St. t.k.n. nr. 2. Bijlage Hydrologisch onderzoek Ossenkolkven
Tekst van het document
400
Porievocht Water
IJzer (micromol/l)
350 a
300 250 200
d b
150 f
100
g
h
50 b2
0 4
4,5
5
b1
b3e
5,5
6
6,5
Zuurgraad (pH)
Figuur 35: Correlatie tussen de gehalten opgelost ijzer (Fe2-) en zwavel (vrnl. SO4) in het oppervlakkig grondwater en de venbodem (beiden als porievocht) en in het oppervlaktewater. De letters verwijzen naar de locaties, zie figuur 33.
Een verdere aanwijzing voor lokale pyrietoxidatie vormt de correlatie tussen zwavel enerzijds en de optelsom van calcium en magnesium anderzijds (figuur 36). Bij de vorming van zwavelzuur leidt het zuur tot het oplossen van calcium en magnesium. Het resultaat is dat zwavel en basische kationen in gelijke hoeveelheden aanwezig zijn in het grondwater. Dit is min of meer het geval aan de noordzijde van het ven. Wederom wijkt het punt E sterk af, ditmaal door hoge concentraties calcium. Waarschijnlijk is dit vrijgekomen door uitwisseling van natrium met calcium, aan het kation-uitwisselingscomplex. Het strooizout leidt dus ook tot een versnelde uitloging van kationen uit het inzijggebied. Dit gemobiliseerde calcium kan dan weer fosfaat binden, een mechanisme dat bij verbrakking leidt tot voedselarme omstandigheden (van Dijk e.a., 2013). 350
c
Zwavel (micromol/l)
300
a e
250 200 150
d
h
b
100 Porievocht 50
f g
Water
b3b1 b2
0 0
100
200
300
400
500
600
Calcium + Magnesium (micromol/l)
Figuur 36: Correlatie tussen de gehalten opgelost zwavel (vrnl. SO4) versus calcium + magnesium in het oppervlakkig grondwater en de venbodem (beiden als porievocht) en in het oppervlaktewater. De stippellijn geeft een gelijke verhouding weer tussen zwavel enerzijds en beide kationen anderzijds. De letters verwijzen naar de locaties, zie figuur 33.
Mede op grond van de samenstelling van het (porie-)water, is een verdeling gemaakt van de monsters in vier groepen:
Ossenkolkven | Eelerwoude | 38
-
Oppervlaktewater: dit zijn alle watermonsters in het Ossenkolkven, de baai in het hoogveentje en de poel ten oosten van het ven Oppervlakkig grondwater noordzijde Ossenkolkven. Dit is het grondwater dat langs de venoever is verzameld op de locaties A, B, C en D Oppervlakkig grondwater langs overige delen van het Ossenkolkven. Dit zijn de monsters van locaties F en G Porievocht uit de waterbodem (B1, B2, B3) Kooldioxide
Bicarbonaat
PW waterbodem(3x)
PW waterbodem(3x)
PW oever overig(2x)
PW oever overig(2x)
PW NW-zijde(4x)
PW NW-zijde(4x)
Oppervlaktewater(3x)
Oppervlaktewater(3x) 0
1000
2000
3000
4000
5000
0
100
Kooldioxide (micromol/liter)
Ammonium PW waterbodem(3x)
PW oever overig(2x)
PW oever overig(2x)
PW NW-zijde(4x)
PW NW-zijde(4x)
Oppervlaktewater(3x)
Oppervlaktewater(3x) 100
300
400
500
Orthofosfaat
PW waterbodem(3x)
0
200
Bicarbonaat (micromol/liter)
200
300
400
0
0,5
Ammonium (micromol/liter)
1
1,5
2
2,5
3
3,5
300
350
Orthofosfaat (micromol/liter)
IJzer
Zwavel
PW waterbodem(3x)
PW waterbodem(3x)
PW oever overig(2x)
PW oever overig(2x)
PW NW-zijde(4x)
PW NW-zijde(4x)
Oppervlaktewater(3x)
Oppervlaktewater(3x) 0
100
200
300
400
500
IJzer (micromol/liter)
0
50
100
150
200
250
Zwavel (micromol/liter)
Figuur 37: Samenstelling van het oppervlakkig grondwater, het porievocht in de waterbodem en van het oppervlaktewater. Samenstelling groepen, zie tekst. Weergegeven is het gemiddelde en de standaardafwijking.
Het oppervlakkig grondwater in de oeverzone is overal rond het ven zeer rijk aan kooldioxide (figuur 37). Dit vormt een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van door veenmos gedomineerde vegetaties. Opvallend is dat de concentratie kooldioxide in de venbodem een stuk lager is, ondanks het hoge gehalte organisch materiaal in deze bodem. Waarschijnlijk is dit deels het gevolg van strikt anaerobe omstandigheden, waardoor kooldioxide wordt gereduceerd tot methaan. Wel is hier relatief veel bicarbonaat aanwezig, een gevolg van de anaerobe afbraak die in deze bodem plaatsvindt. Dit zorgt ook voor het vrijkomen van ammonium. Met gemiddeld 250 micromol ammonium/liter, is de venbodem rijk aan ammonium. Ook de fosfaatconcentraties zijn relatief hoog. De venbodem levert dus voedingsstoffen na aan de waterlaag. Zoals gezegd zijn de sulfaat- en ijzerconcentraties vooral hoog aan de zijde waar grondwater komt toestromen naar het ven. De fosfaatconcentratie is hier laag, wel is ook hier tamelijk veel ammonium aanwezig.
6.1 Oppervlaktewaterkwaliteit De samenstelling van het oppervlaktewater in en om het gebied is in meer detail weergegeven in tabel 1. Het Ossenkolkven was in juni 2022 wat zuurder dan in maart 2023. Ook is dan meer bicarbonaat en ammonium aanwezig. Dit suggereert dat deze toename in buffering vooral een gevolg is van anaerobe afbraak, waarbij zowel ammonium als bicarbonaat vrijkomt. Deze afbraak kan al plaatsvinden in de grondwaterbaan, maar
Ossenkolkven | Eelerwoude | 39
mogelijk ook in de venbodem. Opvallend is dat sulfaat in juni 2022 niet in meetbare concentraties aanwezig was, en ook in 2023 laag was. Uit de metingen in de venoever blijkt dat er vrij veel sulfaat komt toestromen. Kennelijk wordt dit ook weer snel als zwavel vastgelegd in de venbodem. Een tweede belangrijk kenmerk is de hoge turbiditeit, als gevolg van door humuszuren bruin gekleurd water. Dit gaat gepaard met vrij hoge concentraties ijzer en fosfor. Waarschijnlijk binden deze stoffen aan de humuszuren en zijn ze niet in direct beschikbare vorm aanwezig; de fosfaatconcentratie is wel laag. In maart 2023 is de bruinkleuring een stuk minder, mogelijk door verdunning met regen- en grondwater. De sterke bruinkleuring in combinatie met de meest vrij steile oevers maken dat er vrijwel geen plaatsen in het ven zijn met een geschikt lichtklimaat voor ondergedoken waterplanten. De concentratie kooldioxide is in juni 2022 ruim beneden de grens van 100 micromol per liter, waarboven de groei van waterlaag vullende waterplanten pas goed mogelijk is. In maart wordt deze grens wel ruim overschreden. Er is dus alleen voldoende kooldioxide aanwezig als in natte perioden de grondwateraanvoer op gang komt. Met dit grondwater komt ook veel ammonium mee. Maar de fosfaatbeschikbaarheid blijft door de ijzeraanvoer laag.
Het water in de kleine baai met de hoogveenvegetatie wijkt weinig af van het water in het ven. Tussen beide is een enkele meters brede verbinding aanwezig, waardoor uitwisseling kan plaatsvinden. De concentraties kooldioxide, natrium en chloride, ijzer en zwavel zijn in de baai iets hoger. Dit wijst op een iets hogere invloed van grondwater. Ossenkolkven Sprengenbos Laagte NO 21-6-2022 21-6-2022 6-3-2023 6-3-2023 21-6-2022 6-3-2023 6-3-2023 Baai Baai Ven hoogveen Ven hoogveen Zuurgraad pH 4,95 4,84 5,60 5,20 4,98 5,31 4,29 Buffercapaciteit meq./l 0,05 0,05 0,11 0,08 0,06 0,24 0,08 Turbiditeit 105 101 24 41 28 18 29 Electrisch Geleidend Vermogen µs/cm 40 39 46 56 107 93 66 Kooldioxide µmol/l 47 82 245 337 208 2021 606 Bicarbonaat µmol/l 2 2 40 22 8 171 5 Nitraat µmol/l 2 1 2 2 <1 <1 2 Ammonium µmol/l 3 3 80 64 67 23 115 Fosfaat µmol/l 0,89 0,28 0,09 0,26 0,03 1,48 0,21 Aluminium µmol/l 8 10 13 18 5 31 51 Calcium µmol/l 16 17 12 18 28 9 40 Chloride µmol/l 239 230 263 340 714 378 237 IJzer µmol/l 17 19 11 18 124 315 45 Kalium µmol/l 22 19 31 32 15 39 49 Magnesium µmol/l 28 28 22 26 82 40 45 Natrium µmol/l 226 224 248 313 510 378 238 Fosfor µmol/l 1,83 1,7 0,61 0,86 0,47 1,08 2,85 Zwavel µmol/l <1 <1 20 24 33 100 42 Tabel 1: Samenstelling van het water in het Ossenkolkven, de hoogveenbaai aan de noordkant, de bospoel in de laagte aan de oostzijde en van de dichtstbijzijnde bron in
het Sprengenbos (locaties zie Figuur 33 )
De alleen in de winter gevulde, geïsoleerde laagte aan de oostzijde bevatte in maart 2023 zuur, bruin gekleurd water. In deze bospoel hoopt zich veel blad op, wat bij afbraak leidt tot nalevering van o.a. ammonium en kooldioxide aan de waterlaag. Het is niet duidelijk of hier nog sprake is van enige grondwaterinvloed. In ieder geval leidt dit niet tot enige buffering. De bron in het Sprengenbos heeft een duidelijk andere waterkwaliteit. In juni 2022 is er nog maar weinig kwel. Het water is dan bijna zuur, maar rijk aan natrium en chloride. In maart 2022 is de kwel weer duidelijk op gang gekomen en is het water zwak gebufferd en heel rijk aan kooldioxide. Ook is het water permanent rijk aan ijzer.
Ossenkolkven | Eelerwoude | 40
Het is duidelijk dat deze spreng water afvoert uit een groter grondwatersysteem, waar het grondwater meer is verrijkt met uit de bodem opgeloste stoffen.
6.2 Kwaliteit venbodem De venbodem zelf bestaat vooral uit organisch stof en een zandfractie (tabel 2). De gehalten van de meeste macro-ionen is laag. Opvallend is het hoge chloridegehalte. Mogelijk vindt er ophoping van chloride plaats dat door uitspoeling van strooizout uiteindelijk in het ven terecht komt. Voor het functioneren van het ven heeft dit niet direct grote consequenties.
Nummer (kaart) Beschrijving Gewicht (kg DW/l) Organisch stof (%) Aluminium Calcium Magnesium Kalium Chloride IJzer Zwavel Fosfor
1 Noord 0,18 27,7 22,6 3,3 1,7 0,2 24,8 6,2 5,6 0,7
2 3 NO van eiland ZW van eiland 0,36 0,15 27,1 38,4 50,3 31,9 7,7 4,7 4,1 2,7 0,3 0,3 55,4 35,3 11,8 8,6 10,3 10,7 1,5 1,2
Tabel 2: Samenstelling van de vaste fractie van de waterbodem, in millimol per liter verse bodem. Voor locaties, zie Figuur 33
De verhouding tussen zwavel en ijzer in de venbodem is ongeveer gelijk. De zwavelbelasting is dus relatief groot, maar aan de andere kant is er ook nog wel wat vrij ijzer aanwezig om fosfaat te binden. Dit is meestal in de vorm van ijzersulfiden (FeS, FeS2). In het geval van FeS is bij een gelijke verhouding alle ijzer gebonden aan zwavel en is er geen ijzer meer over om fosfaat te binden. Maar een deel kan ook bestaan uit FeS2 en bovendien bevindt zich ook zwavel in het organisch materiaal. In het porievocht is ongeveer 20 micromol opgelost (vrij) ijzer aanwezig en ongeveer 4 micromol fosfaat. Ook dit wijst op een matige binding van fosfaat aan de waterbodem. Enige nalevering van fosfaat aan de waterlaag is dus waarschijnlijk. Een belangrijke factor in dit proces vormt op lange termijn het inwaaien van boombladeren. Deze bevatten relatief veel zwavel en relatief weinig ijzer. Wanneer er veel boombladeren inwaaien, versnelt dit de ijzeruitputting van de venbodem.
Ossenkolkven | Eelerwoude | 41
7 Ecologie 7.1 Flora en vegetatie Het Ossenkolkven had in het verleden zowel kenmerken van een hoogveenven als van een zwak gebufferd ven (van Kleef et. al, 2017). Veel van deze elementen blijken gelukkig nog aanwezig te zijn. De vegetatie in en rondom het ven bestaat alleen in het noorden nog uit echte hoogveenvegetatie. Hier zijn soorten als lavendelhei, sterzegge, kleine veenbes, witte snavelbies, veelstengelige waterbies, gagel (één plant) en hoogveenveenmos aanwezig (figuur 38 en 39). Ook is de veenmosgrauwkop waargenomen, een paddenstoel die als kwetsbaar op de rode lijst staat. Echter de groeiplaats is zeer klein en derhalve kwetsbaar.
Figuur 38: Bloeiende lavendelhei en kleine veenbes.
Figuur 39: Kleine veenbes in combinatie met hoogveenveenmos.
Sterzegge en draadzegge zijn soorten die doorgaans op toestroom van grondwater duiden. Beide soorten zijn vooral aangetroffen aan de noordzijde, waar in de winter opbolling van grondwater tot boven het venpeil plaatsvindt (figuur 40). Ook is een exemplaar van waterdrieblad gevonden. Vooral draadzegge is ook in vrij grote hoeveelheden aangetroffen op het centrale eiland. Sterzegge is buiten het ven uitbundig aanwezig aan de zuidzijde van het pad dat aan de zuidkant van het ven loopt. De soort wijst hier op lek van venwater naar de lager gelegen laagte ten zuiden van het ven. Ook zijn enkele planten aangetroffen langs de bospoel ten oosten van het ven. Mogelijk vindt hier in de winter enige toestroom van grondwater plaats uit de dekzandrug ten noorden van deze poel. Langs het eiland zijn ook nog enige exemplaren klein blaasjeskruid aangetroffen. Niet eerder vermeld voor het gebied is duizendknoopfonteinkruid. Deze is in de punt van de baai in het hoogveentje aanwezig, de plek waar gezien de opbolling van grondwater ook de meeste kwel verwacht mag worden. Ook is het grondwater hier zeer zwak gebufferd en ijzerhoudend. Toevoer van grondwater stimuleert hier dus een kleinschalige mozaïek van vegetaties van hoogveen en zwak gebufferd ven. In het centrale deel van het Ossenkolkven zijn geen waterplanten aangetroffen.
Wel zijn in de oeverzone veel eutrafente soorten aangetroffen zoals, grote lisdodde, pitrus, mannagras en de roze (cultuur-)vorm van witte waterlelie. Plaatselijk is ook zompzegge aanwezig. Hoger in de oeverzone domineert bosopslag en bos. In deze oeverzone stonden diverse boom- en struiksoorten als Amerikaanse krentenboom, Amerikaanse vogelkers,
Ossenkolkven | Eelerwoude | 42
sporkehout, ruwe berk, zwarte els, grauwe wilg en geoorde wilg. Met name soorten van natte bodems als zwarte els en de twee wilgensoorten zijn niet algemeen op dit gedeelte van de (droge) Veluwe. De bomen rondom het ven bestaan voornamelijk uit Amerikaanse eik, grove den en douglasspar met een ondergroei van blauwe bosbes, haarmos en Amerikaanse vogelkers. Bijzonder is de begroeiing op het centrale eiland. De boomlaag bestaat hier uit grove den, zomereik en zachte berk, maar de bodem is grotendeels bedekt met een laag veenmos (tabel 3). Hier is een soort hoogveenbosje ontstaan, dat mogelijk zeer soortenrijk is aan bijzondere paddenstoelen. Omdat het eiland klein is, verdwijnen veel van de boombladeren in het omringende water, waardoor op het eiland een schrale, mossige bodem is ontstaan bij zeer hoge waterstanden. De beschrijving van de vegetatie is samengevat in figuur 41. In een oogopslag wordt duidelijk dat de bijzondere vegetaties zich aan de noordzijde en op het eiland bevinden. Vermeldenswaard is nog de drijftil-strook langs het pijpenstro-veld. Deze is rijk aan veenmossen en snavelbiezen en ook waterdrieblad is hier gevonden. De strook grenst aan water van ongeveer een meter diep. Bij betreding komt hier veel gas (methaan) vrij uit de bodem.
De omstandigheden voor drijftilvorming zijn dus gunstig, maar worden mogelijk geremd door schoning ten behoeve van het gebruik als schaatsbaan. Tabel 3: Enkele blad- en levermossen in het Ossenkolkven * = rode lijst: bedreigd
Cephalozia connivens Calypogeia fissa Warnstorfia fluitans Polytrichum commune Sphagnum fallax Sphagnum papillosum Sphagnum cuspidatum Campylopus pyriformis Campylopus introflexus Cephaloziella macrostachya* Orthodontium lineare
Pijpenstro-veld x x x x
x
Eiland x x x x x x x x x x
Glanzend maanmos Moerasbuidelmos Vensikkelmos Gewoon haarmos Fraai veenmos Wrattig veenmos Waterveenmos Breekblaadje Grijs kronkelsteeltje Aarmaanmos* Geelsteeltje
Ossenkolkven | Eelerwoude | 43
= Draadzegge = Sterzegge = Zwarte zegge = Waterdrieblad
Figuur 40: Verspreiding van enkele indicatorsoorten, juni 2022
= Boomopslag = Dominantie pitrus = Zwak gebufferd ven = Berkenbroek droog = Berkenbroek nat = Dominantie Pijpenstro = Drijftil = Hoogveen
Figuur 41: Grove vegetatiekaart, gebaseerd op waarnemingen op 11 juni 2022
Ossenkolkven | Eelerwoude | 44
7.2 Fauna Bijzondere soorten aangetroffen rondom het ven betroffen moerassprinkhaan en tientallen beekoeverlibellen (figuur 42). Het is opvallend dat moerassprinkhaan ook op een geïsoleerde plek als het Ossenkolkven voorkomt. Het is onbekend of beekoeverlibel zich voorplant in het ven. Beekoeverlibel is een soort welke zich (vrijwel) altijd voortplant in wateren welke onder invloed staan van kwelwater. Karakteristieke libellensoorten van dergelijke vennen zijn niet zelf vastgesteld maar volgens de NDFF wel bij het ven aanwezig, het gaat hierbij om soorten als koraaljuffer en tengere pantserjuffer. Beide soorten leven in de oeverzone en zouden profiteren van een uitbreiding van het hoogveenareaal. De aanwezige reptielen betreffen ringslang en levendbarende hagedis. Voor beide soorten is slechts beperkt geschikt biotoop aanwezig. Natte vegetatie waar ringslang gebruik van maakt is slechts sporadisch aanwezig in de oeverzone. Op 21 juni 2022 is een jong exemplaar waargenomen nabij het hoogveentje. Voor levendbarende hagedis zijn vooral open plekken in bos, bosranden of heidevelden geschikt. Doordat de directe omgeving vooral uit bos bestaat is het leefgebied voor deze soorten beperkt. Het uitbreiden van het hoogveenareaal en het openkappen van bos zouden beide soorten kunnen helpen.
In de directe omgeving blijkt uit data vanuit de NDFF dat er ook diverse nachtvlinders aanwezig zijn welke karakteristiek zijn voor de Veluwe. Het gaat hierbij om onder andere de volgende soorten en hun waardplanten, berkenorvlinder (berk), bosbessensnuituil (blauwe en rode bosbes), dennenspinner (grove den), hoekbanddennenspanner (grove den) en donker visstaartje (eik en andere loofbomen). Vermoedelijk komen er binnen het Ossenkolkven ook soorten voor welke afhankelijk zijn van wilgen welke in mindere mate aanwezig zijn in de omgeving. Deze wilgen, zijn ook met name belangrijk voor wilde bijensoorten. Ondanks dat er weinig waarnemingen bekend zijn van wilde bijen in de omgeving is het plangebied mogelijk hiervoor zeer waardevol. Er zijn weinig inheemse planten in de buurt welke grote hoeveelheden stuifmeel en nectar geven. De bloeiende grauwe en geoorde wilgen kunnen hierom heel belangrijk zijn voor soorten welke afhankelijk zijn van stuifmeel en nectar. Het wordt dan ook sterk aanbevolen zoveel mogelijk wilgen te behouden wanneer maatregelen worden uitgevoerd.
Figuur 42: Mannetje beekoeverlibel in de oevervegetatie van het Ossenkolkven.
Ossenkolkven | Eelerwoude | 45
8 Synthese en analyse 8.1 Synthese De bodem van het Ossenkolkven bestaat uit een veenlaag met daaronder een stagnerende gliedelaag. De gliedelaag onder het ven ligt in de vorm van een kommetje in de bodem. In het ven is de veenlaag in de jaren ‘80 van de vorige eeuw grotendeels met een drijvende kraan afgegraven ten behoeve van het gebruik als schaatsbaan. Het eiland in het ven is nog wel intact, de bodem bestaat hier uit veraard veen met daaronder onveraard veen. In de zomer zakt de grondwaterstand op het eiland door de verdamping dieper uit dan het venpeil waardoor de bovenste veenlaag wordt geoxideerd en daardoor veraard. In de winter vindt in het eiland weer opbolling plaats van het grondwater door het neerslagoverschot. Het lokale grondwatersysteem aan de noordzijde van het ven In het verleden was het veen ca. 2 keer zo groot als het huidige ven. Met name aan de noordwest-, noord- en noordoostzijde is het oorspronkelijke veen met zand overstoven, waardoor hoge landduinen zijn ontstaan. Hier stagneert in de winter regenwater op het veen en de onderliggende gliedelaag, waardoor zich een relatief grote grondwaterbel heeft gevormd. In natte winters bolt het grondwater boven het venpeil uit, waardoor er vanuit de grondwaterbel laterale kwel optreedt naar de noordoever.
Het lateraal toestromende grondwater is zwak gebufferd, hetgeen een verklaring vormt voor het voorkomen van onder meer sterzegge en duizendknoopfonteinkruid in de noordoever. De hoge concentraties kooldioxide bevorderen de hoogveengroei. Ook wordt er ijzer aangevoerd, wat de fosfaatbeschikbaarheid laag houdt en het ijzertolerante duizendknoopfonteinkruid begunstigt ten opzichte van andere waterplanten. Verder wordt ammonium in matige hoeveelheden aangevoerd. Dit kan ammonium zijn dat vrijkomt uit afbraak van de overstoven veenlaag, maar zeer waarschijnlijk vangt het bovenstaande bos ook veel nitraat in, wat vervolgens in de ondergrond wordt omgezet in ammonium. De metingen aan de waterkwaliteit van het naar het ven toestromende water laten waarschijnlijk een afwijkend beeld zien van de normale situatie, omdat ten tijde van de metingen de grondwaterkwaliteit nog erg beïnvloed werd door de reeks van droge jaren en de hiermee gepaard gaande oxidatieprocessen in de bodem. Waarschijnlijk is het toestromende water gemiddeld minder rijk aan ijzer en zwavel dan nu gemeten, en mogelijk nog iets beter gebufferd. Uitstroming van water over de zuidoever De toevoer van kwelwater is in natte winters zo sterk dat er dan aan de zuidzijde water over maaiveld naar de zuidelijk gelegen laagte stroomt.
In de zuidelijke laagte infiltreert het venwater langzaam door de hier aanwezige ondiepe podzol-B horizont naar het diepere grondwater, dat zich hier op ca. 12 meter onder maaiveld bevindt (~9-8 m. +NAP). Ook vindt er stroming van grondwater over ondiepe podzol-B horizonten plaats naar de laagte aan de zuidoostzijde van het Ossenkolkven. Hier indiceert sterzegge het horizontaal over de podzol-B uit het ven naar de laagte stromende venwater. Onder het wandelpad tussen het Ossenkolkven en de zuidelijke laagte is deze B-horizont echter zeer slecht ontwikkeld en goed doorlaatbaar. Kleine peilfluctuatie Doordat het water aan de zuidzijde van het ven over maaiveld afstroomt worden hoge venpeilen in de winter afgetopt en heeft het ven een zeer constant winterpeil. Door de toestroming van kwelwater vanuit de lokale grondwaterbel op het begraven veen aan de noordwest-, noord- en noordoostzijde van het ven daalt het venpeil in de zomer veel langzamer dan vennen die volledig afhankelijk zijn van neerslag in het ven zelf. Door de zeldzame combinatie van toestroming van lokaal kwelwater vanuit de grondwaterbel aan de noordzijde en lage maaivelddrempel aan de zuidzijde van het ven is de jaarlijkse fluctuatie van het venpeil zeer
Ossenkolkven | Eelerwoude | 46
klein. Wij hebben aan het eind van de droge zomer van 2022 een venpeil van 19,99 m. +NAP gemeten en aan het eind van de vrij natte winter van 2023 een peil van 20.10 m. +NAP: een fluctuatie van slechts 11 cm! Hierdoor is een bijzonder doorstromingsysteem ontstaan dat we ook kennen van het Watergraafsmeertje (Hanhart & Brouwer, 2019). Doordat in het Watergraafsmeertje de slecht doorlatende bodemlagen min of meer schuin liggen, is de fluctuatie van het venpeil in het Watergraafsmeertje echter veel groter dan in het Ossenkolkven. Waterkwaliteit Het water van het Ossenkolkven is sterk bruin gekleurd, door de aanwezigheid van humuszuren. Deze kunnen afkomstig zijn uit de venige venbodem of uit afbraak van inwaaiend boomblad, maar kunnen ook worden aangevoerd met het grondwater. Het lichtklimaat is daarom op de meeste plaatsen ongeschikt voor ondergedoken waterplanten. De venbodem zelf is vrij rijk aan zwavel en niet erg rijk aan ijzer. Er vindt waarschijnlijk enige nalevering plaats van fosfaat naar de waterlaag. Een belangrijke motor hiervoor is de bladinval van de omringende bomen. Het doorstroomkarakter houdt het ven voedselarm, doordat er veel meer ijzer wordt aangevoerd dan fosfaat, en er ook enig fosfaat en ammonium wordt afgevoerd via oppervlakkig wegstromend water en inzijgend water. In de jaren tachtig is mogelijk ook mest gedumpt in het ven.
Dit kan mede een oorzaak zijn van de wat voedselrijkere venbodem, maar de metingen laten hier geen aanwijzingen voor zien. Hoogveencondities op het niet afgegraven veen aan de noordoever Het vanuit de grondwaterbel naar de noordoever toestromende grondwater is fosfaatarm, zwak gebufferd en rijk aan kooldioxide. In combinatie met de zeer stabiele waterstanden biedt dit de optimale condities voor veenmosgroei op de oever. Een groot deel van het potentieel oppervlak voor hoogveenoever bestaat nu uit een veld met pijpenstro. Pijpenstro profiteert hier behalve van stikstof uit de lucht ook van ammonium in het grondwater. Daarnaast is plaatselijk ook veel pitrus aanwezig, vermoedelijk als gevolg van bladval. De aanwezigheid van een smalle drijftilstrook langs de oever geeft aan dat er ook potenties liggen voor de ontwikkeling van hoogveen vanuit de waterfase. Deze kan niet starten via een groei van ondergedoken veenmossen, omdat het lichtklimaat hier niet geschikt voor is. Maar wat wel gebeurt is dat losgeslagen stukken veen of pollen pijpenstro blijven drijven en ophopen langs de oever. In een luwe situatie kan zich hiertussen geleidelijk een drijftil ontwikkelen. Zowel in de oeverzone als in het aangrenzende water liggen er dus mogelijkheden voor uitbreiding van het hoogveen.
Het grote voordeel is dat veel kenmerkende soorten (waterveenmos, fraai veenmos, wrattig veenmos, hoogveenveenmos, waterdrieblad, draadzegge, witte snavelbies, kleine veenbes, lavendelheide) al aanwezig zijn. Watervegetaties in de rest van het ven Door de continue verversing van het venwater door voedselarm licht gebufferd grondwater vanuit de grondwaterbel aan de noordoever, wordt het venwater regelmatig ververst. Hierdoor heeft het ven relatief wat minder last van ophoping van nutriënten door inwaai van blad en naalden van de bomen rondom het ven. Daar staat tegenover dat het grondwater belast is met ammonium en humuszuren. Door het slechte lichtklimaat en het periodieke gebrek aan kooldioxide in de waterlaag zijn er in het ven alleen waterplanten met drijfbladeren aanwezig. Waterlelies bevestigen de wat hoge voedselrijkdom van de bodem. Duizendknoopfonteinkruid is alleen aanwezig in een ondiep, grondwater gevoed hoekje. En klein blaasjeskruid drijft tegen het wateroppervlak op enkele luwe plaatsen langs de oever. De potentie voor waterplanten in het ven is hierdoor niet heel groot. Toch mag niet worden uitgesloten dat drijvende egelskop nog terugkeert als de omstandigheden verbeteren en er nog zaad aanwezig is. Voor typische vegetaties van zwak gebufferde vennen (Littorellion, Hydrocotylo-Baldellion) is het centrale ven ongeschikt.
Eiland Het centrale eiland heeft een bijzondere vegetatie en kan het best worden omschreven als een hoogveenbos. De ondergroei bestaat grotendeels uit veenmossen en is ook waardevol voor andere blad- en levermossen. De
Ossenkolkven | Eelerwoude | 47
combinatie van permanent natte omstandigheden, de afvoer van blad naar het omringende ven en de aanwezigheid van ectomycorrhiza-vormende bomen (berk, eik, den) is ideaal voor ectomycorrhiza vormende paddenstoelen. Het eiland is hiervoor niet in de goede tijd bezocht, maar de kans is groot dat hier een bijzondere mycoflora aanwezig is.
8.2 Knelpunten en kansen Kansen op herstel en uitbreiding van het hoogveen Helaas is het grootste deel van het hoogveen afgegraven ten behoeve van de aanleg van de schaatsbaan. En nog niet zo lang geleden is de schaatsbaan uitgediept tot vrijwel aan de minerale bodem onder het veen. Gelukkig is daarbij de venbodem niet beschadigd. Herstel en uitbreiding van het hoogveen zijn wellicht mogelijk door het aangroeien van drijftillen aan de noordoever. Ook na een serie van vier extreem droge jaren in een periode van 5 jaren, was er nog steeds sprake van drijftilvorming aan de zuidzijde van het niet afgegraven veen aan de noordoever, in een ongeveer 2 meter brede strook met drijvende veenmossen en pollen pijpenstrootje boven ongeveer 1 meter diep water. De drijftilvorming is hier vergelijkbaar met de drijftil in het ronde Zandenbosven (Hanhart & Brouwer, 2019). De gunstige omstandigheden voor drijftilvorming blijken ook uit de vele luchtbellen die opstegen bij het lopen door het ven. Sinds de zwaveldepositie flink is gedaald, is landelijk in meerdere vennen de drijftilvorming weer wat op gang gekomen. Op zeer luwe plekken in zuur water speelt veenmos hierin een grote rol. Maar op plekken met wat meer golfslag moet de weg worden geplaveid door wat grovere gewassen.
In Midden-Brabant vindt in onder meer het Diaconieven en het Achterste goorven vooral drijftilvorming plaats op plekken waar losgeslagen pollen pijpenstrootje en gagel bijeendrijven in luwe hoeken (van Dam et al, 2017). In het Vorrelven in Drenthe gebeurt hetzelfde met losgeslagen pollen pitrus en in een ven ten noordoosten van Norg (Yfco’s gat) met pollen grote lisdodde. Ook in het rivierengebied (Oude Maas bij Megen) ontstaan drijftillen uit bijeen drijvende lisdodde. In het Wooldsche veen, in de Achterhoek, stimuleert men veenontwikkeling in oude veenkanalen door daar berken in te laten vallen en hierop plagsel van pijpenstrootje te gooien. We achten de kans om op deze manier de drijftilvorming in het Ossenkolkven te versnellen groot omdat de omstandigheden voor drijftilontwikkeling gunstig lijken maar het aantal losgeslagen/ronddrijvende pollen hier gering is. Het drijfvermogen kan dan zowel komen van opborrelend methaan uit de bodem dat door de drijvende mat wordt tegengehouden, als van methaan of kooldioxide dat wordt geproduceerd in de pollen. Om golfslag te minimaliseren en de pollen op hun plaats te houden, kunnen takken van gekapte bomen in het water worden gegooid. Deze moeten groot en stevig genoeg zijn, maar ook weer niet zo dik dat ze bij dalende waterstanden verhinderen dat de drijfmat kan meezakken met de waterspiegel.
Naast pijpenstro kunnen in theorie ook pollen pitrus gebruikt worden, maar hiermee ontstaat wel enig risico op het ontstaan van een pitrusveld (indien het te voedselrijk is). Verder zijn draadzegge en waterdrieblad aanwezig, twee soorten die in staat zijn om de drijvende pollen vrij snel te koloniseren en via hun met lucht gevulde wortels het drijfvermogen verder te verbeteren. Op de oever liggen er goede kansen voor uitbreiding van het hoogveen indien de beschikbaarheid van voedingsstoffen in de delen met pijpenstrootje en pitrus kan worden teruggebracht. Een goede maatregel om het areaal hoogveen uit te breiden is het lokaal verwijderen van de pollen pijpenstro uit het pijpenstro-veld. De pollen kunnen wat dieper worden uitgestoken en in het water worden gegooid. Waarschijnlijk blijft een groot deel drijven en kan zo het substraat vormen voor groei van de drijftil. Op de plekken waar pollen zijn uitgestoken ontstaan plas/dras situaties of hooguit enkele decimeters diepe kuiltjes, waarin zich veenmosvegetaties kunnen ontwikkelen. In het huidige hoogveenrestantje moeten uiteraard geen pollen worden gestoken. Wel kan wat veenmos als donormateriaal in de nieuwe plas-dras situaties worden aangebracht.
Ossenkolkven | Eelerwoude | 48
Instandhouding noordelijke grondwaterbel en doorstroomsysteem De allerbelangrijkste voorwaarde voor de instandhouding van het bestaande hoogveentje is de instandhouding van het doorstroomsysteem. Dit betekent enerzijds dat de drempel aan de zuidzijde van het ven niet moet worden verhoogd of verlaagd, maar exact zo moet blijven. Het betekent anderzijds dat de toestroming van schoon en zwak gebufferd kwelwater vanuit de grondwaterbel aan de noordwest-, noord- en noordoostzijde ook in extreem droge jaren in stand moet worden gehouden. Onze wintermetingen van de opbolling van het grondwater aan de noordzijde van het ven gaven aan dat na een periode van vier extreem droge jaren (2018, 2019, 2020, 2022) er nog in een klein gebiedje sprake is van een opbolling boven venpeil en dus toestroming van lokaal grondwater naar het ven. Waarnemingen in het natte voorjaar van 2023 laten zien dat aan de oostzijde van de grondwaterbel ook afstroom van grondwater en kwel aan maaiveld optreedt. Ondanks de door de droogte beïnvloede grondwaterstanden en grondwaterkwaliteit lijkt het systeem zich ook vrij snel te kunnen herstellen. Er moet rekening worden gehouden met een klimaatscenario waarin dit soort droge jaren eerder regel dan uitzondering vormen.
Om het doorstroomsysteem ook in een klimaat met vaker optredende droogteperioden is het wenselijk om de grondwateraanvulling van de grondwaterbel te versterken. Dit kan door de douglasopstand aan de noord- en noordoostzijde van het ven en de Amerikaanse eiken tussen de verharde weg en het ven aan de noordwestzijde te kappen en te vervangen door een lage vegetatie van bijvoorbeeld droge en vochtige heide. In de huidige situatie verdampen de zeer grote bomen een groot deel van het winterse neerslagoverschot en dragen ook bij aan de snelle daling van de grondwaterbel in de zomer in perioden met een neerslagtekort. Het is niet voor niks dat deze bomen er zo goed bij staan: zij profiteren van de aanwezigheid van de grondwaterbel. Ook vangen deze bomen veel stikstof in, en dit stroomt via het grondwater naar het ven. De invang van stikstof door een lage vegetatie is enkele malen minder. Aan de noordzijde van de grondwaterbel langs het pad wordt de grondwaterbel aangesneden door het maaiveld. Hierdoor ontstaat er in de natte winterperiode een tijdelijke “kwelkop” langs het pad. Dit is een lekkage van de grondwaterbel waardoor de grondwaterbel minder hoog kan opbollen. Door het zandpad op te hogen snijdt het maaiveld de grondwaterbel niet/minder diep aan waardoor de grondwaterbel hoger kan opbollen en er dus meer toestromend grondwater richting het ven kan plaatsvinden.
Blad- en naaldval Verwijderen van bomen aan de west-, zuid- en oostzijde van het ven is vanuit hydrologisch standpunt niet noodzakelijk. Bodemboringen hebben uitgewezen dat zich hier geen ondiepe grondwaterbel bevindt, waaruit de bomen water zouden kunnen onttrekken. Het is wel zo dat er blad- en naaldval optreedt vanaf deze bomen in het ven. Dit bladmateriaal draagt door ongunstige ratio’s van ijzer ten opzichte van zwavel en fosfor, aanzienlijk bij aan de nalevering van fosfaat uit de waterbodem. Ook vormen zij een bron van humuszuren en wordt zo het lichtklimaat verslechterd. Een klein deel van de nutriënten wordt door het doorstroomkarakter van het ven ook weer afgevoerd. Er zijn echter ook diverse argumenten om het bos en de boomopslag op de oevers niet te veel terug te zetten. Door het breken van de windwerking ontstaat een beschut microklimaat wat gunstig is voor allerlei met name vliegende insecten, maar ook voor hoogveen. Ook zorgt een verminderde windwerking voor minder verlies van kooldioxide uit het ven, wordt de drijftilvorming veel minder verstoord door golfslag, en is er vrijwel geen sprake van het ongewenste opwervelen van slib. Sommige bomen, met name wilgen en vuilboom, zijn bovendien een belangrijke nectarbron voor veel insecten. En andere soorten zijn weer belangrijk als partner voor mycorrhiza-paddenstoelen.
Ook blijft er in het ven sprake van een vochtig microklimaat, hetgeen gunstig is voor de hier levende fauna en voor veenmossen. Het verwijderen van bomen langs de oever vergt dus een zorgvuldige afweging van belangen. Het is beter om een groot deel van de bomen te laten staan, met uitzondering van de exemplaren die het meest bijdragen aan bladophoping in het ven. Dit zijn vooral de over het water hangende bomen en de Amerikaanse eiken. Deze eiken hebben groot blad dat ver weg waait,
Ossenkolkven | Eelerwoude | 49
waardoor ook het kappen van Amerikaanse eik op tientallen meters afstand aan de westkant van het ven nog tot een flinke beperking van de bladinval kan leiden. Betreding van de kwetsbare noordoever De hoogveenvegetaties op de noordelijke oever zijn extreem kwetsbaar voor betreding door mens of hond of wild zwijn. Het is daarom noodzakelijk om het noordelijke deel van de venoever aan de landzijde uit te rasteren. Het wandelpad aan de noordoostzijde dient na het rooien van de hier aanwezige douglas over een klein traject te worden verplaatst naar een wat hoger deel van de oever. Uitrasteren van de rest van het ven is niet noodzakelijk en vanuit het oogpunt van recreatie niet wenselijk. Het gebruik van het ven als schaatsbaan zal geen knelpunt zijn, mits de kwetsbare hoogveenvegetatie niet wordt betreden en de venbodem niet geschoond wordt. Om te voorkomen dat de kwetsbare hoogveenvegetatie wordt beschadigd kan een waarschuwingsbordje met zwak ijs/drijftillen geplaatst worden. Doorgaande weg langs noordoever Door het gebruik van strooizout (vrnl. natriumchloride) op de doorgaande weg wordt de waterkwaliteit van het toestromende grondwater richting het ven beïnvloed. Hoge chlorideconcentraties kunnen leiden tot mobilisatie van sulfaat en fosfaat (Beltman e.a., 2107). En hoge natriumconcentraties leiden tot versnelde uitloging van kationen.
Hierdoor wordt de kwaliteit van het toestromende grondwater waarschijnlijk negatief beïnvloed. Om een goede kwaliteit te kunnen garanderen zouden hier maatregelen voor getroffen moeten worden. Bijvoorbeeld het aanbrengen van een afwateringsgoot langs de doorgaande weg is hiervoor een oplossing. Echter betekent dit ook dat het regenwater dat op de weg valt ook niet meer zorgt voor aanvulling van het grondwater ter hoogte van de grondwaterbel (in de winter). Omdat in de huidige situatie de invloed van natriumchloride op de vegetatie niet direct zichtbaar is, is het meer waardevol om het regenwater wel te gebruiken als aanvulling van de grondwaterbel. Mocht in de toekomst de vegetatie wel negatief worden beïnvloed door het strooizout kan later alsnog deze maatregel worden toegepast. Kansen ecologie Aanvullende kansen voor de ecologie zijn het verwijderen van exoten zoals Amerikaanse eik, Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse krentenboom rondom het Ossenkolkven. Daarnaast is het in stand houden van de wilgen rondom het Ossenkolkven gunstig voor insecten afhankelijk van nectar en stuifmeel. De wilgensoorten vormen namelijk als één van de weinige soorten in de omgeving een bron van nectar en stuifmeel. Aanvullende kans is het aanbrengen van een faunapassage onder de weg door.
Momenteel worden de amfibieën (padden e.d.) handmatig over de weg geholpen om te voorkomen dat ze worden doodgereden. Een faunapassage onder de weg door biedt uitkomsten om de dieren veilig te laten migreren. De locatie van deze faunapassage moet nog nader onderzocht worden. Ontwikkeling zuidelijke laagte Een koppelkans is het ontwikkelen van de zuidelijke laagte naar een nattere uitgangssituatie. In de huidige situatie staat enkel in de wintersituatie water op maaiveld in de zuidelijke laagte. Dit water is afkomstig van regenwater, maar voornamelijk is er sprake van instromend oppervlaktewater en zeer oppervlakkig toestromend grondwater over en onder het wandelpad richting de zuidelijke laagte. De bodemopbouw van de laagte bestaat uit een matig ontwikkelde waterkerende Bh-horizont. Hierdoor is er tijdelijk (wintersituatie) sprake van oppervlaktewater in de laagte. Langzaam zijgt het oppervlaktewater van de zuidelijke laagte naar de
Ossenkolkven | Eelerwoude | 50
zandondergrond. In de zomer is er geen sprake meer van aanvoer vanuit het Ossenkolkven waardoor de zuidelijke laagte droog staat. Verwijderen van bos rondom de zuidelijke laagte vermindert de verdamping van het bos rondom de laagte. Dit bevordert de duur van de nattere wintersituatie in de laagte. De nattere omstandigheden (inclusief meer wateraanvoer uit Ossenkolkven) zorgen daarnaast ook voor de verdere ontwikkeling van de Bh-horizont onder de laagte doordat humusdeeltjes deze bodemlaag verder doen verstoppen. Op den duur kan het oppervlaktewater langer blijven stagneren op deze bodemlaag. Verhogen van het oppervlaktewaterpeil leidt tot verminderde doorstroom en dus verversing van het oppervlaktewater in het Ossenkolkven, en daardoor een verminderde oppervlaktewaterkwaliteit. Opzetten van het oppervlaktewaterpeil leidt ook tot een minder groot verhang tussen de opbollende grondwaterbel en het oppervlaktewaterpeil (het gemeten verhang was in de winter (2023) ook maar ±20 cm). Hierdoor wordt de instroom van kwelwater vanaf de noordzijde vanuit de grondwaterbel (in de winter) in de richting van het Ossenkolkven sterk verminderd. Dit heeft zowel op de waterkwaliteit als de ontwikkeling van hoogveen een negatief effect
8.3 Aanbevelingen 8.3.1 Aanvullend bodemkundig onderzoek Binnen dit onderzoek is enkel het terrein van gemeente Nunspeet onderzocht. Ten noorden van het Ossenkolkven, aan de noordoostzijde van de Ossenkolkweg, ligt een particulier eigendom waar het bodemkundig- en hydrologisch onderzoek niet is uitgevoerd. We weten nu niet of de lokale grondwaterbel in de winter ten noorden van het Ossenkolkven ook verder reikt richting het noorden. Het is mogelijk dat de grondwaterbel zich ook daar bevindt en hier dus ook maatregelen getroffen kunnen worden om de grondwaterbel te vergroten. Daarnaast zorgt het verwijderen van de bomen ten noorden van het Ossenkolkven op het terrein van gemeente Nunspeet voor grotere opbolling van de grondwaterbel. Hierdoor kan het zijn dat de waterscheiding van de grondwaterbel zich gaat verplaatsen richting het particuliere eigendom. Om erachter te komen of de grondwaterbel in de huidige situatie ook het particuliere eigendom bereikt zou aanvullend onderzoek gedaan moeten worden. Dan kan daarna ook overwogen worden om ter plaatse van het particuliere eigendom ook maatregelen te treffen om de grondwaterbel te vergroten.
8.3.2 Monitoring waterpeil Ossenkolkven Naar verwachting zullen de grootste winsten behaald worden op het eigendom van de gemeente Nunspeet, het verwijderen van het bos ter hoogte van de grondwaterbel. Om te controleren of deze maatregelen voldoende effect hebben is aanbevolen om minstens een periode van ca. 5 jaar het venpeil te monitoren met behulp van een automatische peilopnemer. Op deze manier wordt inzicht verkregen of het ven na de te nemen maatregelen beter weerbaar is tegen de droge zomers en/of de kwelstroom naar het ven is vergroot. Mocht blijken dat er toch meer maatregelen genomen moeten worden om de hoogveenvegetatie in stand te kunnen houden kan in een later traject gekeken worden of aanvullend bodemkundig onderzoek noodzakelijk is. Vervolgmonitoring na deze 5 jaar is aanbevolen om inzicht te houden in het watersysteem van het Ossenkolkven.
Ossenkolkven | Eelerwoude | 51
8.4 Maatregelen De maatregelenkaart is weergegeven in figuur 43 en 44. Hoofdmaatregelen ten behoeve van het in stand houden van de hoogveenvegetatie en de verdere uitbreiding hiervan in het Ossenkolkven zijn: ▪ Verwijderen bos aan de noordzijde van het ven ter bevordering van de grondwaterbel ▪ Verwijderen overhangende bomen op de rest van de oever, verwijderen Amerikaanse eiken en grote douglas tussen ven en weg aan westzijde ter vermindering van bladinval ▪ Plaatsen raster aan landzijde kwetsbare hoogveenvegetatie ▪ Verleggen wandelpad t.b.v. kwetsbare hoogveenvegetatie ▪ Lokaal handmatig uitsteken pollen pijpenstro ▪ Pollen pijpenstrootje in het water gooien e.v.t. samen met takken ter bevordering hoogveenvorming ▪ Ophogen zandpad ten noorden van het ven ter vergroting van de grondwaterbel. Aanvullende maatregelen voor verdere natuurontwikkeling rondom het Ossenkolkven: ▪ Verwijderen exoten (Amerikaanse eik, Amerikaanse krentenboom, Amerikaanse vogelkers) (niet op kaart weergegeven) ▪ Verwijderen bomen rondom zuidelijke laagte ter vernatting van de zuidelijke laagte zodat de ontwikkeling van de B-horizont wordt bevorderd. ▪ Aanbrengen faunapassage amfibieën onder de doorgaande weg.
8.5 Beheer Op de locaties waar bos wordt verwijderd moet een permanent lage vegetatiestructuur ontwikkeld worden (denk aan heide). De bomen verdampen veel grondwater, lage vegetatiestructuren moet dit tegen gaan. Hierdoor kan de grondwaterbel vergroot worden. Op de plaatsen waar bos wordt verwijderd ontstaan veel kiemmogelijkheden voor nieuwe bosopslag en struiken. Belangrijk is om te voorkomen dat het bos weer terug groeit. Hieronder een aantal praktische mogelijkheden om de vegetatie kort te houden en om bosopslag te verkleinen: ▪ Begrazing door schapen ▪ Handmatig verwijderen opslag (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Grove den, ▪ Verwijderen strooisellaag tot kale zand om bodem te verarmen. Hierdoor zijn minder voedingsstoffen aanwezig zodat nieuwe aangroei van vegetatie vertraagd plaats vindt. Een open bodem zorgt echter wel voor meer kiemplekken waardoor zaden van bomen weer tot ontkieming kunnen komen. ▪ Maaien met bosmaaier ▪ Het aanbrengen van heidemaaisel kan de ontwikkeling naar heide aanzienlijk bespoedigen en de kieming van bomen sterk remmen
Ossenkolkven | Eelerwoude | 52
Figuur 43: Maatregelenkaart Ossenkolkven Ossenkolkven | Eelerwoude | 53
Figuur 44: Maatregelenkaart Ossenkolkven AHN4. Ossenkolkven | Eelerwoude | 54
9 Verwijzingen Bakker, H., & Schelling, J. (1989). Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. Beltman, B., T.G. Rouwenhorst, M.B. Van Kerkhoven, T. Van Der Krift & J.T.A. Verhoeven, 2017. Internal eutrophication in peat soils through competition between chloride and sulphate with phosphate for binding sites. Biogeochemistry volume 50, pages 183–194. DINOloket. (2022). Ondergrondmodellen. Opgehaald van DINOloket Date en Informatie van de Nederlandse Ondergrond: dinoloket.nl/ondergrondmodellen Stichting voor Bodemkartering. (1982). Bodemkaart van Nederland Schaal 1:50.000. Wageningen: StiBoKa. TNO. (2022). Grondwaterstanden in Beeld. Opgehaald van Grondwatertools: https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/ TNO. (2022). Ondergrondmodellen. Opgehaald van DINOloket Daa en Informatie van de Nederlandse Ondergrond: https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen/kaart H. van Dam, D. Tempelman, E. Brouwer, K. Hanhart, F.J.H. van Erve, B.F. van Tooren & A. Mertens (2017) Een eeuw monitoring van vennen in Midden-Brabant: basis voor adequaat beheer. Herman van Dam, Adviseur Water en Natuur, Amsterdam. Rapport 1410 / Stichting Semblis, Amsterdam / Onderzoekcentrum B-WARE B.V., Nijmegen / Eelerwoude B.V., Goor / Van Erve Natuuronderzoek, Haaren / Sieralgenwerkgroep Nederland, Bilthoven / Diatomella, Overasselt. 761p. + digitale bijlagen. van Dam, H., & Otte, A. (1996).
Veluwse vennen en leemkuilen onder de loep: ontwikkeling van een beleidsvisie voor toekomstig onderzoek en beheer. Aquasense i.o.v. Zuiveringsschap Veluwe. van Dijk, G., Roos Loeb, Fons Smolders (Onderzoekcentrum B-ware / Radboud Universiteit)& Piet-Jan Westendorp (Witteeveen+Bos), 2013. H20 39. Verbrakking in voormalig brak laag Nederland: bedreiging of kans? van Kleef, H., van Dam, H., Bouwman, J., & van der Loop, J. (2017). Venherstelprogramma Veluwse vennen. Stichting Bargerveen, Unie van Bosgroepen en WaterNatuur i.o.v. Provincie Gelderland. Veen, P., van Dijk, G., & Karsemeijer, M. (2014, Juli). Het Mosterdveen: een doorstroomveen op het Veluwemassief. De Levende Natuur, pp. 177-183.
Ossenkolkven | Eelerwoude | 55
Bijlagen Bijlage 1: Boorstaten einde zomer 2022 ............................................................................................................... 31 Bijlage 2: Boorstaten einde winter 2023 ............................................................................................................... 56
Ossenkolkven | Eelerwoude | 56
Bijlage 1: Boorstaten einde zomer 2022 BOORSTAAT
Namen karteerders: Laura Spa, Enrico Boers, Karel Hanhart
Datum:
19-8-2022
Boring:
Ah
0
15
C
15
Cg C
<50 μm
M50
Wortels
<2 μm
pH Merck
%
Opmerkingen
120
Zwart-grijs fijn zand
150
120
Wit fijn zand
150
170
120
Wit fijn zand met roest en grind
170
300
120
Wit fijn zand
boormethode:
3
%
Diepte pH
%
Aard veensrt.
Textuur
Veldcode: B1.10
Rijpings-klasse
Organische stof
Kalk-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Meng-verhouding
Horizont-code
Gebied: Ossenkolkven Locatie: Slenk ten noordoosten van ven Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Mannetjesvaren, larix, bosbes, haarmos, grove den
B1.1
Edelman
Geschatte GHG (cm -mv):
>300
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
droog
Bodemtype:
Gooreerdgrond
Geschatte GLG (cm -mv):
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
18,16
Code bodemtype:
Geschatte fluctuatie (cm):
Actuele gws (m. +NAP)
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
X:
184093
Maximale beworteling (cm -mv):
Geschatte GLG (m. +NAP):
Y:
483553
Ossenkolkven | Eelerwoude | 57
BOORSTAAT
Namen karteerders: Laura Spa, Enrico Boers, Karel Hanhart
Ah
0
15
C
15
150
Ce
150
170
Ahb
170
185
E
185
200
Bh
200
215
BC
215
270
boormethode:
Boring:
1
2
10
<50 μm
M50
Wortels
%
pH Merck
% <2 μm
Diepte pH
Aard veensrt.
Textuur
B1.2
Veldcode: B1.9
Rijpings-klasse
Organische stof
%
19-8-2022
Locatie: Stuifduin ten noordoosten van ven
Kalk-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Meng-verhouding
Horizont-code
Gebied: Ossenkolkven Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Grove den, bosbes
Datum:
Opmerkingen
120
Grijs-zwart fijn zand
120
Geel-wit fijn zand
120
Wit fijn zand
120
Zwart-grijs fijn zand
120
Grijs-wit fijn zand
120
Donkerbruin-zwart fijn zand
120
Roestbruin fijn zand
Edelman
Geschatte GHG (cm -mv):
>270
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
droog
Bodemtype:
Gooreerdgrond
Geschatte GLG (cm -mv):
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
26,30
Code bodemtype:
Geschatte fluctuatie (cm):
Actuele gws (m. +NAP)
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
X:
184107
Maximale beworteling (cm -mv):
Geschatte GLG (m. +NAP):
Y:
483534
Ossenkolkven | Eelerwoude | 58
BOORSTAAT
Namen karteerders: Enrico Boers & Jorn Veldman
Datum:
22-9-2022
Boring:
L
0
1
F/Ap
1
4
1:1
100/8
Ap/E
4
35
1:1
Cp1
35
Cep2
<50 μm
M50
Opmerkingen
ja
Lichtbruin onafgebroken strooisel
180
ja
Mix van donkerbruin deels afgebroken strooisel en grijs matig fijn zand, geploegd
8/2
180
ja
Mix van grijs matig fijn zand en lichtgrijs uitgeloogd matig fijn zand, geploegd
90
1
180
nee
Lichtgeel matig fijn zand, geploegd
90
140
3
200
nee
Wit/lichtgrijs matig fijn uitgeloogd zand, geploegd
Cp/Bh
140
228
1:1
8/15
180
nee
Mix van lichtgeel matig fijn zand en grijsbruin zeer humeus matig fijn gliede-achtig zand, geploegd
Bh/Oh
228
270
1:1
15/100
180
nee
Mix van grijsbruin zeer humeus matig fijn gliedeachtig zand en donkerbruin geoxideerd veen, zwavelgeur
boormethode:
100
Wortels
%
pH Merck
% <2 μm
Diepte pH
%
Aard veensrt.
Textuur
Rijpings-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Organische stof
Veldcode: B2.10
Kalk-klasse
Meng-verhouding
Horizont-code
Gebied: Ossenkolkven Locatie: Noordoostzijde ven, vóór de straat Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Douglasspar, Wilde lijsterbes, Blauwe bosbes
B1.3
Edelman
Geschatte GHG (cm -mv):
80
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
Geschatte GLG (cm -mv):
>270
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
21,313
Code bodemtype:
Geschatte fluctuatie (cm):
Actuele gws (m. +NAP)
19,673
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
20,513
X:
184216
Geschatte GLG (m. +NAP):
>18,613
Y:
483573
VI/VII
Maximale beworteling (cm -mv):
164
Bodemtype:
Veldpodzol
Ossenkolkven | Eelerwoude | 59
Ossenkolkven | Eelerwoude | 60
BOORSTAAT
Namen karteerders: Enrico Boers & Jorn Veldman
19-8-2022
Boring:
<50 μm
M50
Wortels
%
Diepte pH
% <2 μm
Rijpings-klasse
%
Aard veensrt.
Textuur
Kalk-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Organische stof
B1.4
Veldcode: B2.9
pH Merck
Locatie:
Meng-verhouding
Horizont-code
Gebied: Ossenkolkven Gewas, boomsrt en/of vegetatie:
Datum:
Opmerkingen
Ap
0
5
2
180
Grijs matig fijn zand, geploegd
Ep
5
35
1
180
Lichtgrijs matig fijn zand, geploegd
E/Bh
35
96
1
180
Lichtbruin matig fijn zand, geploegd
Cr1
96
97
0
180
Oranjerood matig fijn zand, zeer roestig
Bh1
97
115
10
180
Donkergrijs matig fijn zand, uitgeloogde korrels
Bh2
115
128
18
180
Zwart zeer humeus compact matig fijn zand, verkitte B
BCg
128
132
2
180
Roodbruin matig fijn zand, zeer roestig
C2
132
170
1
180
Geel matig fijn zand
C3
170
270
0
180
Lichtgeel matig fijn zand
boormethode:
2:1
Edelman
Geschatte GHG (cm -mv):
130
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
Geschatte GLG (cm -mv):
>270
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
21,360
Code bodemtype:
Geschatte fluctuatie (cm):
Actuele gws (m. +NAP)
19,260
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
20,060
X:
184244
Geschatte GLG (m. +NAP):
>18,660
Y:
483552
VII
Maximale beworteling (cm -mv):
210
Bodemtype:
Haarpodzol
Ossenkolkven | Eelerwoude | 61
Ossenkolkven | Eelerwoude | 62
BOORSTAAT
Namen karteerders: Enrico Boers & Jorn Veldman
Datum:
22-9-2022
Boring:
Fh
0
8
100
Ap
8
11
12
Ah/E
11
30
C1
30
85
Bh
85
BC C2
<50 μm
M50
Wortels
%
pH Merck
% <2 μm
Diepte pH
%
Aard veensrt.
Textuur
Veldcode: B2.8
Rijpings-klasse
Organische stof
Kalk-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Meng-verhouding
Horizont-code
Gebied: Ossenkolkven Locatie: Noordoostzijde ven voorbij pad Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Douglasspar, Ruwe berk, Wilde lijsterbes, Pijpenstrootje
B1.5
Opmerkingen
ja
Donkerbruin deels afgebroken strooisel
180
ja
Donkergrijs matig fijn zand, geploegd
2
180
ja
Lichtgrijs matig fijn zand, geploegd
1
180
ja
Lichtgeel matig fijn zand, roestverschijnselen
122
18
180
nee
Donkergrijs zeer humeus verkit matig fijn zand, gliede
122
130
8
180
nee
Bruin matig fijn zand
130
190
0
180
nee
Geel matig fijn zand
boormethode:
1:1
Edelman
Geschatte GHG (cm -mv):
30
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
124
Bodemtype:
Geschatte GLG (cm -mv):
190
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
20,71
Code bodemtype:
Geschatte fluctuatie (cm):
Actuele gws (m. +NAP)
19,47
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
20,41
X:
184235
Geschatte GLG (m. +NAP):
>18,81
Y:
483545
V
Maximale beworteling (cm -mv):
???
Ossenkolkven | Eelerwoude | 63
Ossenkolkven | Eelerwoude | 64
BOORSTAAT
Namen karteerders: Enrico Boers & Jorn Veldman
Datum:
22-9-2022
Boring:
Oh/Ah
0
55
2:1
<50 μm
M50
Wortels
%
Veldcode: B2.7
pH Merck
% <2 μm
Diepte pH
%
Aard veensrt.
Textuur
Rijpings-klasse
Organische stof
Kalk-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Meng-verhouding
Horizont-code
Gebied: Ossenkolkven Locatie: Omgewoelde oever oostzijde ven Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Pijpenstrootje, Mannagras, Duizendknoop fonteinkruid, Kleine waternavel, veenmos (sphagnum denticulatum?)
Opmerkingen
50
180
?
Zwart veraard veen en matig fijn zand, doorgewoeld
180
C
55
65
10
?
Donkergrijs zeer humeus matig fijn zand
Oh
65
70
100
?
Donkerbruin deels veraard veenmosveen, compact
Od
70
100
100
?
Zwart veraard veenmosveen, gliede
boormethode:
B1.6
Guts
Geschatte GHG (cm -mv):
0
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
Geschatte GLG (cm -mv):
?
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
20,04
Code bodemtype:
Geschatte fluctuatie (cm):
Actuele gws (m. +NAP)
20,00
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
20,04
X:
184230
Geschatte GLG (m. +NAP):
?
Y:
483535
???
Maximale beworteling (cm -mv):
4
Bodemtype:
???, mogelijk Moerpodzol
Ossenkolkven | Eelerwoude | 65
BOORSTAAT
Namen karteerders: Enrico Boers & Jorn Veldman
Datum:
22-9-2022
Boring:
Ap/E
0
14
1:2
Ap/E/C Bh/BC
14
72
72
100
BC/C
100
110
C1
110
C2
130
boormethode:
<50 μm
M50
Wortels
%
pH Merck
% <2 μm
Veldcode: B2.6
Diepte pH
%
Aard veensrt.
Textuur
Rijpings-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Organische stof
Kalk-klasse
Meng-verhouding
Horizont-code
Gebied: Ossenkolkven Locatie: Heuvel Oostzijde ven (op woelplaats van zwijnen) Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Douglasspar, Ruwe berk, Zomereik
B1.7
Opmerkingen
3
180
nee
Lichtgrijs matig fijn zand, doorgewoeld en geploegd
1:1:1
3
180
nee
Ligtgeel matig fijn zand, doorgewoeld en geploegd
1:1:1
15
180
nee
Donkerbruin zeer humeus matig fijn zand, geploegd
1:1
2
180
nee
Bruin humeus matig fijn zand, geploegd
130
180
nee
Geel matig fijn zand
245
180
nee
Grijsgeel matig fijn zand, gereduceerd?
Edelman
Geschatte GHG (cm -mv):
100
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
Geschatte GLG (cm -mv):
>245
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
21,41
Code bodemtype:
Geschatte fluctuatie (cm):
Actuele gws (m. +NAP)
19,310
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
20,410
X:
184248
Geschatte GLG (m. +NAP):
>18,960
Y:
483520
VII
Maximale beworteling (cm -mv):
210
Bodemtype:
Verstoorde podzol
Ossenkolkven | Eelerwoude | 66
Ossenkolkven | Eelerwoude | 67
BOORSTAAT
Namen karteerders: Enrico Boers & Jorn Veldman
Datum:
22-9-2022
Boring:
F
0
12
Ap/E
12
40
5
Bh
40
60
20
BC
60
C
82
boormethode:
<50 μm
M50
90
Wortels
%
pH Merck
% <2 μm
Diepte pH
%
Aard veensrt.
Textuur
Rijpings-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Organische stof
Veldcode: B2.5
Kalk-klasse
Meng-verhouding
Horizont-code
Gebied: Ossenkolkven Locatie: Oostkant ven oeverzone Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Zomereik, Amerikaanse eik, Amerikaanse krent, Pitrus en Pijpenstrootje
B1.8
Opmerkingen
ja
Deels afgebroken strooisel
180
ja
Donkergrijs matig fijn zand, doorgeploegd Ah en E
180
ja
Zwart matig fijn zand, Inspoelingslaag (niet geploegd)
82
180
nee
Bruin matig fijn zand, compact maar niet verkit
140
180
nee
Geel matig fijn zand
Edelman
Geschatte GHG (cm -mv):
40
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
Geschatte GLG (cm -mv):
>140
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
20,306
Code bodemtype:
Geschatte fluctuatie (cm):
Actuele gws (m. +NAP)
19,286
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
X:
184243
Geschatte GLG (m. +NAP):
Y:
483506
V
Maximale beworteling (cm -mv):
102
Bodemtype:
Veldpodzol
Ossenkolkven | Eelerwoude | 68
BOORSTAAT
Namen karteerders: Laura Spa, Enrico Boers, Karel Hanhart
<50 μm
M50
Wortels
%
pH Merck
% <2 μm
Diepte pH
%
Aard veensrt.
Textuur
Rijpings-klasse
Organische stof
0
1
Bladresten
F
1
3
Bladresten
H
3
4
Substraat
Ah
4
10
190
Zwart-grijs matig fijn zand
E
10
15
190
Grijs matig fijn zand
Ce/Bh
15
70
190
Lichtbruin geploegd matig fijn zand
Ce/Bh
70
110
220
Lichtbruin matig fijn zand
Cer1
110
135
220
Geel-wit matig fijn zand
Od1
135
140
100
Cer2
140
190
5
Om
190
220
100
Bruin bosveen
Od2
220
255
100
Zwart veraarde gliedelaag
50
B1.9
Opmerkingen
HL
boormethode:
Boring:
Veldcode: B1.8
Kalk-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
19-8-2022
Locatie:
Meng-verhouding
Horizont-code
Gebied: Ossenkolkven Gewas, boomsrt en/of vegetatie:
Datum:
Zwart veraard veen 220
Bruin-grijs matig fijn zand
Edelman
Geschatte GHG (cm -mv):
110
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
1,69
Bodemtype:
Veldpodzolgrond
Geschatte GLG (cm -mv):
210
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
21,23
Code bodemtype:
Geschatte fluctuatie (cm):
Actuele gws (m. +NAP)
19,54
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
20,13
X:
184200
Maximale beworteling (cm -mv):
Geschatte GLG (m. +NAP):
19,13
Y:
483548
Ossenkolkven | Eelerwoude | 69
BOORSTAAT
Namen karteerders: Laura Spa, Enrico Boers, Karel Hanhart
Boring:
% <50 μm
M50
Wortels
% <2 μm
pH Merck
Textuur
Diepte pH
Aard veensrt.
B1.10
Veldcode: B1.7
Rijpings-klasse
Organische stof
%
19-8-2022
Locatie: 5 m vanaf venoever
Kalk-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Meng-verhouding
Horizont-code
Gebied: Ossenkolkven Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Grove den, berk
Datum:
Opmerkingen
Hh
0
3
90
180
Bruin substraat
Ah
3
15
3
180
Nieuw ontwikkelde zwarte Ah
180
Nieuw ontwikkelde uitspoelingslaag
180
Geploegd matig fijn zand met bovenin roestkleur
180
Grijs-bruin matig fijn zand
E
15
25
E/Bh/Ce
25
75
Cer1
75
110
Od1
110
120
100
180
Zwart veraard veen met wortelresten (mogelijk van Els)
Of
120
200
100
180
Bruin onveraard veen
Od2
200
230
100
180
Zwarte gliedelaag
Cer2
230
235
180
Bruin matig fijn zand
boormethode:
2
Edelman <200 cm, Guts >200 cm
Geschatte GHG (cm -mv):
45
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
117
Bodemtype:
Veldpodzolgrond
Geschatte GLG (cm -mv):
150
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
20,63
Code bodemtype:
Geschatte fluctuatie (cm):
Actuele gws (m. +NAP)
19,46
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
20,18
X:
184209
Maximale beworteling (cm -mv):
Geschatte GLG (m. +NAP):
19,13
Y:
483544
Ossenkolkven | Eelerwoude | 70
BOORSTAAT
Namen karteerders: Laura Spa, Enrico Boers, Karel Hanhart
Datum:
19-8-2022
Boring:
Om
0
OAh
20
Of
70
Od
100
145
Ah
145
150
boormethode:
20
<50 μm
M50
Wortels
%
pH Merck
% <2 μm
Diepte pH
%
Aard veensrt.
Textuur
Rijpings-klasse
Organische stof
Veldcode: B1.6
Kalk-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Meng-verhouding
Horizont-code
Gebied: Ossenkolkven Locatie: Venoever drijftil Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Pijpestrootje, witte snavelboes, veenmos
B1.11
Opmerkingen
100
120
Donkerbruin organisch materiaal, veenmoswortels
70
98
120
Donkerbruin veraard veen met zandlaagjes
100
100
120
Donkerbruin onveraard veen
100
120
Zwarte gliedelaag
120
Guts
Geschatte GHG (cm -mv):
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
19
Bodemtype:
Boveengrond
Geschatte GLG (cm -mv):
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
20,15
Code bodemtype:
Geschatte fluctuatie (cm):
Actuele gws (m. +NAP)
19,96
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
20,15
X:
184218
Maximale beworteling (cm -mv):
Geschatte GLG (m. +NAP):
20,15
Y:
483532
Ossenkolkven | Eelerwoude | 71
BOORSTAAT
Namen karteerders: Laura Spa, Enrico Boers, Karel Hanhart
Datum:
19-8-2022
Boring:
Om
0
15
<50 μm
M50
Wortels
%
pH Merck
% <2 μm
Diepte pH
%
Aard veensrt.
Textuur
Rijpings-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
Organische stof
Veldcode: B1.5
Kalk-klasse
Meng-verhouding
Horizont-code
Gebied: Ossenkolkven Locatie: Venoever drijftil Gewas, boomsrt en/of vegetatie: Pijpestrootje, witte snavelboes, veenmos
100
Opmerkingen Donkerbruin organisch materiaal, veenmos + wortels
C
15
20
120
Bruin-grijs fijn zand
OAh
20
25
99
veraard
120
Donkerbruin veraard veen met zandlaagjes
Of
25
95
100
onveraard
120
Donkerbruin onveraard veen
Od
95
110
100
boormethode:
Zwarte gliedelaag
Guts
Geschatte GHG (cm -mv):
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
18
Bodemtype:
Geschatte GLG (cm -mv):
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
20,14
Code bodemtype:
Geschatte fluctuatie (cm):
Actuele gws (m. +NAP)
19,96
Slootwaterstand (m. +NAP):
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
20,14
X:
184220
Maximale beworteling (cm -mv):
Geschatte GLG (m. +NAP):
20,14
Y:
483528
BOORSTAAT
Namen karteerders: Laura Spa, Enrico Boers, Karel Hanhart
19-8-2022
Boring:
W
0
40
slib
40
45
100
Od
45
125
100
Ah
125
135
100
<2 μm
<50 μm
M50
Wortels
%
pH Merck
%
Diepte pH
%
Aard veensrt.
Textuur
Rijpings-klasse
Organische stof
B1.13
Veldcode: B1.4
Kalk-klasse
Diepte in cm t.o.v. mv
boormethode:
Datum:
Meerveengrond
Locatie: Water in ven
Meng-verhouding
Gebied: Ossenkolkven
Horizont-code
B1.12
Opmerkingen
Zwart veen
Guts
Geschatte GHG (cm -mv):
Actuele grondwaterstand (cm -mv):
n.v.t.
Bodemtype:
Geschatte GLG (cm -mv):
Maaiveldhoogte (m. +NAP):
19,30
Code bodemtype:
Geschatte fluctuatie (cm):
Actuele gws (m. +NAP)
Grondwatertrap:
Geschatte GHG (m. +NAP):
19,30
X:
184218
Maximale beworteling (cm -mv):