Bijlage 1 bij RM d.d. 25 juni 2021 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan De Geesten 2021 Z-18-118551 Oegstgeest
Tekst van het document
Plan(gebied)
Het voorliggend bestemmingsplan is grotendeels consoliderend van aard en voor een klein gedeelte ontwikkelingsgericht. Voor het consoliderende deel van het plangebied is een bodemonderzoek niet nodig of pas nodig bij een aanvraag omgevingsvergunning. Voor de nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied zijn verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd. Het doel van de verrichte bodemonderzoeken is om aan te tonen dat de ruimtelijke ontwikkelingen passend zijn bij de bodemkwaliteit ter plaatse. Er is op drie locaties verkennend bodemonderzoek verricht, namelijk op de schoollocatie inclusief parkeerterrein, de Blauwe Tram locatie en ter plaatse van het westelijk bouwvlak aan de Kasteellaan. Uit de nieuwe bodemonderzoeken blijkt dat de bodem maximaal licht verontreinigd is en voldoet aan de benodigde bodemkwaliteit voor de beoogde functies. De resultaten van de drie verkennende bodemonderzoeken zijn opgenomen als bijlagen bij dit bestemmingsplan. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
5.9
Water
5.9.1
Wet- en regelgeving, en Rijksbeleid
Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Acht wetten zijn samengevoegd tot één wet, de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Inmiddels geldt het tweede NWP, het Nationaal Waterplan 2016-2021. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
Toelichting (ontwerp)
47
bestemmingsplan De Geesten
Het NWP 2016-2021 bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert in het nieuwe NWP het waterbeleid op een aantal terreinen. Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater is met vastgestelde deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Het rijksbeleid dat voortvloeit uit de voorstellen voor deze deltabeslissingen, is in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het NWP 2009-2015 en opgenomen in de actuele versie van het NWP voor de periode 2016-2021; Het kabinet heeft de afgelopen jaren over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water, zoals afspraken over energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (SVIR, bestuursakkoord water en Deltaprogramma). Deze afspraken zijn verwerkt in het NWP en de betreffende beleidsdocumenten blijven van kracht; Met de vaststelling van het NWP voldoet Nederland tevens aan de Europese eisen om actuele plannen en maatregelenprogramma's op te stellen volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR) en de Kaderrichtlijn mariene Strategie (KRM). Het NWP formuleert antwoorden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie en investeren in een duurzaam waterbeheer.
Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Nederland als aantrekkelijk waterrijk land met een hoge mate van veiligheid levert een positieve bijdrage aan het vestigingsklimaat.
5.9.2
Beleid en regels Hoogheemraadschap van Rijnland
Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan 'Waardevol Water' (WBP5) vastgesteld. In het WBP5 wordt richting gegeven aan het waterbeheer in de periode 2016 -2021. Daarmee realiseert Rijnland de ambities uit het coalitieakkoord, zodat het gebied nu en in de toekomst goed beschermd wordt tegen overstromingen en wateroverlast, er een goede waterkwaliteit ontstaat, het afvalwater op duurzame wijze wordt gezuiverd en de grondstoffen worden hergebruikt. In het WBP5 staat samenwerken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.
Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het Hoogheemraadschap van Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Het gaat onder meer om regels voor handelingen in of nabij: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden. Tevens zijn er regels voor het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen.
48
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Geesten
Hemelwater en afvalwater In overeenstemming met het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde houdt in: a. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c. afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor doelmatig beheer van afvalwater; d. huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd; e. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d wordt zo nodig na zuivering bij de bron, hergebruikt of lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu gebracht. Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Het aanbrengen en hebben van werken, voor transport of zuivering (bijv.
IBA) van afvalwater of om te lozen vanuit het (hemelwater)riool, in de beschermingszone van watergangen, zijn activiteiten die onder de Keur vallen. Aandachtspunten om het goed functioneren van het watersysteem te waarborgen zijn: zorg dat er geen oppervlaktewater via de riolering van een hoger naar een lager peilvak kan stromen; zorg dat er geen oppervlaktewater een (gemengd) riool in kan lopen richting de awzi; zorg dat regenwaterstelsels die onder het oppervlaktewaterwaterpeil uitkomen geen zuurstofproblemen in de watergang veroorzaken; ga na dat betrokken watergangen de afvoer kunnen verwerken; stem af met Rijnland als neerslag in een ander peilvak wordt gebracht, dan waarin het valt; zorg dat de lozingsconstructie geen obstakel vormt voor onderhoud of voor de afvoerfunctie van de watergang; zorg dat schade aan de oever en waterbodem wordt voorkomen.
Zorgplicht hemelwater Er is een aantal aandachtspunten voor de verwerking van hemelwater, zodat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaakt en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen: duurzaam bouwen; het toepassen berm- of bodempassage; toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen; het regenwaterriool uitvoeren met (straat)kolken voorzien van extra zand-/slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel; adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); het toepassen van duurzaam onkruidbeheer; de bewoners, gebruikers en beheerders voorlichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan; het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding. Daar waar ondanks de zorgplicht het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor een andere oplossing.
Toelichting (ontwerp)
49
bestemmingsplan De Geesten
Compensatie De regels en voorwaarden van het beleid voor watercompensatie zijn afgeleid uit de Keur (artikel 14 lid 1, 2 en 3). De toename aan verharding dient volgens de regels van het Hoogheemraadschap in de vorm van nieuw open water te worden gecompenseerd. Een toename aan verharding zorgt er voor dat het regenwater sneller op het oppervlaktewater zal afstromen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat er geen verslechtering van de huidige situatie mag optreden. Het Hoogheemraadschap van Rijnland hanteert bij een toename aan verharding van meer dan 500 m2, de 15% regeling. Deze regeling houdt in dat toename aan verharding met 15% oppervlaktewater gecompenseerd dient te worden.
5.9.3
Plan(gebied)
Het onderhavige bestemmingsplan bevat geen nieuwe ontwikkelingen die een wezenlijke negatieve invloed hebben op de waterhuishouding. De toename van verhard oppervlak (op bepaalde delen) is relatief beperkt. Eventueel kunnen de bij de ontwikkellocaties aanwezige watergangen worden verbreed, ter compensatie van het nieuwe verhard oppervlak. De nieuwe Leo Kannerschool wordt ter plaatse van de oude Julianaschool gerealiseerd, de gronden zijn hier reeds grotendeels verhard. De nieuwe school zal dan ook niet leiden tot een verslechtering van de waterhuishouding in het gebied. De ontwikkeling van de Blauwe Tram locatie (GGZ Rivierduinen) was reeds mogelijk in het voorgaande bestemmingsplan. De verschuiving van het maatschappelijke bestemmingsvlak heeft geen negatieve invloed op de waterhuishouding. Naast het gebouw is infiltratie van het regenwater in de bodem volop mogelijk of kan het regenwater worden afgevoerd naar de watergang. Wel dient bij realisatie een watervergunning te worden aangevraagd in verband met het aanbrengen van het verhard oppervlak. De ontwikkellocaties van de Oudendal Groep leiden niet of beperkt tot een toename van verhard oppervlak, of zijn direct nabij watergangen gelegen. Naast de gebouwen is infiltratie van het regenwater in de bodem mogelijk of kan het regenwater worden afgevoerd naar de watergang.
Wel dient bij realisatie van (in elk geval) het nieuwe gezondheidscentrum een watervergunning te worden aangevraagd in verband met het aanbrengen van het verhard oppervlak. Er is geen sprake van grootschalige herinrichtingen binnen het plangebied. Er bestaat wel de mogelijkheid tot kleinschalige ontwikkelingen en enkele grotere ontwikkelingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het bouwen van aan- of bijgebouwen (al of niet omgevingsvergunningplichtig) of het aanleggen van paden of verhardingen, of het realiseren van nieuwbouw op enkele onbenutte bouwvlakken. Vanwege de consoliderende aard biedt het bestemmingsplan weinig mogelijkheden om het watersysteem en het waterbeheer te verbeteren. Als in de toekomst aanvullende ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak, hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat (grotere) toenames van het verhard oppervlak binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook de combinatie met de functie groen blijft aanwezig. Door de aanleg van natuurvriendelijke en ecologische oevers wordt bijvoorbeeld meer waterberging gerealiseerd.
Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkeling diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
Conclusie Het voorliggend bestemmingsplan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Ten aanzien van het aspect water is het plan uitvoerbaar. Het aspect water(huishouding) vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
50
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Geesten
5.10
Ecologie (Natuur / Flora & Fauna)
5.10.1 Wet- en regelgeving, en beleid Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de wet- en regelgeving inzake natuur, flora en fauna. Zowel een groot deel van de flora en fauna zelf als de leefgebieden van diverse soorten kennen wettelijke bescherming. Die bescherming vloeit voort uit zowel Europese als nationale regelgeving. Zo richt de EG-Habitatrichtlijn zich expliciet op de bescherming van de habitat van wilde planten en dieren en beschermt de EG-Vogelrichtlijn op soortgelijke wijze broed- en trekvogels. In het kader van deze richtlijnen heeft Nederland zogenoemde speciale beschermingszones (“Natura 2000” gebieden) aangewezen. De door het Rijk aangewezen Natura 2000-gebieden zijn eerst aangemeld bij de Europese Unie. Gebiedsbescherming is in het Nederlands recht geregeld in de Wet natuurbescherming sinds 1 januari 2017, en was voorheen geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998. Daarnaast is er ook sprake van juridische natuurbescherming via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en provinciale ruimtelijke omgevingsverordeningen. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), dat een samenhangend netwerk van natuurgebieden is. Inmiddels is de EHS opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Bij het NNN zijn ook de door het Rijk aangewezen, en door de Europese Unie geconfirmeerde, Natura 2000-gebieden van groot belang. De natuurgebieden met een Natura 2000 status zijn aangewezen en beschermd op basis van Wet natuurbescherming. De Natura 2000-gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden en Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden is sprake van een aantal stikstofgevoelige habitattypen. De bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van planten- en diersoorten in hun natuurlijke leefgebied is geregeld in de Wet natuurbescherming sinds 1 januari 2017. Het uitgangspunt van wet is “nee, tenzij”. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Van het verbod op schadelijke handelingen (“nee”) kan onder voorwaarden (“tenzij”) worden afgeweken met een ontheffing of vrijstelling. In de Wet natuurbescherming is een doorvertaling en interpretatie van de Europese richtlijnen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn opgenomen. Bij de wet zijn uitgebreide lijsten met beschermde soorten opgenomen.
Op grond van de Wet natuurbescherming moet inzicht worden gegeven in het voorkomen en de verspreiding van beschermde soorten op populatieniveau, zodat de effecten van voorgenomen ontwikkelingen en activiteiten kunnen worden getoetst aan de (gunstige) staat van instandhouding van de betreffende soorten. Afhankelijk van het beschermingsniveau van de soort moet de gunstige staat van instandhouding worden getoetst op lokaal, regionaal of landelijk niveau. In de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt onderscheid gemaakt tussen: 1. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wnb); 2. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (artikel 3.5 Wnb); 3. overige soorten (artikel 3.10 Wnb). Voor alle soorten, dus ook voor de niet beschermde soorten, geldt de zorgplicht.
Toelichting (ontwerp)
51
bestemmingsplan De Geesten
De Wet natuurbescherming kent veel bevoegdheden aan de provincies toe. De uitvoering van de wet wordt gedaan door de provincies en voor bepaalde zaken door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, RVO (namens het Rijk). De provincies kunnen ten aanzien van verboden handelingen ontheffing verlenen en bij verordening vrijstellingen geven. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vloeien voort uit de Europese richtlijnen (evenals de verboden handelingen). De verbodsbepalingen die gelden voor de overige soorten hebben betrekking op de soorten opgenomen in de Bijlage van de Wet natuurbescherming, behorende bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming, onder Onderdeel A en Onderdeel B. Verantwoording soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora en fauna (natuurtoets) nodig. Op basis van de conclusies van de quickscan wordt al dan niet een vervolgonderzoek uitgevoerd (bijvoorbeeld naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten). Wanneer negatieve effecten worden verwacht, kan het plan soms toch onder bepaalde voorwaarden, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te voorkomen, uitgevoerd worden.
Als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden, is meestal een ontheffing nodig van de provincie. Provinciale vrijstelling Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt in het kader van de ruimtelijke ordening vrijstelling verleend ten aanzien van de volgende soorten: aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
5.10.2 Plan(gebied) Gebiedsbescherming Natura 2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Meijendel & Berkheide) is gelegen circa 2,9 km ten westen van het plangebied. De voorgenomen ontwikkelingen hebben, gezien de afstand tot Natura 2000, geen directe invloed op (de oppervlakte aan) Natura 2000-gebied. Bepaalde factoren kunnen vanaf een langere afstand (mogelijk) effecten kunnen hebben op Natura 2000-gebieden. Voor de mogelijke effectfactoren geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trillingen geldt dat gezien de aard van de ontwikkelingen en werkzaamheden, de afstand en de tussenliggende elementen geen effecten op de Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. De niet stikstof-gerelateerde effecten zijn zonder meer geen belemmering voor het onderhavige plan. Ten aanzien van de uitstoot van stikstof kan zonder berekening niet worden uitgesloten dat er geen effect, ofwel stikstofdepositie, op een Natura 2000-gebied is. Derhalve zijn er berekeningen van de (mogelijke) stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden gemaakt. Uit het verrichte stikstofonderzoek blijkt dat stikstofdepositie geen belemmering vormt voor het onderhavige bestemmingsplan. Stikstofdepositie In het kader van de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in dit plan is een stikstofdepositie-onderzoek verricht. Zie bijlage 10 voor de rapportage van het stikstofdepositie-onderzoek.
Met betrekking tot het consoliderende gedeelte van voorliggend bestemmingsplan is een onderzoek niet noodzakelijk.
52
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Geesten
De nieuwe ontwikkelingen zorgen voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen op het wegennet. Ook bij de sloop en bouw is sprake van de uitstoot van stikstof, door werktuigen en bouwverkeer. Daarmee is mogelijk sprake van een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In dat kader is een onderzoek naar stikstofdepositie verricht. Bij het stikstofdepositie-onderzoek zijn berekeningen uitgevoerd voor de toekomstige situatie ofwel de gebruiksfase en voor de tijdelijke situatie van de sloop en bouw ofwel de realisatiefase. Voor de stikstofdepositie-berekeningen is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator 2020. In het onderzoeksrapport staan de uitgangspunten en resultaten van het stikstofdepositie-onderzoek beschreven. Realisatiefase (sloop- en bouwfase) nieuwe ontwikkelingen De totale (gecombineerde) realisatiefase (met sloop, grondwerk en bouw) van de verscheidene nieuwe ontwikkelingen zal naar verwachting tenminste 4 jaar duren. Het gaat om zes ontwikkellocaties. Ten aanzien van de verdeling van de ontwikkelingen over 4 jaren, van 2022 tot 2025, is een inschatting gemaakt. Voor deze 4 jaren is de stikstofuitstoot van de werktuigen bepaald en de hoeveelheid bouwverkeer bepaald, op basis van inschattingen. Er is een stikstofdepositie-/AERIUS-berekening gemaakt van het maatgevende jaar.
De berekening van de realisatiefase van de nieuwe ontwikkelingen in dit bestemmingsplan De Geesten geeft een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied. Gebruiksfase toekomstige situatie De berekening van het toekomstige gebruik van de planlocatie met het nieuwe verkeer, ofwel de situatie met/na de gerealiseerde nieuwe ontwikkelingen in het plan De Geesten, geeft een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied.
Conclusie Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is in een stikstofonderzoek met berekeningen aangetoond dat er geen stikstofdepositietoename plaatsvindt op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, er redelijkerwijs van uitgaande dat niet alle sloop- en bouwwerkzaamheden in hetzelfde jaar plaatsvinden.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Delen van het onderhavige plangebied maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Om de gronden van het plangebied die zijn gelegen binnen het NNN nog beter te beschermen, worden deze gronden in het onderhavige bestemmingsplan beschermd met de gebiedsaanduiding en regeling 'Natuurnetwerk Nederland'. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van andere bijzondere nationale natuurgebieden, dan het Natuurnetwerk Nederland.
Soortenbescherming Voorliggend bestemmingsplan is grotendeels consoliderend van aard, en voor deze delen van het plangebied is onderzoek naar flora & fauna niet nodig. Voor de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied dient inzichtelijk gemaakt te worden dat er naar verwachting (al dan niet met toepassing van maatregelen) geen negatieve effecten op beschermde diersoorten plaatsvinden.
Toelichting (ontwerp)
53
bestemmingsplan De Geesten
In het kader van de nieuwe ontwikkelingen (inclusief de beoogde sloop van een aantal panden ten behoeve van de beoogde ontwikkelingen) in het deelgebied Endegeest, is een quickscan flora & fauna verricht, door het bureau RPS. In het onderzoeksrapport van de quickscan (met bureaustudie en veldbezoeken) staan de bevindingen van het verkennend soortenonderzoek beschreven. Zie bijlage 11 voor het rapport van de quickscan flora & fauna. Op basis van de uitgevoerde quickscan flora & fauna wordt geconstateerd dat het onderzoeksgebied en de te ontwikkelen locaties verblijfplaatsen en een habitat bieden, deels potentieel (op basis van geschikt aanwezig biotoop), voor een aantal beschermde diersoorten. Op de schoollocatie en bij de Blauwe Tram locatie zijn jaarrond beschermde vogels aangetroffen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen op vele plekken verwacht worden. Ook enkele andere beschermde diersoorten zijn op de ontwikkellocaties te verwachten. Er zijn in het onderzoeksgebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen en deze worden ook niet zozeer verwacht op de ontwikkellocaties. Voordat er over kan worden gegaan tot ontwikkeling dienen er aanvullende soortgerichte onderzoeken te worden verricht.
Er kan reeds redelijkerwijs van uitgegaan worden dat er ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) dienen te worden aangevraagd en verleend, om een deel van de nieuwe ontwikkelingen te kunnen realiseren. Ten aanzien van de Blauwe Tram locatie en het westelijk bouwvlak kunnen effecten op beschermde soorten vermeden worden door een juiste inpassing van de bouwplannen. In het kader van de benodigde Wnb-ontheffingen is er een verkenning van de te treffen mitigerende maatregelen opgesteld. Om een ontheffing te verkrijgen zullen maatregelen moeten worden getroffen. Het treffen van maatregelen is aan de orde op het moment dat de bouwplannen/ontwikkelingen worden uitgewerkt (voor een aanvraag omgevingsvergunning).
Vervolgprocesen maatregelen Uit de verrichte quickscan flora & fauna komt naar voren dat voor de verschillende locaties aanvullend soortgericht onderzoek noodzakelijk is. Indien uit dat onderzoek blijkt dat locaties een beschermde functie hebben voor soorten, dienen mitigerende maatregelen te worden ingezet om een ontheffing van de relevante verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming te kunnen krijgen. Voorafgaand aan de planuitwerking heeft de gemeente reeds aan het bureau RPS gevraagd om inzicht in welke mitigerende maatregelen in te zetten zijn. De maatregelen zijn veelal gerelateerd aan de sloop van gebouwen en de (daaropvolgende) nieuwbouw. De kap van bomen blijft merendeels beperkt. Door RPS zijn in een notitie de mogelijkheden voor toe te passen mitigerende maatregelen opgesomd met daarbij een tekstuele toelichting. Zie bijlage 12 voor de notitie met de verkenning mitigerende maatregelen Endegeest. Het betreft toe te passen maatregelen om negatieve effecten op de lange termijn te voorkomen of beperken. Mitigerende maatregelen voor tijdelijke negatieve effecten vooraf en ten tijde van de (bouw)werkzaamheden zijn niet in de notitie opgenomen. Dergelijke maatregelen zijn grotendeels gericht op het voorkomen of beperken van verstoring van bijvoorbeeld voortplantingsactiviteit.
Of de maatregelen ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn, moet blijken uit het nog uit te voeren soortgericht onderzoek. De aanleiding voor de maatregelen (de sloop en nieuwbouw) en/of het toepassen van de maatregelen is veelal ontheffingsplichtig. Toe te passen maatregelen In de notitie is per soort, die kan voorkomen in het ontwikkelgebied van Endegeest, aangegeven welke ecologische functies binnen en direct rondom de ontwikkellocaties potentieel aanwezig zijn. Vervolgens zijn verschillende opties van maatregelen aangegeven, waarbij optie 1 de meest optimale maatregel is voor de soort en optie 2 of 3 de minst optimale. De eerste maatregel optie is gericht op een zo beperkt mogelijk negatief effect op de soort, gericht op behoud en renovatie (in tegenstelling tot sloop of kap).
54
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Geesten
De tweede maatregel optie is ten aanzien van de nieuwbouw gericht op het integreren van voorzieningen binnen de bouwwijze. Voor de buitenruimte zijn de maatregelen gericht op behoud van inheemse begroeiing, wat zo veel mogelijk bijdraagt aan behoud van geschikt leefgebied voor de soorten. Voor enkele soorten is een derde maatregel optie gegeven. Dit betreffen maatregelen die niet (geheel) geïntegreerd worden in de bouwwijze of aan de buitenzijde van een gevel worden aangebracht (betreft minder duurzame toepassing). Bij de toetsing aan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor een ontheffingsaanvraag dient een alternatievenafweging te worden gemaakt. De keuze voor één van de aangedragen opties van maatregelen met afwijzing van de andere twee opties maakt deel uit van die alternatievenafweging. Daarnaast dient voor een toetsing aan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming beoordeeld te worden of de ruimtelijke ingreep (het project) geen negatief effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van een beschermde soort. Of de gunstige staat van instandhouding een rol speelt bij de projecten in Endegeest is afhankelijk van voor welke soort(-en) het gebied een essentiële functie heeft. Een ontheffing kan alleen worden verkregen wanneer het project geen negatief effect heeft op de gunstige staat van instandhouding.
De (in de notitie beschreven) maatregelen zijn verbonden aan behoud van de gunstige staat van instandhouding. De maatregelen zijn vooral gericht op duurzame inzetbaarheid en functioneren voor de soorten (prioriteit op zo veel mogelijk integreren van maatregelen in het bouwwerk, en niet losse voorzieningen die aan de buitenzijde van een gebouw worden aangebracht). Daardoor kunnen deze maatregelen bijdragen aan het op peil houden of mogelijke versterking van de gunstige staat van instandhouding. Of de maatregelen in gebruik zijn genomen kan via monitoring worden vastgesteld.
Conclusie De aanwezige en mogelijk aanwezige beschermde soorten in het gebied vormen naar verwachting geen belemmering voor de uitvoering van het onderhavige plan. Met de toepassing van maatregelen zal de gunstige staat van instandhouding van soorten niet in het geding zijn. Het waar nodig moeten treffen van maatregelen is geborgd via de natuurregelgeving. Daarnaast is in het plangebied veel alternatief leefgebied beschikbaar en is de aantasting van groen door de ontwikkelingen relatief beperkt.
5.11
Archeologie en Cultuurhistorie
5.11.1 Wet- en regelgeving Het nationale beleid voor archeologie is afkomstig uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd. Dit is gedaan in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007. Hiermee zijn een aantal wetten gewijzigd. Dit zijn onder andere de Monumentenwet (1988), de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de Wamz hebben gemeenten een zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is ook verwerkt in de Erfgoedwet sinds 1 juli 2016. In de toekomst zal de zorgplicht verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Het archeologisch erfgoed in de bodem moet zoveel mogelijk behouden worden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Dit moet gedaan worden met archeologisch onderzoek.
Het archeologisch belang moet vanaf het begin meewegen in de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen.
Toelichting (ontwerp)
55
bestemmingsplan De Geesten
Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied.
5.11.2 Plan(gebied) Archeologie De gemeente Oegstgeest heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. De erosie van het bodemarchief is ondanks alle inspanningen tot behoud van archeologische resten immers nog steeds erg groot. Dit betekent dat bij bouwwerkzaamheden verstoring van de diepere ondergrond uit archeologisch oogpunt zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Waar dit niet mogelijk is, zal in de gebieden waar waardevolle, informatieve archeologische resten verloren dreigen te gaan, voorafgaand aan de geplande bodemingreep verantwoord onderzoek dienen plaats te vinden. Op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Oegstgeest is in beeld gebracht wat de archeologische verwachting van de bodem in Oegstgeest is. De gemeentelijke waardenkaart onderscheidt de volgende verwachtingszones met bijbehorende oppervlakte- en dieptecriteria, waarbij deze in het bestemmingsplan zijn vertaald in waarde archeologie 6, 2 en 3.
Tabel 5.11: Verwachtingszones archeologie
56
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Geesten
Afbeelding 5.11A: Kaart archeologische verwachting ter plaatse van plangebied De Geesten
De archeologische waarden zullen aan de hand van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 6', 'Waarde - Archeologie - 2' en 'Waarde - Archeologie - 3' worden beschermd. Op grond van een dubbelbestemming geldt voor bepaalde werken en werkzaamheden een verbod en vergunningsplicht. Alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden dient voldaan te worden aan de eisen die gesteld zijn in de dubbelbestemmingen. Voor 'Waarde - Archeologie - 6' is, op grond van Omgevingsverordening Zuid-Holland, de provinciale beleidsregel voor de diepte van 30 centimeter aangehouden in plaats van 50 centimeter, en is geen oppervlaktemaat van toepassing.
Toelichting (ontwerp)
57
bestemmingsplan De Geesten
Cultuurhistorie Binnen het plangebied ligt een groot aantal rijks- en gemeentelijke monumenten en cultuurhistorisch waardevolle objecten. Een monument is een object dat juridisch is beschermd vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap, de bijzondere cultuurhistorische waarden en/of architectuurhistorische waarden. Op afbeelding 5.11B staan de aanwezige rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten weergegeven.
Afbeelding 5.11B: Monumenten binnen plangebied (bron: Gebiedsvisie De Geesten)
58
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Geesten
In het plangebied bevinden zich meerdere gemeentelijke monumenten. De gemeentelijke monumenten zijn aangewezen op basis van de Erfgoedverordening Oegstgeest 2017. De monumentale waarden in het plangebied wordt verder nog aangevuld met de cultuurhistorische waardevolle objecten die in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (M.I.P.) zijn geïnventariseerd. Het M.I.P. is een landelijk project dat tussen 1986 en 1995 is uitgevoerd. Het doel van het project was om per gemeente de waardevolle gebouwen en andere objecten in woord en beeld te beschrijven, zodat er meer zicht zou komen op monumentenzorg en cultuurgeschiedenis. Hierbij werd aan ieder gebouw een waardering gegeven. Eén ster betekent van lokaal belang, twee sterren betekent van regionaal belang en drie sterren van nationaal belang. Binnen het plangebied zijn alleen cultuurhistorisch waardevolle objecten met lokaal belang gelegen. Begin jaren ’80 beschikte de gemeente Oegstgeest niet over instrumenten, zoals een monumentenverordening, monumentencommissie en een monumentenlijst, ter bescherming van de waardevolle panden in de gemeente. Een groep vrijwilligers heeft destijds een werkgroep (later omgezet in de Vereniging Oud Oegstgeest en daarna Historische vereniging Oegstgeest), opgericht die alle panden in de gemeente is gaan inventariseren. In september 1987 werd deze inventarisatie afgerond.
De inventarisatie, opgenomen in de 'Paarse Nota', was een voorstel richting de gemeente welke objecten als waardevolle beschouwd konden worden. De Paarse Nota maakt een onderscheid naar categorieën: rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, karakteristieke beeldbepalende gebouwen, beeldondersteunende gebouwen, straatbeelden met stedenbouwkundige bescherming. De rijksmonumenten en de gemeentelijke monumenten zijn later aangewezen. In aanvulling op de Paarse Nota werden door de Vereniging Oud Oegstgeest later tevens de panden Terweeweg 6 t/m 46 (De Kaap) aangemerkt als karakteristieke beeldbepalende panden. In maart 2017 heeft de Vereniging Oud Oegstgeest haar vernieuwde website aan de gemeente aangeboden. Op deze website zijn alle rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en een aanvullende rubriek 'overig erfgoed' opgenomen. Binnen dit bestemmingsplan zullen alleen de karakteristieke beeldbepalende gebouwen, beeldondersteunende gebouwen en straatbeelden met stedenbouwkundige bescherming als zijnde cultuurhistorisch waardevolle objecten worden beschouwd. De rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en cultuurhistorisch waardevolle objecten zijn voorzien van een beschermende aanduiding. Een overzicht van deze panden en objecten is te vinden in Bijlage 3.
Nadere eisen kunnen worden gesteld aan de situering en de afmetingen van deze gebouwen voor wat betreft de verhouding tussen lengte, breedte, goothoogte en/of bouwhoogte, de dakhelling, nokrichting en/of kapvorm en de onderlinge situering. Het is daarnaast verboden deze gebouwen geheel of gedeeltelijk te slopen zonder vergunning. Zoals reeds beschreven is een gedeelte van het plangebied aangewezen als rijksbeschermd dorpsgezicht. Middels de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen in relatie tot de te beschermen cultuurhistorische waarden, zoals genoemd in de toelichting bij de aanwijzing tot het beschermd dorpsgezicht 'Wilhelminapark en Geesten'. Deze bevoegdheid heeft betrekking op zaken zoals de situering, goothoogte en/of bouwhoogte, de dakhelling, nokrichting en/of kapvorm van (karakteristieke) gebouwen en ingrepen in de openbare ruimte. Tevens zijn er regels gesteld aan het gebruik van tuinen ten behoeve van parkeren. Tot slot is een vergunningenstelsel opgenomen voor werken en werkzaamheden zoals het uitvoeren van grondbewerkingen en het aanleggen van verhardingen.
Toelichting (ontwerp)
59
bestemmingsplan De Geesten
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan heeft een consoliderend karakter voor de bestaande functies en bebouwing. Daarnaast biedt het plan een juridisch-planologische regeling voor de nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, namelijk in het gebied Endegeest en op de locatie van de voormalige Julianaschool. De planvorm is in hoofdzaak die van een gedetailleerd eindplan. Ter invulling van de beschermende functie voor het beschermd dorpsgezicht als bedoeld in de Erfgoedwet, en in artikel 36 van de voormalige Monumentenwet 1988, is voorzien in een specifieke dubbelbestemming (Waarde - Cultuurhistorie).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een Verbeelding, de Regels en de Toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van dit plan. Beide onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. In de regels staat aangegeven wat er binnen die bestemmingen mag. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van bepaalde regels. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. De regels van een bestemmingsplan zijn standaard gestructureerd in vier hoofdstukken, namelijk: a. b. c. d.
Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.
Juridische regeling algemeen De verbeelding en regels vormen tezamen de juridische regeling van dit bestemmingsplan. Hieronder wordt de werking van beide onderdelen uitgelegd.
Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. De toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is een bestemming die ook aan de gronden kan worden toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd een enkelbestemming en soms geldt er ook een dubbelbestemming, soms zelfs meerdere. In de regel van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. Via een aanduiding.
60
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Geesten
Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, figuur, lettercode, etc.. Via een aanduiding wordt in de regels iets geregeld. Dit kan betrekking hebben op o.a. extra mogelijkheden of beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing. Aanduidingen kunnen voorkomen in een of meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
Regels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de planregels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook een omgevingsvergunningstelsel (voormalig aanlegvergunningstelsel) opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel een omgevingsvergunningstelsel en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels.
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. Het zijn achtereenvolgens de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. Voor de regels en de verbeelding is gebruik gemaakt van de Standaardregels Bestemmingsplannen Oegstgeest die aansluit bij de systematiek van de Standaard vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). De verbeelding en regels voldoen aan de landelijke RO-standaarden 2012.
6.2
Juridische regeling
6.2.1
Inleidende regels
De inleidende regels bevatten begripsbepalingen en meetbepalingen.
Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van de 'normale' interpretatie (kunnen) afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Het hanteren van begrippen wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
Toelichting (ontwerp)
61
bestemmingsplan De Geesten
Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten of berekend moeten worden.
6.2.2
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de Regels bevat de bestemmingsregels. Hierin worden per bestemming regels gegeven voor het gebruik en de bebouwing van de onderliggende gronden. De regels kennen allen eenzelfde opbouw met de volgende (per bestemming relevante) leden: a. b. c. d. e. f. g.
bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen (indien aanwezig); afwijken van de bouwregels (indien aanwezig); specifieke gebruiksregels (indien aanwezig); afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig); h. omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (indien aanwezig); i. wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig). De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. De bouwregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. De overwegingen welke gemaakt zijn en geleid hebben tot de regels zoals opgenomen in dit plan staan beschreven in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3, en zijdelings ook in hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5.
Artikel 3 Agrarisch De bestemming 'Agrarisch' is toegekend aan het open gebied aan de randen van het plangebied. Het betreft een gebied langs de snelweg A44, en het zuidelijke deel van het plangebied langs de Wassenaarseweg en de gemeentegrens met Leiden, en het gebied ten noorden van het volkstuinencomplex aan de oostzijde van het plangebied. Op de gronden mogen uitsluitend gebouwen worden gebouwd met een hoogte van ten hoogste 2 m en een oppervlakte van ten hoogste 20 m2.
Artikel 4 Agrarisch - Kwekerij De bestemming 'Agrarisch - Kwekerij' is toegekend aan het bestaande kassencomplex en de bestaande zorgkwekerijen. Op de gronden met de bestemming 'Agrarisch - Kwekerij' zijn volkstuinen ook mogelijk. Het kassencomplex en de loods, behorende bij de zuidelijk gelegen (zorg)kwekerij, zijn voorzien van een specifieke bouwaanduiding en bouwvlak. Op de noordelijk gelegen zorgkwekerij zijn enkel kleine gebouwen mogelijk via een specifieke bouwaanduiding.
Artikel 5 Bedrijf Het in het plangebied aanwezige reclamebedrijf en grote bedrijfspand aan de Geversstraat is voorzien van de bestemming 'Bedrijf'. In het bedrijfspand zijn mogelijk meerdere bedrijven aanwezig. De bedrijfscategorisering is op de plankaart aangegeven door middel van een aanduiding binnen de bestemming Bedrijf. De aanduiding bepaalt de ten hoogste toegestane milieucategorie.
62
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Geesten De toegestane bedrijven/bedrijfsactiviteiten zijn bepaald in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'functiemenging' die is opgenomen als bijlage bij de regels van dit bestemmingsplan. Onbebouwde gronden Op de gronden buiten het bouwvlak, zijn slechts bouwwerken, geen gebouwen toegestaan. Daarnaast is, ter bescherming van de ruimtelijke kwaliteit, opslag van goederen aan een stapelhoogte gebonden van ten hoogste 4 m.
Artikel 6 Detailhandel De bestemming 'Detailhandel' is toegekend aan de bloemenkiosk aan de Geversstraat. Naast detailhandel en dienstverlening, zijn bij deze bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen mogelijk.
Artikel 7 Gemengd De bestemming 'Gemengd' is toegekend aan gronden waar naast het wonen ook andere functies zijn toegestaan. Binnen de bestemming Gemengd zijn naast het wonen ook detailhandel en dienstverlening, kantoren en maatschappelijke voorzieningen mogelijk. Het betreft hier de woon-winkelpanden aan de Geversstraat en enkele panden aan de Deutzstraat en Van Assendelftstraat.
Artikel 8 Groen De bestemming 'Groen' is gegeven aan beeld- of structuurbepalend groen, en aan de tuinen bij het Park Rhijngeest gebied. Voor deze tuinen in Groen, rondom een bestemmingsvlak Wonen, is een functieaanduiding opgenomen. Ook bermen, delen van waterpartijen, oevers en voet- en fietspaden en de bijbehorende voorzieningen hebben de bestemming Groen gekregen. Binnen de bestemming Groen zijn vanuit het oogpunt van flexibiliteit ook ondergeschikte functies ten behoeve van de drie maatschappelijke bestemmingen mogelijk, voor de functies op het terrein van GGZ Rivierduinen en de Oudendal Groep, voor zover gelegen binnen 10 meter afstand van de gebouwen. Tevens zijn enkele andere functies middels een aanduiding mogelijk, zoals de tennisbaan Endegeest, de sportvelden bij Curium, het parkeerterrein bij de Julianaschool (Leo Kannerschool) en enkele parkeerterreinen in Park Endegeest gelegen aan de lanen. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk 1' is tevens een zorgkwekerij toegestaan. Voor het groen binnen delen van het plangebied is in verband met het beschermd dorpsgezicht Wilhelminapark en Geesten de aanduiding cultuurhistorische waarde opgenomen.
Deze aanduiding beoogt het behoud, herstel en verdere ontwikkeling van het parkgebied waarbij de profilering en indeling van de open ruimte dienen aan te sluiten op de cultuurhistorische karakteristiek van het beschermd dorpsgezicht Wilhelminapark en Geesten.
Artikel 9 Horeca Aan de Rhijngeesterstraatweg is café restaurant De Gouwe gevestigd. Deze gronden hebben de bestemming 'Horeca' gekregen. Via de Staat van Horeca-activiteiten is de toelaatbaarheid van de horeca-activiteiten in het plangebied geregeld. De horeca-activiteiten tot en met categorie 1b, met uitzondering van een hotel, van de Staat van Horeca-activiteiten kunnen worden toegestaan. Het café-restaurant is voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - 1'. Hier is een café voor zover voorkomend in categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten toegestaan. Op de verdiepingen is daarnaast de functie wonen toegestaan.
Artikel 10 Kantoor De bestemming 'Kantoor' is toegekend aan de diverse kantoren op de locatie Wilhelminapark 17.
Toelichting (ontwerp)
63
bestemmingsplan De Geesten
Artikel 11 Maatschappelijk Maatschappelijke functies, waaronder gezondheidszorg, openbare dienstverlening, verenigingsleven, jeugd- en kinderopvang en onderwijs, zijn voorzien van de bestemming 'Maatschappelijk'. Per bouwvlak is voor een aantal locaties op de plankaart een maximaal te bebouwen percentage of oppervlakte weergegeven. Tevens is voor een aantal bouwvlakken een maximaal te realiseren bruto vloeroppervlakte (bvo) opgenomen op de plankaart en/of in de regels. De nieuwbouwlocatie van de Leo Kannerschool krijgt ook deze bestemming, mede omdat de bestemming Maatschappelijk reeds van toepassing is op die locatie. Voor het nieuwe kleinere bestemmingsvlak zijn tevens nieuwe en nadere maatvoeringen opgenomen op de verbeelding, en zijn specifieke gebruiksregels in de bestemmingsregels toegevoegd, waarbij ook de 'specifieke bouwaanduiding - 5' in de regels en op de verbeelding is opgenomen.
In verband met de geluidsbelasting op een deel van het bouwvlak van de beoogde school is het volgende in de specifieke gebruiksregels opgenomen: ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - geluidsgevoelige functies uitgesloten of onder voorwaarden' zijn geluidsgevoelige functies niet toegestaan of dient ten behoeve van gebruik als geluidsgevoelige functie een dove gevel te zijn gerealiseerd of dient ten behoeve van gebruik als geluidsgevoelige functie de maximale toegestane snelheid van het gemotoriseerd verkeer op de Endegeesterstraatweg en Rhijngeesterstraatweg binnen een afstand van 200 meter van het aanduidingsvlak naar 30 km/u te zijn ingesteld door het bevoegd gezag.
In het zuidelijke deel en op het noordoostelijke deel van het terrein Endegeest zijn en worden aanleunwoningen (groepsverblijf) en geschakelde woningen gerealiseerd, in het kader van zorgwonen. Op de plankaart is dit gebied voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk zorgwonen'. Voor de locatie Witte Huis is naast de maatschappelijke bestemming ook een functieaanduiding 'woongebied' opgenomen ten behoeve van wonen met zorg in een verzorgingshuis.
Artikel 12 Maatschappelijk - 1 De bestemming 'Maatschappelijk - 1' is toegekend aan de locaties die, aanvullend op de bestemming Maatschappelijk, de maatschappelijke functie zorgwonen kennen. De bestemming Maatschappelijk - 1 is nieuw ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan, en vervangt op één plek de bestemming Maatschappelijk.
Artikel 13 Maatschappelijk - 2 De bestemming 'Maatschappelijk - 2' is toegekend aan de locaties die, aanvullend op de bestemming 'Maatschappelijk', de volgende functies zullen kunnen ontwikkelen: zorgwonen; voorzieningen ten behoeve van middelbaar en hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; voorzieningen ten dienste van wetenschappelijke instellingen en instituten op zowel onderzoeks- en ontwikkelingsgebied en ook kantoorfuncties in de dienstverlenende sector; voorzieningen ten behoeve van centrale diensten en maatschappelijke dienstverlening van het onderwijs, zoals een bestuurscentrum en rekencentrum; bedrijven voor Life Science & Health van de Staat van Bedrijven 'Life Science & Health'; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - gemengd': tevens horeca tot en met categorie 1b van de Staat van Horeca-activiteiten. De bestemming Maatschappelijk - 2 is nieuw ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan, en vervangt op zes plekken de bestemming Maatschappelijk, waarbij op twee plekken tevens voor een deel de bestemming Groen. Voor de bestemmingsvlakken zijn nieuwe en/of nadere maatvoeringen opgenomen op de verbeelding.
64
Toelichting (ontwerp)
bestemmingsplan De Geesten
De nieuwe functies voor de betreffende locaties zijn gerelateerd aan de ontwikkelmogelijkheden in de Gebiedsvisie De Geesten. Deze nieuwe bestemming is toegekend aan de locaties van het Kasteel Endegeest, Weidepaviljoen, TD-gebouw, Dienstengebouw, Gezondheidscentrum en westelijk bouwvlak. Voor het westelijk bouwvlak is een nadere bepaling in de bouwregels en een bouwaanduiding op de verbeelding opgenomen, die er op toeziet dat één van de twee bouwvlakken kan worden gebruikt voor nieuwbouw, en is tevens een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om onder voorwaarden het reeds bestaande bouwvlak te wijzigen naar de bestemming Groen.
Artikel 14 Recreatie - Dagrecreatie De bestemming 'Recreatie - Dagrecreatie' is toegekend aan de bestaande recreatieve voorzieningen in het plangebied, namelijk het volkstuinencomplex langs de Nachtegaallaan (Tuingroep 'Het Zonneveld') en (de manege en) het Ponycentrum Leeuwenhoek. Om te voorkomen dat op de betrokken gronden allerlei soorten recreatieve activiteiten kunnen worden uitgeoefend en daarmee de kans ontstaat op onbedoelde effecten voor de omgeving, zijn deze gronden tevens voorzien van een aanduiding. Binnen de bestemming Recreatie - Dagrecreatie zijn de aanduidingen 'volkstuin' en 'manege' opgenomen.
Artikel 15 Tuin De op de verbeelding voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor de voortuinen bij de woningen in het plangebied. Op deze gronden zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. Daarnaast is een afwijkingsregeling opgenomen ten behoeve van het toestaan van erkers.
Artikel 16 Verkeer Daar waar een weg hoofdzakelijk een stroomfunctie heeft, zijn de gronden bestemd als 'Verkeer'. Binnen het plangebied betreft dit de snelweg A44, de Endegeesterstraatweg, de Rhijngeesterstraatweg en de Geversstraat. Voor de snelweg A44 is een aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - snelweg' opgenomen. Binnen deze bestemming is een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan zoals parkeren, geluidswerende voorzieningen, groen, water, nutsvoorzieningen, reclame-uitingen en dergelijke.
Artikel 17 Verkeer - Verblijfsgebied Daar waar de weg een verblijfs- en verplaatsingsfunctie heeft, zijn de gronden bestemd als 'Verkeer Verblijfsgebied'. Binnen deze bestemming is een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan zoals parkeren, groen, water, nutsvoorzieningen en fiets- en voetpaden.
Artikel 18 Water De in het plangebied aanwezige hoofdwatergangen, essentieel voor de waterhuishouding, zijn bestemd als 'Water'. De gronden op de verbeelding aangewezen voor Water zijn bestemd voor de waterhuishouding. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan met een hoogte van ten hoogste 3 m zoals keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, duikers en bruggen.
Artikel 19 Wonen De woningen in het plangebied, niet zijnde zorgwoningen, zijn voorzien van de bestemming 'Wonen'. Het beleid is erop gericht de kwaliteit van de woonomgeving te behouden en waar mogelijk te versterken. Rekening houdend met dit uitgangspunt, is een regeling geformuleerd die het resultaat is van de
Toelichting (ontwerp)
65
bestemmingsplan De Geesten afweging tussen enerzijds een maximaal woongenot voor de bewoners en anderzijds de opgave om de bestaande ruimtelijke kwaliteit te waarborgen. Naast de bestaande situatie en de bestaande mogelijkheden welke hoofdzakelijk voortvloeien uit de vigerende regeling, is bij het toekennen van de bouwregels het bieden van voldoende erfbebouwingsmogelijkheden voor de bestaande woningen het uitgangspunt. De basis voor de regeling van de bestaande woonfuncties wordt gevormd door een regeling bestaande uit bouwvlakken (bouwgrenzen en voorgevelrooilijnen) en hoogtematen. Hoofdgebouwen Bij het voorgaande bestemmingsplan is voor de toen bestaande woningen bepaald waar het hoofdgebouw (de woning zelf) en waar het bijgebouw (bijvoorbeeld garage) staat. Hierop aanvullend zijn de toegestane afwijkingen het uitgangspunt. Rekening houdend met karakteristieke voorgevelverspringingen en rooilijnen, zijn op de bestemmingsplankaart bouwvlakken ter plaatse van de hoofdgebouwen opgenomen waarmee de plaats hiervan juridisch is vastgelegd. Buiten de bouwvlakken is erfbebouwing toegestaan volgens de bouwregels. Hoofdgebouwen worden gebouwd in het bouwvlak. De bebouwingsregeling bevat verder bepalingen met betrekking tot de bouw- en goothoogte van de hoofdgebouwen. Erfbebouwing De gronden achter en deels naast het hoofdgebouw c.q.
de woning zijn te gebruiken voor uitbreiding van het hoofdgebouw of voor de bouw van bijgebouwen. De gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag ten hoogste 60 m2 bedragen waarbij als uitgangspunt geldt dat ten minste 60% van de bij het hoofdgebouw behorende zij- en achtererf, met een minimum van 30 m2, onbebouwd en overdekt blijft. In afwijking van deze regel mag, indien de oppervlakte van het erf minder dan 42 m2 bedraagt, het gezamenlijk oppervlak van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen ten hoogste 12 m2 bedragen. Op deze manier worden er voldoende erfbebouwingsmogelijkheden geboden, terwijl de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangetast. Ondergronds bouwen Voor ondergronds bouwen is een aparte regeling opgenomen conform het gemeentelijk beleid. Ondergronds bouwen ten behoeve van kelders is toegestaan onder een aantal specifieke voorwaarden. Beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis Binnen de bestemming Wonen wordt het uitoefenen van een 'aan-huis-gebonden beroep'(rechtstreeks) of 'aan-huis-gebonden (bedrijfs)activiteiten' (door middel van ontheffing) toegestaan. De hoofdgebouwen (inclusief aan- en uitbouwen, maar exclusief bijgebouwen) mogen worden gebruikt voor aan-huis-gebonden beroepen onder de voorwaarden, opgenomen in de planregels van de bestemming Wonen.
De hoofd- en bijgebouwen mogen worden gebruikt vooraan-huis-gebonden (bedrijfs)activiteiten onder de voorwaarden, opgenomen in de afwijkingsregeling in de planregels bij de bestemming Wonen. Als voorbeelden van aan-huis-gebonden beroepen gelden kantoorfuncties als advocaat, architecten verzekeringsagent. Het karakter van een aan-huis-gebonden beroep dient te zijn: een kantoorfunctie, uitgeoefend door de bewoner; de functie dient ook een introvert karakter te hebben en niet specifiek publieksgericht te zijn. Met 'publieksgericht' wordt in dit kader bedoeld: uitsluitend of overwegend gericht op het verlenen van diensten aan consumenten. Als voorbeelden van aan-huis-gebonden (bedrijfs)activiteiten gelden: a. b. c. d.