St. t.k.n. nr. 1. Bijlage A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen eindrapport
Tekst van het document
Evaluatie Mosterdveen
A&W-rapport 21-100
in opdracht van
Evaluatie Mosterdveen
A&W-rapport 21-100
M. Brongers W. Bijkerk
Foto Voorplaat Ven C, maart 2022, (foto: A&W)
Brongers, M. & W. Bijkerk 2022 Evaluatie Mosterdveen. A&W-rapport 21-100. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden
Opdrachtgever Gemeente Nunspeet Markt 1 8071 GJ Nunspeet Telefoon 0341 25 91 11
Uitvoerder Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv Suderwei 2 9269 TZ Feanwâlden Telefoon 0511 47 47 64 info@altwym.nl www.altwym.nl
©
Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv. Overname van gegevens uit dit rapport is toegestaan met bronvermelding.
Projectnummer 21-100
Projectleider M. Brongers
Status Eindrapport
Autorisatie Goedgekeurd
Paraaf R. de Jong
Datum 30 juni 2022
Paraaf Kwaliteitscontrole E. Oosterveld
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
Inhoud 1
2
3 4
5 6
7
Inleiding 1.1 Aanleiding en vraag 1.2 Het Mosterdveen in vogelvlucht Stand van zaken inrichting 2.1 Maatregelen inrichtingsplan 2011 2.2 Overige maatregelen Stand van zaken beheer Stand van zaken natuurwaarden 4.1 Beschikbare informatie 4.2 Ontwikkelingen Evaluatie ontwikkelingen Hoe verder? 6.1 Hydrologie 6.2 Bosomvorming 6.3 Specifieke soorten 6.4 Beheer 6.5 Recreatie Literatuur
1 1 1 5 5 11 13 15 15 20 31 38 38 50 51 53 54 55
Bijlage 1
57
Details beheer en inrichting
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
1
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en vraag
Het Mosterdveen is een complex van heide, bos en vennen met hoogveenkernen op de Veluwe dat in eigendom en beheer is van de gemeente Nunspeet. In 2015 zijn er inrichtingsmaatregelen uitgevoerd waarbij onder meer campingbedrijf Mosterdveen is beëindigd en de ondergrond en het perceel de Puszta aan het natuurgebied zijn toegevoegd. Dat is een belangrijke stap geweest in het versterken van de landschapsecologische samenhang in het gebied. De gemeente Nunspeet vindt het nu tijd om vast te stellen wat de stand van zaken is. Hoe staat het met de natuurwaarden en wat is er nodig om deze ook in de toekomst te behouden en waar mogelijk verder te ontwikkelen? De gemeente heeft Altenburg & Wymenga opdracht gegeven om dat uit te zoeken. Het gaat daarbij om het beantwoorden van de volgende vragen: 1. Stand van zaken inrichting Zijn alle maatregelen uit het inrichtingsplan van Belle (2011) uitgevoerd? Is daar eventueel van afgeweken en zo ja, wat was daarvan de reden? Zijn er sindsdien nog andere maatregelen uitgevoerd? 2. Stand van zaken beheer Welke beheermaatregelen worden in het gebied uitgevoerd, waar (globaal), met welk doel, met welke frequentie en door wie? 3.
Stand van zaken natuurwaarden Hoe hebben de natuurwaarden zich de afgelopen jaren, en met name sinds de meest recente inrichting, ontwikkeld? De focus ligt daarbij op heide-, ven- en hoogveenvegetaties en soorten die daar kenmerkend voor zijn. 4. Evaluatie ontwikkelingen In hoeverre zijn ontwikkelingen in bovenstaande natuurwaarden te relateren aan de inrichtingsen beheersmaatregelen en/of andere veranderingen? 5. Hoe verder Zijn er aanvullende maatregelen denkbaar die de omstandigheden van de beoogde natuurwaarden verder kunnen verbeteren? In de volgende hoofdstukken worden de onderzoeksvragen achtereenvolgens behandeld.
1.2
Het Mosterdveen in vogelvlucht
Over het Mosterdveen is al veel geschreven. Als vertrekpunt voor dit rapport worden de belangrijkste gebiedskenmerken in deze paragraaf nog even kort op een rij gezet (vooral op basis van Belle, 2011 en Veen et al. 2014). Het Mosterdveen maakt deel uit van een reliëfrijk gebied op de noordflank van de Veluwe. Rond 1850 was Mosterdveen onderdeel van een uitgestrekt heidelandschap met stuifzanden. Al vroeg kwam de recreatie op gang en vanaf de jaren ‘50 is er een camping aanwezig. In de jaren ’20 van de vorige eeuw is er in de omgeving van het gebied grootschalig bos aangeplant. Van het
2
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
Mosterdveen zelf zijn pas later delen bebost. Het gebied bestaat nu uit een afwisseling van droge, vochtige en natte heide, vennen met hoogveenkernen en delen bos. Er komen bijzondere natuurwaarden (planten en dieren) voor, die vooral samenhangen met de licht gebufferde vennen, hoogveenelementen en natte heiden. De grootste bijzonderheid is de Veenbloembies, een landelijk uitermate zeldzame soort. Vanwege de bijzondere natuurwaarden is het gebied in 1998 aangewezen als Beschermd Natuurmonument. Die status is met de aanwijzing van het Natura 2000-gebied Veluwe – waar Mosterdveen deel van uitmaakt – komen te vervallen. Ten oosten en zuiden van het Mosterdveen liggen stuwwallen. Ter plekke van wat nu het Mosterdveen is zijn grove zanden en grinden afgezet en, onder het grootste deel van het gebied, een slecht doorlatende leemlaag. Op de leem is dekzand afgezet en daarboven, in het zuiden en oosten van het gebied, stuifzandruggen. De hoogteligging varieert ca 8 meter, van ca 15 tot 23 m +NAP, met soms flinke verschillen over korte afstand. In grote lijnen loopt het maaiveld af van zuid naar noord. Dat geldt ook voor de bovenkant van de leemschol (Veen et al. 2014). Binnen het gebied is een stelsel van laagten aanwezig: het slenkensysteem waarin de meeste vennen liggen. Vanuit de naastgelegen zandruggen stroomt ondiep grondwater naar de lagere delen van de slenken.
Daar stagneert het water op de leemlaag in de ondergrond. Deze schijngrondwaterspiegel ligt enkele meters boven het eerste watervoerende pakket. In de slenken is vervolgens sprake van een cascadesysteem: water uit een hoger gelegen ven voedt (ondergronds en deels, als het waterpeil hoog genoeg komt, ook bovengronds) een volgend, lager gelegen, ven (figuur 1.1). Plaatselijk kan in natte perioden water lokaal in het maaiveld uittreden buiten de vennen, in het naastgelegen bosgebied.
Uittredend water in het bos ten westen van ven D, precies daar waar de leemschol eindigt (foto A&W, maart 2022).
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
3
F Beenbreekven ? A Platteveen G Witte Klap
H L
Roostee
I
B Zwemven
J
E
K
C Andromedaven D
Figuur 1.1 – Hoogtekaart van het Mosterdveen en omgeving met daarin de ligging van de vennen. A-L = codering van de vennen (conform Van Belle 2011 en Veen et al. 2014), pijlen = veronderstelde stromingsrichting van het water binnen het slenksysteem (ondergronds en/of oppervlakkig), ster = ‘verdwijnpunt’ van water naar de diepere ondergrond. De stroming van A naar F is onzeker en betreft in ieder geval geen oppervlakkige toestroming. Vanuit ven D treedt in natte tijden water uit in het bos aan de westzijde, daar waar de leemschol eindigt.
4
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
De vennen verschillen in hydrologische voeding. In vennen met een beperkt voedingsgebied (buiten het cascadesysteem) overheerst de invloed van regenwater en fluctueren de waterstanden sterker. Bij vennen met een groter voedingsgebied is het aandeel ondiep grondwater groter en zijn de waterstandsfluctuaties kleiner. De vegetaties van veenbulten en veenslenken zijn gebonden aan deze laatste, stabieler natte, vennen. In alle gevallen is het water in de vennen voedselarm en niet tot heel zwak gebufferd. Het hydrologische systeem in het gebied functioneert nog steeds. Wel hebben er in de loop der tijd allerlei aantastingen plaatsgevonden. Dat betreft vooral de camping en voorzieningen die daarmee samenhangen, de aanplant van bos, de aanleg van een pijpleiding om water in het slenkensysteem versneld af te voeren en de aanleg van een persleiding voor rioolwater door het gebied. Sinds 1998 (aanwijzing als beschermd natuurmonument) zijn er allerlei herstelmaatregelen uitgevoerd. Zo is de toegangsweg naar de camping verplaatst, zijn rond de vennen en op de heide bomen gekapt en geringd en is bos verwijderd om de corridor tussen ven A en ven F te verbreden. Ook is in een aantal vennen herstelbeheer uitgevoerd (baggeren, opschonen) en worden af en toe delen van de heide geplagd.
De uitkoop van het campingbedrijf en de aankoop van het aangrenzend perceel de Puszta maakte de weg vrij om de recreatieenclave toe te voegen aan het natuurgebied. Daarvoor is in 2011 een inrichtingsplan opgesteld (Van Belle 2011).
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
5
2 Stand van zaken inrichting 2.1
Maatregelen inrichtingsplan 2011
In 2011 is een inrichtingsplan opgesteld voor het toevoegen van de voormalige camping Mosterdveen en het aangrenzende perceel de Puszta aan het natuurgebied (van Belle 2011). Dat plan was erop gericht om de voormalige enclave maximaal bij te laten dragen aan de ecologische kwaliteit van het gebied, door vooral de hydrologische samenhang tussen de vennen te herstellen en te versterken. Het inrichtingsplan omvat een aantal maatregelen. Deze zijn op onderdelen nader toegelicht en aangevuld in Klaver (‘Maatregelen Mosterdveen’, zonder jaar). Anders dan bij Van Belle omvat het plangebied bij Klaver (z.j.) ook de omgeving van de vennen B, I, H en J. In 2011 is het campingbedrijf uitgekocht en heeft de voormalige eigenaar de campinginrichting geruimd. Het merendeel van de klanten is verhuisd naar camping Samoza, ten oosten van het Mosterdveen. In het najaar van 2014 en begin 2015 heeft inrichting plaatsgevonden. Het merendeel van de werkzaamheden is uitgevoerd door een aannemer en vooruitlopend daarop zijn bomen en delen bos gekapt onder regie van de gemeente Nunspeet. De maatregelen worden hieronder opgesomd, waarbij is aangegeven of en in hoeverre deze zijn uitgevoerd zoals gepland. Er wordt uitgegaan van de maatregelen volgens Van Belle en waar aan de orde is vermeld of er aanvullingen of wijzigingen zijn volgens Klaver.
Ten aanzien van de uitvoering wordt afgegaan op het Proces Verbaal van Opneming t.a.v. het inrichtingsproject (feb. 2015) en eventuele aanvullende informatie (waaronder Inschrijfstaat van de aannemer, AHN-gegevens). A - Verwijderen van de campinginfrastructuur Paden Nr. 1
Maatregel a. Verwijderen van verharding van het hoofdpad, waarna het maaiveld vlak wordt geschoven
b. Ter hoogte van de slenk wordt na verwijdering van het hoofdpad het gat dat daarbij ontstaat tot aan het omringende maaiveld aangevuld met zand (leemarm, fijn zand, bij voorkeur uit de directe omgeving) c. Voor zover het hoofdpad door ven F loopt dit verwijderen en verplaatsen naar buiten het ven
2
a. Verwijderen, voor zover aanwezig, van verharding van de subpaden (+ aanvulling Klaver: meer subpaden ) b. Zoveel mogelijk verwijderen, voor zover aanwezig, van verharding van overige paden.
Uitgevoerd? Ja. Resterend materiaal (grind, leem, klei, schelpen) kan blijven liggen als bron van mineralen. Ja
Niet uitgevoerd vanwege aanwezigheid drukriolering (die op een later moment is verwijderd). Ja Ja
6
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
camping Mosterdveen
Puszta
Figuur 2.1 – Mosterdveen in 2013 (boven) en 2016 (Google Earth Pro). In de onderste foto zijn ook de locatie van de voormalige camping Mosterdveen en de Puszta aangegeven.
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
Verwijderen van rioolbuizen, leidingen en funderingen Nr. 3
4. 5.
6.
Maatregel Rioolbuizen en leidingen t.b.v. voormalige jaarplaatsen voor stacaravans: doorspuiten rioolbuizen, verwijderen buizen en leidingen tot een diepte van 0,5 m -mv, afdichten van resterende rioolbuizen, afvoer van vrijkomend materiaal Leidingen t.b.v. voormalige toeristische plaatsen: verwijderen tot een diepte van 0,5 m -mv en afvoer van vrijkomend materiaal Toiletgebouwen: verwijderen gebouwen, doorspuiten rioolbuizen, verwijderen ondergrondse buizen en leidingen tot een diepte van 0,5 m mv, afdichten van resterende rioolbuizen, afvoer van vrijkomend materiaal Voormalige locatie Mosterdpot: doorspuiten rioolbuizen, verwijderen ondergrondse buizen en leidingen tot een diepte van 0,5 m -mv, afdichten van resterende rioolbuizen, afvoer van vrijkomend materiaal
Figuur 2.2 – Te dempen greppels (lichtblauw) zoals aangegeven door Klaver (z.j.)
Uitgevoerd? Ja
Ja Ja
Ja
7
8
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
Overig Nr. 7.
Maatregel Drainagesysteem in de slenk: organisch materiaal verwijderen, daarna greppel dempen met gebiedseigen zand (leemarm, fijn, bij voorkeur uit de directe omgeving) (aanvullingen Klaver: zie figuur 2.2).
8.
a. Rasters verwijderen: verwijderen draad- en gaasrasters rond de camping. b. Raster aanbrengen: nieuw raster plaatsen op de nieuwe grens met de camping. Grondwaterpompen: verwijderen van drie grondwaterpompen. De resterende gaten ter hoogte van de leemlaag, en bij voorkeur ook van eventuele andere slechtdoorlatende lagen, dichten met bentoniet of leem. Buiten deze lagen opvullen met zand of bentoniet.
9.
Uitgevoerd? Ja. Greppels zijn opgevuld tot boven omringend maaiveld (figuur 2.3) Ja Ja Ja
Figuur 2.3 – Hoogteligging ter hoogte van de doorsnijding van de slenk door het hoofdpad,. Links voor (AHN2) en rechts na (AHN4) uitvoering van maatregelen 1 en 7. Blauw = laag, groen = hoger. De rode pijlen geven de ligging van het hoofdpad aan, de witte pijlen de (opgevulde) greppels. Te zien is dat het pad lager is komen te liggen, min of meer aansluitend op het omringende maaiveld. De greppels vormen na het opvullen juist iets hoger liggende banen. Dat geldt ook voor de opgevulde greppels op de andere locaties in het gebied.
B – Inrichting ten behoeve van natuur Boomgroei Nr. 10.
11.
Maatregel Bos verwijderen: t.b.v. vochtige heidevegetaties bomen zo dicht mogelijk boven maaiveld afzagen, stobben kunnen blijven zitten, bosbodem afschrapen. Vrijkomend materiaal afvoeren (Klaver: uitbreiding areaal humuslaag c.s. verwijderen, ook rond vennen B, E, I, H, J) Bos dunnen: bos verwijderen, op groepjes loofbomen en struiken na (max. 10% van areaal), bomen zo dicht mogelijk boven maaiveld afzagen, stobben kunnen blijven zitten, bosbodem afschrapen. Vrijkomend materiaal afvoeren (areaalwijziging Klaver: deel bos aan oostzijde handhaven, daar maatregel 13, zie figuur 2.4).
Uitgevoerd? Gedaan*. Ook ten zuiden van voormalige camping is bos gekapt. Gedaan*, m.u.v. deel aan oostzijde (conform Klaver). Gespaarde bomen betreffen inlandse soorten.
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
Nr. 12.
13.
Maatregel Boomsingel verwijderen: bomen zo dicht mogelijk boven maaiveld afzagen, stobben kunnen blijven zitten, bosbodem afschrapen. Vrijkomend materiaal afvoeren Omvorming naar potentieel natuurlijke vegetatie: geleidelijke omvorming van bestaand bos naar Berken-Eikenbos door verwijderen of ringen van exoten en naaldbomen (1x per 1 à 3 jaar enkele bomen en/of struiken aanpakken) (areaalwijziging Klaver, figuur 2.4).
9
Uitgevoerd? Gedaan*
Loopt
* Vrijkomend bodemmateriaal is verwerkt in het Prunusdal en deels ook in het bos ten oosten daarvan (zie figuur 2.5).
Figuur 2.4 – Geel gearceerd: te sparen bosdeel ten oosten van ven B, zoals aangegeven door Klaver (z.j.). Blauwe contour: te sparen bosdeel volgens Van Belle (2011). Het bos dient te worden omgevormd naar berken-eikenbos
Bodem Nr. 14.
Maatregel a. Verrijkte bovengrond: verwijderen van met nutriënten verrijkte bovengrond op voormalige kampeerweides, stacaravanplaatsen en andere toeristische plaatsen. Dit op locaties buiten het areaal van maatregel 13 en voor zover nog niet geheel afgevoerd bij andere maatregelen (areaalwijziging Klaver). b. Reliëf herstellen Prunesdal: na verwijdering van plank- en schotconstructies het reliëf rond het Prunesdal, afvlakken zodat er geleidelijker overgangen ontstaan.
c. Reliëf herstellen zandrug: na verwijderen van toegangspad van de camping de zandwal langs de zuidwestzijde ervan deels terugschuiven (aansluitend op bestaande zandrug) zodat de oorspronkelijke zandrug wordt hersteld.
Uitgevoerd? Ja
T.b.v. een gesloten grondbalans is uit het campinggebied vrijkomende verrijkte grond verwerkt in het Prunusdal (figuur 2.5) en afgedekt met een leeflaag. Ja (figuur 2.6)
10
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
Nr.
Maatregel d. Vervagen reliëf: daar waar gaten en sleuven zijn ontstaan na verwijderen verharding en verrijkte grond dient het reliëf vervaagd te worden, om harde grenzen te vermijden.
Uitgevoerd? Ja
Stimuleren gewenste vegetatieontwikkeling Nr. 15.
Maatregel a. Stimuleren klokjesgentiaan: aanbrengen van heidemaaisel met klokjesgentianenzaad op enkele locaties, op een helling. Voorafgaand bekalken met Dolokal. b. Verwijderen van exoten en tuinplanten. c. Stimuleren heideontwikkeling op voormalige campinglocatie door opbrengen choppermateriaal van heide in de omgeving.
Ven B
Uitgevoerd? Nee
Ja Ja
Ven B
Figuur 2.5 – Maatregel 14b: hoogteligging Prunusdal vóór (links, AHN2) en na (rechts, AHN4) uitvoering.
Figuur 2.6 – Maatregel 14c: hoogteligging voor (links, AHN2) en na (rechts, AHN4) uitvoering. De hoogte langs het pad is verwijderd en de zandrug loopt weer door.
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
11
C – Inrichting ten behoeve van recreatie Nr. 16. 17.
Maatregel Aanleg zandpad ter plaatse van de ‘Beenbreekroute’ over het voormalige campingterrein (wijziging Klaver: andere en langere route). Rustpunten en informatiebord: creëren van een rustpunt met een bank en informatiebord op drie plaatsen langs de Beenbreekroute.
Uitgevoerd? Ja, maar anders dan gepland 1 bank en 1 informatiepaneel geplaatst
D - Nazorg en beheer Nr. a. b.
Maatregel Jaarlijks verwijderen van boomopslag op heringerichte delen in (in ieder geval) de eerste jaren na inrichting. Aanpakken van verbossing en vergrassing door maaien of (bij voorkeur) gescheperde begrazing. De begrazingsdruk, de timing van de begrazing en de te begrazen locaties dienen goed afgestemd te worden op de natuurwaarden ter plekke. Op de nieuw te ontwikkelen heidedelen is schapenbegrazing pas gewenst als de heide een aanzienlijke bedekking heeft gekregen.
Uitgevoerd? Lopend Lopend
Conclusie De maatregelen uit het inrichtingsplan van Belle (2011) zijn op onderdelen aangevuld en gewijzigd door Klaver (z.j.). De belangrijkste wijzigingen betreffen het aantal te dempen greppels, het areaal te kappen of te dunnen bos en het zandpad. Na het kappen (en vervolgens een storm) resteren in de voormalige beboste delen inlandse eiken, berken, grove dennen, een groep beuken en een enkele linde in een open boomlandschap. De maatregelen zijn vrijwel zonder uitzondering uitgevoerd zoals gepland volgens het inrichtingsplan plus de wijzigingen van Klaver. Niet alleen het voormalige campingterrein is ingericht voor natuur, ook ten zuiden daarvan zijn delen bos verwijderd en is de bovengrond verwijderd. Ook zijn niet alleen binnen, maar ook buiten het campingdeel enkele (delen van) greppels gedempt. Volgens van Belle (2011) zou het gebied na inrichting alleen nog recreatief toegankelijk blijven via de Beenbreekroute, overige paden zouden verdwijnen. Dat is anno 2022 niet het geval, er zijn meer paden dan alleen de Beenbreekroute. Aanvullend: • Bij graafwerkzaamheden ten behoeve van uitvoering van het inrichtingsplan is men verscheidene zinkputten tegengekomen. Deze zijn allemaal dichtgemaakt met klei. • In 2017 is het oude rioolsysteem buiten gebruik gesteld waarbij een pompput is verwijderd uit het Mosterdveen. Ter vervanging is een nieuw persriool aangelegd.
Het nieuwe tracé ligt buiten de hydrologische invloedzone van Mosterdveen (zie kaart in bijlage 1). • In 2020 is het trafohuisje verwijderd en de hoofdstroomkabel (10kv) daarheen losgekoppeld.
2.2
Overige maatregelen
Roostee Rond dezelfde tijd dat het inrichtingsplan van Mosterdveen is uitgevoerd heeft in de Roostee omvorming plaatsgevonden van landbouwgebied naar natuur. Roostee ligt in een zuidwest-
12
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
noordoost georiënteerde laagte die doorloopt in het Mosterdveen (met de vennen L, J en H). In de Roostee bevindt zich ook een venlaagte. Voor inrichting werd deze ontwaterd; het water werd onder de Plaggeweg door naar het bos aan de oostzijde geleid, waar het in de ondergrond verdween (Vlottes 2011). Bij de inrichting is het hydrologische systeem hersteld door het dempen van sloten en greppels. Deels is de fosfaatrijke toplaag verwijderd. De bedoeling was om lokaal plagsel op te brengen van goed ontwikkelde vegetaties uit de omgeving, om de vegetatieontwikkeling te stimuleren. Of dat ook is gedaan is niet bekend. Waar niet is geplagd wordt uitgemijnd (grasklaver, kalibemesting). Aan de zuidzijde is het reliëf hersteld, waarbij weer een geleidelijke hoogtegradiënt is ontstaan. Er wordt gestreefd naar ontwikkeling van schrale vegetaties, waaronder zwak gebufferde venvegetaties en vochtige en natte heide. Als gevolg van de inrichtingsmaatregelen is (weer) een ven ontstaan. Het streven is om het bos tegen dit ven geleidelijk opener te maken en deels terug te zetten. Luchtfoto’s wekken de indruk dat dat nog niet het geval is. In beginsel was het de bedoeling om overtollig water ten gunste te laten komen van het Mosterdveen. Na inrichting kwam, bij het stijgen van het waterpeil in de Roostee, de hoofdontsluitingsweg naar de woning op het landgoed onder water te staan.
De eigenaar heeft dat probleem opgelost door op eigen initiatief een drainerende sloot te graven die het water naar het noorden afvoert (figuur 2.7).
Roostee
Figuur 2.7 – Hoogteligging Roostee voor (boven, AHN2) en na (onder, AHN4) inrichting. Binnen de witte contour is de sloot te zien die
Roostee
gegraven is om wateroverlast op de toegangsweg tegen te gaan.
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
13
3 Stand van zaken beheer
In dit hoofdstuk wordt het beheer dat wordt uitgevoerd in het gebied beschreven. Een aantal maatregelen is, al dan niet op kaart, toegelicht in bijlage 1: •
Vanaf 2015 wordt op de ingerichte delen (vervolg)beheer uitgevoerd. Dat betreft o.a. het verwijderen van exoten (Japanse duizendknoop, ambrosia, vlinderstruiken e.d.), door zwijnen naar boven gewerkt materiaal (puin, vuil) en ander zwerfvuil. Voor de bestrijding van Japanse duizendknoop wordt aangesloten bij ervaringen in het Kreis Borken in Duitsland (zie bijlage 1 voor details). Daarbij worden stengels geïnjecteerd met glyfosaat en vervolgens wordt eventuele hergroei een aantal jaren handmatig verwijderd. Dit wordt deels door de gemeente zelf gedaan en deels door de eigenaar van Samoza. Materiaal en planten worden verzameld en afgevoerd door de Stichting ‘Grip op je Leven’. Deze werken met jonge mensen met autisme.
•
In te handhaven boslocaties regelt de gemeente Nunspeet het verwijderen van exoten in eigen beheer, via Stichting Probos. Dat wordt eens in de vijf jaar gedaan.
•
In bosranden worden af en toe bomen geringd of verwijderd, om meer variatie te krijgen in de bossamenstelling en -structuur en een geleidelijke overgang van open delen naar bos te ontwikkelen. Eens in de vijf jaar worden maatregelen genomen, waarbij bomen worden geringd (grove den en berk) en exoten (als douglasspar en lariks) geleidelijk aan worden verwijderd.
•
Op de ingerichte delen wordt opslag van grove den verwijderd, door bedrijf Inclusief Gresbo. Op aangeven van de opzichter worden enkele jonge exemplaren grove den gespaard ten behoeve van vogels (als tapuit). Ook worden berken uitgestoken en lokaal afgezaagd (zie bijlage 1).
•
Opslag van met name vuilboom wordt periodiek bestreden. Dat gebeurt enerzijds met intensieve schapenbegrazing binnen een flexnet en anderzijds door handmatig uitsteken met de schop. Vestiging van vuilboom is vooral aan de orde in delen waar in het verleden bos is verwijderd. Vrijwilligers helpen bij het openhouden van het terrein. De heidegroep uit Vierhouten werkt een 5/6-tal zaterdagochtenden in de winterperiode. Gemiddeld zijn zo’n 10 personen per dag aanwezig. Daarnaast komt de Stichting “Grip op je Leven” eens per week in het terrein werken. Ongeveer 10-15 halve dagen per jaar werken zij aan het uitsteken van diverse bosopslag.
•
Sinds 2020 vindt er op een aantal locaties in het heidegebied drukbegrazing plaats met schapen en geiten, om de vergrassing en verbossing tegen te gaan. In 2021 krijgt dat vervolg. Een commerciële schaapskudde voert de begrazing uit. De opzichter wijst de locaties aan waar gescheperd dan wel binnen een raster begraasd dient te worden. Hierbij wordt gekeken naar de hoeveelheid bosopslag en verruiging.
•
In het verleden is er wel kleinschalig geplagd om de ontwikkeling te stimuleren van soorten als Klokjesgentiaan en Moeraswolfsklauw. In 2005 is dat voor het laatste gedaan. Tegenwoordig gebeurt dat niet meer vanwege de invloed van de zwijnen, die de plagplekken omwoelen.
14
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
•
Wilde zwijnen worden, als ze te dicht bij de vennen komen, verjaagd en soms afgeschoten (naar bevinding).
•
Elk voorjaar vindt er een check plaats op het ontstaan van nieuwe paadjes: die worden dan versperd door het aanbrengen van boomstammen en takken. Ook wordt heidemaaisel van elders op de paadjes gelegd, voorzien van een bordje met de tekst ‘verboden toegang, heide net ingezaaid’. De gemeente voert deze acties zelf uit.
•
Er wordt van voorjaar tot herfst gesurveilleerd door een BOA. De regel ‘honden aan de lijn’ wordt daarbij strikt gehandhaafd.
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
15
4 Stand van zaken natuurwaarden 4.1
Beschikbare informatie
Om na te kunnen gaan of er aanvullende maatregelen nodig zijn in het gebied, is het nodig om eerst te weten hoe het gaat met de natuurwaarden die hier (kunnen) worden nagestreefd. In dit hoofdstuk worden de beschikbare gegevens op een rij gezet. Daarbij ligt de focus op de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sinds 2015, toen het in 2011 opgestelde inrichtingsplan is uitgevoerd. In de loop der jaren is er in het kader van verschillende onderzoeken een groot aantal (groepen van) soorten geïnventariseerd (zie tabel 4.1). In 2000 en 2005 zijn hoogveentransecten gemonitord (Wymenga et al. 2000, Groeneweg et al. 2007). Daarnaast is in 2000 en 2005 een beperkte set aan plantensoorten gemonitord en zijn dagvlinders, libellen, amfibieën en reptielen in kaart gebracht. In 2012 en 2020 zijn door de Bosgroep flora en fauna gemonitord (Horsthuis & Bouwman 2013, Bouwman 2021). Om te voldoen aan de eisen van SNL wijkt de daarbij gebruikte methode wat af van de voorgaande monitoring. In 2020 zijn de hoogveentransecten herhaald. Wat de vegetatiesamenstelling betreft is in 1994 een vlakdekkende vegetatiekartering uitgevoerd van het gebied, exclusief het deel dat toen camping was (Drenth & Wymenga 1995). Ook in 2012 is van een deel van het gebied de vegetatie gekarteerd (Horsthuis & Bouwman 2013).
In 2011 zijn habitattypen in kaart gebracht door Alterra, ten behoeve van de Natura 2000habitattypenkaart. Tabel 4.1 - Overzicht van monitoring in het Mosterdveen sinds 2000. 2000 = Wymenga et al. 2000, 2005 = Groeneweg et al 2007, 2012 = Horsthuis & Bouwman 2013 en x * ongepubliceerde gegevens Bosgroep Midden Nederland, 2020 = Bouwman 2021.
Monitoring
2000
2005
2012
2020
Hoogveenmonitoring in 3 transecten
x
x
Flora Amfibieën
x x
x x
x x*
x x
Reptielen Dagvlinders
x x
x x
x* x
x x
Libellen Sprinkhanen
x x
x
x x
x x
(Grond)waterstanden en waterkwaliteit
x
x
Interessant zijn vooral die soorten die kenmerkend zijn voor de natuurwaarden waar het hier om gaat, dat wil zeggen van ven- en hoogveenvegetaties en vochtige en droge heiden. Dat betreft in de eerste plaats typische soorten van de habitattypen die in het gebied voorkomen en kwalificerende soorten van de SNL-beheertypen die hier zijn gealloceerd. Deze soorten staan in tabel 4.2, voor zover ze zijn vastgesteld in het Mosterdveen. Prioritaire soorten voor de Provincie Gelderland zijn cursief aangegeven. De tabel is aangevuld met een aantal andere ecologisch relevante soorten, evenals enkele habitattypen en SNL-typen die (nog) niet voorkomen of zijn gealloceerd in het gebied maar wel relevant kunnen zijn. Beheertype N15.02 Dennen-, eiken- en
16
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
beukenbos, is wel aangewezen, maar staat niet in de tabel omdat daarvan geen soorten zijn gemonitord. In tabel 4.2a en b is ook aangeven hoe de soorten zich ontwikkeld hebben, met name de laatste jaren (zie verder bespreking in paragraaf 4.2). De periode waarop de aangegeven trend betrekking heeft is afhankelijk van de beschikbare gegevens: vaak is dat 2012-2020, aangezien in die jaren de meeste soorten zijn gekarteerd. De trend betreft een (ruwe) inschatting. De meest indicatieve soorten worden besproken in de tekst.
Tabel 4.2a (volgende pagina’s) - Kenmerkende soorten veenmossen en hogere planten in het Mosterdveen op basis van monitoringsgegevens aangetroffen sinds 2000 dan wel 2012 (zie tekst). Vermeld zijn typische soorten van habitattypen en kwalificerende soorten van SNL-beheertypen (voor zover aangetroffen), plus een aantal andere ecologisch relevante soorten. Grijs = aanwezig in 2020 (Bouwman 2021). H2310 Stuifzandheiden met struikhei, H3130 Zwakgebufferde vennen, H3160 Zure vennen, H4010A Vochtige heiden (hogere zandgronden), H4030 Droge heiden, H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes), N06.04 Vochtige heide, N06.05 Zwakgebufferd ven, N06.06 Zuur ven, N07.01 Droge heide. * type momenteel niet aanwezig of toegekend. De laatste kolom geeft een (ruwe) inschatting van de trend op basis van de beschikbare gegevens. Waar soorten niet apart als soort zijn gekarteerd in 2000/2005 betreft de trend de periode 2012-2020. < afname, = gelijk, > toename, (>) lokaal toename, n nieuw in 2020, n.g. niet gekarteerd. Bij soorten die toenemen of nieuw verschenen zijn is de trend groen gemarkeerd, bij soorten die min of meer gelijk blijven geel en bij soorten die afnemen rood.
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
Overig
N07.01 *
N06.06
N06.05 *
N06.04
H7110B
H4030 *
H4010A
H3160
H3130 *
H2310 *
Soort
Trend
Soort Veenmossen Dof veenmos
Trend Sphagnum majus
X
Fraai veenmos Geoord veenmos
Sphagnum fallax Sphagnum denticulatum
X
Hoogveenveenmos Kussentjesveenmos
Sphagnum magellanicum Sphagnum compactum
Rood veenmos Stijf veenmos
Sphagnum rubellum Sphagnum capillifolium
Waterveenmos Week veenmos
Sphagnum cuspidatum Sphagnum molle
Wrattig veenmos Zacht veenmos
Sphagnum papillosum Sphagnum tenellum
X
X
Hogere planten Beenbreek
Narthecium ossifragum
X
X
=
Bruine snavelbies Draadzegge
Rhynchospora fusca Carex lasiocarpa
X
>/< <
Drijvende egelskop Duizendknoopfonteinkruid
Sparganium angustifolium Potamogeton polygonifolius
Dwergviltkruid Eenarig wollegras
Logfia minima Eriophorum vaginatum
Gewone dophei Grondster
Erica tetralix Illecebrum verticillatum
Hondsviooltje Jeneverbes
Viola canina Juniperus communis
Klein blaasjeskruid Kleine veenbes
Utricularia minor Oxycoccus palustris
Kleine zonnedauw
Drosera intermedia
X X
X
<
X
< <
X
< <
X X X X X X
X
X X
X
X
< <
X X X
n =
X X X
X
n.g. n
X
n <
X
X
X X
X X
< > < <
X
X
< <
< >/< >
17
18
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
Genista anglica Danthonia decumbens
Veenbies Veenbloembies
Trichophorum cespit. ss. german. Scheuchzeria palustris
Veenpluis Veldrus
Eriophorum angustifolium Juncus acutiflorus
Waterdrieblad Witte snavelbies
Menyanthes trifoliata Rhynchospora alba
X
X X
n =
X X
< < / (>)
X X X
X
X
X
? =
X
> n
X
X X
< =
X
X
X
X
Trend <Trend < / (>)
X
X X
Overig
Stekelbrem Tandjesgras
X
N07.01 *
Drosera rotundifolia Carex rostrata
N06.06
Ronde zonnedauw Snavelzegge
X
N06.05 *
Andromeda polifolia Lycopodiella inundata
X
N06.04
Lavendelhei Moeraswolfsklauw
H7110B
Genista pilosa Salix repens
H4030 *
Kruipbrem Kruipwilg
H4010A
Gentiana pneumonanthe Empetrum nigra
H3160
Soort Klokjesgentiaan Kraaihei
H3130 *
H2310 *
Soort
X X
>? = / (>)
X
> <
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
19
Tabel 4.2b - Kenmerkende faunasoorten in het Mosterdveen op basis van monitoringsgegevens. Voor legenda zie tabel 4.2a. 1) waargenomen in 2014 (Ecogroen Advies 2014), z zwerver, cursief = prioritaire soort provincie Gelderland .
Overig
N07.01 *
N06.06
N06.05 *
N06.04
H7110B
H4030 *
H4010A
H3160
H3130 *
H2310 *
Soort Soort Reptielen en amfibieën
Trend Trend
Heikikker Levendbarende hagedis
Rana arvalis Zootaca vivipara
X
X
Ringslang Hazelworm 1)
Natrix helvetica Anguis fragilis
Dagvlinders Bruine vuurvlinder
Lycaena tityrus
Gentiaanblauwtje Groentje
Phangaris alcon Callophrys rubi
Groot dikkopje Heideblauwtje
Ochlodes sylvanus Plebejus argus
Heivlinder Hooibeestje
|Hipparchia semele Coenonympha pamphilus
Libellen Bruine winterjuffer
Sympecna fusca
X
z
Gevlekte witsnuitlibel Koraaljuffer
Leucorrhina pectoralis Ceriagrion tenellum
X X
X
> >
Tengere pantserjuffer Venwitsnuitlibel
Lestes virens Leucorrhinia dubra
X X
> <
Noordse witsnuitlibel Venglazenmaker
Leucorrhinia rubincunda Aeshna juncea
X X
< <
Beekoeverlibel Hoogveenglanslibel
Orthetrum coerulescens Somatochlora arctica
Sprinkhanen Heidesabelsprinkhaan
Metrioptera brachyptera
X
X
>
Moerassprinkhaan
Stetophyma grossum
X
X
>
X
X
< = / (<)
X X X X
X X
X
X
= ? <
X
X X
< >?
X
X X
= <
X
X X
X X
= n
X X
> z
20
4.2
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
Ontwikkelingen
4.2.1 Hoogveentransecten Soorten van hoogveen- en heidevegetaties zijn gemonitord in drie transecten. Deze liggen in de vennen C, A en F, loodrecht op de oever. Langs de transecten is in vlakjes van 2x2 m de bedekking geschat van soorten en deels ook soortgroepen. Van de veenmossen zijn in 2000 en 2005 vier soorten afzonderlijk gekarteerd en daarnaast bultvormende, slenk-, natte heide- en minerotrafente soorten als groep. In 2020 zijn alle veenmossen afzonderlijk gekarteerd: deze zijn achteraf te groeperen tot genoemde groepen. De locaties van de transecten konden in 2020 niet exact worden teruggevonden en zijn zo goed mogelijk gereconstrueerd op basis van het kaartje in Groeneweg et al. 2007. Ven C Van de drie gemonitorde vennen ligt dit ven, het Andromedaven, het hoogst in het landschap. Hier komen nog steeds de best ontwikkelde hoogveenvegetaties voor. Situatie 2020: In 2020 domineren bultvormende veenmossen; met name wrattig veenmos en in mindere mate hoogveenveenmos. Ook kleine veenbes, lavendelhei en eenarig wollegras, eveneens soorten van hoogveenbulten, komen vrij veel voor. Open water ontbreekt en het aandeel aan slenksoorten is beperkt. Aan het uiteinden van het transect is beenbreek en ook veel pijpenstrootje aanwezig. In het middendeel van het transect komen soorten voor als draadzegge en snavelzegge, die duiden op enige mineralenaanrijking.
Ontwikkeling ten opzichte van 2000/2005: Open water is verdwenen. Bultvormende veenmossen lijken te zijn toegenomen in het centrale deel van het transect en afgenomen en deels geheel verdwenen aan de randen. De bultvormers betreffen nu vooral wrattig veenmos; hoogveenveenmos is afgenomen. Ook kleine veenbes, lavendelhei en eenarig wollegras zijn toegenomen. Slenkveenmossen zijn grotendeels verdwenen. Wel zijn draadzegge en snavelzegge, ook slenksoorten, meer aanwezig dan eerder. De positie van beenbreek lijkt te zijn veranderd: de soort komt nu aan beide uiteinden van het transect voor. Geregeld is kleine zonnedauw aanwezig; witte snavelbies komt meer verspreid voor. Pijpenstrootje is in het hele transect aanwezig, met het zwaartepunt aan het begin. Ven A Dit ven ligt wat lager in het landschap en valt in droge periodes droog. Situatie 2020: Bultvormende veenmossen en andere bultsoorten ontbreken hier. Ook is er geen open water aanwezig. Slenksoorten komen veel voor in het centrale deel van het transect, vooral waterveenmos. Ook is veel snavelzegge en veenpluis aanwezig in het centrale deel van het transect. Ontwikkeling ten opzichte van 2000/2005: Er zijn forse veranderingen te zien. Slenksoorten lijken te verdwijnen uit de randen van het transect. Geoord veenmos is zo goed als verdwenen, terwijl nu waterveenmos domineert in een groot deel van het traject.
Er is sprake van een sterke toename van veenpluis, vooral in de oostelijke helft. Het voorkomen van snavelzegge is nieuw, de soort komt met relatief hoge bedekkingen voor in een groot deel van het transect. Ook pijpenstrootje is fors toegenomen evenals, in iets mindere mate, kleine zonnedauw. Open water ontbrak ook in 2000 en 2005 al.
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
21
Ven F Dit is het meest noordelijke ven in het gebied. Hydrologisch staat het ook meer op zichzelf. Situatie 2020: Open water is in beperkte mate aanwezig. Er is sprake van een afwisseling van bult- en slenkvormende veenmossen. De bultvormers komen verspreid in het transect voor; het betreft vooral wrattig veenmos. De slenkvormers concentreren zich meer in het centrale en noordelijke deel. Dat geldt ook voor veenpluis, witte snavelbies, kleine zonnedauw en lavendelhei. Gewone dophei is in een groot deel van het transect aanwezig, evenals beenbreek (met zwaartepunt in de zuidelijke helft) en pijpenstrootje (met zwaartepunt in noordelijke deel). . Ontwikkeling ten opzichte van 2000/2005: Er is minder open water dan in eerdere jaren. Wel is er nog steeds sprake van een kleinschalige afwisseling van bultenvormers en slenkvegetaties. Slenkveenmossen (vooral waterveenmos) lijken wel wat te zijn afgenomen, vooral langs de randen van het transect. Bultvormende veenmossen (vooral wrattig veenmos) laten enerzijds een afname zien. Lokaal is ook sprake van een toename, daar waar slenksoorten zijn afgenomen. Witte snavelbies en kleine zonnedauw lijken nu voor te komen in een wat kleiner deel van het traject, waar de bedekking wel hoger is. Ook geoord veenmos laat een beperktere verspreiding zien.
Pijpenstrootje lijkt wat te zijn afgenomen aan de zuidkant en toegenomen aan de noordzijde van het traject. Ook beenbreek laat een uitbreiding zien, en dan in het centrale deel. Veenpluis lijkt te zijn toegenomen in bedekking. Dof veenmos, dat is 2005 nog volop aanwezig was, is in 2020 niet meer aangetroffen. Samengevat Ten opzichte van 2000 en 2005 lijken zich forse veranderingen te hebben voorgedaan. Open water is afgenomen of verdwenen. Soorten van hoogveenbulten zijn deels toe- en deels afgenomen en dat geldt ook voor slenksoorten. Beenbreek lijkt ten dele van positie te zijn veranderd en andere soorten zijn nieuw verschenen (met hoge bedekkingen) of juist verdwenen (terwijl ze eerder veel voorkwamen). Dat roept veel vragen op. Als de ligging van de transecten in gis over elkaar heen gelegd worden, dan lijken deze in 2020 wat verschoven te zijn t.o.v. 2000/2005. De verschuiving heeft een ordegrootte van 5-20 m, maar is lastig exact te bepalen aangezien de gps-locaties – zeker in 2000/2005 – niet op de meter nauwkeurig waren. In kleinschalige venvegetaties, zoals hier, kan de vegetatie er enkele meters verderop echter al snel anders uitzien. Dat betekent dat verschillen in de soortensamenstelling tussen 2000/2005 en 2020 heel lastig te interpreteren zijn.
Eigenlijk is niet vast te stellen of verschillen daadwerkelijk een verandering betreffen of het gevolg zijn van verschuiving van het transect. 4.2.2 Plantensoorten In 2000 en 2005 zijn in het open deel van het Mosterdveen (exclusief wat toen camping was) tien kenmerkende soorten van hoogveen, natte heide en vennen gekarteerd. In 2012 (Horsthuis & Bouwman 2013) en 2020 (Bouwman 2021) zijn alle soorten in kaart gebracht die kwalificeren voor SNL-beheertypen droge heide, vochtige heide, droog schraalland, hoogveen, zuur ven en zwak gebufferd ven. In 2020 maakte het voormalige campingdeel voor het eerst deel uit van de monitoring. De wijze van vastlegging bij de verschillende karteringen verschilt: in 2000 en 2005 is gekarteerd op puntlocaties en in lijnen en vlakken, met aantals- en abundantieklassen volgens Tansley-plus. In 2012 en 2020 is gekarteerd op puntlocaties, in 50x50 m-hokken, met de Floronaantalsklassen. En volgens Bouwman (2021) is daarbij in 2020 minder gedetailleerd gekarteerd dan in 2012.
22
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
Tabel 4.2a toont de aanwezigheid en een inschatting van de trend van plantensoorten die kenmerkend zijn voor relevante SNL-beheertypen en habitattypen. Hieronder wordt het voorkomen van de belangrijkste soorten, en de veranderingen daarin, kort besproken. Klokjesgentiaan (natte heide): Kwam in 2005 en 2012 verspreid voor, vooral in het zuidelijke deel en rond ven F. Is in 2012 niet meer aangetroffen in ven C, maar juist wel in ven I. De soort lijkt in 2020 fors te zijn afgenomen. Moeraswolfsklauw (natte heide): De verspreiding was in 2005 en 2012 ongeveer vergelijkbaar. Wel kwam de soort in 2012 iets meer voor. De kartering van 2020 toont per saldo een flinke afname in het centrum van het zuidelijke deel van het gebied. Wel zijn er nieuwe voorkomens bij ven H en tussen de vennen H en I. Beenbreek (natte heide, met zijdelingse toestroming van grondwater): De soort was in 2005 en 2012 vrij algemeen in het zuidelijke deel en ven F, met mogelijk iets meer locaties in 2012. In 2020 is beenbreek op minder locaties gekarteerd dan in 2012, wel is het verspreidingsgebied min of meer vergelijkbaar. Nieuw is het voorkomen bij ven A. Opgemerkt moet worden dat een aantal voorkomens in de transecten in 2020 niet terugkomt in de soortkartering van 2020. Dat betekent dat de verspreidingskaart van 2020 niet compleet is.
Veldrus (zijdelingse toestroming van grondwater): Het voorkomen van veldrus is niet veel veranderd: de soort komt in beperkte mate voor bij ven C, B en I. Er lijkt enige uitbreiding te zijn langs de noordkant van ven B en ten zuiden van ven I. Snavelzegge (open water in en langs vennen): Het voorkomen in de vennen A, B en G lijkt weinig veranderd te zijn. De soortkartering doet veronderstellen dat snavelzegge in 2020 verdwenen is uit ven C, maar dat strookt niet met de transectkartering. Waterdrieblad (open water in en langs vennen): De soort komt in de loop der jaren steeds voor in vennen C en G. Is in 2020 nieuw aangetroffen in de vennen E, A en L. Duizendknoopfonteinkruid (open water in en langs vennen): Duizendknoopfonteinkruid lijkt in de vennen C en I behoorlijk stabiel, maar is in 2020 in ven D niet meer aangetroffen.
Greppel in ven I, begroeid met duizendknoopfonteinkruid (foto A&W, maart 2022).
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
23
Kleine veenbes (hoogveenbulten): Deze soort vertoont een wisselende ontwikkeling. In ven C is kleine veenbes steeds aanwezig en mogelijk (gezien transectkartering) toegenomen. De vestigingen in 2012 hebben zich in 2020 in ven E doorgezet, maar in ven G niet. Na 2005 ontbreekt de soort in ven F. Veenbloembies (hoogveenslenken): In de verschillende jaren komt veenbloembies voor op enkele locaties in ven C, met de breedste verspreiding in 2012. Eenarig wollegras (hoogveenbulten): Komt in 2012 en 2020 alleen voor in de zuidoosthoek van het gebied, vooral rond ven C en in mindere mate ven D. Lavendelhei (hoogveenbulten): Lavendelhei komt zowel in 2012 als in 2020 voor in de vennen C, I en F. Is in 2012 ook aangetroffen in E en D, maar in 2020 niet meer. Witte snavelbies (natte heide, hoogveenslenken): Is in 2012 en 2020 een regelmatige verschijning in de vennen C, E, B, I, A en F, maar lijkt wel te zijn afgenomen in 2020. In 2012 kwam de soort ook voor in de vennen D en K: in 2020 niet meer. Bruine snavelbies (natte heide): Kwam in 2012 vooral voor in het zuidelijke deel van het gebied rond ven K en op enkele locaties in/rond de vennen I, H, A en F. Is in 2020 veel minder aangetroffen rond ven K, maar wel verspreid op andere locaties.
Draadzegge (hoogveenslenken, lichte aanrijking met mineralen): De verspreiding is in 2012 en 2020 grotendeels vergelijkbaar, met voorkomens in vennen D, C, A, J en ten westen van E. Wel zijn er in 2012 veel meer locaties gekarteerd en ontbreekt de soort in 2020 in ven G. Veenbies (vochtige heide): De soort kwam in 2012 vooral voor in het zuidelijke deel van het gebied en incidenteel bij de vennen A en F. In 2020 lijkt sprake te zijn van een afname, en dan vooral in het zuidoosten. Drijvende egelskop (open water) Werd incidenteel aangetroffen in met name de vennen G en C, voor het laatst in ven G in 2016. Is tijdens de monitoring van 2005, 2012 en 2020 niet meer aangetroffen. Klein blaasjeskruid (slenken): Kwam in 2012 voor in de vennen D, E, K, I, F en L, met de meeste vindplaatsen in D en I. In 2020 is klein blaasjeskruid niet meer aangetroffen in D, K en L, maar is er wel een nieuwe vindplaats in ven A. Kleine zonnedauw (natte heide): In 2012 is kleine zonnedauw geregeld aangetroffen in het zuidoostelijke deel van het gebied, vooral in en rond ven C, K, I en tussen I en K. Daarnaast was er een waarneming in ven H. In 2020 groeit de soort meer verspreid en ook in/rond de vennen B, A, F, J en L. Ronde zonnedauw (natte heide, hoogveenbulten): In 2012 kwam ronde zonnedauw voor in de vennen C, E en F. Volgens de soortkartering van 2020 zou de soort verdwenen zijn uit ven F.
Volgens de transectkartering komt deze echter wél voor in F en bovendien ook in ven A. Veenpluis (slenken): Van 2012 zijn er alleen waarnemingen uit het noordelijke deel van het gebied. Dat is vreemd, aangezien veenpluis bijvoorbeeld in de transectkartering in ven C steeds algemeen aanwezig is geweest. In 2020 is de soort in alle vennen aanwezig, met uitzondering van D en G.
24
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
Soorten van droge heide, heischraal grasland en pioniersituaties: Soorten uit deze groepen zoals kruipbrem, stekelbrem (beide vooral drogere heide), hondsviooltje, tandjesgras (beide heischraal) en bijvoorbeeld grondster (pionier op open zand) – hebben geprofiteerd van het verwijderen van de camping en de voorzieningen die daarbij hoorden. Het draait daarbij vooral om het ontstaan van onbegroeide bodem, met deels ook licht gebufferde omstandigheden. Samengevat Droge heide Plantensoorten die kenmerkend zijn voor droge heiden (H2310 Stuifzandheiden met struikhei, H4030 Droge heiden, N07.01 Droge heide, zie tabel 4.2a) zijn hoofdzakelijk toegenomen of nieuw verschenen. Alleen jeneverbes en klokjesgentiaan zijn minder vaak aangetroffen. Mogelijk is naar jeneverbes minder uitgebreid gezocht in 2020. Klokjesgentiaan kwalificeert weliswaar voor N07.01, maar is eerder een soort van vochtige heide. Vochtige-natte heide Plantensoorten die kenmerkend zijn voor vochtige of natte heide (H4010A Vochtige heiden, N06.04 Vochtige heide) laten een minder duidelijk beeld zien. Een aantal soorten is toegenomen of in 2020 nieuw verschenen, waaronder soorten die mogelijk geprofiteerd hebben van het verwijderen van de bovengrond. Dat zijn o.a. grondster, kruipbrem en stekelbrem: soorten uit het wat drogere deel van vochtige heide.
Maar er is ook een groep soorten die lijkt te zijn afgenomen, waaronder klokjesgentiaan, moeraswolfsklauw en enkele veenmossen (kussentjesveenmos en zacht veenmos). En dan zijn er nog soorten die min of meer gelijk gebleven zijn (zoals beenbreek) en soorten die deels een toe- en deels een afname tonen (zoals bruine snavelbies en eenarig wollegras). Zwak gebufferde vennen Plantensoorten die kenmerkend zijn voor zwakgebufferde vennen (H3130 en N06.05) – draadzegge en duizendknoopfonteinkruid – zijn beide afgenomen. Zure vennen Plantensoorten die kenmerkend zijn voor zure vennen (60 Zure vennen, H7110B Actieve hoogvenen (heideveentjes), N06.06 Zuur ven) zijn vrijwel allemaal afgenomen. Uitzonderingen zijn veenbloembies (gelijk gebleven) en kleine veenbes (deels toe- en deels afgenomen). Overige soorten Van de overige soorten in tabel 4.2a lijken de veenmossen te zijn afgenomen. Enkele soorten zijn min of meer gelijk gebleven (als snavelzegge, kruipwilg) en een aantal is toegenomen of nieuw verschenen (tandjesgras, waterdrieblad). De bovenbeschreven ontwikkelingen, en de trends in tabel 4.2a, zijn vooral gebaseerd op gegevens van de jaren 2012 en 2020, aangezien in die jaren de meeste plantensoorten vlakdekkend zijn gekarteerd (in 2000 en 2005 enkele soorten).
Een groot deel van de gekarteerde soorten is in 2020 minder vastgesteld dan in 2012, wat suggereert dat er sprake is van een afname. Volgens Bouwman (2021) is in 2012 echter gedetailleerder gekarteerd dan in 2020. Dat betekent dat vaak niet met zekerheid geconcludeerd kan worden of een soort echt is afgenomen of dat de verandering het gevolg is van verschil in detailniveau van de kartering.
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
25
4.2.3 Plantensoorten per deelgebied Om toch vat te krijgen op de ontwikkeling in ruimte en tijd is vervolgens gekeken naar de aanwezigheid van de kenmerkende plantensoorten in de verschillende vennen en andere delen van het gebied (tabel 4.3, zie figuur 4.1 voor deelgebieden). Dat betreft nadrukkelijk alleen de aanwezigheid, en niet de mate van voorkomen (die tussen de verschillende jaren slecht vergelijkbaar is). De soorten zijn in tabel 4.3 gesorteerd op de omstandigheden die ze vertegenwoordigen: droge heide, natte heide, slenken, hoogveenbulten en/of lichte aanrijking van mineralen. Tabel 4.3 - Aanwezigheid van kenmerkende plantensoorten in deelgebieden (A-L = ven, M/P = heide, N/O = voormalige camping; zie figuur 4.1), gesorteerd naar ecologische indicatie. Sommige soorten hebben meerdere indicaties. dh = droge heide, nh = natte heide, sl = slenken, bu = hoogveenbulten, ar = lichte mineralenaanrijking. Oranje = aanwezig in 2020, x = aanwezig in 2012, o = ontbrekend in 2012, wel aanwezig in 2000 en/of 2005. L, N en O zijn alleen gekarteerd in 2020. Soort
A
B
C
D
E
F
G
H
I
Iz
J
K
L
M
Grondster Jeneverbes
x
x
Kruipbrem Kruipwilg
x
Stekelbrem
x
Kussentjesveenmos Week veenmos Zacht veenmos Bruine snavelbies
x x x x
x x
Kleine zonnedauw Moeraswolfsklauw
x
x
x x
x x
x
x x x
x
x x
x x x x x x
o
x
x x x
x x x x
x
x
x
x
x
o
x
x x
x x
o
x
o
x
x
x x x x
x x
x x
x x x x
x x x
x
x x x x
x
x
x
x
o
o
o
o
x
x
x
x
Veenbies
x
x x x x x x
o
x
Beenbreek
x
x x x
Hondsviooltje Klokjesgentiaan Fraai veenmos Geoord veenmos Waterveenmos
x x x
x
x x x
Klein blaasjeskruid Veenpluis Witte snavelbies
x x
x
Snavelzegge
o
x x
x x
Veenbloembies Waterdrieblad Hoogveenveenmos
x x x x x x
Lavendelhei Rood veenmos
o
Stijf veenmos
Ronde zonnedauw
x x x x x
Duizendknoopfonteinkruid
x
Wrattig veenmos Kleine veenbes Eenarig wollegras
x x
x
o
x
x
o
o
o
x x
x
x
x x
x x
x
x x
x x
x x x
o
x
x
o
x
x
Tandjesgras Veldrus
x
o
Dof veenmos Draadzegge
x
x
x
x
x
N
O
P
dh
nh
sl
bu
ar
26
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
F P
A G O
N I
H
B
Iz
J L
M
E K C
D
Figuur 4.1 – Indeling in deelgebieden t.b.v. tabel 4.3.
Plantensoorten die kenmerkend zijn voor droge(re) heiden (d.w.z. H2310 Stuifzandheiden met struikhei, H4030 Droge heiden, N07.01 Droge heide, zie tabel 4.2a) komen plaatselijk voor. Ze nemen hoofdzakelijk toe en lijken, gezien het voorkomen in o.a. N en O, te profiteren van de inrichtingsmaatregelen. Alleen jeneverbes is minder vaak gevonden, maar mogelijk is in 2020 minder uitgebreid gezocht naar deze toch al weinig voorkomende soort. Plantensoorten van vochtige of natte heide (d.w.z. H4010A Vochtige heiden, N06.04 Vochtige heide) komen in of langs alle vennen voor, behalve G en L. Het rijkst aan natte heidesoorten zijn ven F, A, Iz en deelgebied M, gevolgd door de vennen E, I en C. Ze ontbreken in deelgebied P, de heide tussen de vennen F en A, zowel in 2020 als in eerdere monitoringsjaren. In deelgebied L, een voormalige akker, vindt kennelijk nog geen ontwikkeling plaats naar heide. Rond ven G is waarschijnlijk te weinig ruimte voor natte heide. De ontwikkeling in de tijd is niet eenduidig. Een aantal natte-heidesoorten heeft zich uitgebreid of is nieuw vastgesteld, waaronder soorten die mogelijk geprofiteerd hebben van het verwijderen van de bovengrond. Dat zijn o.a. kruipbrem, stekelbrem en hondsviooltje: de wat ‘drogere’ soorten uit deze groep. Ook week veenmos is in verschillende deelgebieden verschenen.
Kleine zonnedauw en moeraswolfsklauw - soorten die profiteren van plaggen - hebben zich eveneens uitgebreid: Kleine zonnedauw is nieuw vastgesteld in A, B en J en moeraswolfsklauw in E en H. Vooral in/langs ven A is het aantal natte-heidesoorten toegenomen, waaronder beenbreek.
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
27
Maar er zijn ook natte-heidesoorten die in minder deelgebieden zijn aangetroffen, waaronder klokjesgentiaan en enkele veenmossen. Klokjesgentiaan lijkt verder te zijn afgenomen en is alleen nog vastgesteld in F, I en M. Volgens Bouwman (2021) kan de warme, droge zomer van 2020 een rol gespeeld hebben in de afname: dat leidde mogelijk tot minder en latere bloei, waardoor de soort makkelijker gemist kan zijn. Week veenmos is helemaal niet meer gevonden, terwijl zacht veenmos uit vijf deelgebieden is verdwenen. En dan zijn er ook soorten die min of meer gelijk gebleven zijn en soorten die deels toe- en deels afnamen (zoals bruine snavelbies). Slenksoorten zijn in alle vennen aanwezig. Een aantal komt in beduidend minder deelgebieden voor dan bij eerdere monitoring. Dat geldt vooral voor fraai veenmos, geoord veenmos en in mindere mate voor waterveenmos, witte snavelbies en snavelzegge. Bij snavelzegge lijkt de afname al voor 2012 ingezet te hebben. Veenpluis lijkt zich fors te hebben uitgebreid en ook dof veenmos (nieuw in B en C) en klein blaasjeskruid (nieuw in A) zijn toegenomen. De meeste slenksoorten zijn te vinden in ven C, gevolgd door ven A. In ven D en L is slechts één slenksoort aanwezig: klein blaasjeskruid resp. waterdrieblad. In ven A en B is het aantal slenksoorten het meest toegenomen; de sterkste afname vond plaats in ven D.
Veenbloembies heeft zich gehandhaafd in ven C. Soorten van hoogveenbulten komen in enkele vennen voor, met name C, E en F. De meeste soorten zijn te vinden in ven C, en deze hebben zich ook (sinds 2012) gehandhaafd, gevolgd door E en F. In D, E en I/Iz is het aantal soorten afgenomen. Wrattig veenmos is nieuw in ven F. In vrijwel alle vennen komen wel één of meerdere soorten voor die kenmerkend zijn voor lichte aanrijking met mineralen Deels is er overlap met de groep van slenken en natte heide. Aanrijking kan samenhangen met het (blootgelegde) bodemmateriaal of met toestromend grondwater. Alleen in D en H ontbreken dergelijke soorten. Het grootste aantal is te vinden in C, gevolgd door A en B. In deze drie vennen is het aantal bovendien toegenomen, het meest in ven A. Waterdrieblad is nieuw in de vennen A, E en L; dof veenmos is verschenen in B en C. Tandjesgras is in drie deelgebieden aangetroffen, waarschijnlijk als gevolg van bodemberoering/afgraven. In ven D is duizendknoopfonteinkruid niet meer aangetroffen, evenals snavelzegge. Samengevat Ven C is verreweg het rijkst aan de soorten uit tabel 4.3. dat geldt zowel voor het totaal aantal soorten als voor soorten van slenken, hoogveenbulten en lichte aanrijking. Bovendien is dit het enige ven/deelgebied waaruit ten opzichte 2012 geen soorten zijn verdwenen. Wel zijn er twee (veenmos)soorten nieuw verschenen.
Ook soortenrijk, maar beduidend minder dan C, zijn de vennen A, E, F en I/Iz. De grootste toename in soorten tussen 2012 (voor de laatste herinrichting) en 2021 (na de inrichting) heeft plaatsgevonden in ven A en in iets mindere mate in B. Afgezien van ven C zijn uit alle vennen/deelgebieden soorten verdwenen en dan met name uit ven D en I/Iz. Het merendeel (2/3) van die soorten betreffen veenmossen.
28
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
Ven C: het rijkst aan plantensoorten die kenmerkend zijn voor vennen. Bovendien één van de weinige groeiplaatsen in Nederland van veenbloembies (foto A&W, maart 2022).
4.2.4 Fauna De ontwikkeling van kenmerkende faunasoorten wordt hier per soortgroep kort besproken. Zie voor de kenmerkende soorten van habitattypen en SNL-beheertypen en de trends tabel 4.2b en voor de aanwezigheid per deelgebied en de ecologische indicatie tabel 4.4. Amfibieën en reptielen De heikikker heeft het moeilijk in het Mosterdveen. Waar in 2005/2006 nog in meerdere vennen (A, C en D) met zekerheid eiklompen werden gevonden, is dat in 2020 beduidend minder. Bovendien waren deze grotendeels beschimmeld. Ook werden er nauwelijks individuen gezien of gehoord. Tot voor kort werden in het voorjaar amfibieën over de weg naar de camping gezet, om slachtoffers te voorkomen. In 2021 is daarmee gestopt, omdat er geen dieren meer werden gevangen. Hoogstwaarschijnlijk hangt dat samen met het verdwijnen van overwinteringslocaties op de camping door herinrichtingswerkzaamheden daar. Het aantal waarnemingen van levendbarende hagedis was in 2005 en 2020 min of meer vergelijkbaar. De soort is in de loop der tijd uit meerdere deelgebieden verdwenen, maar is recent ook verschenen in deelgebieden (B, M) en teruggekeerd op locaties waar ze in 2012 niet meer voorkwam. Het zwaartepunt ligt in 2020 iets meer dan voorheen in het zuid(oost)elijke deel van het gebied. Ringslang is zowel in 2005, 2012 als 2020 enkele malen vastgesteld, steeds op andere locaties.
Zowel van levendbarende hagedis als ringslang is duidelijk dat er sprake is van voortplanting (Bouwman 2021). In 2014 is door Ecogroen Advies een hazelworm waargenomen aan de noordzijde van ven B, op een kapvlakte. Er zijn geen andere waarnemingen van deze soort. Ook komt (of kwam tot voor kort) in het zuidoostelijke deel van het gebied een kleine populatie voor van de
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
29
kamsalamander. In 2018 is voor het laatst voortplanting vastgesteld. Tijdens onderzoek in 2020 is de soort niet aangetroffen (Gilbert & Schippers 2022). Tabel 4.4 - Aanwezigheid van kenmerkende faunasoorten in deelgebieden (A-L = ven, M/P = heide, N/O = voormalige camping; zie figuur 4.1). Oranje = aanwezig in 2020, x = aanwezig in 2012, o = ontbrekend in 2012, wel aanwezig in 2000 en/of 2005. L, N en O zijn alleen gekarteerd in 2020. Waarnemingen uit 2005 zijn niet altijd tot op deelgebiedsniveau te herleiden. * waargenomen in 2014. Ook is de ecologische indicatie aangegeven van de soorten, waarbij dh = droge heide, vh = vochtige heide, zv = zuur ven/hoogveenven, zgv = zwak gebufferd ven. Soort
A
B
C
D
E
F
G
H
I
Iz
J
K
L
M
N
O
P
.
o
dh vh zv zgv
Amfibieën/reptielen
*
Hazelworm* Heikikker
x
o
o
o
Levendbarende hagedis
o
o
o
o
Ringslang
x
o
o
x
x x
x x
x
o
Dagvlinders Bruine vuurvlinder Gentiaanblauwtje Groot dikkopje Heideblauwtje
x
o
Groentje
o
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x x
x
x
x x
x
Heivlinder Hooibeestje Libellen Bruine winterjuffer
o
Gevlekte witsnuitlibel
x x x x x x
x x
x
Noordse witsnuitlibel
o
o
o
Venglazenmaker
x x
o
x
Koraaljuffer Tengere pantserjuffer
x
Venwitsnuitlibel
Beekoeverlibel Hoogveenglanslibel
x x x x
x o
x
x o
x
x
x
x
o
x
o
x
o
o
x
x
x x
x x
Sprinkhanen Heidesabelsprinkhaan Moerassprinkhaan
x
x
x x
x
x
x x
Dagvlinders De monitoringsinspanning is niet elk monitoringsjaar hetzelfde geweest, waardoor de jaren niet goed te vergelijken zijn. Wel zijn er enkele grote lijnen te zien. Naast verscheidene meer algemene soorten en een enkele zwerver, zijn verschillende soorten aangetroffen die kenmerkend zijn voor droge en/of vochtige heiden. Gentiaanblauwtje is in 2005 waargenomen bij ven I en plantte zich toen nog voort op de Grote heide. De soort is in 2012 ook nog gezien bij ven I, maar lijkt inmiddels verdwenen te zijn. Heideblauwtje kwam in 2012 geregeld voor. In 2020 waren de aantallen beduidend kleiner en ook het aantal deelgebieden. Vooral in de zuidoosthoek ontbreekt de soort nu. Het geringere aantal waarnemingen is wel in lijn met wat elders in het land gezien werd en hangt samen met de zeer droge zomers (o.a. vlinderstichting.nl). De heivlinder blijft een zeldzaamheid, die in 2000 (Grote heide) en 2020 incidenteel is waargenomen. Het groentje komt op een enkele plek voor, langs de randen van de heide. Deze soort lijkt iets te zijn toegenomen ten opzichte van eerdere jaren, maar dat kan ook toeval zijn. De bruine vuurvlinder, een soort van droge heide, is alleen in 2000 vastgesteld (in wat toen grasland was). Groot
30
A&W-rapport 21-100 Evaluatie Mosterdveen
dikkopje komt, met uitzondering van 2005 (toen alleen in ven F), steeds in verschillende delen van het gebied voor en dan vooral langs de randen van de vochtige heide. Wel is het aantal waarnemingen en deelgebieden in 2020 kleiner dan in 2012. Hooibeestje is in 2020 voor het eerst vastgesteld. Deze droge heidesoort lijkt te profiteren van de recente herinrichting (Bouwman 2021). Libellen Als alle soorten worden meegerekend (ook die niet in tabel 4.2b en 4.4. staan), is in 2020 sprake van een flinke toename van libellensoorten. Daarvan zijn er zeven kenmerkend voor zure en/of zwakgebufferde vennen. De gegevens van 2012 en 2020 zijn slecht te vergelijken met die van 2000 en 2005 vanwege het verschil in werkwijze (gebiedsdekkend versus enkele routes). Enerzijds zijn veel soorten van vennen achteruitgegaan, terwijl anderzijds ook soorten zijn toegenomen. Tot die laatste groep behoren een aantal breder verspreide en zuidelijke soorten (Bouwman 2021). Wat betreft de soorten uit tabel 4.2b, valt op dat in het gebied als geheel libellen van (ook) zwak gebufferde vennen (H3130, N06.05; ‘zgv’ in tabel 4.4) zijn toegenomen. Uitzondering is de bruine winterjuffer, die al lange tijd niet meer is waargenomen. Tengere pantserjuffer is nu de meest algemene soort en komt in alle vennen voor.
Ook de gevlekte witsnuitlibel (habitatrichtlijnsoort van Natura 2000-gebied Veluwe) is toegenomen: ze is nieuw vastgesteld in de vennen A en C. Kenmerkende soorten van zure vennen (H3160, H7110B, N06.06; ‘zv’ in tabel 4.4) zijn juist afgenomen en deels verdwenen. Met name venglazenmaker is in veel deelgebieden niet meer waargenomen. Dat zal ook samenhangen met het feit dat een deel van de vennen door de zeer warme zomers tegenwoordig vaker en/of verder droogvalt. In de vennen F, C en deels ook A handhaven soorten van deze ‘zure’ groep zich nog het beste. Ven F is het belangrijkste ven voor de kenmerkende soorten van zowel zwak gebufferde als zure vennen, gevolgd door ven A en C. Sprinkhanen In het Mosterdveen komen twee soorten sprinkhanen voor die kenmerkend zijn voor vochtige heide: heidesabelsprinkhaan en moerassprinkhaan. De heidesabelsprinkhaan kwam in 2012 geregeld voor in het zuidelijke deel van het gebied. In 2020 heeft de soort zich uitgebreid naar ook het noordelijke deel. Mogelijk is dat een effect van het verwijderen van de camping (Bouwman 2021). De moerassprinkhaan heeft zich van de omgeving van vooral ven E (en in mindere mate A , C, Iz) verspreid over alle niet te droge delen van het gebied.