestemmingsplan is een beeldkwaliteitsplan opgenomen. Voor de toepassing hiervan bij de realisering van de in het ontwerp opgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in en rondom de landgoedbiotopen blijft indiener graag betrokken in het vervolgtraject, zodat bij de uitvoering blijkt dat: a. er geen aantasting plaatsvindt van de waarden van de landgoedbiotoop, of b. de ruimtelijke ontwikkelingen gericht zijn op verbetering en versterking van de waarden van de landgoedbiotoop (zie artikel 6.26 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland). Reactie: Het Beeldkwaliteitsplan wordt, middels een raadsbesluit, opgenomen als bijlage van de Welstandsnota (2015). Op deze wijze is gewaarborgd dat voldaan wordt aan de eisen in artikel 6.26 van de Omgevingsverordening.
46
Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 6 Uit het oogpunt van een zorgvuldige en kwalitatief hoogwaardige ruimtelijke ordening benadrukt indiener het belang van archeologie en cultuurhistorie zoals opgenomen in paragraaf 5.11 van het ontwerpbestemmingsplan (zie pagina 55 tot en met 59). Indiener verzoekt om het uitvoeren van met name het archeologisch onderzoek in gezamenlijkheid te doen tussen gemeente en provincie. Reactie: Graag gaan wij in gesprek met indiener over hoe wij de gezamenlijke uitvoering van archeologische onderzoeken in de gebieden met hoge, of zeer hoge bekende archeologische waarden zoals in de provinciale omgevingsverordening aangewezen, vorm kunnen geven. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
47
4.9 INDIENER ZIENSWIJZE 9: STICHTING HET CUYPERSGENOOTSCHAP Samenvatting: 1. Stichting Het Cuypersgenootschap (indiener) geeft aan bij brief d.d. 23 maart 2020 te hebben verzocht om een zevental gebouwen als monument aan te merken, te weten: - Endegeesterstraatweg 5; Recreatiegebouw met portiersverblijf (Entrée/poortgebouw), 1933, J. Neisingh - Koolmeeslaan 1; Werkplaatgebouw (TD-gebouw), 1919 - Spechtlaan 2-4; Weidepaviljoengebouw, 1916, G.L. Driessen - Kasteellaan 11; Mortuariumgebouw, 1900 - Kasteellaan 5-7; Paviljoen gebouw E (Dienstengebouw), 1897 - Goudvinklaan 2; Kerkzaaltje Kruispunt, 1920 - Kasteellaan 1t; Trafogebouw, 1905 Indiener geeft aan dat het verzoek door de gemeente in behandeling is genomen. In het ontwerpbestemmingsplan wordt gesproken over een mogelijke sloop van een tweetal van deze gebouwen, zoals het TD-gebouw, Koolmeeslaan 1 en Dienstengebouw, Kasteellaan 5-7. Indiener heeft bezwaren tegen het slopen en vervangen van het TD-gebouw en Dienstengebouw. Indiener noemt dat de Monumentencommissie Oegstgeest in maart 2021 heeft geadviseerd om het TD-gebouw te behouden en aan te wijzen als monument en van het dienstengebouw de voorgevel met voordakvlak te behouden. Indiener verzoekt het advies van de Monumentencommissie als afzonderlijke bijlage toe te voegen bij het vaststellen van het definitieve bestemmingsplan en het advies over te nemen.
Reactie: In de afweging met andere belangen is het advies van de commissie grotendeels, maar niet volledig overgenomen. Het is niet gebruikelijk om een dergelijk verslag van de commissie toe te voegen als bijlage van het bestemmingsplan. Voor het TD-gebouw geldt dat met een contra-expertise de technische en financiële haalbaarheid van renovatie wordt onderzocht en afgezet tegen de historische waarde van het gebouw. Dit onderzoek is nog niet volledig afgerond waardoor de mogelijkheid in het bestemmingsplan voor nieuwbouw is geboden. Uit de cultuurhistorische notitie van Erfgoed Leiden blijkt dat het Dienstencentrum weliswaar onderdeel is van de kenmerkende paviljoenstructuur van het gebied, maar het gebouw zelf, door alle wijzigingen in de afgelopen decennia, lage monumentale waarde heeft. Om die reden is besloten het advies van de Monumentencommissie op dit punt niet op te volgen en het Dienstencentrum niet (deels) te behouden, danwel aan te wijzen als monument. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
48
Samenvatting: 2. Indiener stelt zich op het standpunt dat er voor het plangebied een bouwhistorische rapportage van de monumentwaardige opstallen en parkaanleg opgesteld dient worden. Reactie: In het kader van indieners aanvraag tot aanwijzing van monumenten, is door Erfgoed Leiden per pand een cultuurhistorische notitie opgesteld. Hierin is ook het landschappelijke ensemble meegenomen en de ligging van de objecten in relatie tot de omgeving, daarmee is de parkaanleg niet in zijn geheel meegenomen, maar deze wordt genoemd in relatie tot de gebouwen. Daarnaast wordt in de beschrijving van het rijksbeschermd dorpsgezicht Wilhelminapark en de Geesten de parkaanleg gedeeltelijk beschreven. Er zal ten behoeve van verdere ontwikkelingen in het gebied een beknopte landschappelijke analyse worden uitgevoerd welke input zal geven voor de beoordeling van individuele bouwplannen. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 3. Indiener verzoekt het prieel, Spechtlaan 1 te behouden en aan te wijzen als monument. Bij omissie heeft indiener verzuimd om het prieel toe te voegen bij de aanvraag van maart 2020. Reactie: In voorliggend bestemmingsplan wordt het prieel behouden. Met een cultuurhistorische analyse zal onderzocht worden of het pand monumentwaardig is. Indien dit het geval is, zal het tot monument worden aangewezen.
Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
49
4.10 INDIENER ZIENSWIJZE 10: STICHTING BEHOUD WILHELMINAPARK EN GEESTEN Stichting behoud Wilhelminapark en Geesten (indiener) behoudt zich in de zienswijze verschillende rechten voor. Deze rechten worden niet gehonoreerd. Tevens geeft indiener aan medio september 2021 de zienswijze aan te vullen met een expert opinion. Aan indiener is de kans gegevens om de opinion uiterlijk 29 augustus aan te leveren bij de gemeente. Op 16 september jl. heeft indiener de zienswijze aangevuld en een ‘Tuinhistorischrapport en aanbevelingen’ aangeleverd. Hoewel de zienswijze en het rapport buiten de gestelde termijn zijn ingediend, wordt hier separaat op gereageerd (zie zienswijze 10A). Tevens zond indiener op 22 september 2021 een tweede aanvullende zienswijze, hierop wordt in beantwoording zienswijze 10B gereageerd. Belangrijkste punten Samenvatting: 1. Stichting behoud Wilhelminapark en Geesten (indiener) constateert dat onder ‘Maatschappelijk – 2’ bedrijfsmatige activiteiten en ook zorgwonen mogelijk is. Indiener is van mening dat bedrijfsmatige activiteiten niet maatschappelijk zijn en de motie van de raad, over een percentuele beperking (30%) van Health en Science, niet met artikel 13.3 uit de Regels strookt. Daar wordt 10.000 m2 van het bvo van Oudendal genoemd. Dat betekent volgens indiener 50%.
Reactie: Binnen de bestemming Maatschappelijk-2 zijn bedrijven in de Life Science Health Sector toegestaan. Indiener lijkt te veronderstellen dat bedrijfsachtige activiteiten an sich zijn toegestaan maar deze activiteiten zijn gekoppeld aan de Life Science Sector en gespecificeerd in Bijlage 3 (Staat van Instellingen en Bedrijven ‘Life Science & Health). Dit past binnen de aanwezige voorzieningen in en rondom het plangebied, het toegestane gebruik is maatschappelijk van aard en daarom op deze locatie ruimtelijk aanvaardbaar. In artikel 13.3 (Maatschappelijk-2) van de planregels zijn specifieke gebruiksregels opgenomen ten aanzien van de Life Science & Health sector: ‘voor de instellingen en bedrijven voor Life Science & Health van de Staat van Instellingen en Bedrijven 'Life Science & Health' ten hoogste 10.000 m2 bruto vloeroppervlakte is toegestaan’. Het bruto vloeroppervlak van bedrijven in de Life Science Health sector is dus gemaximeerd en heeft daarmee een ondergeschikt karakter. Life Science & Health bedrijven kunnen (deels) beschikken over (gen-)laboratoria en kunnen bestaan uit hoogwaardige distributie en -productie, R&D-ruimten en -kantoren.
De motie van de gemeenteraad gaat in op de hoogwaardige distributie en -productie, namelijk: ‘de productie- en distributiefaciliteiten genoemd in de definitie van Life Science & Health in het uiteindelijke bestemmingsplan tot een bepaald percentage van het oppervlak gemaximeerd wordt’.
50
Naar aanleiding van de motie van de raad is in Bijlage 3 (Staat van Instellingen en Bedrijven ‘Life Science & Health) van de planregels opgenomen dat de hoogwaardige distributie en productie maximaal 30% mag betreffen van het bruto vloeroppervlakte (bvo) van de gebouwen tezamen op de bestemmingsvlakken Maatschappelijk - 2. De maximale bvo van de gebouwen tezamen op de bestemmingsvlakken ‘Maatschappelijk - 2’ betreft circa 18.690 m2, en 30% van 18.690 m2 bvo is circa 5.600 m2 bvo. Van de toegestane 10.000 m2 bvo Life Science & Health onder Maatschappelijk – 2 mag maximaal 5.600 m2 bvo uit productie- en distributiefaciliteiten bestaan, indien de maximale bebouwing van 18.690 m2 bvo is gerealiseerd. Met de hiervoor genoemde planregels wordt derhalve voldaan aan de motie van de gemeenteraad. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 2. Indiener vindt dat artikel 1.58 uit de Regels verduidelijkt moet worden en in elk geval “cumulatief” gemaakt worden. Voor indiener is onduidelijk wat precies de aard van de zorg is. Reactie: De constatering dat artikel 1.58 kan leiden tot discussie is juist. Inmiddels is het artikel door middel van een ambtelijke aanpassing gewijzigd. Conclusie: Een ambtelijke aanpassing is op dit punt in het bestemmingsplan doorgevoerd. Zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 3.
Indiener stelt dat de parkeersituatie in het kerngebied (bos plus directe omgeving kasteel, met uitzondering van "de klinieken", het ponycentrum en de Julianaschool) onvoldoende geregeld is en exact gedefinieerd verdient te worden. Reactie: Het bestemmingsplan borgt dat bij ontwikkelingen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, volgens de door de gemeente vastgestelde parkeernormen. Het aantal benodigde parkeerplaatsen is afhankelijk van datgene wat er wordt gerealiseerd, en is afhankelijk van het aantal m² BVO dat wordt gerealiseerd. De locaties waar parkeerconcentraties mogelijk zijn, zijn op de planverbeelding aangegeven. Ook mogen parkeervoorzieningen onder voorwaarden gerealiseerd worden binnen tien meter van een gebouw. Verder zijn in de planregels de maximale ontwikkelmogelijkheden vastgelegd. Conclusie: Een ambtelijke aanpassing is op dit punt in het bestemmingsplanplan doorgevoerd. Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
51
Samenvatting: 4. Indiener sluit zich ter zake alle genoemde gebouwen in het Endegeestgebied aan bij het advies van de Monumentencommissie (basis EGM rapport) en verzoekt het advies van de Monumentencommissie op te volgen. Reactie: In de afweging met andere belangen is het advies van de Monumentencommissie grotendeels, maar niet volledig overgenomen. Voorts verwijzen wij u naar de beantwoording van de punten 14 en 16. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 5. Indiener geeft aan dat de ladderonderbouwing herzien moet worden op basis van de behoefte aan groen en natuur van mensen. Reactie: Gemeenten moeten plannen, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, motiveren met een behoefteonderzoek, de zogenaamde ‘Ladder voor Duurzame Verstedelijking’. Het gaat hierbij om plannen voor wonen, winkels, kantoren, bedrijventerreinen en overige stedelijke functies. De behoeftetoets naar groen en natuur valt hier niet onder, en is derhalve niet ladderplichting. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 6. Indiener is van mening dat bedrijfsactiviteiten als een laboratorium, distributie en productie niet in dit gebied thuishoren. Reactie: In het gebied worden alleen functies toegevoegd die de allure en de functies van De Geesten ondersteunen en versterken.
In de door de gemeenteraad vastgestelde Gebiedsvisie De Geesten d.d. 3 juni 2021 staat dat het programma in Endegeest het liefst aanvullend dient te zijn op de voorzieningen van o.a. het Leiden Bio Science Park. De instellingen en bedrijven die vallen onder ‘Life Science & Health’ zijn gebaseerd op de beschrijving in het bestemmingsplan dat Leiden geeft voor het Bio Science park en als bijlage 3 (Staat van Instellingen en Bedrijven ‘Life Science & Health’) bij de planregels gevoegd. Hieronder vallen ook hoogwaardige laboratoria, distributie- en productiebedrijven. Deze distributie en productiebedrijven mogen overigens maximaal 30% betreffen van het bvo van de gebouwen tezamen op de bestemmingsvlakken ‘Maatschappelijk - 2’ en hebben daarmee een ondergeschikt karakter. Zie ook de beantwoording onder 1. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
52
Samenvatting: 7. Indiener is van mening dat een stapeling van beschermingen (Rijksmonument, NNN, kastelen/landgoederen biotoop, Rijksbeschermd dorpsgebied) op een gebied veel ernstiger genomen moeten worden dan elk van de beschermingen apart. Indiener constateert dat noch in de Gebiedsvisie, noch in het Beeldkwaliteitsplan, noch in de toelichting van het OBP serieus wordt ingegaan op die stapeling. Er wordt niet beargumenteerd waarom verstedelijking en of veranderingen dan wel toegestaan zouden mogen worden. Indiener stelt dat de voorgestelde plannen strijdig zijn met de stapeling van beschermingen en niet goed beargumenteerd. Reactie: De cultuurhistorische en natuurlijke waarden in het gebied De Geesten worden met het bestemmingsplan geborgd door: De dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’, gerelateerd aan het rijksbeschermd dorpsgezicht, afkomstig uit de aanwijzing als rijksbeschermd dorpsgezicht (Bijlage 3 bij de toelichting) en het bestemmingsplan “Wilhelminapark en geesten”. • De functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ op ter plaatse van de bestemming ‘Groen’, afkomstig uit het bestemmingsplan “Wilhelminapark en geesten”. • De gebiedsaanduiding ‘overige zone – Natuurnetwerk Nederland’, zoals opgenomen in de Algemene aanduidingsregels maar abusievelijk verkeerd benoemd op de plankaart. • De drie dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’.
De beschermingen zijn dus opgenomen en geborgd als aanduidingen en dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan en zullen integraal worden betrokken bij de beoordeling van bouwplannen. •
Uitgangspunt voor de vastgestelde Gebiedsvisie d.d. 3 juni 2021 is ‘behoud door ontwikkeling’. Om het kasteel voor de toekomst duurzaam te behouden, dient gezocht te worden naar een haalbaar en passend programma voor het kasteel en de bijgebouwen. Een bestemmingsverruiming van het kasteel en de kasteelondersteunende bijgebouwen is daarbij essentieel. In het bestemmingsplan is gezocht naar een balans tussen enerzijds het financieel mogelijk maken van een ontwikkeling en anderzijds het behouden van de waarden van het gebied. Het Beeldkwaliteitsplan geeft de inrichtingen beeldkaders voor de nieuwe ontwikkelingen waarmee tevens de cultuurhistorische waarden worden gerespecteerd. Aan de gemeenteraad zal worden voorgesteld om het Beeldkwaliteitsplan te verankeren in het gemeentelijk welstandsbeleid, zodat bouwplannen in het gebied moeten voldoen aan de in het beeldkwaliteitsplan opgenomen algemene en bijzondere (welstands)criteria. Kasteel Endegeest is door de provincie niet aangewezen als een kasteelbiotoop, maar als een landgoedbiotoop. Binnen de landgoedbiotoop wordt, met uitzondering van de vervanging van het Dienstencentrum, geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. De sloop-nieuwbouw van het dienstencentrum en de bestemmingsverruiming van het kasteel en de kasteel ondersteunende gebouwen is gericht op verbetering en versterking van de waarden van het gebied.
Zie ook de Welstandscriteria in het Beeldkwaliteitsplan, pagina 13. Binnen de zone met de hoogste archeologische waarde en bescherming vindt geen nieuwbouw plaats.
53
Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Samenvatting: 8. Indiener geeft aan dat het OBP een veel groter gebied dan alleen Endegeest en Overgeest betreft. Op 28 mei 2019 is in de raad een motie aangenomen om het gehele bestemmingsplan integraal aan te pakken. Indiener is van mening dat hier niet aan wordt voldaan en het ontbreekt aan consistent beleid. Reactie: Op 28 mei 2019 heeft de gemeenteraad van Oegstgeest de Nota van Uitgangspunten Wilhelminapark en de Geesten vastgesteld. Daarbij is tevens een amendement aangenomen op 31 mei 2019, dat aanvullende uitgangspunten voor de Gebiedsvisie meegeeft. Namelijk: ‘de Nota van Uitgangspunten wordt uitgewerkt in één geïntegreerde gebiedsvisie voor het gehele huidige bestemmingsgebied Wilhelminapark en Geesten die de versterking van samenhang van de gebieden nastreeft’. Het amendement vraagt om een integrale gebiedsvisie, niet een integraal bestemmingsplan. Deze integrale gebiedsvisie is op 3 juni 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. Aangezien de definitieve plannen voor Overgeest nog niet gereed zijn, is dit gebied conserverend bestemd. Conclusie: Zienswijze leidt niet tot een aanpassing van het bestemmingsplan. NNN-ontheffing Samenvatting: 9. Indiener constateert dat in de Gebiedsvisie en Beeldkwaliteitsplan een fietspad wordt aangegeven dat door Natuurnetwerk Nederland (NNN)-gebied loopt.
Volgens indiener is voor zulke fietspaden ontheffing van de provincie nodig. Indiener behoudt zich het recht voor, om als die ontheffing ooit gegeven wordt, alsnog een zienswijze in te dienen. Indiener vindt een fietspad door NNN-gebied onjuist en in strijd met de algemene regels die gelden voor bescherming van NNN-gebied. Reactie: De mogelijkheid om een fiets-/voetpad aan te leggen binnen de bestemmingen 'Groen' en 'Agrarisch' bestaat al in het thans vigerende bestemmingsplan. Met het beoogde fietspad tussen Weidepaviljoen en de Wassenaarseweg nabij het revalidatiecentrum is bedoeld om het fietsnetwerk fijnmaziger te maken en daarmee het fietsverkeer te stimuleren. Tevens wordt hiermee het agglomeratieperspectief tussen Leiden Bio Science Park en Park Endegeest bevorderd voor langzaam verkeer. Tegen de aanleg van deze fietsverbinding zijn meerdere zienswijzen binnengekomen. De gemeente heeft na heroverweging van de diverse belangen besloten dit fietspad vooralsnog niet aan te leggen en onderzoekt of een alternatieve fietsverbinding mogelijk is.
54
Conclusie: Nu in het ontwerpbestemmingsplan geen tracé is opgenomen voor de in de Gebiedsvisie genoemde fietsverbinding, leidt dit niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Ontbreken cultuurhistorische onderzoek Samenvatting: 10. Indiener stelt dat een cultuurhistorisch onderzoek ontbreekt in het OBP. Volgens indiener is het rijksbeschermd dorpsgezicht te beschouwen als een rijksmonument. Voorts valt het plangebied volledig binnen het gebied dat in het "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (Barro) is aangewezen voor nationaal belang 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde’. Indiener is van mening dat de gemeente heeft verzuimd om voor het landgoed Endegeest een rijksmonumentenstatus te verkrijgen en de gemeente had vanwege de cultuurhistorische waarde van dit erfgoed het RCE in moeten schakelen alvorens een OBP ter inzage te leggen. Indiener verzoekt alsnog het RCE in te schakelen en vraag om een mening van het RCE. Reactie: Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied. Landgoed Endegeest ligt in een rijksbeschermd dorpsgezicht.