CConstaterende datNunspeet
Koppel je AI →
Document · PDF

St. t.k.n. nr. 1. Bijlage A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen eindrapport

Commissie Ruimte en Wonen 9 oktober 2023, gemeente NunspeetBij agendapunt: Uitvoering beheerplan Mosterdveen 2022-2031;19.907 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

31

5 Evaluatie ontwikkelingen Om de waargenomen ontwikkelingen in de soorten te verklaren, is het relevant om te kijken naar de veranderingen die zich sinds de monitoring van 2012 hebben voorgedaan. Hieronder wordt ingegaan op deze veranderingen én een inschatting gegeven van hoe die kunnen doorwerken in de aanwezigheid van de kenmerkende soorten. Vervolgens kijken we in hoeverre dat terug te zien is in de ontwikkelingen van de soorten. Inrichtingsmaatregelen Kappen van bos Eind 2014/begin 2015 zijn veel bomen en ook delen bos gekapt. Omdat bos meer water verdampt dan lage vegetatie neemt de verdamping af. Er kan dan meer water de grond intrekken en in natte tijden als (zeer) licht gebufferd grondwater naar de laagten stromen. Is de aanvoer voldoende groot, dan kunnen vennen daardoor minder ver, minder vaak of minder lang droogvallen. Voor de kenmerkende soorten kan dat het volgende betekenen: • Plantensoorten van licht aangerijkte omstandigheden (b.v. duizendknoopfonteinkruid, beenbreek, snavelzegge) nemen toe, met name in de randen van vennen. • Stabilisatie van bultsoorten waar deze al aanwezig waren, vanwege minder droogval. • Toename van slenksoorten waar deze nog niet of nauwelijks aanwezig waren. • Ontwikkeling van slenksoorten (indien al aanwezig) naar bultsoorten. Daarbij kan het aandeel aan slenksoorten - op de langere termijn - dus afnemen.

• Op de kortere termijn is geen verandering te verwachten in het voorkomen van pijpenstrootje. Op den duur kan de soort afnemen of verschuiven naar locaties iets hoger op de gradiënt. • In natte laagten toename van soorten van natte heide (als gewone dophei of veenbies). • Toename van libellensoorten van zure en/of zwak gebufferde vennen. • Toename van libellensoorten van zwak gebufferde vennen, van heikikker en mogelijk ook van ringslang (jagend op heikikker). Verwijderen bovengrond Behalve dat bos is gekapt is ook de verrijkte bovengrond verwijderd. Daardoor komt de voedselarme, minerale ondergrond bloot te liggen. Bovendien is heideplagsel van droge heidevegetaties uit de omgeving opgebracht. Dat kan de volgende effecten hebben op de kenmerkende soorten: • Toename van drogere heidesoorten op hogere delen, als stekelbrem, kruipbrem of struikhei. • Toename van (eerst pionier)soorten van natte heide in vochtige-natte laagten, als moeraswolfsklauw, bruine snavelbies en kleine zonnedauw, maar ook bijvoorbeeld gewone dophei. • Toename van vlindersoorten van droge en vochtige heide en sprinkhaansoorten van vochtige heide, door toename heideareaal en onderlinge verbinding van heidedelen. Dempen van greppels In het slenkensysteem zijn op een aantal locaties greppels geheel of deels gedempt. Dat heeft vooral tot gevolg dat er minder water wordt afgevoerd uit vennen.

Ter plaatse van de gedempte greppels zal de verdamping iets afnemen, aangezien de verdamping vanuit water groter is dan vanuit grond. Vrijwel steeds is het dempen van greppels gecombineerd met andere maatregelen die gericht zijn op hydrologisch herstel: kappen van bos (plus verwijderen bovengrond) en verwijderen van verharding. De effecten van deze ingrepen zijn dan ook slecht afzonderlijk te bepalen. Globaal zijn de volgende effecten denkbaar:

32

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

•

Toename van plantensoorten van beter ontwikkelde vochtige-natte heide, zoals kleine zonnedauw, ronde zonnedauw, snavelbiessoorten, veenbies en veenmossen van natte heide, door minder afvoer (of lokaal meer aanvoer) van water. Mogelijk enige toename van slenksoorten in de vennen, als de verminderde afvoer leidt tot minder droogval. Als gevolg daarvan: toename van libellensoorten in vennen met minder droogval en van dagvlindersoorten van vochtige heide.

• •

Verwijderen verharding De belangrijkste reden voor het verwijderen van de verharding was het opheffen van de hydrologische barrière in de slenk. Als gevolg daarvan kan een langzame doorvoer plaatsvinden van water van ven I naar ven A. De insteek van de maatregel was dat voorkomen wordt dat de groeiplaats van klokjesgentiaan in ven I te nat wordt, aangezien daar ook bos is gekapt en greppels zijn gedempt. In ven A kan dat leiden tot minder droogval, waar soorten van natte heide en van slenken van kunnen profiteren. Drogere zomers Droogte kan grote consequenties hebben voor de natuur en soms andere invloeden domineren. Warmere, drogere zomers leiden tot meer verdamping. Het waterpeil in bijvoorbeeld vennen kan daardoor sterker gaan fluctueren, waardoor er verder, vaker of langduriger droogval op kan treden. Droogval leidt onder meer tot zuurproductie (snelle verzuring van de toplaag) en een hogere beschikbaarheid van sulfaat. Ook vindt mineralisatie plaats van organische stof als venige bodem droogvalt, waardoor voedingsstoffen beschikbaar komen (eutrofiëring). Droogte heeft ook effect op vochtige-natte heide, waar eveneens verzuring optreedt van de toplaag en voedingsstoffen gemobiliseerd worden. Vooral natuurgebieden met relatief kleine, lokale hydrologische systemen, als het Mosterdveen, zijn kwetsbaar voor dergelijke veranderingen (Jansen et al. 2020).

Uit een enquête onder (gebieds)deskundigen bleek dat negatieve effecten van de droge zomers van 2018/2019 op natuur op de hogere zandgronden het grootst waren op onder meer vennen en heide (Witte et al. 2020). Het aantal hete, droge zomers is de afgelopen jaren toegenomen in Nederland. Dat geldt ook voor het Mosterdveen en omgeving. Uit langjarige meetreeksen van weerstation Deelen (op de Veluwe) blijkt dat de jaren 2018, 2020 en in mindere mate 2019 relatief droog waren (www.knmi.nl). Zowel in 2018, 2020 en ook 2021 was de verdamping hoog. In combinatie met Gevolg daarvan is onder meer dat de grondwatervoorraden onvoldoende worden aangevuld en ook in een tussenliggend jaar als 2019, met meer neerslag, er voor de vegetatie toch sprake is van droge omstandigheden. Mogelijke effecten van (een reeks van) droge zomers op de natuurwaarden in het Mosterdveen zijn: • Afname van plantensoorten in vennen en vochtige heide die afhankelijk zijn van licht gebufferde c.q. niet te zure omstandigheden. Dat zijn bijvoorbeeld draadzegge, klokjesgentiaan, dof veenmos, duizendknoopfonteinkruid. • Afname van plantensoorten van natte heide, als kleine zonnedauw, ronde zonnedauw, snavelbiessoorten en natte-heideveenmossen (als kussentjesveenmos, zacht veenmos). • Afsterven van veenmossen en als gevolg daarvan afname van slenksoorten (mogelijk op de langere termijn).

• Afname van bultvormende soorten (mogelijk op de langere termijn). • Toename van plantensoorten van wat drogere omstandigheden op hoogveenbulten in de vennen, als struikhei.

33

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

• •

•

Toename van pijpenstrootje in de randzone van vennen, in hoogveenbulten en in vochtige heidedelen. Door droogte en hoge temperaturen neemt de vitaliteit en de bloei van planten af, zowel in nattere als op drogere delen. Dat geldt ook voor waard- en nectarplanten van b.v. dagvlinders die daardoor kunnen afnemen. Door toenemende droogval van vennen verslechteren de voortplantingsomstandigheden van libellen, die daardoor kunnen afnemen.

De effecten die te verwachten zijn van de droge zomers zijn dus grotendeels tegengesteld aan die van de hydrologische herstelmaatregelen. Zijn bovenstaande effecten te zien in de gegevens? In tabel 5.1 is een aantal gegevens per deelgebied op een rij gezet: in de eerste plaats of er maatregelen hebben plaatsgevonden (bos gekapt, greppels gedempt) en in de tweede plaats welke veranderingen de gegevens tonen voor kenmerkende plantensoorten uit verschillende indicatieve groepen en voor kenmerkende libellen. Ook is aangegeven in welke vennen/deelgebieden van de betreffende groep de meeste soorten voorkomen. Amfibieën, reptielen en dagvlinders zijn niet vermeld, omdat daarbij een veel minder directe relatie met de deelgebieden verwacht wordt. Deelgebieden N, O en P ontbreken: In N en O zijn nog geen ontwikkelingen te tonen omdat die in 2020 voor het eerst gemonitord zijn. In P zijn geen kenmerkende soorten planten en libellen aangetroffen. Helaas zijn er geen goede gegevens over de (mate) van droogval van de vennen in de loop der tijd. Bekend is wel, dat ven D de laatste jaren al vroeg in het seizoen droogvalt.

Tabel 5.1 Maatregelen die zijn uitgevoerd in het Mosterdveen sinds 2012 en de ontwikkelingen in de periode 2012-2020 in aantallen kenmerkende plantensoorten (Nh = natte heidesoorten, Sl = slenksoorten, Bu = bultsoorten, Ar = soorten die wijzen op mineralenaanrijking; er is niet gecorrigeerd voor overlap tussen categorieën) en libellensoorten. Ontwikkelingen in aantal soorten (per saldo): Groen = toename (2 of meer soorten), lichtgroen = lichte toename (1 soort), grijs = gelijk blijvend, lichtoranje = lichte afname (1 soort), oranje = afname 2 of meer soorten), geen kleur = soortgroep afwezig. 1 = deelgebied(en) met grootste aantal soorten per soortgroep, 2 = deelgebied(en) met iets minder soorten per soortgroep dan (1) maar duidelijk meer dan de overige deelgebieden.

Dg A B C D E F G H I Iz J K L M

Maatregelen sinds 2012 Bos gekapt Greppels aangepakt rond zuiddeel noordoost (afvoer), zuid (aanvoer) rondom noordwest (afvoer) lokaal noordzijde noordzijde rondom rondom oost (aanvoer), noord (afvoer) west- en oostzijde noord en zuid (beide afvoer?) rondom deels -

Nh 1

Plantensoorten Sl Bu 2

Ar 2

2

2

1

1

2

1 1

1 2 2

Libellen

1

2 1

1

Wat uit tabel 5.1 blijkt, is dat vooral in de vennen A en B het aantal kenmerkende soorten planten en libellen is toegenomen. Het positieve effect van de herinrichting lijkt hier groter dan het

34

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

negatieve effect van de droge zomers. Ven A valt als gevolg daarvan mogelijk minder ver droog dan voorheen. Ven B viel al niet droog en doet dat nog steeds niet. In beide vennen zijn soorten van aangerijkte omstandigheden toegenomen, wat kan wijzen op een grotere invloed van licht gebufferd grondwater. Slenksoorten laten hier eveneens een toename zien. Ook in ven C - het best ontwikkelde ven in het gebied - is het aantal kenmerkende soorten iets toegenomen. De reden van deze positieve ontwikkeling is niet helder, aangezien daar nauwelijks is ingegrepen. De grondwatervoeding lijkt in ieder geval voldoende om geen negatieve effecten van de droge zomers te ondervinden. In ven L neemt het aantal kenmerkende soorten ook iets toe. Hier is geen bos gekapt, maar mogelijk hangt de positieve trend samen met het schraler worden van de voormalige akker waar dit ven in ligt. In 1998 is de voedselrijke bovengrond van de akker verwijderd. Ven I/Iz laat een achteruitgang zien in plantensoorten. Dat is moeilijk te rijmen met de maatregelen die daar zijn genomen. De lichte toename van kenmerkende libellen betreft soorten die ook buiten het Mosterdveen in de lift zitten (koraaljuffer, tengere pantserjuffer; Van Grunsven 2022) en hoeft geen verband te houden met de herstelmaatregelen. De plantensoorten die er verdwenen betreffen hoofdzakelijk veenmossen, maar in Iz ook klokjesgentiaan.

De vraag is overigens of klokjesgentiaan echt is afgenomen: mogelijk bloeide de soort minder als gevolg van de hoge temperaturen (zie b.v. Wallis de Vries & Limpens 2020) en is ze daardoor minder gezien. In ven D neemt het aantal soorten op alle fronten af, wat waarschijnlijk te wijten is aan de droogval in recente jaren. Als voortplantingsgebied voor libellen is het daardoor niet meer geschikt. Ook in de vennen K en G is een afname van kenmerkende plantensoorten te zien, in K sterker dan in G. Net als bij D zijn er geen maatregelen uitgevoerd om de hydrologische omstandigheden te verbeteren en lijken de veranderingen vooral te wijten aan de droogte. Dat is vooral te verwachten in K, vanwege de beperkte omvang van dit ven. De toename van libellensoorten in G betreft (ook hier) het verschijnen van tengere pantserjuffer.

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

35

Ven F: belangrijk voor libellen en rijk aan kenmerkende plantensoorten van vennen (Foto A&W, maart 2022).

F is voor libellen het belangrijkste ven en ook komen er relatief veel kenmerkende plantensoorten voor. Er is sprake van een toename van twee van de vier soortengroepen, waarbij het steeds om veenmossen gaat. Een duidelijke oorzaak daarvan is niet te geven; er zijn in 2014/2015 geen inrichtingsmaatregelen uitgevoerd. Kennelijk is de wateraanvoer vanuit de omgeving voldoende van omvang. Ven E laat deels een toename en deels een afname zien: een verband met het kappen van bos lijkt er niet te zijn. In H, J en M zijn er weinig veranderingen te zien, ondanks grootschalige boskap. Mogelijk komt de winst van de maatregelen hier (nog) niet tot uiting door de droge zomers. In ven H betreft de achteruitgang van libellen de venglazenmaker: één van de soorten met een noordelijke verspreiding, die het moeilijk hebben in de droge warme zomers (Van Grunsven 2022). De effecten van de maatregelen op het voormalige campingterrein zijn lastig uit de monitoringsgegevens te halen, omdat het de drogere delen betreft en er maar weinig soorten van drogere heide (zoals struikhei) zijn gekarteerd. Wel zijn kruipbrem, stekelbrem en grondster vooral op geplagde delen aangetroffen (tabel 4.3). In het veld is duidelijk dat het opgebrachte choppermateriaal goed is aangeslagen: struikhei is vrijwel overal aanwezig en op vochtige locaties ook gewone dophei.

Wat betreft de libellen lijkt klimaatverandering een belangrijke verklaring voor in ieder geval een deel van de ontwikkelingen. Soorten met een noordelijke verspreiding – als venglazenmaker, noordse witsnuitlibel en venwitsnuitlibel – hebben het steeds moeilijker en dat is ook hier te zien. Gevlekte witsnuitlibel, koraaljuffer en tengere pantserjuffer nemen in Mosterdveen toe, net als

36

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

elders. De Vlinderstichting heeft in 2020 monitoringsroutes uitgezet om de gevlekte witsnuitlibel te volgen. Bij de dagvlinders lijken de droge zomers hun effect gehad te hebben, mogelijk door een geringer nectaraanbod: zowel groot dikkopje als heideblauwtje zijn sterk afgenomen. Voor in ieder geval heideblauwtje komt dat overeen met het landelijke beeld. De toename van heivlinder, die onder meer kale grond nodig heeft, lijkt verband te houden met de nieuw ingerichte delen. Overige zaken Recreatie Volgens het inrichtingsplan van Belle (2011) zou het Mosterdveen na inrichting alleen nog toegankelijk zijn in de buitenranden, via de Beenbreekroute. Dat zou betekenen dat de recreatieve druk op het terrein zou afnemen. Dat is in de huidige situatie niet het geval, zo blijkt uit de gewijzigde plannen t.a.v. de paden volgens Klaver (z.j.) én uit luchtfoto- en satellietbeelden. De indruk bestaat dat de afgelopen jaren, mede door de corona, het bezoekersaantal vanuit Samoza is toegenomen. Daarnaast is het aantal atb’ers flink gestegen. Uit de beschikbare gegevens kan niet opgemaakt worden of veranderingen in locatie of omvang van de recreatie geleid hebben tot veranderingen in de natuurwaarden in de periode 2012-2020. In het veld is wel duidelijk dat mountainbikers vooral het pad dat de centrale slenk kruist intensief gebruiken.

Dat is een serieus punt van aandacht, omdat bij hoge waterstanden in ven I water over het pad naar ven A moet kunnen stromen. Het gebruik door de mountainbikers verandert de hoogteligging en veroorzaakt, door het steeds verleggen van de sporen, schade aan de begroeiing.

Het pad tussen ven I en ven A wordt intensief gebruikt door mountainbikers.

Wilde zwijnen Het aantal wilde zwijnen fluctueert in de tijd door voedselaanbod en winterse weersomstandigheden. Op de Veluwe als geheel nemen de aantallen de laatste jaren fors toe:

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

37

van 4.000 à 5.000 in de periode 2011-2013 (voor de herinrichting Mosterdveen) tot ca 10.000 in de zomer van 2021 (bron: Faunabeheereenheid Gelderland). Dat is het gevolg van vaker voorkomende mastjaren, waardoor er veel voedsel is. Het is niet bekend of in die periode het aantal zwijnen dat het Mosterdveen bezoekt ook meer dan verdubbeld is, maar het ligt voor de hand dat de aantallen zullen zijn toegenomen. En daarmee kunnen ook de effecten van hun activiteiten zijn toegenomen. Wilde zwijnen woelen de grond om op zoek naar voedsel. Dat kan bij lage dichtheden een positief effect hebben, omdat het bijdraagt aan meer variatie. Maar in te sterke mate, en zeker als het om kwetsbare venvegetaties gaat, werkt dat eerder negatief. Omdat er steeds opnieuw verstoring optreedt, kunnen plantensoorten zich niet handhaven of blijvend vestigen. Dat is ook de reden dat plaggen t.b.v. heideontwikkeling weinig succesvol is in het Mosterdveen. Daarnaast eten de zwijnen ook allerlei dieren, waaronder amfibieën en reptielen. Ze kunnen bovendien invloed hebben op de bosverjonging, aangezien zaailingen van loofhoutsoorten wel gegeten worden maar naaldhoutsoorten niet of minder. Op die manier worden naaldhoutsoorten bevoordeeld (Guldemond et al. 2015).

Figuur 5.2 – Ontwikkeling van aantallen wilde zwijnen op de Veluwe (bron: Faunabeheereenheid Gelderland).

Uit de gegevens kan niet opgemaakt worden of eventuele toename van activiteiten van wilde zwijnen geleid heeft tot veranderingen in de natuurwaarden in de periode 2012-2020. Wel is in het veld duidelijk dat de invloed van de zwijnen aanzienlijk is.

De wilde zwijnen laten op veel plaatsen aanzienlijke sporen achter (foto A&W, maart 2022).

38

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

6 Hoe verder? In dit hoofdstuk wordt, mede op basis van de gegevens uit de voorgaande hoofdstukken, ingegaan op inrichting en beheer in het Mosterdveen. In hoeverre zijn er veranderingen nodig om de natuurwaarden in het gebied te behouden en verder te ontwikkelen? Hierbij wordt ingegaan op de vragen die zijn aangedragen door de begeleidingsgroep (vragen zijn cursief aangegeven). Overigens beperkt de scope zich hierbij tot het Mosterdveen zelf, en op onderdelen de Roostee; eventuele samenhang met gebieden in de omgeving behoren niet tot deze rapportage.

6.1

Hydrologie

6.1.1 Verwijderen van (meer) bos Vraag: kan verwijderen van meer bos bijdragen aan het (verder) verbeteren van de hydrologische omstandigheden in de vennen en het slenkensysteem? In de loop der jaren zijn belangrijke oppervlakten bos verwijderd, om de toestroom van grondwater naar de vennen te versterken. Mogelijk is er op de intrekgebieden van de vennen nog bos aanwezig waarvan overwogen kan worden om het te verwijderen of om te vormen. De aanwezigheid van leem speelt daarbij een cruciale rol. Enkele jaren geleden is grondradaronderzoek gedaan: die gegevens kunnen helpen om bestaande kennis over de leemlaag te toetsen én om de intrekgebieden van de vennen beter te bepalen: Grondradaronderzoek Al lange tijd is bekend dat onder een groot deel van het Mosterveen en de Roostee een leemlaag aanwezig is. De diepteligging varieert van 3,8 m beneden maaiveld in het zuiden van de Roostee tot 0,8 m beneden maaiveld ter hoogte van de Puszta, in het oosten van het onderzoeksgebied. Deze leemschol is slechts 10 tot 15 à 20 cm dik (Veldhuis 2014) en bevat mogelijk ook onderbrekingen (Wymenga et al. 2000). Om meer inzicht te krijgen in verbreiding en reliëf van deze leemschol is in februari 2014 een onderzoek met grondradar uitgevoerd. Hierbij is de leemlaag onder het grasland van de Roostee vrijwel vlakdekkend in beeld gebracht.

In het Mosterdveen konden met de grondradar alleen de paden worden bezocht; inzicht in het verbreidingspatroon van de leemschol is hier dan ook verre van volledig (Veldhuis 2014). Figuur 6.1 toont de diepteligging van de leemlaag ten opzichte van maaiveld volgens het grondradaronderzoek. De leemlaag blijkt een iets ruimere verbreiding te hebben dan eerder ingeschat. In en direct rond het Mosterdveen ontbreekt de leemlaag alleen in het uiterste noorden (noordoostelijk van vennen A en F), in het uiterste oosten op recreatieterrein Samoza (ten noordoosten van ven C), in het zuidelijke deel van de Roostee en tussen de Roostee en ven D. Leem ontbreekt ter plaatse van de roze gemarkeerde delen/routes in figuur 6.1. Ten opzichte van het eerdere beeld loopt de leemlaag iets verder door ten noorden van ven F en iets verder ten (zuid)westen van ven D. Ook is onder een groter deel van Roostee leem aanwezig dan eerder gedacht. In het centrale deel van het Mosterdveen (rond de vennen D, C, B, K, E en I) konden geen metingen gedaan worden. Gezien de vennen en natte laagten is het waarschijnlijk dat de leemlaag daar (grotendeels) wel aanwezig is. Aan de zuidgrens van de verbreiding in de Roostee ligt de leemlaag het diepst onder maaiveld. Dat komt omdat er daar landduinen bovenop zijn gevormd. Iets zuidelijker ontbreekt de leem:

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

39

dat is geen effect van een beperkt bereik van de sensor, want waar de leemlaag diep lag is het bereik van de sensor vergroot. In het oosten en uiterste noorden van het projectgebied ligt de leemlaag het dichtst onder maaiveld. Om een indruk te krijgen van de helling van de bovenzijde van de leemlaag, is deze in figuur 6.2 weergegeven t.o.v. NAP. Op delen die na februari 2014 geplagd zijn is de hoogteligging in werkelijkheid iets (de plagdiepte) hoger. Onder de Roostee is de bovenzijde van de leemlaag vrijwel vlak. De iets lagere ligging rond de huidige plas is een artefact als gevolg van het plaggen. Onder het Mosterdveen helt de leemlaag in grote lijnen vanuit het zuiden (rond ven D; ca. 17,3 NAP) naar het noorden (richting het Beenbreekven, ven F; ca. 14,0 m NAP). Tevens lijkt het alsof westelijk van ven D een rug in de leemlaag aanwezig is zodat de leemlaag vanuit hier ook richting ven C en ven E helt (maar het kan ook een artefact zijn die samenhangt met interpolatie). Op het recreatieterrein ontbreekt de leemlaag, evenals in het zuidwestelijke deel van het projectgebied. Waarschijnlijk ligt de grens van de leemschol enkele tientallen meters oostelijk van de vennen D en C. In dat geval is er bij ven D alleen aan de westkant een smalle zone met leem aanwezig. De leemschol is van groot belang voor de lokale hydrologie.

Erboven is een schijnspiegel aanwezig waardoor de freatische grondwaterstand enkele meters hoger is dan de stijghoogte van het eerste watervoerende pakket. In neerslagrijke perioden bolt de schijnspiegel vooral op onder de aanwezige (stuif)duintjes en randwallen. Vandaaruit stroomt het - de helling van de leemlaag volgend - ondergronds naar de aangrenzende laagten en van daaruit aan de stroomafwaartse kant weer verder naar de volgende laagte in de cascade. Met name in het Andromedaven (ven C), de Witte klap (ven G) en ven D - die begrensd worden door een stuifduin of randwal - zorgt dit voor een relatief hoge pH (Wymenga et al. 2000). De omvang van het intrekgebied en het hoogteverschil zijn van belang voor de hydrologische buffering. Bij vennen D en C is het intrekgebied groot, maar het hoogteverschil tussen het hooggelegen ven D en de randwal is beperkt. Bij ven G is het hoogteverschil tussen ven en de omliggende duintjes groot, maar is het intrekgebied kleiner. Ven C is daarmee het meest gebufferd, wat ook blijkt uit de hogere bicarbonaatgehaltes (Veen 2014). Dat strookt ook met de aanwezigheid van kenmerkende plantensoorten in ven C.

Mogelijkheden van verder terugdringen van bos rond de vennen Verwijderen of omvormen van bos kan bijdragen aan verbetering van de hydrologische omstandigheden van een ven als het bos op het intrekgebied staat, als de leemlaag onder het intrekgebied hoger ligt dan in de laagte met het ven én de bovenzijde van de leemlaag helt in de richting van die laagte. Hoe groter dat gebied en hoe dikker de zandlaag boven het leem, hoe meer de schijnspiegel op kan bollen in natte tijden en hoe groter de voeding van het ven. Helaas geven de grondradardata geen vlakdekkend beeld van de verbreiding en de helling van de bovenzijde van de leemlaag onder het Mosterdveen. Dat maakt het (beter) vaststellen van de intrekgebieden erg lastig. Voor locaties waar rond vennen nog veel bos aanwezig is gaan we hieronder in op de mogelijkheden: •

Omgeving ven D en K: Rond ven D loopt een smalle, hoge rand met naaldbos. Ten westen en noorden van ven D lijkt de bovenzijde van de leemlaag af te lopen richting ven D en (noordelijker) ven K. Beide vennen zijn gevoelig voor droogval in droge, warme zomers en gebaat bij een grotere wateraanvoer vanuit de omgeving. Die voeding zou wellicht vergroot kunnen worden door aan de westzijde van ven D, op het hoogste deel van de leem en de helling richting de vennen, bos te verwijderen (d.w.z. binnen de gestreepte contour in figuur 6.3). De boomlaag bestaat er vooral uit grove den en wat berk. Op korte afstand van de bosrand loopt een pad. Bos verwijderen tot aan dat pad vergroot de kans dat mensen de

40

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

Figuur 6.1 – Ligging van de leemlaag t.o.v. maaiveld (bron: Veldhuis 2014) . Met paars is aangegeven waar vastgesteld is dat de leemlaag ontbreekt.

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

41

Figuur 6.2 – Ligging van de leemlaag t.o.v. NAP. Met paars is aangegeven waar vastgesteld is dat de leemlaag ontbreekt.

42

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

(kwetsbare) venranden opzoeken en dat is niet wenselijk. Dan blijft er hooguit een hele smalle zone over waar bomen verwijderd kunnen worden, met een beperkte hydrologische winst. Voorgesteld wordt om in het gevulde gele vlak in figuur 6.3 geleidelijk aan wat bomen te ringen, zodat het bos dunner wordt. Aan de oost- en zuidzijde van ven D (buiten de streeplijn in figuur 6.3) moet het bos in ieder geval behouden blijven, als afscherming tussen ven en camping.

Figuur

6.3

–

Binnen

gele

contour:

potentieel geschikte locatie om bos te verwijderen om de toevoer van water naar vennen D en K te vergroten. Gevulde gele vlak: en voorgesteld deel om bos te dunnen.

•

Omgeving ven C: Om de wateraanvoer naar dit ven te versterken zou in beginsel het bos ten zuiden en zuidoosten van ven C verder teruggezet kunnen worden. Dit alleen voor zover het bos boven de leemlaag ligt. Ook om bladinval in het ven te vermijden zou het terugzetten van bos wenselijk zijn. Er zijn echter een aantal redenen om dat niet te doen: Er is niet bekend in hoeverre daar leem aanwezig is en of de bovenzijde ook richting het ven helt. Bovendien is de bosstrook tussen ven en recreatieterrein smal en dient deze als afscherming gehandhaafd te blijven. Daarbij komt dat de vegetatie van dit ven goed ontwikkeld is en zich goed handhaaft, ook bij een reeks droge zomers. Al met al voldoende redenen om niet in te grijpen in dit bos.

•

Omgeving ven A: Hier is al veel bos aangepakt om de voeding van het ven te versterken, maar er zijn meer mogelijkheden. De grondradardata doen veronderstellen dat het bos ten zuidoosten van ven A (a in figuur 6.4) tot het intrekgebied van dit ven te behoort. Aanpakken van het bos op deze locatie zou ten gunste komen van ven A. Datzelfde geldt voor bos aan de noordoostkant (b in figuur 6.4), dat bovendien ook helt naar de heide ten noorden van ven A.

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

43

Deel a is momenteel al loofbos en omvorming van naald- naar loofhout is daar dan ook niet relevant. Wel kan gedacht worden aan geleidelijk dunnen van dit bos, door het ringen van een deel van de bomen (met name Amerikaanse eiken). Deel b is wél naaldhout. Voorgesteld wordt om dat geleidelijk aan te dunnen. Eventuele (opkomende) loofbomen kunnen gespaard worden, zolang het gaat om enkele verspreide exemplaren.

b

a

Figuur 6.4 – Geel: potentieel geschikte locaties om bos terug te dringen, om de toevoer van water naar ven A en deels ook de heide ten noorden daarvan te vergroten. Blauwe sterren: zie tekst.

De delen die in figuur 6.4 zijn aangegeven met een blauwe ster zijn (’s winters) natte laagten. Gezien maaiveldhoogte en de zeer ondiepe aanwezigheid van leem is de indruk dat verwijderen van bos op die locaties niet bij zal dragen aan verdere vernatting van ven A. Ze liggen al erg laag en de inschatting is dat er na kappen wisselvochtige laagten ontstaan met geringe botanische waarden. •

Ten zuiden van ven F: Het bos ten zuiden van ven F ligt op een hele flauwe helling, en dat lijkt ook te gelden voor de bovenzijde van de leemlaag. Eerder is al een brede strook bos verwijderd. De winst van verwijderen van nog meer bos om de toevoer van grondwater naar F te vergroten lijkt hier beperkt.

Figuur 6.5 – Bos ten zuiden van ven F.

44

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

•

Ten westen van ven F: Westelijk van ven F is in het bos een nattere plek aanwezig, met bovendien een wat afwijkende samenstelling (met o.a. berk). Vraag: Is het zinvol is om het bos daar open te maken en te verbinden met ven F? Figuur 6.6. toont de situatie aan de westkant van ven F. De onderbroken witte lijn markeert een laagte die door de aanleg van het pad lijkt te zijn afgesneden van het ven. Het drukriool onder het pad heeft inmiddels geen functie meer. Dat biedt de mogelijkheid om leiding, pad en greppels erlangs weg te halen en de laagte bij het ven te trekken. Daarvoor dienen de bomen verwijderd te worden en de maaiveldhoogte zo aangepast, dat deze net iets hoger ligt dan, en licht afloopt naar, ven F. Mogelijk dat daarvoor de greppels aan weerszijden van het pad iets verontdiept moeten worden. Door de bosrand terug te zetten tot aan de voet van de zandrug – de onderbroken rode lijn – kan bovendien de grondwatervoeding van het ven toenemen. Het pad kan dan vervangen worden door een vlonderpad (zie § 6.5).

Ven F laagte

pad

huidige bosrand

Figuur 6.6 – Huidige en voorgestelde situatie aan de westzijde van ven F (ondergrond: AHN4).

•

Omgeving ven G: Ven G is omgeven door een smalle, hoge, beboste zandrug. In figuur 6.7 is te zien dat de laagte waarin het ven ligt doorloopt naar zowel het westen als het noorden. Buiten het huidige ven is de laagte bebost. Grondradardata ontbreken hier. Verwijderen van bos op de hogere delen zal naar verwachting niet veel effect hebben op de hydrologische omstandigheden in het ven, omdat de hogere rand en de helling ervan richting het ven op de meeste plaatsen maar smal is. Bos verwijderen in het lage deel zou wel de verdamping iets kunnen beperken: dat geldt met name voor de laagte rondom het huidige ven. Het grootste deel daarvan is echter geen eigendom van de gemeente Nunspeet. Voorgesteld wordt om aan de zuidkant een corridor te maken om ven G te verbinden met het open deel van het Mosterdveen, waar onder meer libellen van kunnen profiteren. Aan de zuidkant is de zandrug, en dus het intrekgebied, bovendien breder en lijkt meer winst te halen qua voeding van ven A. De laagte aan de oostkant van deze rug zou goed deel uit kunnen maken van de corridor, (eventueel) samen met een deel van de zandrug.

•

Ten noorden van ven G: Aan de noordoostzijde van ven G ligt een natte laagte in het bos, waar soms water uittreedt. Vraag: is dit water afkomstig uit ven G of van elders? Het lijkt te

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

45

gaan om het meest donkerblauwe deel op de hoogtekaart in figuur 6.7. Grondradardata zijn er niet van dit deel van het gebied.

natte laagte

Ven G

Ven G

Figuur 6.7. – Luchtfoto en hoogtekaart (AHN4) van ven G en omgeving. Geel: potentieel geschikte locatie om bos te verwijderen (zuidelijke lage deel buiten huidige ven en deel van de hoge rand). Onderbroken lijn: natte laagte ten noorden van ven G. Blauwe peil: door het verwijderen van bos kan een corridor gemaakt worden tussen het ven en het open gebied aan de zuidoostzijde.

Gezien de hoogtedata van de AHN4 lijkt het waterpeil in ven G, in ieder geval in natte perioden, iets hoger te zijn dan de laagte in het bos. Het is dan ook waarschijnlijk dat het uittredende water in de laagte afkomstig is uit ven G. Verwijderen van bos uit deze laagte levert naar verwachting niet veel winst op: het resultaat is waarschijnlijk een wisselvochtige laagte met weinig botanische potenties en ook weinig meerwaarde voor (de hydrologische omstandigheden van) ven G. •

Omgeving ven L: Het bos aan de noordzijde van ven L vormt het intrekgebied van dit ven. Deels opener maken of terugzetten van de bosrand kan de toevoer van water naar het waarschijnlijk iets vergroten. Bovendien neemt met een grillige bosrand ook de variatie in microklimaat toe, wat gunstig is voor onder meer insecten.

6.1.2 Pad, greppels en sloten Pad ter hoogte van de slenk Vraag: vormt het pad ter hoogte van de slenk een barrière voor de doorstroming van water, en zo ja moet daar iets aan worden gedaan? Bij uitvoering van de inrichtingsmaatregelen in 2014/2015 is van het pad tussen de vennen I en A is de verharding verwijderd. De hoogte van het pad is met zand aangesloten op het maaiveld in de omgeving. Het pad zelf vormt daardoor geen hydrologische barrière meer (zie figuur 2.4). Wel is het zaak om er, met de toenemende aantallen atb’ers, voor te zorgen dat het pad ook op de juiste hoogte blijft én niet steeds breder wordt: zie daarvoor paragraaf 6.5.

46

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

Opgevulde greppels en slootjes Vraag: Sommige greppels en slootjes zijn in het verleden deels opgevuld, met als reden om veranderingen geleidelijk te laten verlopen, vooral t.b.v. de fauna (o.a. gentiaanblauwtje). Ook zijn er greppels die opgevuld zijn tot boven het omringende maaiveld. Moet daar nog iets aan veranderen? Deels opgevulde greppels liggen met name in de lage venige delen in het slenkensysteem. Als ze geen water afvoeren - uit een ven of uit het gebied als geheel - is het hydrologische effect gering. Hooguit is de verdamping iets groter is dan vanuit de omringende vegetatie, maar op het geheel maakt dat weinig uit. Dergelijke ondiepe greppelrestanten voegen variatie toe en vormen (daardoor) ook leefgebied voor sommige kenmerkende soorten. Er hoeft dan ook niets aan gedaan te worden. In venige delen zullen ze bovendien geleidelijk dichtgroeien. Andere greppels zijn juist te ver opgevuld en zijn nu als hogere en deels verruigde banen zichtbaar. Doorgaans liggen dergelijke greppels niet dwars op de hoogtegradiënt, en vormen ze dus geen barrière voor water dat oppervlakkig afstroomt naar laagten. Er is dan weinig aanleiding om opnieuw in te grijpen met alle verstoring van dien. De afwijkende vegetatie voegt bovendien enige variatie toe. Er zijn twee uitzonderingen:

Ven A

uitstroom over pad Figuur 6.8. – Afwatering ter

Ven I

hoogte van de vennen B en I

barrière?

richting ven A. Rode en oranje

uitstroom over maaiveld

pijlen:

op

7

waargenomen

maart

2022

afwatering.

Gele pijl: voorgestelde locatie voor afwatering van ven I naar ven A. Ondergrond: AHN4,

Ven B

geel = hoog, blauw = laag.

De eerste uitzondering betreft de situatie ter hoogte van het pad door de slenk, zie figuur 6.8. Daar zijn greppels in en langs ven I opgevuld tot boven het omringende maaiveld, waardoor ze mogelijk een barrière vormen voor oppervlakkige afstroming. Tijdens het veldbezoek in maart 2022, met hoge waterstanden na een hele natte periode, stroomde water over de rand van ven B en vervolgens over het pad richting ven A (rode resp. oranje pijl in figuur 6.8). Dat water vindt dus, na het dempen van verscheidene greppels, zijn eigen weg wel. In ven I echter, was de indruk, stagneert water achter de ver opgevulde greppels (de onderbroken zwarte lijn). Dat zou betekenen dat er geen doorstroming is van ven I naar ven A, uitzonderlijk hoge waterstanden daargelaten. De waterstand in ven I kan daardoor periodiek verder oplopen dan voorheen en het kan ook leiden tot (langere) inundaties van de randzones. Enerzijds is dat positief, maar mogelijk heeft dat ook negatieve gevolgen voor b.v. klokjesgentiaan en de knoopmieren. Als onderdeel van een doorstroomsysteem is enige doorstroming vanuit ven I naar ven A gewenst. Om dat

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

47

mogelijk te maken, wordt voorgesteld om een verlaging aan te brengen in de greppelrand. En dat ongeveer ter hoogte van de gele pijl in figuur 6.8, aansluitend aan het volgens de AHN4 laagste deel van ven I. Voor de drempelhoogte kan 17,0 m NAP aangehouden worden (conform Van Belle 2011). Als breedte van de verlaging lijkt ca 1,5 m voldoende.

Figuur 6.9. – De witte contour markeert een ver opgevulde greppel ten noordwesten van ven K. Blauwe pijl: gezien de hoogteligging logische locatie voor het aanbrengen van een verlaging.

Ven K

Achtergrond

AHN4, oranje/geel = hoog, blauw = laag.

De tweede uitzondering betreft een te ver opgevulde greppel ten noordwesten van ven K. Deze locatie is in het kader van dit project niet bekeken, maar wel tijdens de PKN-excursie van 2 juni jl. De ‘greppel’ is daarbij als een potentieel knelpunt beoordeeld (med. J. Lenssen, provincie Gelderland). Dat wordt ondersteund door de hoogteligging: de opgevulde strook ligt op de hoogtegradiënt van zuid naar noord (zie figuur 6.9) en zou een barrière kunnen vormen in de oppervlakkige afstroming van water in noordelijke richting. Geadviseerd wordt om één of enkele verlagingen aan te brengen in deze drempel, aansluitend op de maaiveldhoogte aan de noorden zuidzijde. De pijl in figuur 6.9 lijkt daar in ieder geval een geschikte locatie voor te zijn. Resterende greppels en slootjes Vraag: In het gebied zijn op verscheidene plaatsen nog greppels aanwezig, moet daar iets aan gedaan worden? Op de AHN4 en de luchtfoto zijn ze goed zichtbaar. Voorbeelden zijn onder meer het ringslootje langs ven D, de resterende greppelsstructuren ten oosten van ven A, de greppels in de heide rond ven F en de sloot die vanaf de omgeving van ven L en J zuidwaarts loopt. De vraag is in hoeverre het nuttig is om deze af te dammen of te dempen. Cruciaal daarbij is of ze nog water afvoeren uit de vennen en/of naar buiten het gebied. Als gevolg van het veranderende klimaat komen droge zomers steeds vaker voor.

Om droogval te beperken is het zaak om waterverlies maximaal tegen te gaan. Greppels die geen water afvoeren vormen doorgaans geen probleem (zie eerder). Greppels die wél water afvoeren moeten in ieder geval afgedamd worden en, afhankelijk van de diepteligging, ook verontdiept.

48

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

Ven J Ven L

Figuur 6.10. – Ter hoogte van de vennen J en L: de rood aangegeven greppel voert mogelijk water af uit het gebied.

De indruk is, op basis van het veldbezoek en overleg met de beheerder, dat er inmiddels geen greppels of sloten meer zijn die water afvoeren uit vennen of uit het gebied. De resterende greppelrestanten vormen geen probleem en hoeven niet gedempt te worden. Uitzondering vormt de greppel die tussen ven J en ven L zuidwaarts loopt (figuur 6.10): mogelijk voert deze in natte tijden water af uit het gebied. Er is onvoldoende informatie om te beoordelen of er iets moet en kan veranderen aan de bestaande situatie, ook gezien het aangrenzende particuliere eigendom. Mocht er inderdaad sprake zijn van (periodieke) waterafvoer, dan is het wenselijk om de greppel af te dammen of te dempen. Een alternatief is wellicht om de greppel ter hoogte van de bosrand te voorzien van een regelbare uitlaat. 6.1.3 Overige hydrologische zaken Water uit de Roostee Vraag: Is het zinvol om water uit de Roostee te benutten in het Mosterdveen? Rond dezelfde tijd dat de laatste maatregelen in het Mosterdveen zijn uitgevoerd is ook de Roostee ingericht. Daar wordt gestreefd naar ontwikkeling van onder meer zwakgebufferde venvegetaties. De particuliere eigenaar heeft na de inrichting, vanwege wateroverlast, een sloot gegraven die op piekmomenten water afvoert uit de Roostee naar het bos aan de noordzijde.

Dat overtollige water zou goed benut kunnen worden in het Mosterdveen, in de laagte waarin de vennen L en J liggen. Voorwaarde daarbij is wel, dat het water een goede kwaliteit heeft. Om de mogelijkheden goed in te kunnen schatten, zou een aantal zaken verkend moeten worden: • Wat zijn de peilfluctuaties in het Roostee-ven en hoeveel water wordt er nu afgevoerd naar het bos? Dit om een indruk te krijgen van de eventuele te benutten overschotten (waarschijnlijk gaat het om veel water gedurende enkele dagen per jaar; med. H. Huijskes, provincie Gelderland). • Wat is de kwaliteit van het water? Bij voorkeur voldoet het qua nutriëntengehalten aan de kwaliteitseisen van (zeer) zwak gebufferde vennen 1. • Kan bij benutting van het Roostee-water introductie van watercrassula vermeden worden? Momenteel woekert watercrassula, een invasieve exoot, in de Roostee en wordt bekeken hoe ze bestreden kan worden.

1 Zie o.a. https://www.natura2000.nl/profielen/h3160-zure-vennen en

https://www.natura2000.nl/profielen/h3110-zeer-zwakgebufferde-vennen

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

• • • •

49

Wat is de verspreiding en diepteligging van de leemlaag in het westelijke deel van het Mosterdveen, met name ter hoogte van de vennen L en J? Hoe zou het water het beste van de Roostee naar het perceel met ven L geleid kunnen worden? Wat zijn de eventuele gevolgen voor het particuliere perceel ten zuiden van ven L? Wil de eigenaar van de Roostee meewerken en zo ja, onder welke voorwaarden?

Wellicht past de beantwoording van deze vragen in een evaluatie van het Roostee-project door de provincie Gelderland. Daarin zou ook meegenomen kunnen worden wat het effect is van de afvoer van water naar het bos op de natuurwaarden in de Roostee zelf en de omgeving. Verontdiepen ven B Vraag: In hoeverre is verontdiepen van ven B een zinvolle maatregel? In en direct langs het open water van ven B ontbreken vensoorten zo goed als geheel. In 2020 is alleen snavelzegge aangetroffen en in 2012 enig waterveenmos. Daarvoor is een aantal mogelijke oorzaken aan te geven: In 2009 was het ven voedselarm en zuur (Scherpenisse et al. 2009). Ondanks enige buffering, van bijna 0,1 milli-equivalent/l, was de pH van de waterlaag 4,8. De buffering komt niet door bicarbonaat maar waarschijnlijk door gereduceerd ijzer. Het gehalte aan bicarbonaat in de waterlaag was laag (< 10 µmol), mede door de lage pH. Het gehalte aan koolzuur was met 82 µmol dusdanig laag dat het beperkend is voor waterplanten om CO2 uit de waterlaag op te kunnen nemen 2. Het is onduidelijk of de in 2009 gemeten koolzuurconcentratie een goed beeld geeft over een heel jaar, aangezien het koolzuurgehalte door het jaar sterk kan fluctueren. Ook is niet zeker of de situatie anno 2022 nog dezelfde is als in 2009. Maar aangezien vensoorten in 2020 nog steeds vrijwel ontbraken, is dat wel te verwachten.

Kennelijk heeft het kappen van bos in de omgeving niet geleid tot een significante verhoging van het CO 2-gehalte in het ven. Afbraak van organisch sediment op de bodem - één van de (andere) bronnen van CO2 in de waterlaag – zal hier gering zijn, aangezien waterplanten in het ven ontbreken en zich dus ook nauwelijks bagger kan ontwikkelen. Het relatief grote oppervlak open water van ven B draagt, door windwerking, bij aan verlies van koolzuur vanuit de waterlaag naar de atmosfeer. Wat verder mee kan spelen in het vrijwel ontbreken van waterplanten is de bruinkleuring van het water, door humuszuren. In veel Nederlandse vennen dringt door de bruinkleuring te weinig licht door in de diepere waterlaag, waardoor slenkveenmossen zich vaak niet dieper dan 0,5 m onder het oppervlak kunnen handhaven. Of verontdiepen van ven B wel kan leiden tot ontwikkeling van waterplanten is maar de vraag. Door het verontdiepen krijgt het ven meer een schotelvorm. Daardoor neemt de verhouding wateroppervlak (koolzuurverlies) ten opzichte van bodem- en oeveroppervlak (aanvoer van koolzuur via grondwater) toe en is per saldo nog meer verlies van koolzuur te verwachten. Wel zou in het door humuszuren bruingekleurde water na verontdiepen mogelijk meer licht tot op de bodem door kunnen dringen. Daardoor verbeteren de omstandigheden voor vestiging van soorten als knolrus of duizendknoopfonteinkruid.

Per saldo is er onvoldoende reden om verontdieping van ven B te adviseren. Overwogen kan worden om het inzijgingsgebied van ven B te bekalken, voor zover het gaat om locaties waar (nog) weinig humus aanwezig is. Daarvoor kan bijvoorbeeld dolokal of mergel gebruikt worden 3. Het idee is dat de kalk oplost en via het ondiepe grondwater naar het ven stroomt en daar de koolzuurspanning verhoogt.

2 http://sleutels.natuurkennis.nl/vennensleutel 3 http://sleutels.natuurkennis.nl/vennensleutel/?module=article&action=html_by_id&id=85

50

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

Een alternatieve maatregel om het koolzuurverlies te beperken zou het inbrengen van wat boomstronken kunnen zijn die boven water uitsteken. Daarmee neemt de windwerking (enigszins) af, terwijl de morfologie van het ven verder intact blijft. Monitoring waterstanden Vraag: Is het zinvol om de (grond)waterstanden te monitoren? Het monitoren van (grond)waterstanden kan een hulpmiddel zijn om het waterbeheer (beter) te regelen. In het Mosterdveen heeft monitoring voor dat doel weinig zin, omdat er niet of nauwelijks opties zijn om het peil actief te reguleren. Er is sprake van een lokaal systeem waarbij de interne hydrologische herstelmogelijkheden inmiddels zo goed als volledig benut zijn. Het enige ‘knopje’ waaraan gedraaid kan worden is de drempelhoogte van de doorvoer van het ene ven naar de volgende in de cascade. Een andere reden om de (grond)waterstanden te volgen is om beter te begrijpen hoe het systeem werkt en om veranderingen in vooral de vegetatie en in mindere mate de fauna (mede) te verklaren. In dat geval zijn er meerdere meetpunten (peilbuizen met dataloggers) in het doorstroomsysteem nodig: te denken valt aan meetpunten in de vennen C, B of I, A en eventueel F. Het zou goed zijn om op die locaties dan ook de waterkwaliteit te bepalen, zodat relaties gelegd kunnen worden met de waterstanden en de veranderingen daarin.

Het is zaak om binnen een meetjaar in ieder geval te meten in de (doorgaans) meest natte en meest droge periode van het jaar: resp. februari/maart en ca. augustus. Voor de te meten parameters komen pH, EGV, nutriënten en macro-ionen in aanmerking (zie ook de eerdere kwaliteitsmetingen in het Mosterdveen: o.a. Scherpenisse et al. 2009, Wymenga et al. 2000). Er zou eerst een reeks van jaren gemonitord kunnen worden (b.v. 3 jaar) om grip te krijgen op de schommelingen die zich voordoen. Afhankelijk van de resultaten daarvan kan een nadere monitoringsfrequentie worden bepaald.

6.2

Bosomvorming

Vraag: Wat is de meerwaarde van bosomvorming? Het omvormen van bos naar een bostype zonder exoten en met meer structuurvariatie is om een aantal redenen gunstig: •

•

•

Afname van het aandeel naaldhout zorgt ervoor dat de verdamping afneemt, waardoor er meer water in kan zijgen en eventueel ten gunste kan komen aan de nattere delen van het gebied en de natuurwaarden die zich daar bevinden. Dat aspect is besproken in § 6.1.1. Een bos met inheemse plantensoorten biedt ruimte aan inheemse insecten en andere dieren en levensvormen die daar in de loop van hun evolutie op zijn afgestemd. Dat is belangrijk in deze tijd waarin de inheemse biodiversiteit het zwaar heeft. Verder biedt een bos met meer structuurvariatie - door open plekken, struiken, dode bomen (staand of liggend), een grillige bosrand, verschillende boomsoorten - ook meer variatie in microklimaat. Het biedt onder andere insecten (libellen, dagvlinders) meer geschikte plekjes om op te warmen, voedsel te zoeken of beschutting te vinden tegen zon of wind. Structuurrijke bosranden bieden ook ruimte aan bijvoorbeeld kleine zoogdieren om zich onder dekking te verplaatsen en aan hazelworm om op te warmen. Vooral op zon gerichte bosranden (dus op het zuiden of westen) zijn daarbij interessant.

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

51

Geschikte locaties voor bosomvorming met vergroting van structuurvariatie is het bos ten zuiden van ven F en de bosdelen waarvan in § 6.1.1 is voorgesteld om te dunnen: tussen ven D en ven K, ten noorden en zuidoosten van ven A en ten noorden van ven L, en de rand van het bos tussen Samoza en het open deel van het Mosterdveen (zie figuur 6.10). Vooral de wat grotere delen daarvan zijn kansrijk, omdat er dan ook ruimte is voor variatie. Vraag: Hoe kan de ondergroei en/of de randzone van bos ontwikkeld worden (o.a. als afscherming richting camping)? De structuurvariatie kan vergroot worden door een aantal hoge bomen te kappen. Daardoor kan er meer licht op de bodem komen, waar struiken en boomopslag van kunnen profiteren. Streven is omvorming naar berken-eikenbos. Exoten, als douglasspar, lariks of Amerikaanse eik hebben bij het verwijderen dan ook de voorkeur. Een andere optie om de struiklaag te stimuleren is door een aantal bomen in de randzone van het bos in hakhout te zetten. Dat kan bijvoorbeeld bij eik, berk of vuilboom. De bomen worden dan afgezaagd op een hoogte die overeenkomt met de diameter van de stam, waarna ze weer uit kunnen gaan lopen. Zo nodig kunnen gewenste soorten worden aangeplant of in ieder geval gespaard. Voor de hand liggende soorten zijn dan zomereik en wilde lijsterbes.

Er kan ook gekozen worden voor soorten die een wat rijker, beter verteerbaar strooisel produceren. Dat zijn bijvoorbeeld ruwe berk en lindesoorten, maar ook wilde lijsterbes en vuilboom. Rijkstrooiselsoorten stimuleren onder meer het bodemleven, kunnen (op de langere termijn) verzuring tegengaan en zijn gunstig voor de biodiversiteit (zie o.a. kennisblad-rijkstrooiselsoorten.27e662 (1).pdf). Bij het aanplanten van soorten lijkt het verstandig de jonge bomen en struiken enige tijd met een raster te beschermen tegen vraat door wilde zwijnen. Een andere optie om de variatie te vergroten is het laten liggen of aanbrengen van dood hout.

6.3

Specifieke soorten

Vraag: is herintroduceren van gentiaanblauwtje een optie? Gentiaanblauwtje is verdwenen uit het Mosterdveen en ook op de Veluwe als geheel komt de soort recent nog maar op een beperkt aantal plaatsen voor. De dichtstbijzijnde leefgebieden liggen op meer dan 12 km afstand (Wallis de Vries et al. 2019). Binnen het Mosterdveen heeft ook de waardplant van het gentiaanblauwtje, klokjesgentiaan, het moeilijk. Eventuele herintroductie luistert op verschillende onderdelen zeer nauw (b.v. ten aanzien van de samenstelling van de koolstofmantel van de waardmieren) en moet dan ook in samenhang met andere gebieden beschouwd en opgepakt worden. Dat is niet een zaak voor het Mosterdveen op zich. Door de Vlinderstichting (M. Wallis de Vries) wordt momenteel gewerkt aan een herstelplan, in opdracht van de provincie Gelderland. Vraag: Zijn maatregelen nodig en mogelijk om de gevlekte witsnuitlibel te stimuleren? De gevlekte witsnuitlibel kwam in 2012 alleen voor in ven F en heeft zich sindsdien uitgebreid naar de vennen A en C. Ook elders breidt deze zich de laatste jaren uit. Er zijn dan ook geen aanvullende maatregelen nodig in het gebied om deze soort te stimuleren. Dat strookt met de bevindingen van Van Grunsven & Bos-Groenendijk (2022): De gevlekte witsnuitlibel is een Habitatrichtlijnsoort waarvoor de Veluwe (mede) is aangewezen.

Er geldt een uitbreidingsdoel waarbij door verbetering van het leefgebied een duurzame populatie moet ontstaan. De maatregelen die nodig zijn om die doelstelling te realiseren zijn

52

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

Figuur 6.10. – Overzicht van in hoofdstuk 6 voorgestelde maatregelen.

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

53

recent uitgewerkt (Van Grunsven & Bos-Groenendijk 2022). Daarin wordt aangegeven dat het Mosterdveen momenteel een goede populatie lijkt te herbergen en dat op korte termijn geen maatregelen nodig zijn. Vraag: Is het zinvol om meer broeihopen aan te leggen voor de ringslang? Het verblijfgebied van de ringslang ligt momenteel op de camping Samoza. Daar is voldoende materiaal aanwezig om eieren in te leggen, als composthoopjes en tuinafval. Er worden geregeld waarnemingen van de soort gemeld. Er is dan ook geen aanleiding om in het Mosterdveen zelf broeihopen aan te leggen. Bovendien dient daarvoor voedselrijk materiaal aangevoerd te worden, wat niet wenselijk is voor de daar gewenste voedselarme omstandigheden.

6.4

Beheer

Vraag: Welke SNL-beheertypen zijn passend voor het gebied? In de huidige situatie (beschikking 2017-2022) gelden voor het Mosterdveen de SNLbeheertypen N06.04 Vochtige heide, N06.06 Zuur ven of hoogveenven, N16.01 Droog bos met productie (beperkte oppervlakte) en, op de voormalige campinglocatie, N12.02 Kruiden en faunarijk grasland. Gezien de hoogteligging en de verdere aard van het terrein en de vegetatieontwikkeling ter plekke ligt het voor de hand om voor het recent ingerichte terrein N12.02 te veranderen in N07.01 Droge heide. Voor zover dat beoordeeld kan worden sluiten N06.04 en N06.06 aan bij de actuele situatie. Voor het bos binnen het plangebied ligt N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos voor de hand. Vraag: Hoe kan de heide het beste beheerd worden? Het beheer in het heidegebied is gericht op het tegengaan van verbossing en vergrassing. Op de drogere delen van het gebied kunnen daarvoor schapen ingezet worden, hetzij door drukbegrazing binnen een flexnet hetzij door (al dan niet meer extensieve) gescheperde begrazing. Drukbegrazing kan ingezet worden om sterke vergrassing, hier doorgaans met pijpenstrootje, terug te dringen. Het dient om de productie af te voeren, de vegetatie opener en de strooisel- en humuslaag dunner te maken. Omdat pijpenstrootje ’s winters blad verliest, vindt begrazing plaats in de periode juni-augustus.

Drukbegrazing moet worden doorgezet totdat de grassendominantie duidelijk doorbroken is en er ruimte is ontstaan voor de kieming van struikhei en andere heidesoorten. Dat kost vaak meerdere jaren. Als er geen heidesoorten meer aanwezig zijn, kan overwogen worden om enig maaisel van een andere locatie op te brengen. Uiteraard moet bij de inzet van drukbegrazing rekening gehouden worden met andere natuurwaarden, zoals de aanwezigheid van reptielen of bijvoorbeeld bijzondere insectensoorten. Dat betekent dat drukbegrazing niet wordt ingezet op locaties waar (op dat moment) kwetsbare soorten aanwezig zijn. Op minder sterk vergraste delen, of nadat de grassendominantie is teruggedrongen, kan eventueel meer extensieve, gescheperde begrazing worden ingezet. Het doel is dan om toenemende vergrassing tegen te gaan en/of boomopslag te verwijderen. Is vergrassing geen punt van aandacht, en wordt eventuele opslag op een andere manier verwijderd, dan is er geen aanvullend beheer nodig.

54

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

(Druk)begrazing is minder geschikt voor de nattere delen, vanwege het risico op vertrapping van de bodem. Overwogen kan worden om lokaal te plaggen en dan vooral gericht op het verbeteren van de omstandigheden voor soorten als klokjesgentiaan en andere natte heide- en/of venrandsoorten. Belangrijk daarbij is om kleinschalig te plaggen (smalle strookjes), dwars op de helling (van boven tot onderaan). Om klokjesgentiaan te stimuleren kan het beste maaisel uitgestrooid worden van heide met klokjesgentiaanzaad. Overwogen kan worden om voorafgaand aan het opbrengen van het maaisel eerst te bekalken (zie Van Belle 2011). Om de vegetatieontwikkeling op de plagplekken een kans te geven dienen deze voorzien te worden van een zwijnenraster. Overig beheer Naast bovengenoemde beheermaatregelen is het zaak om door te gaan met de maatregelen die beschreven zijn in hoofdstuk 2 (deels) en 3, uiteraard voor zover nodig: • verwijderen van exoten; • verwijderen van door zwijnen naar boven gewerkt puin/vuil; • verwijderen van zwerfvuil; • tegengaan van houtopslag (sparen van enkele exemplaren is belangrijk voor fauna, b.v. als uitkijkpost); • vinger aan de pols houden wat betreft de activiteiten van de zwijnen; • verwijderen van nieuwe, illegale paadjes; • surveillance, onder meer gericht op het aan de lijn houden van honden.

6.5

Recreatie

Vraag: Is het nodig om de recreatiezonering aan te passen? Op de recreatiezoneringskaart (concept) van de provincie Gelderland geldt voor het Mosterdveen zone C. Zone C geldt als rustig gebied met extensief recreatief medegebruik. De nadruk ligt er op natuurbeleving en de rustige recreatie die daarbij past. Die zonering sluit in beginsel goed aan bij de natuurwaarden van het gebied. Een belangrijk aandachtspunt in de huidige situatie is echter wel het toenemende gebruik door atb’ers en de gevolgen die dat heeft. Vooral het punt waar het centrale pad de slenk doorsnijdt, tussen ven I en ven A, is daarbij kwetsbaar (zie hoofdstuk 5 pagina 36). Voorgesteld wordt om over de slenk een vlonderpad aan te leggen. Daarmee kan schade, met name door het kapotrijden van de bovengrond en het steeds verleggen van de fietssporen, vermeden worden en het pad op de juiste hoogte blijven. Als de laagte ten westen van ven F hersteld wordt (zie hoofdstuk 6, pagina 44), kan ook daar een vlonderpad worden aangelegd om aantasting van de natte laagte te voorkomen. De aanleg van beide vlonderpaden is een goed moment om atb’ers geheel uit het kwetsbare gebied te weren. Dat kan door de beide vlonderpaden en de andere ingangen tot het gebied te voorzien van bordjes met ‘geen fietsers’.

A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen

55

7 Literatuur Arts, G.H.P., E. Brouwer, M.A.P. Horsthuis & N.A.C. Smits 2016 (update). Herstelstrategie H3160: Zure vennen. Bouwman, J. 2021. Monitoring Mosterdveen. Flora, vegetatie, dagvlinders, libellen, amfibieën en reptielen. Coöperatie Bosgroep Midden Nederland u.a., Ede. Drenth, W.W. & E. Wymenga 1995. Beheersvisie voor het Beschermd Natuurmonument Mosterdveen. A&W-rapport 98. Altenburg & Wymenga, Veenwouden. Gilbert, M. & T. Schippers 2022. Nulmeting en knelpuntenanalyse kamsalamander op de Veluwe. Stichting RAVON, Nijmegen. Groeneweg, M, K. van der Veen & J. Schut 2007. Monitoring Mosterdveen 2005. Planten, dagvlinders, libellen, amfibieën en reptielen. A&W-rapport 727. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden. Guldemond, A., W. Dijkman & W. Keuper 2015. Wilde zwijnen op weg in Nederland. CLM Onderzoek en Advies, Culemborg. Horsthuis, M.A.P. & J. Bouwman 2013. Flora, vegetatie en fauna van de heiden in de gemeente Nunspeet. Coöperatie Bosgroep Midden Nederland u.a., Ede. Jansen, A., J. Bouma, T. de Meij, U. Vegter & M. Wallis de Vries (red.) 2020. Droogte ingrijpend voor natuur in hoog Nederland. Brochure. OBN Deskundigenteams Nat zandlandschap en Beekdalen. KNNV Publishing, Zeist. OBN/VBNE, Driebergen. Klaver, B. (zonder jaar). Maatregelen Mosterdveen. Dienst Landelijk Gebied. Scherpenisse-Gutter, M.C., E. Brouwer, P.J.M. Verbeek 2009.

Beheerevaluatie Mosterdveen 2009. Evaluatie van een beschermd Natuurmonument . In opdracht van Provincie Gelderland Natuurbalans - Limes Divergens BV, Nijmegen. Van Belle, J. 2011. Camping Mosterdveen en de Puszta. Inrichtingsplan voor omvorming naar natuur. A&W-rapport 1527. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Van der Sluis, M. 2014. Ecologisch werkprotocol herstel Mosterdveen e.o.; Maatregelen ten aanzien van de Flora- en faunawet. Rapport 14-224. Ecogroen Advies, Zwolle. Van Grunsven, R. 2022. Nederlandse libellen in 1971, 2021 en 2071. Vlinder 1 (2022), p: 1920. Van Grunsven, R.A.H. & G.I. Bos-Groenendijk 2022. Instandhoudingsdoelstelling gevlekte witsnuitlibel in N2000-gebied Veluwe. Rapport VS2022.006, De Vlinderstichting, Wageningen. Veen, P., G. van Dijk & M. Karsemeijer 2014. het Mosterdveen: een doorstroomveen op het Veluwe-massief. De Levende Natuur 115(4): p. 177-183. Veldhuis, S. (red.) 2014. Geofysisch onderzoek landgoed Roostee te Vierhouten. Medus Rapport 2014-P-468. Medusa Explorations BV, Groningen. Vlottes, J.W. 2011. Landschapsecologische systeemanalyse Project Roostee, Locatie Vierhouten. Dienst Landelijk Gebied, Arnhem. Wallis de Vries, M. & J. Limpens 2020. Effecten van klimaatextremen op de habitatkwaliteit voor het gentiaanblauwtje. Rapport VS2020.018, De Vlinderstichting & WUR - Plantenecologie en Natuurbeheer, Wageningen.

Wallis de Vries, M.F., Bokelaar, J., Bouwman, J.H., Oostermeijer, J.G.B. & I. Wynhoff 2019. Beschermingsplan Gentiaanblauwtje Gelderland: advies voor actuele leefgebieden. Rapport VS2019.031, De Vlinderstichting, Wageningen. Witte, J.-P. M., D. van Deijl & G. van den Eertwegh 2020. Gevolgen voor de natuur op de Hogere zandgronden van de droge jaren 2018 en 2019; Resultaten van een enquête onder deskundigen. FWE, KnowH2O. Wymenga, E, R. Jalving & J. Bell 2000. Monitoring van water, vegetatie en fauna in het Mosterdveen. De resultaten van 2000. A&W-rapport 260. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek b.v., Veenouden i.s.m. Bell Hullenaar ecohydrologisch adviesbureau, Zwolle.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13185469/1