Bijlage 8
Tekst van het document
Er is geen sprake van negatief effect op deze kernwaarde.
Ontwikkeldoelen GO Evenmin is sprake van effect op een van de ontwikkeldoelen voor de GO in het deelgebied. Puntsgewijs is dat hieronder uiteengezet: • Het plangebied ligt ver van de Hierdensche Beek als laaglandbeek en als poort tussen de Veluwe en Flevoland: houtwallen en singels, schrale graslanden en moeraszones. Er is geen sprake van negatief effect op dit ontwikkeldoel. • Het plangebied ligt aan de N310. Het voornemen doet echter geen afbreuk aan de uitwisseling met de omgeving of vermindering van de barrièrewerking A28 en spoorlijn en N308, N309 en N310. Door het initiatief wordt de ruimte voor uitwisseling niet kleiner en wordt de barrièrewerking van de N310 niet groter. Er is geen sprake van negatief effect op dit ontwikkeldoel. • Het plangebied ligt ver van potenties voor ontwikkeling landgoederen als (potentiële) verbinding tussen Veluwe en Randmeerkust voor o.m. Ree en Das. Er is geen sprake van negatief effect op dit ontwikkeldoel. • Het plangebied ligt ver van potentiele biotopen voor reptielen en amfibieën. Er is geen sprake van negatief effect op dit ontwikkeldoel. • Het plangebied ligt ver van cultuurhistorische patronen en beheersvormen. Er is geen sprake van negatief effect op dit ontwikkeldoel. • Het plangebied ligt ver van het kleinschalig landschap langs de voet van de Veluwe; houtsingels, beken en (schrale) graslanden.
Er is geen sprake van negatief effect op dit ontwikkeldoel.
Oppervlakte Er is sprake van verlies van oppervlak omdat de nieuwbouw een grotere voetafdruk heeft (ca. 569 m2) dan de bestaande te slopen bebouwing (ca. 500 m2). Per saldo gaat maximaal 69 m2 van de GO verloren onder de nieuwbouw. Omdat er minder parkeerplaatsen nodig zijn (25 in plaats van 33) is er wellicht
Natuurtoets sloop en nieuwbouw Elspeterweg 12, Nunspeet
28
ruimte om het oppervlak verharding te verkleinen. Bij verdere planuitwerking kan het verlies van oppervlakte wellicht worden opgeheven. Dat dient nader te worden uitgewerkt.
Samenhang Het verlies van samenhang heeft bij dit voornemen enkel te maken met verlies van oppervlak of verstoring van een voor de samenhang van belang zijnde verbinding, route of leefgebied. Van belangrijke verbindingen, routes of leefgebieden is geen sprake, zo blijkt uit H2 en H3. Oppervlakverlies is hiervoor behandeld. Verstoring is uitvoerig behandeld in voorgaand hoofdstuk. Geconcludeerd is dat verstoring niet leidt tot significant negatieve effecten. Er is geen sprake van negatief effect op de samenhang van het GNN of de GO.
Houtopstanden De Omgevingsverordening bevat regels voor bescherming van houtopstanden (zoals bedoeld in de Boswet, tegenwoordig Wet natuurbescherming) binnen de GO. Voor realisatie worden enkele bomen uit een houtopstand -zoals bedoeld in de Wet natuurbescherminggeveld. Daarvoor geldt compensatieplicht. Omdat het een deel van het bos betreft dat meer dan 25 jaar ontwikkeltijd nodig heeft, dient een oppervlak te worden gecompenseerd met een omvang van 1,66 maal het oppervlak van het gevelde bos. De compensatie moet worden gerealiseerd in of grenzend aan de GO, bij voorkeur aan of nabij het aangetaste gebied. De nieuwe situatie dient planologisch te worden verankerd in hetzelfde dan wel in een ander gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. Ook kan gekozen worden voor compensatie: • via een compensatiepoule, indien combinatie van ingreep en compensatie in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen plan niet mogelijk is of • op afstand van het gebied, indien fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het gebied en compensatie van gelijkwaardige natuur in een compensatiepoule niet mogelijk is.
4.6 Conclusie Nee, tenzij … toets Er treden geen negatieve effecten op het GNN of de GO op, behoudens onderstaande effecten: • Per saldo gaat bij realisatie van het initiatief 69 m2 van de GO verloren. Bij verdere planuitwerking kan het verlies van oppervlakte wellicht worden opgeheven. Ook kan een kwaliteitsimpuls worden gegeven aan de natuurwaarden in de directe omgeving. Dat dient nader te worden uitgewerkt. • Voor realisatie van het initiatief worden binnen de GO enkele bomen uit een houtopstand geveld. Daarvoor geldt compensatieplicht.
4.7 Houtopstanden (H4 Wet natuurbescherming) Zoals in voorgaand hoofdstuk al is beschreven, worden enkele bomen buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming geveld. Het betreft een “beschermde” houtopstand van meer dan 10 are groot. Conform artikel 4.2 geldt meldplicht van het voornemen tot kap en conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming geldt herplantplicht voor het gevelde deel van de houtopstand.
Natuurtoets sloop en nieuwbouw Elspeterweg 12, Nunspeet
29
Provincie Gelderland is bevoegd gezag: hier kan het voornemen tot kap worden gemeld. Herplant vindt niet op (exact) dezelfde locatie van de gevelde houtopstand plaats, maar elders op het terrein (figuur 4.3). Daarom moet een ontheffing Houtopstanden worden aangevraagd. Vanuit de bescherming van de GO wordt een groter aandeel herplant geëist, dan vanuit de bescherming van houtopstanden (H4 Wet natuurbescherming). De herplant uit het oogpunt van bescherming de GO is voldoende. Vanuit de bescherming van houtopstanden zijn geen aanvullende maatregelen nodig.
Figuur 4.3 Overzicht te vellen bomen en locatie boscompensatie (gearceerd, zie rode pijl).
Natuurtoets sloop en nieuwbouw Elspeterweg 12, Nunspeet
30
5. Geraadpleegde bronnen Literatuur Bekker J.P, P. Twisk & A. Diepenbeek (2010). Veldgids Europese zoogdieren. Uitgegeven door de KNNV en VZZ. BIJ12 (2017a). Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017b). Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017c). Kennisdocument Watervleermuis Myotis daubentonii. Versie 1.0, juli 2017. Broekmeyer, M.E.A. (2010). Update effectenindicator. Alterra, Alterra-rapport 1976. CROW (2018). CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeercijfers naar parkeernormen’. Ede. Hulskotte, J.H.J. & R.P. Verbeek (2009). Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstofafzet (EMMA). TNO-rapport met kenmerk TNO-034-UT-2009-01782_RPT-ML. Kok H.J.G. (2014). Update NOX-emissiefactoren kleine vuurhaarden, glastuinbouw en huishoudens. TNO-rapport TNO2014 R10584. TNO Earth, Life & Social Sciences, Utrecht. Ministerie van EZ (2014). Besluit van 11 juni 2014 tot aanwijzing van de Veluwe als Natura 2000-gebied (PDN/2014-057; Stcrt. 2014, 17732). Ministerie van EZ (2015). Besluit van de Minister van Economische zaken van 15 oktober 2015, DGAN-PDJNG / 15129301, houdende vaststelling van geactualiseerde Rode lijsten flora en fauna. Ministerie van EZ (2016).
Wijzigingsbesluit Natura 2000-gebied Veluwe (Directie Natuur & Biodiversiteit | DN&B/2016-057 | 057 Veluwe (wijziging)). Ministerie van LNV (2009). Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten, ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van VROM (2007). Emissiefactoren voor niet-snelwegen, stagnerend stadsverkeer, toetsjaar 2005 (versie 26 februari 2007). Provincie Gelderland (2018). Geconsolideerde Omgevingsvisie en -verordening Gelderland (december 2018). Provincie Gelderland (2018a). Beheerplan Natura 2000 Veluwe (057) en bijlagen. Vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Gelderland op 23 januari 2018 . Provincie Gelderland (2020). Een blik terug met luchtfoto’s en topografie. RIVM (2017). - Aerius- factsheet Wegverkeer - emissiefactoren standaard. Versie 1-9-2017 Sierdsema, H., J. van Diermen, B. Aarts, L. van den Bremer en A. van Kleunen (2008). Factsheets van broedvogels in de Natura 2000gebieden van Gelderland. SOVON-onderzoeksrapport 2008/14. SOVON, Beek-Ubbergen. Sierdsema, H. (2015). Toelichting abundantiekaart en aantalsschatting Zwarte Specht Veluwe. Sovon Vogelonderzoek Nederland,juni 2015. Slaa + van Asselt (2018). Quickscan Ruimtelijke Ontwikkeling. Project: Herbestemming / herontwikkeling locatie Elspeterweg 12 te Nunspeet. Opdrachtgever: Vano Vastgoed BV. Datum: 16 februari 2018.
Natuurtoets sloop en nieuwbouw Elspeterweg 12, Nunspeet
31
Sipma, J.M. & M.D.A. Rietkerk (2016). Ontwikkeling energiekentallen utiliteitsgebouwen: een analyse van 24 gebouwtypen in de dienstensector en 12 industriële sectoren. ECN-rapport nummer ECN-E--15-068. Smit, J. & R. Krekels (2008). Vliegend hert op de Veluwe. Beschermingsplan 2009-2013. Centraal bureau EIS-Nederland & Bureau Natuurbalans - Limes Divergens B.V. Rapportnummer: EIS2008-02. Staatsblad van het koninkrijk der Nederlanden (2016). Jaargang 2016, Nr. 34. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Van Manen W., van Diermen J., van Rijn S. & van Geneijgen P. (2011). Ecologie van de Wespendief Pernis apivorus op de Veluwe in 2008-2010, populatie, broedbiologie, habitatgebruik en voedsel. Natura 2000 rapport, Provincie Gelderland Arnhem NL / stichting Boomtop www.boomtop.org Assen NL. Vegte, F. van der, J. Bosman & D. Logemann (2014). Effectafstanden Natura 2000-Gebieden Veluwe en Rijntakken. Arcadis rapport nummer 077489585:A.9. 18 februari 2014. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2020). Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2021, oktober 2020.
Internet Atlas Gelderland (2020). Natura 2000 en Gelders natuurnetwerk kernkwaliteiten (https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers). Geraadpleegd 11 10 2018. NDFF (2020). Nationale Databank Flora en Fauna (https://ndff-ecogrid.nl). Geraadpleegd op 13 juli 2018 (soortbescherming) en 11 oktober 2018 (Natura 2000). Provincie Gelderland (2020) Een blik terug met luchtfoto’s en fotografie (http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=fd9d0455c7c943b096ac6d771f88c5cb) Ravon (2020). Reptielen en amfibieën informatie (https://www.ravon.nl). Sovon (2020). Vogelinformatie (https://www.sovon.nl.nl).
Natuurtoets sloop en nieuwbouw Elspeterweg 12, Nunspeet
32
Bijlagen
Bijlage 1 - Beschermde waarden binnen Natura 2000-gebied Veluwe VELUWE
SVI Landelijk
Oppervlak
Doelstelling Kwaliteit
Populatie
Habitattypen H2310
Stuifzandheiden met struikhei
--
>
>
H2320
Binnenlandse kraaiheibegroeiingen
-
=
=
H2330
Zandverstuivingen
--
>
>
H3130
Zwakgebufferde vennen
-
=
=
H3160
Zure vennen
-
=
>
H3260A
Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels)
-
>
>
H4010A
Vochtige heiden (hogere zandgronden)
-
>
>
H4030
Droge heiden
--
>
>
H5130
Jeneverbesstruwelen
-
=
>
H6230
*Heischrale graslanden
--
>
>
H6410
Blauwgraslanden
--
>
>
H7110B
*Actieve hoogvenen (heideveentjes)
--
>
>
H7140A
Overgangs- en trilvenen
=
=
H7150
Pioniervegetaties met snavelbiezen
>
>
H7230
Kalkmoerassen
=
=
H9120
Beuken-eikenbossen met hulst
-
>
>
H9190
Oude eikenbossen
-
>
>
H91E0C
*Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)
-
=
>
-
Habitatsoorten H1042
Gevlekte witsnuitlibel
--
>
>
>
H1083
Vliegend hert
-
>
>
>
H1096
Beekprik
--
>
>
>
H1163
Rivierdonderpad
-
>
=
>
H1166
Kamsalamander
-
=
=
=
H1318
Meervleermuis
-
=
=
=
H1831
Drijvende waterweegbree
-
=
=
=
Broedvogels A072
Wespendief
+
=
=
100
A224
Nachtzwaluw
-
=
=
610
A229
IJsvogel
+
=
=
30
A233
Draaihals
--
>
>
100
A236
Zwarte Specht
+
=
=
400
A246
Boomleeuwerik
+
=
=
2400
A255
Duinpieper
--
>
>
hervestiging
A276
Roodborsttapuit
+
=
=
1100
A277
Tapuit
--
>
>
100
A338
Grauwe Klauwier
--
>
>
40
Bijlage 2 – Regels ter bescherming van de Groene Ontwikkelzone Artikel 2.7.2.1 Beschermingsregime GO. 1) In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, tenzij: a) geen reële alternatieven aanwezig zijn; b) sprake is van redenen van groot openbaar belang; c) de negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; en d) de overblijvende negatieve effecten op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang gelijkwaardig worden gecompenseerd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 2.7.1.1, derde tot en met zesde lid, en 2.7.1.3. 2)
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kunnen nieuwe kleinschalige ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, mits: a) in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt; en b) deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
Artikel 2.7.2.2 Uitbreiding. 1) In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kan uitbreiding van bestaande functies met meer dan 30 procent mogelijk worden gemaakt, indien in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt en deze versterking is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. 2)
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan in een bestemmingsplan de uitbreiding van bestaande grondgebonden landbouwbedrijven en van extensieve openluchtrecreatie met meer dan 30 % mogelijk worden gemaakt, indien: a) uit de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast; en b) deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel in een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan.
3)
Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de uitbreiding van landgoederen in de zin van de Natuurschoonwet, voor zover het daarbij opstallen betreft als bedoeld in het Toelatingsbesluit Natuurschoonwet.
4)
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO kan uitbreiding van bestaande functies met ten hoogste 30% mogelijk worden gemaakt, indien: a) uit de toelichting blijkt dat de uitbreiding zodanig wordt ingepast in het betreffende landschapstype dat de kernkwaliteiten, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo niet significant worden aangetast; en b) deze inpassing planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.
Artikel 2.7.2.3 Het vellen van een houtopstand 1) In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de GO wordt een functie, ten behoeve waarvan een houtopstand als bedoeld in de Boswet dient te worden verwijderd, anders dan in het kader van de normale bosexploitatie, slechts mogelijk gemaakt indien wordt voorzien in een extra compensatie voor het areaal bos dat verloren gaat. 2)
De compensatie als bedoeld in het eerste lid: a) wordt gerealiseerd in of grenzend aan de GO; b) voor zover mogelijk wordt gerealiseerd aan of nabij het aangetaste gebied, met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat; c) planologisch wordt verankerd in hetzelfde dan wel in een ander gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan; d) plaats vindt in een compensatiepoule, indien combinatie van ingreep en compensatie in hetzelfde of een gelijktijdig vast te stellen plan niet mogelijk is; e) plaats vindt op afstand van het gebied, indien fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het gebied en compensatie van gelijkwaardige natuur in een compensatiepoule niet mogelijk is.
2)
De omvang van de compensatie wordt bepaald door de omvang van het aangetaste areaal waarbij op de volgende wijze een toeslag op de omvang van het aangetaste areaal wordt berekend, zowel in oppervlak, als in budget, te onderscheiden in de categorieën: a) natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag; b) natuur met een ontwikkeltijd tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer; c) natuur met een ontwikkeltijd tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak, vermeerderd met de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer; d) bij natuur met een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag van tenminste 2/3 in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer is maatwerk.
3)
Indien fysieke compensatie aantoonbaar niet, of niet volledig mogelijk is, wordt een financiële compensatie bepaald aan de hand van: a) de kosten van aanschaf en verwerving van vervangende grond op dezelfde plaats; b) de kosten van basisinrichting; c) de kosten van ontwikkelingsbeheer gedurende de ontwikkelingstijd.
4)
De kosten als bedoeld in het tweede en derde lid worden gelabeld aan de betreffende ingreep in het provinciaal compensatiefonds gestort.