CConstaterende datOegstgeest
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording Technische vragen LOKAAL Gebiedsvisie 2021 compleet

Besluitvormende raadsbijeenkomst 7 juni 2021, gemeente OegstgeestBij agendapunt: Stukken26.025 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zowel reguliere ziekenhuizen als GGZ-instellingen werden rond 1900 in Nederland (en ook daarbuiten in de westerse wereld) geregeld opgezet met een paviljoenstelsel. (Mens e.a. 2003) Het concept

voor het paviljoenstelsel was onder meer afkomstig uit Duitsland, waar het rond de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw ontstond. In Nederland werd het voor het eerst toegepast voor de bouw van het gesticht Veldwijk te Ermelo, in 1884. Het idee achter het paviljoenstelsel had betrekking op de behandeling. Patiënten werden in groepen verdeeld, die bij elkaar pasten, en in kleine overzichtelijke afdelingen behandeld en ondergebracht. Ze leefden in kleine, min of meer huiselijke groepen, met eigen voorzieningen. (Blok Vijselaar 1998). Bij deze patiëntenpaviljoens voor mannen en vrouwen, hoorden ook enkele collectieve paviljoens. (ELO: PV288000-1) Park Endegeest, Rhijngeest en Voorgeest Een ander kenmerk (naast het paviljoenstelsel) van Endegeest was de keuze voor een zogeheten buitengesticht, dat wil zeggen dat de instelling gerealiseerd is buiten de stad, buiten de drukke stedelijke omgeving, in een rustige, landelijke omgeving. Daarvoor waren zogeheten ‘stadsgestichten’ gebruikelijk, gebouwd in een stedelijke omgeving. In dit geval werd gekozen voor een park, min of meer aangelegd in een landschapsstijl, met gebogen paden en paviljoens gesitueerd tussen bomen en enkele open grasvelden. Endegeest is gerealiseerd op een voormalig buiten, Endegeest, dat bestond uit een kasteel met een groot omliggend park.

De oorsprong van buitenplaats Endegeest gaat terug tot omstreeks 1650, toen het kasteel werd herbouwd, en een buitenplaats werd gerealiseerd (RDMZ 2006). Tegelijk met de oprichting van het gesticht (krankzinnigengesticht, psychiatrisch ziekenhuis) Endegeest dat in 1897 werd geopend, werd ook de naastgelegen buiten Rhijngeest aangekocht, en onderdeel van het GGZ-complex. Rhijngeest werd in 1895-1899 door de gemeente Leiden aangekocht, het landgoed inclusief percelen weilanden. Hier werd een sanatorium gesticht: sanatorium Rhijngeest (de latere Jelgersmakliniek, thans gemeentehuis). In 1901 opende het nieuwe sanatorium-deel met meerdere paviljoens (Lameris 2006, p. 142155). Met de realisatie van Voorgeest, geopend in 1912, werd de bouw van paviljoens voortgezet. Voorgeest was een nieuwe afdeling bij Endegeest en Rhijngeest. Gesticht Voorgeest was een specifieke jeugdinstelling, bestemd voor kinderen met een GGZ-indicatie: in die tijd ‘jeugdige idioten’ genoemd. Op een compact terrein lagen bij elkaar gegroepeerd, een jongens- en meisjespaviljoen en een school, en een enkele jaren later gebouwde gymzaal (1919) tegenover de school. Het transformatorhuis ligt hier vlakbij, zuidwestelijk van het voormalige gymnastiekgebouw. Gemeente Leiden en Universiteit en bevolking Opdrachtgever voor het gesticht was de gemeente Leiden.

Dat was op zich bijzonder omdat de opvang van patiënten in de geestelijke gezondheidszorg wettelijk een provinciale taak betrof. Endegeest was echter niet uniek in dit opzicht. Ook het in 1909 opgerichte Maasoord, van de Gemeente Rotterdam, was een gemeentelijk initiatief. Specifiek voor Endegeest was de nauwe band met de universiteit. De Rijksuniversiteit Leiden was nauw betrokken bij de oprichting en verdere ontwikkeling van het gesticht. Endegeest had

een universitaire kliniek, waaraan universitair onderzoek en onderwijsfuncties verbonden waren. Zo werd universitair onderwijs gegeven in ruimtes van de GGZ-instelling. In een studie over de geschiedenis van het Endegeest-complex wordt het omschreven als ‘een voor Nederland unieke combinatie van een krankzinnigengesticht, een universitaire kliniek en een zwakzinnigeninrichting, alle onder een beheer’ (Blok Vijselaar 1998, p. 13). Gesticht Endegeest was onder de bevolking uit de omgeving vele jaren zeer bekend als GGZinstelling. Bouwgeschiedenis Oorspronkelijke bouw De bouw van het transformatorhuis valt samen met een uitbreiding van het complex. Het is omstreeks 1912-1913 gebouwd, vrijwel tegelijk met de bouw een voorziening voor kinderen uit 1912 toen Endegeest werd uitgebreid met het gesticht Voorgeest voor ‘jeugdige idioten’. Op dat moment was G.L. Driessen directeur van gemeentewerken, van 1901-1927 (Driessen 1941). Het transformatorhuisje wordt getekend op de situatietekening van het complex in 1913 (Blok Vijselaar 1998, p. 22). De ontwerper van het gebouw is niet bekend. Waarschijnlijk was het een architect van de Dienst gemeentewerken Leiden, omdat de dienst ook de andere paviljoens ontwierp. Bovendien heeft het gebouw stijlkenmerken van andere gebouwen van de stedelijke gas- en lichtfabriek aan de Langegracht in Leiden (bijv. regulateurshuis).

Maar het gebouw heeft geen ingemetseld logo op de gevel van het huisje. Een bewaard gebleven ontwerptekening van het transformatorhuis lijkt naderhand getekend; het blad is na de bouw getekend door de dienst Gemeentewerken Leiden (ELO: A7-X-001). Op het blad staan geen dienstjaar en geen besteknummer vermeld. De bouw in 1912-1913 is relatief vroeg voor een elektriciteitsvoorziening. In Leiden startte de elektriciteitsvoorziening omstreeks 1906-1907. In 1909 werd Oegstgeest aangesloten op het Leidse netwerk van gas- en elektriciteit en ging de Leidse centrale aan Oegstgeest leveren. (Rocher Spijkerman 1998, p. 10). In het verslag van de gemeenteraad van Leiden van 3 februari 1910 wordt de mogelijkheid gemeld om ‘Endegeest’ en Rhijngeest’ aan te sluiten op het elektriciteitsnetwerk, door het aanleggen van een verbindingskabel (Handelingen van de Raad, 3 februari 1910, p. 27). Dit huisje werd daar waarschijnlijk op aangesloten. Het is daarmee een van de vroege uitingen van elektriciteitsvoorzieningen in Oegstgeest. En het getuigt van de samenwerking tussen Oegstgeest en Leiden in de geschiedenis van gas- en elektriciteitsvoorziening. Latere aanpassingen Na de ingebruikname is het exterieur van het gebouw nauwelijks aangepast. Behalve noodzakelijk onderhoud (kleine reparaties) is het exterieur niet gewijzigd.

Het kan verondersteld worden dat het interieur, waar de elektrische installaties staan, wel in de loop der tijd is aangepast, om te kunnen blijven functioneren. Het interieur is niet geschouwd. Volgens mondelinge mededeling van de huidige gebruiker van het complex is het trafohuis nog functionerend. Overigens is er later nog een tweede transformatorhuis op het terrein gebouwd, ‘trafostation2’ geheten. Het oudere huis werd in dat kader ‘trafostation-1’ genoemd. Dit tweede trafostation werd ten zuiden van het mortuarium gebouwd, aan de Valklaan. (kaart situatie Endegeest januari 1990) Stedenbouwkundige context Het transformatorhuis werd gebouwd in het centrum van het voormalige GGZ-terrein. Het ligt tussen het toenmalige Endegeest en Rhijngeest, en naast Voorgeest. Het is een van de paviljoens in het park. De landgoederen Endegeest en Rhijngeest, dat wil zeggen de buitens met park, bos en omliggende weilanden, werden voor een groot deel in 1895-1899 in fases aangekocht, door de gemeente Leiden. Daarna werden in de loop der jaren steeds nieuwe gebouwen op het terrein gerealiseerd, aangepast, en enkele gebouwen zijn inmiddels ook weer verdwenen. Zowel Endegeest, Voorgeest als Rhijngeest waren opgezet volgens het paviljoenstelsel, en lagen naast elkaar.

De hoofdontsluiting vond plaats via de Endegeesterstraatweg/ Rhijngeesterstraatweg, op dat moment de Straatweg geheten tussen Amsterdam en Den Haag. Het complex werd door de min of meer noord-zuid lopende straatweg in tweeën gedeeld. Zuidoostelijk van de weg lagen de hoofdonderdelen van Endegeest en Voorgeest. Noordwestelijk van de weg lag voornamelijk sanatorium Rhijngeeest. In 1910 lag de hoofdtoegang tot Endegeest centraal op de hoofdas van het hoofdpaviljoen. De entree tot Rhijngeest lag noordelijker, in het verlengde van een as van een zijweg dwars op de straatweg. In het Rijkbeschermd dorpsgezicht Wilhelminapark en Geesten wordt het pand op de waarderingskaart aangeduid als ‘beeldbepalende bebouwing’ (RDMZ 2007, kaart 4). Aanpassing gebied Thans (oktober 2020) is een groot deel van de paviljoens van Endegeest en Voorgeest afgebroken. Van de eerste opzet van Endegeest uit 1897-1898 resteren slechts nog drie paviljoens (naast het kasteel): paviljoen E voor mannen en het lijkenhuisje. Ook de houten kolenloods uit 1898 is nog aanwezig. Meerdere later gebouwde paviljoens, na 1897 gebouwd, zijn eveneens bewaard. Van Voorgeest resteert nog slechts het gymnastiekgebouw (schoolgebouw en paviljoen voor meisjes en jongens zijn inmiddels afgebroken).

Andere voorbeelden daarvan (niet uitputtend) zijn het relatief nabijgelegen weidepaviljoen, centrale werkplaats, recreatiegebouw, en natuurlijk het kasteel, dat ook een functie had in de opzet van de instelling. Sanatorium Rhijngeest ligt minder op zichtafstand, relatief verder weg.

De rustige ligging van het transformatorhuisje is in de loop der tijd wel veranderd, doordat de omgeving veranderde met de sloop van de paviljoens. Het paviljoenstelsel is nog wel te ervaren doordat meerdere paviljoens nog resteren. Het pand ligt nog steeds aan het hoofdpad in het park, de Kasteellaan. Van de parkaanleg is het gebogen hoofdpad over het park, langs het kasteel en transformatorhuis nog bestaand. Typologie Het transformatorhuis is in hoofdopzet een ruimte waar technische installaties konden worden opgesteld, worden ingeregeld, aangepast en worden onderhouden. Volgens de (mogelijk later gemaakte) ongedateerde ontwerptekening van het transformatorhuis, was het interieur in tweeën gedeeld (ELO: A7-X-001). De hoofdruimte, die op de tekening het grootste deel van het gebouw beslaat, heeft een niet-verder ingedeelde vloer, met vensters aan drie zijden, en twee deuren: in elke lengtegevel een deur. Aan de noordzijde is een kleine ruimte afgezonderd. Deze is toegankelijk via de deur in de noordgevel en heeft en lichttoetreding via twee vensters in de lengtegevels (een van de kopgevels). Architectonische verschijningsvorm (exterieur en interieur) Het gebouw is opgemetseld uit baksteen, verlevendigd met horizontale oranjekleurige banden en siermetselwerk. Alle vier de gevels hebben inspringende gevelvlakken, of anders gesteld, een aangezet kader en lisenen op de hoeken.

Langs de bovenrand van de kopgevels is siermetselwerk. De gevels zijn opgemetseld in kruisverband met geknipte voeg. Op diverse regelmatige plaatsen zijn ventilatieroosters in het metselwerk. De vensters zijn allemaal identiek van maat, bij voorkeur symmetrisch toegepast in de gevelcompositie, en voorzien van metalen veiligheids-traliewerk. Achter het traliewerk zitten houten kozijnen en enkele vensters op de begane grond zijn nog voorzien van een metalen geperforeerde plaat (waarschijnlijk om vernieling van glas te verhinderen maar wel lichtinval en ventilatiemogelijkheid te bieden). De vensterbanken zijn uitgevoerd in schuin gemetselde groen geglazuurde stenen. En de houten deuren zijn zorgvuldig gedetailleerd met houtwerk dat zo is toegepast dat het functioneel en tegelijk levendig is. Het zijn houten deuren, met diagonaal toegepaste beplanking, en een rij van vier ruiten aan de bovenzijde. Het was niet alleen een functioneel gebouw maar zeer verzorgd vormgegeven. Het lag dan ook langs een hoofdpad over het terrein, goed zichtbaar, voor parkbezoekers en gestichtsgebruikers. De gevelcompositie van west- en oostgevel zijn spiegelbeeldig symmetrisch. Een houten deur, die toegang geeft tot de hoofdruimte, is aan weerszijden voorzien van een venster. Bij de voorruimte aan de noordzijde is nog een venster. De beide kopgevels zijn wel verschillend, maar wel symmetrisch ingedeeld.

De noordgevel heeft centraal een deur, en daarboven in de top twee hoge vensters. De zuidgevel heeft vier vensters: twee lage vensters, en twee hoge in de top. Het dak is belegd met vlakke rode pannen (Tuile-du-nord), die als egaal dakvlak een nadrukkelijke rol in de compositie vervullen. De gootklossen zijn geprononceerd vormgegeven

met gesneden versiering. De beide keramische pirons bij de afgewolfde delen en de nokvorstpannen versterken de contour van het gebouw. Ensemble Alhoewel het in een zelfstandige vormgeving is ontworpen en uitgevoerd, is het gebouw door bouwvolume, bouwperiode en oorspronkelijke functionele samenhang onderdeel van een ensemble; als onderdeel van een voormalig paviljoenziekenhuis. Vooral met het later gebouwde gymnastieklokaal van Voorgeest, en de andere nog bestaande paviljoens op het terrein. Het pand is gesitueerd in het Rijksbeschermd dorpsgezicht ‘Wilhelminapark en Geesten’ in de gemeenten Oegstgeest en Leiden (RDMZ 2007).

V BEELDDOCUMENTATIE

1.Locatie, object bij stip-markering (bron: PDOK view 5 oktober 2020)

2.Paviljoen in park: rechts transformatorhuis

3.Noordgevel (kop) en westgevel

4.Oostgevel en zuidgevel (kop)

5.Westgevel

6.Detail kopgevel

7. Goot met gesneden gootklossen

8.Wolfseind met piron

9.Detail houten deur

10.Deur in kopgevel

11.Groen verglaasde vensterbanken

3

2

1

12.Situatie Endegeest en Voorgeest in 1913, locatie transformatorhuis omcirkeld (bron: Blok Vijslaar 1998, p. 22)

13. Locatie in groter verband, op hoofdlijnen. Legenda: 1=Endegeest; 2=Voorgeest; 3=Rhijngeest; (bron: situatie 1914, 1927: ELO A8-G-14, maker gemeente Leiden, tekenkamer. bewerking auteur.)

14.Oostgevel en zuidgevel transformatorhuisje, ongedateerde tekening (detail) (ELO: A7-X-001)

15.Westgevel en noordgevel transformatorhuisje, ongedateerde tekening (detail)(ELO: A7-X-001)

16. Plattegrond transformatorhuisje, ongedateerde tekening (detail) (ELO: A7-X001)

VI BRONNEN - Beeldbank ELO; Bestektekeningen gemeentewerken Leiden PV nummers, A7-X-1 - Bouwtekeningen Bouwarchief gemeente Leiden; dossier 1010A - Fotocollectie ELO (beeldbank) - Krantendatabase ELO/Delpher -Redactie, ‘De officiële opening van het krankzinnigengesticht Endegeest’, in: Leidsch Dagblad, 30 december 1897 -Redactie, ‘Het krankzinnigengesticht Endegeest’, in: Leidsch Dagblad, 15 januari 1898 -Redactie, ‘Het krankzinnigengesticht Endegeest (slot)’, in: Leidsch Dagblad, 17 januari 1898 -Redactie, ‘Opening van het gesticht voor jeugdige idioten Voorgeest’, in: De courant, 24 januari 1912

Bronnen en literatuur: -G. Blok, J. Vijselaar, Terug naar Endegeest. Patiënten en hun behandeling in het psychiatrisch ziekenhuis Endegeest 1897-1997, Nijmegen 1998 -G.L. Driessen, Openbare werken der stad Leiden 1809-1931, Leiden 1941 -M. Lameris, Mooi gebouwd. Monumenten van Oegstgeest, Gemeente Oegstgeest/Tast 2006 -N. Mens, G. Andela, D. Broekhuizen (e.a.), De architectuur van het psychiatrisch ziekenhuis, Wormer 2003 -H. Oosthuis, M. Gijswijt-Hofstra, Verward van geest en ander ongerief. Psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg in Nederland (1870-2005), Deel 1, Houten 2008 -Rijksdienst voor de monumentenzorg (RDMZ), Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd dorpsgezicht Wilhelminapark en Geesten, gemeenten Oegstgeest en Leiden, Zeist 2007

-M. Rocher, S. Spijkerman, Zichtbaar energiek. 150 jaar Energiebedrijf EWR 1848-1998, Leiden 1998 -N. Rooymans-Donszelmann, Voorheen Voorgeest. Het verhaal van 70 jaar zwakzinnigenzorg in Voorgeest, van 1912 tot 1982, Krommenie 1982 -E. Starkenburg, Voorbereiding Endegeest, Leiden ELO 2020

VII cultuurhistorische waarden, Cultuurhistorische waarde -Het pand is van cultuurhistorische waarde als element uit de geschiedenis van de geestelijke gezondheidszorg in Nederland; -Het heeft cultuurhistorische waarde als onderdeel van een instelling die een universiteitsfunctie had en oorspronkelijk een gemeentelijk gesticht was, wat uniek was in Nederland; Architectuurhistorische waarde -Het heeft typologische waarde als voorbeeld van een transformatorhuis van een GGZinstelling uit de bouwtijd (1912-1913); Stedenbouwkundige waarden / ensemblewaarden -Als paviljoen in het park op zichtafstand gelegen langs de openbare weg, de Endegeesterstraatweg; -door het hoofdvolume, ligging en de vormgeving ensemblewaarde als een onderdeel van de steeds zeldzamer wordende nog resterende vooroorlogse paviljoens op het terrein van Endegeest; -vanwege de situering in het beschermd dorpsgezicht ‘Wilhelminapark en Geesten’ in de gemeenten Oegstgeest en Leiden (RDMZ 2007); Gaafheid / authenticiteit -Vanwege de overwegend grote mate van gaafheid van hoofdvolume, materialen en detaillering; Zeldzaamheid -Het pand is van waarde als vroeg voorbeeld van een element van de elektriciteitsvoorziening in de gemeente.

CULTUURHISTORISCHE NOTITIE Weidepaviljoen, Spechtlaan 2, 4

I PASPOORTGEGEVENS Plaats

Oegstgeest

Straat/huisnummer

Spechtlaan 2, 4

Postcode

2342 EE

Kadastrale aanduiding

3271

Datering object

1913-1917

Architect/ontwerper

Gemeentewerken Leiden

Opdrachtgever

Gemeente Leiden

Uitvoerder Objectnaam

Weidepaviljoen

Oorspronkelijke functie

Paviljoen voor 48 hulpbehoevende en bedlegerige patiënten op het terrein van het gesticht Endegeest

Voormalige functie Huidige functie

Maatschappijke voorziening (verhuur)

Typologie gebouw

Verpleegvoorziening voor patiënten van een GGZ-instelling, georganiseerd langs een centrale middengang, met op de verdieping zusterkamers

Bouwstijl

Zoeken naar een eigentijdse stijl

Pasfoto

Opsteller(s) omschrijving

Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus

Datum

2 november 2020

II HERKENNINGSGEGEVENS: Situering

Vrijstaand paviljoen, gelegen in park, in nabijheid van kasteel Endegeest

Bouwdelen

Rechthoekig volume met hoger opgaande delen aan zijkanten en in middendeel.

Hoofdvorm bouwdelen

Tweelaags hoofdvolume, met hoger opgaande delen onder samengestelde kapvorm, gedekt met bruin-rode pannen.

III SPECIFIEKE BIJZONDERE ONDERDELEN Exterieur

Gemetselde gevel, met contrasterende vlakgepleisterde lichtgeschilderde delen. Gebouw heeft een symmetrische compositie met centraal middendeel, en twee aangezette zijdelen. Voorgevel heeft risalerend centraal deel met topgevel en eigen dak, en aan beide zijkanten twee inpandige balkons. Aan achtergevel steken de drie hogere delen met de topgevel uit boven de lagere tussenstukken, die zijn voorzien van een afdak. Afdekking geveldelen met bruin-rode geglazuurde pannen, en de nok bekroond door schoorstenen. Top en fries versierd met bijzondere metselverbanden. Gemetselde strekken. Muurdelen bekleed met bruin-geglazuurde tegels. De materiaaltoepassing is zorgvuldig gedetailleerd en contrastrijk met een levendig gevelbeeld.

Interieur

In het interieur is de oorspronkelijke materiaaltoepassing op enkele onderdelen nog zorgvuldig gedetailleerd: vooral in de trappenhuizen en gangen is de vloerafwerking en wandafwerking rijk gedetailleerd en uitdrukkingsvol. Nog bestaande symmetrie met een middenas met aan weerzijden centrale gang. Op de eerste verdieping gangen met daklichten. Enkele (keper) afschuiningen in gang. Enkele binnenvensters met strekken en ongekleurd glas-in-lood.

IV HISTORISCHE CONTEXT Cultuurhistorische waarden in de brede zin Cultuurhistorische context Inleiding Het Weidepaviljoen is in 1915-1917 gebouwd, oorspronkelijk als ziekenpaviljoen op het terrein van Endegeest. Met de zorgvuldige detaillering, symmetrische gevelcompositie en het horizontale karakter van het paviljoen-type is het een kenmerkend onderdeel van het paviljoenstelsel van de voormalige GGZ-instelling Endegeest. Vanaf 1897 ontstond in fases het complex voor geestelijke gezondheidszorg aan de Endegeesterstaatweg in Oegstgeest. Het bestond uit drie afdelingen die alle drie waren opgebouwd uit meerdere paviljoens op een eigen terrein: 1. Het ‘krankzinnigengesticht Endegeest’ (vanaf 1897); 2. Het ‘sanatorium voor zenuwlijders Rhijngeest’ vanaf 1901; en 3, als laatste ‘de afdeling voor jeugdige idioten Voorgeest’, geopend in 1912. De onderdelen lagen naast elkaar. De voorziening bleek geen statisch complex. Na de start zouden de oorspronkelijke gebouwen meerdere malen worden aangepast en nieuwe gebouwen toegevoegd. Tevens zijn gebouwen gesloopt. Thans (oktober 2020) is de instelling niet meer

werkzaam in het gebouw, en heeft het gebouw een nieuwe functie (maatschappelijk vastgoed huur). Paviljoenstelsel Kenmerkend voor de opzet van Endegeest is de bouw in de vorm van meerdere paviljoens in een park, waarbij elk paviljoen bestemd was voor specifieke functies. Zowel reguliere ziekenhuizen als GGZ-instellingen werden rond 1900 in Nederland (en ook daarbuiten in de westerse wereld) geregeld opgezet met een paviljoenstelsel. (Mens e.a. 2003) Het concept voor het paviljoenstelsel was onder meer afkomstig uit Duitsland, waar het rond de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw ontstond. In Nederland werd het voor het eerst toegepast voor de bouw van het gesticht Veldwijk te Ermelo, in 1884. Het idee achter het paviljoenstelsel had betrekking op de behandeling. Patiënten werden in groepen verdeeld, die bij elkaar pasten, en in kleine overzichtelijke afdelingen behandeld en ondergebracht. Ze leefden in kleine, min of meer huiselijke groepen, met eigen voorzieningen. (Blok Vijselaar 1998). Bij deze patiëntenpaviljoens voor mannen en vrouwen, hoorden ook enkele collectieve paviljoens (ELO: PV288000-1). De plannen voor het Weidepaviljoen dateren uit 1913, de bouw op het terrein van Endegeest vond plaats in 1916-1917, in de nabijheid van het kasteel, zuidoostelijk ervan.

Park Endegeest, Rhijngeest en Voorgeest Een ander kenmerk (naast het paviljoenstelsel) van Endegeest was de keuze voor een zogeheten buitengesticht, dat wil zeggen dat de instelling gerealiseerd is buiten de stad, buiten de drukke stedelijke omgeving, in een rustige, landelijke omgeving. Daarvoor waren zogeheten ‘stadsgestichten’ gebruikelijk, gebouwd in een stedelijke omgeving. De cottageachtige indruk van het Weidepaviljoen sloot hierbij aan. In dit geval werd gekozen voor een park, min of meer aangelegd in een landschapsstijl, met gebogen paden en paviljoens gesitueerd tussen bomen en enkele open grasvelden. Endegeest is gerealiseerd op een voormalig buiten, Endegeest, dat bestond uit een kasteel met een groot omliggend park. De oorsprong van buitenplaats Endegeest gaat terug tot omstreeks 1650, toen het kasteel werd herbouwd, en een buitenplaats werd gerealiseerd (RDMZ 2006). Tegelijk met de oprichting van het gesticht (krankzinnigengesticht, psychiatrisch ziekenhuis) Endegeest dat in 1897 werd geopend, werd ook de naastgelegen buiten Rhijngeest aangekocht, en onderdeel van het GGZ-complex. Rhijngeest werd in 1895-1899 door de gemeente Leiden aangekocht, het landgoed inclusief percelen weilanden. Hier werd naast de villa een sanatorium gesticht: sanatorium Rhijngeest (de latere Jelgersmakliniek, thans gemeentehuis).

In 1901 opende dit nieuwe sanatorium-deel met meerdere paviljoens. Met de realisatie van een ander onderdeel, de afdeling Voorgeest, geopend in 1912, werd de bouw van paviljoens voortgezet. Voorgeest was een nieuwe afdeling van Endegeest. Afdeling Voorgeest was een specifieke jeugdinstelling, bestemd voor kinderen met een GGZ-indicatie: in die tijd ‘jeugdige idioten’ genoemd. Op een compact terrein lagen bij elkaar gegroepeerd,

een jongens- en meisjespaviljoen en een school met drie lokalen, en een enkele jaren later gebouwde gymzaal (1919) tegenover de school. Gemeente Leiden en Universiteit en bevolking Opdrachtgever voor het gesticht was de gemeente Leiden. Dat was op zich bijzonder omdat de opvang van patiënten in de geestelijke gezondheidszorg wettelijk een provinciale taak betrof. Endegeest was echter niet uniek in dit opzicht. Ook het in 1909 opgerichte Maasoord, van de Gemeente Rotterdam, was een gemeentelijk initiatief. Specifiek voor Endegeest was de nauwe band met de universiteit. De Rijksuniversiteit Leiden was nauw betrokken bij de oprichting en verdere ontwikkeling van het gesticht. Endegeest had een universitaire kliniek, waaraan universitair onderzoek en onderwijsfuncties verbonden waren. Zo werd universitair onderwijs gegeven in ruimtes van de GGZ-instelling. In een studie over de geschiedenis van het Endegeest-complex wordt het omschreven als ‘een voor Nederland unieke combinatie van een krankzinnigengesticht, een universitaire kliniek en een zwakzinnigeninrichting, alle onder een beheer’ (Blok Vijselaar 1998, p. 13).

Opdrachtgever in de eerste decennia van Endegeest, Voorgeest en Rhijngeest is de Gemeente Leiden, die daartoe een commissie had ingesteld: de ‘Commissie van beheer over het Krankzinnigengesticht Endegeest, de afdeling voor jeugdige idioten Voorgeest en het sanatorium voor Zenuwlijders Rhijngeest’. Gesticht Endegeest was onder de bevolking uit de omgeving vele jaren zeer bekend als GGZ-instelling. Later is de naam diverse malen veranderd. Het werd onder meer Psychiatrisch Ziekenhuis Endegeest. Nog weer later is de instelling onderdeel geworden van GGZ-Rivierduinen. Bouwgeschiedenis Oorspronkelijke bouw Het Weidepaviljoen is in 191-1917 gebouwd. Het ontwerp is juni 1915 gedateerd, maar het ontwerpproces startte al in 1913. Het bestek voor het paviljoen waarmee Endegeest, Rhijngeest en Voorgeest werden uitgebreid is in 1915 opgesteld. Zowel de bestektekst als het ontwerp in twee bladen, betreffen het bestek nummer 14 van het dienstjaar 1915. De titel was: ‘Het bouwen van een paviljoen voor 48 bedlegerige patiënten op het terrein van het gesticht Endegeest’. Met ‘bedlegerige patiënten’ werden zieke patiënten bedoeld: patiënten die naast de geestelijke zorg ook een (tijdelijke) andere ziekte hadden waarvoor bedverpleging noodzakelijk was. De twee bladen met het ontwerp droegen als titel: ‘Ziekenpaviljoen Endegeest’.

Het bestek werd december 1915 bij de gemeente Oegstgeest ingediend, en in januari 1916 goedgekeurd (Oegstgeest, bouwtekeningen). In 1913 was het ontwerp al gereed, blijkt uit de verslagen in de Handelingen van de Raad uit 1913 (25 september 1913). In dat jaar heeft het gemeentebestuur van Leiden vergaderd over het bedrag voor de bouw ervan in de begroting. Dagblad Het Vaderland publiceerde 13 oktober 1913 over het voorstel van B. en W. van Leiden aan de gemeenteraad: ‘B. en W. van Leiden stellen den Raad voor een bedrag van f.70.000 beschikbaar te stellen voor den aanbouw van

een nieuw vast paviljoen voor 48 patiënten 3e kl.[asse] op de weide achter het kasteel “Endegeest” ten dienste van het krankzinnigengesticht “Endegeest”, “Rhijngeest” en “Voorgeest”’. Dit heeft betrekking op het Weidepaviljoen. Uit dit bericht valt af te leiden dat het nieuwe paviljoen werd gebouwd op het terrein van Endegeest maar was bestemd voor patiënten van alle drie de afdelingen. Een krantenbericht in De Telegraaf (12 oktober 1913) meldde dat door de bouw de bestaande twee houten ‘hulppaviljoens’ uit 1904 op het terrein waarin de provincie patiënten onderbracht konden vervallen: ‘De verpleegden, waarvoor dit nieuwe paviljoen noodig is, werden tot dusverre in hulppaviljoens ondergebracht’. De plattegrond van het gerealiseerde gebouw werd gekenmerkt door een overzichtelijke oriëntatie met een centrale middengang, en een functionele en symmetrische onderverdeling. De begane grond was bestemd voor de patiënten, in twee onderdelen: een zijde voor vrouwen en een zijde voor mannen. De verdieping was grotendeels in gebruik als verblijfsruimtes voor de intern wonende zusters (Bestek 1915). Ontwerper Het Weidepaviljoen is gebouwd met kenmerken van het zoeken naar een nieuwe stijl. Het heeft kenmerken van een Engelse cottagestijl, door de opvallende verspringende kap en de roedevensters.

Maar ook van de chaletstijl door de combinatie van baksteen en geschilderd pleisterwerk in de gevels. En het heeft kenmerken van Expressionisme, in het ambachtelijke metselwerk van de topgevel bijvoorbeeld, en de toepassing van eigentijdse keramische decoraties en de geglazuurde geveldelen. Welke architect binnen de dienst verantwoordelijk was voor het ontwerp van het Weidepaviljoen valt niet af te leiden uit de geraadpleegde stukken. Uit de literatuur is bekend dat W.M. Dudok vanaf 1913 voor de dienst Gemeentewerken werkte: april 1913 aanvaardde Dudok de benoeming tot ingenieur bij gemeentewerken in Leiden. Dudok zou later een aanstelling in Hilversum krijgen (vergelijk Van Bergeijk 1995, p. 131, 133). In dat jaar werd ook het budget voor het paviljoen vastgesteld. Op basis van visuele vergelijking valt wel een overeenkomst in detaillering op met het werk van architect Dudok voor gemeentewerken aan de HBS in Leiden (Burggravenlaan 2, 1913-1917, later Bonaventura College). Met name de kleurige gemetselde lambrisering in de gangen en het trappenhuis hebben vormovereenkomsten. Dit kan een stijlkenmerk zijn van de dienst gemeentewerken in die tijd. Op basis van deze gegevens valt de betrokkenheid van Dudok bij dit project zeker niet uit te sluiten. Dudok werkte in die tijd onder directeur Driessen van gemeentewerken Leiden.

Driessen was tussen 1901 en 1927 directeur (Driessen 1941). Driessen was eveneens een kundig ontwerper en het was gebruikelijk dat hij de ontwerpen maakte voor nieuwe gebouwen. Maar in deze periode nam het werk toe en hij kreeg in 1914 het toezicht over de Gemeentelijke Reinigingsdienst. Vanwege de omvang van de werkzaamheden werd in 1906 een ingenieur aangesteld om Driessen bij te staan bij zijn werkzaamheden. Deze ingenieur was belast met het ontwerp van de gebouwen. Dudok was dit tussen 1913 en 1915. Dudok leverde voor

Endegeest onder meer het ontwerp voor vier verplegerswoningen aan de Endegeesterstraatweg (1913): voor uitwonende gehuwde verplegers (Van Bergeijk 1995, p. 131). En een houten brug. Maar Driessen bleef zelf ook ontwerpen. Het is daarom moeilijk te bepalen wie wat heeft uitgevoerd. Gezien de stijlkenmerken met het streven naar een nieuwe architectuur kan het ontwerp goed van de hand van Dudok zijn. Latere aanpassingen Na de ingebruikname is het gebouw op onderdelen gewijzigd, zonder dat de hoofdopzet ingrijpend is aangetast. Enkele opvallende worden hieronder genoemd (niet uitputtend). 1972-1975: Een wijziging in het volume was de toevoeging van een uitbreiding aan de achtergevel (westgevel), met een groter dagverblijf en extra sanitair. Aan beide zijden werd het dagverblijf vergroot, op symmetrische wijze. En de slaapzaal werd anders ingericht en met een kleine, tweepersoons slaapruimte uitgebreid. Tevens werd extra sanitair toegevoegd. De veranda’s op de begane grond verdwenen door deze aanpassing. De nieuwe volumes zijn voorzien van een nadrukkelijk boeibord, die het volume extra verzelfstandigd. In materiaalkeuze en venstervorm werd geen zorgvuldige aansluiting bereikt met de oorspronkelijke bouw (ontwerp: Technische dienst Psychiatrisch Ziekenhuis Endegeest, 1972-1975). 2005-2007: In 2005-2007 is het gehele gebouw gerenoveerd.

Kozijnen zijn vernieuwd, met behoud van het beeld van een deel van de oorspronkelijke roedeindeling. Daarbij zijn onder meer de ondervensters van de samengestelde vensters gewijzigd; de oorspronkelijke roedeverdeling is veranderd in vlakglas. Tevens is de indeling van de vertrekken op de begane grond gewijzigd: dagverblijf, slaapzalen en ziekenzalen kregen een nieuwe indeling. Tevens is het sanitair vernieuwd. En de wand- en plafondafwerking is op meerdere plekken gemoderniseerd. Maar de hoofdstructuur, met de centrale middengang, centraal trappenhuis en verblijven op begane grond en verdieping is grotendeels gehandhaafd. De indeling van de eerste verdieping is in grote lijn gehandhaafd, met de reeksen voormalige zusterkamers aan beide zijden van de centrale gang. Op de koppen zijn enkele tussenwanden gewijzigd. De loggia’s aan beide zijden zijn bewaard gebleven (wel is een moderne deur aan een van de drie bogen uit veiligheidsoverwegingen toegevoegd, en is de loggia van een noodtrap voorzien) (ontwerp Van Oosten Partners architectuur-bouwmanagement, 2005-2007). Stedenbouwkundige context Het Weidepaviljoen is gerealiseerd vlakbij het kasteel Endegeest, aan de zuidoostzijde van het voormalige GGZ-terrein. Het ligt met de tuingevel, de westgevel, aan een weide aan de zuidzijde van het kasteel (Rijksmonument). Die voormalige weide is nog steeds herkenbaar als een open grasveld.

Het is in stedenbouwkundig ruimtelijke zin onderdeel van een ensemble

van drie gebouwonderdelen, waarbij het kasteel het centrale gebouw is, met een as over de weide, en twee paviljoens als waaiers op die centrale as zijn afgestemd: het schuingeplaatste Weidepaviljoen (1917) en de voormalige Centrale Werkplaats (1919). Met dit ensemble werd een bestaande as op het terrein versterkt: de as op het kasteel. Uit de toelichting op het ontwerp blijkt dat het paviljoen opzettelijk zijwaarts werd geplaatst, om zo een onbelemmerd zicht vanuit het kasteel te garanderen (Handelingen van de Raad, 25 september 1913, p. 132). Hierlangs vormde zich het ensemble. Andere symmetrieassen waren het hoofdcomplex Endegeest uit 1897 (niet meer bestaand). Het ensemble van vier paviljoens van het gesticht voor kinderen Voorgeest (grotendeels niet meer bestaand). En sanatorium Rhijngeest dat langs een lengteas was gegroepeerd (nog bestaand). Het Weidepaviljoen is op grotere schaal een van de paviljoens in het park. Vlakbij ligt een voormalig theehuis, dat als solitair object eveneens aan de weide ligt, langs de rand van het terrein. Het Weidepaviljoen is toegankelijk via een pad, de Spechtlaan, die als een dwarspad op de Kasteellaan is aangesloten. Aan de zuidzijde geeft dit pad verder toegang tot de paden over het park.

Vanuit de huidige doorgaande weg Wassenaarseweg, ten zuiden van het Weidepaviljoen, is een doorzicht naar het paviljoen, kasteel en voormalige Centrale Werkplaats, die eveneens aan de weide liggen. De landgoederen Endegeest en Rhijngeest, dat wil zeggen de buitens met park, bos en omliggende weilanden, werden voor een groot deel in 1895-1899 in fases aangekocht, door de gemeente Leiden. Daarna werden in de loop der jaren steeds nieuwe gebouwen op het terrein gerealiseerd, aangepast, en enkele gebouwen zijn inmiddels ook weer verdwenen. Zowel Endegeest, Voorgeest als Rhijngeest waren opgezet volgens het paviljoenstelsel, en lagen naast elkaar. De hoofdontsluiting vond plaats via de Endegeesterstraatweg en Rhijngeesterstraatweg, op dat moment de Straatweg geheten tussen Amsterdam en Den Haag. Het complex werd door de min of meer noord-zuid lopende straatweg in tweeën gedeeld. Zuidoostelijk van de weg lagen de hoofdonderdelen van Endegeest en Voorgeest. Noordwestelijk van de weg lag voornamelijk sanatorium Rhijngeest. In 1910 lag de hoofdtoegang tot Endegeest centraal op de hoofdas van het hoofdpaviljoen. De entree tot Rhijngeest lag noordelijker, in het verlengde van een as van een zijweg dwars op de straatweg. Aanpassing gebied Thans (oktober 2020) is een groot deel van de paviljoens van Endegeest en Voorgeest afgebroken.

Van de eerste opzet van Endegeest uit 1897/1898 resteren slechts nog drie paviljoens (naast het kasteel): paviljoen E voor mannen en het lijkenhuisje. Ook de kolenloods (1898) ten westen van de centrale werkplaats dateert uit de beginfase. Meerdere later gebouwde paviljoens, na 1897 gebouwd, zijn eveneens bewaard. Van Voorgeest resteert nog slechts het gymnastiekgebouw (schoolgebouw en paviljoen voor meisjes en jongens zijn inmiddels afgebroken). Andere voorbeelden daarvan (niet uitputtend) zijn het relatief

nabijgelegen centrale werkplaats, recreatiegebouw, transformatorhuis, en natuurlijk het kasteel, dat ook een functie had in de opzet van de instelling. Sanatorium Rhijngeest ligt minder op zichtafstand, relatief verder weg. Daarvan zijn van de bouwperiode 1901 de hoofdgebouwen bewaard: zoals hoofdgebouw, directeurswoning en het voormalige klassepaviljoen (de villa), het zuidelijke gebouw (Lameris 2006, p. 142-155). De rustige ligging van het Weidepaviljoen is in de loop der tijd wel veranderd, doordat de omgeving veranderde met de sloop van de paviljoens. Het paviljoenstelsel is nog wel te ervaren doordat meerdere paviljoens nog resteren. In het Rijksbeschermd dorpsgezicht Wilhelminapark en Geesten wordt het pand op de waarderingskaart aangeduid als ‘beeldbepalende bebouwing’ (RDMZ 2007, kaart 4). Typologie Het ziekenpaviljoen kreeg als onderdeel van het paviljoenstelsel een specifieke functie, de behandeling van ‘bedlegerige patiënten’. Het was bestemd voor 48 patiënten: 24 vrouwen en 24 mannen. De plattegrond van het hoofdzakelijk tweelaagse gebouw is opgebouwd met een centrale middengang, waar aan beide zijden de ruimtes zijn gelegen. De begane grond was voornamelijk bestemd voor de patiënten, met een symmetrische verdeling in vrouwen en mannen vleugel. Geheel op de koppen lagen de ziekenzaal, aparte slaapzaal en dagverblijf voor de patiënten geclusterd.

Vanuit het dagverblijf was toegang tot een veranda aan de tuinzijde (westgevel). Centraal in het paviljoen, rond het trappenhuis, lagen aanvullende functies zoals keuken, kamer hoofd, en badkamer en reeksen individuele ziekenvertrekken. De verdieping was vooral bestemd voor het personeel: verpleegsterskamers (individuele slaapkamers voor intern personeel), dagvertrekken en badkamers voor de verpleegsters. Op de koppen onder de schuine kap was berging. Vanuit deze berging was toegang tot de beide loggia’s van de zijvleugels. De tweede verdieping was zolder. Architectonische verschijningsvorm (exterieur en interieur) De centrale topgevel aan de voorgevel (oostgevel) met de entreeluifel benadrukt het entree karakter. De hoofdentree ligt symmetrisch in het midden, aan de oostgevel, geaccentueerd door een topgevel. Aan de andere zijde (westgevel), verbinden meerdere deuren het gebouw met de tuin. Hier leggen ook erkers en veranda’s een relatie met de tuin. Aan deze zijde heeft de middenbeuk een horizontale expressie die eveneens de oriëntatie op de tuin versterkt. Opvallend zijn de reeksen vensters, veelal tweedelig, vierdelig of zesdelig met roedenverdeling (waarvan later de roeden in de onderramen grotendeels zijn verwijderd). In de topgevels en kopgevels zijn enkele vensters.

Een uitzonderlijk ovalen venster (een soort ossenoog) bekroont aan elke zijde de top van de centrale beuk. Aan de tuingevel is de topgevel, die overigens groter is uitgevoerd dan op de tekeningen uit 1915, voorzien van een keramische steen met het jaartal: ‘1916’, verwijzend naar het bouwjaar. Pas in 1917 was de bouw afgegrond en werd het in gebruik genomen. Onder deze jaartalsteen is nog een geometrische keramische versiering. De topgevel en de gevels van de loggia’s zijn geaccentueerd door

bijzonder metselwerkverband, waaronder staand gemetselde stenen en lijsten. De gevels zijn opgemetseld uit baksteen, met pleisterwerk. In de bestektekst wordt voor de materiaaltoepassing van de opgaande buitenmuren ‘genuanceerde vlakke Brabantsche klinkers’ genoemd, ‘in sterke basterd mortel’: ‘de voorwerkers’. De ‘achterwerkers’ van ‘miskleurig hardgrauw’ (Bestek, 1915, p. 9). Een deel van de gevels van de verdieping, waar de verpleegsterskamers liggen, springt in, zowel aan oost- als westzijde. Dit deel is bekleed met donkerbruine geglazuurde tegels, die de gevel een rijke expressie geven, en de verdieping verbijzonderen en het terugliggende deel versterken. Onder het terugliggende deel is nog een schuine dakstrook gedekt met pannen. Het samengestelde dak wordt gedekt door bruin-rode geglazuurde pannen (tuile-du-nord) en geglazuurde nokvorstpannen. De gootlijst is geprofileerd. In het interieur is de materiaaltoepassing van stevig materiaal, meerkleurig geglazuurde baksteen lambriseringen in portaal en hal, granito vloeren met sierrand in de gangen op begane grond en verdieping, en trappenhuizen met geglazuurde baksteen en natuursteen accenten nog bestaand.

Boven de bakstenen lambrisering in hal en trappenhuis is de wand gepleisterd en licht geschilderd, waardoor een relatie wordt gelegd met het exterieur, waarin het contrast tussen baksteendelen en gepleisterde delen eveneens opvalt. De houten handreling van de hoofdtrap heeft een geornamenteerde metalen steun (expressionistische stijl). Op de verdieping heeft de gang een wandfontein. In de gang is een ruimtelijke onderverdeling door een afschuining (open kepervorm), in plaats van bogen. De gang heeft een plafondlicht met roeden, met nog oorspronkelijk ogend glas in twee tinten: bruingeel en kleurloos barokglas. De reeksen deuren op de verdieping van de oorspronkelijke verpleegsterkamers hebben een houten deurkozijn met bovendorpel. De wand van de gang heeft een profielstrook halverwege. In het interieur zijn enkele vensteropeningen eveneens van een gemetselde strek voorzien en van overwegend ongekleurd glas-in-lood. Ensemble Alhoewel het in een zelfstandige vormgeving is ontworpen en uitgevoerd, is het gebouw door bouwvolume, bouwperiode en oorspronkelijke functionele samenhang onderdeel van een ensemble; als onderdeel van een voormalig paviljoenziekenhuis. Door de ligging aan de weide, bij het kasteel met ijskelder en obelisk (een Rijksmonument), waarbij het kasteel centrale as is, en tegenover de voormalige centrale werkplaats, vormt het daar een ensemble.

Het pand is gesitueerd in het Rijksbeschermd dorpsgezicht ‘Wilhelminapark en Geesten’ in de gemeenten Oegstgeest en Leiden (RDMZ 2007). Het is ‘beeldbepalende bebouwing’. De weide is daarin aangeduid als bijzonder kenmerk: de ‘openheid’ ervan.

V BEELDDOCUMENTATIE

1.Locatie, object bij stip-markering, rechts (bron: PDOK view 6 oktober 2020)

2.Paviljoen in park, westgevel

3.Westgevel, centrale deel

4.Noordelijke loggia in westgevel

5.Westgevel vanuit loggia

6.Detail jaartalsteen in westgevel

7.Oostgevel met hoofdentree

8.Detail oostgevel

9.Zuidgevel

10.Detail metselwerk in loggia

11.Westgevel met een van de latere eenlaagse uitbreidingen

12.Noordgevel (links) en deel van westgevel (rechts)

13.Hoofdtrappenhuis begane grond

14.Hoofdtrap vanaf verdieping naar tussenbordes

15.Detail trap bij tussenbordes

16.Metalen steun handreling

17.Granito vloer met mozaiksteen rand

18.Onderrand muur in portaal

19.Gemetselde strekken in interieur

20.Profielrand als scheiding van boven en onderdeel gangwand.

21.Hoekfontein gang eerste verdieping

22.Gang eerste verdieping

23.Gang eerste verdieping

24.Plafondlicht in gang eerste verdieping

25.Weidepaviljoen, gevels en doorsneden, bestektekening 1915. Maker: Gemeente Leiden tekenkamer (ELO: A7-P-002)

26.Weidepaviljoen, plattegronden en situatie, bestektekening 1915. Maker: Gemeente Leiden tekenkamer (ELO: A7-P-001)

27. Situatie, gebouw Weidepaviljoen, rechts onder, bestektekening 1919 (detail, toevoeging auteur). Maker: Gemeente Leiden (ELO: PV82272.1)

28.Panoramafoto: links werkplaats, midden kasteel, rechts daarvan weidepaviljoen (tussen de bomen)

29.Trappenhuis in HBS Leiden, ontwerp: W.M. Dudok (HNI: DUDO FM.13-1)

VI BRONNEN - Archief Gemeente Oegstgeest, Bouwtekeningen complex Endegeest, op adres en nummer - Archief Rotterdam, Het Nieuwe Instituut, archief W.M. Dudok, DUDO, dossier HBS Leiden 1913-1917, FM.13 - Beeldbank ELO; Bestektekeningen gemeentewerken Leiden nummers A7-P-001 en A7-P-002 - Archief Gemeentewerken Leiden, Bouwarchief gemeente Leiden; dossier ELO 1010A-65 - Fotocollectie ELO (beeldbank) - Krantendatabase ELO/Delpher -Redactie, ‘De officiële opening van het krankzinnigengesticht Endegeest’, in: Leidsch Dagblad, 30 december 1897 -Redactie, ‘Het krankzinnigengesticht Endegeest’, in: Leidsch Dagblad, 15 januari 1898 -Redactie, ‘Het krankzinnigengesticht Endegeest (slot)’, in: Leidsch Dagblad, 17 januari 1898 -Redactie, ‘Opening van het gesticht voor jeugdige idioten Voorgeest’, in: De courant, 24 januari 1912 -Redactie, ‘Uitbreiding van het krankzinnigengesticht Endegeest’, in: De Telegraaf, 12 oktober 1913. Kortere versie in: Het Vaderland, 13 oktober 1913. -Gemeente Leiden, ‘Leiden, 29 september 1913’, Handelingen van de Raad, 25 september 1913, p. 15 vv Bronnen en literatuur: -H. van Bergeijk, Willem Marinus Dudok. Architect stedenbouwkundige 1884-1974, Naarden 1995 -G. Blok, J. Vijselaar, Terug naar Endegeest. Patiënten en hun behandeling in het psychiatrisch ziekenhuis Endegeest 1897-1997, Nijmegen 1998 -G.L.

Driessen, Openbare werken der stad Leiden 1809-1931, Leiden 1941 -M. Lameris, Mooi gebouwd. Monumenten van Oegstgeest, Gemeente Oegstgeest/Tast 2006 -N. Mens, G. Andela, D. Broekhuizen (e.a.), De architectuur van het psychiatrisch ziekenhuis, Wormer 2003

-H. Oosthuis, M. Gijswijt-Hofstra, Verward van geest en ander ongerief. Psychiatrie en geestelijke gezondheidszorg in Nederland (1870-2005), Deel 1, Houten 2008 -Rijksdienst voor de monumentenzorg (RDMZ), Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd dorpsgezicht Wilhelminapark en Geesten, gemeenten Oegstgeest en Leiden, Zeist 2007 -M. Rocher, S. Spijkerman, Zichtbaar energiek. 150 jaar Energiebedrijf EWR 1848-1998, Leiden 1998 -N. Rooymans-Donszelmann, Voorheen Voorgeest. Het verhaal van 70 jaar zwakzinnigenzorg in Voorgeest, van 1912 tot 1982, Krommenie 1982 -E. Starkenburg, Voorbereiding Endegeest, Leiden ELO 2020

VII cultuurhistorische waarden, Cultuurhistorische waarde -Het pand is van cultuurhistorische waarde als element uit de geschiedenis van de geestelijke gezondheidszorg in Nederland; -Het heeft cultuurhistorische waarde als onderdeel van een instelling die een universiteitsfunctie had en oorspronkelijk een gemeentelijk gesticht was, wat uniek was in Nederland; Architectuurhistorische waarde -Het heeft typologische waarde als voorbeeld van een paviljoen voor bedlegerige patiënten van een GGZ-instelling uit de bouwtijd (1913-1917); -Het gebouw heeft ook waarde vanwege de hoge ontwerpkwaliteit van het ontwerp gemaakt door de architect van gemeentewerken Leiden; Stedenbouwkundige waarden / ensemblewaarden -Als paviljoen aan een open gehouden terrein, de weide in het park, samen met het kasteel en de voormalige centrale werkplaats, op zichtafstand gelegen langs de openbare weg, de Wassenaarseweg; -Vanwege de situering in het beschermd dorpsgezicht ‘Wilhelminapark en Geesten’ in de gemeenten Oegstgeest en Leiden (RDMZ 2006). Gaafheid / authenticiteit -Vanwege de overwegend grote mate van gaafheid van hoofdvolume, materialen en detaillering; Zeldzaamheid -Door het hoofdvolume, ligging en de vormgeving een belangrijk onderdeel van de steeds zeldzamer wordende nog resterende vooroorlogse paviljoens op het voormalige GGZ-terrein.

CULTUURHISTORISCHE NOTITIE Werkplaats, Koolmeeslaan 1

I PASPOORTGEGEVENS Plaats

Oegstgeest

Straat/huisnummer

Koolmeeslaan 1

Postcode

2342 EC

Kadastrale aanduiding

3271

Datering object

1919

Architect/ontwerper

Gemeentewerken Leiden

Opdrachtgever

Gemeente Leiden

Uitvoerder Objectnaam

Centrale Werkplaats

Oorspronkelijke functie

Centrale werkplaats Endegeest

Voormalige functie

Arbeidstherapie GGZ-instelling

Huidige functie

Bedrijfsruimte, verhuur oa. kringloopwinkel, meubelwerkplaats

Typologie gebouw

Paviljoen met centrale gang en werkruimtes, onderdeel van paviljoenstelsel

Bouwstijl

Vakwerkbouw

Pasfoto

Opsteller(s) omschrijving

Dolf Broekhuizen architectuurhistoricus

Datum

2 november 2020

Opmerking terminologie

In dit rapport zal om historische redenen zo nu en dan het oorspronkelijke woord gesticht en krankzinnigengesticht gebruikt worden. De latere term is instelling voor geestelijke gezondheidszorg: GGZ.

II HERKENNINGSGEGEVENS: Situering

Vrijstaand paviljoen, gelegen in park, in nabijheid van kasteel Endegeest

Bouwdelen

Rechthoekig volume met hoger opgaande delen aan zijkanten en in middendeel

Hoofdvorm bouwdelen

Eenlaags hoofdvolume, met hoger opgaande delen onder samengestelde kapvorm, gedekt met rode pannen.

III SPECIFIEKE BIJZONDERE ONDERDELEN Exterieur

Vakwerkbouw gevels, met houten balkconstructie en drijfsteen vulling. Lengtegevel heeft een symmetrische compositie met centraal middendeel, en twee door dwarskap en topgevel aangezette zijdelen. Voorgevel heeft risalerend centraal deel met houten topgevel en hoger opgaand dak. Aan achtergevel steken de drie hogere delen met de topgevel uit boven de lagere tussenstukken, die zijn voorzien van een afdak. De materiaaltoepassing is zorgvuldig gedetailleerd en contrastrijk wat een levendig beeld oplevert.

Interieur

In het interieur is de oorspronkelijke materiaaltoepassing op enkele onderdelen nog kenmerkend met de houten draagconstructie van stijl- en regelwerk in vakwerk met vlakke steenvulling. (Een groot deel van de ruimtes is geschouwd. Om practische redenen zijn binnen dit tijdsbestek niet alle ruimtes geschouwd: zijn aan verschillende huurders verhuurd).

IV HISTORISCHE CONTEXT Cultuurhistorische waarden in de brede zin Cultuurhistorische context Inleiding De Centrale Werkplaats is in 1919 gebouwd, oorspronkelijk als werkplaats voor actieve therapie. Het nieuwe paviljoen werd gerealiseerd op het terrein van Endegeest. Het gebouw geeft uitdrukking aan de professionalisering van de zorg door middel van actieve therapie. De stijl van het gebouw, in de voor Nederland niet veelvoorkomende vakwerkbouw, sluit als landelijke stijl bij het werkplaatskarakter aan. Vanaf 1897 ontstond in fases het complex voor geestelijke gezondheidszorg aan de Endegeesterstaatweg in Oegstgeest. Het bestond uit drie afdelingen die alle drie waren opgebouwd uit meerdere paviljoens op een eigen terrein: 1. Het ‘krankzinnigengesticht Endegeest’ (vanaf 1897); 2. Het ‘sanatorium voor zenuwlijders Rhijngeest’ vanaf 1901; en 3, als laatste ‘de afdeling voor jeugdige idioten Voorgeest’, geopend in 1912. De onderdelen lagen naast elkaar. De voorziening bleek geen statisch complex. Na de start zouden de oorspronkelijke gebouwen meerdere malen worden aangepast en nieuwe gebouwen

toegevoegd. Tevens zijn gebouwen gesloopt. Thans (oktober 2020) is de instelling niet meer werkzaam in het gebouw, en heeft het gebouw een nieuwe functie (verhuur bedrijfsruimte). Paviljoenstelsel Kenmerkend voor de opzet van Endegeest is de bouw in de vorm van meerdere paviljoens in een park, waarbij elk paviljoen bestemd was voor specifieke functies. Zowel reguliere ziekenhuizen als GGZ-instellingen werden rond 1900 in Nederland (en ook daarbuiten in de westerse wereld) geregeld opgezet met een paviljoenstelsel. (Mens 2003) Het concept voor het paviljoenstelsel was onder meer afkomstig uit Duitsland, waar het rond de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw ontstond. In Nederland werd het voor het eerst toegepast voor de bouw van het gesticht Veldwijk te Ermelo, in 1884. Het idee achter het paviljoenstelsel had betrekking op de behandeling. Patiënten werden in groepen verdeeld, die bij elkaar pasten, en in kleine overzichtelijke afdelingen behandeld en ondergebracht. Ze leefden in kleine, min of meer huiselijke groepen, met eigen voorzieningen. (Blok Vijselaar 1998). Bij deze patiëntenpaviljoens voor mannen en vrouwen, hoorden ook enkele collectieve paviljoens. (ELO: PV288000-1) De Centrale Werkplaats is omstreeks 1919 op het terrein van Endegeest gebouwd, in de nabijheid van het kasteel, zuidwestelijk ervan.

In de Centrale Werkplaats kwamen overdag patiënten om arbeid te verrichten die daartoe in staat waren. De activering in bezigheden werd gunstig geacht voor de behandeling van de patiënten. Ook de gezondheid werd erdoor bevorderd. Het verblijf in de centrale werkplaats was een professionalisering van de behandeling en een aanvulling op bijvoorbeeld het verblijf in de dagbestedingsruimte in het paviljoen waar de patiënten ook ’s nachts verbleven (Blok Vijselaar, 1998, p. 85 vv). Park Endegeest, Rhijngeest en Voorgeest Een ander kenmerk (naast het paviljoenstelsel) van Endegeest was de keuze voor een zogeheten buitengesticht, dat wil zeggen dat de instelling gerealiseerd is buiten de stad, buiten de drukke stedelijke omgeving, in een rustige, landelijke omgeving. Daarvoor waren zogeheten ‘stadsgestichten’ gebruikelijk, gebouwd in een stedelijke omgeving. In dit geval werd gekozen voor een park, min of meer aangelegd in een landschapsstijl, met gebogen paden en paviljoens gesitueerd tussen bomen en enkele open grasvelden. Endegeest is gerealiseerd op een voormalig buiten, Endegeest, dat bestond uit een kasteel met een groot omliggend park. De oorsprong van buitenplaats Endegeest gaat terug tot omstreeks 1650, toen het kasteel werd herbouwd, en een buitenplaats werd gerealiseerd (RDMZ 2006).

Tegelijk met de oprichting van het gesticht (krankzinnigengesticht, psychiatrisch ziekenhuis) Endegeest dat in 1897 werd geopend, werd ook de naastgelegen buiten Rhijngeest aangekocht, en onderdeel van het GGZ-complex. Rhijngeest werd in 1895-1899 door de gemeente Leiden aangekocht, het landgoed inclusief percelen weilanden. Hier werd naast de villa een sanatorium gesticht: sanatorium Rhijngeest (de latere Jelgersmakliniek, thans gemeentehuis). In 1901 opende het nieuwe sanatorium-deel met meerdere paviljoens (Lameris 2006, p. 142-155).

Met de realisatie van nog een andere afdeling Voorgeest, geopend in 1912, werd de bouw van paviljoens voortgezet. Voorgeest was een nieuwe afdeling van Endegeest. Afdeling Voorgeest was een specifieke jeugdinstelling, bestemd voor kinderen met een GGZ-indicatie: in die tijd ‘jeugdige idioten’ genoemd. Op een compact terrein lagen bij elkaar gegroepeerd, een jongens- en meisjespaviljoen en een school met drie lokalen, en een enkele jaren later gebouwde gymzaal (1919) tegenover de school. Gemeente Leiden en Universiteit en bevolking Opdrachtgever voor het gesticht was de gemeente Leiden. Dat was op zich bijzonder omdat de opvang van patiënten in de geestelijke gezondheidszorg wettelijk een provinciale taak betrof. Endegeest was echter niet uniek in dit opzicht. Ook het in 1909 opgerichte Maasoord, van de Gemeente Rotterdam, was een gemeentelijk initiatief. Specifiek voor Endegeest was de nauwe band met de universiteit. De Rijksuniversiteit Leiden was nauw betrokken bij de oprichting en verdere ontwikkeling van het gesticht. Endegeest had een universitaire kliniek, waaraan universitair onderzoek en onderwijsfuncties verbonden waren. Zo werd universitair onderwijs gegeven in ruimtes van de GGZ-instelling.

In een studie over de geschiedenis van het Endegeest-complex wordt het omschreven als ‘een voor Nederland unieke combinatie van een krankzinnigengesticht, een universitaire kliniek en een zwakzinnigeninrichting, alle onder een beheer’ (Blok Vijselaar 1998, p. 13). Opdrachtgever in de eerste decennia van Endegeest, Voorgeest en Rhijngeest is de Gemeente Leiden, die daartoe een commissie had ingesteld: de ‘Commissie van beheer over het Krankzinnigengesticht Endegeest, de afdeling voor jeugdige idioten Voorgeest en het sanatorium voor Zenuwlijders Rhijngeest’. Gesticht Endegeest was onder de bevolking uit de omgeving vele jaren zeer bekend als GGZ-instelling. Later is de naam diverse malen veranderd. Het werd onder meer Psychiatrisch Ziekenhuis Endegeest. Nog weer later is de instelling onderdeel geworden van GGZ-Rivierduinen. Bouwgeschiedenis Oorspronkelijke bouw De Centrale Werkplaats werd in 1919 gebouwd; het bestek en ontwerp (in twee bladen) zijn 1919 gedateerd. Het ontwerp werd geleverd door de dienst gemeentewerken Leiden (dienst 1919, bestek nr. 13). Op dat moment was G.L. Driessen directeur van gemeentewerken, van 1901-1927 (Driessen 1941). De Centrale Werkplaats was bestemd voor de actieve therapie van patiënten van de GGZinstelling, en bestond grotendeels uit werkplaatsen voor allerlei activiteiten (zie verder bij typologie).

Het paviljoen is gebouwd met kenmerken van vakwerkbouw. De keuze voor de vakwerkbouw en het horizontale volume, met een min of meer landelijke uitstraling, sloot bij de landschappelijke setting aan. Maar het gaf ook uitdrukking aan de actieve therapie. De stijl paste bij het karakter van werkplaats en ambacht.

De plattegrond uit 1919 werd gekenmerkt door een overzichtelijke oriëntatie met een centrale middengang, en symmetrische onderverdeling, aan weerszijden van een centrale entree en schaftruimte. De begane grond was bestemd voor de activiteiten van de patiënten, met werkplaatsen in verschillende formaten en bestemd voor verschillende activiteiten. Het centrale deel van de verdieping was grotendeels in gebruik als bergplaats van materialen en goederen. Het luik op de verdieping werd al op de tekeningen van 1919 aangegeven (Bestek 1919). Het huidige gebouw oogt aan het exterieur nog grotendeels authentiek. De vakwerkbouw met stijl en regelwerk en toegepaste drijfsteen oogt grotendeels oorspronkelijk. Ook de dubbele houten hoofddeur, met expressionistisch snijwerk in de panelen, oogt oorspronkelijk. In het interieur hebben moderniseringen plaats gevonden, waarbij waarschijnlijk stijl- en regelwerk is gehandhaafd. In enkele ruimtes (zuidoost hoek) en langs plinten (gang) is die bouwwijze nog waarneembaar. Mogelijk is het later wel gedeeltelijk voorzien van afdekplaten (waardoor de constructie grotendeels uit het zicht is). Latere aanpassingen Na de ingebruikname is het gebouw op onderdelen gewijzigd. Enkele opvallende worden hieronder genoemd (niet uitputtend). -Op enkele plaatsen is de gevel aangepast.

Aan kleine stukken van de gevel is een aanpassing zichtbaar door het aanpassen van vensters en plaatsen van een iets afwijkende gevelsteen, een op de drijfsteen lijkende gevelsteen. Meerdere deuren aan de buitengevel zijn gemoderniseerd. Meerdere vensters met negenruits roeden zijn gewijzigd in een enkel raam met vlak glas. Het dak wordt gedekt door een rode vlakke pan, in plaats van de in het bestek (1919) genoemde bruin-verglaasde pan. -In het interieur zijn moderniseringen doorgevoerd. Daarbij zijn plafonds verlaagd. Wanden en vloeren van de werkplaatsen en gangen gemoderniseerd. Stedenbouwkundige context De Centrale Werkplaats is gerealiseerd vlakbij het kasteel Endegeest, aan de zuidoostzijde van het voormalige GGZ-terrein. Het ligt met de voorgevel, de oostgevel, aan een weide aan de zuidzijde van het kasteel. Die voormalige weide is nog steeds herkenbaar als een open grasveld, omzoomd door bomen en paviljoens en het kasteel. Het is in stedenbouwkundig ruimtelijke zin onderdeel van een ensemble van drie gebouwonderdelen, waarbij het kasteel het centrale gebouw is, met een as over de weide, en twee paviljoens als waaiers op die centrale as zijn afgestemd: het schuingeplaatste Weidepaviljoen (1916-1917) en de voormalige Centrale Werkplaats (1919).

Met dit werkplaatsgebouw werd een bestaande, historische as op het terrein versterkt, waaromheen het nieuwe ensemble zich vormde. De as aan de zuidzijde van het kasteel werd versterkt. Uit de toelichting op het ontwerp blijkt dat het

paviljoen opzettelijk zijwaarts werd geplaatst, om zo een onbelemmerd zicht vanuit het kasteel te garanderen (Handelingen van de Raad, 25 september 1913, p. 132). Hierlangs vormde zich het ensemble. Andere symmetrieassen waren het hoofdcomplex Endegeest uit 1897 (niet meer bestaand). Het ensemble van vier paviljoens van het gesticht voor kinderen Voorgeest (niet meer bestaand). En sanatorium Rhijngeest dat langs een lengteas was gegroepeerd (nog bestaand). De Centrale Werkplaats is op grotere schaal een van de paviljoens in het park. Vlakbij, oostelijk ervan, ligt een kleiner houten gebouw, een voormalige kolenloods uit 1898 (PV82255). Het paviljoen is toegankelijk via een pad, dat als een boog over de weide kronkelt, tussen werkplaats Weidepaviljoen, ten zuiden van het kasteel. Via de Koolmeeslaan is het met een dwarspad op de Kasteellaan aangesloten, een centrale ontsluiting van het voormalige Endegeestterrein. Vanuit de huidige doorgaande weg Wassenaarseweg, ten zuiden van de Centrale Werkplaats, is een doorzicht naar het Weidepaviljoen, kasteel en voormalige Centrale Werkplaats, die alledrie aan de weide liggen. De landgoederen Endegeest en Rhijngeest, dat wil zeggen de buitens met park, bos en omliggende weilanden, werden voor een groot deel in 1895-1899 in fases aangekocht, door de gemeente Leiden.

Daarna werden in de loop der jaren steeds nieuwe gebouwen op het terrein gerealiseerd, aangepast, en enkele gebouwen zijn inmiddels ook weer verdwenen. Zowel Endegeest, Voorgeest als Rhijngeest waren opgezet volgens het paviljoenstelsel, en lagen naast elkaar. De hoofdontsluiting vond plaats via de Endegeesterstraatweg en Rhijngeesterstraatweg, op dat moment de Straatweg geheten tussen Amsterdam en Den Haag. Het complex werd door de min of meer noord-zuid lopende straatweg in tweeën gedeeld. Zuidoostelijk van de weg lagen de hoofdonderdelen van Endegeest en Voorgeest. Noordwestelijk van de weg lag voornamelijk sanatorium Rhijngeest. In 1910 lag de hoofdtoegang tot Endegeest centraal op de hoofdas van het hoofdpaviljoen. De entree tot Rhijngeest lag noordelijker, in het verlengde van een as van een zijweg dwars op de straatweg. Aanpassing gebied Thans (oktober 2020) is een groot deel van de paviljoens van Endegeest en Voorgeest afgebroken. Van de eerste opzet van Endegeest uit 1897 resteren slechts nog twee paviljoens (naast het kasteel): paviljoen E voor mannen en het lijkenhuisje, alsook de kolenloods uit 1898. Meerdere later gebouwde paviljoens, na 1897 gebouwd, zijn eveneens bewaard. Van Voorgeest resteert nog slechts het gymnastiekgebouw (schoolgebouw en paviljoen voor meisjes en jongens zijn inmiddels afgebroken).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10154408/1