Bijlage 1 bij RV d.d. 26 oktober 2021 Vaststellen bestemmingsplan De Geesten Z-18-118551 Oegstgeest
Tekst van het document
Plan(gebied) Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt deel in het Natuurnetwerk Nederland zoals vastgelegd door de provincie Zuid-Holland op grond van het in het Barro opgenomen nationaal belang 10 'Natuurnetwerk Nederland'. De nadere regelgeving inzake het Natuurnetwerk Nederland valt onder het provinciaal beleid en is voor de onderhavige locatie opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland; zie paragraaf 4.2.2.
Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Het plangebied valt volledig binnen het gebied dat in het Barro is aangewezen voor nationaal belang 13 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'. Het plangebied is naar verwachting onderdeel van de Romeinse Limes, een door het rijk aangewezen erfgoed met uitzonderlijke universele waarden. De restanten van de Romeinse Limes bevinden zich in de bodem in de Rijnzone tussen de kust bij Katwijk in het westen en Lobith in het oosten. De Romeinse Limes is een goed bewaard gebleven voormalige (militaire) grens van het Romeinse Rijk. De Romeinse Limes ligt langs de toenmalige loop van de Rijn en ter plaatse kunnen zich bijzondere erfgoederen en archeologische resten bevinden. Vanuit het Rijk is het van belang dat eventuele overgebleven militaire structuren zoals forten en wegen bescherming genieten. Het Rijk heeft de provincies bevoegd de exacte locatie van de te beschermen waarden van de Romeinse Limes nader te beschrijven in de provinciale verordening.
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Geesten
Afbeelding 4.1: Romeinse Limes in relatie tot het plangebied (bron: Barro, ruimtelijkeplannen.nl)
Ontwikkelingen Het beoogde nieuwe schoolgebouw voor de Leo Kannerschool wordt ter plaatse van de oude Julianaschool en bijgebouwen gerealiseerd, binnen de bestaande maatschappelijk bestemming. De beoogde nieuwbouw van GGZ Rivierduinen (Blauwe Tram locatie) wordt grotendeels ter plaatse van het bestaande maatschappelijke bestemmingsvlak gerealiseerd. De beoogde nieuwbouw van de Oudendal Groep wordt grotendeels ter plaatse van de bestaande maatschappelijke bestemmingsvlakken gerealiseerd.
Conclusie Ten opzichte van de huidige situatie zal er geen verandering plaatsvinden die een negatieve invloed heeft op de Romeinse Limes.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
De Omgevingsvisie op 1 april 2019 vastgesteld door de provincie Zuid-Holland en is opgesteld in kader van de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. De provincie stelt in het document 'Inleiding', dat onderdeel is van de Omgevingsvisie, de visie, ambities en opgaven voor de provincie. Het omvat 6 richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: Naar een klimaatbestendige delta; Naar een nieuwe economie: the next level; Naar een levendige meerkernige metropool;
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan De Geesten Energievernieuwing; Best bereikbare provincie; Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Naast de 6 ambities benoemt de provincie 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' in de Omgevingsvisie die vanuit provinciaal belang zijn ontwikkeld. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden en maatschappelijke partners. De 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' zijn als volgt: Landschap en cultuurhistorie; Gezondheid en veiligheid; Natuur en recreatie; Ruimte en verstedelijking; Wonen; Bodem en ondergrond; Cultuurparticipatie en bibliotheken; Klimaatadaptie; Zoetwater en drinkwater; Bereikbaarheid; Regionale economie; Energievoorziening. Naast de ambities en opgaven, bevat de Omgevingsvisie per sector beleidskeuzes en geïntegreerd bestaand beleid.
Plan(gebied) Vergelijkbaar met het Rijk streeft de provincie ook naar het behoud van natuur en cultuurhistorie ten behoeve van de ruimtelijke- en leefkwaliteit. Het voorliggend bestemmingsplan draagt bij aan het behoud en waarborgen van de bestaande ruimtelijke kwaliteit met de toevoeging van de gebiedsaanduiding 'Natuurnetwerk Nederland'. Hiermee vindt het bestemmingsplan aansluiting bij verschillende provinciale opgaven omgevingskwaliteit waarvan 'Landschap en cultuurhistorie' de belangrijkste is. Met de realisatie van een nieuwe school voor speciaal onderwijs en door het versterken van een zorgcluster, draagt voorliggend bestemmingsplan bij aan de opgave van het versterken van de gezondheid van Zuid-Holland. De uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden draagt bij aan een duurzame toekomst voor bijvoorbeeld het Kasteel Endegeest. Functieverruiming is essentieel in het behoud van cultureel erfgoed, daarmee draagt voorliggend bestemmingsplan bij aan het behoud van de cultuurhistorische waarden. Voorliggend bestemmingsplan is verder consoliderend van aard.
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Geesten
Conclusie De bestaande functies kunnen worden voortgezet. Bij de ruimtelijke ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de provinciale belangen. Nadere toetsing aan de omgevingsvisie is niet nodig. Naar verwachting vormt de Omgevingsvisie Zuid-Holland geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
4.2.2
Omgevingsordening Zuid-Holland
De Omgevingsverordening Zuid-Holland is gelijktijdig vastgesteld met de Omgevingsvisie Zuid-Holland op 1 april 2019. Ook dit beleidsdocument is in het kader van de Omgevingswet opgesteld. De inhoud van de Omgevingsvisie is daarbij voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. De verordening kent onder meer regels die zorgen voor de doorwerking van provinciaal beleid naar andere bestuursorganen via instructieregels, regels inzake procedures en regels met betrekking tot de leefomgevingskwaliteit. De Omgevingsverordening stelt bepalingen over het voorzien van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in een bestemmingsplan. Het stelt dat de ruimtelijke ontwikkeling binnen de bestaande gebiedsidentiteit moet passen. Ook moet het geen wijziging op structuurniveau inhouden. Daarnaast moet de ruimtelijke ontwikkeling passen bij de aard en schaal van gebied. Bovendien moet de ruimtelijke ontwikkeling voldoen aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart uit de Omgevingsvisie. De Omgevingsverordening stelt verder nog nadere regels als de ruimtelijke ontwikkeling niet voldoet aan één van de bepalingen. Daarnaast stelt de Omgevingsverordening eisen aan een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt.
De toelichting van het bestemmingsplan moet namelijk ingaan op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 3.1.6, lid 2 t/m lid 4, van het Besluit ruimtelijke ordening. Als de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien, en voor zover daardoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, moet er gebruikt gemaakt worden van locaties die zijn opgenomen in het Programma Ruimte.
Plan(gebied) Een belangrijke toevoeging in dit bestemmingsplan is de toevoeging van de gebiedsaanduiding 'Natuurnetwerk Nederland'. Deze gebiedsaanduiding gaat gelden ter plaatse van het bestaande aanwezige Natuurnetwerk Nederland (NNN) in het onderhavige plangebied zoals opgenomen in de Omgevingsverordening. In de regels zijn extra beschermingsmaatregelen vastgelegd om het NNN te kunnen beschermen. Hiermee legt de gemeente Oegstgeest de doelstelling van de provincie Zuid-Holland vast in haar bestemmingsplan. Beschermingsgebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN) In het plangebied zijn diverse door de provincie aangestelde beschermingsgebieden aanwezig, dit gebaseerd op de bijzondere kwaliteit van het gebied of een aanwezige waarde. In deze gebieden zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, maar slechts naar hun mate van impact op de omgeving. Vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid van de omgeving zijn bij ontwikkelingen extra voorwaarden van toepassing.
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan De Geesten
Afbeelding 4.2: Beschermingsgebieden Omgevingsverordening Zuid-Holland (bron: ruimtelijkeplannen)
Naast het NNN bevat het plangebied ook gronden (met beschermingsgebieden) waarvoor de provincie regelingen heeft, namelijk de volgende: Gebieden met waterkwantiteitsnormen en waterschappen; Archeologische waarden; Veiligheid; Ruimtelijk kwaliteit en beschermingscategorieën; Cultureel erfgoed. Ontwikkelingen De nieuwe Leo Kannerschool wordt ter plaatse van de oude Julianaschool gerealiseerd. Zoals op afbeelding 4.2 weergegeven valt deze ontwikkellocatie buiten de provinciale beschermingszones. De omgevingsverordening vormt geen belemmering voor de herontwikkeling van de school. De nieuwbouw leidt niet tot een negatieve invloed op de provinciale belangen. Het cultureel erfgoed (zoals in de Omgevingsverordening opgenomen) blijft behouden. De uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden in een klein deel van het NNN-gebied draagt bij aan een duurzame toekomst voor bijvoorbeeld het Kasteel Endegeest. Functieverruiming, ook in delen van de landgoedbiotoop (beschermingsgebied cultureel erfgoed), is essentieel in het behoud van cultureel erfgoed; daarmee draagt voorliggend bestemmingsplan bij aan het behoud van de cultuurhistorische waarden. Ten aanzien van de archeologische waarden zijn regels in het bestemmingsplan opgenomen.
Het veiligheid-beschermingsgebied geeft geen belemmeringen voor het onderhavige bestemmingsplan aangezien de zorgwoningen worden gerealiseerd in bestaand dorpsgebied.
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Geesten
De beoogde ruimtelijke ontwikkelingen passen binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorzien geen wijziging op structuurniveau en passen bij de aard en schaal van het gebied. Derhalve kan voor de delen van het bestemmingsplan liggende in een gebied met beschermingscategorie 1 (in dit geval NNN) een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvinden, omdat er tevens wordt voldaan de specifieke regels voor het Natuurnetwerk Nederland gebiedsdeel. Bij de nieuwe ontwikkelingen in het plan is voldoende rekenschap gegeven aan het behoud en de kwaliteit van het Natuurnetwerk Nederland. Het behouden en realiseren van ruimtelijke kwaliteit bij de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is nader geborgd via het Beeldkwaliteitsplan De Geesten. De meeste gronden van het bestemmingsplan zijn conserverend van aard en maken geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, en hiervoor geldt artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit van de Omgevingsverordening niet. Conclusie De Omgevingsverordening Zuid-Holland vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
4.2.3
Programma Ruimte Zuid-Holland
Het Programma Ruimte is parallel aan de Visie Ruimte en Mobiliteit, het Programma Mobiliteit en de Verordening Ruimte opgesteld. De Visie Ruimte en Mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma Ruimte, dat dezelfde vier rode draden hanteert als de Visie Ruimte en Mobiliteit. Het Programma Ruimte beschrijft de operationele doelen en de realisatiemix om deze doelen te (doen) bereiken. Zo bevat het beleidsdocument bijvoorbeeld een raming van de groei van de woningbehoefte per regio en is beschreven waar ruimte is gereserveerd voor nieuwe infrastructuur. Ook wordt ingegaan op de rolverdeling en afspraken tussen gemeenten, regio’s en provincie. De realisatiemix uit het Programma Ruimte bestaat uit juridische, financiële en bestuurlijke instrumenten en nader uit te werken beleid. In de praktijk worden deze vrijwel altijd gecombineerd ingezet.
Plan(gebied) Het plangebied ligt in het structuurvisiegebied 'bestaand stads- en dorpsgebied' en de 'stedelijke agglomeratie'. Nieuwe investeringen in gebiedsontwikkeling, mobiliteit en infrastructuur worden zo veel mogelijk geconcentreerd in deze stedelijke agglomeratie en het bestaand stads- en dorpsgebied. Indien de gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies voor wonen, kantoren, bedrijventerreinen en detailhandel af met andere gemeenten in de regio. Voor kantoren, bedrijventerreinen en detailhandel gelden in het Programma Ruimte vastgestelde totalen als behoefteraming per gebied. De nieuwe ontwikkelingen in het plan(gebied) dragen bij aan het concentreren van functies in bestaand stads- en dorpsgebied. In paragraaf 4.2.1 is de Ladder voor duurzame verstedelijking reeds doorlopen. De ontwikkeling van de nieuwe Leo Kannerschool is regionaal afgestemd. De ontwikkelingen passen binnen de doelstelling van het programma Ruimte van Zuid-Holland.
Conclusie Gezien het specifieke karakter van de nieuwe ontwikkelingen, en voor zover relevant de regionale afstemming, kan geconcludeerd worden dat het onderhavige bestemmingsplan voldoet aan de uitgangspunten vanuit het Programma Ruimte.
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan De Geesten
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Structuurvisie Oegstgeest 2005-2020
De structuurvisie Oegstgeest 2005-2020 vormt tot 2020 de integrale leidraad voor de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen binnen Oegstgeest en geeft richting aan nieuwe bestemmingsplannen. De structuurvisie is op 30 juni 2005 vastgesteld door de gemeenteraad. De visie is geen volledig uitgewerkt plan, het vormt een sturingskader op hoofdlijnen. Het moet dan ook aangevuld worden met nader sectoraal beleid. De Structuurvisie geeft op hoofdlijnen richting aan de dynamiek binnen de gemeente, waarbij het evenwicht tussen natuur, wonen en economie behouden dient te blijven. Voor de toekomst wil Oegstgeest in de eerste plaats haar bestaande kwaliteiten als woongemeente behouden en versterken. Daarbinnen wil de gemeente bijdragen aan regionale vraagstukken als het leveren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat en ruimte voor bedrijven, de ontwikkeling van natuur- en recreatiegebieden en het op peil houden van het voorzieningenaanbod. Uitbreiding van het woningaanbod is alleen mogelijk als het past binnen het dorpse karakter. Er mag binnen de bebouwde kom alleen gebouwd worden op herstructureringslocaties. Binnen de uitbreiding van het woningaanbod heeft het huisvesten van de lagere en middeninkomens prioriteit.
Afbeelding 4.3: Plankaart structuurvisie (Bron: Structuurvisie Oegstgeest 2005 - 2020)
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Geesten
Plan(gebied) Voorliggend bestemmingsplan is deels consoliderend en deels ontwikkelingsgericht van aard, zodat er voorzien wordt in een actueel juridisch-planologisch kader binnen het plangebied. Het actualiseren van het bestemmingsplan is niet in strijd met uitgangspunten die voortkomen uit de gemeentelijke structuurvisie. Het bestemmingsplan levert geen directe bijdrage aan de genoemde uitgangspunten. De uitgangspunten waar vanuit de Structuurvisie rekening mee gehouden dient te worden zijn: de bouw dient het karakter van de omgeving intact te laten; de hoogte van de herstructureringsbebouwing, zowel als de verhouding tussen bebouwd en onbebouwd oppervlak, is in beginsel gelijk of lager dan de bebouwing in de directe omgeving; de functie van de voorgestelde herstructureringsbebouwing is passend bij de omgeving; de herstructureringsbebouwing levert een bijdrage aan de kwaliteitsverbetering in de directe omgeving. De Structuurvisie Oegstgeest 2005-2020 zal op termijn worden vervangen. Indien de structuurvisie wordt vervangen dan dient er bij ruimtelijke ontwikkelingen uitgegaan te worden van het nieuw vastgestelde beleid.
Conclusie Voor de nieuwe ontwikkelingen in het plan is in de structuurvisie geen specifiek beleid opgenomen. Aangezien er in de actuelere Gebiedsvisie De Geesten wel specifiek beleid is opgenomen voor de ontwikkelingen vormt dit geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
4.3.2
Woonvisie Oegstgeest 2020-2030
De Woonvisie Oegstgeest 2020-2030 "Samen verder bouwen aan karakter en kwaliteit" is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 mei 2020. Deze nieuwe woonvisie kent de volgende uitgangspunten: 1. Bouwen voor de regionale woningbehoefte; 2. Het in de nieuwbouw realiseren van minimaal 25% middeldure huur en 25% sociale huur; 3. Waar de realisatie van 25% middeldure huur en 25% sociale huur redelijkerwijs niet mogelijk is, wordt dit elders, middels verevening, gecompenseerd; 4. Bij leefbaarheidsproblemen krijgen woningcorporaties meer ruimte om een evenwichtiger mix van huishoudens naar inkomen en draagkracht te bereiken; 5. Zorgen voor voldoende woonruimte voor kwetsbare groepen, afgestemd met de regio; 6. Binnen het percentage gericht op middeldure huur kan eveneens worden gekozen voor het realiseren van betaalbare koop, waarbij actief gestreefd wordt naar het toevoegen van dit type woningen aan de lokale woningvoorraad. In 2016 heeft de gemeente Oegstgeest de Woonvisie 2025 'Samen investeren in karakter en kwaliteit' vastgesteld. Sindsdien is de woningmarkt sterk veranderd. Niet alleen is de vraag fors toegenomen en het aanbod afgenomen, ook de behoeftes zijn gewijzigd. Met de afname van de intramurale zorg bewegen zich steeds meer kwetsbare groepen op de woningmarkt.
Dit blijkt ook uit de rapportage 'Woningmarktanalyse Oegstgeest: Basis voor een nieuwe woonvisie' die eind 2019 is uitgevoerd. Deze ontwikkelingen hebben effect op de woonopgaven van Oegstgeest. Daarom is de woonvisie geactualiseerd, en is de nieuwe Woonvisie Oegstgeest 2020-2030 vastgesteld, op 20 mei 2020. De algemene doelstelling van de Woonvisie Oegstgeest 2020-2030 is: Een gemeente die woonruimte biedt aan het brede pallet van doelgroepen, van jong tot oud, van rijk tot arm, van mondig tot kwetsbaar, met behoud van het zo gewaardeerde gevarieerde en prettige woonklimaat.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan De Geesten
Plan(gebied) Het onderhavige bestemmingsplan is ten aanzien van woningbouw consoliderend van aard, met uitzondering van de zorgwoningen in de bestemmingen 'Maatschappelijk - 1' en 'Maatschappelijk - 2'. Het beleid in de Woonvisie verzet zich niet tegen het ontwikkelen van zorgwoningen, onder meer omdat er gezorgd moet worden voor voldoende woonruimte voor kwetsbare groepen. Er is behoefte aan zorgwoningen.
4.3.3
Welstandsnota 2015
Met de herziening van 2015 heeft de gemeente het welstandsbeleid geactualiseerd naar aanleiding van nieuwe ontwikkelingen, veranderingen in wetgeving en ervaringen met het welstandsbeleid. Met de herziening van 2015 is onder meer de nadere invulling van Nieuw Rhijngeest opgenomen in de nota en zijn ten opzichte van de versie in 2009 de mogelijkheden in het vergunningvrij bouwen verruimd, deze wijziging in de wetgeving is ook meegenomen in de nieuwe welstandsnota. Welstandstoezicht heeft allereerst tot doel te voorkomen, dat bouwwerken de openbare ruimte ontsieren. Het welstandsbeleid van de gemeente is echter opgesteld vanuit de overtuiging, dat het belang van een goede leefomgeving eveneens een rol speelt. Bij iedere aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt bekeken of de plannen voldoen aan redelijke eisen van welstand, wat inhoudt dat de plaatsing en het uiterlijk van het beoogde bouwwerk wordt beoordeeld. Doel van de welstandstoets is het behartigen van het publieke belang door de lokale overheid, waarbij de individuele vrijheid van de burger of ondernemer wordt afgewogen tegen de aantrekkelijkheid van de leefomgeving als algemene waarde. Het beleid is opgesteld vanuit de gedachte, dat welstand een bijdrage levert aan de totstandkoming en het beheer van een aantrekkelijke bebouwde omgeving.
Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden te benoemen en een rol te geven bij de ontwikkeling en beoordeling van bouwplannen. Met de gebiedsgerichte benadering wil de gemeente in principe de waardevolle eigenschappen van de kernen behouden.
Plan(gebied) Bij de Gebiedsvisie De Geesten en het onderhavige bestemmingsplan wordt een Beeldkwaliteitsplan (BKP) opgesteld. Het Beeldkwaliteitsplan De Geesten is een aanvulling op de Welstandsnota. De huidige Welstandsnota vormt daarmee niet het toetsingskader voor de uitvoering van het plan, maar wel het startpunt voor het BKP.
4.3.4
Erfgoedverordening 2017
De Erfgoedverordening Oegstgeest 2017 is door de gemeenteraad van Oegstgeest vastgesteld in oktober 2017. Deze verordening vervangt de eerdere verordening uit 2010. De Erfgoedverordening bevat onder meer regels ten aanzien van de aanwijzing van monumenten en instandhouding van monumentale zaken. De verordening bevat een specifiek hoofdstuk over de aanwijzing van gemeentelijke dorpsgezichten. Ingevolge de Erfgoedverordening is onder andere geregeld dat er een vergunningplicht bestaat voor de activiteit slopen in een gemeentelijk dorpsgezicht.
Plan(gebied) De aanwezige rijks- en gemeentelijke monumenten, alsook de cultuurhistorisch waardevolle objecten in het plangebied zijn voorzien van een eigen beschermingsregime via de verbeelding en regels van dit bestemmingsplan. Ook zijn de gronden gelegen binnen het gemeentelijk dorpsgezicht voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. De genoemde vergunningplicht voor de activiteit slopen is ook in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Geesten
Met de vaststelling van de Gebiedsvisie De Geesten is bepaald dat de gebruiksmogelijkheden voor de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in het gebied Endegeest (kunnen) worden verruimd. De Monumentencommissie van de gemeente Oegstgeest is betrokken geweest bij de totstandkoming van de Gebiedsvisie. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal aangetoond moeten worden dat de ontwikkeling passend is binnen de Erfgoedverordening van de gemeente Oegstgeest.
4.3.5
Mobiliteitsplan Oegstgeest 2017-2027
Het Mobiliteitsplan Oegstgeest 2017-2027 beschrijft het beleid van de gemeente op het gebied van mobiliteit. De uitwerking vindt plaats in de vorm van een Uitvoeringsplan, dat periodiek wordt bijgesteld. De gemeente heeft de volgende doelstellingen: 1. Verkeersveilig, niet alleen objectief, maar vooral subjectief: het gevoel dat Oegstgeest een verkeersveilige omgeving is. Dit wordt bereikt door het principe 'Duurzaam veilig' te hanteren voor het categoriseren van wegen en een bijpassende vormgeving van het wegennet te realiseren; 2. Bereikbaar: woon-, werk- en winkellocaties dienen voor (vracht)auto en fiets snel en betrouwbaar zijn te bereiken. De hoofdstructuren voor fiets, auto en bus zijn goed bereikbaar, aantrekkelijk en stromen goed door. Omdat duurzame mobiliteit belangrijk is, is het OV goed toegerust. 3. Leefbaar: de fiets en de duurzame vervoerwijzen stimuleren en faciliteren. Plan(gebied) Deze drie hoofddoelen kunnen conflicteren afhankelijk van de locatie en de opgave, een keuze is dan noodzakelijk. Dit beleid heeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen directe gevolgen. Wel zijn in dit bestemmingsplan de verkeersbestemmingen zo opgenomen dat in het openbare gebied ruimte is voor een andere vormgeving van wegen.
4.3.6
Parkeernota 2021 Gemeente Oegstgeest
Op 30 september 2021 is de "Parkeernota 2021 Gemeente Oegstgeest" door de gemeenteraad vastgesteld. De Parkeernota 2021 beschrijft het parkeerbeleid dat de gemeente de komende jaren wil voeren en vervangt de Parkeernotitie Oegstgeest vastgesteld 22 april 2002, gewijzigd 28 oktober 2004. Op hoofdlijnen dient de nieuwe parkeernota te zorgen voor een betere afstemming tussen de vraag naar en het aanbod van parkeren, zonder dat dit ten koste gaat van de leefbaarheid en de kwaliteit van de openbare buitenruimte. Mede met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het van belang om richting te geven aan het parkeerbeleid. Het beleidsterrein parkeren maakt nu nog onderdeel uit van 'de goede ruimtelijke ordening'. Onder de Omgevingswet zal het parkeerdomein moeten bijdragen aan een 'goede fysieke leefomgeving'. Samenvattend heeft de Parkeernota 2021 Gemeente Oegstgeest de volgende doelen: 1. 2. 3. 4.
Formuleren van beleid en parkeernormen om het parkeren van fietsen en scooters te regelen; Actualiseren van het laadpalenbeleid uit 2015; Inzicht geven in de huidige parkeersituatie en relevante ontwikkelingen; Actualiseren van parkeernormen voor auto's.
Op basis van de parkeernormen in de Parkeernota 2021 Gemeente Oegstgeest worden projecten en bouwplannen getoetst ten aanzien van het aantal parkeerplaatsen. De toetsing aan de parkeernormen en het parkeerbeleid vindt plaats bij de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning. Voldoende parkeergelegenheid is een belangrijke voorwaarde voor elke ruimtelijke ontwikkeling. Op basis van de parkeernota kan tevens maatwerk worden toegepast.
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan De Geesten
Plan(gebied) Om ervoor te zorgen dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd voor nieuwe ontwikkelingen (in en op basis van dit plan) wordt in de regels van het bestemmingsplan verwezen naar de geldende parkeernota. Hiermee kan elk initiatief waarvoor een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend, getoetst worden aan de actuele parkeernormen.
4.3.7
Standplaatsenbeleid Oegstgeest 2014
In het Standplaatsenbeleid van de gemeente Oegstgeest zijn criteria vastgelegd die een nadere invulling geven aan de in artikel 1.8. en 5.18 van de APV vastgelegde weigeringsgronden van aanvragen voor een standplaats. Deze criteria vormen het uitgangspunt voor het bepalen van welke locaties voor een standplaats in aanmerking komen en of een standplaatshouder een standplaats mag innemen.
4.3.8
Bomenbeleid Oegstgeest 2018
Het Bomenbeleid Oegstgeest 2018, op weg naar een duurzaam en groen Oegstgeest in samenspraak met bewoners , is door de gemeenteraad van Oegstgeest vastgesteld in juni 2018. Het bomenbeleid is er op gericht om een divers, gezond en goed beheersbaar bomenbestand te garanderen voor de toekomst. In het bomenbeleid zijn uitgangspunten geformuleerd waarbij de bomen van Oegstgeest kunnen uitgroeien tot gezonde en volwassen exemplaren met daarbij zorg voor een veilige en schone openbare ruimte. Bomen zijn van groot belang voor het comfort en de leefbaarheid van de woonomgeving. In een gezonde leefomgeving spelen bomen een onmisbare rol. Mits die bomen vitaal genoeg zijn. Ze zijn niet alleen mooi of imposant om te zien, ze zijn ook functioneel en vertegenwoordigen verschillende functies en waarden, zoals: ecologische waarde; sociale- en belevingswaarde; stedenbouwkundige- en ruimtelijke functie; klimaatadaptieve functie; milieutechnische functie; cultuurhistorische waarde; economische waarde. In de Bomenverordening zijn de wettelijke bepalingen opgenomen voor het vellen of doen vellen van houtopstanden in Oegstgeest. Daarnaast is een bomenlijst samengesteld met monumentale en beeldbepalende bomen. In de bomenverordening worden verschillende categorieën bomen en hun al dan niet beschermde status beschreven.
Plan(gebied) Het Wilhelminapark en De Geesten heeft van oudsher een belangrijke groene functie, bomen zijn er in overvloed aanwezig. Het bomenbeleid heeft invloed op de wijze waarop de aanwezige bomen onderhouden en beschermd zullen worden, vastgelegd in de Bomenverordening 2019. Voorliggend bestemmingsplan is zowel consoliderend als ontwikkelingsgericht van aard. Bij een aanvraag omgevingsvergunning dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling de doelstellingen van het bomenbeleid niet belemmeren.
4.3.9
Duurzaam Oegstgeest 2017 en Uitvoeringsprogramma 2018
In juni 2017 heeft de gemeenteraad van Oegstgeest het document 'De toekomst is nu; duurzaam Oegstgeest' vastgesteld. Het ambitiedocument bevat het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Oegstgeest en is tot stand gekomen in een participatieproces met de samenleving.
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Geesten
Het document gaat op ontwikkelingen in Oegstgeest. Ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving als klimaatverandering, energietransitie en circulaire economie, maar ook in de relatie tussen gemeenten in de Leidse Regio en Hart van Holland. Het formuleert ambities om de gemeente toekomstbestendig te maken, gelet op deze ontwikkelingen: Energietransitie In 2050 is Oegstgeest als gemeenschap energieneutraal. Dit betekent geen CO2 meer uitstoten. Energiebehoefte zou 80% zijn zelf duurzaam op te wekken in de regio en de overige 20% in te kopen. Voor mobiliteit betekent dit dat fossiele brandstoffen zoals diesel en benzine volledig vervangen zijn door biogas, waterstof en (duurzaam opgewekt) elektrisch vervoer. Klimaatadaptatie Vanaf 2020 werkt Oegstgeest klimaatbestendig. Vanaf 2050 is Oegstgeest een klimaat-bestendig dorp en voldoende waterrobuust. Circulaire economie Het stimuleren van het minimaliseren van de hoeveelheid nieuw benodigde grondstoffen en zorgen dat grondstoffen zoveel mogelijk biobased zijn (=onttrokken aan de natuur en biologisch afbreekbaar, i.p.v. fossiel en/of niet afbreekbaar). Het document bevat een sturingsmodel om te hanteren bij samenwerking tussen gemeente en samenleving, om een succesvolle energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie te realiseren. Het sturingsmodel maakt onderscheid in vier rollen van de gemeente: A.
De gemeente ontwikkelt beleid en voert het uit: door middel van beleid biedt de gemeente kaders voor de uitvoering en kan zo sturen op veranderingen. B. De presterende gemeente: de gemeente heeft een duidelijke ambitie, draagt die uit en handelt er zelf naar. C. De gemeente als dealmaker: in een netwerk van belanghebbenden voert de gemeente regie, zodat een gezamenlijke doelstelling binnen bereik komt. D. De gemeente participeert en faciliteert: voor een aantal maatregelen is de samenleving aan zet. Door te participeren en faciliteren neemt de gemeente drempels weg voor het zetten van stappen. Plan(gebied) Voorliggend bestemmingsplan is zowel consoliderend als ontwikkelingsgericht van aard. Met name nieuwbouw biedt grote kansen voor verduurzaming. De ontwikkeling van het nieuwe schoolgebouw en de andere nieuwbouw in Endegeest zal getoetst worden aan de duurzaamheidsdoelstelling van de gemeente Oegstgeest. Deze toetsing vindt plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning. Ook de overige ontwikkelingen die plaatsvinden binnen het plangebied dienen rekening te houden met de doelstellingen die zijn geformuleerd door de gemeente. Het beleidsdocument 'Duurzaam Oegstgeest 2017 en Uitvoeringsprogramma 2018' vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan De Geesten
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsaspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke aspecten, omgevingsfactoren en randvoorwaarden inzichtelijk gemaakt. Tevens worden eventuele knelpunten en oplossingen voor het voetlicht gebracht. Waar nodig vindt er een vertaling plaats naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen. Een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor het milieu, de natuur, de waterhuishouding en de externe veiligheid. Een goede ruimtelijke ordening vereist daarom dat er aandacht wordt besteed aan de diverse relevante milieu- en omgevingsaspecten, die bij de ruimtelijke afwegingen een rol spelen. Het bestuursorgaan dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan te onderzoeken welke waarden er bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Zoals reeds vermeld kent voorliggend bestemmingsplan zowel een consoliderend als ontwikkelingsgericht karakter. Uitgangspunt is dat voor het consoliderende deel van voorliggend bestemmingsplan geen nader onderzoek noodzakelijk is. Voor de verschillende nieuwe ontwikkelingen die mogelijk gemaakt worden is wel een (nadere) motivering nodig en is in sommige gevallen, ten aanzien van bepaalde omgevingsaspecten, een onderzoek benodigd.
In de navolgende paragrafen zijn de verschillende omgevingsaspecten beschouwd en de resultaten van de onderzoeken beschreven.
5.2
Verkeer en parkeren
Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functies geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast dienen er voldoende parkeerplaatsen voor de beoogde functies aanwezig te zijn. In het kader van de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het onderhavige plan is een verkeersonderzoek verricht door het bureau Goudappel. Het rapport "Verkeersonderzoek bestemmingsplan De Geesten" is opgenomen als bijlage 5 van dit bestemmingsplan.
Verkeersintensiteit en verkeersafwikkeling De ruimtelijke ontwikkelingen leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Een deel van deze ruimtelijke ontwikkelingen is reeds mogelijk op basis van het voorgaande bestemmingsplan. De berekende verkeerstoename als gevolg van de bestaande ontwikkelmogelijkheden betreft de autonome verkeersgroei van het plan. Daarnaast bestaat de autonome verkeersgroei uit autonome ontwikkelingen in de omgeving zoals de verdere ontwikkeling van Leiden Bio Science Park en Nieuw Rhijngeest Zuid. Uit het verrichte verkeersonderzoek volgt een berekende verkeerstoename van 410 motorvoertuigen per etmaal vanwege de nieuwe ontwikkelingen in het plan bovenop de autonome ontwikkelingen. Het effect van de nieuwe ontwikkelingen is dus dat per saldo 410 motorvoertuigen ofwel verkeersbewegingen per etmaal erbij komen. Voor de nieuwe ontwikkelingen die met het onderhavige bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt neemt de verkeersaantrekkende werking niet onevenredig toe ten opzichte van de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. De verkeersdoorstroming binnen het plangebied blijft in orde. In het verkeersonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Geesten
De nieuwe ontwikkelmogelijkheden in De Geesten, in het deelgebied Endegeest, zorgen voor extra verkeersgeneratie van het gebied. Daardoor kan de verkeersdruk op de omliggende wegen in enige mate toenemen als deze ontwikkelingen worden gerealiseerd. De grootste verkeerseffecten vinden plaats op de Rhijngeesterstraatweg en Endegeesterstraatweg, omdat het gebied op deze wegen is ontsloten. Deze wegen betreffen gemeentelijke hoofdwegen met een snelheidslimiet van 50 km/u. Voor dergelijke wegen met twee rijstroken geldt een maximaal acceptabele verkeersintensiteit van 10.000 tot 15.000 mvt/etm. De verkeersdrukte op de wegen Rhijngeesterstraatweg en Endegeesterstraatweg blijft in 2030 ook bij ontwikkeling van De Geesten binnen deze maximaal acceptabele verkeersintensiteit en binnen het plangebied onder de 10.000 mvt/etm. De ontwikkeling van De Geesten leidt niet tot onacceptabele verkeerssituaties op de Geesterstraatwegen. Het extra verkeer wordt hoofdzakelijk via de Endegeesterstraatweg (zuidzijde plangebied) ontsloten. Op de wegen verder weg van het plangebied nemen de verkeerseffecten als gevolg van het plan steeds verder af, aangezien het verkeer zich over steeds meer verschillende wegen verspreidt. Het meeste extra verkeer rijdt via de zuidkant af en aan, hoofdzakelijk richting en vanaf de Willem Einthovenstraat, N206 en A44.
Een deel van het verkeer rijdt via de noordkant naar de Wilibrordrotonde, Rijnzichtweg en A44. Het verkeerseffect van het nieuwe bestemmingsplan ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan is beperkt. Tegelijkertijd wordt verwacht dat er in de toekomst minder verkeer rijdt over de route Rijnzichtweg en Geversstraat, door openstelling van de Rijnlandroute en een verdere opwaardering van de Leidse Ring Noord. Verwacht wordt dat hierdoor de toekomstige verkeersdrukte op de Rijnzichtweg en Wilibrordrotonde - ook na realisatie van de ontwikkelmogelijkheden van De Geesten - lager is dan in de huidige situatie. Conclusie De conclusie is dan ook dat ontwikkeling van De Geesten, met de nieuwe ontwikkelmogelijkheden in het deelgebied Endegeest, geen negatieve verkeerseffecten heeft op de omgeving, en de verkeersintensiteiten op de omliggende wegen binnen de acceptabele intensiteitsgrenzen blijven die daar voor staan.
Verkeer algemeen Het autoverkeer gerelateerd aan het plan dan wel de nieuwe ontwikkelmogelijkheden kan via twee routes het plangebied bereiken en verlaten. De zuidelijke ontsluitingsroute van/naar de N206 en A44, waar zich de grootste verkeerstoename zal voordoen, heeft voldoende capaciteit. De ontsluiting van de ontwikkelingslocaties voor het gemotoriseerde verkeer, het langzaam verkeer en het openbaar vervoer is goed te noemen. Het extra verkeer ten gevolge van de nieuwe ontwikkelingen is relatief beperkt in vergelijking met de autonome verkeerstoename door met name de ontwikkelingen LBSP en Nieuw Rijnzicht Zuid. De verkeersafwikkeling op de wegen rondom en in het plangebied wijzigt nauwelijks door de nieuwe ontwikkelmogelijkheden. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Parkeren Binnen het plangebied wordt voor de bestaande functies zowel op eigen terrein als in de openbare ruimte geparkeerd. Het parkeren in het gebied Endegeest zal zoveel mogelijk 'uit het zicht' plaatsvinden. Voor een goede ruimtelijke inpassing van de parkeerplaatsen in het gebied Endegeest zijn kaders opgenomen in de Regels van dit bestemmingsplan en in het 'Beeldkwaliteitsplan De Geesten'. Voor het parkgebied Endegeest, met de bestemming 'Groen' zijn op de bestemmingsplankaart een aantal locaties voor parkeerterreinen/parkeerplaatsen aangewezen.
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan De Geesten
Voor alle ontwikkelingen binnen het plangebied die passen binnen de kaders van het bestemmingsplan, geldt dat er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden op basis van de dan geldende normen. Dit is ook gewaarborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Bij het toepassen van de parkeernormen wordt de gemeente Oegstgeest, op basis van de demografische cijfers van het CBS, ingeschaald in een 'sterk stedelijk' gebied. Standaard wordt bij het hanteren van het CROW-kencijfer het gemiddelde van het minimum en maximum cijfer gehanteerd als gemeentelijke parkeernorm. In voorkomende gevallen kan het college gemotiveerd afwijken van de norm, zowel naar boven als naar beneden. Om te borgen dat bij ontwikkelingen, zoals transformatie naar een andere functie, voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn en blijven, is in de Overige regels van het onderhavige bestemmingsplan een parkeerregeling toegevoegd. Bij de realisatie/inrichting van de parkeervoorzieningen op eigen ofwel openbaar terrein, dient rekening te worden gehouden met de verwachte parkeerbehoefte. Om de parkeervraag te kunnen opvangen is het noodzakelijk dat het parkeeraanbod voldoet aan de voorgeschreven parkeernormen zoals vastgelegd in het 'Parapluplan Parkeren' en de geldende Parkeernota Oegstgeest.
Om de realisatie van voldoende parkeerplaatsen te borgen is artikel 31.2 Parkeren toegevoegd aan het onderhavige bestemmingsplan waarmee is bepaald dat een bouwwerk of gebruik van de gronden, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, niet kan worden gebouwd of in gebruik worden genomen, wanneer op het bouwperceel niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
5.3
Geluid(hinder)
5.3.1
Algemeen
Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidsbelaste object, en hiervoor kent de wetgeving 'geluidsgevoelige bestemmingen' zoals wonen, zorg en onderwijs. Het onderhavige plangebied ligt deels binnen de 20 Ke-contour van Schiphol. Maar de beoogde nieuwbouw ligt buiten de 20 Ke-contour van Schiphol. De nieuwe ontwikkelmogelijkheden liggen binnen de geluidszones van de Rijksweg A44, Rhijngeesterstraatweg/Endegeesterstraatweg en Wassenaarseweg. De te realiseren school en zorgplaatsen in het onderhavige plan zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, waarvoor een onderzoek op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk is. Ten behoeve van het plan is akoestisch onderzoek verricht door het bureau DGMR. Het geluidsrapport is opgenomen als bijlage 6 van dit bestemmingsplan. Met het akoestisch onderzoek wordt onder meer inzicht gegeven in het de ontwikkeling qua geluidsbelastingen boven de grenswaarden en in het aantal benodigde hogere waarden. Bij het verlenen van een hogere waarde moet de gemeente een afweging maken aangaande de reductie van de geluidsbelasting (maatregelen) en de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting.
Voor de bestaande geluidsgevoelige functies en bouwvlakken hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht en hoeven geen hogere waarden te worden vastgesteld.
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Geesten
5.3.2
Wet- en regelgeving
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat het wettelijk kader voor de toegestane geluidsbelasting van een weg, spoorweg en industrieterrein bij geluidsgevoelige bestemmingen. In zijn algemeenheid stellen de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting als de geluidsgevoelige bestemming in de geluidszone van de bron is geprojecteerd. Daarnaast bevat de weten regelgeving een bandbreedte waartussen hogere waarden nodig zijn. Voor het onderhavige plan(gebied) is alleen het wegverkeer van toepassing. In of nabij het plangebied zijn geen spoorwegen of industrieterreinen aanwezig. Voor de realisatie van nieuwe (zorg)woningen, leslokalen en zorgruimtes geldt voor de geluidsbelasting vanwege wegverkeer op de gevels, een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale grens-/ ontheffingswaarde bedraagt voor binnenstedelijk wegverkeer 63 dB en voor buitenstedelijk wegverkeer 53 dB. Een waarde boven de voorkeursgrenswaarde is onder voorwaarden aanvaardbaar. Een hogere geluidsbelasting op de gevel, dan de maximale ontheffingswaarde, is slechts mogelijk als deze gevel 'doof' wordt uitgevoerd of deze gevel wordt afgeschermd van het geluid van de bron (middels een vliesgevel). Indien de geluidsbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en lager dan de maximale ontheffingswaarde, dan kan ontheffing (een hogere waarde) worden aangevraagd.
De hogere waarden (kunnen) worden verleend door burgemeester en wethouders van de gemeente. Een aantal wegen kennen geen wettelijke geluidszone, namelijk wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/u geldt. Voor deze wegen dient in het kader van de goede ruimtelijke ordening wel de geluidsbelasting te worden beschouwd, maar is dus geen sprake van te verlenen hogere waarden. Naast geluidsbelasting vanwege wegverkeer, railverkeer en industrieterreinen (binnen de bijbehorende geluidszones) kan er ook sprake zijn van specifiek geluid geproduceerd door bepaalde activiteiten (van bedrijven/inrichtingen). De grenswaarden voor de geluidsbelasting vanwege die activiteiten staan in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in etmaalperiodes en type geluidsbelasting. Ten aanzien van de grenswaarden van Activiteitenbesluit milieubeheer, voor de geluidsbelastingen van bedrijven afzonderlijk, is geen sprake van hogere waarden c.q. ontheffingen zoals in de Wet geluidhinder. De grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden in het kader van een goede ruimtelijke ordening toegepast bij de realisatie van nieuwe woningen.
5.3.3
Plan(gebied)
De geluidsbelasting op bestaande geluidsgevoelige functies en gebouwen/bouwmogelijkheden in het plan hoeft niet te worden beoordeeld. Daarbij zijn de verkeerstoenames vanwege het plan dusdanig beperkt dat een relevante toename in de geluidsbelasting kan worden uitgesloten.
Wegverkeerslawaai Binnen het bestemmingsplan worden nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Er worden geen nieuwe wegen mogelijk gemaakt waarbinnen (bestaande) geluidsgevoelige functies zijn gelegen. De nieuwe geluidsgevoelige functies zijn gelegen binnen de geluidszones van de Rijksweg A44, Rhijngeesterstraatweg/Endegeesterstraatweg en Wassenaarseweg. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting vanwege de Wassenaarseweg voldoet aan de voorkeursgrenswaarde.
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan De Geesten
Ten aanzien van de Rijksweg A44 geldt op basis van het akoestisch onderzoek het volgende: De geluidsbelasting op de nieuwe school is ten hoogste 52 dB. De voorkeurswaarde van 48 dB wordt overschreden. Een hogere waarde is daarom benodigd. De geluidsbelasting op de nieuwe zorggebouwen (met ook zorgwoningen) is ten hoogste 52 dB. De voorkeurswaarde wordt overschreden. Een hogere waarde is daarom benodigd. Voor het zorggebouw (met zorgwoningen) op de Blauwe Tram locatie voldoet het geluid van de Rijksweg aan de voorkeurswaarde en is geen hogere waarde benodigd. Ten aanzien van de Rhijngeesterstraatweg/Endegeesterstraatweg geldt op basis van het akoestisch onderzoek het volgende: Op de school is de geluidsbelasting van de Geesterstraatwegen hoogstens 58 dB. De voorkeurswaarde van 48 dB wordt overschreden. Een hogere waarde is daarom nodig. Een deel van de oostgevel dient hierbij 'doof' of zonder geluidgevoelige functie uitgevoerd te worden. Voor de zorgfuncties en zorgwoningen in het TD-gebouw, het Weidepaviljoen, het Kasteel, het Dienstengebouw en de nieuwbouw op de Blauwe Tram locatie wordt aan de voorkeurswaarde voldaan. De geluidsbelasting op de zorgfuncties en zorgwoningen in de nieuwe gebouwen op het westelijke bouwvlak en bij het gezondheidscentrum is hoogstens 51 dB. De voorkeurswaarde wordt overschreden. Een hogere waarde is daarom benodigd.
De benodigde hogere waarden staan in het rapport van DGMR. Uit de 'Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden' van de Omgevingsdienst West Holland volgt dat het afgeven van hogere waarden mogelijk is wanneer aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Ten aanzien van het onderhavige plan en de nieuwe ontwikkelmogelijkheden wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden in de Richtlijnen en daarom kunnen hogere waarden worden verleend. In paragraaf 5.5 van het rapport van DGMR is de afweging opgenomen. Met betrekking tot de mogelijk benodigde dove gevel of uitsluiting van geluidsgevoelige ruimtes bij de nieuwe school, is in dit bestemmingsplan een regeling opgenomen (zie lid 11.3 Specifieke gebruiksregels van de bestemming 'Maatschappelijk').
Conclusie De geluidsbelastingen vanwege de Rijksweg A44 en Endegeesterstraatweg, op de gevels van de nieuwe school en zorgplaatsen, vormen geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. Er zal, met de toepassing van voldoende geluidwering van de gevel en een goede situering van de geluidsgevoelige ruimten, sprake zijn van een aanvaardbaar verblijfsklimaat in de school en de zorgplaatsen (gezondheidszorg functies en zorgwoningen).
Luchtverkeerslawaai Het plangebied is deels gelegen binnen de 20 Ke-contour van Schiphol. Ter plaatse van het plangebied geldt een jaargemiddelde geluidbelasting vanuit het vliegverkeer van 46 dB(A) Lden. Het plangebied is niet gelegen binnen de contouren uit het Luchthavenindelingbesluit (LIB) Schiphol voor beperking bebouwing. Binnen de 20 Ke-contour kunnen geen nieuwe uitleglocaties voor woningbouw worden ontwikkeld buiten het bestaand stedelijk gebied. Herstructurering en intensivering in bestaand bebouwd gebied zijn binnen de 20 Ke-contour wel mogelijk. Het bestemmingsplan is consoliderend van aard. Er zijn geen nieuwe woningbouwontwikkelingen voorzien en het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied. Het LIB, de omgevingsverordening Zuid-Holland en de beleidsregel 'Wonen en vliegen 20 Ke-contour Schiphol' vormen hierdoor geen belemmering voor het onderhavige plan.
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Geesten
Conclusie Het aspect luchtverkeerslawaai is geen belemmering voor het onderhavige plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Wet- en regelgeving
Externe veiligheid gaat over de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Om het transport van gevaarlijke stoffen te reguleren is het Basisnet opgezet en vastgesteld. Externe veiligheidsrisico's worden in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico gaat over de persoonlijke veiligheid van de individuele burger. Dit is de overlijdenskans voor een persoon die op een bepaalde afstand van een inrichting of een transportroute permanent (onbeschermd) aanwezig is. Het groepsrisico geeft de kans op een groep dodelijke slachtoffers (van een bepaalde omvang) door een ongeval met een gevaarlijke stof, afgezet tegen de oriëntatiewaarde. De (hoofd)regels zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Voor het plaatsgebonden risico en de veiligheidszone geldt een grens- en een richtwaarde. De beoordeling van het groepsrisico vindt niet plaats door toetsing aan een vaste norm maar op basis van een verantwoording van het risico.
Het bevoegd gezag beoordeelt hierbij de aanvaardbaarheid van het groepsrisico in het ruimtelijk besluit. Op basis van het Besluit externe veiligheid transportroutes dient bij een plan met nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen een afstand van 200 meter van een transportroute voor gevaarlijke stoffen het plaatsgebonden risico, het plasbrandaandachtsgebied en het groepsrisico te worden beschouwd. De Regeling basisnet geeft transporthoeveelheden waarmee rekening moet worden gehouden en de plaatsgebonden risico contour. Voor een aantal veelvoorkomende inrichtingen en langs de belangrijkste transportroutes is het plaatsgebonden risico door middel van een wettelijk voorgeschreven afstand vastgesteld. Bij inrichtingen geldt dit ook voor het invloedsgebied waarbinnen het bevoegd gezag het groepsrisico moet verantwoorden (gegeven in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi)). Voor wegen en spoorwegen zijn effectafstanden van de maatgevende scenario's, waarbinnen deze routes effect kunnen hebben, bekend. Voor gevallen waarin afstanden niet zijn voorgeschreven, kan een berekening nodig zijn om de omvang van effecten aan te tonen.
5.4.2
Plan(gebied)
Het onderhavige bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die een negatieve invloed hebben op het groepsrisico. Er reiken geen bestaande risicocontouren en invloedsgebieden van inrichtingen en/of transportroutes tot over de locaties van de nieuwe ontwikkelingen in het plangebied. Ook voegt het bestemmingsplan zelf geen ontwikkelingen toe die op basis van de wet- en regelgeving een risicocontour hebben. In de (directe) omgeving van de ontwikkellocaties in het plangebied bevinden zich geen inrichtingen/bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, gebruikt of overgeslagen. Het plan zelf maakt geen risicovolle inrichting mogelijk.
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan De Geesten
Het transport van gevaarlijke stoffen over de A44 aan de rand van het bestemmingsplangebied bevindt zich op ruime afstand van de nieuwe ontwikkellocaties in het plan. De nieuwe ontwikkelingen in het bestemmingsplan bevinden zich buiten het invloedsgebied van risicobronnen. Een deel van de bestaande ontwikkelmogelijkheden bevindt zich wel binnen het invloedsgebied van de risicobron A44. Het groepsrisico neemt echter niet toe, en langs de snelweg staan schermen en ligt een sloot. Het plasbrand-scenario is daarmee niet wezenlijk aan de orde, en de effecten van het hitte- en drukgolf scenario zijn daarmee gereduceerd. De afstand tot de weg en de ontwikkeling is tenminste 50 meter. In het geval van een calamiteit kan van de risicobron af gevlucht worden (in oostelijke richting). In de wijde omgeving van het plangebied zijn twee aardgas transportleidingen gelegen, namelijk ten noordwesten van het plangebied. Het invloedsgebied van deze buisleidingen reikt niet tot aan de ontwikkellocaties in het plan. Een deel van het plangebied (en Endegeest), namelijk het noordoostelijke deel, ligt in het uiterste gedeelte van het afwegingsgebied van het LIB-beperkingengebied van luchthaven Schiphol. De kans op een ongeval van/met een vliegtuig is alhier uiterst klein. In het betreffende gebiedsdeel bevinden zich reeds gebouwen en bouwmogelijkheden.
Met de vervangende nieuwe ontwikkelmogelijkheden in dat gebiedsdeel vindt geen wezenlijke verandering in de risicosituatie met betrekking tot Schiphol plaats. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
5.5
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Plan(gebied) In het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Wel zijn in de wijde omgeving van het plangebied twee aardgas transportleidingen gelegen, maar deze hebben geen invloed op de ontwikkelingen in dit plan.
5.6
Bedrijven en milieuhinder
De invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid op de leefomgeving moet worden afgewogen. Een passende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies is van belang. Dit kan door middel van milieuzonering. Wonen is een voorbeeld van een milieugevoelige functie. Ten aanzien van de afstand tussen woningen en bedrijven worden de richtafstanden van de VNG gehanteerd, opgenomen in de publicatie "Bedrijven en milieuzonering", om te beoordelen of er al dan niet sprake is van hinder vanwege bedrijven op de woningen.
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan De Geesten
Plan(gebied) In het plangebied zijn naast woningen diverse functies aanwezig, waaronder maatschappelijke voorzieningen, winkels, horeca, bedrijvigheid, kantoren, scholen. Voorliggend bestemmingsplan is consoliderend van aard. Bij de vaststelling van voorgaand bestemmingsplan en overige ontwikkelingen die sindsdien hebben plaatsgevonden, is reeds een afweging gemaakt inzake de afstand tussen woningen en (mogelijk) milieubelastende/hinderlijke functies. In de omgeving van de nieuwe ontwikkelingen in dit plan bevinden zich geen (milieuhinderlijke) bedrijven. Het dichtstbijzijnde bedrijf, namelijk het kweekbedrijf in het zuidoosten van het plangebied, ligt op meer dan 100 meter van de ontwikkelingen. Het aspect bedrijven en milieuhinder vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
5.7
Luchtkwaliteit
5.7.1
Wet- en regelgeving
Het belangrijkste wettelijke kader is de Wet luchtkwaliteit die is opgenomen in de Wet milieubeheer. Daarnaast zijn enkele Algemene Maatregelen van Bestuur van belang, namelijk het "Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" en de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)". Als nationaal beleid is enkele jaren geleden het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet en vastgelegd. Dit programma is opgesteld om (in de toekomst) aan de normen van de Europese Unie met betrekking tot luchtkwaliteit te kunnen voldoen en om in de tussentijd wel projecten te kunnen realiseren. Met het NSL wordt de luchtkwaliteit gemonitord en wordt er voor gezorgd dat de luchtkwaliteit niet substantieel verslechtert als gevolg van een ruimtelijke- en/of infrastructurele ontwikkeling. Het NSL is op 6 december 2016 voor een tweede maal verlengd tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet (in naar verwachting 2022). De Wet luchtkwaliteit vormt het kader voor het NSL. Een plan of project (zoals het onderhavige project) zal moeten voldoen aan één of meerdere van de luchtkwaliteitseisen die zijn vastgesteld bij de invoering van het NSL en in de Wet luchtkwaliteit (wijziging van de Wet milieubeheer) zijn opgenomen. De luchtkwaliteitseisen staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer.
Eén luchtkwaliteitseis is het voldoen aan grenswaarden, aangegeven in tabel 5.7. Tabel 5.7: Grenswaarden stoffenconcentraties
Met de Wet luchtkwaliteit is gestreefd naar meer flexibiliteit als het gaat om de koppeling van luchtkwaliteitseisen en ruimtelijke ontwikkelingen. Deze flexibiliteit is met name terug te vinden in een verdeling in projecten die in betekende mate (IBM) of niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. NIBM-projecten hoeven niet langer getoetst te worden aan de grenswaarden.
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan De Geesten
Besluit niet in betekenende mate [NIBM] bijdragen, en Regeling NIBM bijdragen In het "Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" en de daarop gebaseerde "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" is geregeld welke projecten niet meer getoetst hoeven te worden. Projecten, die maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10) bijdragen aan de lokale luchtkwaliteit, vallen onder de definitie van 'niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit' en hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen waarbij een besluit, aangaande een project, in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt. In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën projecten opgenomen die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. In de 'Regeling NIBM bijdragen' is onder meer opgenomen dat voor woningbouwlocaties van een bepaalde omvang sprake is van niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit ofwel dat het woningbouwproject geen aanmerkelijke negatieve invloed heeft op de luchtkwaliteit.
Voor woningbouwprojecten is de regeling van toepassing op woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat.
5.7.2
Plan(gebied)
Het voorliggend bestemmingsplan is consoliderend en deels ontwikkelingsgericht van aard. Er zijn geen directe ontwikkelingen (nieuwe vaste uitstootbronnen) in het plan die effect hebben op de luchtkwaliteit. De verkeerstoename vanwege de nieuwe ontwikkelingen is beperkt. Uit het verkeersonderzoek blijkt een aanvullende verkeersgeneratie van 410 motorvoertuigen per etmaal. Gezien dit beperkte aantal verkeersbewegingen (ten opzichte van de autonome ontwikkeling) zullen de nieuwe ontwikkelingen in het plan niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. namelijk minder dan 1,2 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10. Dit kan worden geconstateerd op basis van de NIBM-tool. Ook als de autonome ontwikkeling binnen het plan wordt meegenomen, is er in 2023 sprake van niet in betekende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Dit kan worden geconstateerd op basis van de NIBM-tool. Echter is in 2022, het jaar van vaststelling of inwerkingtreding van het bestemmingsplan, bij volledige realisatie van het plan geen sprake van NIBM. De totale verkeerstoename gerelateerd aan de nieuwe en autonome ontwikkelingen in het plan betreft 2.070 motorvoertuigen per etmaal als werkdaggemiddelde verkeersintensiteit en betreft 1.863 mvt/etm als weekdaggemiddelde verkeersintensiteit.
Het effect op de luchtkwaliteit is berekend op basis van de toename van het aantal voertuigen vanwege de nieuwe en autonome ontwikkelingen in het plan gezamenlijk, met de NIBM-tool. In 2022 zullen nog geen of nauwelijks nieuwe functies gerealiseerd zijn. Niet eerder dan in 2023 kunnen de ontwikkelmogelijkheden in grote mate zijn gerealiseerd. De NIBM-berekening voor het totale plan is derhalve uitgevoerd voor de jaren 2022 en 2023. Het verkeer gerelateerd aan de nieuwe functies is voornamelijk licht verkeer (tot 3,5 ton). De maatschappelijke functies genereren nauwelijks vrachtverkeer. Als aanname is 1% van het verkeer als vrachtverkeer ingevoerd. Op basis van de NIBM-berekening kan worden geconcludeerd dat in 2023 het plan niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Ook indien ervan uit wordt gegaan dat de helft of driekwart van de ontwikkeling zijn gerealiseerd in 2022, dan is er sprake van NIBM in 2022. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is voor het onderhavige plan daarom niet of beperkt benodigd. De NIBM-tool berekeningen zijn weergegeven op de afbeeldingen 3.3A, 3.3B en 3.3C. Het resultaat van de NIBM-tool berekening jaar 2022 is aanvullend beschouwd in samenhang met de luchtconcentraties in 2020 gegeven in de NSL-monitoringstool. In het jaar 2022 komt er voor NO2 maximaal 1,2 µg/m3 bij en komt er voor PM10 maximaal 0,3 µg/m3 bij.